Mijn meest vriendelijke collega ooit was Carlo. Hij was actuarieel rekenaar en had econometrie gestudeerd. Hij woonde vlak bij kantoor en ging iedere middag thuis lunchen. Carlo was bepaald een man van gewoontes. Iedere dag koffie op hetzelfde tijdstip en vele vaste rituelen gaven hem regelmaat en daarmee vreugde in het leven.Zijn grootste passie was duivenmelken. Hij liet graag foto’s zien en kon leuk vertellen over de vluchten die zijn duiven maakten. Ook wel een beetje saai eigenlijk, wat zeg ik, het was meer een ideaal slaapmiddel. Maar dat maakte hem er niet minder aardig om.
Op een middag zat ik op kantoor in de zomer met de ramen wagenwijd open. Carlo was een paar dagen vrij aan het klussen aan het duivenhok. Ik hoorde wat vaag gefladder en ineens; “BATS!!!!!“. Vloog er een duif tegen de binnenkant van het raam. Het doffertje lag voor apegapen op de grond en iedereen vond het zielig, terwijl ik van schrik het dopje van mijn bic-pen had doorgeslikt. Dus pakte ik die witpen op en maakte koers naar Carlo.
Hij was druk in de weer met die duiven en toen zag ik voor het eerst iemand “hoe-oe“ roepen en naar voren bewegen. Dat zag er best maf uit - ook zonder die stofjas die half onder de duivenpoep zat. Ik riep hem en hij herkende me direct, maar volgens mij vond hij het niet leuk dat ik in zijn privé domein kwam. Hij begroette me koeltjes en nam het duifje aan. Hij keek er naar en draaide toen het beestje de nek om. Ik werd een beetje bang. Dat kwam door dat vreemde hoge hok boven op die garage en die herrie van die duiven en die stofjas, maar vooral door die rare blik in zijn ogen. Ik vroeg me ineens af of die Carlo niet stiekem een serial killer zou zijn, die zijn slachtoffers voerde aan de duiven. En terwijl ik mezelf een beetje zat op te draaien vroeg hij me of ik koffie wilde.
We liepen naar het huis en zijn moeder zat aan tafel. Carlo schonk koffie in en keek naar de klok. Het was lunchtijd. Hij pakte een doosje uit de kast en begon met zijn moeder Yhatzee te spelen, mij volkomen negerend. Pas toen ik opstond, liep hij mee naar de deur en zei, "wel zonde van die duif, maar ze had niet langer.” Ik liep door de gang en zag allemaal tegeltjes met spreuken. Eentje blijft me bij; “Doodgewoon is niet zo gek.“ Bij het hek stond ik nog stil om te zien dat Carlo naar de duiven liep, en hij riep: “hoeoe.”
Dick Groen


