Salarisnieuws

Maandag, 06 Sep

Laatste update02:24:19 PM GMT

01 Agrarische sector
U bevindt zich op 01 Agrarische sector

01 Agrarische sector

Sector 01 - Open Teelten 1-1-2009 tm 30-6-2010

E-mailadres Afdrukken PDF

COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST VOOR DE  OPEN TEELTEN
1 januari 2009 t/m 30 juni 2010

© 2009 Actor Bureau voor sectoradvies
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en / of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook en evenmin worden opgeslagen in een databank met als doel een terugzoekmogelijkheid te verschaffen aan derden, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van partijen bij de cao alsmede van Actor Bureau voor sectoradvies te Zoetermeer.
ISBN 9789079788095

De cao Open Teelten is afgesloten tussen:
Land- en tuinbouworganisatie LTO Nederland te Den Haag, namens de bij haar aangesloten regionale organisaties.
Nederlandse Bond van Boomkwekers NBvB te Bunnik
Nederlandse Fruittelers Organisatie NFO te Zoetermeer
Koninklijke Handelsbond voor Boomkwekerij- en Bolproducten (Anthos)
Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur KAVB te Hillegom
en
FNV Bondgenoten te Utrecht
CNV BedrijvenBond te Utrecht

Voorwoord
Voor u ligt de Collectieve Arbeidsovereenkomst (cao) voor de Open Teelten, welke een looptijd kent van 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2010.
Deze cao is van toepassing voor de volgende sectoren: akkerbouw, bloembollenteelt, buitenbloemen, boomkwekerij, fruitteelt en vollegrondsgroenteteelt.
Bij deze cao hoort ook een functiehandboek open teelten, dat als een aparte uitgave beschikbaar is.
Door algemeen verbindend verklaring (AVV) zijn de meeste bepalingen van deze cao van toepassing op alle werkgevers en werknemers die bij inwerkingtreding of gedurende de looptijd van de AVV onder de werkingssfeer vallen of komen te vallen.
Sommige bepalingen worden bij het verzoek tot AVV buiten beschouwing gelaten. Deze bepalingen zijn daarom slechts bindend voor de georganiseerde werkgevers en hun werknemers. Bepalingen over pensioenen zijn geregeld in het pensioenreglement. Deze bepalingen worden niet via de cao, maar via de verplichtstelling van het pensioenfonds opgelegd aan alle werkgevers/werknemers, die onder deze verplichtstelling vallen.
Bovendien komt het voor dat het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bepalingen buiten de AVV laat. Ook deze bepalingen zijn slechts bindend voor de georganiseerde werkgevers en hun werknemers. Cao-bepalingen die naar hun aard niet voor AVV in aanmerking komen zijn bijvoorbeeld bepalingen over pensioenen, herverzekering van eigen risico’s van werkgevers en bepalingen die geen verband houden met arbeid.

In het AVV-besluit is te vinden welke bepalingen binnen de AVV vallen. Het besluit tot AVV wordt door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gepubliceerd op de site van de directie
Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving (www.cao.szw.nl) en op de site van de Staatscourant (www.sconline.nl).
Aan de in deze cao opgenomen protocollaire bepalingen zal gedurende de looptijd van deze cao vorm worden gegeven.

Werkgelegenheidscentrum

Sociale partners hebben besloten, gelet op de gevolgen van de economische crisis voor de sector Open Teelten om een werkgelegenheidscentrum in te stellen. Hiervoor is een protocollaire afspraak in deze cao opgenomen.

 


INHOUDSOPGAVE

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN 7
Artikel 1 Werkingssfeer 7
Artikel 2 Beperkte toepassing voor enkele groepen werknemers 7
Artikel 3 Definities 7
Artikel 4 Verplichtingen van de werknemers- en werkgeversorganisaties 9
Artikel 5 Verplichtingen van de werkgever 9
§ 1. Algemeen 9
§ 2. Gedragslijn bij overname, fusie, reorganisatie en bedrijfsbeëindiging 9
§ 3. Sociaal beleid 9
§ 4. Bestrijdingsmiddelen 10
Artikel 6 Verplichtingen werknemer 10
Artikel 7 Branche RI&E 10

HOOFDSTUK 2 HET DIENSTVERBAND 11
Artikel 8 Indienstneming en beëindiging van de arbeidsovereenkomst 11
Artikel 9 Bijzondere bepaling voor de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd 13
Artikel 10 Gelegenheidswerk 13
Artikel 10a Regeling voor de seizoensarbeider 13

HOOFDSTUK 3 ARBEIDSDUUR EN ARBEIDSTIJDEN 15
Artikel 11 Algemene bepalingen 15
Artikel 12 Arbeidstijd per jaar 16
Toeslagen en beloningen 16
Artikel 13 Verschoven uren 17
Artikel 13a Overbruggingsregeling arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd 17
Artikel 13b Onwerkbaar weer (dit artikel geldt van 1 februari 2010 – 1 april 2010) 17

HOOFDSTUK 4 FUNCTIEWAARDERING EN BELONING 18
Artikel 14 Functie-indeling en beloning 18
Artikel 15 Loon en vergoedingsregeling 19
Artikel 16 Toeslagen 20
Artikel 17 Brutoloonniveau en fiscale regelingen 20

HOOFDSTUK 5 ARBEIDSONGESCHIKTHEID 21
Artikel 18 Arbeidsongeschiktheid 21
Artikel 19 Betalingsverplichtingen werkgever bij arbeidsongeschiktheid en regresrecht 21
Artikel 19a Verzuimbegeleiding 22
Artikel 19b Uitzonderingen 22
Artikel 19c Verdeling gedifferentieerde WGA premie 23
Artikel 20 Vervallen van de doorbetalingsverplichting voor werkgever 23
Artikel 21 Geneeskundig onderzoek 23

HOOFDSTUK 6 VAKANTIE EN VERLOF 24
Artikel 22 Vakantie en vakantietoeslag 24
Artikel 22a Extra vakantiedagen bij langdurig dienstverband 24
Artikel 23 Doorbetaald bijzonder verlof 25
Artikel 24 Bijzonder verlof zonder behoud van loon 26

HOOFDSTUK 7 OVERLIJDENSUITKERING, PENSIOENEN EN VUT 27
Artikel 25 Uitkering bij overlijden 27
Artikel 26 Pensioen 27
Artikel 27 Regeling vrijwillig vervroegd uittreden (VUT) 27

HOOFDSTUK 8 OVERIGE BEPALINGEN 28
Artikel 28 Uitzendwerk en uitzendkrachten 28
Artikel 29 Vakbondsfaciliteiten 28
Artikel 30 Sociale fondsen, bijlage X 28
Artikel 31 Jubileumuitkering 28
Artikel 32 Reiskosten woon-werkverkeer 29
Artikel 32a Huisvesting 29
Artikel 33 Scholing 30
Artikel 34 Tussentijdse wijziging 30
Artikel 35 Beroep tegen cao-indeling 30
Artikel 35a Uitleg cao-bepalingen 30
Artikel 35b Geschillen over toepassing cao-bepalingen 30
Artikel 35c Geschillen procedure via rechter 31
Artikel 35d Inspanning cao-partijen 31
Artikel 36 Dispensatie 31
Artikel 37 Tussentijds overleg 31
Artikel 38 Bepalingen in strijd met deze cao 31
Artikel 39 Beëindiging van de cao 31

Bijlage I Werkingssfeer cao’s agrarische sectoren 32
Bijlage II Functieraster, behorende bij artikel 3 en 14 33
Bijlage III Toelichting bij artikel 14 en loontabellen, behorende bij artikel 14 lid 3 en artikel 15 34
Bijlage IVa Lonen per 1 juli 2008 – nieuw loongebouw Open Teelten alle sectoren,behorend bij artikelen 14 en 15 35
Bijlage IVb Lonen per 1 september 2009 Open Teelten alle sectoren, behorend bij artikelen 14 en 15 36
Bijlage V Wettelijk Minimumloon 37
Bijlage VI Collectief fonds inzake betaling bij ziekte (SAZAS) behorend bij artikel 19 38
Bijlage VIa Behorend bij artikel 19, overgangsbepalingen 39
Bijlage VII Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw (BPL) behorend bij artikel 26 41
Bijlage VIII Vervroegde Uittreding behorend bij artikel 27 43
Bijlage IX Suwas II aanvulling WAO/WIA-uitkering oudere werknemers behorend bij artikel 19 44
Bijlage X behorende bij artikel 30 Fondsen in relatie tot Colland 45
Bijlage XI Loonsom voor Heffingen, behorend bij artikel 3 46
Bijlage XII Overbruggingsregeling vaste arbeidsovereenkomsten behorend bij artikel 13A 47
Bijlage XIII Inzake medezeggenschapsorgaan; definities behorend bij artikel 3, sub j 49
Bijlage XIV Voorschriften bij ziekteverzuim, behorende bij artikel 18 50
Bijlage XV Wet Verbetering Poortwachter 51
Bijlage XVI Wet Arbeid en Zorg 52
Bijlage XVII Wet op de Medische Keuringen (WMK) 55
Bijlage XVIII Protocolbepalingen 56
Bijlage XIX Wetsartikelen Burgerlijk Wetboek 57
Bijlage XX Geschillen over toepassing cao-bepalingen, behorend bij artikel 35b 64
Bijlage XXI Verdeling gedifferentieerde WGA premie, behorend bij artikel 19c 65
Bijlage XXII Adressen cao-partijen 66
Bijlage XXIII Overige adressen 68

 


HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1 Werkingssfeer
1. In deze cao wordt onder werkgever verstaan:
Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onderneming uitoefent waarin de bedrijfsactiviteiten en/of arbeidsuren uitsluitend of in hoofdzaak aan een open teelt worden besteed.
Onder Open Teelten worden verstaan plantaardige teelten in de open lucht en plantaardige teelten niet permanent onder glas of - plastic, maar met inbegrip van de boomkwekerij en aanverwante handelsactiviteiten die onder glas of plastic plaatsvinden.
2. De arbeidsuren zijn inclusief de uren die via handmatige loonbedrijven, uitzendbureaus en overige derden binnen de onderneming aan Open Teelten worden besteed.
3. Juridisch zelfstandige delen van ondernemingen, waarvan de bedrijfsactiviteiten en/of arbeidsuren uitsluitend of in hoofdzaak worden besteed aan activiteiten als bedoeld in artikel 1 lid 1 van deze cao, vallen voor wat betreft dat deel van de onderneming onder deze cao, tenzij zij behoort of behoren tot een concern in de zin van artikelen 2:24a en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
4. Indien de onderneming voldoet aan het bepaalde in de zin van de artikelen 2:24a en volgende van het Burgerlijk Wetboek én kan worden aangemerkt als een dochtermaatschappij, dan wel kan
worden gerekend tot een groep, zoals bedoeld in artikel 2:24b van het Burgerlijk Wetboek én de
bedrijfsactiviteiten zijn substantieel verschillend van aard in de verschillende dochterondernemingen of groepen van ondernemingen, dan is het de werkgever toegestaan om een keuze te maken voor
één of meerdere cao’s van de primaire agrarische sectoren, mits de keuze recht doet aan de totale activiteiten van de betrokken onderneming of ondernemingen.
5. Onverminderd wat in de voorgaande leden is bepaald geldt dat:
a. indien binnen één en dezelfde onderneming meerdere bedrijfsactiviteiten plaatsvinden die vallen binnen de werkingssfeer van de verschillende cao’s in de primaire agrarische sector, én
b. niet is te bepalen of de bedrijfsactiviteiten en / of arbeidsuren uitsluitend of in hoofdzaak onder
deze cao of een andere cao valt, dan heeft de werkgever de keuze om te bepalen welke cao van toepassing zal zijn voor zijn onderneming, mits de bedrijfsactiviteiten, waarop die keuze is bepaald, een substantieel onderdeel zijn van zijn onderneming.
6. Tegen deze indeling door de werkgever kan beroep worden ingesteld volgens de procedure
omschreven in artikel 35 van deze cao.
7. Uitzendbureaus zijn van de werkingssfeer uitgesloten, behoudens hetgeen is bepaald in artikel 28.
 
Artikel 2 Beperkte toepassing voor enkele groepen werknemers
1. Voor een werknemer die een feitelijk loon geniet dat het max. premie SV-loon te boven gaat zijn de hoofdstukken 3 en 4 van deze cao niet van toepassing.
2. Op de werknemer die aangesteld is in de functie van bedrijfsleider en een lager loon geniet dan het maximale premie SV-loon is hoofdstuk 3 van deze cao niet van toepassing.
3. De in leden 1 en 2 bedoelde maximum premie-inkomensgrens voor werknemersverzekeringen
bedraagt voor het gehele jaar 2009 € 47.802. Per 1 januari 2010 bedraagt dit € 48.716
 
Artikel 3 Definities
a. werkgever: de natuurlijke persoon of rechtspersoon, die een onderneming uitoefent zoals bedoeld in artikel 1.
b. werknemer: hij of zij die een arbeidsovereenkomst in de zin van het BW heeft met een werkgever als bedoeld onder artikel 3 sub a.
c. seizoensarbeider: een werknemer die op basis van een contract voor bepaalde tijd, met een maximum van 6 maanden, wordt ingezet voor relatief eenvoudige (oogst)werkzaamheden.
d. gelegenheidsarbeider: een werknemer die gedurende maximaal 8 weken aaneengesloten werkzaamheden verricht bij dezelfde werkgever.
e. stagiair: iemand, niet zijnde een werknemer, die in het kader van zijn studie of opleiding praktische ervaring opdoet in een onderneming.
f. zaterdaghulp: de werknemer die uitsluitend werkzaamheden verricht op zaterdag.
g. dienstrooster/arbeidstijdenregeling: een regeling die aangeeft op welke tijdstippen de werknemer zijn werkzaamheden aanvangt, onderbreekt en beëindigt.
h. functievolwassen leeftijd: een leeftijd van 22 jaar of ouder.
i. jeugdige werknemers: werknemers met een leeftijd van 21 jaar of jonger.
j. medezeggenschapsorgaan: de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging als bedoeld in de Wet op de Ondernemingsraden.
k. BW: Burgerlijk Wetboek.
l. feest- en gedenkdagen: Nieuwjaarsdag, 2e Paasdag, Hemelvaartsdag, 2e Pinksterdag, beide Kerstdagen, en de door de overheid aangewezen dag ter viering van Koninginnedag en 5 mei.
m. ouders en kinderen: in deze cao zijn aan ouders en kinderen gelijkgesteld stief- en pleegouders en stief- en pleegkinderen.
n. arbeidsgehandicapte: persoon met structureel functionele beperkingen.
o. maand: een kalendermaand.
p. maandloon: het weekloon vermenigvuldigd met 52,2 en gedeeld door 12.
q. weekloon: het bedrag als vermeld in de loonschalen dan wel hiervan afgeleid op grond van de desbetreffende bepalingen inzake loonsverhogingen, leeftijd, functiegroep en functiejaar.
r. uurloon: het weekloon behorend bij de overeengekomen omvang van de arbeidsovereenkomst,
gedeeld door het bij arbeidsovereenkomst overeengekomen aantal uren per week.
s. feitelijk loon: het door werkgever en werknemer overeengekomen brutoloon.
t. uur: een tijdsperiode van 60 minuten.
u. bedrijfstijd: de tijd dat er binnen of ten behoeve van de onderneming werkzaamheden verricht kunnen worden.
v. arbeidstijd: de tijd gedurende welke de werknemer:
a. werkzaamheden verricht dan wel daartoe ter beschikking van de werkgever moet blijven;
b. in beginsel geen arbeid verricht in verband met de viering van een algemeen erkende
feestdag of een andere door de Nederlandse overheid aangewezen dag, voor zover niet op een zaterdag of zondag vallend, dan wel in verband met de viering van de verjaardag van de koningin of een andere nationale feestdag;
c. geen arbeid verricht wegens ziekte of ongeval, dan wel wegens vakantie, vakonderwijs of kort verzuim.
w. functie: de typering van de werkzaamheden volgens de systematiek van het handboek functieindeling agrarische sectoren waarvoor de werknemer is aangesteld.
x. functiejaar: het aantal jaren dat werkzaamheden in een bepaalde functie feitelijk zijn uitgeoefend. y. loongroep: de door de functie-indeling bepaalde loongroep vermeld in het loongebouw in artikel 4, Bijlage II.
z. bedrijfsleider: degene die de leiding heeft over een bedrijf / onderneming of daar binnen van een organisatorische eenheid.
aa. BTER-loon: Bedrijfstakeigenregeling-loon; zie bijlage XI.
ab. 1. uitzendovereenkomst: de arbeidsovereenkomst, waarbij de ene partij als werknemer door de
andere partij als werkgever in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van die werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde, om krachtens een door deze aan die werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde;
2. uitzendkracht: de natuurlijke persoon die met de uitzendonderneming een uitzendovereenkomst aangaat, zijnde de werknemer als bedoeld onder 1., in de zin van titel 7.10 BW;
3. uitzendonderneming: de natuurlijke persoon of rechtspersoon met inbegrip van een handmatig loonbedrijf, detacheringbureau, die een werknemer zoals bedoeld onder a. ter beschikking stelt van (uitzendt naar) de werkgever.

Artikel 4 Verplichtingen van de werknemers- en werkgeversorganisaties
1. Werknemers- en werkgeversorganisaties verplichten zich deze cao na te komen.
2. Werknemers- en werkgeversorganisaties verbinden zich met alle hun ten dienste staande middelen nakoming van deze cao door hun leden te bevorderen.
3. Werknemers- en werkgeversorganisaties verplichten zich te zullen bevorderen dat in de sector individuele arbeidsovereenkomsten worden overeengekomen, waarin deze cao van toepassing wordt verklaard.
 
Artikel 5 Verplichtingen van de werkgever
§ 1. Algemeen
1. De werkgever verplicht zich geen werknemers in dienst te nemen of te houden op voorwaarden die in strijd zijn met hetgeen in deze cao is bepaald.
2. De werkgever zal na overleg gelegenheid bieden om vakbondsactiviteiten te ondernemen voor zover dit de normale voortgang van de organisatie niet belemmert.
3. De werkgever als bedoeld in één van de hieronder genoemde cao’s (volgens de laatste verlenging allen geldig tot en met 31 maart 2001) verplicht zich jegens werknemers die bij de totstandkoming van deze cao reeds bij hem in dienst waren tot het volgende. De werkgever zal de individuele rechten die de werknemer door afwijkingen in zijn arbeidsovereenkomst ten opzichte van bedoelde cao’s heeft opgebouwd, onverkort handhaven ingeval in de nieuwe cao geen afspraak over het betrokken onderwerp is gemaakt: 
- cao voor de paddenstoelenteelt;
- cao landbouw;
- cao tuinbouw;
- cao boomkwekerij;
- cao bloembollenbedrijf.
§ 2. Gedragslijn bij overname, fusie, reorganisatie en bedrijfsbeëindiging
4. a. De werkgever zal een voornemen tot overname, fusie, reorganisatie en / of bedrijfsbeëindiging niet ten uitvoer brengen, tenzij de vakbonden en het medezeggenschapsorgaan hierover tijdig zijn ingelicht.
b. Ten aanzien van alle werkgevers geldt dat door de werkgever in een zodanig stadium van
voorbereiding contact met de betreffende vakbond(en) wordt opgenomen over de rechtspositie van de bij hem in dienst zijnde werknemer(s) dat de te nemen besluiten nog beïnvloedbaar zijn.
c. De werkgever zal mogelijke vacatures melden aan het werkgelegenheidscentrum Open Teelten (WGOT)
d. Bij afspraken tussen sociale partners over opleiding, bijscholing en overplaatsingen van werknemers, wordt het WGOT betrokken.
§ 3. Sociaal beleid
5. Met inachtneming van het bepaalde in de Wet op de Ondernemingsraden zal de werkgever het medezeggenschapsorgaan periodiek inlichten en raadplegen omtrent de algehele gang van zaken in de onderneming in het algemeen en meer in het bijzonder omtrent het gevoerde personeelsbeleid.
6. De werkgever zal bij aanstelling en de tewerkstelling zoveel als redelijkerwijs mogelijk is gelijke kansen bieden aan arbeidsgehandicapten en niet-arbeidsgehandicapten. De werkgever zal er naar streven arbeidsgehandicapte werknemers op passende wijze te werk te stellen.
7. Met inachtneming van objectief aan de functie verbonden eisen, is het niet toegestaan om gelijkwaardige werknemers gelijke kansen op arbeid en gelijke kansen in de arbeidsorganisatie te onthouden op grond van factoren als leeftijd, sekse, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, levensof geloofsovertuiging, huidskleur, ras, of etnische afkomst, nationaliteit of politieke keuze.
8. De werkgever is gehouden een zodanig beleid te voeren dat de werknemers in de werkorganisatie zoveel mogelijk worden gevrijwaard van ongewenste intimiteiten of intimidatie. Van ongewenste intimiteiten of intimidatie is sprake, indien de werknemer door oneigenlijk gebruik van gezag, waaraan betrokkene krachtens arbeidsovereenkomst is gehouden, uitdrukkelijk tegen zijn wil wordt gedwongen ongewenste gedragingen of seksuele handelingen te ondergaan. Tevens is sprake van ongewenste intimiteiten of intimidatie wanneer een werknemer in de werksituatie wordt geconfronteerd met woorden of daden op seksueel gebied, waarvan deze duidelijk laat blijken en / of pleger redelijkerwijs moet begrijpen, dat de werknemer deze ongewenst vindt.
§ 4. Bestrijdingsmiddelen
De werkgever dient, bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zich te houden aan de betreffende bepalingen opgenomen in hoofdstuk 4 van het Arbobesluit en in het Bestrijdingsmiddelenbesluit. Tevens draagt de werkgever er zorg voor dat de genoemde bepalingen genoegzaam bekend zijn gemaakt bij de werknemers.

Artikel 6 Verplichtingen werknemer
1. De werknemer is gehouden de belangen van de onderneming van de werkgever als een goed werknemer te behartigen, ook indien daartoe geen uitdrukkelijke opdracht is gegeven.
2. De werknemer is gehouden alle hem door of namens de werkgever opgedragen werkzaamheden, voor zover deze redelijkerwijze van hem kunnen worden verlangd, zo goed mogelijk uit te voeren en daarbij alle verstrekte aanwijzingen en voorschriften in acht te nemen.
3. De werknemer zal zich voor wat betreft zijn werk- en rusttijd houden aan het voor hem geldende dienstrooster.
4. De werknemer is gehouden zich te gedragen naar de in de onderneming van de werkgever geldende regels, welke niet in strijd zijn met de wetgeving of het gestelde in deze cao, zoals het opvolgen van voorschriften voor het dragen van beschermende kleding en/of andere, ter bescherming van het welzijn en de gezondheid van de werknemer, verstrekte middelen.
5. In geval de werkgever op grond of naar aanleiding van de arbeidsongeschiktheid van de werknemer tegen één of meer derden een vordering tot schadevergoeding kan doen gelden, zal de werknemer de daartoe benodigde informatie verstrekken.
6. Een werknemer is binnen zijn vermogen verplicht, indien het bedrijfsbelang en of de functie dat vergt, zich te laten (bij)scholen.
 
Artikel 7 Branche RI&E
1. Er is een branche Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E)- ontwikkeld voor alle sectoren binnen de sector Open Teelten. De branche-RI&E is schriftelijk en digitaal beschikbaar en is te downloaden via www.stigas.nl. De schriftelijke methode is op te vragen bij Stigas, als onderdeel van Colland.
2. Partijen stemmen in met deze RI&E-methodiek. Het branchespecifieke RI&E- instrument is naar de stand van de wetenschap en conform het Model zoals bedoeld in het arbo besluit artikel 2 lid 14b, ontwikkeld en wordt dientengevolge geacht actueel, volledig en betrouwbaar te zijn.
3. Indien een bedrijf de diensten met betrekking tot deskundige bijstand, conform de artikelen 13 en 14 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 zoals deze is gewijzigd op 1 juli 2005, betrekt van één van de gecertificeerde Arbo-diensten, verklaren partijen dat ook elders werkzame gecertificeerde
deskundigen zonder (aanvullende)werknemersovereenstemming kunnen worden aangewezen als
externe deskundige ondersteuning bij uitvoering en toetsing van een RI&E conform Artikel 14 lid 1a. van de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Deze mogelijkheid geldt ook indien gebruik wordt gemaakt van de maatwerkregeling.
4. Partijen hechten aan het tot stand brengen van een zo goed mogelijk arbobeleid in
de sector en streven er voortdurend naar een adequate en op de sector toegesneden vorm van
deskundige ondersteuning hierbij voor werkgevers en werknemers aan te bieden. Tijdens de looptijd van deze cao wordt de arbocatalogus afgerond.

 


HOOFDSTUK 2 HET DIENSTVERBAND
Artikel 8 Indienstneming en beëindiging van de arbeidsovereenkomst
1. Aard van de arbeidsovereenkomst
De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan:
- hetzij voor onbepaalde tijd;
- hetzij voor bepaalde tijd of voor een bepaald werk.
2. Proeftijd
Bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, kan een wederzijdse proeftijd van twee maanden worden overeengekomen, mits die schriftelijk is overeengekomen tussen de werkgever en werknemer. In de arbeidsovereenkomst kan ook een kortere termijn worden overeengekomen.
Bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan een schriftelijk tussen werkgever en werknemer overeengekomen proeftijd gelden van:
- maximaal 2 maanden bij een arbeidsovereenkomst van één jaar of langer;
- maximaal 1 maand bij een arbeidsovereenkomst van 3 tot 12 maanden;
- maximaal 2 weken bij een arbeidsovereenkomst korter dan 3 maanden.
3. Inhoud arbeidsovereenkomst
De arbeidsovereenkomst wordt in tweevoud opgemaakt. De werkgever draagt er zorg voor dat de werknemer een door beide partijen ondertekend exemplaar ontvangt van de overeenkomst. In de arbeidsovereenkomst wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 7: 655 BW, vastgelegd het aantal arbeidsuren dat per tijdsperiode (dag, week, maand, kwartaal, seizoen of jaar) wordt overeengekomen en hoe de verdeling van de uren over de tijdsperioden plaatsvindt. Eventuele wijzigingen van de arbeidsovereenkomst worden overeenkomstig behandeld.
4. Beëindiging van de arbeidsovereenkomst
a. Een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd door opzegging, behoudens:
- ontslag met wederzijds goedvinden;
- ontslag op staande voet wegens een dringende reden in de zin van de artikelen 7:678 en 7:679 BW;
- ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:685 BW;
- en tijdens of aan het einde van de proeftijd, in welke gevallen de dienstbetrekking wederzijds onmiddellijk kan worden opgezegd en zonder opzegtermijn worden beëindigd.
b. Voor opzegging heeft de werkgever toestemming van de aangewezen instantie nodig conform artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945. Bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst gelden de opzegtermijnen, zoals genoemd in sub c en d van dit lid en het bepaalde in lid 6 van dit artikel. De opzegging dient zodanig te geschieden dat het einde van de
arbeidsovereenkomst samenvalt met het einde van de maand.
Opzegtermijnen
c. Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd
I. Tegenover een werknemer die voor onbepaalde tijd in dienst is, bedraagt de door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging bij een arbeidsovereenkomst die op de dag van opzegging: a. korter dan vijf jaar heeft geduurd: één maand;
b. vijf jaar of langer, maar korter dan tien jaar heeft geduurd: twee maanden;
c. tien jaar of langer, maar korter dan vijftien jaar heeft geduurd: drie maanden;
d. vijftien jaar of langer heeft geduurd: vier maanden.
II. Voor zover er uit hetgeen onder I. is bepaald geen langere opzegtermijn voortvloeit, bedraagt de door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging tegenover een werknemer van 50 jaar en ouder die voor onbepaalde tijd in dienst is, minimaal drie maanden.
III. De door de werknemer in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt één maand.
IV. Bij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd mag er gedurende de eerste twaalf maanden van het arbeidsovereenkomst geen opzegging plaatsvinden, behalve in de proeftijd.
d. Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
Ingeval een werknemer in dienst is voor bepaalde tijd of voor een bepaald werk, eindigt het arbeidsovereenkomst zonder opzegging van rechtswege:
- op de kalenderdatum, of
- op de laatste dag van het tijdvak of bepaald geheel van werkzaamheden, genoemd in de individuele arbeidsovereenkomst, of
- op de dag waarop de werkzaamheden waarvoor de werknemer is aangenomen zodanig aflopen dat het aantal werknemers de benodigde capaciteit overtreft.
De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of bepaald geheel van werkzaamheden, kan ook tussentijds worden opgezegd, indien werkgever en werknemer bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of bepaald werk dit schriftelijk zijn overeengekomen met
inachtneming van de opzegtermijn genoemd onder sub c onder I en III.
5. Indien de toestemming bedoeld in artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 door de Centrale Organisatie Werk en Inkomen is verleend, wordt de door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging verkort met één maand, met dien verstande dat de resterende termijn van opzegging ten minste één maand bedraagt.
6. Einde bij arbeidsongeschiktheid
A. Voor de bepalingen in de hiernavolgende leden C en D geldt dat de werknemer zich dient te houden aan de regels die bij ziekteverzuim in de onderneming gelden en voldoende medewerking dient te verlenen aan de reïntegratieverplichtingen volgens de Wet Verbetering Poortwachter (WVP).
B. Indien de werknemer zonder gegronde redenen geen of onvoldoende medewerking verleent aan bovenstaande bepalingen heeft de werkgever de mogelijkheid om de loonbetaling inclusief de aanvulling, na voorafgaande waarschuwing te staken en kan de werkgever, onverlet hetgeen is bepaald in lid C en D het dienstverband beëindigen via de daartoe aangewezen weg.
C. Indien na 2 jaren van arbeidsongeschiktheid (ongeacht het arbeidsongeschiktheids- percentage) door de arbeidsdeskundige wordt vastgesteld dat er geen passende reïntegratiemogelijkheden zijn binnen het bedrijf van de werkgever dan kan het dienstverband worden beëindigd op voorwaarde dat volgens het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV WERKbedrijf) voldoende reïntegratieactiviteiten zijn verricht.
D. Indien volgens het UWV WERKbedrijf onvoldoende reïntegratieactiviteiten door de werkgever zijn verricht, is ontslag wegens arbeidsongeschiktheid na een periode van maximaal 3 jaar van arbeidsongeschiktheid mogelijk.
E. In afwijking van het bepaalde in artikel 7:670 lid 1 BW zal een eventuele arbeidsongeschiktheid wegens ziekte - ongeval hieronder begrepen - niet aan een normale opzegging als bedoeld in dit artikel in de weg staan.
F. Ingeval echter de werknemer met een dienstverband voor onbepaalde tijd of met een dienstverband voor bepaalde tijd of bepaald werk met tussentijdse opzeggingsmogelijkheid tijdens arbeidsongeschiktheid wordt opgezegd, geldt het volgende: indien de werknemer op het tijdstip waarop opzegging plaats heeft, 18 maanden of langer bij de betrokken werkgever onafgebroken in dienst is, zal de opzegging worden geacht niet te zijn geschied, indien de arbeidsongeschiktheid nog voortduurt op de laatste dag van de opzegtermijn. Het laatste geldt niet indien de betrokken werknemer bij de opzegging reeds twee jaar arbeidsongeschikt is.
7. Einde bij pensioen
De arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege op de laatste dag van de maand, waarin de 65-jarige leeftijd is bereikt.

Artikel 9 Bijzondere bepaling voor de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
In afwijking van het bepaalde in artikel 7:668a lid 1 BW geldt het volgende:
1. Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of bepaald werk gaat pas van rechtswege over in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, indien meer dan drie voor bepaalde tijd en/of bepaald werk aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 31 dagen.
2. Voor arbeidsovereenkomsten die elkaar met tussenpozen van niet meer dan 31 dagen hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden hebben overschreden, geldt met ingang van die dag de laatste overeenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd.
3. In onderling overleg tussen werkgever en werknemer kan een gesloten arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of voor een bepaald werk eenmaal per jaar worden verlengd met maximaal één maand zonder dat sprake is van een aansluitende verlenging van deze arbeidsovereenkomst.

Artikel 10 Gelegenheidswerk
1. In deze cao wordt onder de “gelegenheidsarbeider” verstaan:
a. De groep scholieren en studenten als bedoeld in artikel 3.13 lid 1 sub a van de Regeling ter uitvoering van de Wet financiering sociale verzekeringen (Regeling Wfsv) van 16 december 2004, Staatsblad 2005, nr 36.
b. De overige categorieën arbeiders als bedoeld in het voormalig Besluit Gelegenheidsarbeiders sector Agrarisch Bedrijf te weten huisvrouwen/-mannen, asielzoekers en de zelfstandige boer die werkzaam is als gelegenheidswerker.
c. De uitkeringsgerechtigde als bedoeld in artikel 51 lid 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Regeling Wfsv) van 16 december 2004, Staatsblad 2005, nr 36.
2. De gelegenheidsarbeider als bedoeld in lid 1 sub a en b mag ten hoogste acht aaneengesloten
weken per kalenderjaar in dienstbetrekking staan tot dezelfde werkgever.
3. De uitkeringsgerechtigde als bedoeld in lid 1 sub c heeft een dienstbetrekking van ten hoogste zes weken aaneengesloten en de werkgever is in het kalenderjaar niet eerder een dienstbetrekking met deze uitkeringsgerechtigde aangegaan. Tevens is voor een dienstbetrekking van deze
uitkeringsgerechtigde in het kalenderjaar niet eerder vrijstelling verleend.
4. De gelegenheidsarbeiders worden beloond volgens het voor hen geldende wettelijke bruto
minimum(jeugd)loon.
5. Voor de gelegenheidswerker geldt, dat over het rechtens geldende loon 20% toeslag wordt betaald bij het einde van het dienstverband ter compensatie van de opgebouwde vakantiedagen en vakantietoeslag. Hierop worden in mindering gebracht de vergoeding die de werknemer heeft
ontvangen over de op zijn verzoek opgenomen vakantiedagen, niet zijnde feestdagen.
6. Indien de werknemer in de afgelopen 6 maanden, te rekenen vanaf de eerste dag van het contract als gelegenheidsarbeider, ook als seizoensarbeider in dienst is geweest van deze werkgever, geldt in afwijking van lid 4 de reguliere beloning conform deze cao in plaats van het wettelijke minimumloon.

Artikel 10a Regeling voor de seizoensarbeider
1. Loon en arbeidsvoorwaarden
Voor zover hierna niet anders bepaald, gelden voor de seizoensarbeider zoals bepaald in artikel 3 sub c, dezelfde arbeidsvoorwaarden als voor alle overige werknemers in de sector Open Teelten.
2. Duur arbeidsovereenkomst
a. De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd, met een maximum 6 maanden per jaar.
b. Voor de vaststelling van deze periode van een jaar geldt de eerste dag van het contract als seizoenarbeider als aanvang van een periode van een jaar.
3. Beloning
a. De seizoensarbeider ontvangt een beloning op basis van het wettelijk minimum (jeugd)loon. Vanaf 1 januari 2010 wordt hierbij het cao jeugdloonpercentage gehanteerd. Zie bijlage V en art. 14.3b.
b. Bij verlenging van deze arbeidsovereenkomst, ook ingeval de arbeidsovereenkomst inclusief de verlenging nog steeds binnen de 6 maanden zou blijven, geldt de reguliere beloning met ingang van de verlenging.
c. Indien door verlenging van deze arbeidsovereenkomst de periode van 6 maanden overschreden wordt, geldt de reguliere beloning met terugwerkende kracht voor de gehele periode.
d. Indien de werknemer in de afgelopen 6 maanden, te rekenen vanaf de eerste dag van het contract als seizoenarbeider, ook als gelegenheidsarbeider in dienst is geweest van deze werkgever, geldt de reguliere beloning voor deze seizoensarbeider in plaats van het wettelijk minimum (jeugd) loon.
e. Indien de werknemer in de afgelopen 6 maanden, te rekenen vanaf de eerste dag van het contract als seizoensarbeider, op enigerlei wijze bij de werkgever werkzaam is geweest, geldt de reguliere beloning voor deze seizoensarbeider in plaats van het wettelijk minimumloon.
f. Ingeval een of meer van de omstandigheden genoemd onder b t/m e aan de orde zijn, zijn de leden 4, 5 en 6 niet van toepassing.
4. Bedrijfstijden
In afwijking van de normale bedrijfstijden geldt, voor de seizoensarbeider, conform de Arbeidstijdenwet, een gemiddelde werkweek van 48 uur .
5. Functieindeling
De functie-indeling genoemd in artikel 14 geldt niet voor seizoensarbeider.
6. Verschoven uren
In afwijking van artikel 13 sub a geldt voor de seizoensarbeider dat gedurende 16 weken een werkweek kan worden overeengekomen van gemiddeld 48 uur.
7. Toeslagen
In afwijking van artikel 16 gelden voor de seizoensarbeider vanaf 1 januari 2010 navolgende toeslagen over het bruto loon:
- de eerste 48 uur per week geen toeslag;
- de volgende 7 uur (49 uur t/m 55 uur) 25%;
- de volgende 5 uur (56 t/m 60 uur) 100%.

 


HOOFDSTUK 3 ARBEIDSDUUR EN ARBEIDSTIJDEN
Artikel 11 Algemene bepalingen
1. De bedrijfstijd ligt tussen 06.00 uur en 19.00 uur op maandag tot en met vrijdag en op zaterdag van 06.00 uur en 12.30 uur, tenzij uit de volgende leden iets anders volgt.
2. Een pauze korter dan 10 minuten maakt deel uit van de normale arbeidstijd.
3. Met inachtneming van de volgende artikelen bedraagt de arbeidsduur 38 uur per week, tenzij uit de volgende leden en artikel 10a iets anders volgt.
4. De arbeidsduur bedraagt maandag tot en met vrijdag maximaal 10 uur per dag, op zaterdag 5 uur en per week maximaal 38 uur, tenzij uit de volgende leden iets anders volgt.
5. De werkweek voor een werknemer bestaat uit maximaal 5 dagen. Mits niet anders is overeengekomen tussen werkgever en werknemer bestaat naast de werkweek voor de werknemer een periode van 2 aaneengesloten dagen vrij.
6. Jaarlijks dienen de werkgever en de werknemer schriftelijk de omvang en de indeling van de arbeidsduur overeen te komen. Dit geldt ook voor eventuele structurele wijzigingen in de loop van dat jaar waarin de overeengekomen arbeid verricht wordt. Zie artikel 12 van de cao.
7. a. Op zaterdagmiddag na 12.30 uur, op zondag, Nieuwjaarsdag, Eerste en Tweede Kerstdag,Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Tweede Pinksterdag, Koninginnedag en 5 mei, indien deze dag volgens de aanbeveling van de Stichting van de Arbeid in een lustrumjaar valt, wordt geen arbeid verricht, behoudens het gestelde in lid c.
b. Voor zover deze feestdagen vallen op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag, zaterdag tot en met 12.30 uur vindt doorbetaling van loon plaats indien deze dag voor de betreffende werknemer een reguliere werkdag zou zijn.
c. Op de onder a. genoemde dagen kan wel arbeid worden verricht indien de bedrijfsomstandigheden zulks naar de mening van de werkgever dringend vorderen of de werkgever hierover afspraken heeft gemaakt met de werknemer.
d. De werknemer verricht uitsluitend arbeid op zondag indien hij daar voor dat geval mee instemt.
§ 1. Bijzondere bepalingen: de aard en inhoud van de afspraken
8. De werkgever en de werknemer kunnen - binnen de ruimte van de Arbeidstijdenwet overeenkomen - dat er maximaal 50% van de overeengekomen arbeidsuren per dag kan worden afgeweken.
9. In afwijking van lid 2 kunnen de werkgever en de individuele werknemer een arbeidstijd van maximaal 42 uur overeenkomen. De beloning wordt naar rato verhoogd.
10. In afwijking van lid 2 kunnen de werkgever en de individuele werknemer een kortere arbeidsduur overeenkomen. Het uurloon wordt dan aangepast en vermenigvuldigd met de factor X/38ste . ‘X’ staat voor het aantal overeengekomen gemiddelde arbeidsuren per week.
11. De werkgever en de werknemer kunnen een vierdaagse werkweek overeenkomen op basis van een voltijds arbeidsovereenkomst.
12. De werkgever kan met zijn medezeggenschapsorgaan overeenkomen dat, in afwijking van lid 1 van dit artikel, er een andere bedrijfstijd voor de onderneming geldt.
13. In afwijking van lid 1 kan de werkgever met zijn medezeggenschapsorgaan overeenkomen dat er een tropenrooster zal gelden in de onderneming.
14. Wanneer er in de onderneming minder dan 10 werknemers in dienst zijn én er is geen medezeggenschapsorgaan, dan kan de werkgever een tropenrooster invoeren, mits hij hierover overeenstemming heeft met een meerderheid van zijn werknemers.
15. De werkgever kan met zijn medezeggenschapsorgaan overeen komen om ploegendiensten in te voeren. Wanneer geen medezeggenschapsorgaan actief is zal de werkgever een voorstel voor het invoeren van een ploegendienstsysteem aan de cao-dispensatie commissie zoals genoemd in artikel 36 voorleggen.
16. Verworven rechten:
a. Wanneer er een nieuwe bedrijfstijden en arbeidstijdenregeling van kracht wordt of zal worden op grond van dit hoofdstuk (dat zijn de bepalingen over bedrijfstijd en arbeidstijden), dan gelden de regelingen in beginsel voor alle werknemers, die daarvoor in aanmerking komen.
b. De werknemer die op 1 januari 2002 al in dienst is bij de werkgever kan een beroep doen op zijn oude arbeidstijdenregeling, indien en voor zover deze gunstiger voor hem is dan de nieuwe arbeidstijdenregeling. Dit geldt ook voor de werknemer die in het jaar 2002 op tijdelijke basis jaarlijks bij de werkgever werkzaam is én de laatste 3 jaar ten minste 6 maanden per jaar bij hem tijdelijk in dienst is geweest.
c. De werknemer dient het beroep op zijn oude arbeidstijdenregeling binnen één maand gemotiveerd schriftelijk te doen, nadat hij schriftelijk kennis van de nieuwe regeling heeft genomen of daar kennis van had kunnen nemen.
17. De tijd die besteed wordt aan cursussen, welke door de werkgever verplicht wordt gesteld voor de werknemer, wordt door de werkgever vergoed tegen 100% tijd of geld. Dit laatste ter keuze en op aanwijzing van de werkgever. Voor reizen in verband met studie wordt de fiscale km vergoeding toegepast.

Artikel 12 Arbeidstijd per jaar
1. In afwijking van artikel 11 en met inachtneming van dit artikel, kan:
a. de werkgever met zijn medezeggenschapsorgaan overeenkomen dat de arbeidsduur per jaar in uren wordt vastgelegd.
b. de individuele werknemer met de werkgever, indien er geen medezeggenschapsorgaan hoeft te zijn, ook uren op jaarbasis overeenkomen waarop de werkzaamheden door de werknemer zullen moeten worden verricht.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 11, lid 1, 2, 3 en 5 en in afwijking van het bepaalde in artikel 11, lid 4, 6, 7 en 8 geldt dat de standaardtijd per jaar (1983,6) kan worden uitgebreid tot maximaal 2192,4 uur. De deeltijdfactor is afgeleid van het maximale aantal uren.
3. Met in achtneming van de volgende leden van dit artikel wordt in een schriftelijk jaarschema per week en binnen die week per dag de arbeidsbehoefte van de onderneming bepaald en de inzet van de werknemer. Het jaarschema maakt onderdeel uit van de individuele arbeidsovereenkomst.
4. Afwijkingen van het jaarschema en de inzet van de werknemer per week of per dag worden door de werkgever tenminste 2 weken, respectievelijk 2 dagen tevoren aan de werknemer voorgelegd en kunnen alleen met instemming van de werknemer worden geëffectueerd.
Toeslagen en beloningen
5. De uren die door de werknemer worden gewerkt en buiten de vastgestelde arbeidstijd per dag en/of per week vallen, worden beloond met een toeslag van 35%. Deze uren worden ook aangemerkt als meeruren.
6. Wanneer er sprake is van een overschot aan meeruren op jaarbasis worden deze uren als overuren beschouwd.
7. Het feitelijk salaris van de werknemer, die volgens dit artikel in het systeem van arbeidstijd per jaar werkt, wordt verhoogd met het bedrag ter grootte van het verschil tussen het functiejaar waarin de werknemer is ingedeeld en het daaraan voorafgaande.
8. De compensatie van lid 7 komt te vervallen, indien de werknemer niet meer volgens dit artikel werkzaam is.
9. Er vindt geen samentelling van toeslagen plaats. In dat geval wordt de hoogste toeslag gehanteerd.

Artikel 13 Verschoven uren
De werkgever kan met zijn medezeggenschapsorgaan of de individuele werknemer overeenkomen, om de verschoven urenregeling toe te passen. De regeling is, met in achtneming van de Arbeidstijdenwet, als volgt:
a. Gedurende 16 weken per jaar bedraagt de arbeidstijd maximaal 45 uur per week. Dit wordt aangeduid als verschoven urenregeling.
b. Op jaarbasis dienen de verschoven meer- en minuren in evenwicht te zijn. Het aantal meeruren dient gecompenseerd te worden door een zodanige verkorting van de arbeidstijd gedurende het kalenderjaar dat het vastgelegde gemiddelde van toepassing blijft. Zie ook artikel 11 lid 10 van de
cao.
c. In overleg tussen de werkgever en de werknemer kan de arbeidsduur per week worden verkort.
d. In de arbeidsovereenkomst wordt bepaald hoever voor aanvang van een bepaalde week of een
bepaalde dag met verschoven uren, de afspraken voor de invulling van het te werken aantal uren worden gemaakt:
1. bij verschoven uren per dag dient die periode tenminste 2 dagen te zijn;
2. bij verschoven uren per week dient die periode tenminste 2 weken te zijn;
3. indien er sprake is van een overschot aan meeruren worden deze uren als overuren beschouwd.

Artikel 13a Overbruggingsregeling arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd
1. Werkgever en werknemer kunnen met elkaar overeenkomen dat de overbruggingsregeling van toepassing is op de arbeidsovereenkomst. De inhoud van de arbeidsovereenkomst moet dan voldoen aan de voorwaarden zoals genoemd in bijlage XII.
2. Op grond van de overbruggingsregeling kan de werkgever in de periode van 15 november tot 1 april bepalen dat de werkzaamheden als gevolg van directe of indirecte weersgesteldheid geen doorgang kunnen vinden. In dat geval is de overbruggingsregeling van toepassing.
Artikel 13b Onwerkbaar weer (dit artikel geldt van 1 februari 2010 – 1 april 2010)
In afwijking van het bepaalde bij artikel 7:628 BW gelden bij onwerkbaar weer de volgende bepalingen:
1. Als de voor de werknemer normale werkzaamheden door onwerkbaar weer niet kunnen plaatsvinden, kan de werkgever de werknemer verplichten andere werkzaamheden op het bedrijf te verrichten. De werkgever is verplicht het feitelijk loon door te betalen.
2. Als de werkzaamheden genoemd in lid 1 niet mogelijk zijn, dan kan de werkgever een beroep doen op de regeling onwerkbaar weer. In dat geval zal de werkgever namens de werknemer bij het UWV een WW-uitkering volgens de regeling onwerkbaar weer aanvragen. Deze uitkering wordt door de werkgever aangevuld tot 100% van het feitelijk (bruto) loon.
3. De werkgever dient gebruik van de wettelijke voorziening schriftelijk te melden bij cao partijen Open Teelten, p/a Actor Bureau voor sectoradvies, Postbus 28, 2700 AA Zoetermeer of per e-mail:
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. .
4. Er geldt een afwijkende regeling voor vaste dienstverbanden met overbrugging. Voor deze dienstverbanden kan de werkgever een wettelijke voorziening als bedoeld in lid 2 van dit artikel aanvragen, nadat de opgebouwde overbruggingsdagen, als bedoeld in bijlage XII, zijn ingezet.
5. Van dit artikel zijn uitgezonderd de bepalingen genoemd in artikel 12 lid 6 en artikel 13 sub b.

 


HOOFDSTUK 4 FUNCTIEWAARDERING EN BELONING
Artikel 14 Functie-indeling en beloning
1. Algemeen
a. De functies van de werknemers zijn of worden op basis van het ORBA systeem van functiewaardering ingedeeld in functiegroepen, zoals vermeld in het Functiehandboek Open Teelten.
b. De indeling is vermeld in het Functiehandboek Open Teelten en is van toepassing op deze cao. Dit handboek maakt deel uit van deze cao. In Bijlage II is het referentieraster opgenomen.
c. Bij elke functiegroep behoort een loonschaal gebaseerd op de cao. De loonschalen die de bruto
uurlonen vermelden zijn als Bijlage IVa en Bijlage IVb opgenomen.
d. De werkgever is verplicht de werknemer mee te delen in welke functiegroep de door hem vervulde functie wordt ingedeeld. Voorts is hij verplicht de desbetreffende functiegroep te vermelden in de schriftelijke arbeidsovereenkomst.
e. Als de werknemer dat wenst, dient hem het handboek ter inzage te worden gegeven.
f. Indien een werknemer bezwaar heeft tegen zijn functieomschrijving of functie-indeling, kan hij gebruik maken van de beroepsprocedure zoals opgenomen in het Functiehandboek Open Teelten.
2. De functie-indeling is niet van toepassing op de volgende categorieën werknemers
a. Gelegenheidswerkers genoemd in artikel 10.
b. Seizoensarbeiders genoemd in artikel 10a.
c. Werknemers die werkzaamheden verrichten in het kader van werkgelegenheids- en arbeidsvoorzieningsprojecten welke in aanmerking komen voor plaatsingsbevorderende subsidieregelingen.
Per project wordt afgesproken wanneer het wettelijk minimumloon of het wettelijke minimumloon plus 10% of 20% zal worden gehanteerd, met dien verstande dat na uiterlijk zes maanden beloning op 10% boven minimumloonniveau zal plaatsvinden.
3. Leeftijdsschaal
a. De werknemer die de in zijn loonschaal geldende functievolwassen leeftijd nog niet heeft bereikt, valt onder de leeftijdsschaal en ontvangt het loon dat met zijn leeftijd overeenkomt. Wijziging treedt op met ingang van de maand volgend op die waarin de verjaardag van de werknemer valt.
b. Het loon voor een werknemer van 21 jaar en jonger wordt afgeleid van het loon voor een werknemer van 22 jaar en ouder en wel volgens de hierna vermelde percentages:
- - 15 jaar 40%
- - 16 jaar 45%
- - 17 jaar 50%
- - 18 jaar 60%
- - 19 jaar 70%
- - 20 jaar 80%
- - 21 jaar 90%
4. Diensttijd en ervaringsjaren
a. De werknemer die de voor zijn loonschaal geldende functievolwassen leeftijd heeft bereikt, wordt beloond volgens de functiejaren inschaling. Deze inschaling kent een minimum en een maximum.
b. Een werknemer komt na ieder jaar dat hij aansluitend in dienstbetrekking staat bij dezelfde werkgever in aanmerking voor een periodieke verhoging van tenminste één functiejaar tot het maximum van de schaal in zijn functie, tenzij één of meer omstandigheden zich voordoen, dan wel
zich voor hebben gedaan, zoals genoemd in de volgende subleden (c t/m e) van dit lid.
c. Indien de werknemer langer dan zes maanden aaneengesloten in het voorafgaande kalenderjaar wegens arbeidsongeschiktheid of onbetaald verlof niet heeft gewerkt, wordt er geen verhoging van een functiejaar toegekend.
d. Indien een werknemer disfunctioneert en de werknemer is in het voorafgaande kalenderjaar door
de werkgever daar ten minste twee keren schriftelijk op gewezen zonder dat er verbetering is gekomen in het functioneren, dan wordt er geen verhoging van het functiejaar toegekend. Dit laatste wordt schriftelijk bevestigd door de werkgever. Voorwaarde is dat er sprake is van een goed werkend systeem van functioneringsgesprekken.
e. De werknemer, wiens functie is ingedeeld in klasse F of hoger (zowel in het oude als nieuwe (loongebouw), en die bij indiensttreding nog niet over de kundigheden en ervaring beschikt welke voor de vervulling van de functie zijn vereist, kan gedurende ten hoogste zes maanden in een lagere dan met die functie overeenkomende loonschaal worden ingedeeld, indien dit schriftelijk wordt vastgelegd in de desbetreffende arbeidsovereenkomst.
 
Artikel 15 Loon en vergoedingsregeling
1. De werkgever is verplicht bij elke loonuitbetaling de werknemer een schriftelijke specificatie te verstrekken van het uitbetaalde bedrag, van de bedragen waaruit dit is samengesteld alsmede van de premies, belastingen en bedragen die zijn ingehouden en tevens onkostenvergoedingen. De specificatie vermeldt voorts de naam van de werkgever en van de werknemer alsmede de periode waarop de betaling betrekking heeft.
2. Op jaarbasis of volgens de duur van het contract zal er een regelmatige loonbetaling plaatsvinden.
3. Gewerkte (en niet gewerkte) uren die binnen de overeengekomen bandbreedte vallen (zie arbeidstijd per dag of per week) worden niet als overuren (en niet gewerkte uren) beschouwd, maar worden schriftelijk vastgelegd als meer- of minuren. Verwezen wordt naar artikel 11 lid 8.
4. Gewerkte uren die buiten de bandbreedte vallen van de overeengekomen arbeidsduur per dag en / of per week worden aangemerkt als overuren en worden beloond met een toeslag van 35 %. Verwezen wordt naar artikel 11 lid 8.
5. De werknemers kunnen op de zaterdagochtend werkzaamheden verrichten die tegen overwerkvergoeding worden afgerekend als de afgesproken arbeidstijd al gedurende die week is bereikt.
6. De werknemers die een dag(deel) willen inruilen tegen werken op zaterdag, komen niet in aanmerking voor een overwerkvergoeding. Indien er zowel op dat betreffende dagdeel als op
zaterdag gewerkt wordt komt men wel in aanmerking voor een overwerkvergoeding.
7. De zaterdaghulp wordt beloond met het normale uurtarief zonder toeslag.
8. Werkgever en werknemer kunnen schriftelijk afspraken maken over vorm van prestatiebeloning, waarbij als minimum de weekloon tabellen gelden opgenomen in deze cao.
9. Met ingang van 1 september 2009 vindt een loonsverhoging plaats van 1% over de feitelijke lonen van de salarisschaal van 1 juli 2008 (Bijlage IVa).
In Bijlage IV is de loonsverhoging genoemd voor de Open Teelten alle sectoren en de wijze, waarop de loonsverhoging is berekend, vermeld.
10. De lonen voor de Open Teelten alle sectoren zijn berekend op basis van een 38-urige werkweek.
Voor de werknemer die al werkzaam was onder het regime van de direct aan deze cao voorafgaande cao van de Boomkwekerij en in dienst is bij dezelfde werkgever geldt dat, indien de werknemer gebruik wenst te maken van een 38-urige werkweek met een loon dat herberekend is conform het hiervoor gestelde in dit lid, er geen aanspraak meer bestaat op roostervrije dagen. De werknemer die in de voornoemde periode al werkzaam was en nog is bij dezelfde werkgever en die volgens de direct voorafgaande cao blijft werken op basis van een 38-urige werkweek , waarbij het loon niet is herberekend zoals hiervoor in dit lid is bedoeld, behoudt zijn aanspraak op 6 roostervrije dagen per jaar. In het geval in deze situatie sprake is van een 37,5-urige werkweek dan bedraagt het aantal roostervrije dagen 3 per jaar.
 
Artikel 16 Toeslagen
1. Wanneer de werknemer op verzoek van de werkgever werkzaamheden verricht binnen zijn gebruikelijke (overeengekomen) arbeidstijd in de periode maandag tot en met zaterdag 12.30 uur, dan worden met inachtneming van dit artikel en de artikelen 11 tot en met 13 de volgende toeslagen betaald:
a. voor het verrichten van werkzaamheden op een feest- en gedenkdag niet zijnde een zondag:
een toeslag van 50% op het bruto uurloon. Behalve deze toeslag is aan de werknemer zijn
gebruikelijke bruto loon verschuldigd, evenals het bruto uurloon voor de door hem verrichte
werkzaamheden per gewerkt uur;
b. indien deze werkzaamheden worden verricht op de dag of dagen dat de werknemer normaliter niet zou hebben gewerkt, dan is alleen het uurloon voor de verrichte werkzaamheden en de toeslag van 50% over het bruto uurloon verschuldigd.
2. Wanneer de werknemer werkzaamheden verricht op de zondag dan is, met in achtneming van dit artikel en de artikelen 11 tot en met 12, het bruto uurloon voor de verrichte werkzaamheden en een toeslag van 100% over dit uurloon per gewerkt uur verschuldigd.
3. Wanneer sprake is van overwerk, dan is het bruto uurloon en een toeslag van 35% per gewerkt uur verschuldigd aan de werknemer.
4. Het bepaalde in lid 1 en 2 blijft buiten toepassing voor de onderneming die op 1 januari 2002 al een bestaande afwijkende regeling heeft voor haar werknemer(s).
5. De voorgaande leden blijven buiten toepassing, indien de overbruggingsregeling van toepassing is op de werknemer en of aan de werknemer door de werkgever vakantierechten worden verrekend.
Daarmee heeft de werkgever voldaan aan de doorbetalingsverplichting uit lid1.
6. Het extra loon en de toeslagen over de uren, bedoeld onder leden 1 en 2 kunnen in overleg tussen werkgever en werknemer in geld of in tijd worden betaald.

Artikel 17 Brutoloonniveau en fiscale regelingen
1. Als op verzoek van de werknemer in het kader van fiscale regelingen het brutoloonniveau neerwaarts wordt bijgesteld, bijvoorbeeld in verband met kinderopvang of spaarloonregelingen, wordt de werkgever toch geacht te hebben voldaan aan het brutoloonniveau zoals dat uit deze cao voortvloeit.
2. De werknemer kan jaarlijks bij de werkgever een verzoek indienen tot fiscale brutering van het door hem in het betreffende kalenderjaar betaalde bedrag voor het lidmaatschap van een werknemersorganisatie. De werkgever dient dit verzoek in te willigen.

 


HOOFDSTUK 5 ARBEIDSONGESCHIKTHEID
Artikel 18 Arbeidsongeschiktheid
Met inachtneming van de wettelijke bepalingen geldt bij arbeidsongeschiktheid het volgende:
1. Inzake ziekmelding en controlevoorschriften is de werknemer verplicht de aanwijzingen van de Arbodienst en, voor zover van toepassing, uit het bedrijfsreglement op te volgen. Zie Bijlage XIV.
2. In het bedrijfsreglement kunnen nadere regels worden opgenomen, die er in voorzien de loonbetaling bij ziekte geheel of gedeeltelijk op te schorten of te weigeren, indien de werknemer verwijtbaar arbeidsongeschikt is, weigert de controlevoorschriften van de Arbodienst op te volgen, onvoldoende meewerkt aan re-integratie of weigert passende arbeid te verrichten.
3. Voor de uitkeringspercentages genoemd in artikel 19 en bijlage VIa geldt dat de werknemer zich dient te houden aan de regels die bij ziekteverzuim in de onderneming gelden en voldoende medewerking dient te verlenen aan de re-integratieverplichtingen volgens de Wet Verbetering Poortwachter (WVP).
Beoordeling hiervan vindt plaats door een onafhankelijke deskundige zoals een bedrijfsarts of een arbeidsdeskundige.
4. De werkgever heeft een maximale inspanningsverplichting om werknemers die minder dan 35%
arbeidsongeschikt zijn te re-integreren binnen ofwel buiten het bedrijf.

Artikel 19 Betalingsverplichtingen werkgever bij arbeidsongeschiktheid en regresrecht
1. Voor de vaststelling van de hoogte van het naar tijdruimte vastgestelde loon genoemd in de leden van dit artikel en bijbehorende bijlage VIa leden 1 en 2 wordt uitgegaan van de bepalingen opgenomen in artikel 7:629 BW, te weten het loon waarop de werknemer - ware hij niet arbeidsongeschikt geworden - aanspraak had kunnen maken.
2. Werknemers, waarvan het dienstverband tijdens arbeidsongeschiktheid eindigt, hebben met ingang van de dag na het einde dienstverband geen recht op de wettelijke loondoorbetalingsverplichting, zoals genoemd in artikel 7:629 BW, alsmede de aanvullingen zoals in dit artikel vermeld.
3. Volledig - en duurzaam arbeidsongeschikte werknemers, die binnen de eerste twee jaar van arbeidsongeschiktheid de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) instromen, hebben recht op de aanvullingen op de loondoorbetalingsverplichting zoals in dit artikel opgenomen.
4. Loondoorbetalingsverplichtingen eerste periode van 26 weken (binnen het 1e jaar van arbeidsongeschiktheid):
a. bij arbeidsongeschiktheid zal aan de werknemer gedurende de eerste 26 weken van de wettelijke periode, als genoemd in artikel 7:629 BW, 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon worden doorbetaald;
b. tijdens de eerste 26 weken van de wettelijke periode als genoemd in artikel 7:629 BW ontvangt de werknemer, boven de wettelijke loondoorbetaling, een aanvulling tot 100% van het naar tijdruimte vastgestelde loon;
c. bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vindt uitbetaling naar rato plaats.
5. Loondoorbetalingsverplichtingen tweede periode van 26 weken (binnen het 1e jaar van arbeidsongeschiktheid):
a. bij arbeidsongeschiktheid zal aan de werknemer gedurende de tweede periode van 26 weken van de wettelijke periode, als genoemd in artikel 7:629 BW, 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon worden doorbetaald;
b. tijdens de tweede periode van 26 weken van de wettelijke periode als genoemd in artikel 7:629 BW ontvangt de werknemer, boven de wettelijke loondoorbetaling, een aanvulling tot 90% van het naar tijdruimte vastgestelde loon;
c. bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vindt uitbetaling naar rato plaats.
6. Loondoorbetalingsverplichtingen tweede jaar van arbeidsongeschiktheid:
a. bij arbeidsongeschiktheid zal aan de werknemer gedurende het 2e jaar van de wettelijke periode, als genoemd in artikel 7:629 BW, 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon worden doorbetaald;
b. tijdens het 2e jaar van de wettelijke periode als genoemd in artikel 7:629 BW ontvangt de werknemer, boven de wettelijke loondoorbetaling, een aanvulling tot 75% van het naar tijdruimte vastgestelde loon. Indien de werknemer voldoende medewerking verleent aan de reïntegratie verplichtingen volgens de WVP wordt de aanvulling verhoogd tot 85% van het naar tijdruimte vastgestelde loon;
c. bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vindt uitbetaling naar rato plaats.
7. Loondoorbetalingsverplichtingen werknemers minder dan 35% arbeidsongeschikt. Indien de werknemer in aansluiting op de periode van arbeidsongeschiktheid genoemd in lid 6 van dit artikel volgens het UWV WERKbedrijf arbeidsongeschikt is of eerder als dit objectief is vastgesteld, maar minder dan 35%, en zolang het dienstverband gecontinueerd wordt bij dezelfde werkgever, ontvangt de werknemer 90% van het naar tijdruimte vastgestelde loon gedurende maximaal 5 jaar.
8. Voor de werknemer die arbeidsongeschikt is geworden tussen 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 geldt een overgangsregeling. Deze regeling is opgenomen in bijlage VIIa.
9. Voor de vaststelling van de hoogte van de aanvulling op de loondoorbetalingsverplichting
als bedoeld in de vorige leden geldt, dat de werknemer niet meer zal ontvangen dan het overeengekomen naar tijdsruimte vastgestelde loon.
10. De werkgever heeft op grond van artikel 6:107a van het Burgerlijk Wetboek een zelfstandig verhaalsrecht in geval van arbeidsongeschiktheid van een werknemer, veroorzaakt door een aansprakelijk te stellen derde.
11. a. Komt aan de werknemer naast een ZW-,WAO of WIA-uitkering krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering of uit enig fonds waarin de deelneming is bedongen bij of voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst, of een collectieve arbeidsovereenkomst, ingeval van arbeidsongeschiktheid een geldelijke vergoeding of uitkering toe, dan wordt de verplichting van de werkgever verminderd met het bedrag van die vergoedingen of uitkeringen, inclusief de ZW-, WAO of WIA-uitkering.
b. De werkgever is verplicht tot de in leden 3 t/m 8 genoemde doorbetaling en aanvulling behoudens voor zover de werknemer de in lid 11 sub a. genoemde geldelijke vergoedingen of uitkeringen niet ontvangt vanwege het zijnerzijds niet-nakomen van de daarbij behorende voorschriften.
12. Voor de vaststelling van aanvulling op de Ziektewetuitkering als bedoeld in de vorige leden, worden onder uitkering mede begrepen uitkeringen en/of inkomsten die op de Ziektewet uitkering in mindering zijn gebracht.
13. Indien en voor zover de Ziektewet uitkering via de werkgever wordt uitgekeerd en deze uitkeringen na aftrek van de voorgeschreven inhoudingen hoger zijn dan het voor de werknemer geldende loon, is de werkgever verplicht ook het meerdere aan de werknemer uit te betalen.
14 a. De werkgever is bevoegd de betalingsverplichtingen die voortvloeien uit dit artikel op te
schorten voor de tijd gedurende welke de werknemer zich niet houdt aan de in deze paragraaf gegeven voorschriften omtrent het verstrekken van de inlichtingen die de werkgever behoeft om het recht op loon vast te stellen.
b. De werkgever kan geen beroep meer doen op enige grond het loon geheel of gedeeltelijk niet te betalen of de betaling daarvan op te schorten, indien hij de werknemer daarvan geen kennis heeft gegeven binnen vier dagen nadat bij hem het vermoeden van het bestaan daarvan gerezen is of redelijkerwijs had behoren te rijzen.
15. Er bestaat een afzonderlijke SAZAS Ziekteverzuimverzekering. Deze verzekering biedt aan een Basispakket voor de werkgever en een Pluspakket voor de werknemer. Zie bijlage VI.

Artikel 19a Verzuimbegeleiding
De werknemer maakt tijdens eerste twee jaar van arbeidsongeschiktheid aanspraak op verzuimbegeleiding welke voortvloeit uit de Wet Verbetering Poortwachter.

Artikel 19b Uitzonderingen
1. Onverlet de bepaling opgenomen in artikel 19 is de werkgever op grond van de Wet Verbetering Poortwachter verplicht het loon door te betalen na een periode van 104 weken arbeidsongeschiktheid tot maximaal 1 jaar en moet daarnaast blijven werken aan re-integratie indien:
- bij de behandeling van de WIA aanvraag blijkt dat de werkgever, zonder deugdelijke gronden zijn inspanningsverplichtingen tot re-integratie van de zieke werknemer, niet of niet volledig is nagekomen;
- de werkgever en werknemer het UWV WERKbedrijf gezamenlijk hebben verzocht de wachttijd voor de WIA met maximaal een jaar te verlengen.
2. Werkgever verplicht zich tot het doorbetalen van 100% van het loon indien bij de WIA vaststelling een deskundigen oordeel bij het UWV WERKbedrijf is aangevraagd. Voorwaarde is dat het verzoek voor een deskundigen oordeel binnen 10 dagen na afgifte beslissing WIA plaatsvindt en dat voorts uitslag van deskundigen oordeel binnen 30 dagen bekend is. (zie bijlage XVI Toelichting Wet verbetering Poortwachter).
3. In tegenstelling tot hetgeen in voorgaande leden is vermeld en met uitzondering van het bepaalde in artikel 19 lid 7 geldt: indien de WIA op een later tijdstip ingaat dan gebruikelijk, blijft de totale periode waarover de werkgever een betalingsverplichting heeft, gemaximeerd tot 3 jaar na de eerste dag van arbeidsongeschiktheid.

Artikel 19c Verdeling gedifferentieerde WGA premie
Bij de berekening van de gedifferentieerde WGA premie, verminderd met de rentehobbel, wordt
uitgegaan van een premieverdeling werkgever - werknemer op basis van 50/50%. Zie ook bijlage XXI.

Artikel 20 Vervallen van de doorbetalingsverplichting voor werkgever
De werknemer heeft de in artikel 19 en 19b bedoelde rechten niet:
a. indien de ziekte door zijn opzet is veroorzaakt, of het gevolg is van een gebrek waarover hij, in het kader van een aanstellingskeuring binnen de kaders van de Wet op de Medische keuringen (bijlage XVII), valse informatie heeft verstrekt en daardoor de toetsing aan de voor de functie opgestelde belastbaarheideisen niet juist kon worden uitgevoerd;
b. zich niet heeft gehouden aan de controlevoorschriften conform artikel 18;
c. voor de tijd, gedurende welke door zijn toedoen zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;
d. voor de tijd, gedurende welke hij, hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond passende arbeid voor de werkgever of voor een door de werkgever met toestemming van de uitvoeringsinstelling waarbij deze is aangesloten aangewezen derde, waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt, niet verricht;
e. indien de werknemer niet meewerkt aan het verhalen van de onkosten op derden.

Artikel 21 Geneeskundig onderzoek
Werknemers kunnen, volgens de volgende staffel, voor rekening van de werkgever een gericht arbeidsgezondheidskundig onderzoek laten verrichten:
- vanaf 35 tot en met 44 jaar een maal per drie jaar;
- vanaf 45 tot en met 49 jaar een maal per twee jaar;
- vanaf 50 jaar jaarlijks.
Met in achtneming van de wettelijke bepalingen dienaangaande kan in het bedrijfsreglement voor een andere invulling van het arbeidsgezondheidskundig onderzoek worden gekozen.

HOOFDSTUK 6 VAKANTIE EN VERLOF
Artikel 22 Vakantie en vakantietoeslag
1. Het vakantiejaar loopt van 1 januari tot en met 31 december.
2. De werknemer met een voltijds arbeidsovereenkomst heeft per jaar recht op 25 vakantiedagen of
een equivalent daarvan op basis van deze arbeidsovereenkomst. De werknemer met een deeltijd arbeidsovereenkomst heeft recht op een aantal vakantiedagen of een equivalent daarvan naar rato
van de omvang van zijn arbeidsovereenkomst en over het gemiddelde aantal gewerkte meeruren.
3. De werknemer die bij aanvang van het vakantiejaar de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, heeft per jaar recht op 28 vakantiedagen.
4. De werknemer heeft aanspraak op een vakantietoeslag ten bedrage van 8,25% van het ten laste van de werkgever komende loon, alsmede van de uitkeringen waarop hij, tijdens de dienstbetrekking krachtens de Ziektewet hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg en de Werkloosheidswet, aanspraak op een uitkering heeft. (Deze formulering is conform het bepaalde in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.)
De werknemer met een deeltijd arbeidsovereenkomst heeft recht op bovengenoemde vakantietoeslag naar rato van de omvang van zijn arbeidsovereenkomst en over het gemiddelde aantal gewerkte meeruren.
5. Werknemers vanaf de leeftijd van 50 jaar hebben op jaarbasis recht op een aantal extra uren vakantie als percentage van het overeenkomstig artikel 11 lid 3 bedoelde aantal arbeidsuren. Afronding vindt plaats op twee decimalen. Het betreft:
0,4 % bij 50 jaar
0,8 % bij 55 jaar
1,2 % bij 58 jaar en
2,0 % bij 60 jaar.
Voorbeeld 1:
Werknemer is 55 jaar en werkt 38 uur per week.
Hij krijgt 38 uur x 52,2 weken x 0,8% = 15,86 uur extra verlof op jaarbasis.
Voorbeeld 2:
Werknemer is 58 jaar en werkt 32 uur per week:
Hij krijgt 32 uur x 52,2 weken x 1,2% = 20,04 uur extra verlof op jaarbasis
6. De tijdstippen van vakantie en de duur van de aaneengesloten periode(s) worden tijdig van tevoren in overleg tussen werkgever en werknemer vastgesteld.
 
Artikel 22a Extra vakantiedagen bij langdurig dienstverband
1. Per 1 april 2001 is de bepaling over extra vakantiedagen bij langdurige dienstverbanden komen te vervallen.
2. Met in achtneming van de volgende leden herleeft dit recht voor de werknemer die op 1 april 2001 extra vakantiedagen heeft opgebouwd vanwege langdurig dienstverband op grond van de oude cao1 die toen op hem/haar van toepassing was en die gold tot 1 april 2001 en zonder onderbreking nog steeds in dienst is bij dezelfde werkgever.
Het aantal dagen, dat opgebouwd is per 1 april 2001, wordt gefixeerd, dat wil zeggen dat er geen nieuwe rechten kunnen ontstaan en/of worden opgebouwd vanwege de lengte van het dienstverband.
1 De cao’s (tuinbouw,landbouw, boomkwekerij en bloembollenteelt) kennen een verschillende regeling van toekenning van extra dagen. De cao tuinbouw oud artikel 39 lid 3: opbouw bij een dienstverband van 10, 20, 30 jaar(1,2, en 3 dagen); cao boomkwekerij oud artikel 41 lid 5: bij een dienstverband van 10, 25 en 40 jaar( 1, 2 en 3 dagen ) ; cao bloembollenteelt oud artikel 37 lid 1: bij een dienstverband van 10,20,25 jaar(1,2, en 3 dagen); cao voor de Landbouw oud artikel 46 lid 4: bij een dienstverband van 10 en 25 jaar (1 en 2 dagen). Verder verdient aandacht dat de cao’s in 2001 verlengd zijn geworden tot 1 april 2001, dus om het aantal dagen te kunnen bepalen dient teruggevallen te worden op de cao-teksten van voor die datum.
3. De aanspraken die de werknemer heeft op extra vakantiedagen bij langdurig dienstverband, door het herleven van het recht, zoals bedoeld in lid 2, gaan in per 1 april 2003 en kennen dus geen
terugwerkende kracht.
4. De extra vakantiedagen op grond van dit artikel worden in mindering gebracht op de extra vakantiedagen op grond van het bereiken van een bepaalde leeftijd, zoals genoemd in artikel 22 lid 5, voor zover deze extra vakantie uren de aanspraken op grond van artikel 22 lid 5 niet overschrijden.
5. De leden 2, 3 en 4 van dit artikel blijven buiten toepassing, indien op of voor 1 april 2003 een andere regeling door de werkgever in overleg met de werknemer(s) van toepassing is verklaard in de onderneming.

Artikel 23 Doorbetaald bijzonder verlof
1. In afwijking van het bepaalde in Burgerlijk Wetboek boek 7 artikel 627 BW en van de Wet Arbeid en Zorg artikel 4 lid 1 en 2, kan de werknemer in de navolgende gevallen doorbetaald verlof opnemen, mits hij zo mogelijk tenminste één dag van tevoren, of zoveel eerder als mogelijk is, aan de werkgever van het verzuim kennis geeft en de gebeurtenis in het desbetreffende geval bijwoont en onder overlegging vooraf of achteraf van bewijsstukken van daarvoor in aanmerking komende
instanties. Zie toelichting Wet Arbeid en Zorg (bijlage XVI). Bij gebleken misbruik vindt geen doorbetaling van het betreffende loon plaats.
a. van de dag van overlijden tot en met de dag van de begrafenis of crematie bij overlijden van de echtgeno(o)t(e), van inwonende ouders of schoonouders en van eigen inwonende kinderen, alsmede bij overlijden van niet inwonende (schoon)ouders voor zover betrokkene zaakwaarnemer is, gedurende de tijd van het overlijden tot en met de dag van de begrafenis of crematie;
b. gedurende één dag of dienst bij ondertrouw van de werknemer en gedurende twee dagen of diensten bij zijn huwelijk;
c. gedurende één dag of dienst bij bevalling van de echtgenote en de daarop volgende werkdag;
d. gedurende 2 dagen bij adoptie van kinderen door de werknemer;
e. gedurende één dag of dienst bij huwelijk van een kind, broer, zuster, ouder en schoonouder, zwager en schoonzuster voor zover de huwelijksplechtigheid wordt bijgewoond;
f. gedurende één dag of dienst bij 25- en 40-, 50- en 60-jarig huwelijk van de werknemer, diens
ouders, grootouders of schoonouders;
g. gedurende de dag of dienst op de dag van de begrafenis of crematie van uitwonende kinderen, kleinkinderen, aangehuwde kinderen, ouders, schoonouders, broers of zusters, grootouders en zwagers of schoonzusters, mits de begrafenis of crematie wordt bijgewoond;
h. gedurende één dag bij verhuizing vanwege de uitoefening van de functie;
i. gedurende een door de werkgever naar billijkheid te bepalen tijdsduur tot een maximum van één dag, wanneer de werknemer ten gevolge van de vervulling van een buiten zijn schuld bij of krachtens de wet persoonlijk opgelegde verplichting verhinderd is te werken, mits deze vervulling niet in zijn vrije tijd kan geschieden. Het gebruikelijk loon wordt doorbetaald onder aftrek van alle vergoedingen die van derden kunnen worden verkregen;
j. gedurende de werkelijk benodigde tijd voor het noodzakelijke bezoek aan huisarts of specialist, voor zover dit niet in de vrije tijd van de werknemer kan geschieden.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt mede als echtgenoot aangemerkt de geregistreerde partner dan wel de niet met de werknemer gehuwde persoon van verschillend of gelijk geslacht met wie duurzaam een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd, welke notarieel is vastgelegd, tenzij het betreft een persoon met wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.
3. De werkgever zal een verzoek van een werknemer om palliatief verlof (verlof voor
stervensbegeleiding van een terminaal zieke) ten behoeve van de partner, ouder of kind van de werknemer toestaan. In overleg tussen werkgever en werknemer wordt bepaald waar het palliatief verlof uit zal bestaan. Hierbij kunnen vakantiedagen en andere arbeidsvoorwaarden worden ingezet. Ook het opnemen van onbetaald verlof is mogelijk. Tevens worden afspraken gemaakt omtrent de communicatie en eventuele nog te verrichten werkzaamheden gedurende de periode van palliatief verlof. Het in dit lid bepaalde geldt tevens voor rouwverlof teneinde het verlies van de partner, een ouder of kind zodanig te kunnen verwerken dat de werknemer de werkzaamheden kan hervatten.
4. Calamiteitenverlof.
Verlof met behoud van salaris voor een naar redelijkheid en billijkheid te rekenen tijd wordt verstrekt aan de werknemer bij verhindering de arbeid te verrichten wegens een plotselinge gebeurtenis, waarvoor zonder uitstel maatregelen door de betrokken werknemer moeten worden genomen. Op verzoek van de werkgever dient de werknemer aannemelijk te maken dat er daadwerkelijk sprake was van een calamiteit.

Artikel 24 Bijzonder verlof zonder behoud van loon
De werkgever is, indien het bedrijfsbelang dit toelaat, verplicht de werknemer op diens verzoek – zonder doorbetaling van loon – vrijaf te geven voor het bijwonen van statutaire vergaderingen van
vakorganisaties.

 


HOOFDSTUK 7 OVERLIJDENSUITKERING, PENSIOENEN EN VUT
Artikel 25 Uitkering bij overlijden
Indien de werknemer overlijdt, zal een overlijdensuitkering worden verstrekt op grond van het bepaalde in artikel 7:674 BW.

Artikel 26 Pensioen
Werkgevers en werknemers zijn gehouden tot naleving van de bepalingen van de Statuten en Reglementen van het Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw, voor zover op hen betrekking hebbend; alsmede de BPL-plus regeling (zie bijlage VII voor nadere informatie).

Artikel 27 Regeling vrijwillig vervroegd uittreden (VUT)
In verband met het afschaffen van de VUT geldt hiervoor een overgangsregeling. Zie Bijlage VIII voor nadere informatie over de cao-SUWAS-I.

 


HOOFDSTUK 8 OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 28 Uitzendwerk en uitzendkrachten
1. Van de diensten van uitzendondernemingen zal door de werkgever slechts gebruik worden gemaakt indien de bedrijfsomstandigheden zulks onvermijdelijk maken.
2. De bepalingen in deze cao met betrekking tot de lonen en overige vergoedingen zijn van overeenkomstige toepassing op uitzendkrachten.
3. De uitzendkracht kan aan hetgeen onder lid 2 wordt vermeld direct rechten ontlenen jegens uitzendondernemingen. Bij gebruikmaking van uitzendondernemingen die niet gecertificeerd zijn volgens de NEN 4400 normen, is de inlenende werkgever ten opzichte van de ingeleende arbeidskrachten hoofdelijk aansprakelijk voor naleving van de arbeidsvoorwaarden zoals bedoeld in lid 2, voor de periode waarin voor de inlenende werkgever arbeid wordt verricht.
4. Tot de gecertificeerde uitzendondernemingen worden gerekend de uitzendondernemingen die opgenomen zijn in het register normering arbeid beheerd door de Stichting Normering Arbeid (www.sna.nl). Het Ria register inleenarbeid agrarisch vormt hier onderdeel van. Tot 1 januari 2008 worden uitzendondernemingen die beschikken over het Ria-keurmerk gelijkgesteld met uitzendondernemingen die gecertificeerd zijn volgens de NEN 4400 normen.
5. De inlenende werkgever moet zich ervan verzekeren dat de uitzendwerkgever op de uitzendkrachten de conform dit artikel van toepassing zijn de arbeidsvoorwaarden toepast.
 
Artikel 29 Vakbondsfaciliteiten
1. De werkgever zal de werknemersorganisaties, partij bij deze cao, in de gelegenheid stellen om, in overleg, een bezoldigde bestuurder toe te laten in zijn onderneming.
2. Werknemerspartijen zijn bevoegd, in ondernemingen met vijf of meer werknemers en tenminste vijf voltijds arbeidsplaatsen, voor zover niet reeds een ondernemingsraad of andere vorm van personeelsvertegenwoordiging is gevormd, in overleg met de betrokken werknemers uit hun midden, een vakbondscontactpersoon aan te wijzen.
3. De werkgever stelt de vakbondscontactpersoon maximaal 10 dagen onbetaald verlof ter beschikking om aan vakbondsactiviteiten deel te nemen.
4. De werkgever draagt er zorg voor dat de contactpersonen in een positie in de onderneming niet worden benadeeld, zulks bijvoorbeeld ten aanzien van promotie of beloning.
5. Bij een klacht van een contactpersoon ter zake van het bovenstaande kan deze het oordeel vragen van partijen die deze overeenkomst hebben afgesloten.
6. De werkgever zal aan de personen bedoeld in de leden 1 en 2, voor uitoefening van hun functie faciliteiten verlenen, zoals het beschikbaar stellen van vergaderruimte.
7. De werkgever is gehouden, de leden van een bond die uitgenodigd zijn tot het bijwonen c.q. volgen van statutaire vakbondsvergaderingen of congressen, vrijaf te geven zonder behoud van
loon, en voor zover de bedrijfsomstandigheden dit toelaten tot het volgen van cursussen zonder behoud van loon. Vergaderingen met leden binnen de onderneming vinden plaats buiten werktijd.

Artikel 30 Sociale fondsen, bijlage X
Er bestaat een afzonderlijke collectieve arbeidsovereenkomst inzake de Stichting Colland Arbeidsmarktbeleid (cao Colland).
Partijen bij deze cao zijn deze afzonderlijke collectieve arbeidsovereenkomst overeengekomen met andere agrarische sectoren.
Zie bijlage X voor nadere informatie over de cao Colland.

Artikel 31 Jubileumuitkering
Met ingang van 1 juli 2002 gelden de volgende voorwaarden voor de werknemer die ná deze datum voldoet aan de volgende voorwaarden:
a. aan een werknemer die 12,5 jaar aaneengesloten in dienst is bij een zelfde werkgever wordt een uitkering verstrekt ter grootte van 25 % van een bruto maandloon;
b. aan een werknemer die 25 jaar aaneengesloten in dienst is bij eenzelfde werkgever wordt een uitkering verstrekt ter grootte van eenmaal een bruto maandloon;
c. aan een werknemer die 40 jaar aaneengesloten in dienst is bij eenzelfde werkgever wordt een uitkering verstrekt ter grootte van 1,5 bruto maandloon;
d. voor werknemers, met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of een bepaald werk, gelden de in sub a en b van dit artikel genoemde uitkeringen naar rato.

Artikel 32 Reiskosten woon-werkverkeer
1.Afstandsvergoeding
a. Aan de werknemer zal voor het gebruik van een eigen vervoermiddel een vergoeding worden betaald, indien de afstand van zijn woning tot de plaats van aanvang der werkzaamheden meer dan 10 km bedraagt.
b. De in lid a. genoemde vergoeding bedraagt bij een afstand van:
- Meer dan 10 km tot en met 15 km :
• met ingang van 1-1-2008 € 2,63 per gewerkte dag
• met ingang van 1-1-2009 € 2,67 per gewerkte dag
- Meer dan 15 km:
• met ingang van 1-1-2008 € 3,66 per gewerkte dag
• met ingang van 1-1-2009 € 3,71 per gewerkte dag
Bovengenoemde vergoedingen gelden voor elke gewerkte dag, ongeacht het aantal arbeidsuren dat op die dag is gewerkt.
c. Verworven rechten met betrekking tot de afstandsvergoeding worden gerespecteerd.
Het betreft een afstandvergoeding behorend bij een afstand van meer dan 5 km tot en met 10 km. Deze is alleen nog van toepassing voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, die op 1 juli 2002 in dienst waren bij een werkgever overeenkomstig artikel 1 lid1 m.u.v. de bloembollenteelt en bedraagt:
• met ingang van 1-1-2008 € 2,07 per gewerkte dag
• met ingang van 1-1-2009 € 2,10 per gewerkte dag
d. Indien de werkgever voor zijn rekening voor bedrijfsvervoer zorgt, vervalt de vergoeding op grond van het aantal km uit lid 1 sub b.
e. Indien de werknemer vrijwillig verhuist naar een adres dat verder van de werkplek is gelegen, kan geen aanspraak worden gemaakt op een afstandsvergoeding gebaseerd op de nieuwe afstand, doch blijft de oorspronkelijke woon-werkafstand bepalend.
f. Met ingang van 1 januari van elk jaar worden in de vorige leden genoemde bedragen aangepast
op basis van de stijging van de consumentenprijsindex voor alle huishoudens met als referentiejaar 2006, waarbij het gewogen gemiddelde van de subgroepen:”Aankoop van voertuigen”en “Uitgaven in verband met gebruik voertuigen”van de groep vervoer en communicatie gehanteerd worden.
De afgeronde afstandvergoedingen opgenomen in de leden b en c van dit artikel worden verhoogd met het berekende percentage. Afronding vindt plaats op twee decimalen achter de komma.
 
Artikel 32a Huisvesting
Voorzover de werkgever huisvesting aanbiedt aan buitenlandse werknemers, die tijdelijk in Nederland verblijven en waarmee hij een arbeidsovereenkomst heeft, zal hij deze aanbieden tegen reële kosten.
Alle voorzieningen betreffende huisvesting waaronder, sanitair, kookgelegenheid, verwarming en
brandveiligheid van de locatie moeten minimaal voldoen aan de wettelijke en gemeentelijke regels.

Artikel 33 Scholing
1. Werknemers hebben per jaar recht op maximaal 10 dagdelen verlof voor het volgen van cursussen, waarvan het loonverzuim voor rekening van de werkgever komt en de cursuskosten ten laste van het fonds Colland Arbeidsmarktbeleid (voorheen Stosas). De keuze van de te volgen cursus(sen) geschiedt in overleg tussen werkgever en werknemer.
2. Werknemers zijn verplicht, indien het bedrijfsbelang dat vergt, maximaal 5 dagdelen cursussen te volgen.
3. De kosten van de dag leerlingwezen ten behoeve van de boomkwekerij worden uit het fonds Colland Arbeidsmarktbeleid gesubsidieerd.
4. Gevolgde cursussen kunnen in overleg met de werkgever worden gecompenseerd in tijd of geld. Zie ook artikel 11 lid 17.

Artikel 34 Tussentijdse wijziging
Indien gedurende het tijdvak van deze cao zich buitengewone omstandigheden voordoen, welke naar het oordeel van één of meer der contracterende organisaties aanleiding dienen te zijn tot het aanbrengen van tussentijdse wijzigingen in deze cao, is iedere organisatie bevoegd partijen die deze cao hebben afgesloten tot het voeren van een bespreking hieromtrent op te roepen. Deze laatsten zijn verplicht aan dit verzoek gevolg te geven.

Artikel 35 Beroep tegen cao-indeling
1. Werkgevers- en werknemersorganisaties die partij zijn bij deze cao, werkgevers, medezeggenschapsorganen of de meerderheid van het personeel als er nog geen medezeggenschapsorgaan is ingesteld, hebben de mogelijkheid bij een commissie van cao-partijen beroep in te stellen tegen de indeling van een bedrijf bij deze cao. Dit beroep is telkens mogelijk, indien de werkgever tot indeling van het bedrijf bij deze cao overgaat.
2. Dit beroep dient binnen 3 maanden ingediend te worden, nadat de werkgever schriftelijk heeft kenbaar gemaakt welke cao hij zal gaan toepassen in de onderneming.
3. Op een beroep tegen de indeling conform lid 1 van dit artikel, wordt binnen een termijn van 3 maanden een beslissing genomen.
4. Het beroep dient schriftelijk en gemotiveerd te worden ingediend bij de Paritaire Commissie Open Teelten, Postbus 28, 2700 AA Zoetermeer.
 
Artikel 35a Uitleg cao-bepalingen
1. De werkgever draagt er zorg voor dat de werknemers door middel van praktische cao informatie in diverse talen worden geïnformeerd over de rechten en plichten en huisvesting (voorzover van toepassing).
2. Er bestaat een paritair meldpunt die adviseert over de uitleg van cao-bepalingen.
3. Het paritair meldpunt is een vertegenwoordiging van cao-partijen.
4. Verzoeken om behandeling dienen schriftelijk per gewone brief of e-mail en gemotiveerd te worden ingediend bij het paritaire meldpunt, per adres Actor Bureau voor sectoradvies, Postbus 28, 2700 AA Zoetermeer, of per e-mail: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. .
 
Artikel 35b Geschillen over toepassing cao-bepalingen
1. Er bestaat een paritaire commissie Open Teelten, die op verzoek van werknemers en/of werkgevers bemiddelt in geval van geschillen over de toepassing van de cao.
2. De commissie bestaat uit vertegenwoordigers van cao-partijen.
3. De behandeling van geschillen is vastgelegd in een reglement. Zie Bijlage XX.
4. Verzoeken om behandeling kunnen worden ingediend door individuele werknemers en/of werkgevers of hun gemachtigde.
5. Hetgeen in dit artikel is bepaald laat onverlet hetgeen in artikel 35c is bepaald.

Artikel 35c Geschillen procedure via rechter
Geschillen omtrent de toepassing van deze cao of omtrent arbeidsovereenkomsten gesloten tussen werkgevers en werknemers die aan deze cao gebonden zijn, worden, tenzij de bij het geschil betrokken partijen uitdrukkelijk anders overeengekomen zijn, beslist door de gewone rechter.

Artikel 35d Inspanning cao-partijen
Partijen bij deze cao bevorderen in hun contacten met werkgevers en werknemers dat geschillen tussen werkgevers en werknemers over de toepassing en interpretatie van deze cao worden voorgelegd aan de paritaire commissie. Partijen verbinden zich terughoudend te zijn in hun contacten met de pers of anderen inzake geschillen tussen werkgevers en werknemers.

Artikel 36 Dispensatie
1. Indien er voldoende reden is naar het oordeel van werkgevers- en werknemersorganisaties die partij zijn bij deze cao, kan er ontheffing verleend worden van één of meer bepalingen van deze cao. 2. Aanvragen dienen schriftelijk en gemotiveerd te worden ingediend, vergezeld van een positief advies van het medezeggenschapsorgaan.
3. Aanvragen kunnen worden ingediend bij de Paritaire Commissie Open Teelten, Postbus 28, 2700 AA, Zoetermeer.
 
Artikel 37 Tussentijds overleg
Partijen voeren tijdens de looptijd van de cao regelmatig overleg over aspecten van arbeidsvoorwaarden, al dan niet verband houdende met deze cao, voor zover partijen bij de cao dat nodig achten.

Artikel 38 Bepalingen in strijd met deze cao
Bepalingen in de individuele arbeidsovereenkomst, die ten nadele van de werknemer van deze cao afwijken zijn nietig.

Artikel 39 Beëindiging van de cao
Deze cao loopt van 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2010 en eindigt zonder enige vorm van opzegging van rechtswege na het verstrijken van de overeengekomen looptijd.

 


Bijlage I Werkingssfeer cao’s agrarische sectoren

• OPEN TEELTEN
Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onderneming uitoefent waarin de bedrijfsactiviteiten en / of arbeidsuren uitsluitend of in hoofdzaak aan een open teelt worden besteed.
Onder Open Teelten worden verstaan plantaardige teelten in de open lucht en plantaardige teelten niet permanent onder glas of plastic, maar met inbegrip van de boomkwekerij en aanverwante handelsactiviteiten die onder glas of plastic plaatsvinden.
• GLASTUINBOUW
Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onderneming uitoefent waarin de bedrijfsactiviteiten en / of arbeidsuren uitsluitend of in hoofdzaak aan glastuinbouw worden besteed.
Onder glastuinbouw worden plantaardige teelten verstaan die permanent onder glas of plastic plaatsvinden, met uitzondering van paddenstoelenteelt, en de boomkwekerij onder glas of plastic, maar met inbegrip van de vermeerderingsbedrijven, ongeacht of de bedrijfsactiviteiten geheel of gedeeltelijk in de open lucht plaatsvinden.
• DIERHOUDERIJ
Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onderneming uitoefent waarin de bedrijfsactiviteiten en / of arbeidsuren uitsluitend of in hoofdzaak aan bedrijfsmatige productiegerichte dierhouderij wordt besteed.
• PADDENSTOELENTEELT
Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onderneming uitoefent waarin de
bedrijfsactiviteiten en / of arbeidsuren uitsluitend of in hoofdzaak aan de teelt van paddenstoelen en
/ of de aaneensluitende reeks van nauw verwante activiteiten, met name de opslag van, het inpakken van en het uitleveren van paddenstoelen en aanverwante producten aan vervoerders en het in beperkte mate produceren van compost, worden besteed.
• BLOEMBOLLENGROOTHANDEL
Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onderneming uitoefent waarin de bedrijfsactiviteiten en / of arbeidsuren uitsluitend of in hoofdzaak aan de handel in bloembollen worden besteed.
Voor de bovengenoemde werkingssferen geldt het volgende. De arbeidsuren zijn inclusief de uren die via handmatige loonbedrijven, uitzendbureaus en overige derden binnen de onderneming aan bloembollenhandel worden besteed.   

Referentiefunctieraster voor de deelsectoren binnen de Agrarische sector Open Teelten

Functie-groep

Ondersteuning
Tuinbouw
Vollegrond

Fruitteelt

Boomkwekerij
Landbouw
(akkerbouw)

Bloembollenteelt
A
 
 
 
 
 
 
B
Medewerker huishoudelijke dienst (01.01)
Inpakker (02.2.01) Inpakker/sorteerder (02.2.03) Oogstmedewerker (02.2.02)
Oogstmedewerker (02.3.01)
Alg. medewerker fruitteelt (02.3.02)
Assistent fruitteelt medewerker (02.3.03)
Inpakker/sorteerder (02.3.04)
Voorsorteerder (03.01)
Inpakker (03.02)
Planter (03.03)
Teelt/oogstmedewerker (03.04)
Steksteker/oppotter (03.05)
Inpakker/sorteerder (03.06)
Algemeen medewerker (04.01)
Oogstmedewerker (04.02)
Teelt-/Oogstmedewerker (06.00)
C
Medewerker kantine (01.02)
Orderverzamelaar (01.03)
Productiemedewerker (02.2.04)
 
Productiemedewerker (03.07)
Assistent medewerker boomkwekerij (03.08)
Assistent agrarisch medewerker (04.05)
Productiemedewerker A (06.01)
D
Vorheftruckchauffeur (01.04)
Logistiek medewerker (01.06)
Teeltmedewerker (02.2.05)
Fruitteelt medewerker (02.3.05)
Loodsmedewerker (03.09)
Agrarisch med. (04.07)
Productiemedewerker B (06.02)
Assistent medewerker (06.03)
E
Administratief medewerker (01.07)
Laboratorium medewerker (01.08)
Tel./receptionist (01.09)
 
 
Medewerker boomkwekerij (03.10)
 
Medewerker (06.04)
F
Chauffeur binnenland (01.10)
Algemeen technisch medewerker A (01.11)
Boekhoudkundig medewerker (01.12)
Zelfstandig teeltmedewerker (02.2.06)
Allround fruitteelt medewerker (02.3.06)
Allround medewerker boomkwekerij (03.11)
Allround agrarisch medewerker (04.12)
Allround medewerker (06.05)
G
Algemeen technisch medewerker B (01.13)
Onderhoudsmonteur (01.14)
Meewerkend voorman (02.2.07)
 
Meewerkend voorman (03.12)
 
 
H
Boekhouder (01.15)
Hoofd logistiek (01.16)
 
 
Teeltchef (03.14)
 

 

 
Voor adressen van cao-partijen: zie bijlage XXII
Beroepscommissie functiewaardering
per adres: Fonds Colland Arbeidsmarktbeleid
Postbus 28
2700 AA ZOETERMEER
Telefoonnummer: 079 – 32 92 030
Faxnummer: 079 – 32 92 031  

Bijlage III Toelichting bij artikel 14 en loontabellen, behorende bij artikel 14 lid 3 en artikel 15
Berekening loonsverhoging
Loonsverhoging
De loonsverhoging van1% per 1 september 2009 is als volgt berekend:
- Verhoging van 1% over uurloonbedragen van 1 juli 2008 voor werknemers van 22 tot en met 64 jaar, afgerond op twee decimalen achter de komma;
- De lonen zijn berekend op basis van een 38–urige werkweek;
- Maandlonen: uurlonen vermenigvuldigd met factor 38 X 52,2 : 12, en afgerond op twee decimalen achter de komma.
Jeugdlonen afgeleid van weeklonen met 0 functiejaren (=het eerste functiejaar), afronding op vijf cent;
- jeugdloonpercentages:
15 jaar: 40% 16 jaar: 45% 17 jaar: 50%
18 jaar: 60% 19 jaar: 70% 20 jaar: 80%
21 jaar: 90%;

 

Bijlage IVa Lonen per 1 juli 2008 – nieuw loongebouw Open Teelten alle sectoren, behorend bij artikelen 14 en 15
Bij de berekening hiervan is over de loontabellen per 1-7-2007 een initiële verhoging berekend van 3 %.

Uurlonen

Trede/schaal B C D E F G H
15 jaar 3,66 3,78 3,95 4,15 4,41 4,72 5,10
16 jaar 4,12 4,26 4,44 4,67 4,96 5,31 5,74
17 jaar 4,58 4,73 4,94 5,19 5,52 5,91 6,38
18 jaar 5,49 5,68 5,92 6,23 6,62 7,09 7,66
19 jaar 6,41 6,62 6,91 7,27 7,72 8,27 8,93
20 jaar 7,32 7,57 7,90 8,30 8,82 9,45 10,21
21 jaar 8,24 8,51 8,88 9,34 9,93 10,63 11,48
22 t/m 64 jaar
0 9,15 9,46 9,87 10,38 11,03 11,81 12,76
1 9,30 9,69 10,19 10,75 11,45 12,31 13,32
2 9,47 9,94 10,50 11,12 11,90 12,79 13,85
3 9,62 10,20 10,82 11,51 12,32 13,28 14,41
4 9,79 10,44 11,11 11,88 12,74 13,76 14,96
5 10,68 11,43 12,25 13,16 14,24 15,51
6 11,74 12,62 13,60 14,74 16,05
7 12,99 14,03 15,21 16,60
8 14,45 15,70 17,16
9 16,19 17,70
10 18,25


 
Maandlonen

Trede/schaal B C D E F G H
15 jaar 605,00 624,83 652,94 686,00 728,97 780,22 843,03
16 jaar 681,04 704,18 733,93 771,95 819,89 877,74 948,82
17 jaar 757,07 781,87 816,58 857,91 912,46 976,92 1.054,61
18 jaar 907,50 938,90 978,58 1.029,82 1.094,29 1.171,98 1.266,20
19 jaar 1.059,57 1.094,29 1.142,22 1.201,73 1.276,12 1.367,03 1.476,13
20 jaar 1.210,00 1.251,32 1.305,87 1.371,99 1.457,95 1.562,09 1.687,71
21 jaar 1.362,07 1.406,70 1.467,86 1.543,90 1.641,43 1.757,14 1.897,64
22 t/m 64 jaar
0 1.512,50 1.563,74 1.631,51 1.715,81 1.823,26 1.952,19 2.109,23
1 1.537,29 1.601,76 1.684,41 1.776,98 1.892,69 2.034,84 2.201,80
2 1.565,39 1.643,08 1.735,65 1.838,14 1.967,07 2.114,19 2.289,41
3 1.590,19 1.686,06 1.788,55 1.902,60 2.036,50 2.195,18 2.381,97
4 1.618,29 1.725,73 1.836,48 1.963,76 2.105,92 2.274,53 2.472,89
5 1.765,40 1.889,38 2.024,93 2.175,35 2.353,87 2.563,80
6 1.940,62 2.086,09 2.248,08 2.436,52 2.653,07
7 2.147,25 2.319,16 2.319,16 2.743,98
8 2.388,59 2.595,21 2.836,55
9 2676,21 2925,81
10 3016,73


 

Bijlage IVb Lonen per 1 september 2009 Open Teelten alle sectoren, behorend bij artikelen 14 en 15
Bij de berekening hiervan is over de loontabellen per 1-7-2008 een initiële verhoging berekend van 1 %.
Uurlonen
B C D E F G H

Trede/schaal
22-64 jaar
B C D E F G H
0 9,24 9,55 9,97 10,48 11,14 11,93 12,89
1 9,39 9,79 10,29 10,86 ,11,56 12,43 13,45
2 9,56 10,04 10,61 11,23 12,02 12,92 13,99
3 9,72 10,30 10,93 11,63 12,44 13,41 14,55
4 9,89 10,54 11,22 12,00 12,87 13,90 15,11
5 10,79 11,54 12,37 13,29 14,38 15,67
6 11,86 12,75 13,74 14,89 16,21
7 13,12 14,17 15,36 16,77
8 14,59 15,86 17,33
9 16,35 17,88
18,43

 
Maandlonen

Trede/schaal B C D E F G H
15 jaar 611,61 631,45 659,55 692,61 737,24 788,48 859,95
16 jaar 687,65 710,79 742,20 780,22 828,15 887,66 958,74
17 jaar 763,69  790,13 824,85 866,17 920,72 986,84 1.066,19
18 jaar 915,76 947,17 988,49 1.039,74 1.104,20 1.183,55 1.277,77
19 jaar 1.069,49 1.105,86 1.153,79 1.213,30 1.289,34 1.380,26 1.491,01
20 jaar 1.221,57 1.262,89 1.319,09 1.385,21 1.472,82 1.576,96 1.704,24
21 jaar 1.375,30 1.421,58 1.482,74 1.558,78 1.657,96 1.775,32 1.917,48
22 t/m 64 jaar
0 1.527,37 1.578,62 1.648,04 1.732,34 1.841,44 1.972,03 2.130,72
1 1.552,17 1.618,29 1.700,94 1.795,16 1.910,87 2.054,68 2.223,29
2 1.580,27 1.659,61 1.753,83 1.856,32 1.986,91 2.135,68 2.312,55
3 1.606,72  1.702,59 1.806,73 1.922,44 2.056,33 2.216,67 2.405,12
4 1.634,82 1.742,26 1.854,67 1.983,60 2.127,41 2.297,67 2.497,68
5 1.783,59 1.907,56 2.044,76 2.196,84 2.377,01 2.590,25
6 1.960,46  2.107,58 2.271,22 2.461,32 2.679,51
7 2.168,74 2.342,30 2.539,01 2.772,08
8 2.411,73 2.621,66 2.864,65
9 2702,66 2955,56
10 3046,48

 
 

Bijlage V Wettelijk Minimumloon
Zie artikel 10 lid 4 en artikel 10a lid 2 van de cao Open Teelten.
1. Het Wettelijk minimumloon en de wettelijke jeugdloon percentages gelden, voor de groepen werknemers genoemd in artikel 10 en artikel 10a. Voor de seizoensarbeiders gelden vanaf 1 januari 2010 de jeugdloonpercentages van de cao Open Teelten. Onderstaande bedragen worden aangepast aan de hand van de door de overheid vastgestelde nieuwe bedragen.
Het uurloon is berekend door het weekloon te delen door het aantal arbeidsuren van 38 in de sector Open Teelten. Afronding heeft plaatsgevonden op twee decimalen achter de komma.
Wettelijk minimum Loon

Ingangsdatum per uur per week per maand
1 januari 2009 € 8,39 € 318,75 € 1.381,20
1 juli 2009 € 8,49 € 322,75 € 1.398,60
1 januari 2010 € 8,55 € 324,85 € 1.407,60


Jeugdloonpercentages
a. Wettelijke jeugdloonpercentages (% van wettelijk minimumloon)
Gelegenheidswerker/seizoensarbeider*

Leeftijd       % van het WML
22 jaar 85%
21 jaar 72,5%
20 jaar 61,5%
19 jaar 52,5%
18 jaar 45,5%
17 jaar 39,5%
16 jaar 34,5%
15 jaar 30%

* seizoensarbeider tot 1 januari 2010
b. Cao jeugdloonpercentages (% van wettelijk minimumloon) t.b.v. seizoensarbeiders vanaf 1 januari 2010.

Leeftijd      
% van het WML
22 jaar 100%
21 jaar 90%
20 jaar 80%
19 jaar 70%
18 jaar 60%
17 jaar 50%
16 jaar 45%
15 jaar
40%

 

 

Bijlage VI Collectief fonds inzake betaling bij ziekte (SAZAS) behorend bij artikel 19
De werkgevers en vakbonden in de agrarische sector bieden binnen Colland de SAZAS Ziekteverzuimverzekering aan. Deze verzekering kent een Basispakket voor de werkgever en een Pluspakket voor de werknemer. De werkgever kan uit drie pakketten kiezen voor de hoogte van een vergoeding van SAZAS bij zijn loondoorbetalingsplicht aan de werknemer in de eerste twee ziektejaren.
Een werknemer die in dienst is bij een werkgever die bij SAZAS is aangesloten, neemt automatisch deel aan het Pluspakket, tenzij hij aangeeft dat hij dit niet wil. Voor het Pluspakket betaalt de werknemer 0,7% van zijn loon (premieniveau 2009). Als de werknemer langer dan een half jaar ziek is en meewerkt aan zijn re-integratie ontvangt hij de volgende extra aanvullingen:
- het tweede half jaar van ziekte: 10%. Opgeteld bij de betaling van de werkgever ontvangt de
werknemer zijn volledige loon;
- het tweede jaar van ziekte: 15% aanvulling. Opgeteld bij de betaling van de werkgever ontvangt de werknemer ook dan zijn volledige loon;
- het derde tot en met zevende ziektejaar (dit zijn de eerste vijf jaren binnen de WIA): 10% aanvulling berekend over het loon. Daarnaast kent het Pluspakket ook een verzekering voor het WGA-hiaat.
SAZAS betaalt de Plusuitkering rechtstreeks aan de werknemer.
Bij beëindiging van de verzekering door de werkgever na 1-1-2009 heeft de werknemer de mogelijkheid om binnen twee maanden na einde van de verzekering het pluspakket zelf voor te zetten. In dat geval geldt een individuele premie van 0,9%. Bij een verzoek om voorzetting na 2 maanden na beëindiging door de werkgever dient een gezondheidsverklaring te worden overlegd.
De inhoud van deze bijlage is met de grootste zorg samen gesteld.
Aan de inhoud kunnen echter geen rechten worden ontleend.
Voor meer informatie raden wij u aan contact op te nemen met het Klant Contact Center, telefoon 0900-1656565 (€ 0,05 p/m).

 

Bijlage VIa Behorend bij artikel 19, overgangsbepalingen
Overgangsbepaling.
De overgangsbepalingen gelden voor de werknemer die arbeidsongeschikt is geworden (met uitsluiting van de werknemers waarvan het dienstverband tijdens arbeidsongeschiktheid is beëindigd) in de periode vanaf 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005.
1. Loondoorbetalingsverplichtingen gedurende het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid
a. Bij arbeidsongeschiktheid zal aan de werknemer gedurende het eerste jaar van de wettelijke periode, als genoemd in artikel 7:629 BW, 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon worden
doorbetaald.
b. Tijdens het eerste jaar van de wettelijke periode als genoemd in artikel 7:629 BW ontvangt de werknemer, boven de wettelijke loondoorbetaling, een aanvulling tot 100% van het naar tijdruimte
vastgestelde loon.
c. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vindt uitbetaling naar rato plaats.
2. Loondoorbetalingsverplichtingen tweede jaar van arbeidsongeschiktheid
a. Bij arbeidsongeschiktheid zal aan de werknemer gedurende het tweede jaar van de wettelijke periode, als genoemd in artikel 7:629 BW, 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon worden
doorbetaald.
b. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vindt uitbetaling naar rato plaats.
3. Loondoorbetalingsverplichtingen derde en vierde jaar van arbeidsongeschiktheid
Voor de vaststelling van de hoogte van het uitkeringsloon genoemd in de hierna genoemde sub leden a en b van dit lid wordt uitgegaan van de systematiek toegepast door UWV WERKbedrijf en waarbij in de toekomst rekening wordt gehouden met de nog in te voeren Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in sociale verzekeringswetten (Wet Walvis), rekening houdend met de nog te maken of gemaakte afspraken door de sociale partners in de agrarische sector.
a. In aansluiting op de eerste twee jaar van arbeidsongeschiktheid wordt over de dagen waarover de werknemer een Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA- uitkering)ontvangt krachtens de Wet werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) deze uitkering als volgt aangevuld:
• gedurende het eerste WIA jaar tot 100% van het vastgestelde uitkeringsloon;
• gedurende het tweede WIA jaar tot 90 % van het vastgestelde uitkeringsloon.
b. Voor de werknemer die is ingedeeld in een arbeidsongeschiktheidspercentage tussen de 35% en 80% of tussen de 80% en 100% maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is, wordt over dagen waarover de werknemer een uitkering krachtens de regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) ontvangt, een aanvulling vastgesteld, op basis van een gedeelte van het naar tijdruimte vastgestelde uitkeringsloon als volgt:

Arbeidsongeschiktheid van    Aanvulling tijdens het eerste WIA-jaar    Aanvulling tijdens het tweede WIA-jaar
35-45% tot 100% van 28/70ste uitkeringsloon tot 90% van28/70ste uitkeringsloon
45 tot 55% tot 100% van 35/70ste uitkeringsloon tot 90% van 35/70ste uitkeringsloon
55 tot 65% tot 100% van 42/70ste uitkeringsloon tot 90% van 42/70ste uitkeringsloon
65 tot 80% tot 100% van 50,75/70ste uitkeringsloon tot 90% van 50,75/70ste uitkeringsloon
80-100%(niet duurzaam) tot 100% van 70/70ste uitkeringsloon tot 90% van 70/70ste uitkeringsloon

c. Voor de werknemer die minder dan 35% arbeidsongeschikt is gelden gedurende de eerste twee jaren van arbeidsongeschiktheid de bepalingen opgenomen in de leden 1 en 2 van de overgangsregeling. Vanaf het derde jaar van arbeidsongeschiktheid geldt hetgeen is vermeld in artikel 19 lid 7. 

Bijlage VII Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw (BPL) behorend bij artikel 26
Voor werknemers in de agrarische bedrijfstak geldt de pensioenregeling van het Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw (BPL). De regeling wordt uitgevoerd door Syntrus Achmea Pensioenbeheer.
De pensioenregeling is met ingang van 1 januari 2007 ingrijpend gewijzigd. Hieronder vindt u de hoofdlijnen van deze nieuwe regeling. Als u bent geboren voor 1 januari 1966 en u werkte al voor 1 januari 2007 in de agrarische bedrijfstak dan zijn er waarschijnlijk overgangsmaatregelen voor u getroffen. Deze worden in uw jaarlijkse pensioenoverzicht nader uitgelegd. Als u meer informatie wilt over uw persoonlijke situatie, raden wij u aan contact op te nemen met Klant Contact Center. Werknemers die 21 jaar of ouder zijn en in dienst komen bij een agrarische onderneming beginnen meteen met hun pensioenopbouw. De pensioenopbouw stopt als de werknemer buiten de bedrijfstak gaat werken of met pensioen gaat.

Pensioen bij het BPL kan bestaan uit:
• ouderdomspensioen (vanaf 65 jaar tot overlijden)
• partnerpensioen (uitkering voor de partner als de werknemer overlijdt)
• reparatie ANW-gat (een aanvulling op het partnerpensioen)
• wezenpensioen (uitkering voor de kinderen tot 18 jaar als de werknemer overlijdt)
• arbeidsongeschiktheidspensioen (een aanvulling op de WAO-uitkering)

Ouderdomspensioen
Elk jaar wordt 2% pensioen opgebouwd. Dit gebeurt niet over uw salaris maar over uw salaris min een bepaald bedrag (in 2009 € 12.006,- en in 2010 € 12.230,- (beide bedragen op jaarbasis)). Hierdoor wordt er rekening gehouden met het feit dat u vanaf uw 65ste ook een AOW-uitkering van de overheid krijgt.
De pensioenregeling kent een bepaald maximumloon tot waar pensioen wordt opgebouwd. De grens daarvoor wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld en ligt voor 2009 op € 47.802,15 en voor 2010
op € 48.715,65. Over het deel van het loon dat boven deze grens komt, wordt binnen deze regeling geen pensioen opgebouwd.
Hoeveel pensioen er in totaal wordt opgebouwd, is afhankelijk van de hoogte van het loon, hoe lang de werknemer meedoet aan de regeling, en het soort pensioenregeling. De pensioenregeling van het BPL is een middelloonregeling: een regeling waarbij elk jaar een vast percentage aan pensioen wordt opgebouwd. Het pensioen wordt niet automatisch waardevast gehouden, maar verhoogd wanneer het bestuur daartoe besluit.
Standaard gaat het ouderdomspensioen in op de eerste dag van de maand waarin de werknemer 65 jaar wordt. Maar werknemers kunnen onder voorwaarden al vanaf 60 jaar met pensioen gaan. De pensioenuitkering wordt dan wel lager omdat het over een langere periode moet worden uitgekeerd. Het ouderdomspensioen gaat uiterlijk op 65 jaar in. Dan stopt ook de pensioenopbouw.
Partnerpensioen
Als een werknemer overlijdt, heeft zijn of haar partner normaal gesproken recht op partnerpensioen. Vanaf 1 januari 2007 bedraagt het partnerpensioen 70% van het ouderdomspensioen. Dit was ook het geval in de pensioenregeling vóór 2002. Tussen 2002 en 2007 was het partnerpensioen op risicobasis verzekerd. Het partnerpensioen bedroeg toen 64% van het ouderdomspensioen. Uw partner kon toen alleen aanspraak maken op een partnerpensioen wanneer u kwam te overlijden terwijl u nog pensioen opbouwde in het fonds.
Vlak voor de pensioendatum kan het partnerpensioen (deels) worden uitgeruild voor ouderdomspensioen. Dit kan ook als de deelname aan de pensioenregeling wordt beëindigd. Uitruil van partnerpensioen is een optie als iemand alleenstaand is, maar ook als de partner zelf een inkomen of pensioen heeft. Voor uitruil is altijd schriftelijke toestemming van de partner vereist. Hiermee komt het recht op (dat deel van het) partnerpensioen te vervallen.
Bij overlijden kan een ex-partner recht hebben op bijzonder partnerpensioen. Dit wordt in mindering gebracht op het partnerpensioen van de eventuele huidige partner. Het bijzonder partnerpensioen is
vanaf 1 januari 2007 ook van toepassing als iemand ongehuwd, niet-geregistreerd samenwoont. De werknemer is dan verplicht om de beëindiging van de samenwoning schriftelijk bij het pensioenfonds te melden en daarvan een bewijs te overleggen. Het bijzonder partnerpensioen bedraagt 70% van het ouderdomspensioen dat is opgebouwd tot de datum waarop het huwelijk, partnerschap of de (nietgeregistreerde) samenwoning is beëindigd.
Let op: tussen 2002 en 2007 was het partnerpensioen op risicobasis verzekerd. Dit betekent dat het partnerpensioen niet werd opgebouwd, maar alleen verzekerd was. Er is dus geen recht op
partnerpensioen over die periode.

Reparatie ANW-gat
Deze regeling biedt een aanvulling op het partnerpensioen. Als een werknemer vóór pensionering komt te overlijden en zijn of haar partner geen of gedeeltelijk recht heeft op een Anw-uitkering van de overheid, kan de partner in aanmerking komen voor reparatie van het Anw-gat. Deelnemers aan de pensioenregeling zijn hiervoor automatisch verzekerd.
Meestal ontvangt het pensioenfonds bericht van de gemeente als een deelnemer is overleden. De partner wordt dan automatisch geïnformeerd over het partnerpensioen en de regeling voor reparatie van het Anw-gat.

Wezenpensioen
Bij overlijden van een werknemer hebben zijn kinderen onder bepaalde voorwaarden recht op wezenpensioen. Met 'kinderen' wordt bedoeld: wettige en natuurlijke kinderen én pleegkinderen. Het wezenpensioen gaat in op de eerste dag van de maand na het overlijden en bedraagt 20% van het partnerpensioen. Het wezenpensioen eindigt als het kind 18 jaar wordt, of overlijdt.
Recht op wezenpensioen heeft het kind tussen 18 en 27 jaar zolang het kind, vanwege onderwijs of beroepsopleiding, geen ruimte heeft om in het eigen onderhoud te voorzien.

Arbeidsongeschiktheidspensioen
Het arbeidsongeschiktheidspensioen wordt geleidelijk afgebouwd en geldt alleen voor werknemers die nu een WAO-uitkering ontvangen.
Voor meer informatie kan contact worden opgenomen met het Klant Contact Center telefoonnummer 0900 - 1656565 (€ 0,05 p/m). Zie ook www.colland.nl.
In deze bijlage worden enkele belangrijke bepalingen vermeld. Deze zijn echter niet volledig en aan deze mededelingen kunnen geen rechten worden ontleend.

 

Bijlage VIII Vervroegde Uittreding behorend bij artikel 27
De vervroegde uittreding is voor werknemers in agrarische sectoren in een aparte cao geregeld. De regeling wordt uitgevoerd door Syntrus Achmea Pensioenbeheer onder verantwoordelijkheid van de Stichting uittreding werknemers agrarische sectoren (Suwas-I). Werkgevers en werknemers betalen een heffing aan Suwas-I.
De Suwas-regeling is een zogenaamde VUT-regeling en wordt op termijn afgebouwd. Zij geldt alleen nog voor werknemers die vóór 1 januari 1950 geboren zijn. Daarnaast gelden bepaalde voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een uitkering. Zo zal een deelnemer zelf de uitkering moeten aanvragen. Het belangrijkste is dat de werknemer, direct voorafgaand aan de uitkering tien jaar in dienstverband binnen de agrarische sector, heeft gewerkt. De Suwas-regeling gaat - afhankelijk van de leeftijd - tussen 60 en 62 jaar in.
De Suwas-uitkering wordt berekend over het SV-loon (het loon voor de Sociale Verzekeringen) met een maximum van 1,5 keer het maximum SV-loon. De uitkeringshoogte bedraagt normaal gesproken 80% van het loon. Daarnaast wordt een vakantietoeslag gegeven.
Het is mogelijk om later met de VUT te gaan. De Suwas-uitkering wordt dan op de ingangsdatum opnieuw berekend maar zal nooit meer zijn dan 100% van het laatstverdiende loon. Het meerdere wordt aangewend voor inkoop van rechten bij BPL. Na 65 jaar vervalt het recht op een uitkering.
Een werknemer kan er eenmalig voor kiezen om met deeltijd-VUT te gaan. Bij deeltijd-VUT blijft de werknemer voor 50% werken en gaat hij voor de overige 50% met de VUT. Uitgangspunt daarbij is het aantal uren dat er vóór de VUT-datum werd gewerkt. Vanuit deeltijd-VUT kan de werknemer eventueel later nog volledig met de VUT gaan.
Werknemers die nog bijverdiensten hebben, naast het werk van waaruit ze met de VUT zijn gegaan, mogen die op bepaalde voorwaarden op dezelfde manier voortzetten. De werknemer moet dan minimaal een half jaar voor aanmelding voor de VUT met deze verdiensten begonnen zijn. De
werknemer mag naast de VUT-uitkering een nieuw dienstverband aangaan.
De inkomsten uit deze arbeid en uitkering tezamen mogen niet meer bedragen dan 125% van het loon. Tijdens de VUT-periode, wordt de pensioenopbouw voortgezet. Suwas neemt dan de pensioenpremie volledig over. Bij een uitkering van 50% geschiedt deze bijdrage pro rata.
Mocht u nog in aanmerking denken te komen voor deze regeling dan raden wij u aan contact op te nemen met Klant Contact Center, telefoon 0900-1656565 (€ 0,05 p/m).

 

Bijlage IX Suwas II aanvulling WAO/WIA-uitkering oudere werknemers behorend bij artikel 19
Aanvulling WAO/WIA- en WW-uitkering oudere werknemers
1. Er bestaat een Stichting uitvoering WW- en WAO/WIA-aanvulling agrarische sectoren, hierna te noemen Suwas-II. Werkgevers en werknemers zijn gehouden tot naleving van alle verplichtingen welke bij of krachtens de statuten van deze stichting worden voorgeschreven. De statuten en reglementen van dit fonds worden geacht onderdeel te zijn van deze cao.
2. Deze stichting heeft ten doel, voor oudere werknemers in de agrarische bedrijfstakken, een aanvulling van de uitkering uit hoofde van de Werkloosheidswet en een aanvulling uit hoofde van de WAO/WIA-uitkering aan oudere arbeidsongeschikten te financieren uit daartoe door de werkgevers
en/of werknemers in die bedrijfstakken verstrekte gelden.
3. Ten behoeve van het onder lid 2 geformuleerde doel zijn werkgevers een financiële bijdrage verschuldigd aan Suwas-II gelijk aan het bedrag ter grootte van 0% (niveau 1 januari 2010) van de in deze bijlage genoemde loonsom van werknemers bedoeld in deze cao.
De regeling wordt uitgevoerd door Syntrus Achmea Pensioenbeheer onder verantwoordelijkheid van de Stichting Suwas-II.
Voor bijzonderheden kan contact worden opgenomen met Syntrus Achmea Pensioenbeheer. Meer informatie over deze regeling is te vinden op de website van Colland: www.colland.nl.

 

Bijlage X behorende bij artikel 30 Fondsen in relatie tot Colland
De agrarische en groene sociale fondsen zijn per 1 januari 2005 ondergebracht in drie clusters: Pensioen, Verzekeren en Arbeidsmarktbeleid. “Colland” is het samenwerkingsverband voor de agrarische en groene sociale regelingen. Er zijn drie clusters: Pensioen, Verzekeren en Arbeidsmarktbeleid. Het derde cluster, Arbeidsmarktbeleid, betreft de cao-Colland.
Arbeidsmarktbeleid
Het derde cluster, Arbeidsmarktbeleid omvat het fonds ‘Colland Arbeidsmarktbeleid’. Het fonds biedt werkgevers en werknemers onder meer subsidie voor scholing en arbeidsmarktprojecten. Meer informatie over deze regelingen en premies zijn te vinden op de website van Colland: www.colland.nl. Voor vragen kunt u ook telefonisch terecht bij het Klant Contact Center nummer 0900 – 1656565 (€ 0,05 p/m).

 

Bijlage XI Loonsom voor Heffingen, behorend bij artikel 3
Loonsom voor heffingen
1. De jaarlijkse heffingen genoemd in artikel 30,33 en bijlage XI worden berekend naar het BTER-loon, als bedoeld in lid 3 en met dien verstande dat als maximum dagloon per dag wordt aangehouden anderhalf maal het maximum premiedagloon, waarover de premies werknemersverzekeringen worden geheven in de zin van artikel 17 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv).
2. Over tijdvakken van arbeidsongeschiktheid gelegen na het tijdvak van 104 weken als bedoeld in artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek is over deze tijdvakken ontvangen uitkeringen ingevolge de
Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), Wet werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) of daarmee naar de aard en strekking gelijk te stellen uitkeringen of loonbetalingen geen heffing verschuldigd.
3. Het BTER-loon is het loon uit een dienstbetrekking overeenkomstig Hoofdstuk II van de Wet op de Loonbelasting 1964, waarbij artikel 11, eerste lid, onderdeel j en artikel 10 lid 4 buiten toepassing blijven. Tot het loon behoren niet:
a. hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting
1964 wordt genoten met uitzondering van: hetgeen wordt genoten op grond van de artikelen 628, 628a en 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede hetgeen door de werknemer met een publiekrechtelijke dienstbetrekking wordt genoten op grond van naar aard en strekking overeenkomstige regelingen, en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat;
b. eindheffingbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964;
c. een vergoeding als bedoeld in artikel 46 van de Zorg verzekeringswet;
d. uitkeringen op grond van een regeling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel
j, onder 5º, van de Wet op de loonbelasting 1964;
e. het genot van een ter beschikking gestelde auto.

 

Bijlage XII Overbruggingsregeling vaste arbeidsovereenkomsten behorend bij artikel 13A
1. De werkzaamheden van werknemers met overbruggingsmogelijkheid kunnen in de periode van 15 november tot 1 april maximaal 30 dagen worden onderbroken, indien de werkzaamheden naar het oordeel van de werkgever in verband met, dan wel als direct of indirect gevolg van de weersgesteldheid geen doorgang kunnen vinden. De werkgever bepaalt minimaal een dag van te voren of een dag aangemerkt dient te worden als een overbruggingsdag.
2. Het loon over de dagen, die zijn aangemerkt als overbruggingsdag, bedraagt 80% van het feitelijke loon dat geldt op dagen die niet zijn aangemerkt als overbruggingsdag.
3. Een werknemer met overbruggingsmogelijkheid bouwt per kalendermaand dat de werknemer in dienst is bij de werkgever 2,5 overbruggingsdagen op. Voor deze opbouw tellen alleen hele kalendermaanden mee.
De opbouw in enig kalenderjaar is bedoeld voor overbrugging van de periode 15 november tot en met 31 december in dat jaar en de periode 1 januari tot 1 april daaropvolgend.
Indien het aantal door de werknemer opgebouwde overbruggingsdagen voor de periode van 15 november tot 1 april ontoereikend is om het maximum aantal van 30 dagen te overbruggen, geldt voor het tekort aan opgebouwde overbruggingsdagen dat:
• de werkgever gehouden is om het feitelijk loon door te betalen;
• de werknemer gehouden is om ten behoeve van de werkgever op het bedrijf andere werkzaamheden te verrichten of in overleg andere werkzaamheden te verrichten;
• voor de hiervoor genoemde twee aandachtspunten geldt dat er sprake moet zijn dat de werkzaamheden ten gevolge van de weersomstandigheden, ongeacht de tijdsduur, geen doorgang vinden.
Een eventueel op 1 april bestaand saldo aan opgebouwde maar niet benutte overbruggingsdagen vervalt.
4 De werkgever verstrekt de werknemer jaarlijks voorafgaand aan de periode 15 november tot 1 april een schriftelijke specificatie van het aantal tot 1 november opgebouwde overbruggingsdagen.
5 De werkgever kan voor iedere onwerkbare dag, met een maximum van 30 dagen per overbruggingsperiode, aanspraak maken op een vergoeding van het fonds. Het fonds hanteert hiervoor vaste vergoedingen per overbruggingsdag, welke jaarlijks door het bestuur van het Overbruggingsfonds worden vastgesteld. De bedragen worden jaarlijks aan de werkgever schriftelijk medegedeeld. Actuele bedragen zijn te vinden op www.colland.nl
6. Voor werknemers met overbruggingsmogelijkheid geldt een afzonderlijke cao inzake een Overbruggingsfonds. Werkgevers en werknemers met overbruggingsmogelijkheid zijn gehouden tot naleving van alle verplichtingen welke bij of krachtens de statuten van dit fonds worden voorgeschreven. De desbetreffende bepalingen worden geacht onderdeel van deze cao uit te maken.
7. Tijdens een overbruggingsperiode blijven de gebruikelijke voorschriften inzake beëindiging van een arbeidsovereenkomst van toepassing. Indien en voor zover een opzegtermijn samenvalt met overbruggingsdagen, betaalt de werkgever over de voor die werknemer geldende opzegtermijn het volledige feitelijke loon.
8. Ingeval een werknemer op de in lid 1 genoemde overbruggingsdagen wordt opgeroepen om werkzaamheden te verrichten, wordt over de dag waarop de werkzaamheden worden verricht, tenminste het geldende feitelijke loon betaald, ook indien die werkzaamheden niet de volledige
arbeidstijd in beslag hebben genomen. Deze dag wordt niet aangemerkt als een verbruggingsdag.
9. Dagen waarop de werknemer arbeidsongeschikt is wegens ziekte, kunnen voor deze werknemer niet worden aangemerkt als overbruggingsdag. Wanneer de werknemer arbeidsongeschikt wordt wegens ziekte op een dag die reeds aangemerkt is als overbruggingsdag, kan deze dag eveneens niet worden aangemerkt als overbruggingsdag.
De werkgever is verplicht over deze dagen het volledige feitelijke loon door te betalen, waarop de werknemer - ware hij niet arbeidsongeschikt geworden - aanspraak had kunnen maken.
De inhoud van deze bijlage is met de grootste zorg samengesteld. Aan de inhoud kunnen echter geen rechten worden ontleend. Voor bijzonderheden over deze regeling kan contact wordt opgenomen met Klant Contact Center telefoon 0900 – 1656565 (€ 0,05 p.m.). Meer informatie is te vinden op de website van Colland: www.colland.nl

Bijlage XIII Inzake medezeggenschapsorgaan; definities behorend bij artikel 3, sub j
Inzake medezeggenschap in ondernemingen waar ten minste 50 personen werkzaam zijn, kent de Wet op de ondernemingsraden de verplichting voor de ondernemer om een ondernemingsraad in te stellen (artikel 2).
Inzake medezeggenschap in kleine ondernemingen kent de wet de volgende medezeggenschapsorganen:
Art. 35c lid 1:
“de ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de regel ten minste 10 personen maar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvoor geen ondernemingsraad is ingesteld, kan een personeelsvertegenwoordiging instellen, bestaande uit ten minste drie personen die rechtstreeks gekozen zijn bij geheime schriftelijke stemming door en uit in de onderneming werkzame personen”.
Art. 35d lid 1:
“de ondernemer die een onderneming in stand houdt waarin in de regel minder dan 10 personen
werkzaam zijn en waarvoor geen ondernemingsraad is ingesteld, kan een personeelsvertegenwoordiging, als bedoeld in artikel 35c, eerste lid, instellen.”
Beide groepen vallen aldus onder het begrip “personeelsvertegenwoordiging”.

 

Bijlage XIV Voorschriften bij ziekteverzuim, behorende bij artikel 18
1. De werknemer heeft zich bij ziekte, arbeidsongeschiktheid en re-integratie te houden aan de wettelijke bepalingen, de voorschriften van de Arbodienst en de bedrijfsvoorschriften van de werkgever. De werkgever draagt zorg voor het verstrekken van de desbetreffende voorschriften van de door hem ingeschakelde Arbodienst.
2. Ziekmelding.
Ingeval van ziekte en arbeidsongeschiktheid is de werknemer verplicht de werkgever daarvan zo
spoedig mogelijk, doch uiterlijk voor 9.00 's morgens op dezelfde dag, in kennis te stellen, tenzij de werkgever andere instructies heeft verstrekt.
3. Geneeskundige hulp inroepen.
De werknemer moet binnen een redelijke termijn geneeskundige hulp inroepen en dient zich gedurende het gehele verloop van de ziekte onder behandeling van de behandelende geneeskundige te stellen en diens voorschriften op te volgen.
4. Verplichting om thuis te blijven.
De werknemer dient zich overeenkomstig de controlevoorschriften van de Arbodienst beschikbaar te houden.
5. Verblijf in het buitenland.
a. De werknemer heeft voor een meerdaags verblijf in het buitenland toestemming nodig van de
werkgever, die daarover advies van de Arbodienst kan inwinnen.
b. Op verzoek van de Arbodienst wordt bij ziekmelding of op een door de Arbodienst nader te bepalen tijdstip, door of namens de in het buitenland verblijvende werknemer, een door de daarvoor in aanmerking komende officiële instantie in het desbetreffende land afgegeven bewijs van arbeidsongeschiktheid overgelegd.
6. Hervatten bij herstel.
a. De werknemer hervat zijn arbeid zodra hij hiertoe in staat is.
b. De werknemer hervat zijn arbeid zodra de Arbodienst hem hiertoe in staat acht.
c. Indien de werknemer op advies van de Arbodienst andere arbeid dan zijn arbeid gaat verrichten, meldt hij dit onmiddellijk aan de werkgever.

 

Bijlage XV Wet Verbetering Poortwachter
Hieronder volgt een beknopte uitleg van de Wet Verbetering Poortwachter. De oorspronkelijke wettekst geldt. Hieraan kunnen evenwel geen rechten aan worden ontleend.
In de Wet Verbetering Poortwachter staan nieuwe regels voor werkgevers en werknemers bij langdurig ziekteverzuim. De regels zijn niet vrijblijvend: bij het niet nakomen ervan is het mogelijk dat werkgever, maar ook werknemer te maken krijgt met sancties. De regels draaien om het inzichtelijk te maken van de inspanningen om de werknemer weer snel op het werk te laten terugkeren. Deze inzichtelijkheid wordt bereikt door het aanleggen van een re-integratiedossier en door het opstellen van een plan van aanpak en een re-integratieverslag.
De werkwijze in het kort:
. De arbodienst maakt een probleem analyse, uiterlijk in de 6e ziektewetweek.
. Werkgever en werknemer maken gezamenlijk een plan van aanpak voor re-integratie uiterlijk in de 8e ziektewetweek.
. Werkgever en werknemer voeren de re-integratieactiviteiten uit, evalueren regelmatig het plan van
aanpak en stellen dit zo nodig bij.
. Indien werkgever en werknemer verschil van mening hebben over de re-integratie dan kunnen ze een deskundigenoordeel aanvragen bij het UWV WERKbedrijf.
. Komt het tot een WAO-aanvraag, dan stelt de werkgever een re-integratieverslag samen, met daarin alle documenten over zijn re-integratie. De werknemer stuurt het in.
. UWV WERKbedrijf toetst op basis van het re-integratieverslag of werkgever en werknemer
voldoende re-integratie-inspanningen hebben geleverd. Zo niet dan leidt dat tot sancties. De sanctie voor de werknemer houdt in dat de werkgever de loondoorbetaling kan stopzetten. Daarnaast kan het UWV WERKbedrijf de WAO uitkering geheel of gedeeltelijk stopzetten. De sanctie voor de werkgever kan leiden tot de verplichting om loondoorbetaling voor de werknemer te
verlangen gedurende een jaar.
De werkgever en werknemer kunnen vanaf het begin van de ziekte een second opinion aanvragen bij het UWV WERKbedrijf indien één van beiden vindt dat de andere partij niet genoeg inspanning heeft verricht. 

Bijlage XVI Wet Arbeid en Zorg
De Wet Arbeid en Zorg (WAZ) is in werking getreden op 1 december 2001. De wet is een bundeling van bestaande regelingen. Het zwangerschapsverlof bestond al vanuit de Ziektewet en het ouderschapsverlof vanuit het Burgerlijk Wetboek. Doel van de wet is het onderbrengen van alle
verlofregelingen in één wet. Het idee achter de wet is om het combineren van werk en privé taken mogelijk te maken.
Hieronder volgt een beknopte uitleg van de wettekst per onderdeel. Hieraan kunnen geen rechten worden ontleend. De oorspronkelijke wettekst geldt.

Zwangerschaps- en bevallingsverlof
1. Voor de werkneemster bestaat recht op zwangerschapsverlof, vanaf 6 weken voor de dag na de vermoedelijke datum van haar bevalling tot en met de dag van de bevalling. Het zwangerschapsverlof gaat in uiterlijk 4 weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling. De vermoedelijke datum van bevalling dient aan de werkgever te worden aangetoond middels een schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige.
2. Voor de werkneemster gaat het recht op bevallingsverlof in op de dag na haar bevalling en bedraagt 10 aaneengesloten weken of zoveel meer als het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof minder dan 6 weken heeft bedragen.
3. Het recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof is onbetaald. Wel bestaat recht op een uitkering welke dient te worden aangevraagd bij het UWV WERKbedrijf.
4. Voor toepassing van het tweede lid worden dagen waarover de werkneemster op grond van artikel 29a, lid 2, van de Ziektewet ziekengeld heeft genoten in de periode dat zij recht heeft op zwangerschapsverlof, maar dat verlof nog niet is ingegaan, aangemerkt als dagen waarover zij zwangerschapsverlof heeft genoten.
5. De werkneemster dient uiterlijk 3 weken voor de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof aan de werkgever te melden wanneer zij dit verlof wil laten ingaan.
6. Uiterlijk op de tweede dag na de bevalling dient de werkneemster haar bevalling aan de werkgever te (laten) melden.
7. Zoals geregeld in het Burgerlijk Wetboek gaat de opbouw van vakantiedagen tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof volledig door.

Adoptieverlof
1. De werknemer heeft in verband met de adoptie van een kind recht op maximaal 4 weken verlof zonder behoud van loon.
2. Het verlof dient te worden opgenomen binnen een tijdvak van 18 weken. Dit tijdvak vangt aan 2 weken voordat de feitelijke opneming ter adoptie heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden.
3. Het recht op adoptieverlof is onbetaald. Wel bestaat recht op een uitkering welke dient te worden aangevraagd bij het UWV WERKbedrijf.
4. De werknemer dient de werkgever een document te verstrekken waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.
5. Indien tegelijkertijd 2 of meer kinderen ter adoptie worden opgenomen, geldt het recht op verlof slechts eenmaal.
6. De werknemer meldt zo mogelijk uiterlijk 3 weken voor de ingang van het verlof dat hij adoptieverlof opneemt onder vermelding van de ingangsdatum en de duur van het verlof.
7. Dit artikel is ook van toepassing op werknemers die duurzaam de zorg en opvoeding voor een pleegkind op zich nemen. Bedoeld wordt een pleegkind dat blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als de werknemer en door hem in diens gezin duurzaam wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de jeugdhulpverlening.

Kraamverlof
1. Na de bevalling van de echtgenote, de geregistreerde partner, de persoon met wie hij ongehuwd
samenwoont of degene van wie hij het kind erkent, heeft de werknemer recht op 2 dagen verlof met
behoud van loon (zie voor afwijking artikel 53 van deze cao).
2. Het verlof dient te worden opgenomen binnen de eerste 4 weken dat het kind feitelijk op hetzelfde adres als de werknemer woont.
3. De werknemer dient het opnemen van dit verlof zo mogelijk vooraf aan de werkgever te melden
onder opgave van de reden.
4. De werkgever kan achteraf van de werknemer verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij recht had op kraamverlof.
5. Indien de werknemer tijdens dit verlof een uitkering krijgt uit een (wettelijke) verzekering of een fonds dat uit de arbeidsovereenkomst voortvloeit, kan de werkgever het loon verminderen met het bedrag van de uitkering.
6. De werkgever kan het loon verminderen met door de werkgever vergoede onkosten als de werknemer deze heeft bespaard door het niet verrichten van zijn arbeid.

Kortdurend zorgverlof
1. De werknemer heeft recht op verlof voor de noodzakelijke verzorging in verband met ziekte van een persoon als bedoeld in het tweede lid.
2. Onder een persoon als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:
a. de echtgeno(o)t(e), de geregistreerde partner of de persoon met wie de werknemer ongehuwd samenwoont;
b. een inwonend kind tot wie de werknemer als ouder in een familierechtelijke betrekking staat;
c. een inwonend kind van de echtgeno(o)t(e), de geregistreerde partner of de persoon met wie de werknemer ongehuwd samenwoont;
d. een pleegkind dat blijkens de verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als de werknemer en door hem in diens gezin duurzaam wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de jeugdhulpverlening;
e. een bloedverwant in de eerste graad, niet zijnde een kind.
3. Het verlof bedraagt in elke periode van 12 achtereenvolgende maanden ten hoogste 2 maal de arbeidsduur per week.
4. Voor zover het loon niet meer bedraagt dan het bedrag, bedoeld in artikel 17 eerste lid van de Wet financiering Sociale Verzekeringen met betrekking tot een loontijdvak van een dag, behoudt de werknemer, gedurende het verlof recht op 70% van het loon, maar ten minste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon.
5. De werkgever kan het verlof weigeren als hij een zodanig zwaarwegend bedrijfsbelang heeft dat het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. De werkgever dient dit dan terstond aan de werknemer kenbaar te maken.
6. De werknemer meldt het opnemen van dit verlof zo mogelijk vooraf aan de werkgever onder opgave van de reden. Is dit vooraf niet mogelijk, dan dient hij dat zo spoedig mogelijk alsnog te doen. De werknemer moet daarbij tevens aangeven: de omvang, de wijze van opneming en de vermoedelijke duur van het verlof.
7. De werkgever kan achteraf van de werknemer verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij zijn
arbeid niet heeft verricht vanwege de noodzakelijke verzorging van een persoon als bedoeld in lid 2. 8. Indien de werknemer tijdens dit verlof een uitkering krijgt uit een (wettelijke) verzekering of een fonds dat uit de arbeidsovereenkomst voortvloeit, kan de werkgever het loon verminderen met het
bedrag van de uitkering.
9. De werkgever kan het loon verminderen met door de werkgever vergoede onkosten als de werknemer deze heeft bespaard door het niet verrichten van zijn arbeid.

Langdurend zorgverlof
Met ingang van 1 juni 2005 krijgen werknemers het wettelijk recht onbetaald verlof op te nemen om te zorgen voor een levensbedreigend zieke partner, kind of ouder. De totale duur van dit zorgverlof is maximaal 6 keer de wekelijkse arbeidsduur in een periode van 12 achtereenvolgende maanden, bij voorkeur op te nemen in deeltijd. De werkgever kan vanwege zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang dit recht weigeren.

Ouderschapsverlof
1. Een werknemer heeft recht op onbetaald ouderschapsverlof voor een eigen kind of een kind dat bij hem woont en waarvoor hij duurzaam de zorg op zich heeft genomen. Dit recht bestaat totdat het kind de leeftijd van 8 jaar heeft bereikt.
2. Ingeval van de geboorte van een meerling of bij adoptie van meerdere kinderen tegelijk bestaat het recht voor ieder van die kinderen. In alle andere gevallen dat de werknemer met ingang van
hetzelfde tijdstip de verzorging van meerdere kinderen op zich neemt, bestaat er slechts recht op één keer verlof.
3. Het aantal uren verlof waarop de werknemer ten hoogste recht heeft bedraagt 13 maal de arbeidsduur per week.
4. Het verlof wordt per week opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste 6 maanden.
5. Het aantal uren verlof per week bedraagt ten hoogste de helft van de arbeidsduur per week.
6. In afwijking van lid 4 en 5 kan de werknemer de werkgever verzoeken om:
a. verlof voor een langere periode van 6 maanden, of
b. het verlof op te delen in ten hoogste 3 perioden, waarbij iedere periode ten minste een maand
bedraagt, of
c. meer uren verlof per week dan de helft van de arbeidsduur per week.
7. De werkgever kan het verzoek van de werknemer, bedoeld in lid 6, afwijzen indien een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich hiertegen verzet.
8. Als de werknemer het ouderschapsverlof heeft opgesplitst in 2 of 3 perioden en de arbeidsverhouding wordt beëindigd voordat het verlof is genoten, heeft de werknemer tegenover een nieuwe werkgever aanspraak op het resterende deel van het verlof.
9. Het recht op verlof bestaat pas als de werknemer een jaar in dienst is bij de werkgever.
10. De werknemer moet het opnemen van het verlof ten minste 2 maanden voor ingang van het verlof schriftelijk aan de werkgever melden. Hij dient hierbij aan te geven: de periode, het aantal uren verlof per week (of ander tijdvak) en de spreiding van deze uren.
11. De tijdstippen van ingang en einde van het verlof kunnen afhankelijk worden gesteld van de datum van de bevalling, het einde van het bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging.
12. De werkgever kan het ouderschapsverlof niet wijzigen. Wel heeft hij de mogelijkheid om, na overleg met de werknemer, de voorgestelde spreiding van de uren over de week (of ander tijdvak) te wijzigen als hij daarvoor een zwaarwegend bedrijfsbelang kan aanvoeren. De wijziging moet uiterlijk 4 weken voor de ingang van het verlof aan de werknemer worden medegedeeld.
13. Als een werknemer terugkomt op zijn verzoek om ouderschapsverlof op te nemen of de werknemer tussentijds het verlof wil beëindigen op grond van onvoorziene omstandigheden, dan mag de werkgever dit weigeren als een zwaarwegend bedrijfsbelang zich verzet tegen de inwilliging van het verzoek. Indien een dergelijk verzoek wel kan worden ingewilligd hoeft dit niet eerder te gebeuren dan 4 weken nadat het verzoek is gedaan. Het resterende gedeelte van het verlof komt dan te vervallen. Indien gebruik gemaakt is van de mogelijkheid om het ouderschapsverlof in maximaal 3 perioden op te splitsen, dan gelden deze bepalingen ten aanzien van elk van deze perioden.
 

Bijlage XVII Wet op de Medische Keuringen (WMK)
De WMK legt het doen van medische keuringen aan banden. Onder een medische keuring wordt in de wet verstaan:
• schriftelijke gezondheidsvragen;
• mondelinge gezondheidsvragen;
• een lichamelijk onderzoek.
Medische keuringen mogen alleen door een arts worden verricht. Dit betekent dat een sollicitant aan een werkgever of een personeelsfunctionaris niets hoeft te vertellen over zijn of haar gezondheid, tenzij het van belang is voor de functie waarop iemand solliciteert.
Sollicitatieprocedure
Het is de werkgever verboden om in de sollicitatiefase (het sollicitatiegesprek of bij gebruik van sollicitatieformulieren) te vragen naar de gezondheid en het ziekteverzuim van de sollicitant.
Aanstellingskeuringen
Aanstellingskeuringen mogen alleen nog maar worden gedaan voor functies waaraan bijzondere
medische eisen worden gesteld. Als het om een dergelijke functie gaat, moet de aanstellingskeuring aan een aantal voorwaarden voldoen:
• de werkgever die een aanstellingskeuring voor een functie wil laten uitvoeren, is verplicht vooraf advies te vragen aan de arbodienst over de inhoud en de rechtmatigheid van de keuring;
• voordat een sollicitatieprocedure begint, moeten de medische eisen aan de functie schriftelijk vastliggen; dat geldt ook voor de manier waarop wordt onderzocht of de sollicitant aan die eisen
voldoet;
• in de advertentietekst moet vermeld staan dat een aanstellingskeuring deel uitmaakt van de sollicitatieprocedure;
• sollicitanten moeten aan het begin van de sollicitatieprocedure op de hoogte worden gesteld van de medische eisen die verbonden zijn aan de functie en van het feit dat er een medisch onderzoek zal worden verricht, en op welke wijze dat onderzoek gebeurt;
• een aanstellingskeuring (schriftelijk, mondeling of lichamelijk) gebeurt altijd pas aan het einde van de sollicitatieprocedure, dus wanneer een kandidaat is gekozen die bij medische geschiktheid de functie zal gaan vervullen;
• niemand mag bij derden (huisarts, vroegere werkgever) informeren naar de gezondheid van een sollicitant zonder toestemming van die sollicitant.
In het Besluit Aanstellingskeuringen en Protocol Aanstellingskeuringen heeft men deze afspraken vast laten leggen.
Het adres voor klachten over aanstellingskeuringen: Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen, Postbus 535, 3500 AM Utrecht, tel. 030 - 2234888. 

Bijlage XVIII Protocolbepalingen
1. Personeelsbeleid
In aansluiting met het voorgaande en in onderlinge samenhang met de medezeggenschap is een adequaat personeels/sociaal beleid op de bedrijven gewenst. Ook op dit onderwerp zullen partijen zich op dezelfde wijze als hiervoor is aangegeven inspanningen verrichten.
2. Leeftijdsbewust personeelsbeleid
Tijdens de looptijd van deze cao worden afspraken gemaakt over leeftijdsbewust personeelsbeleid. 3. Meerjarenperspectief
In het verlengde van het cao-overleg maken partijen afspraken met elkaar over een meerjarenperspectief op het gebied van arbeid en arbeidsverhoudingen in de Open Teelten.
4. Werkgelegenheidscentrum Open Teelten
Om de gevolgen van de economische crisis voor de sector Open Teelten te ondervangen hebben sociale partners besloten een werkgelegenheidcentrum Open Teelten (WGOT) in te richten.
Doelstelling van het WGOT:
Het bemiddelen van medewerkers die hun baan verliezen te bemiddelen naar ander vast werk bij voorkeur in de sector Open Teelten.
Voor de uitvoering van de werkzaamheden zullen samenwerkingsafspraken worden gemaakt met het UWV WERKbedrijf en andere organisaties die nauw betrokken zijn bij de sector en bij de advisering van ondernemers in de Open Teelten. Het WGOT wordt voor de looptijd van de cao ingericht en wordt aangestuurd door een paritaire stuurgroep.
Driemaandelijks kan overleg worden georganiseerd tussen de deelnemende werknemers en de vakbonden. De laatstgenoemden kunnen zich daarbij profileren en fungeren tevens als verzamelaar van eventuele klachten over de dienstverlening aan werknemers. De brancheorganisaties fungeren als verzamelaar van eventuele klachten over de dienstverlening aan werkgevers.
Werkgevers worden geacht boventalligheid onmiddellijk te melden bij het WGOT. Werkgevers worden geacht (toekomstige) vacatures te melden bij het WGOT. Werknemers worden geacht zich onmiddellijk na de aanzegging van het ontslag te melden bij het WGOT.
Analyse van aard en omvang van de arbeidsmarktproblematiek in de Open Teelten is de eerste opdracht vanuit deze stuurgroep. Na een diagnose worden concrete afspraken gemaakt over de te treffen maatregelen. Scholing wordt hierbij gezien als een belangrijk instrument ter bevordering van de arbeidsmobiliteit van werknemers. De benodigde financiële middelen worden hiervoor
vrijgemaakt uit de middelen van de SC Open Teelten van het fonds Colland Arbeidsmarktbeleid.
5. Levensfasebewust personeelsbeleid en ouderenbeleid 65+
LTO Nederland wil zich inzetten voor het behoud van werknemers in de Open Teelten. Het starten met levensfasebewust personeelsbeleid en ouderenbeleid 65+ vormen hierbij belangrijke aandachtspunten.
 

Bijlage XIX Wetsartikelen Burgerlijk Wetboek
Artikel 7:627 BW
Geen loon is verschuldigd voor de tijd gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet heeft verricht.

Artikel 7:628 BW
1. De werknemer behoudt het recht op het naar tijdruimte vastgestelde loon indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen.
2. Indien hem krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering of krachtens enige verzekering of uit enig fonds waarin de deelneming is overeengekomen bij of voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst, een geldelijke uitkering toekomt, wordt het loon verminderd met het bedrag van die uitkering.
3. Indien het loon in geld op andere wijze dan naar tijdruimte is vastgesteld, zijn de bepalingen van dit artikel van toepassing, met dien verstande dat als loon wordt beschouwd het gemiddelde loon dat de werknemer, wanneer hij niet verhinderd was geweest, gedurende die tijd had kunnen verdienen.
4. Het loon wordt echter verminderd met het bedrag van de onkosten die de werknemer zich door het niet-verrichten van de arbeid heeft bespaard.
5. Van de leden 1 tot en met 4 kan voor de eerste zes maanden van de arbeidsovereenkomst slechts bij schriftelijke overeenkomst worden afgeweken ten nadele van de werknemer.
6. In geval van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten in de zin van artikel 668a kan een afwijking als bedoeld in lid 5 in totaal voor ten hoogste zes maanden worden overeengekomen.
7. Na het verstrijken van de termijn, bedoeld in lid 5, kan van dit artikel slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan worden afgeweken ten nadele van de werknemer.

Artikel 7: 629 BW
1. Voorzover het loon niet meer bedraagt dan het maximum dagloon, bedoeld in artikel 17 eerste lid van de Wet Financiering Sociale Verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag, behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, maar de eerste 52 weken tenminste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling daartoe verhinderd was.
2. Het in lid 1 bedoelde recht geldt voor een tijdvak van zes weken voor de werknemer die doorgaans op minder dan vier dagen per week uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten verricht ten behoeve van het huishouden van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat.
3. De werknemer heeft het in lid 1 bedoelde recht niet:
a. indien de ziekte door zijn opzet is veroorzaakt of het gevolg is van een gebrek waarover hij in het kader van een aanstellingskeuring valse informatie heeft verstrekt en daardoor de toetsing aan de voor de functie opgestelde belastbaarheidseisen niet juist kon worden uitgevoerd;
b. voor de tijd, gedurende welke door zijn toedoen zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;
c. voor de tijd, gedurende welke hij, hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 4 voor de werkgever of voor een door de werkgever met toestemming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen aangewezen derde, waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt, niet verricht;
d. voor de tijd, gedurende welke hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever of door een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die er op gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 4 te verrichten;
e. voor de tijd, gedurende welke hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 658a lid 3;
f. voor de tijd gedurende welke hij zonder deugdelijk grond zijn aanvraag om een uitkering als
bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen later indient
dan in dat artikel is voorgeschreven.
4. In afwijking van lid 1 heeft de vrouwelijke werknemer het in dat lid bedoelde recht niet gedurende de periode dat zij zwangerschaps- of bevallingsverlof geniet overeenkomstig artikel 3:1, tweede en
derde lid, van de Wet arbeid en zorg.
5. Het loon wordt verminderd met het bedrag van enige geldelijke uitkering die de werknemer toekomt krachtens enige wettelijke voorgeschreven verzekering of krachtens enige verzekering of uit enig fonds waarin de werknemer niet deelneemt. Het loon wordt voorts verminderd met het bedrag van de inkomsten, door de werknemer in of buiten dienstbetrekking genoten voor de werkzaamheden die hij heeft verricht gedurende de tijd dat hij, zo hij daartoe niet verhinderd was geweest, de bedongen arbeid had kunnen verrichten.
6. De werkgever is bevoegd de betaling van het in lid 1 bedoelde loon op te schorten voor de tijd, gedurende welke de werknemer zich niet houdt aan door de werkgever schriftelijk gegeven redelijke voorschriften omtrent het verstrekken van de inlichtingen die de werkgever behoeft om het recht op loon vast te stellen.
7. De werkgever kan geen beroep meer doen op enige grond het loon geheel of gedeeltelijk niet te betalen of de betaling daarvan op te schorten, indien hij de werknemer daarvan geen kennis heeft gegeven onverwijld nadat bij hem het vermoeden van het bestaan daarvan is gerezen of redelijkerwijs had behoren te rijzen.
8. Artikel 628 lid 3 is van overeenkomstige toepassing.
9. Van dit artikel kan ten nadele van de werknemer slechts in zoverre worden afgeweken dat bedongen kan worden dat de werknemer voor de eerste twee dagen van het in lid 1 of lid 2 bedoelde tijdvak geen recht op loon heeft.
10. Voor toepassing van de leden 1, 2 en 9 worden perioden, waarin de werknemer in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling verhinderd is geweest zijn arbeid te verrichten, samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan 4 weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten als bedoeld in artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde
oorzaak.
11. Het tijdvak van 104 weken, bedoeld in lid 1, wordt verlengd:
a. met de duur van de vertraging indien de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen later wordt gedaan dan in of op grond van dat artikel is voorgeschreven;
b. met de duur van het verlengde tijdvak dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 24, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen heeft vastgesteld of met de duur van het tijdvak, bedoeld in artikel 25, negende lid, eerste zin, van die wet; c. met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, indien die wachttijd op grond van het zevende lid van dat artikel wordt verlengd;
d. met de duur van het tijdvak dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft vastgesteld. 12. Indien de werknemer passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 4 verricht, blijft de arbeidsovereenkomst onverkort in stand.
13. Voor de toepassing van lid 2 wordt onder het verrichten van diensten ten behoeve van een huishouden mede verstaan het verlenen van zorg aan de leden van dat huishouden.

Artikel 7:629a BW
1. De rechter wijst een vordering tot betaling van loon als bedoeld in artikel 629 af, indien bij de eis niet een verklaring is gevoegd van een deskundige, benoemd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, omtrent de verhindering van de werknemer om de bedongen of andere passende arbeid te verrichten respectievelijk diens nakoming van de verplichtingen, bedoeld in artikel 660a.
2. Lid 1 geldt niet indien de verhindering niet wordt betwist of het overleggen van de verklaring in redelijkheid niet van de werknemer kan worden gevergd.
3. De deskundige, die zijn benoeming heeft aanvaard, is verplicht zijn onderzoek onpartijdig en naar beste weten te volbrengen.
4. De deskundige, die de hoedanigheid van arts bezit, kan de voor zijn onderzoek van belang zijnde inlichtingen over de werknemer inwinnen bij de behandelend arts of de behandelend artsen. Zij verstrekken de gevraagde inlichtingen voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van de werknemer niet onevenredig wordt geschaad.
5. De rechter kan op verzoek van één der partijen of ambtshalve bevelen dat de deskundige zijn
verklaring nader schriftelijk of mondeling toelicht of aanvult.
6. De werknemer wordt ter zake van een vordering als bedoeld in het eerste lid slechts in de kosten van de werkgever als bedoeld in artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.
7. Bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan kan worden bepaald dat de in het eerste lid bedoelde deskundige door een ander dan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt aangewezen.

Artikel 7:655 BW
1. De werkgever is verplicht aan de werknemer een schriftelijke opgave te verstrekken met ten minste de volgende gegevens:
a. naam en woonplaats van partijen;
b. plaats of plaatsen waar de arbeid wordt verricht;
c. de functie van de werknemer of de aard van zijn arbeid;
d. het tijdstip van indiensttreding;
e. indien de overeenkomst voor bepaalde tijd is gesloten, de duur van de overeenkomst;
f. de aanspraak op vakantie of de wijze van berekening van de aanspraak;
g. de duur van de door partijen in acht te nemen opzegtermijnen of de wijze van berekening van deze termijnen;
h. het loon en de termijn van uitbetaling alsmede, indien het loon afhankelijk is van de uitkomsten van de te verrichten arbeid, de per dag of per week aan te bieden hoeveelheid arbeid, de prijs per stuk en de tijd die redelijkerwijs met de uitvoering is gemoeid;
i. de gebruikelijke arbeidsduur per dag of per week;
j. of de werknemer gaat deelnemen aan een pensioenregeling;
k. indien de werknemer voor een langere termijn dan een maand werkzaam zal zijn buiten Nederland, mede de duur van die werkzaamheid, de huisvesting, de toepasselijkheid van de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving dan wel opgave van de voor de uitvoering van die wetgeving verantwoordelijke organen, de geldsoort waarin betaling zal plaatsvinden, de vergoedingen waarop de werknemer recht heeft en de wijze waarop de terugkeer geregeld is;
l. de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe
bevoegd bestuursorgaan;
m. of de arbeidsovereenkomst een uitzendovereenkomst is als bedoeld in artikel 690.
2. Voor zover de gegevens, bedoeld in lid 1, onderdelen a tot en met j, zijn vermeld in een schriftelijk aangegane arbeidsovereenkomst of in de opgave, bedoeld in artikel 626, kan vermelding achterwege blijven. Voor zover de gegevens, bedoeld in het eerste lid onderdelen f tot en met i, zijn vermeld in een toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan, kan worden volstaan met een verwijzing naar deze overeenkomst of regeling.
3. De werkgever verstrekt de opgave binnen een maand na de aanvang van de werkzaamheden of zo veel eerder als de overeenkomst eindigt. De gegevens, bedoeld in lid 1, onder k, worden verstrekt voor het vertrek. De opgave wordt door de werkgever ondertekend. Wijziging in de gegevens wordt binnen een maand nadat de wijziging van kracht is geworden, aan de werknemer schriftelijk medegedeeld, tenzij deze voorvloeit uit wijziging van een wettelijk voorschrift, collectieve
arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan.
4. Indien de overeenkomst betreft het doorgaans op minder dan drie dagen per week uitsluitend of nagenoeg uitsluitend verrichten van huishoudelijke of persoonlijke diensten ten behoeve van een natuurlijk persoon, behoeft de werkgever slechts op verlangen van de werknemer de gegevens te
verstrekken.
5. De werkgever die weigert de opgave te verstrekken of daarin onjuiste mededelingen opneemt, is jegens de werknemer aansprakelijk voor de daardoor veroorzaakte schade.
6. De leden 1 tot en met 5 zijn van overeenkomstige toepassing op een overeenkomst die de voorwaarden regelt van een of meer arbeidsovereenkomsten die partijen zullen sluiten indien na oproep arbeid wordt verricht, en op het aangaan van een andere overeenkomst dan een arbeidsovereenkomst, al dan niet gevolgd door andere soortgelijke overeenkomsten, waarbij de ene partij, natuurlijk persoon, zich verbindt voor de andere partij tegen beloning arbeid te verrichten, tenzij deze overeenkomst wordt aangegaan in beroep of bedrijf. Op de in dit lid bedoelde overeenkomsten is artikel 654 van overeenkomstige toepassing.
7. Indien lid 6 van toepassing is, wordt in de schriftelijke opgave, bedoeld in lid 1, tevens vermeld welke overeenkomst is aangegaan.
8. Een beding in strijd met dit artikel is nietig.

Artikel 7:668a BW
1. Vanaf de dag dat tussen dezelfde partijen:
a. arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden, geldt met ingang van die dag de laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd;
b. meer dan 3 voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 3 maanden, geldt de laatste arbeidsovereenkomst als
aangegaan voor onbepaalde tijd.
2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten tussen een werknemer en verschillende werkgevers, die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden elkanders opvolger te zijn.
3. Lid 1, onderdeel a en laatste zinsnede, is niet van toepassing op een arbeidsovereenkomst aangegaan voor niet meer dan 3 maanden die onmiddellijk volgt op een tussen dezelfde partijen aangegane arbeidsovereenkomst voor 36 maanden of langer.
4. De termijn van opzegging wordt berekend vanaf het tijdstip van totstandkoming van de eerste arbeidsovereenkomst als bedoeld onder a of b van lid 1.
5. Van de leden 1 tot en met 4 kan slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan worden afgeweken ten nadele van de werknemer.

Artikel 7:670 lid 1 BW
1. De werkgever kan niet opzeggen gedurende de tijd dat de werknemer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, tenzij de ongeschiktheid:
a. ten minste twee jaren heeft geduurd, of
b. een aanvang heeft genomen nadat een verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 door de Centrale organisatie werk en inkomen genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen is ontvangen. Voor de berekening van de termijn, bedoeld in onderdeel a, worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschapsverlof en perioden van ongeschiktheid tijdens het zwangerschaps- of bevallingsverlof, bedoeld in artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, niet in aanmerking genomen. Voorts worden perioden an ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, anders dan bedoeld in de vorige zin, samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

Artikel 7:674 BW
1. De arbeidsovereenkomst eindigt door de dood van de werknemer.
2. Niettemin is de werkgever verplicht aan de nagelaten betrekkingen van de werknemer over de
periode vanaf de dag na overlijden tot en met één maand na de dag van het overlijden, een uitkering te verlenen ten bedrage van het loon dat de werknemer laatstelijk rechtens toekwam.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder nagelaten betrekkingen verstaan de langstlevende er echtgenoten dan wel geregistreerde partners van wie de werknemer niet duurzaam gescheiden leefde dan wel degene met wie de werknemer ongehuwd samenleefde, bij ontstentenis van deze de minderjarige kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond en bij ontstentenis van dezen degene met wie de werknemer in gezinsverband leefde en in wiens kosten van bestaan hij grotendeels voorzag. Van ongehuwd samenleven als bedoeld in de eerste zin is sprake indien twee ongehuwde personen een gezamenlijke huishouding voeren, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste graad. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in de tweede zin is sprake indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huidhouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.
4. De overlijdensuitkering, bedoeld in lid 2, kan worden verminderd met het bedrag van de uitkering dat aan de nagelaten betrekkingen ter zake van het overlijden van de werknemer toekomt krachtens een wettelijk voorgeschreven ziekte- of arbeidsongeschiktheidsverzekering en krachtens de
Toeslagenwet.
5. Lid 2 geldt niet indien de werknemer onmiddellijk voorafgaande aan het overlijden door toepassing van artikel 629 lid 3, geen aanspraak had op loon als bedoeld in artikel 629 lid 1 of indien ten gevolge van het toedoen van de werknemer geen aanspraak bestaat op een uitkering krachtens een wettelijk voorgeschreven ziekte- of arbeidsongeschiktheidsverzekering.
6. Van dit artikel kan niet ten nadele van de nagelaten betrekkingen worden afgeweken.

Artikel 7:678 BW
1. Voor de werkgever worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 677 beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
2. Dringende redenen zullen onder andere aanwezig geacht kunnen worden:
a. wanneer de werknemer bij het sluiten van de overeenkomst de werkgever heeft misleid door het vertonen van valse of vervalste getuigschriften, of deze opzettelijk valse inlichtingen heeft gegeven omtrent de wijze waarop zijn vorige arbeidsovereenkomst is geëindigd;
b. wanneer hij in ernstige mate de bekwaamheid of geschiktheid blijkt te missen tot de arbeid waarvoor hij zich heeft verbonden;
c. wanneer hij zich ondanks waarschuwing overgeeft aan dronkenschap of ander liederlijk gedrag; d. wanneer hij zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering, bedrog of andere misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt;
e. wanneer hij de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn medewerkers mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt;
f. wanneer hij de werkgever, dienst familieleden of huisgenoten, of zijn medewerkers verleidt of tracht te verleiden tot handelingen, strijdig met de wetten of de goede zeden;
g. wanneer hij opzettelijk, ondanks waarschuwing roekeloos, eigendom van de werkgever beschadigt of aan ernstig gevaar blootstelt;
h. wanneer hij opzettelijk, ondanks waarschuwing roekeloos, zich zelf of anderen aan ernstig gevaar blootstelt;
i. wanneer hij bijzonderheden aangaande de huishouding of het bedrijf van de werkgever, die hij behoorde geheim te houden, bekendmaakt;
j. wanneer hij hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten, hem door of namens de werkgever verstrekt;
k. wanneer hij op andere wijze grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt;
l. wanneer hij door opzet of roekeloosheid buiten staat geraakt of blijft de bedongen arbeid te verrichten.
3. Bedingen waarbij aan de werkgever de beslissing wordt overgelaten of er een dringende reden in de zin van artikel 677 lid 1 aanwezig is, zijn nietig.
 
Artikel 7:679 BW
1. Voor de werknemer worden als dringende redenen in de zin van artikel 677 lid 1 beschouwd, zodanige omstandigheden, die ten gevolge hebben dat van de werknemer redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
2. Dringende redenen zullen onder andere aanwezig geacht kunnen worden:
a. wanneer de werkgever de werknemer, diens familieleden of huisgenoten mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt, of gedoogt dat dergelijke handelingen door een van zijn huisgenoten of ondergeschikten worden gepleegd;
b. wanneer hij de werknemer, diens familieleden of huisgenoten verleidt of tracht te verleiden tot
handelingen, strijdig met de wetten of de goede zeden, of gedoogt dat een dergelijke verleiding
of poging tot verleiding door een van zijn huisgenoten of ondergeschikten wordt gepleegd;
c. wanneer hij het loon niet op de daarvoor bepaalde tijd voldoet;
d. wanneer hij, waar kost en inwoning overeengekomen zijn, niet op behoorlijke wijze daarin voorziet;
e. wanneer hij de werknemer wiens loon afhankelijk van de uitkomsten van de te verrichten arbeid is vastgesteld, geen voldoende arbeid verschaft;
f. wanneer hij de werknemer wiens loon afhankelijk van de uitkomsten van de te verrichten arbeid
is vastgesteld, de bedongen hulp niet of niet in behoorlijke mate verschaft;
g. wanneer hij op andere wijze grovelijk de plichten veronachtzaamt welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt;
h. wanneer hij, zonder dat de aard van de arbeidsovereenkomst dit medebrengt, de werknemer niettegenstaande diens weigering gelast arbeid in het bedrijf van een andere werkgever te verrichten;
i. wanneer de voortduring van de arbeidsovereenkomst voor de werknemer zou zijn verbonden met ernstige gevaren voor leven, gezondheid, zedelijkheid of goede naam, die niet duidelijk waren ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst;
j. wanneer de werknemer door ziekte of andere oorzaken zonder zijn toedoen buiten staat geraakt de bedongen arbeid te verrichten.
3. Bedingen waarbij aan de werknemer de beslissing wordt overgelaten of er een dringende reden in de zin van artikel 677 lid 1 aanwezig is, zijn nietig.
 
Artikel 7:685 BW
1. Ieder der partijen is te allen tijde bevoegd zich tot de kantonrechter te wenden met het verzoek de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen te ontbinden. Elk beding waarbij deze bevoegdheid wordt uitgesloten of beperkt, is nietig. De kantonrechter kan het verzoek slechts inwilligen indien hij zich ervan heeft vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van een opzegverbod als bedoeld in de artikelen 647, 648, 670 en 670a of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.
2. Als gewichtige reden wordt beschouwd omstandigheden die een dringende reden als bedoeld in artikel 677 lid 1 zouden hebben opgeleverd indien de arbeidsovereenkomst deswege onverwijld opgezegd zou zijn, alsook veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn, dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
3. Het verzoek wordt gedaan aan de ingevolgde de artikelen 99, 100 en 107 tot en met 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegde kantonrechter.
4. Het verzoekschrift vermeldt de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, alsmede de naam van de woonplaats of bij gebreke van een woonplaats in Nederland het werkelijk verblijf van de wederpartij.
5. De kantonrechter kan, indien het verzoek verknocht is aan een zaak die tussen dezelfde personen reeds voor een andere rechter aanhangig is, de verwijzing naar die andere rechter bevelen. De griffier zendt een afschrift van de beschikking, alsmede het verzoekschrift en de overige stukken van het geding ter verdere behandeling aan de rechter naar wie is verwezen.
6. De behandeling vangt niet later aan dan in de vierde week volgende op die waarin het verzoekschrift is ingediend.
7. Indien de rechter het verzoekschrift inwilligt, bepaalt hij op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt.
8. Indien de rechter het verzoekschrift inwilligt wegens veranderingen in de omstandigheden kan hij, zo hem dat met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt, aan een van de partijen ten laste van de wederpartij een vergoeding toekennen; hij kan toestaan dat de vergoeding op door hem te bepalen wijze in termijnen wordt betaald.
9. Alvorens een ontbinding waaraan een vergoeding verbonden wordt, uit te spreken, stelt de rechter de partijen van zijn voornemen in kennis en stelt hij een termijn, binnen welke de verzoeker de bevoegdheid heeft zijn verzoek in te trekken. Indien de verzoeker dat doet, zal de rechter alleen een beslissing geven omtrent de proceskosten.
10. Lid 9 is van overeenkomstige toepassing indien de rechter voornemens is een ontbinding uit te spreken zonder daaraan een door de verzoeker verzochte vergoeding te verbinden.
11. Tegen een beschikking krachtens dit artikel kan hoger beroep noch cassatie worden ingesteld.

Artikel 6 Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945
1. De werkgever behoeft voor de opzegging van de arbeidsverhouding voorafgaande toestemming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
2. De werkgever behoeft deze toestemming niet:
a. indien de opzegging onverwijld geschiedt om een dringende reden, onder gelijktijdige mededeling van die reden aan de wederpartij;
b. tijdens de proeftijd;
c. indien de opzegging geschiedt ten gevolge van faillissement van de werkgever of toepassing
ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.
3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de toestemming als bedoeld in het eerste lid.
4. Alvorens een beslissing inzake het verlenen van toestemming krachtens het eerste lid wordt genomen, hoort het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vertegenwoordigers van de in aanmerking komende organisaties van werkgevers en werknemers, behoudens in bij ministeriële
regeling bepaalde gevallen.
5. Onze Minister kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming als bedoeld in het eerste lid. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming in individuele gevallen.
6. Bij ministeriële regeling kunnen voorzieningen worden getroffen voor het geval het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn uit dit artikel voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt.
7. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen brengt aan Onze Minister verslag uit over de wijze waarop de bevoegdheid tot het verlenen van de toestemming is uitgeoefend. Bij ministeriële regeling worden hieromtrent nadere regels gesteld.
8. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen is verplicht aan Onze Minister desgevraagd binnen een daartoe gestelde termijn en op de aangegeven wijze kosteloos alle opgaven te verstrekken betreffende de wijze waarop de bevoegdheid tot het verlenen van de toestemming is uitgeoefend.
9. Van het eerste lid kan bij ministeriële regeling voor bepaald werknemers of groepen van werknemers voorwaardelijk of onvoorwaardelijk ontheffing of vrijstelling worden verleend.
10. Tegen beslissingen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen inzake het verlenen van toestemming op grond van het eerste lid staat geen beroep open bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.

 

Bijlage XX Geschillen over toepassing cao-bepalingen, behorend bij artikel 35b
Samenstelling en bevoegdheid.
1. De werkgevers- en werknemersorganisaties die de cao voor de Open Teelten afsluiten, stellen een commissie in voor geschillen over de toepassing van de cao.
2. De geschillencommissie bestaat uit vertegenwoordigers van cao-partijen.
3. Deze commissie is belast met het bemiddelen tussen partijen ingeval van een geschil over de
uitleg en de toepassing van bepalingen van deze cao.
4. De geschillencommissie bestaat uit vier leden. Twee leden worden benoemd door de werknemersorganisaties, en twee leden worden benoemd door de werkgeversorganisaties.
5. De commissie wordt bijgestaan door een secretaris. De commissie benoemt de secretaris.
6. De commissie is niet bevoegd tot het behandelen van een geschil waarover bij de rechter een geding aanhangig is gemaakt, of indien het een geschil betreft waarover de rechter al uitspraak heeft gedaan. Dit laat onverlet de mogelijkheid dat de rechter de commissie vraagt hem de zienswijze van de commissie te laten weten.
7. De commissie komt zo vaak bijeen als een van de commissieleden het nodig acht, doch in ieder geval binnen een termijn van vier weken nadat een zaak aanhangig is gemaakt bij de commissie.
8. De commissie heeft haar domicilie ten kantore van Actor, Postbus 28, 2700 AA Zoetermeer.
9. De commissie kan zitting houden, beraadslagen, getuigen en deskundigen horen op elke plaats in of buiten Nederland die de daartoe geschikt wordt geacht.

De behandeling door de commissie.
10. De behandeling van een geschil vangt aan door het indienen van een bezwaarschrift door de werkgever of de werknemer. Dit bezwaarschrift moet de gegevens, adres en woonplaats vermelden van de werkgever en van de werknemer, moet gemotiveerd zijn, en een duidelijke eis bevatten, en wordt gericht aan het secretariaat.
11. Partijen bij het geschil worden in de gelegenheid gesteld hetzij schriftelijk, hetzij mondeling te worden gehoord. De commissie stelt hiervoor na onderling overleg, dag, uur en plaats vast.
12. Kosten die partijen maken ter zake van het geschil, komen voor eigen rekening, tenzij de commissie in bijzondere gevallen anders bepaalt.

Uitspraak.
13. De commissie beslist bij meerderheid van stemmen en doet uitspraak met in achtneming van deze cao, de tussen partijen gesloten overeenkomst en daarvan deel uitmakende voorwaarden en de regels van het recht.
14. De uitspraak over de interpretatie van een cao-artikel bevat een voorstel aan partijen om uit de gerezen impasse te komen.
15. Partijen dienen binnen 2 weken na datum van de uitspraak aan de secretaris schriftelijk te laten weten of zij akkoord gaan met de uitspraak en het bemiddelingsvoorstel.
16. Blijven partijen bij een geschil verdeeld, dan rest aan de meest gerede partij voorlegging van het geschil aan de bevoegde rechter.
17. De leden van de commissie zijn geheimhouding verplicht ten aanzien van alle vertrouwelijke gegevens die hun bij de behandeling van het geschil ter kennis zijn gekomen.
18. De geschillencommissie kan niet aansprakelijk gesteld worden voor enig handelen of nalaten met betrekking tot een geding waarop dit reglement van toepassing is.

 

Bijlage XXI Verdeling gedifferentieerde WGA premie, behorend bij artikel 19c
WGA-premie verhalen op de werknemer
Werkgevers mogen vanaf 1 januari 2006 maximaal 50% van de WGA-lasten verhalen op werknemers. In 2007 komt dit neer op 50% van de gedifferentieerde WGA-premie. Dit ‘verhaalrecht’ is geregeld in de Wet financiering sociale verzekeringen.
Hiermee wordt benadrukt dat zowel werkgevers als werknemers verantwoordelijk zijn voor langdurig ziekteverzuim en wordt voor beide partijen een financiële prikkel gecreëerd.

Wat moet een werkgever doen
Concreet betekent het bovenstaande dat werkgevers die een gedifferentieerde WGA-premie betalen (publiek verzekerd via het UWV WERKbedrijf dat zij op deze premie de rentehobbel opslag in mindering moeten brengen en van het resterende deel vervolgens 50% op het netto loon van de werknemer in kunnen houden.
Werkgevers die eigenrisicodrager zijn kunnen deze 0,47% op de WGA-lasten (verzekeringspremie) in mindering brengen waarna zij van het resterende deel 50% op het netto loon van de werknemer in kunnen houden. Eigenrisicodragers kunnen óf de WGA-lasten (als zij geen private verzekering hebben) óf de verzekeringspremie (als zij wel een private verzekering hebben) voor maximaal de helft verhalen. Omdat de private verzekeringspremie meer kan omvatten dan alleen het WGA-risico (bijvoorbeeld ook uitkeringen bij ziekte of aanvullingen op de WIA-uitkering), kan alleen het deel van de premie dat betrekking heeft op het WGA-risico verhaald worden. Verzekeraars kunnen in die gevallen aan de werkgever aangeven welk deel van de premie daarop betrekking heeft. 

Bijlage XXII Adressen cao-partijen
Tel. nr. Fax nr.

Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO Nederland)
Postbus 29773
2502 LT 's-GRAVENHAGE
Bezuidenhoutseweg 225
2594 AL 's-GRAVENHAGE 070-3382700 070-3382710
www.lto.nl

Nederlandse Bond van Boomkwekers (NBvB)
Postbus 94
3980 CB BUNNIK
Kosterijland 7
3981 AJ BUNNIK 030-6572633 030-6572528
www.nbvb.nl

Nederlandse Fruittelers Organisatie (NFO)
Louis Pasteurlaan 6
2719 EE ZOETERMEER
Postbus 344
2700 AH ZOETERMEER 079-3681300 079-3681355
www.nfofruit.nl
e-mail: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

Koninklijke HandelsBond voor Boomkwekerij- en Bolproducten (Anthos)
Postbus 170
2180 AD HILLEGOM
Weeresteinstraat 10
2181 GA HILLEGOM 0252-535080 0252-535088
www.anthos.org
e-mail: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

Koninklijke Algemeene Vereeniging
voor Bloembollencultuur (KAVB)
Postbus 175
2180 AD HILLEGOM
Weeresteinstraat 10a
2181 GA HILLEGOM 0252-536950 0252-536951
www.kavb.nl
e-mail: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

FNV Bondgenoten
Postbus 9208
3506 GE UTRECHT
Klantenservice 0900-9690
Bezoekadres: Varrolaan 100
3584 BW UTRECHT
www.fnvbondgenoten.nl
e-mail: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

CNV Land- en tuinbouw
Postbus 2525
3500 GM UTRECHT
Tiberdreef 4
3561 NL UTRECHT
Algemeen telefoonnummer 030-7511007
www.cnvlandentuinbouw.nl
e-mail: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
Regio-adressen LTO

LTO Noord (hoofdkantoor)tot en met 31-12-2009
Postbus 126
7400 AC DEVENTER
Keulenstraat 12
7418 ET DEVENTER 088-888 66 88 088-888 66 80
www.ltonoord.nl/werkgeverslijn
e-mail: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

LTO Noord (hoofdkantoor) miv 1-1-2010
Postbus 240
8000 AE ZWOLLE
Zwartewaterallee 14
8031 DX ZWOLLE 088-888 66 88 088-888 66 80
www.ltonoord.nl/werkgeverslijn
e-mail: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

LLTB
Postbus 960
6040 AZ ROERMOND
Wilhelminasingel 25
6041 CH ROERMOND 0475-381777 0475-333243
www.lltb.nl
e-mail: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

ZLTO
Postbus 91
5000 MA TILBURG
Spoorlaan 350
5038 CC TILBURG 013-5836583 013-5435579
www.zlto.nl
e-mail: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. 0900-2359586
Regio-adressen FNV Bondgenoten
Via centrale telefoonnummer 0900-9690
Regio-adressen CNV Land- en tuinbouw
Via algemene telefoonnummer 030 7511007

Bijlage XXIII Overige adressen
 
Colland Pensioen
Bezoekadres: Rijnzathe 10, 3454 PV DE MEERN
Postadres:
Postbus 207
3454 ZL DE MEERN
Telefoon: 0900-1656565
www.colland.nl

Colland Verzekeren (SAZAS)
Louis Braillelaan 100, 2719 EK ZOETERMEER
Postbus 747
2700 AS ZOETERMEER
Telefoon: 0900-1656565
Fax: 079-3636814
www.colland.nl

Colland Arbeidsmarkt
Bezoekadres: Rijnzathe 10, 3454 PV De MEERN
Postadres:
Postbus 207
3454 ZL DE MEERN
Telefoon: 0900-1656565
www.colland.nl

Colland Bestuursbureau
P/a Actor Bureau voor sectoradvies
Postbus 28, 2700 AA ZOETERMEER
Boerhaavelaan 30, 2713HX ZOETERMEER
Telefoon: 079-3292030
Fax: 079-3292031
Beroepscommissie Functie-indeling p/a Fonds Colland Arbeidsmarktbeleid
Postbus 28, 2700 AA ZOETERMEER
Telefoon: 079-3292030
Fax: 079-3292031  

Sector 01 - Hoveniersbedrijf in Nederland 1-3-2009 tm 28-2-2010

E-mailadres Afdrukken PDF

Collectieve arbeidsovereenkomst voor het Hoveniersbedrijf in Nederland
voor de periode 1 maart 2009 tot en met 28 februari 2010

Deze collectieve arbeidsovereenkomst is afgesloten tussen:
Branchevereniging VHG te Houten;
enerzijds
en
FNV Bondgenoten te Utrecht;
CNV BedrijvenBond te Utrecht;
anderzijds.

© 2009, namens partijen bij de cao, Actor Bureau voor sectoradvies

Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, Fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook en evenmin worden opgeslagen in een databank met als doel een terugzoekmogelijkheid te verschaffen aan derden, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van partijen bij de cao.
ISBN/EAN: 978-90-79788-07-1

 

INHOUDSOPGAVE

In de inhoudsopgave zijn de gewijzigde artikelen ten opzichte van de vorige cao aangegeven met een *.

HOOFDSTUK I 9
ALGEMENE BEPALINGEN 9
Artikel 1 Werkingssfeer 9
Artikel 1A Begrippen 9
Artikel 2 Leeftijd 10
Artikel 3 Functie-indeling 11
Artikel 4 Uitzendkrachten 11
Artikel 5 Bijzondere categorieën werknemers 12
Artikel 5A Instromers 12

HOOFDSTUK II 13
HET DIENSTVERBAND 13
Artikel 6 De arbeidsovereenkomst 13
Artikel 7 Het dienstverband 13
Artikel 8 Uitzonderingsbepaling ten aanzien van het wettelijk ontstaan van een vast dienstverband 14
Artikel 9 Dienstverband 14
Artikel 10 Werken bij derden 15
Artikel 11 Onwerkbaar weer en gebrek aan werk 15
Artikel 12 Opzegging dienstverband voor onbepaalde tijd 16
Artikel 13 Vervallen 16

HOOFDSTUK III 17
BEPALINGEN OMTRENT DE ARBEIDSTIJD 17
Artikel 14 Begrip arbeidstijd 17
Artikel 15 Arbeid op zaterdagen, zon- en feestdagen 17
Artikel 16 Indeling van de arbeidsdag 17
Artikel 17 Arbeidstijd en tijdstippen van aanvang en einde van de arbeidsdag 18
Artikel 18 ADV dagen 18
Artikel 19 Flexibiliteit 19
Artikel 20 Overschrijding van de arbeidstijd 20

HOOFDSTUK IV 21
BEPALINGEN OMTRENT HET LOON 21
Artikel 21 Bedragen 21
Artikel 21A Toepassing van loonschalen 21
Artikel 22 Cao-loon 21
Artikel 23 Beloning bijzondere categorieën werknemers 24
Artikel 24 Jeugdige werknemers 25
Artikel 25 Jeugdige werknemers met kinderen 25
Artikel 26 Vakopleiding – geldt tot 1 augustus 2009 25
Artikel 26A Vakopleiding – geldt vanaf 1 augustus 2009 25
Artikel 27 Voorwaarden loonbetaling bij vakopleiding 26
Artikel 28 Cursussen 26
Artikel 29 Werkoverleg en toolbox-meetings 26
Artikel 30 Arbeidsgehandicapte werknemers 27
Artikel 31 Spaarloonregeling 27
Artikel 32 Feestdagen en ADV dagen 27
Artikel 33 Overwerk 27
Artikel 34 Toeslag bijzondere werkzaamheden 28
Artikel 34A Consignatiediensten/bereikbaarheidsvergoeding 28
Artikel 35 Werkzaamheden in akkoord 28
Artikel 36 Dienstjubileum 28
Artikel 37 Reistijdenvergoeding 28
Artikel 38 Reiskostenvergoeding 29
Artikel 39 Werkkleding en veiligheidsmiddelen 30
Artikel 40 Maaltijdvergoeding 30
Artikel 41 Verrekening arbeidsuren bij einde dienstverband 30
Artikel 41 A Overlijdensuitkering 30

HOOFDSTUK V 30
VAKANTIE- EN VERLOFREGELING 30
Artikel 42 Vakantiedagen 30
Artikel 43 Loon over vakantiedagen 31
Artikel 44 Vakantietoeslag 31
Artikel 45 Afrekening vakantierechten en vakantietoeslag 31
Artikel 46 Vervallen 31
Artikel 47 Algemene bepalingen over vakantiedagen 31
Artikel 48 Vakantierechten tijdens arbeidsongeschiktheid 32
Artikel 49 Calamiteitenverlof en kort verzuimverlof met behoud van loon 32
Artikel 50 Kort verzuim zonder behoud van loon 33
Artikel 51 Zwangerschaps- en bevallingsverlof 33
Artikel 52 Adoptieverlof 33
Artikel 53 Kraamverlof 33
Artikel 54 Kortdurend zorgverlof en langdurend zorgverlof 33
Artikel 55 Ouderschapsverlof 33

HOOFDSTUK VI 35
REGELING ARBEIDSONGESCHIKTHEID 35
Artikel 56 Algemene bepalingen 35
Artikel 57 Ziekmelding en controlevoorschriften 35
Artikel 58 Betalingsverplichtingen werkgever arbeidsongeschiktheid en regresrecht 36
Artikel 59 Verzuimbegeleiding 37

HOOFDSTUK VII 38
MOGELIJKHEID TOT MINDER WERKEN VOOR OUDERE WERKNEMERS 38
Artikel 60 Relatie met andere cao-bepalingen 38
Artikel 61 Inhoud overeenkomst met betrekking tot minder werken – geldt tot 1 januari 2008 38
Artikel 61A Inhoud overeenkomst met betrekking tot minder werken – geldt tot 1 januari 2010 39
Artikel 61B Inhoud overeenkomst met betrekking tot minder werken – geldt vanaf 1 januari 2010 39
Artikel 62 Vervallen 40
Artikel 63 Financiering 40

HOOFDSTUK VIII 40
BEPALINGEN VAN SOCIALE AARD 40
Artikel 64 Arbeidsomstandigheden 40
Artikel 64A Branche RI&E 41
Artikel 65 Sociale zaken 41
Artikel 66 Gewetensbezwaren 41
Artikel 67 Pensioenfonds voor de Landbouw 41
Artikel 68 Regeling vrijwillig vervroegd uittreden 41
Artikel 68A Vervallen 42
Artikel 69 Sociale fondsen 42
Artikel 70 Aanvullingsfonds ziekte en arbeidsongeschiktheid 42
Artikel 71 Vakbondscontributie 42
Artikel 72 Levensfasebewust personeelsbeleid 42
GESCHILLEN EN SCHORSING 43
Artikel 73 Geschillencommissie 43
Artikel 74 Overige geschillen 43
Artikel 75 Schorsing 43

HOOFDSTUK X 43
SLOTBEPALINGEN 43
Artikel 76 Tussentijdse wijzigingen 43
Artikel 77 Dispensatie 44
Artikel 78 Tijdvak CAO 44

BIJLAGE I PROTOCOLLEN 45
BIJLAGE II BEHOREND BIJ ARTIKEL 58, OVERGANGSBEPALINGEN 48
BIJLAGE III FONDSEN IN RELATIE TOT COLLAND 49
BIJLAGE III A BEDRIJFSPENSIOENFONDS VOOR DE LANDBOUW (BPL) 49
BIJLAGE III B SUWAS I VERVROEGDE UITTREDING BEHOREND BIJ ARTIKEL 68 49
BIJLAGE III C COLLECTIEVE VERZEKERING INZAKE BETALING BIJ ZIEKTE (SAZAS) 50
BIJLAGE III D SUWAS II AANVULLING WAO- EN WW UITKERING OUDERE WERKNEMERS 51
BIJLAGE IV ENKELE ARTIKELEN UIT HET BURGERLIJK WETBOEK (BW) EN HET BUITENGEWOON
BESLUIT 51
BIJLAGE V WET ARBEID EN ZORG 56
BIJLAGE VI OVERZICHT NORMEN ARBEIDSTIJDENWET VOOR WERKNEMERS VAN 18 JAAR
EN OUDER 58
BIJLAGE VII REFERENTIEFUNCTIERASTER IN HET KADER VAN DE FUNCTIEWAARDERING 59
BIJLAGE VIII PROCEDURE VAN BEZWAAR EN BEROEP IN HET KADER VAN DE FUNCTIEWAARDERING 60
BIJLAGE IX ADRESSEN, TELEFOON- EN FAXNUMMERS VAN DE ORGANISATIES DIE DE COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST VOOR HET HOVENIERSBEDRIJF IN NEDERLAND HEBBEN AFGESLOTEN 61
BIJLAGE X ADRESSEN, TELEFOON- EN FAXNUMMERS VAN UWV 62
BIJLAGE XI ADRESSEN, TELEFOON- EN FAXNUMMERS VAN ACHMEA VITALE, BPL, SAZAS EN COLLAND ARBEIDSMARKTBELEID 63

VOORWOORD

Voor u ligt de Collectieve Arbeidsovereenkomst (cao) voor het Hoveniersbedrijf in Nederland, welke een looptijd kent van 1 maart 2009 tot en met 28 februari 2010.

In de inhoudsopgave zijn de gewijzigde artikelen ten opzichte van de vorige cao aangegeven met een *.

Door algemeen verbindend verklaring (AVV) zijn de meeste bepalingen van deze cao van toepassing op alle werkgevers en werknemers die bij inwerkingtreding of gedurende de looptijd van de AVV onder de werkingssfeer vallen of komen te vallen.
Sommige bepalingen worden bij het verzoek tot AVV buiten beschouwing gelaten. Deze bepalingen zijn daarom slechts bindend voor de georganiseerde werkgevers en hun werknemers. Bovendien komt het voor dat het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bepalingen buiten de AVV laat. Ook deze bepalingen zijn slechts bindend voor de georganiseerde werkgevers en hun werknemers. Cao-bepalingen die naar hun aard niet voor AVV in aanmerking komen zijn bijvoorbeeld bepalingen over pensioen, herverzekering van eigen risico’s van werkgevers en bepalingen die geen verband houden met arbeid.

In het AVV-besluit is te vinden welke bepalingen binnen de AVV vallen. Het besluit tot AVV wordt door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gepubliceerd op de site van de directie Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving (www.cao.szw.nl) en op de site van de Staatscourant (www.staatscourant.nl).

Branchevereniging VHG FNV Bondgenoten CNV BedrijvenBond

 


HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Werkingssfeer
1. Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op:
de werkgevers en werknemers van elke onderneming die hovenierswerkzaamheden, groenvoorzieningswerkzaamheden, boomverzorgingswerkzaamheden, dak- en gevelbegroeningswerkzaamheden, interieurbeplantingswerkzaamheden of greenkeeperswerkzaamheden verricht.
2. Voor uitvoerders, administratief personeel en bedrijfsleiders dient de beloning alsmede de arbeidstijd in onderling overleg tussen werkgever en werknemer overeengekomen te worden. De overige arbeidsvoorwaarden in de cao zijn op deze groepen wel van toepassing.
3. Als op een bedrijf meer cao’s van toepassing kunnen zijn en er één of meer cao’s ook daadwerkelijk worden toegepast, hoeft voorliggende cao niet te worden toegepast als de hierin genoemde werkzaamheden ondergeschikte betekenis hebben in de bedrijfsvoering.
4. Indien een werknemer in een hoveniersbedrijf meer andere dan hovenierswerkzaamheden verricht, kan bij de arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer schriftelijk worden bepaald, dat voor de gehele duur der arbeidsverhouding van toepassing is hetzij deze cao hetzij de op de andere werkzaamheden betrekking hebbende cao.

Artikel 1A Begrippen *
1. In deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt verstaan onder:
a. Hoveniers- en groenvoorzieningswerkzaamheden: Het al dan niet voor derden aanleggen en/of onderhouden van tuinen, parken, plantsoenen, groenstroken, terreinen en begraafplaatsen, een en
ander met de daartoe behorende wegen, paden en pleinen in al hun onderdelen, waaronder tevens begrepen het ruimen van sneeuw in het voornoemde. Dit alles met inbegrip van het bijleveren van alle daarvoor benodigde materialen en andere producten in de meest ruime zin van het woord. Onder Hoveniersbedrijf wordt niet verstaan een onderneming, welke zich uitsluitend of in hoofdzaak
bezighoudt met de voorbereidende grondwerkzaamheden.
b. Boomverzorgingswerkzaamheden: Het voor derden planten en/of verplanten en/of verzorgen van zowel de bovengrondse als ondergrondse delen van bomen, met inbegrip van de voorbereidende werkzaamheden. Dit alles met inbegrip van het bijleveren van alle daarvoor benodigde materialen en andere producten in de meest ruime zin van het woord.
c. Dak- en gevelbegroeningswerkzaamheden: Het voor derden aanleggen en/of onderhouden van daktuinen, danwel beplantingsvormen op daken of tegen gevels.
d. Interieurbeplantingswerkzaamheden: Het voor derden plaatsen en/of onderhouden van interieurbeplantingen met inbegrip van het bijleveren van alle daarvoor benodigde materialen en andere producten in de meest ruime zin van het woord.
e. Greenkeeperswerkzaamheden: Het aanleggen en/of onderhouden van golfterreinen een en ander met de daartoe behorende wegen, paden en pleinen in al hun onderdelen, waaronder tevens begrepen het ruimen van sneeuw in het voornoemde. Dit alles met inbegrip van het bijleveren van alle daarvoor benodigde materialen en andere producten in de meest ruime zin van het woord.
Voor de leesbaarheid van de cao worden alle voornoemde werkzaamheden in het vervolg hovenierswerkzaamheden genoemd en het bedrijf waarin dit gebeurt wordt hoveniersbedrijf genoemd.
f. Werkgevers: zij, die hovenierswerkzaamheden al dan niet in een hoveniersbedrijf doen verrichten.
g. Werknemers: zij, die bij een werkgever krachtens een overeenkomst tot het verrichten van arbeid persoonlijk werkzaam zijn, tenzij op grond van artikel 1 lid 3 en 4 een andere cao op de arbeidsverhouding van toepassing is, alles met uitzondering van hen, die de feitelijke leiding hebben van een onderneming.
h. Deeltijdwerker: de werknemer die is aangesteld voor minder dan gemiddeld 37 uur per week.
i. Arbeidsgehandicapte werknemer: een persoon met structureel functionele beperkingen.
j. Cao-loon: het bedrag als vermeld in de loongroepen dan wel hiervan afgeleid op grond van de
desbetreffende bepalingen inzake loonsverhogingen, leeftijd, functie en periodiek.
k. Feitelijk loon: het cao-loon of een hoger overeengekomen loon.
l. Maandloon: het weekloon vermenigvuldigd met 4,35.
m. Uurloon: het feitelijk loon per week gedeeld door de gemiddelde arbeidsduur per week op basis van artikel 17, zijnde 37 uur, of een overeenkomstig deel van het feitelijk loon per maand, zijnde 1/161.
n. Jaarloon: het maandloon vermenigvuldigd met 12.
o. ADV dagen: (arbeidsduur verkortingsdagen) dagen waarop de werknemer volgens rooster vrijaf heeft met behoud van loon.
p. Bedrijfstak: de gezamenlijke ondernemingen, waarvoor deze cao geldt.
q. Vestiging: door werkgever en werknemer afgesproken standplaats die wordt gehanteerd als locatie van de onderneming voor de toepassing van de arbeidsvoorwaarden van betreffende werknemer.
r. Opstappunt: de plaats van waar gezamenlijk wordt afgereisd, niet zijnde de woning of de vestiging, naar de plaats waar de werkzaamheden worden uitgevoerd.
s. Dienstverband voor onbepaalde tijd: voorheen vast dienstverband.
t. Dienstverband voor bepaalde tijd: voorheen los dienstverband. Daar waar vermeld staat dienstverband voor bepaalde tijd wordt ook bedoeld voor bepaald werk.
u. Beroeps Praktijk Vormingsovereenkomst: voorheen leerovereenkomst. De overeenkomst heeft betrekking op de beroepspraktijkvorming van een leerling die een opleiding volgt in het kader van de beroepsbegeleidende leerweg (BBL, voormalig leerlingstelsel). De overeenkomst wordt afgesloten tussen de opleiding, de deelnemer en het bedrijf of de organisatie waar de beroepspraktijkvorming plaats vindt. Deze overeenkomst wordt mede ondertekend door het kenniscentrum beroepsonderwijs-bedrijfsleven als verklaring voor het zijn van erkend leerbedrijf.
v. Consignatiedienst: de omstandigheid dat een werknemer– buiten de reguliere werktijd – in opdracht van de werkgever verplicht beschikbaar moet zijn om op afroep zo spoedig mogelijk arbeid te gaan verrichten.
w. BTER-loon (BTER = bedrijfstakeigenregeling):
Dit is het loon uit een dienstverband overeenkomstig Hoofdstuk II van de Wet op de Loonbelasting 1964, waarbij artikel 11, eerste lid, onderdeel j en artikel 10 lid 4 buiten toepassing blijven.
Tot het loon behoren niet:
a. hetgeen uit een vroeger dienstverband als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt genoten met uitzondering van:
hetgeen wordt genoten op grond van de artikelen 628, 628a en 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede hetgeen door de werknemer met een publiekrechtelijk dienstverband wordt genoten op grond van naar aard en strekking overeenkomstige regelingen, en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstverband staat;
b. eindheffingsbestanddelen als bedoeld in onderdeel b, artikel 31, eerste lid, onderdeel b tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964;
c. aanspraken op grond van de Zorgverzekeringswet alsmede vergoedingen ter zake van premies en bijdragen voor ziektekostenregelingen, uitkeringen en verstrekkingen die naar aard en omvang overeenkomen met uitkeringen en verstrekkingen op grond van de Zorgverzekeringswet;
d. uitkeringen op grond van een regeling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel j, onder 5º, van de Wet op de loonbelasting 1964;
e. het genot van een ter beschikking gestelde auto.
2. Waar in deze cao het woord "werknemer" of "zijn" is geschreven wordt tevens "werkneemster" of "haar" bedoeld.

Artikel 2 Leeftijd
1. Onder vakvolwassen werknemers wordt verstaan werknemers van 21 jaar en ouder.
2. Onder jeugdige werknemers wordt verstaan werknemers van 20 jaar en jonger.
3. Onder oudere werknemers wordt verstaan werknemers van 55 jaar en ouder.

Artikel 3 Functie-indeling *
1. De functies van de werknemers zijn of worden op basis van het ORBA-systeem van functiewaardering ingedeeld in functiegroepen. De indeling is vermeld in het handboek “Functiewaardering groene sector” en is van toepassing op deze cao. In bijlage VII van deze cao is het referentiefunctieraster vermeld.
2. De functie-indeling is niet van toepassing op de volgende categorieën medewerkers:
 - gelegenheidsarbeiders (zie artikel 5 en 23);
 - hulpkrachten (zie artikel 5 en 23);
 - werknemers die in het kader van speciale arbeidsmarktvoorzieningen in de bedrijfstak worden geplaatst en vallen onder plaatsingsbevorderende subsidieregelingen, waarvoor betaling van het wettelijk minimumloon een vereiste is (zie artikel 23).
3. Daarnaast is de functie-indeling niet van toepassing op uitvoerders, administratief personeel en bedrijfsleiders.
4. De werknemers worden in één van de volgende functiegroepen ingedeeld. De hieronder vermelde functies betreffen referentiefuncties.

Functiegroep 1
Functiregroep 2
Medewerker Hovernier
Assistent Hovenier
Medewerker Groenvoorziening
Assistent Groenvoorziening
Medewerker interieurbeplanter
Assistent Boomverzorger
Medewerker Golfbanen
Machinist
 
 
 
Functiegroep 3
Functiegroep 4
Hovenier
Hovenier A
Groenvoorziener
Groenvoorziener A
Boomverzorger
Greenkeeper
Servicemedewerker Interieurbeplanting
Machinist A
 
 
 
Functiegroep 5
Functiegroep 6
Allround Hovenier
Voorman A Hovenier
Voorman Hovenier
Voorman A Groenvoorziening
Voorman/Wijkbeheerder
Voorman A Boomverzorger
Allround Boomverzorger
Hoofd Greenkeeper
Teamleider Interieurbeplanting
Machinist/Voorman
Monteur

 

Artikel 4 Uitzendkrachten *
De bepalingen in deze cao met betrekking tot de arbeidstijden, lonen en overige vergoedingen zijn van overeenkomstige toepassing op uitzendkrachten. Daarbij geldt voor diegene die valt binnen loongroep I of II, als bedoeld in artikel 22, een wachttijd van 3 maanden. De werkgever bedingt bij het uitzendbureau de toepassing van de relevante bepalingen van deze cao en laat dit schriftelijk bevestigen. De uitzendkracht kan aan hetgeen hier vermeld, direct rechten ontlenen jegens het uitzendbureau. Er zal per 1 januari 2010 uitsluitend gebruik gemaakt worden van NEN-gecertificeerde uitzendbureaus.

Artikel 5 Bijzondere categorieën werknemers *
Gelegenheidsarbeiders
1. Onder gelegenheidsarbeiders wordt verstaan:
a. de groep scholieren en studenten als bedoeld in artikel 3.13 lid 1 sub a van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv);
b. uitkeringsgerechtigden als bedoeld in artikel 51 lid 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) van 16 december 2004, Staatsblad 2005 nr 36;
c. de overige categorieën arbeiders als bedoeld in het voormalige Besluit Gelegenheidsarbeiders sector Agrarisch Bedrijf te weten huisvrouwen/-mannen, asielzoekers en de zelfstandige boer die werkzaam is als gelegenheidswerker.
2. De gelegenheidsarbeider wordt beloond conform artikel 22 lid 8 van deze cao.
3. De gelegenheidsarbeider is werkzaam gedurende maximaal 8 aaneengesloten weken per werkgever, per kalenderjaar en mag in het kalenderjaar nog niet eerder bij dezelfde werkgever betaalde arbeid hebben verricht.
4. Voor de gelegenheidsarbeid geldt, dat over het rechtens geldende loon 20% toeslag wordt betaald bij het eind van het dienstverband ter compensatie van de opgebouwde vakantiedagen en vakantietoeslag. Hierop wordt in mindering gebracht de vergoeding die de werknemer heeft ontvangen over de op zijn verzoek opgenomen vakantiedagen, niet zijnde feestdagen
Hulpkrachten
5. Hulpkrachten zijn scholieren en studenten, die geen opleiding volgen in de hovenierssector, en daarnaast personen die uitsluitend werkzaam zijn op vrijdag en/of zaterdag en/of zondag. Hulpkrachten worden beloond conform artikel 22 lid 8.

Artikel 5A Instromers*
Instromers zijn medewerkers die niet eerder hebben gewerkt onder de werkingssfeer van deze cao. Uitzendkrachten worden eveneens als instromers aangemerkt na het verstrijken van de wachttijd zoals genoemd in artikel 4. De instromer wordt in de gelegenheid gesteld passende scholing te volgen. Instromers worden beloond conform artikel 22 lid 4. Niet als instromers worden aangemerkt medewerkers die een relevante beroepservaring voor de betreffende functie hebben opgedaan in een andere sector en uitzendkrachten die een voor de functie relevante vaktechnische opleiding hebben genoten.

HOOFDSTUK II HET DIENSTVERBAND

Artikel 6 De arbeidsovereenkomst *
1. Arbeidsovereenkomsten moeten schriftelijk worden vastgelegd. Van de getekende arbeidsovereenkomst behouden werkgever en werknemer ieder een exemplaar.
2. In deze schriftelijke arbeidsovereenkomst moeten bepalingen worden opgenomen omtrent:
- de aard van het dienstverband;
- de duur van het dienstverband;
- bij een deeltijddienstverband: de wekelijkse arbeidsduur;
- in welke functie de werknemer bij het aangaan van de overeenkomst werkzaam zal zijn;
- de aard van de werkzaamheden;
- het loon;
- alle overeengekomen toeslagen;
- welke cao op de arbeidsovereenkomst van toepassing is;
- andere onderwerpen waarover partijen regeling wensen.
3. Indien een structurele wijziging optreedt in het niveau van de werkzaamheden, dient de arbeidsovereenkomst te worden aangepast.
4. In de arbeidsovereenkomst kan schriftelijk een wederzijdse proeftijd worden overeengekomen van maximaal 2 maanden. In afwijking van artikel 7:652 Burgerlijk Wetboek geldt dit zowel voor dienstverbanden voor onbepaalde als bepaalde tijd.1)
5. De cao heeft het karakter van een minimum-cao. Dat betekent dat met de individuele werknemer van de cao afwijkende afspraken mogen worden gemaakt, mits deze voor de werknemer tenminste gelijkwaardig zijn aan hetgeen bij cao is bepaald. Bepalingen in de arbeidsovereenkomst welke voor de werknemer in negatieve zin afwijken van de cao zijn nietig.

Artikel 7 Het dienstverband *
Dienstverbanden voor onbepaalde tijd
1. Dienstverbanden voor onbepaalde tijd kunnen worden onderscheiden in dienstverbanden:
- voor de volledige werkweek (conform artikel 17);
- in deeltijd.
2. Opzegging van een dienstverband voor onbepaalde tijd is mogelijk gedurende de proeftijd, indien tussen de betreffende werkgever en werknemer er een rechtens geldende proeftijd overeengekomen werd.
Dienstverbanden voor bepaalde tijd
3. Een dienstverband voor bepaalde tijd kan ongeacht het aantal arbeidsuren voor een bepaalde tijd of voor bepaald werk worden aangegaan en kan worden onderscheiden in een dienstverband:
- voor de volledige werkweek (conform artikel 17);
- in deeltijd.
4. Opzegging van een dienstverband voor bepaalde tijd is mogelijk gedurende de proeftijd, indien tussen de betreffende werkgever en werknemer er een rechtens geldende proeftijd overeengekomen werd.
5. Beëindiging voor afloop van de einddatum van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is voor de werkgever alleen mogelijk via het UWV WERKbedrijf of de kantonrechter en voor de werknemer met inachtneming van 1 maand opzegtermijn.
Deeltijddienstverbanden
6. Een deeltijddienstverband wordt aangegaan voor minimaal 6 uren per week en de werktijd per dag bedraagt tenminste 3 uren, tenzij het een dienstverband voor bepaalde tijd betreft (zie lid 3).
7. Het is de werkgever verboden gebruik te maken van afroepkrachten (0-urencontract).
8. In de arbeidsovereenkomst wordt:
a. ofwel het arbeidspatroon vastgelegd, onder vermelding van de werkdag(en) en de tijdstippen;
b. ofwel het aantal uren per week vastgelegd, met dien verstande dat de werkgever en werknemer in onderling overleg minimaal een week van tevoren de dag(en) waarop er gewerkt wordt bepalen.
9. Deeltijdwerkers kunnen niet worden verplicht om meer uren of op andere tijdstippen te werken als de deeltijder op die momenten andere verplichtingen heeft die hij met de werkgever heeft afgestemd.
10. Voor werknemers met een deeltijddienstverband zijn de bepalingen van deze cao altijd naar rato van toepassing, met uitzondering van artikel 38.
Dienstverband gekoppeld aan Beroeps Praktijk Vormingsovereenkomst
11. De in de sector instromende werknemer die een opleiding volgt in het kader van de beroepsbegeleidende leerweg is werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst die gekoppeld is aan een Beroeps Praktijk Vormingsovereenkomst (zie artikel 1 sub u). De duur van het dienstverband is gelijk aan de duur van de Beroeps Praktijk Vormingsovereenkomst.

Artikel 8 Uitzonderingsbepaling ten aanzien van het wettelijk ontstaan van een vast dienstverband *
1. In afwijking van artikel 7:668a Burgerlijk Wetboek worden sommige arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd niet meegeteld bij de vaststelling of sprake is van een keten van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die recht geeft op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.1)
Dit betreft een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die:
a. volledig bestemd is voor scholing die de werknemer geniet ten behoeve van zijn werkzaamheden bij de betreffende werkgever (dit geldt ook voor de beroepspraktijk vormingsovereenkomst), ongeacht het aantal overeenkomsten en het aantal dagen per overeenkomst, of
b. uitsluitend is aangegaan voor werkzaamheden ter voorkoming of beperking van de gevolgen van calamiteiten in verband met weersomstandigheden, ongeacht het aantal overeenkomsten en het aantal dagen per overeenkomst, of
c. is aangegaan voor overige incidentele werkzaamheden, ongeacht het aantal overeenkomsten, mits het totaal aantal gewerkte dagen op basis van deze overeenkomst(en) niet meer dan 10 per jaar bedraagt.
d. genoemd wordt in artikel 9 lid 3, voor zover het de maand verlenging betreft.
2. In afwijking van artikel 7:668a Burgerlijk Wetboek 1) geldt voor de uitzendkracht die een dienstverband voor bepaalde tijd aangaat dat zijn eerdere arbeidsovereenkomsten bij uitzendbureaus als 1 schakel van de keten van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd worden aangemerkt.
3. In afwijking van artikel 7:668a Burgerlijk Wetboek 1) geldt dat arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die elkaar opvolgen met tussenpozen van meer dan 1 maand, niet meetellen bij de vaststelling of sprake is van een keten van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die recht geeft op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Artikel 9 Dienstverband *
Einde dienstverband
1. Het dienstverband eindigt:
a. onmiddellijk bij beëindiging door de werkgever of de werknemer
 - gedurende de proeftijd als deze is overeengekomen;
 - of wegens een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 en 7:679 Burgerlijk Wetboek; 1)
b. bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar;
c. voor werknemers, die voor bepaalde tijd of voor een bepaald werk in dienst zijn, van rechtswege zonder dat opzegging vereist is, op het vooraf bepaalde tijdstip of bij voltooiing van het bepaalde werk;
d. voor werknemers die in dienst zijn op grond van een Beroeps Praktijk Vormingsovereenkomst op het moment dat de opleiding is afgerond, de opleiding eindigt op initiatief van de werknemer of de
overeenkomst wordt beëindigd op grond van de Wet Educatie Beroepsonderwijs. Uitgezonderd van deze bepaling zijn werknemers die reeds een arbeidsovereenkomst hadden bij het aangaan van de Beroeps Praktijk Vormingsovereenkomst;
e. bij wederzijds goedvinden;
f. bij ontbinding door de kantonrechter;
g. bij opzegging door de werkgever of werknemer, waarbij de werkgever toestemming nodig heeft van de functionaris juridische zaken van de UWV WERKbedrijf.
Voortzetting dienstverband
2. Een voor bepaalde tijd of voor een bepaald werk aangegaan dienstverband kan worden voortgezet. Indien het dienstverband, na het verstrijken van de overeengekomen tijd, zonder tegenspraak wordt voortgezet, wordt het geacht voor dezelfde tijd, maar telkens ten hoogste voor een jaar, op de vroegere voorwaarden wederom te zijn aangegaan.
3. In afwijking van artikel 7:668 Burgerlijk Wetboek hebben werkgever en werknemer het recht om in onderling overleg een overeenkomst voor bepaalde tijd of voor een bepaald werk eenmaal per jaar te verlengen met maximaal 1 maand zonder dat aan het einde van de verlengde overeenkomst opzegging vereist is (zie artikel 8 lid1 sub d).
Wederindienstneming
4. De werknemer die een dienstverband voor bepaalde tijd heeft en na afloop van de arbeidsovereenkomst binnen een periode van een jaar wederom bij dezelfde werkgever in dezelfde functie in dienst treedt, zal in het volgende dienstverband geen slechtere arbeidsvoorwaarden krijgen en zijn eerder opgebouwde periodiek/periodieken zullen blijven bestaan. Er zal geen proeftijd worden overeengekomen.
Werken na 65 jaar
5. a. Voor de werknemer zoals bedoeld in lid 1 b kunnen werkgever en werknemer overeenkomen om een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te gaan.
b. De overeenkomst met deze werknemer betreft altijd een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van 6 maanden, tenzij uitdrukkelijk is overeengekomen dat de overeenkomst korter duurt.
c. Opzegging van bovengenoemde overeenkomst is niet vereist.
d. Na drie overeenkomsten voor bepaalde tijd, mag gedurende een periode van 32 dagen geen nieuwe arbeidsovereenkomst worden aangegaan.
e. Op deze overeenkomsten is de cao van toepassing en zal betaling geschieden conform de bij de functie behorende beloning.

Artikel 10 Werken bij derden *
1. Het is de werknemer niet toegestaan om werkzaamheden te verrichten die concurrentie kunnen opleveren voor zijn werkgever, tenzij hiervoor schriftelijke overeenstemming bestaat tussen werknemer en werkgever. In geval van overtreding kan ontslag op staande voet volgen.
2. Indien een werknemer gebruik wil maken van eigendommen van de werkgever, kan dat alleen met toestemming van de werkgever. Bij ongeoorloofd gebruik kan ontslag op staande voet volgen.
3. . De werkgever is niet verplicht tot het doorbetalen van loon, indien er een oorzakelijk verband bestaat tussen de arbeidsongeschiktheid en het verrichten van betaalde arbeid voor derden door de werknemer, waarvoor de werkgever geen schriftelijke toestemming heeft verleend.

Artikel 11 Onwerkbaar weer en gebrek aan werk *
1. In overleg tussen leidinggevende en werknemer wordt beoordeeld of er sprake is van onwerkbaar weer in relatie tot de te verrichten werkzaamheden. De leidinggevende bepaalt uiteindelijk of dit al dan niet het geval is.
2. Behoudens het gestelde in lid 3 geldt dat indien de werkzaamheden ten gevolge van weersomstandigheden, ongeacht de tijdsduur, geen doorgang kunnen vinden:
- de werkgever gehouden is het feitelijk loon door te betalen.
- de werknemer gehouden is ten behoeve van de werkgever op het bedrijf andere werkzaamheden te verrichten of in overleg elders andere werkzaamheden te verrichten.
3. Ingeval van onwerkbaar weer of gebrek aan werk kan in plaats van hetgeen is bepaald in lid 2 door de werkgever gebruik worden gemaakt van de saldi van respectievelijk flex ADV en flex TVT zoals genoemd in artikel 19 en onder de daarin genoemde voorwaarden. Als de saldi van de flex ADV en flex TVT volledig zijn benut, geldt vervolgens weer lid 2 van dit artikel.
4. Voor werknemers met een dienstverband voor bepaalde tijd van korter dan 1 jaar, geldt het gestelde onder lid 3 met dien verstande dat er dan geen sprake is van flex TVT.
5. Lid 3 en 4 zijn niet van toepassing als de werkgever gebruik maakt van een werkweek, zoals genoemd artikel 17 lid 1 sub b en c.
6. Conform het gestelde in de artikelen 18 en 19 is het niet mogelijk flex ADV of flex TVT aan te wijzen voor kortstondige werkonderbrekingen als gevolg van weersomstandigheden.

Artikel 12 Opzegging dienstverband voor onbepaalde tijd*
1. Opzegging geschiedt tegen het einde van de maand.
2. De door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt bij een arbeidsovereenkomst die op de dag van opzegging:
a. korter dan 5 jaar heeft geduurd: 1 maand;
b. 5 jaar of langer, maar korter dan 10 jaar heeft geduurd: 2 maanden;
c. 10 jaar of langer, maar korter dan 15 jaar heeft geduurd: 3 maanden;
d. 15 jaar of langer heeft geduurd: 4 maanden.
Voor werknemers van 50 jaar en ouder bedraagt de termijn van opzegging minimaal 3 maanden.
3. De door de werknemer in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt 1 maand.
4. Indien de toestemming, bedoeld in artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen, is verleend, wordt de termijn van opzegging, bedoeld in lid 2, verkort met 1 maand, met dien verstande dat de resterende termijn van opzegging tenminste 1 maand bedraagt. 
Bij arbeidsongeschiktheid
5. De werknemer dient zich te houden aan de regels die bij ziekteverzuim in de onderneming gelden en dient voldoende medewerking te verlenen aan de reïntegratieverplichtingen volgens de Wet Verbetering Poortwachter (WVP).
a. De werkgever kan niet opzeggen gedurende de tijd dat de werknemer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, tenzij de ongeschiktheid een aanvang heeft genomen nadat een verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen door de Centrale organisatie Werk en Inkomen1) is ontvangen.
b. Indien na 2 jaren van arbeidsongeschiktheid (ongeacht het arbeidsongeschiktheidspercentage) door de arbeidsdeskundige wordt vastgesteld dat er geen passende reïntegratiemogelijkheden zijn binnen het bedrijf van de werkgever, dan kan het dienstverband worden beëindigd op voorwaarde dat volgens het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV) voldoende reïntegratie-activiteiten zijn verricht.
c. Indien volgens het UWV onvoldoende reïntegratie-activiteiten door de werkgever zijn verricht, is ontslag wegens arbeidsongeschiktheid na 3 jaar van arbeidsongeschiktheid mogelijk.
d. Indien de werknemer zonder gegronde redenen geen of onvoldoende medewerking verleent aan
bovenstaande bepalingen heeft de werkgever de mogelijkheid om de loondoorbetaling inclusief de aanvulling, na voorafgaande waarschuwing te staken en kan de werkgever, ongeacht hetgeen is bepaald in lid 5 b en c het dienstverband beëindigen via de daartoe aangewezen weg.

Artikel 13 Vervallen

 


HOOFDSTUK III BEPALINGEN OMTRENT DE ARBEIDSTIJD

Artikel 14 Begrip arbeidstijd *
1. Onder arbeidstijd wordt in deze cao verstaan de tijd gedurende welke de werknemer:
a. werkzaamheden verricht dan wel daartoe ter beschikking van de werkgever moet blijven;
b. geen arbeid verricht in verband met de viering van een erkende christelijke feestdag, dan wel in verband met de viering van de verjaardag van de koningin of 5 mei, een en ander voor zover niet op zaterdag of zondag vallend;
c. geen arbeid verricht wegens arbeidsongeschiktheid of ongeval dan wel wegens vakantie, vakopleiding of kort verzuim, een en ander voor zover niet op zaterdag of zondag vallend;
d. geen arbeid verricht wegens een ADV dag;
e. geen arbeid verricht wegens het volgen van een cursus, het bijwonen van werkoverleg of een toolbox-meeting, een en ander voor zover het in opdracht van de werkgever plaatsvindt;
f. de eventuele rustpauzes houdt, waaronder wordt verstaan eenmaal per dagdeel een pauze van maximaal 10 minuten. De noodzakelijke persoonlijke verzorging dient zo mogelijk in deze rustpauzes plaats te vinden.

Artikel 15 Arbeid op zaterdagen, zon- en feestdagen
1. Behoudens het gestelde in artikel 20 wordt geen arbeid verricht op onderstaande dagen:
a. op zaterdag en zondag;
b. op Nieuwjaarsdag en eerste en tweede Kerstdag;
c. op tweede Paasdag, Hemelvaartsdag en tweede Pinksterdag;
d. op de dag waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd;
e. op 5 mei (behoudens het gestelde in artikel 19) met dien verstande dat, indien het bedrijfsbelang zich hiertegen verzet, tussen werkgever en werknemer zal worden overeengekomen dat laatstgenoemde op een andere datum een dag vrijaf neemt. In dat geval zal een andere vervangende vrije dag worden vastgesteld in het betreffende jaar en wel tussen 1 april en 1 november van dat jaar. In het geval de werknemer aannemelijk kan maken dat hij om zwaarwegende principiële redenen vrijaf op 5 mei wenst, dan zal de werknemer op 5 mei vrijaf worden gegeven;
f. op Goede Vrijdag en op bid- en dankdagen, alsmede op 1 mei indien en voor zover de werknemer er prijs op stelt deze als gedenkdag(en) te vieren (zie ook artikel 47 lid 1);
g. door werknemers die de islamitische godsdienst belijden op de dag na de islamitische vastentijd (zie ook artikel 47 lid 1).

Artikel 16 Indeling van de arbeidsdag *
1. Tenzij de werkgever en de werknemer anders zijn overeengekomen, begint en eindigt de arbeidsdag op de vestiging of op een door de werkgever aan te wijzen object, mits dit object minder ver dan de vestiging dan wel minder dan 15 kilometer van de woonplaats van de werknemer verwijderd is.
2. De vaststelling van de tijdstippen van aanvang en einde van de schafttijden geschiedt in onderling overleg tussen werkgever en werknemer. De totale schafttijd moet minimaal een half uur en mag maximaal anderhalf uur bedragen.
3. Niet tot de schafttijden worden gerekend de eventuele rustpauzes in de voor- en namiddag van minder dan 10 minuten zoals beschreven in artikel 14 lid f. De werkgever dient mee te werken aan het opnemen van deze rustpauzes.

Artikel 17 Arbeidstijd en tijdstippen van aanvang en einde van de arbeidsdag *
1. a. Op jaarbasis bedraagt de gemiddelde wekelijkse arbeidstijd 37 uur. Dit wordt bereikt door een gemiddelde werkweek van 40 uur en 20 ADV dagen per jaar, met inachtneming van het gestelde in artikel 18 en 19.
b. De werkgever kan in afwijking van lid 1a besluiten dat voor een werknemer een gemiddelde werkweek van 37 uur wordt bereikt door een werkweek van 38 uur en 6,5 vrij opneembare ADV dagen per jaar. Artikel 18 lid 5 en artikel 19 zijn dan niet van toepassing.
c. Indien de werkgever geen gebruik maakt van arbeidstijd zoals genoemd in lid a en b van dit artikel dan dient hij een keuze te maken uit een van de volgende werkroosters:
- een werkweek van 37 uur zonder ADV waarbij artikel 18 en 19 niet van toepassing zijn;
- een werkweek van 40 uur en 20 vrij opneembare ADV dagen per jaar waarbij artikel 18 lid 5 en artikel 19 niet van toepassing zijn.
d. Los van overwerk conform artikel 20, bedraagt de maximale werktijd per dag in principe 9 uur, exclusief schaft- en reistijd.
e. Los van overwerk conform artikel 20 bedraagt de maximale werkdag in principe 11 uur, inclusief schaft- en reistijd. Gerekend wordt vanaf de vestiging van de werkgever of vanaf het door de werkgever aangewezen opstappunt (zie artikel 37 lid 6) of vanaf de woning, indien men rechtstreeks reist naar de plaats waar gewerkt wordt.
2. De vaststelling van de tijdstippen van aanvang en einde van de arbeidsdag geschiedt, met inachtneming van hetgeen is overeengekomen ten aanzien van de schafttijden als bedoeld in artikel 16 lid 2, in onderling overleg tussen werkgever en werknemer, met dien verstande dat:
a. de normale bedrijfstijd tussen 06.00 uur en 19.00 uur is;
b. alle gewerkte uren die vallen buiten de normale bedrijfstijd, als overuren worden beschouwd;
3. De maximumarbeidstijd per nachtdienst bedraagt 8 uur, exclusief overwerk.
4. Indien er consignatiediensten worden verricht, zullen er op bedrijfsniveau conform artikel 34 A afspraken worden gemaakt over de gevolgen daarvan met betrekking tot de arbeidstijden.

Artikel 18 ADV dagen *
1. Bij een werkschema zoals genoemd in artikel 17 lid 1 a worden:
- van de genoemde 20 ADV dagen voor werknemers met een dienstverband voor onbepaalde tijd en werknemers met een dienstverband voor bepaalde tijd van 1 jaar of langer, 15 ADV dagen aangemerkt als flex ADV dagen. De overige 5 ADV dagen worden aangemerkt als vrij opneembare ADV dagen.
- voor werknemers met een dienstverband voor bepaalde tijd van korter dan 1 jaar, de ADV dagen voor de helft aangemerkt als flex ADV dagen en voor de andere helft als vrij opneembare ADV dagen.
Voor de toepassing van de flex ADV dagen wordt verwezen naar artikel 19.
2. De vrij opneembare ADV dagen worden in overleg tussen de werkgever en de betrokken werknemer vastgesteld.
3 . Ingeval conform lid 2 vastgestelde ADV dagen niet zijn genoten vanwege arbeidsongeschiktheid, zijn deze dagen vervallen.
4. De werknemer die arbeidsongeschikt is, behoudt gedurende de laatste 4 weken waarin de arbeid niet werd verricht, aanspraak op ADV dagen.
5. Indien door arbeidsongeschiktheid de werknemer niet aan zijn volledige ADV opbouw komt, worden de daadwerkelijk opgebouwde ADV rechten naar rato (in verhouding 3 : 1) verdeeld over de flex ADV dagen en de vrij opneembare ADV dagen.
6. Vrij opneembare ADV dagen welke op het einde van het kalenderjaar niet zijn opgenomen komen te vervallen, tenzij dit op het verzoek van de werkgever is gebeurd. In dat geval worden niet genoten ADV dagen uitgekeerd tegen 130%.
7. Werkgever en werknemer kunnen in onderling overleg bepalen dat (een deel van) de vrij opneembare ADV-dagen worden uitbetaald tegen 100% van het loon.

Artikel 19 Flexibiliteit *
Flex ADV
NB: zie artikel 18 voor de groepen werknemers waarop dit van toepassing is.
1. Jaarlijks worden, met inachtneming van artikel 18, per werknemer op 1 april de flex ADV dagen die de navolgende 12 maanden worden opgebouwd tegen 8 uur per dag bijgeboekt in de flex ADV pot.
Voor de werknemer die op enig moment in dienst treedt worden de flex ADV dagen, waarop hij recht heeft tot 1 april daaropvolgend, naar rato bijgeboekt in de flex ADV pot.
2. Indien door het bijboeken van de flex ADV uren het saldo groter wordt dan 200 uren wordt het meerdere uitgekeerd tegen 130%. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat de oudste flex ADV rechten als eerste worden uitbetaald.
3. Ingeval van onwerkbaar weer of gebrek aan werk kan de werkgever door het gehele jaar dagen of dagdelen uit de pot aanwijzen. Deze aanwijzing dient te geschieden voor aanvang van de betreffende dag of het betreffende dagdeel. Daarnaast is het mogelijk om uren uit de flex ADV pot in te zetten in een rooster. Dit rooster wordt voor aanvang van de week bekend gemaakt. In geval van arbeidsongeschiktheid geldt, ongeacht het van toepassing zijnde rooster, dat er geen wijzigingen plaatsvinden in het saldo van de flex ADV pot. In geval van een vakantiedag geldt dat het aantal af te boeken vakantie-uren conform is met het van toepassing zijnde rooster en dat een eventueel verschil met een normale werkdag van acht uur ten laste komt van het saldo van de flex ADV pot.
4. Opname van de uren zoals genoemd in lid 3 vindt plaats in een verhouding 1 op 1. Dat wil zeggen 1 uur uit de pot is 1 uur vrij. Daarbij wordt er vanuit gegaan dat de oudste flex ADV rechten als eerste worden aangewend.
5. Niet aangewezen flex ADV dagen worden niet afgerekend maar blijven in de pot, met inachtneming van het gestelde in lid 2.
Flex tijd voor tijd
NB: zie artikel 11 lid 4 en 5 voor de groepen werknemers waarop dit niet van toepassing is.
6. Bij een werkschema zoals genoemd in artikel 17 lid 1 sub a is er naast de flex ADV pot een flex tijd voor tijd (TVT)pot. Deze geldt voor alle werknemers met een vast dienstverband, danwel een los dienstverband voor 1 jaar of langer.
Deze flex TVT pot wordt gevuld door:
- 5 mei (8 uren), voor zover deze dag op een werkdag valt (zie artikel 15 lid 1 sub e)
- reistijden zoals genoemd in artikel 37
- het 9e gewerkte uur op een dag tegen 100%
- overwerkuren tegen het geldende overwerkpercentage
7. In de periode van 1 april tot 1 april van het daaropvolgende jaar wordt door de werknemer maximaal 90 uren in de flex TVT pot gespaard, tenzij een maximum van 120 uren is overeengekomen. Dit maximum van 120 uren kan worden overeengekomen in overleg tussen werkgever en OR/PVT. In bedrijven met minder dan tien werknemers dient dit in overleg met het voltallige personeel te geschieden, waarbij de meerderheid van het personeel dat aan de regeling deelneemt hiermee moet instemmen. Indien door tussentijdse aanwijzing van TVT uren het spaarsaldo de 90 c.q. 120 niet bereikt, blijft het maximaal aantal te sparen uren door de werknemer in genoemde periode 90 c.q. 120 uren.
8. Totdat het in lid 7 genoemde maximale aantal uren is bereikt, zal geen van de in lid 6 genoemde uren worden uitbetaald, maar deze zullen aan de flex TVT pot worden toegevoegd.
9. Indien het maximum aantal gespaarde uren genoemd in lid 7 is bereikt, of het saldo van de flex TVT pot meer dan 200 uren bedraagt (door werknemersreservering conform lid 12 lid sub c), worden alle meerdere uren zoals genoemd in lid 6 uitbetaald tegen het geldende percentage, met dien verstande dat het 9e gewerkte uur op een dag wordt vergoed tegen 130%.
10. Met inachtneming van het gestelde in lid 14 kan de werkgever ingeval van onwerkbaar weer of gebrek aan werk door het gehele jaar dagen of dagdelen uit de pot aanwijzen. Deze aanwijzing dient te geschieden voor aanvang van de betreffende dag of het betreffende dagdeel. Daarnaast is het mogelijk om uren uit de flex TVT pot in te zetten in een rooster. Dit rooster wordt voor aanvang van de week bekend gemaakt. In geval van arbeidsongeschiktheid geldt, ongeacht het van toepassing zijnde rooster, dat er geen wijzigingen plaatsvinden in het saldo van de flex TVT pot. In geval van een vakantiedag geldt dat het aantal af te boeken vakantie-uren conform is met het van toepassing zijnde rooster en dat een eventueel verschil met een normale werkdag van acht uur ten gunste of ten laste komt van het saldo van de flex TVT pot.
11. Bij aanwijzing van flex TVT uren zoals gesteld in lid 10 wordt door de werkgever een toeslag van 33.% in tijd gegeven over de uren die uit de flex TVT pot worden gehaald. (Opname van 45 minuten uit de pot levert 60 minuten doorbetaalde vrije tijd op).
12. Op 1 april van elk jaar wordt een eventueel restant saldo van de flex TVT pot:
a. uitbetaald tegen 100%, of ,
uitsluitend op verzoek van de werknemer:
b. op een later moment in vrije tijd opgenomen, of
c. als restant saldo per 1 april in de flex TvT pot gehandhaafd.
13. Vervallen.
Overige bepalingen
14. Bij opname van uren ten behoeve van onwerkbaar weer en gebrek aan werk geldt de navolgende volgorde:
a. uit de flex ADV pot;
b. uit de flex TVT pot, als het saldo genoemd in sub a volledig is benut.
15. De werkgever dient ten behoeve van de flex ADV pot en de flex TVT pot voor de werknemer een inzichtelijke registratie bij te houden. Op verzoek van de werknemer overlegt de werkgever de registratie welke gegevens bevat betreffende de opbouw, de benutting en de saldi. Minimaal 1 maal per maand verstrekt de werkgever een overzicht van de betreffende saldi.
16. In geval een werknemer dan wel namens hem het medezeggenschapsorgaan of een bij deze cao betrokken vakbond hierom verzoekt, dient de werkgever hem ervan te overtuigen dat de financiële draagkracht van het bedrijf zodanig is dat de spaarsaldi geen onverantwoorde risico’s lopen.
Maatwerk
17. In afwijking van de hiervoor genoemde regelingen wordt de mogelijkheid geboden om in overleg met OR/PVT individuele afspraken te maken waarin verder maatwerk is verwerkt op het gebied van:
- startdatum;
- benedenwaartse afwijking van het in lid 7 genoemde maximum te sparen aantal uren;
- afrekendata;
- normale bedrijfstijd (gemaximeerd op 13 uren).
18. In geval de werktijden ten gevolge van deze flexibiliteitsbepalingen voor een individuele werknemer zodanig zwaarwegende belemmeringen opleveren voor zijn persoonlijke omstandigheden, dat deze redelijkerwijze niet van hem gevergd kunnen worden zal de werkgever in overleg met de betrokken werknemer een passend alternatief ontwikkelen. Aan de zijde van de werknemer is er een inspanningsverplichting om de omstandigheden die de belemmering opleveren zo kort mogelijk te laten voortduren.

Artikel 20 Overschrijding van de arbeidstijd *
1. Voor zover de bedrijfsomstandigheden zulks dringend vorderen is het de werkgever toegestaan, nadat hij overleg heeft gepleegd met de betrokken werknemers, de werknemers die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, werkzaamheden te laten verrichten op andere tijden en gedurende een langere tijd dan op grond van dit hoofdstuk is toegestaan. Dit laat onverlet artikel 5:6 Arbeidstijdenwet. 
2. De werknemers die bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 50 jaar hebben bereikt, kunnen niet tot overwerk boven het negende uur en in de weekenden worden verplicht. In geval sprake is van arbeidstijden zoals genoemd in artikel 17 lid 1 sub b en c, kan de betreffende werknemer in het geheel niet tot overwerk worden verplicht.
3. De uit lid 1 voortvloeiende overschrijding mag niet meer bedragen dan:
a. 70 uur per jaar, aan te wenden op de dagen van maandag tot en met vrijdag dan wel op zaterdagmorgen, waarbij het negende uur in het kader van de flexibiliteitsregeling tot het bereiken van het gestelde maximum niet als overuur wordt aangemerkt. Indien gebruik wordt gemaakt van arbeidstijd zoals omschreven in artikel 17 lid 1 sub b en c, geldt een maximum aantal overuren van 100 per jaar, aan te wijzen op de dagen van maandag tot en met vrijdag dan wel op zaterdagmorgen; en
b. 50 uur per jaar, en wel uitsluitend voor zover het calamiteiten betreft op tweede Paasdag, tweede Pinksterdag en tweede Kerstdag en op zondagen.
4. Indien in een bepaalde periode volgens het vastgestelde schema meer dan 42,5 uur per week wordt gewerkt, kan de werknemer niet worden verplicht om in het weekeinde overwerk te verrichten. 5. De werknemer heeft recht op 4 vrije zondagen per 13 weken.

 


HOOFDSTUK IV BEPALINGEN OMTRENT HET LOON

Artikel 21 Bedragen
Alle bedragen genoemd in deze cao zijn bruto, tenzij uitdrukkelijk anders is aangegeven.

Artikel 21A Toepassing van loonschalen *
1. Bij de functies zoals genoemd in artikel 3 lid 4, behoren loongroepen die periodieken bevatten.
2. De vakvolwassen werknemer ontvangt het cao-loon behorend bij zijn functie.
3. De vakvolwassen werknemer ontvangt bij indiensttreding als regel het cao-loon bij 0 periodieken. Op grond van elders verkregen vaardigheden en/of opgedane ervaring kunnen 1 of meer periodieken worden toegekend.
4. Elk jaar op 1 januari krijgt de werknemer er een periodiek bij, mits hij tenminste 6 maanden in dienst is, totdat hij het maximum van zijn loonschaal heeft bereikt.
5. Bij onvoldoende functioneren van de werknemer kan de werkgever de toekenning van een periodiek maximaal een jaar opschorten, echter op voorwaarde dat de werkgever de werknemer per brief de redenen van zijn onvoldoende functioneren meedeelt.
6. Bij zeer goed functioneren van de werknemer kan de werkgever besluiten de werknemer meer periodieken toe te kennen.
7. In het geval een werknemer een hogere functionaris langer dan een maand vervangt, zal de betrokken werknemer het verschil in cao-loon en het loon van de waargenomen functie bij 0 periodieken tenminste eenmaal per maand worden uitbetaald.

Artikel 22 Cao-loon *
1. Bij uitbetaling van het loon zal de werkgever aan de werknemer een schriftelijke specificatie geven.
2. Indien in overleg tussen werkgever en werknemer overschakeling naar maandloonbetaling wordt overeengekomen, kan tevens onderling worden vastgesteld welk voorschot per week hierop wordt betaald. De inhouding van loonbelasting en sociale verzekeringspremies zal echter maandelijks geschieden.
3. Er is een garantieregeling overeengekomen in het kader van de omschakeling naar het nieuwe functiewaarderingssysteem per 1 januari 2003. Deze luidt als volgt:
De medewerker die op 31 december 2002 ingeschaald is als vakarbeider en na invoering van het
nieuwe functiewaarderingssysteem ingedeeld wordt naar loonklasse III, behoudt het recht op een maximale uitloop van € 1877,- per maand (niveau 31-12-2002), dit bedrag wordt verhoogd met de reguliere loonaanpassingen. Dit betekent een maximale uitloop per 1 maart 2009 van € 2152,92,-. De medewerker die op 31 december 2002 ingeschaald is als vakarbeider A en na invoering van het nieuwe functiewaarderingssysteem ingedeeld wordt naar loonklasse IV, behoudt het recht op een maximale uitloop van € 1981,- per maand (niveau 31-12-2002), dit bedrag wordt verhoogd met de reguliere loonaanpassingen. Dit betekent een maximale uitloop per 1 maart 2009 van € 2272,17.
Overige medewerkers die door de invoering van het nieuwe functiewaarderingssysteem worden ingedeeld op het maximum van een nieuwe loongroep, ontvangen, indien dat maximum lager is dan het functiejaren-loon conform de cao op 31-12-2002, een bruto garantietoeslag ter hoogte van het verschil tussen het oude functiejaren-loon en het nieuwe schaalmaximum.
De loonaanpassingen voor deze categorie medewerker bedragen de helft van de procentuele loonaanpassingen die in het kader van de cao worden overeengekomen. Dit leidt ertoe dat het bruto inkomen van de medewerker iets langzamer stijgt dan de lonen in de loontabel, zodat de bruto garantietoeslag per keer in omvang afneemt. Het toekennen van verlaagde loonaanpassingen wordt gestaakt zodra de bruto garantietoeslag geheel is afgebouwd.
Werkgever en werknemer kunnen in goed overleg aanvullende en/of afwijkende afspraken maken.
4. De instromende werknemer zoals bedoeld in artikel 5A wordt ingeschaald in aanlooptrede 1.
5. De geldende feitelijke lonen worden verhoogd met 0,6% per 1 januari 2010. Het genoemde percentage is verwerkt in de loontabellen opgenomen in deze cao. Dit artikel geldt niet voor de functiegroepen genoemd in artikel 3 lid 2.
6. Lonen voor werknemers met een dienstverband voor bepaalde en onbepaalde tijd per 1 juli 2009

 

Per maand
Per 4 weken
Per week
I
II
III
IV
V
VI
 
 
 
 
 
 
 
 
 
€ 1.526,64
€ 1.403,80
€ 350,95
aanloop 1
 
 
 
 
 
€ 1.555,19
€ 1.430,04
€ 357,51
aanloop 2
 
 
 
 
 
€ 1.584,27
€ 1.456,80
€ 364,20
0
 
 
 
 
 
€ 1.613,90
€ 1.484,04
€ 371,01
1
 
 
 
 
 
€ 1.644,08
€ 1.511,80
€ 377,95
2
 
 
 
 
 
€ 1.674,82
€ 1.540,08
€ 385,02
3
 
 
 
 
 
€ 1.706,14
€ 1.568,88
€ 392,22
4
0
 
 
 
 
€ 1.738,05
€ 1.598,20
€ 399,55
5
1
 
 
 
 
€ 1.770,55
€ 1.628,08
€ 407,02
6
2
 
 
 
 
€ 1.803,66
€ 1.658,52
€ 414,63
7
3
 
 
 
 
€ 1.837,39
€ 1.689,56
€ 422,39
 
4
0
 
 
 
€ 1.871,74
€ 1.721,16
€ 430,29
 
5
1
 
 
 
€ 1.906,75
€ 1.753,32
€ 438,33
 
6
2
 
 
 
€ 1.942,40
€ 1.786,12
€ 446,53
 
7
3
0
 
 
€ 1.978,73
€ 1.819,52
€ 454,88
 
 
4
1
 
 
€ 2.015,73
€ 1.853,56
€ 463,39
 
 
5
2
 
 
€ 2.053,42
€ 1.888,20
€ 472,05
 
 
6
3
0
 
€ 2.091,82
€ 1.923,52
€ 480,88
 
 
7
4
1
 
€ 2.130,94
€ 1.959,48
€ 489,87
 
 
 
5
2
 
€ 2.170,79
€ 1.996,12
€ 499,03
 
 
 
6
3
 
€ 2.211,38
€ 2.033,44
€ 508,36
 
 
 
7
4
0
€ 2.252,73
€ 2.071,48
€ 517,87
 
 
 
8
5
1
€ 2.294,86
€ 2.110,20
€ 527,55
 
 
 
 
6
2
€ 2.337,77
€ 2.149,68
€ 537,42
 
 
 
 
7
3
€ 2.381,49
€ 2.189,88
€ 547,47
 
 
 
 
8
4
€ 2.426,02
€ 2.230,84
€ 557,71
 
 
 
 
9
5
€ 2.471,39
€ 2.272,56
€ 568,14
 
 
 
 
 
6
€ 2.517,60
€ 2.315,04
€ 578,76
 
 
 
 
 
7
€ 2.564,68
€ 2.358,32
€ 589,58
 
 
 
 
 
8
€ 2.612,64
€ 2.402,44
€ 600,61
 
 
 
 
 
9

7. Lonen voor werknemers met een dienstverband voor bepaalde en onbepaalde tijd per 1 januari 2010

Per maand
Per 4 weken
Per week
I
II
III
IV
V
VI
 
 
 
 
 
 
 
 
 
€ 1.535,80
€ 1.412,24
€ 353,06
aanloop 1
 
 
 
 
 
€ 1.564,52
€ 1.438,64
€ 359,66
aanloop 2
 
 
 
 
 
€ 1.593,78
€ 1.465,56
€ 366,39
0
 
 
 
 
 
€ 1.623,58
€ 1.492,96
€ 373,24
1
 
 
 
 
 
€ 1.653,94
€ 1.520,88
€ 380,22
2
 
 
 
 
 
€ 1.684,87
€ 1.549,32
€ 387,33
3
 
 
 
 
 
€ 1.716,38
€ 1.578,28
€ 394,57
4
0
 
 
 
 
€ 1.748,47
€ 1.607,80
€ 401,95
5
1
 
 
 
 
€ 1.781,17
€ 1.637,84
€ 409,46
6
2
 
 
 
 
€ 1.814,48
€ 1.668,48
€ 417,12
7
3
 
 
 
 
€ 1.848,41
€ 1.699,68
€ 424,92
 
4
0
 
 
 
€ 1.882,98
€ 1.731,48
€ 432,87
 
5
1
 
 
 
€ 1.918,19
€ 1.763,84
€ 440,96
 
6
2
 
 
 
€ 1.954,06
€ 1.796,84
€ 449,21
 
7
3
0
 
 
€ 1.990,60
€ 1.830,44
€ 457,61
 
 
4
1
 
 
€ 2.027,82
€ 1.864,68
€ 466,17
 
 
5
2
 
 
€ 2.065,74
€ 1.899,52
€ 474,88
 
 
6
3
0
 
€ 2.104,37
€ 1.935,04
€ 483,76
 
 
7
4
1
 
€ 2.143,72
€ 1.971,24
€ 492,81
 
 
 
5
2
 
€ 2.183,81
€ 2.008,12
€ 502,03
 
 
 
6
3
 
€ 2.224,65
€ 2.045,64
€ 511,41
 
 
 
7
4
0
€ 2.266,25
€ 2.083,92
€ 520,98
 
 
 
8
5
1
€ 2.308,63
€ 2.122,88
€ 530,72
 
 
 
 
6
2
€ 2.351,80
€ 2.162,56
€ 540,64
 
 
 
 
7
3
€ 2.395,78
€ 2.203,00
€ 550,75
 
 
 
 
8
4
€ 2.440,58
€ 2.244,20
€ 561,05
 
 
 
 
9
5
€ 2.486,22
€ 2.286,16
€ 571,54
 
 
 
 
 
6
€ 2.532,71
€ 2.328,92
€ 582,23
 
 
 
 
 
7
€ 2.580,07
€ 2.372,48
€ 593,12
 
 
 
 
 
8
€ 2.628,32
€ 2.416,84
€ 604,21
 
 
 
 
 
9

8. Week- en maandlonen voor werknemers genoemd in artikel 5 per 1 januari 2009
Onder voorbehoud van wijziging door de overheid.

 
Per maand
Per week
15 jaar
€ 476,50
€ 109,95
16 jaar
€ 545,55
€ 125,90
17 jaar
€ 628,45
€ 145,05
18 jaar
€ 725,15
€ 167,35
19 jaar
€ 849,45
€ 196,05
20 jaar
€ 1.001,35
€ 231,10
21 jaar
€ 1.174,00
€ 270,90
22 jaar
€ 1.381,20
€ 318,75
 
Per 1 juli 2009
 
 
Per maand
Per week
15 jaar
€ 482,50
€ 111,35
16 jaar
€ 552,45
€ 127,50
17 jaar
€ 636,35
€ 146,85
18 jaar
€ 734,25
€ 169,45
19 jaar
€ 860,15
€ 198,50
20 jaar
€ 1.014,00
€ 234,00
21 jaar
€ 1.188,80
€ 274,35
22 jaar
€ 1.398,60
€ 322,75

Artikel 23 Beloning bijzondere categorieën werknemers *
1. De werknemer zoals bedoeld in artikel 5 (gelegenheidsarbeider en hulpkracht) wordt beloond conform artikel 22 lid 8.
2. De werknemer als bedoeld in artikel 5A (instromer) wordt beloond conform artikel 22 lid 4.
3. Voor de onder artikel 3 lid 2 genoemde werknemers die in het kader van speciale arbeidsmarktvoorzieningen in de bedrijfstak worden geplaatst en vallen onder plaatsingsbevorderende subsidieregelingen, waarvoor betaling van het wettelijk minimumloon een vereiste is, wordt:
- uiterlijk na 3 maanden de genoemde beloning verhoogd naar 110% en
- uiterlijk na 6 maanden naar 120% van het wettelijk minimumloon, c.q. wettelijk minimumjeugdloon.
4. Voor de werknemers genoemd onder lid 1 en 3 geldt dat zij worden beloond conform het wettelijke minimum(jeugd)loon, zoals vermeld in artikel 22 lid 8, met dien verstande dat 22 jaar gelijk is aan 100% van het minimumloon voor volwassenen, tenzij dat op grond van de regelingen niet is toegestaan.

Artikel 24 Jeugdige werknemers
De cao-lonen voor jeugdige werknemers als bedoeld in artikel 2 lid 2 worden vastgesteld aan de hand van de navolgende percentages van periodiek 0 van de functiegroep waarin de werknemer, gezien de werkzaamheden die hij verricht, behoort te zitten:
16 jaar en jonger 55%
17 jaar 60%
18 jaar 70%
19 jaar 80%
20 jaar 90%.

Artikel 25 Jeugdige werknemers met kinderen
In afwijking van het bepaalde in artikel 24 geldt voor de jeugdige werknemer met kind(eren), die als enige voor zijn gezin een inkomen verwerft dat:
a. 17-jarigen recht hebben op het cao-loon van 19-jarigen;
b. 18-jarigen recht hebben op het cao-loon van 20-jarigen;
c. 19- en 20-jarigen recht hebben op het cao-loon van 21-jarigen.

Artikel 26 Vakopleiding – geldt tot 1 augustus 2009 *
1. De werkgever is verplicht aan jeugdige werknemers gedurende ten hoogste 2 werkdagen per week vrijaf te geven voor het volgen van een theoretische en/of praktische op de sector gerichte vakopleiding, voor de dagen dat de school daadwerkelijk wordt bezocht.
2. De werknemer die een BBL-opleiding niveau 2 volgt en jonger is dan 25 jaar, ontvangt voor de dagen waarop de school daadwerkelijk is bezocht, een loondoorbetaling van 20% van de overeengekomen arbeidstijd (inclusief de schooltijd) per week. Indien er sprake is van geen of een gedeeltelijke schooldag wordt de werknemer geacht die dag of de resterende uren beschikbaar te zijn voor de werkgever. Voor in hoeverre hier voor de werkgever een declaratiemogelijkheid is, wordt verwezen naar het uitkeringsreglement van Stichting Colland Arbeidsmarktbeleid (Stosas).
3. De werknemer die een BBL-opleiding niveau 3 volgt en jonger is dan 25 jaar, ontvangt voor de dagen waarop de school daadwerkelijk is bezocht, een loondoorbetaling van 10% van de overeengekomen arbeidstijd (inclusief de schooltijd) per week.
4. BBL niveau 2 en niveau 3 leerlingen die 25 jaar of ouder zijn, en leerlingen die ander onderwijs volgen, hebben voor de dagen dat de school daadwerkelijk is bezocht, onbetaald verlof.

Artikel 26A Vakopleiding – geldt vanaf 1 augustus 2009 *
1. De in de sector instromende werknemer ontvangt voor het volgen van een BBL-opleiding binnen de werkingssfeer van de cao, gedurende 1 jaar een loondoorbetaling van 20% van de overeengekomen arbeidstijd (inclusief schooltijd) per week voor de dagen dat de school daadwerkelijk wordt bezocht.
2. De in de sector instromende werknemer ontvangt voor het tweede en volgende schooljaar van de BBL-opleiding een vergoeding van 10% van de overeengekomen arbeidstijd (inclusief schooltijd) per week voor de dagen dat de school daadwerkelijk wordt bezocht.
3. Indien de reguliere schooldag geheel of gedeeltelijk geen doorgang vindt dan wordt de werknemer geacht die dag of de resterende uren van die dag beschikbaar te zijn voor de werkgever.
4. Een tijdens het schooljaar onderbroken opleiding geldt als 1 jaar in de zin van lid 1. Voor het volgende schooljaar van de BBL-opleiding geldt lid 2.
5. In overleg tussen werkgever en werknemer is het mogelijk om geplande schooldagen te verschuiven naar andere periodes in het jaar, zonder dat dit gevolgen heeft voor het inkomen van de werknemer.
6. Voor medewerkers die een BBL-opleiding volgen en hiervoor reeds een vergoeding hebben ontvangen conform artikel 26, zal de loondoorbetaling plaatsvinden met inachtneming van de reeds uitbetaalde periode conform artikel 26. De loondoorbetaling voor het tweede en/of derde schooljaar vindt plaats conform lid 2. Voor de overige schooljaren geldt lid 7.
7. Werknemers die langer dan 3 jaar dezelfde BBL-opleiding volgen, hebben vanaf het vierde schooljaar voor de dagen dat de school daadwerkelijk is bezocht, onbetaald verlof.

Artikel 27 Voorwaarden loonbetaling bij vakopleiding *
1. Ingeval het loon van de werknemer, bedoeld in artikel 26 lid 2 en 3 en 26A lid 1 en 2, hoger is dan het niveau waarop het voor de werkgever nog mogelijk is om van fiscale faciliteiten gebruik te kunnen maken, vindt tijdelijk een zodanige aanpassing van het loon van de werknemer plaats tot het niveau waarop de werkgever recht kan doen gelden op de afdrachtvermindering onderwijs.
2. Deze verlaging vindt plaats uiterlijk tot en met de loonbetalingsperiode waarin de werknemer de opleiding heeft gevolgd.
3. Na het met goed gevolg afronden van de BBL-opleiding op niveau 2 of niveau 3 ontvangt de werknemer eenmalig een toeslag ter hoogte van het verschil in beloning tussen het loon van de werknemer en het verlaagde beloningsniveau gedurende de opleiding. Uitbetaling vindt plaats in de betalingsperiode die volgt op die waarin de werknemer de opleiding heeft afgerond.
4. De werkgever heeft het recht om bij beëindiging van het dienstverband op eigen verzoek van de werknemer, danwel in de situatie van beëindiging wegens verwijtbaar gedrag, waaronder de dringende redenen genoemd in artikel 678 BW, de kosten welke gemoeid zijn met de tijdens het dienstverband gevolgde cursussen, BBL-opleiding op niveau 2 of niveau 3, stage en scholing, welke niet gesubsidieerd zijn, alsmede het over de schooldagen doorbetaalde loon, te verrekenen met de werknemer. Er geldt hiervoor een afbouwregeling van 48 maanden. Indien de werknemer het dienstverband beëindigt geldt een verrekening voor de resterende maanden binnen deze afbouwperiode. Het te verrekenen bedrag wordt berekend door het aantal maanden dat nog rest voordat de 48 maandenperiode is verstreken te delen door 48 en dat te vermenigvuldigen met de oorspronkelijk te verrekenen kosten.
Ingeval van een BBL-opleiding niveau 2 heeft de werkgever de plicht de werknemer te informeren over deze terugbetalingsregeling voordat met deze opleiding wordt begonnen.

Artikel 28 Cursussen
De tijd die besteed wordt aan cursussen, die door de werkgever verplicht worden gesteld voor de werknemer, wordt door de werkgever vergoed tegen 100% tijd of geld. Dit laatste ter keuze en op aanwijzing van de werkgever.
De werknemer mag het volgen van deze cursussen niet weigeren.

Artikel 29 Werkoverleg en toolbox-meetings
De werknemer heeft recht op loon gedurende de tijd dat hij door de werkgever verplicht wordt werkoverleg dan wel een toolbox-meeting bij te wonen.

Artikel 30 Arbeidsgehandicapte werknemers
Indien de arbeidsprestatie van een werknemer
a. die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering; of
b. de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt in een bepaalde functie, maar geen functie waarin hij werkzaam is als werknemer in de zin van de Wet sociale werkvoorziening of op een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7 van die wet;
tengevolge van ziekte of gebrek duidelijk minder is dan de arbeidsprestatie die een geldelijke beloning van het voor hem geldelijke wettelijke minimumloon rechtvaardigt, vermindert het UWV 2) op verzoek van betrokken werkgever of werknemer de hoogte van de aanspraak op de geldelijke beloning voor de verrichte arbeid naar evenredigheid, in afwijking van hetgeen bij en krachtens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag is bepaald.
2) Verzoeken om een lager loon vast te stellen dienen te worden ingediend bij UWV.

Artikel 31 Spaarloonregeling
1. Indien en voor zover werknemers de wens daartoe te kennen geven, zal de werkgever met de betreffende werknemers een spaarloonovereenkomst aangaan.
2. Op de spaarloonregeling zijn de relevante wettelijke regelingen van toepassing.
3. Het spaarloon is het bedrag dat de werknemer door de werkgever op het brutoloon laat inhouden. De gestorte bedragen dienen gedurende 4 jaren op de spaarloonrekening te blijven staan, echter in geval van bestedingen ten laste van de spaarloonrekening ten behoeve van een erkend bestedingsdoel mag de deelnemer over het spaarloon op de spaarloonrekening beschikken.
4. De spaarloonovereenkomst kan ingaan en gewijzigd worden per 1 januari of per 1 juli. Het gewijzigde bedrag moet tenminste een maand van tevoren schriftelijk aan de onderneming worden doorgegeven. Voor nadere informatie over deze regeling en voor aanmelding kan contact worden opgenomen met de werkgever.
5. Dit artikel is van toepassing voor zover fiscale regelingen daartoe de mogelijkheid geven. Indien deze fiscale regelingen ophouden te bestaan, worden deze niet gecompenseerd.

Artikel 32 Feestdagen en ADV dagen *
1. Over de bij artikel 15 lid 1 sub b, c, d en e aangewezen feestdagen is de werkgever verplicht aan de werknemer het feitelijk loon door te betalen, één en ander voor zover die dagen niet op zaterdag of zondag vallen. De uren van artikel 15 lid 1 sub e (5 mei) hoeven niet uitbetaald te worden indien deze conform artikel 19 lid 6 aan de flex TVT pot worden toegevoegd.
2. Over de ADV dagen als bedoeld in artikel18 lid 2 is de werkgever verplicht aan de werknemer het feitelijk loon door te betalen, één en ander voor zover die dagen niet op zaterdag of zondag vallen.

Artikel 33 Overwerk *
1. Bij overwerk worden de navolgende percentages van het uurloon betaald:
a. op zondagen- en feestdagen die op zaterdag of zondag vallen 200%;
b. op doordeweekse feestdagen 200%, naast het verschuldigd feitelijk loon voor de feestdagen zoals beschreven wordt in artikel 32 lid 1;
c. op zaterdagen 150%;
d. op andere dagen 130%, tussen 22.00 uur en 06.00 uur 150%.
Ten aanzien van lid 1 sub d geldt dat voor zover het binnen de normale bedrijfstijd, conform artikel 17 lid 2 sub a, valt het negende uur in het kader van de flexibiliteitsregeling tot het bereiken van het gestelde maximum niet als overuur wordt aangemerkt.
2. Het uurloon waarvan de beloning voor overwerk, zoals bedoeld in artikel 20, wordt afgeleid, bedraagt het feitelijk loon per week gedeeld door 37, afgerond op centen.
3. Onverlet het gestelde in lid 1 wordt, voor een deeltijdwerker die binnen de normale bedrijfstijd (zie artikel17 lid 2 sub a) meer uren werkt dan overeengekomen, 130% van het uurloon betaald:
a. voor dienstverbanden genoemd in artikel 7 lid 8 sub a:
- bij een vastgesteld arbeidspatroon van 22,8 uren of minder per week, vanaf het vierde uur per week dat buiten dit patroon wordt gewerkt, tenzij op verzoek van de werknemer van dit patroon wordt afgeweken;
- bij een vastgelegd arbeidspatroon van meer dan 22,8 uren per week, vanaf het zevende uur per week dat buiten dit patroon wordt gewerkt.
b. voor dienstverbanden genoemd in artikel 7 lid 8 sub b indien en voor zover het aantal uren dat per week gewerkt wordt, het aantal per week overeengekomen uren met 50% overschrijdt.

Artikel 34 Toeslag bijzondere werkzaamheden
1. Het is de werkgever toegestaan in drukke perioden dan wel bij het verrichten van bijzondere werkzaamheden, in welke omstandigheden van de werknemer in verband met het tempo van de uitvoering een extra inspanning wordt gevraagd, aan deze een toeslag te betalen, tenzij de werkzaamheden in akkoord worden verricht.
2. De werkgever dient aan de werknemer die gedurende een periode belast is met bijzondere werkzaamheden, zoals bijzonder grond-, timmer-, metsel-, tegel-, bestratings- en drainagewerk, en welke werkzaamheden niet geacht kunnen worden te behoren tot zijn normale functie-uitoefening een toeslag te betalen.
3. De aan de individuele werknemer te betalen toeslag zal minimaal 5% en maximaal 20% bedragen van het feitelijk loon.
4. De in lid 1 bedoelde toeslag zal niet meer zijn dan 10% van de in de onderneming betaalde gemiddelde loonsom.

Artikel 34A Consignatiediensten/bereikbaarheidsvergoeding *
1. Indien er consignatiediensten (zie artikel 1A sub v) zijn binnen het bedrijf, dan worden hiervoor schriftelijke afspraken gemaakt.
2. In ieder geval wordt een rooster opgesteld waarin staat vermeld welke werknemers in welke periode aangewezen kunnen worden voor de consignatiediensten. Tevens wordt vastgelegd op welke wijze de consignatiedienst wordt afgekondigd of ingetrokken.
3. Op basis van het rooster kan door de werkgever de feitelijke consignatiedienst worden vastgesteld.
4. Voor een consignatiedienst zal de betreffende werknemer een vergoeding van minimaal € 5,- per etmaal ontvangen naast de gebruikelijke vergoeding voor de daadwerkelijke inzet.
5. Bij een oproep voor gladheidsbestrijding welke niet gekoppeld is aan een normale werkdag, dan wel deel van een werkdag, wordt minimaal 3 uur tegen het geldende tarief betaald.
6. Bij een oproep voor een consignatiedienst of gladheidsbestrijding heeft de werknemer de volgende keuze:
a. de werkdag afmaken indien de consignatiedienst direct aansluit op de met de werknemer vastgestelde werktijd en met inachtneming van het gestelde in artikel 17 lid 1 sub d en e.
b. een rustpauze inlassen van minimaal 8 uur indien de consignatiedienst niet aansluit op de vastgestelde werktijd.
In geval van onvoorziene calamiteiten is afwijking op het voorgaande mogelijk.

Artikel 35 Werkzaamheden in akkoord
Indien bepaalde werkzaamheden in akkoord worden uitgevoerd, dient het tarief zodanig te worden vastgesteld, dat gemiddeld bij behoorlijke prestatie een loon wordt verdiend dat tenminste 10% en ten hoogste 30% hoger is dan het loon dat zou zijn genoten indien de uitvoering had plaatsgevonden tegen tijdloon. Werkgever en werknemer zullen het verrichten van werkzaamheden in akkoord zoveel mogelijk beperken en hiertoe slechts overgaan in die gevallen, waarin zulks onvermijdelijk is.

Artikel 36 Dienstjubileum
In geval van een 12,5-jarig dienstjubileum zal 1/4 maandloon bruto worden uitbetaald.
In geval van een 25-jarig dienstjubileum zal 1 bruto maandloon netto worden uitbetaald.

Artikel 37 Reistijdenvergoeding *
1. Reistijd van woning naar hoofd- of nevenvestiging van het bedrijf of naar het door de werkgever aangewezen opstappunt (zie lid 6), wordt niet vergoed.
2. Bij reizen van de eigen woning rechtstreeks naar de plaats waar gewerkt wordt en terug, gelden 30 minuten per dag als eigen tijd van de werknemer. Indien langer wordt gereisd ontvangt de werknemer over de eerstvolgende 90 minuten 100% van zijn uurloon en over de daarboven nog gereisde tijd 130% van zijn uurloon. Dit laat onverlet de maximale werkdag die in principe 11 uur bedraagt, zoals genoemd in artikel 17 lid 1 sub e.
3. Indien langer wordt gereisd vanaf de vestigingsplaats van de werkgever ofwel het door de werkgever aangewezen opstappunt dan hierboven vermeld, ontvangt de werknemer over de eerste volgende 90 minuten 100% van zijn uurloon en over de daarboven nog gereisde tijd 130% van zijn uurloon. Dit laat onverlet de maximale werkdag die in principe 11 uur bedraagt, zoals genoemd in artikel 17 lid 1 sub e.
4. Voor werknemers die in opdracht van de werkgever een voertuig besturen waarvoor een C-rijbewijs vereist is, geldt geen eigen tijd voor de werknemer.
5. Het in- en uitladen van de persoonlijk benodigde gereedschappen op de plaats waar de onderneming gevestigd is, wordt niet beschouwd als het verrichten van feitelijke werkzaamheden en wordt geacht plaats te vinden direct voor en na de formele werktijd.
6. Het opstappunt wordt door de werkgever zodanig aangewezen dat de gezamenlijke reistijd van woning tot opstappunt van de betrokken werknemers niet langer is dan noodzakelijk. Het opstappunt wordt bij voorkeur vastgesteld in overleg met de betrokken werknemers.
7. De werknemer draagt er in eigen tijd zorg voor dat kleding, handgereedschap en dergelijke volledig op orde is voor vertrek naar de plaats waar gewerkt wordt.

Artikel 38 Reiskostenvergoeding *
1. De werknemer ontvangt in het geval hij/zij met eigen vervoer reist, een vergoeding van de reiskosten voor het vervoer van zijn woning naar de onderneming, dan wel een door de werkgever aangewezen opstappunt, conform artikel 37 lid 6, en terug.
De vergoeding bedraagt bij een afstand (enkele reis gemeten) van de woning tot de onderneming, dan wel aangewezen opstappunt van:
0 t/m 4 km. € 0,18 per gereden kilometer met een maximum van € 0,86 per dag
5 t/m 9 km. € 1,04 per dag
10 t/m 15 km. € 1,29 per dag
met een maximum van € 1,29 per dag
2. Bij vrijwillige verhuizing verder van de onderneming ontstaat geen recht op een hogere reiskostenvergoeding.
3. Indien de werknemer voor het vervoer van zijn woning naar de plaats waar de werkzaamheden feitelijk worden uitgevoerd, niet zijnde de hoofd- of nevenvestiging van de onderneming, op een dag meer dan 30 kilometer reist, ontvangt hij voor de eerste 30 kilometer € 1,29 en voor de meerdere kilometers € 0,27 per kilometer.
4. Indien, naar het oordeel van de werkgever, de werknemer gebruik moet maken van een eigen
vervoermiddel, of indien de werknemer tijdens de werktijd ten behoeve van de werkzaamheden gebruik moet maken van een eigen vervoermiddel, dan ontvangt hij hiervoor een vergoeding van € 0,27 per kilometer.
5. In geval de werkzaamheden worden verricht op een zodanige afstand van de woonplaats van de werknemer, dat het voor hem noodzakelijk is elders te overnachten, zal op ondernemingsniveau een passende regeling worden getroffen voor een zogenaamde nachtvergoeding.

Artikel 39 Werkkleding en veiligheidsmiddelen
1. Voor zover geen werkkleding wordt verstrekt, wordt een vergoeding voor werkkleding betaald van € 2,27 per week.
2. Veiligheidsschoenen en andere veiligheidsmiddelen worden verstrekt door de werkgever.
3. Deze vergoedingen en verstrekkingen vinden alleen plaats aan de werknemer die deze nodig heeft voor de uitoefening van zijn functie.
4. Ingeval de bovenbedoelde middelen worden verstrekt, zullen deze tijdig worden aangevuld en vervangen. De werkkleding wordt door de werkgever in bruikleen verstrekt. De werknemer is verplicht de verstrekte materialen te gebruiken en is verantwoordelijk voor een goed gebruik hiervan.
5. De werkgever is verplicht de kosten van reiniging van de verplichte veiligheidskleding voor zijn rekening te nemen.

Artikel 40 Maaltijdvergoeding
Indien de werknemer na 18.00 uur zijn werk, niet zijnde reistijd, nog verricht, zal de werkgever hem een warme maaltijd vergoeden.

Artikel 41 Verrekening arbeidsuren bij einde dienstverband *
Indien een dienstverband in de loop van het kalenderjaar eindigt en op dat moment in dat kalenderjaar het gemiddeld per week gewerkte aantal uren afwijkt van 37 uur, wordt:
a. het totaal aantal uren dat meer gewerkt is, uitbetaald; of
b. het totaal aantal uren dat minder gewerkt is, aan de werknemer in rekening gebracht, een en ander tegen het uurloon zoals vermeld in artikel 1A lid 1 sub m;
c. het aantal uren in de flex ADV pot verrekend en de flex TVT pot uitbetaald tegen 100%. Minder uren worden niet in rekening gebracht aan de werknemer voor zover deze uren zijn ontstaan als gevolg van het werken bij een derde bij wie de werknemer niet overeenkomstig de uren van zijn werkschema werkzaamheden heeft kunnen verrichten bij de derde, en deze omstandigheid niet in de risicosfeer van de werknemer ligt.

Artikel 41 A Overlijdensuitkering *
Bij het overlijden van de werknemer zal de werkgever 1 maand salaris bovenwettelijk uitbetalen, zolang dit fiscaal mogelijk is.

 


HOOFDSTUK V VAKANTIE- EN VERLOFREGELING

Artikel 42 Vakantiedagen
1. Werknemers met een volledige werkweek, die gedurende het gehele kalenderjaar een dienstverband met een werkgever hebben, hebben gedurende het kalenderjaar recht op:
a. 25 vakantiedagen indien zij bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt;
b. 29 vakantiedagen indien zij bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt.
2. Niet opgenomen vakantiedagen vervallen 5 jaar na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak is ontstaan, overeenkomstig het Burgerlijk Wetboek. De werkgever dient wel de gelegenheid te geven de vakantiedagen op te nemen.
3. Voor de gelegenheidsarbeider conform artikel 5 geldt voor de opgebouwde vakantiedagen hetgeen beschreven is in artikel 5 lid 4.

Artikel 43 Loon over vakantiedagen
De werkgever is verplicht aan de werknemers over de vakantiedagen het feitelijk loon door te betalen.

Artikel 44 Vakantietoeslag *
1. Werknemers hebben aanspraak op vakantietoeslag. Deze toeslag bedraagt 8 % van het loon.
2. Onder loon als bedoeld in lid 1 van dit artikel wordt verstaan het feitelijk loon, uitgezonderd de betaling van overuren (artikel 33) en de van toepassing zijnde toeslagen als bedoeld in artikel 39.
3. Bij de gebruikelijke loonbetaling in de maand mei wordt vakantietoeslag betaald over de achterliggende periode.
4. De werknemer die arbeidsongeschikt is, behoudt gedurende een jaar aanspraak op vakantietoeslag.
5. Voor de gelegenheidsarbeider conform artikel 5 geldt voor dev akantietoeslag hetgeen beschreven is in artikel 5 lid 4.

Artikel 45 Afrekening vakantierechten en vakantietoeslag *
Indien bij beëindiging van het dienstverband een werknemer meer dan wel minder vakantierechten heeft genoten dan hem overeenkomstig de bepalingen van de cao toekomen, wordt het eventueel te veel of te weinig genoten deel tussen werkgever en werknemer verrekend op basis van het loon over deze vakantiedagen. Tevens wordt bij beëindiging van het dienstverband het eventuele tegoed aan vakantietoeslag uitgekeerd.

Artikel 46 Vervallen

Artikel 47 Algemene bepalingen over vakantiedagen
1. Op de vakantiedagen worden feest- en gedenkdagen als bedoeld in artikel 15 lid 1 sub f en g in mindering gebracht.
2. Het is de werknemer verboden op vakantiedagen in loondienst werkzaam te zijn of op andere wijze voor derden werkzaamheden te verrichten.
3. Werknemers met een aaneengesloten dienstverband van tenminste 10, respectievelijk 25 jaar bij een zelfde werkgever, hebben per jaar recht op 1 respectievelijk 2 extra vakantiedagen met doorbetaling van loon. Onder een aaneengesloten dienstverband wordt tevens verstaan de situatie dat een losse werknemer steeds werkzaam is voor een zelfde werkgever, slechts onderbroken door de winterperiode.
4. a. De aaneengesloten vakantie wordt in onderling overleg tussen werkgever en werknemer
vastgesteld in de periode tussen 1 juni en 1 september. De werknemer heeft recht op een aaneengesloten vakantie van 15 werkdagen, waarbij de werkgever het recht heeft met instemming van de meerderheid van de werknemers een collectieve bedrijfsvakantie van 15 werkdagen vast te stellen. Wordt hiervan afgeweken, dan dient de aaneengesloten vakantie tenminste 10 werkdagen te bedragen.
b. Werknemers kunnen in overleg met de werkgever eenmaal in de 2 jaar een aaneengesloten vakantie van maximaal 7 weken opnemen, indien de bedrijfsomstandigheden zich hiertegen niet verzetten. Hiervoor dienen voldoende vakantiedagen te zijn opgebouwd.
5. De overige vakantiedagen worden verspreid over het jaar opgenomen en dienen in het algemeen 6 dagen van tevoren te worden aangevraagd.
6. De werkgever mag:
a. in overleg met de betrokken werknemers 3 verplichte vakantiedagen aanwijzen, waarvan tenminste 1 in de wintermaanden, ofwel
b. zijn bedrijf tussen Kerstmis en Nieuwjaar sluiten en de tussenliggende dagen als verplichte vakantiedagen aanwijzen.
Deze aanwijzingen zullen bij de aanvang van het kalenderjaar dan wel bij indiensttreding geschieden.

Artikel 48 Vakantierechten tijdens arbeidsongeschiktheid
1. Bij arbeidsongeschiktheid behoudt de werknemer aanspraak op vakantiedagen gedurende de laatste 6 maanden waarin de arbeid niet werd verricht, zoals geregeld in artikel 7:635 lid 4 Burgerlijk Wetboek.1) 
2. Hetgeen in artikel 7:635 Burgerlijk Wetboek is bepaald omtrent de aanspraak op vakantie over tijdvakken gedurende welke er geen recht op loon is, blijft geheel van toepassing.1)
3. Bij arbeidsongeschiktheid behoudt de werknemer aanspraak op ADV dagen gedurende de laatste 4 weken waarin de arbeid niet werd verricht.

1) Zie voor de wettelijke regeling bijlage IV

Artikel 49 Calamiteitenverlof en kort verzuimverlof met behoud van loon
1. De werknemer heeft recht op verlof met behoud van loon voor een korte, naar billijkheid te berekenen tijd, wanneer hij zijn arbeid niet kan verrichten wegens:
a. zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden, waaronder de volgende situaties in ieder geval worden begrepen:
1e Bij het overlijden van de echtgeno(o)t(e), inwonende ouders, inwonende schoon- of pleegouders en van inwonende eigen of pleegkinderen bestaat dit recht gedurende de tijd van het overlijden tot en met de dag van de begrafenis c.q. crematie.
2e Dit recht bestaat gedurende 2 dagen:
bij het huwelijk van de werknemer;
3e Dit recht bestaat gedurende een dag:
a. bij bevalling van de echtgenote, de geregistreerde partner of de persoon met wie hij ongehuwd samenwoont (dit laat onverlet artikel 53) ;
b. bij ondertrouw van de werknemer;
c. bij 25-, 40-, 50- of 60-jarig huwelijksfeest van de werknemer of (schoon)ouders;
d. bij het huwelijk van eigen of pleegkinderen, (een van) de ouders, broeders of zusters van de werknemer of diens echtgeno(o)t(e), voor zover de huwelijksplechtigheid wordt bijgewoond;
e. bij zowel het overlijden een dag als bij de begrafenis of crematie een dag van uitwonende eigen of pleegkinderen, aangehuwde kinderen, kleinkinderen, (pleeg)ouders, grootouders, schoon(groot)ouders, broeders of zusters van de werknemer of diens echtgeno(o)t(e). Voor deze laatste dag geldt: mits de begrafenis of crematie wordt bijgewoond.
4e Dit recht bestaat gedurende:
1 dag bij verhuizing op verzoek van de werkgever binnen dezelfde gemeente en
2 dagen bij verhuizing op verzoek van de werkgever naar een andere gemeente.
5e Dit recht bestaat voor de korte tijd die nodig is om een regeling te treffen in geval van calamiteit of een acute zorgtaak.
b. een door wet of overheid, zonder geldelijke vergoeding, opgelegde verplichting gedurende de werkelijk benodigde tijd tot ten hoogste een dag, voor zover deze verplichting persoonlijk moet worden nagekomen en niet in de vrije tijd kon plaatsvinden.
c. de uitoefening van actief kiesrecht.
2. Voor de toepassing van dit artikel wordt mede als echtgenoot aangemerkt de geregistreerde partner dan wel de niet met de werknemer gehuwde persoon van verschillend of gelijk geslacht met wie duurzaam een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd, welke notarieel is vastgelegd, tenzij het betreft een persoon met wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.
3. In beginsel vindt de noodzakelijke medische verzorging (bezoek huisarts etc.) buiten werktijd plaats. Indien zulks onmogelijk is en er afspraken voor de noodzakelijke medische verzorging onder werktijd gemaakt moeten worden, is de werkgever verplicht om de werknemer het feitelijk loon door te betalen gedurende de werkelijk voor deze verzorging benodigde tijd.
4. De werknemer dient het opnemen van het verlof vooraf aan de werkgever te melden onder opgave van reden. Indien dit niet mogelijk is, meldt hij dit zo spoedig mogelijk.
5. De werkgever kan achteraf van de werknemer verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij recht had op het calamiteiten- of kort verzuimverlof.
6. Indien de werknemer tijdens dit verlof een uitkering krijgt uit een (wettelijke) verzekering of een fonds dat uit de arbeidsovereenkomst voorvloeit, kan de werkgever het loon verminderen
met het bedrag van de uitkering.
7. De werkgever kan het loon verminderen met door de werkgever vergoede onkosten, als de werknemer deze heeft bespaard door het niet verrichten van zijn arbeid.

Artikel 50 Kort verzuim zonder behoud van loon
1. De werkgever is verplicht de werknemer op diens verzoek, zonder behoud van loon, vrij te geven tot een maximum van 10 dagen per kalenderjaar in de volgende gevallen:
a. voor het bezoeken van vergaderingen van besturen of commissies van publiekrechtelijke organen, waarvoor hij door zijn vakorganisatie als lid of plaatsvervangend lid is aangewezen;
b. voor het bezoek van statutaire vergaderingen van zijn vakorganisatie.
De werknemer zal bij zijn indiensttreding aan de werkgever schriftelijk mededeling doen van zijn lidmaatschap c.q. plaatsvervangend lidmaatschap van bovengenoemde organen. Een zelfde verplichting geldt, indien hij tijdens zijn dienstverband het lidmaatschap van deze organen aanvaardt. Bij noodzakelijk verzuim als in de eerste alinea van dit lid bedoeld, zal de werknemer de werkgever hiervan een week van tevoren in kennis stellen. In bijzondere gevallen kan deze termijn worden verkort, zij het dat minimaal 2 dagen tevoren berichtgeving aan de werkgever dient plaats te hebben.
2. De werkgever is, indien het bedrijfsbelang dit toelaat, verplicht de werknemer op diens verzoek - zonder behoud van loon - vrij te geven tot een maximum van 10 dagen per kalenderjaar voor het volgen van een cursus, die wordt gegeven door een vakorganisatie of door een aan de vakbeweging verbonden jongerenorganisatie waarvan betrokkene lid is. Een en ander met dien verstande dat minimaal 5 dagen worden opgenomen in de periode van 15 november tot 1 april. Wanneer een werknemer voornemens is deel te nemen aan het in de eerste alinea van dit lid bedoelde cursuswerk, dient hij zulks in een zo vroeg mogelijk stadium aan de werkgever mede te delen.
3. In geval van verhuizing van de werknemer is verzuim zonder behoud van loon mogelijk, en wel een dag bij verhuizing binnen dezelfde gemeente en gedurende 2 dagen bij verhuizing naar een andere gemeente.

Artikel 51 Zwangerschaps- en bevallingsverlof
Het zwangerschaps- en bevallingsverlof zoals geregeld in de Wet Arbeid en Zorg is van toepassing. 3)

Artikel 52 Adoptieverlof
Het adoptieverlof zoals geregeld in de Wet Arbeid en Zorg is van toepassing.3)

Artikel 53 Kraamverlof
Het kraamverlof zoals geregeld in de Wet Arbeid en Zorg is van toepassing, met dien verstande dat het recht op kraamverlof niet 2 dagen maar 1 dag duurt .3)

Artikel 54 Kortdurend zorgverlof en langdurend zorgverlof
Het kortdurend en langdurend zorgverlof zoals geregeld in de Wet Arbeid en Zorg is van toepassing. 3)

Artikel 55 Ouderschapsverlof
1. Het ouderschapsverlof zoals geregeld in de Wet Arbeid en Zorg is van toepassing. 3)
2. De werknemer heeft de mogelijkheid om in afwijking van de wettelijke periode te kiezen voor ouderschapsverlof over een aaneengesloten periode van ten hoogste 6 maanden over de volledige arbeidstijd. De werknemer is gedurende dit ouderschapsverlof niet verzekerd ingevolge de sociale verzekeringswetten.
3. De werknemer kan ten tijde van het ouderschapsverlof door middel van betaling door de werknemer aan de werkgever van de daarvoor benodigde pensioenpremie, de pensioenopbouw laten doorlopen. De werkgever draagt zorg voor afdracht van de pensioenpremie aan het pensioenfonds.

3) Zie bijlage V

HOOFDSTUK VI REGELING ARBEIDSONGESCHIKTHEID

Artikel 56 Algemene bepalingen
1. Het bepaalde in dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op werknemers die arbeidsongeschikt zijn, inclusief de arbeidsongeschikte werknemers die verplicht verzekerd zijn krachtens de Ziektewet en op de werknemers die verplicht verzekerd zijn krachtens de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA).
2. Kortingen op of inhoudingen van wettelijke uitkeringen inzake arbeidsongeschiktheid, veroorzaakt door schuld of toedoen van de werknemer dan wel het gevolg zijnde van enige wettelijke bepaling, blijven ten laste van de werknemer.
3. Onder loon wordt in artikel 58 verstaan het naar tijdsruimte vastgestelde loon met inbegrip van eventueel regelmatig genoten, naar tijdsduur bepaalde toeslagen.

Artikel 57 Ziekmelding en controlevoorschriften *
1. De regeling in dit artikel is van kracht, tenzij door de werkgever andere instructies zijn gegeven.
2. Ziekmelding:
Ingeval van arbeidsongeschiktheid is de werknemer verplicht de werkgever daarvan in kennis te stellen voor het geplande vertrek vanaf de vestiging of het opstappunt. In alle andere gevallen dient ziekmelding plaats te vinden voor aanvang van de werkdag.
3. Geneeskundige hulp inroepen:
De werknemer moet binnen een redelijke termijn geneeskundige hulp inroepen en dient zich gedurende het gehele verloop van de arbeidsongeschiktheid onder behandeling van de behandelend geneeskundige te stellen en diens voorschriften op te volgen.
4. Verplichting om thuis te blijven:
a. De werknemer blijft thuis tot het eerste bezoek van (een rapporteur of geneeskundige van) de door de werkgever ingeschakelde ARBO-dienst heeft plaatsgehad.
b. Na het eerste bezoek blijft de werknemer thuis:
- 's morgens tot 10.00 uur;
- 's middags van 12.00 uur tot 14.00 uur.
Buiten deze uren mag de werknemer zijn woning verlaten.
c. Indien de ongeschiktheid langer dan 2 weken duurt, vervalt de verplichting om thuis te blijven, tenzij door de ARBO-dienst anders wordt bepaald.
d. Indien de werknemer op de eerste ziektedag zonder geldige reden niet op het woonadres aanwezig is, dan kan de werkgever hiervoor 1 bovenwettelijke vakantiedag inhouden.
e. De verplichting om thuis te blijven geldt niet van 's middags 17.00 uur tot 18.00 uur of indien de werknemer een bezoek brengt aan de behandelend arts van de door de werkgever ingeschakelde ARBO-dienst, dan wel indien de werknemer zijn arbeid hervat of passende arbeid gaat verrichten.
f. De ARBO-dienst kan op verzoek van de werknemer vrijstelling verlenen van de verplichting om thuis te blijven.
5. Controle mogelijk maken:
a. De werknemer is verplicht controle door de door de werkgever ingeschakelde ARBO-dienst c.q. een rapporteur of geneeskundige daarvan, die zich met een daartoe strekkende machtiging als zodanig kan legitimeren, mogelijk te maken. Daartoe dient hij op zijn woon- of verblijfplaats bereikbaar te zijn of er zorg voor te dragen dat de ARBO-dienst kan vernemen waar hij bereikbaar is.
b. Indien de werknemer verhuist, of na een tijdelijk verblijf elders weer thuis verblijft, meldt hij dit tevoren doch uiterlijk binnen 24 uur aan de werkgever.
6. Verblijf in het buitenland:
a. De werknemer heeft voor een meerdaags verblijf in het buitenland toestemming van de geneeskundige van de ARBO-dienst nodig.
b. Op verzoek van de ARBO-dienst wordt bij ziekmelding of op een door de ARBO-dienst nader te bepalen tijdstip, door of namens de in het buitenland verblijvende werknemer, een door de behandelend arts afgegeven bewijs van arbeidsongeschiktheid overgelegd.
7. Verplichtingen om op het spreekuur te verschijnen:
a. De werknemer die zijn arbeid niet heeft hervat geeft gehoor aan een oproep om te verschijnen op het spreekuur van de door de werkgever ingeschakelde ARBO-dienst.
b. Indien de werknemer verhinderd is aan een oproep, bedoeld in het vorige lid, te voldoen deelt hij dit onverwijld mede aan de ARBO-dienst, onder opgave van de reden van verhindering.
c. In het geval, bedoeld onder b, blijft de werknemer thuis tot het bezoek van de geneeskundige of van de rapporteur heeft plaatsgehad. Het bepaalde in lid 4 sub d is van overeenkomstige toepassing.
8. Hervatten bij herstel:
a. De werknemer hervat zijn arbeid zodra hij zich hiertoe in staat acht.
b. Indien de werknemer andere arbeid dan zijn arbeid gaat verrichten, meldt hij dit tevoren doch uiterlijk binnen 24 uur aan de werkgever.
Tijdens arbeidsongeschiktheid bestaat de mogelijkheid dat de werknemer vervangende werkzaamheden uitvoert.
c. Op de werknemer, die binnen 3 dagen na werkhervatting het werk opnieuw staakt omdat hij meent niet tot het werk in staat te zijn, is het in lid 9 bepaalde van overeenkomstige toepassing.
9. Niet hervatten ondanks herstelverklaring:
a. De werknemer die op de dag, met ingang waarvan de door de werkgever ingeschakelde ARBO-dienst hem geschikt heeft geacht zijn arbeid te verrichten, meent niet tot hervatting in staat te zijn, deelt dit onverwijld mede aan de werkgever en verschijnt op het eerstvolgende spreekuur van de ARBO-dienst.
b. Indien de werknemer bedoeld onder a. verhinderd is op het spreekuur van de ARBO-dienst te verschijnen, deelt hij dit onverwijld mede aan de ARBO-dienst, onder opgave van de reden van de verhindering.
c. In het geval, bedoeld onder b, blijft de werknemer thuis tot het bezoek van de geneeskundige of van de rapporteur heeft plaatsgevonden. Het bepaalde in lid 4 sub e is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 58 Betalingsverplichtingen werkgever arbeidsongeschiktheid en regresrecht *
Voor de uitkeringspercentages genoemd in dit artikel en bijlage II geldt dat de werknemer zich dient te houden aan de regels die bij ziekteverzuim in de onderneming gelden en voldoende medewerking dient te verlenen aan de reïntegratieverplichtingen volgens de Wet Verbetering Poortwachter (WVP). Beoordeling hiervan vindt plaats door een onafhankelijke deskundige zoals een bedrijfsarts of een arbeidsdeskundige.
1. Voor de vaststelling van de hoogte van het naar tijdruimte vastgestelde loon genoemd in de leden van dit artikel en bijbehorende bijlage II leden 1 en 2 wordt uitgegaan van de bepalingen opgenomen in artikel 7:629 BW, te weten het loon waarop de werknemer - ware hij niet arbeidongeschikt geworden - aanspraak had kunnen maken.
2. Werknemers waarvan het dienstverband tijdens arbeidsongeschiktheid eindigt hebben met ingang van de dag na het einde van het dienstverband geen recht op de wettelijke loondoorbetalingsverplichting zoals genoemd in artikel 7:629 BW, alsmede de aanvullingen zoals in dit artikel vermeld.
3. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikte werknemers die binnen de eerste twee jaar van arbeidsongeschiktheid de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) instromen, hebben recht op de aanvullingen op de loondoorbetalingsverplichting zoals in dit artikel opgenomen.
4. Loondoorbetalingsverplichtingen eerste periode van 26 weken (binnen het 1e jaar van
arbeidsongeschiktheid)
a. Bij arbeidsongeschiktheid zal aan de werknemer gedurende de eerste 26 weken van de wettelijke periode, als genoemd in artikel 7:629 BW, 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon worden doorbetaald.
b. Tijdens de eerste 26 weken van de wettelijke periode als genoemd in artikel 7:629 BW ontvangt de werknemer, boven de wettelijke loondoorbetaling, een aanvulling tot 100% van het naar tijdruimte vastgestelde loon.
c. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vindt uitbetaling naar rato plaats.
5. Loondoorbetalingsverplichtingen tweede periode van 26 weken (binnen het 1e jaar van
arbeidsongeschiktheid)
a. Bij arbeidsongeschiktheid zal aan de werknemer gedurende de tweede periode van 26 weken van de wettelijke periode, als genoemd in artikel 7:629 BW, 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon worden doorbetaald.
b. Tijdens de tweede periode van 26 weken van de wettelijke periode als genoemd in artikel 7:629 BW ontvangt de werknemer, boven de wettelijke loondoorbetaling, een aanvulling tot 90% van het naar tijdruimte vastgestelde loon.
c. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vindt uitbetaling naar rato plaats.
6. Loondoorbetalingsverplichtingen tweede jaar van arbeidsongeschiktheid
a. Bij arbeidsongeschiktheid zal aan de werknemer gedurende het 2e jaar van de wettelijke periode, als genoemd in artikel 7:629 BW, 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon worden doorbetaald.
b. Tijdens het 2e jaar van de wettelijke periode als genoemd in artikel 7:629 BW ontvangt de werknemer, boven de wettelijke loondoorbetaling, een aanvulling tot 75% van het naar tijdruimte vastgestelde loon. Indien de werknemer voldoende medewerking verleent aan de reïntegratieverplichtingen volgens de WVP wordt de aanvulling verhoogd tot 85% van het naar tijdruimte vastgestelde loon.
c. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vindt uitbetaling naar rato plaats.
7. Loondoorbetalingsverplichtingen werknemers minder dan 35% arbeidsongeschikt.
Indien de werknemer in aansluiting op de periode van arbeidsongeschiktheid genoemd in lid 6 van dit artikel volgens het UWV arbeidsongeschikt is of eerder als dit objectief is vastgesteld, maar minder dan 35%, en zolang het dienstverband gecontinueerd wordt bij dezelfde werkgever, ontvangt de werknemer 90% van het naar tijdruimte vastgestelde loon gedurende maximaal 5 jaar. Zie voor de ontslagmogelijkheid artikel 12.
8. Voor de werknemer die arbeidsongeschikt is geworden tussen 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 geldt een overgangsregeling. Deze regeling is opgenomen in bijlage II.
9. Voor de vaststelling van aanvulling de uitkering als genoemd in bijlage II lid 3, worden mede begrepen uitkeringen en/of inkomsten die hierop in mindering zijn gebracht.
10. Indien en voor zover de Ziektewet- en/of WAO-uitkering via de werkgever wordt uitgekeerd en deze uitkeringen na aftrek van de voorgeschreven inhoudingen hoger zijn dan het voor de werknemer geldende loon, is de werkgever verplicht ook het meerdere aan de werknemer uit te betalen.
11. Voor de vaststelling van de hoogte van de aanvulling op de loondoorbetalingsverplichting als bedoeld in de vorige leden, geldt dat de werknemer niet meer zal ontvangen dan het overeengekomen naar tijdruimte vastgestelde loon.
12. De werkgever heeft op grond van artikel 6:107a BW een zelfstandig verhaalsrecht in geval van
arbeidsongeschiktheid van een werknemer, veroorzaakt door een aansprakelijk te stellen derde.
13. Met betrekking tot de verplichting tot loondoorbetaling in geval van arbeidsongeschiktheid als gevolg van het verrichten van betaald werk voor derden, geldt artikel 10.
14. Met betrekking tot de vakantierechten in geval van arbeidsongeschiktheid geldt artikel 48.
15. Er bestaat een afzonderlijke regeling inzake arbeidsongeschiktheid. Hiervoor wordt/is door een aantal partijen in de agrarische sector een aparte overeenkomst afgesloten (SAZAS Ziekteverzuimverzekering). Zie bijlage III C.

Artikel 59 Verzuimbegeleiding
De werknemer maakt tijdens de eerste twee jaar van arbeidsongeschiktheid aanspraak op verzuimbegeleiding welke voortvloeit uit de Wet Verbetering Poortwachter.

 


HOOFDSTUK VII MOGELIJKHEID TOT MINDER WERKEN VOOR OUDERE WERKNEMERS 

Artikel 60 Relatie met andere cao-bepalingen
1. Dit hoofdstuk heeft betrekking op oudere werknemers als bedoeld in artikel 2 lid 3.
2. Voor zover de bepalingen in dit hoofdstuk een afwijking betekenen van andere bepalingen in deze cao, treden de bepalingen in dit hoofdstuk in de plaats van die andere bepalingen.

Artikel 61 Inhoud overeenkomst met betrekking tot minder werken – geldt tot 1 januari 2008, zie lid 5
1. Er bestaat een regeling met betrekking tot minder werken voor oudere werknemers. De regeling wordt uitgevoerd door de Stichting Colland Arbeidsmarktbeleid, waarvan het bestuur beslist bij individuele aanvragen of de regeling van toepassing kan zijn. Zonder dat aan het onderstaande rechten kunnen worden ontleend, zijn de hoofdlijnen van de regeling als volgt:
De oudere werknemer die:
gedurende minimaal 5 aaneensluitende jaren direct voorafgaand aan de ingangsdatum van de in dit artikel beschreven overeenkomst, in elk jaar gedurende tenminste 26 weken, als werknemer werkzaam is geweest in een of meer hoveniersbedrijven, kan onder de hierna genoemde voorwaarden gebruik maken van de mogelijkheid om zijn arbeidstijd te verkorten.
2. Hiertoe dient een schriftelijke overeenkomst te worden gesloten tussen de betreffende werkgever en werknemer.
3. Aan de overeenkomst zijn de volgende rechten en verplichtingen voor werkgever en werknemer verbonden:
a. De werknemer werkt gedurende 4 dagen per week.
b. Het bruto weekloon van de werknemer bedraagt in totaal 90% van het bruto weekloon dat de betreffende werknemer zou hebben verdiend, indien geen overeenkomst tot minder werken, zoals omschreven in dit hoofdstuk, zou zijn gesloten. In afwijking hiervan geldt voor werknemers van 58 jaar en ouder een bruto weekloon van 95%.
c. Een-negende deel van het bruto weekloon waarop de werknemer recht heeft op grond van de in dit artikel beschreven overeenkomst, wordt geacht betrekking te hebben op de vijfde (niet gewerkte) arbeidsdag. In afwijking hiervan geldt voor werknemers van 58 jaar en ouder dat drie-
negentiende deel van het loon geacht wordt betrekking te hebben op de vijfde arbeidsdag.
d. De werknemer ontvangt vakantiegeld op basis van het door hem feitelijk verdiende brutoloon.
e. De werknemer heeft recht op 22,5 vakantiedagen per jaar en op 80% van het aantal ADV dagen waarop recht zou bestaan, indien geen overeenkomst tot minder werken, zoals omschreven in dit hoofdstuk, zou zijn gesloten. In afwijking hiervan hebben werknemers van 58 jaar en ouder recht op 23,75 vakantiedagen per jaar.
f. De werknemer ontvangt een reiskostenvergoeding op basis van 4 werkdagen per week.
g. De werkkledingtoeslag wordt vastgesteld op 80% van de bedragen genoemd in artikel 39.
h. Werknemer en werkgever leggen in hun overeenkomst een met name genoemde dag vast, waarop de werknemer niet werkt. Van de aldus vastgelegde vrije dag kan incidenteel, in onderlinge overeenstemming, worden afgeweken.
i. Het is de werknemer niet toegestaan om op de vrije dag die ontstaat door het sluiten van de in dit hoofdstuk beschreven overeenkomst, hovenierswerkzaamheden te verrichten, hetzij op basis van een arbeidsovereenkomst, hetzij in de zelfstandige uitoefening van zijn beroep of bedrijf.
4. De werknemer van 55 jaar en ouder die van bovenstaande regeling geen gebruik maakt en wel aan de voorwaarden, zoals in lid 1 beschreven, voldoet, heeft recht op 4 extra betaalde vakantiedagen (seniorendagen) per kalenderjaar, mits hij volledig blijft werken.
5. Op de werknemer die voor 1 januari 2008 reeds gebruik maakt van deze regeling blijft bovenstaande regeling ook na 1 januari 2008 van kracht.

Artikel 61A Inhoud overeenkomst met betrekking tot minder werken – geldt tot 1 januari 2010, zie lid 6 *
1. Er bestaat een regeling met betrekking tot minder werken voor oudere werknemers. De regeling wordt uitgevoerd door de Stichting Colland Arbeidsmarktbeleid, waarvan het bestuur beslist bij individuele aanvragen of de regeling van toepassing kan zijn. Zonder dat aan het onderstaande rechten kunnen worden ontleend, zijn de hoofdlijnen van de regeling als volgt:
De oudere werknemer die:
gedurende minimaal 5 aaneensluitende jaren direct voorafgaand aan de ingangsdatum van de in dit artikel beschreven overeenkomst, in elk jaar gedurende tenminste 26 weken, als werknemer werkzaam is geweest in een of meer hoveniersbedrijven, kan gedurende maximaal 6 jaar onder de hierna genoemde voorwaarden gebruik maken van de mogelijkheid om zijn arbeidstijd te verkorten. 2. Hiertoe dient een schriftelijke overeenkomst te worden gesloten tussen de betreffende werkgever en werknemer.
3. Aan de overeenkomst zijn de volgende rechten en verplichtingen voor werkgever en werknemer verbonden:
a. De werknemer werkt gedurende 4 dagen per week.
b. Het bruto weekloon van de werknemer bedraagt in totaal 90% van het bruto weekloon dat de betreffende werknemer zou hebben verdiend, indien geen overeenkomst tot minder werken, zoals omschreven in dit hoofdstuk, zou zijn gesloten.
c. Een-negende deel van het bruto weekloon waarop de werknemer recht heeft op grond van de in dit artikel beschreven overeenkomst, wordt geacht betrekking te hebben op de vijfde (niet gewerkte) arbeidsdag.
d. De werknemer ontvangt vakantiegeld op basis van het door hem feitelijk verdiende brutoloon.
e. De werknemer heeft recht op 22,5 vakantiedagen per jaar en op 80% van het aantal ADV dagen waarop recht zou bestaan, indien geen overeenkomst tot minder werken, zoals omschreven in dit hoofdstuk, zou zijn gesloten.
f. De werknemer ontvangt een reiskostenvergoeding op basis van 4 werkdagen per week.
g. De werkkledingtoeslag wordt vastgesteld op 80% van de bedragen genoemd in artikel 39.
h. Werknemer en werkgever leggen in hun overeenkomst een met name genoemde dag vast, waarop de werknemer niet werkt. Van de aldus vastgelegde vrije dag kan incidenteel, in onderlinge overeenstemming, worden afgeweken.
i. Het is de werknemer niet toegestaan om op de vrije dag die ontstaat door het sluiten van de in dit hoofdstuk beschreven overeenkomst, hovenierswerkzaamheden te verrichten, hetzij op basis van een arbeidsovereenkomst, hetzij in de zelfstandige uitoefening van zijn beroep of bedrijf.
4. De oudere werknemer die van bovenstaande regeling geen gebruik maakt en wel aan de voorwaarden, zoals in lid 1 beschreven, voldoet, heeft gedurende maximaal 6 jaar recht op 4 extra betaalde vakantiedagen (seniorendagen) per kalenderjaar, mits hij volledig blijft werken.
5. De totale duur van de eventuele gecombineerde regelingen, zoals genoemd in lid 3 en 4, bedraagt gezamenlijk maximaal 6 jaar.
6. Op de werknemer die tussen 1 januari 2008 en 1 januari 2010 reeds gebruik maakt van deze regeling blijft bovenstaande regeling ook na 1 januari 2010 van kracht.

Artikel 61B Inhoud overeenkomst met betrekking tot minder werken – geldt vanaf 1 januari 2010 *
1. Er bestaat een regeling met betrekking tot minder werken voor oudere werknemers. De regeling wordt uitgevoerd door de Stichting Colland Arbeidsmarktbeleid, waarvan het bestuur beslist bij individuele aanvragen of de regeling van toepassing kan zijn. Zonder dat aan het onderstaande rechten kunnen worden ontleend, zijn de hoofdlijnen van de regeling als volgt:
De oudere werknemer die:
gedurende minimaal 5 aaneensluitende jaren direct voorafgaand aan de ingangsdatum van de in dit artikel beschreven overeenkomst, in elk jaar gedurende tenminste 26 weken, als werknemer werkzaam is geweest in een of meer hoveniersbedrijven, kan gedurende maximaal 6 jaar direct voorafgaand aan de datum van pre-pensioen of pensioen, onder de hierna genoemde voorwaarden gebruik maken van de mogelijkheid om zijn arbeidstijd te verkorten.
2. Hiertoe dient een schriftelijke overeenkomst te worden gesloten tussen de betreffende werkgever en werknemer.
3. Aan de overeenkomst zijn de volgende rechten en verplichtingen voor werkgever en werknemer verbonden:
a. De werknemer werkt gedurende 4 dagen per week.
b. Het bruto weekloon van de werknemer bedraagt in totaal 90% van het bruto weekloon dat de betreffende werknemer zou hebben verdiend, indien geen overeenkomst tot minder werken, zoals omschreven in dit hoofdstuk, zou zijn gesloten.
c. Een-negende deel van het bruto weekloon waarop de werknemer recht heeft op grond van de in dit artikel beschreven overeenkomst, wordt geacht betrekking te hebben op de vijfde (niet gewerkte) arbeidsdag.
d. De werknemer ontvangt vakantiegeld op basis van het door hem feitelijk verdiende brutoloon.
e. De werknemer heeft recht op 22,5 vakantiedagen per jaar en op 80% van het aantal ADV dagen waarop recht zou bestaan, indien geen overeenkomst tot minder werken, zoals omschreven in dit hoofdstuk, zou zijn gesloten.
f. De werknemer ontvangt een reiskostenvergoeding op basis van 4 werkdagen per week.
g. De werkkledingtoeslag wordt vastgesteld op 80% van de bedragen genoemd in artikel 39.
h. Werknemer en werkgever leggen in hun overeenkomst een met name genoemde dag vast, waarop de werknemer niet werkt. Van de aldus vastgelegde vrije dag kan incidenteel, in onderlinge overeenstemming, worden afgeweken.
i. Het is de werknemer niet toegestaan om op de vrije dag die ontstaat door het sluiten van de in dit hoofdstuk beschreven overeenkomst, hovenierswerkzaamheden te verrichten, hetzij op basis van een arbeidsovereenkomst, hetzij in de zelfstandige uitoefening van zijn beroep of bedrijf.
4. De oudere werknemer die van bovenstaande regeling geen gebruik maakt en wel aan de voorwaarden, zoals in lid 1 beschreven, voldoet, heeft gedurende maximaal 6 jaar recht op 4 extra betaalde vakantiedagen (seniorendagen) per kalenderjaar, mits hij volledig blijft werken.
5. De totale duur van de eventuele gecombineerde regelingen, zoals genoemd in lid 3 en 4, bedraagt gezamenlijk maximaal 6 jaar.

Artikel 62 Vervallen

Artikel 63 Financiering
De Stichting Colland Arbeidsmarktbeleid vergoedt aan de werkgever het deel van het bruto weekloon, genoemd in artikel 61 lid 3 sub c, 61 A lid 3 sub c en 61 B lid 3 sub c. Daarnaast vergoedt deze stichting aan de werkgever de 4 vakantiedagen, genoemd in artikel 61 lid 4, 61 A lid 4 en 61 B lid 4. 

HOOFDSTUK VIII BEPALINGEN VAN SOCIALE AARD

Artikel 64 Arbeidsomstandigheden *
1. Werknemers kunnen volgens de volgende staffel, voor rekening van de werkgever een gericht arbeidsgezondheidskundig onderzoek laten verrichten via Stigas of een gecertificeerde bedrijfsarts:
- vanaf 25 tot en met 44 jaar: eenmaal per 3 jaar;
- vanaf 45 tot en met 49 jaar: eenmaal per 2 jaar;
- vanaf 50 jaar: jaarlijks.
2. De werkgever is verplicht om werknemers die regelmatig spuitwerkzaamheden met giftige stoffen verrichten in de gelegenheid te stellen om jaarlijks door middel van een medisch onderzoek te laten vaststellen of zij deze werkzaamheden zonder bezwaar kunnen verrichten.
Het onderzoek dient door Stigas, danwel een gecertificeerde bedrijfsarts te worden uitgevoerd. De kosten van dit onderzoek zijn voor rekening van de werkgever.
3. Het is verboden te werken in een behandeld gewas of ruimte binnen 24 uur na de behandeling of zoveel langer waar dit nodig is om gezondheidsrisico's te voorkomen.
4. De werkgever is verplicht bij het werken langs de weg uitsluitend te werken met werknemers die daartoe een specifieke opleiding hebben genoten.
5. De werkgever is verplicht om ten aanzien van schuil- en schaftgelegenheden de voor hem van toepassing zijnde bepalingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit in acht te nemen.
6. De werkgever zal bevorderen dat de werknemers een EHBO-diploma behalen en instandhouden. De cursus- en examenkosten zullen door de werkgever worden vergoed.
7. Indien op de werkplek geen toiletgelegenheid aanwezig is, heeft de werknemer het recht om elders, op een zo dichtbij mogelijk gelegen plek, een toilet te bezoeken.

Artikel 64A Branche RI&E
1. Er is een branche Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) ontwikkeld voor de sector Hoveniers. De meest recente branche RI&E is schriftelijk en digitaal beschikbaar en is te downloaden via www.stigas.nl. De schriftelijke RI&E is op te vragen bij Stigas, als onderdeel van Colland.
2. Partijen stemmen in met deze RI&E-methodiek. Het branchespecifieke RI&E-instrument is naar de stand van de wetenschap en conform het model zoals bedoeld in het Arbobesluit artikel 2, lid 14b, ontwikkeld en wordt dientengevolge geacht actueel, volledig en betrouwbaar te zijn.
3. Indien een bedrijf de diensten met betrekking tot deskundige bijstand, conform de artikelen 13 en 14 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 zoals deze is gewijzigd op 1 juli 2005, betrekt van één van de gecertificeerde arbodiensten, verklaren partijen dat ook elders werkzame gecertificeerde deskundigen zonder (aanvullende) werknemersovereenstemming kunnen worden aangewezen als externe deskundige ondersteuning bij uitvoering en toetsing van een RI&E conform artikel 14 lid 1 sub a. van de Arbeidsomstandighedenwet 1998.
Deze mogelijkheid geldt ook indien gebruik wordt gemaakt van de maatwerkregeling.
4. Partijen hechten aan het tot stand brengen van een zo goed mogelijk arbobeleid in de sector en streven er voortdurend naar een adequate en op de sector toegesneden vorm van deskundige ondersteuning hierbij voor werkgevers en werknemers aan te bieden.

Artikel 65 Sociale zaken
1. De werkgever zal eenmaal per jaar het gevoerde sociaal beleid binnen de onderneming met zijn werknemers bespreken.
2. De werkgever is verplicht, voorafgaande aan de aanschaf van nieuwe machines of werktuigen, de betrokken werknemers te raadplegen over aan deze machines of werktuigen verbonden ergonomische en veiligheidsaspecten.

Artikel 66 Gewetensbezwaren *
1. Partijen bij de cao voor het Hoveniersbedrijf in Nederland erkennen dat een werknemer, die gewetensbezwaren heeft ten aanzien van zijn werk of een onderdeel daarvan, zich in een ernstige persoonlijke conflictsituatie bevindt, waardoor de vervulling van de overeengekomen arbeid bij hem op onoverkomelijke bezwaren kan stuiten.
2. De werkgever zal een ernstig gewetensbezwaar van de werknemer eerbiedigen door, voor zover in redelijkheid mogelijk, aan de betrokken werknemers vervangende gelijkwaardige arbeid aan te bieden. De werknemer die zich op een ernstig gewetensbezwaar beroept, zal hem door de werkgever aangeboden vervangende gelijkwaardige arbeid aanvaarden.
3. De werknemer zal de werkgever schriftelijk en gemotiveerd van zijn gewetensbezwaren in kennis stellen en de daaraan zijns inziens verbonden consequenties met betrekking tot zijn functie-uitoefening aangeven.
4. De werknemer zal, indien hij wegens een ernstig gewetensbezwaar een opdracht weigert uit te voeren, de eventueel uit deze weigering voortvloeiende schade naar vermogen beperken.
5. Ingeval een werknemer op grond van ernstige gewetensbezwaren incidenteel arbeid weigert, zal niet om die reden tot ontslag worden overgegaan noch het dienstverband worden beëindigd.

Artikel 67 Pensioenfonds voor de Landbouw *
Er geldt een pensioenregeling conform bepalingen in Statuten en Reglementen van het Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw. Zie bijlage III A.
2. Deelname is verplicht met inachtneming van het gestelde in deze pensioenregeling.
Artikel 68 Regeling vrijwillig vervroegd uittreden *
Er bestaat een afzonderlijke collectieve arbeidsovereenkomst inzake vrijwillig vervroegde uittreding van werknemers.
Partijen bij deze cao zijn deze afzonderlijke collectieve arbeidsovereenkomst overeengekomen samen met andere agrarische sectoren. Sinds 1 januari 2003 bestaat de mogelijkheid van deeltijd vut. Zie bijlage III B voor nadere informatie over de cao-SUWAS.

Artikel 68A Vervallen *

Artikel 69 Sociale fondsen
Er bestaat een afzonderlijke collectieve arbeidsovereenkomst inzake de Stichting Colland Arbeidsmarktbeleid (cao-Colland). Partijen bij deze cao zijn deze afzonderlijke collectieve arbeidsovereenkomst overeengekomen met andere agrarische sectoren. Zie bijlage III met nadere informatie over de cao-Colland.
De jaarlijkse heffing voor deze sociale fondsen wordt berekend naar het BTER-loon als bedoeld in artikel 1A lid 1 sub w. Als maximum dagloon per dag wordt aangehouden anderhalf maal het maximum premiedagloon waarover de premies werknemersverzekeringen worden geheven.

Artikel 70 Aanvullingsfonds ziekte en arbeidsongeschiktheid *
Er bestaat een afzonderlijke overeenkomst inzake een aanvullingsfonds bij ziekte en arbeidsongeschiktheid (SAZAS Ziekteverzuimverzekering). Zie voor nadere informatie bijlage III C.

Artikel 71 Vakbondscontributie *
Leden van de vakorganisaties kunnen voor zolang dit fiscaal is toegestaan, gebruik maken van de mogelijkheid om de vakbondscontributie fiscaal vriendelijk te laten aftrekken van het brutosalaris (of andere loonbestanddelen).

Artikel 72 Levensfasebewust personeelsbeleid *
Door de werkgever zal 0,2% van het brutoloon per medewerker vanaf 1 juli 2009 binnen de onderneming op naam van de medewerker worden gereserveerd. Deze individuele reservering is bestemd voor levensfasebewust personeelsbeleid. Deze premie komt ten laste van de werkgever. Tijdens de looptijd van deze cao zal door een werkgroep van werkgevers en werknemers nader uitgewerkt worden hoe de uitvoering van het beleid van deze reservering plaats dient te vinden.

 


HOOFDSTUK IX GESCHILLEN EN SCHORSING

Artikel 73 Geschillencommissie
1. Er bestaat een geschillencommissie die ingeval van geschillen omtrent de uitleg van de cao, een niet-bindend advies geeft. 4) De commissie bestaat uit vertegenwoordigers van de cao-partijen. Verzoeken om een advies kunnen worden ingediend door een of meer cao-partijen, individuele werknemers en/of werkgevers. Het bovenstaande laat hetgeen bepaald is in artikel 74 onverlet.
2. De geschillencommissie doet tevens uitspraken in geschillen omtrent functiewaardering, conform de beroepsprocedure zoals is opgenomen in het handboek “Functiewaardering groene sector”. Zie ook bijlage VIII van deze cao. De commissie laat zich bijstaan door unctiewaarderingsdeskundigen. De uitspraak is in dit geval wel bindend.

4) Het adres van de geschillencommissie is: Branchevereniging VHG, Postbus 1010, 3990 CA te Houten.

Artikel 74 Overige geschillen
Alle geschillen omtrent de toepassing van deze cao of omtrent arbeidsovereenkomsten, gesloten tussen werkgevers en werknemers die aan deze cao gebonden zijn, worden, tenzij de bij een geschil betrokken partijen uitdrukkelijk anders overeengekomen zijn, beslist door de gewone rechter.

Artikel 75 Schorsing
Gronden voor schorsing.
1. De werkgever mag, in afwijking van artikel 7:628 BW, een werknemer schorsen met inhouding van loon in navolgende gevallen:
a. als er een dringende reden is tot ontslag, als bedoeld in artikel 7:678 BW en indien de werkgever nog niet tot ontslag wil overgaan. De schorsing kent een duur van maximaal twee weken.
b. bij verdenking van een vergrijp dat een dringende reden tot ontslag, als bedoeld in artikel 7:677 BW, zou kunnen zijn.
2. In de situatie genoemd in lid 1 sub b wordt onmiddellijk een onderzoek gesteld of sprake is van een vergrijp.
Blijkt dit niet het geval te zijn dan zal het ingehouden loon alsnog worden uitbetaald en zal de werknemer worden gerehabiliteerd. Blijkt het vergrijp wel te zijn begaan, dan kan, ook als het ontslag volgt, het loon worden ingehouden over maximaal 3 weken.
3. Schorsing moet schriftelijk worden bevestigd aan de werknemer met de vermelding van de reden en de duur van de schorsing.

 


HOOFDSTUK X SLOTBEPALINGEN

Artikel 76 Tussentijdse wijzigingen
1. Indien gedurende het in artikel 78 genoemde tijdvak zich buitengewone omstandigheden voordoen, welke naar het oordeel van een of meer der contracterende organisaties aanleiding dienen te zijn tot het aanbrengen van tussentijdse wijzigingen in deze cao, is iedere organisatie bevoegd de overige contractanten tot het voeren van een bespreking hieromtrent op te roepen. Deze laatste zijn verplicht aan dit verzoek gevolg te geven.
2. Indien omtrent de aan te brengen wijzigingen alsdan geen overeenstemming wordt bereikt, wordt het geschil beslist door een arbitragecommissie. De bij het geschil betrokken partijen verzoeken de president van de arrondissementsrechtbank te Den Haag de arbitragecommissie aan te wijzen. De arbitragecommissie stelt zelf regels omtrent de behandeling van het geschil.
3. De uitspraak der commissie is voor beide partijen bindend, behoudens uiteraard de eventueel van overheidswege vereiste goedkeuring.

Artikel 77 Dispensatie
1. Er bestaat de mogelijkheid om ontheffing aan te vragen van een of meer bepalingen van deze cao.
2. Een werkgever kan slechts ontheffing aanvragen ingeval van zwaarwichtige redenen.
3. Aanvragen als bedoeld in lid 2 kunnen via de werkgeversorganisatie worden ingediend.
4. Cao-partijen stellen een dispensatiecommissie in die de verzoeken beoordeelt.

Artikel 78 Tijdvak CAO *
1. Deze cao geldt voor de periode van 1 maart 2009 tot en met 28 februari 2010.
2. Op 28 februari 2010 eindigt de cao, zonder dat opzegging vereist is. Zolang echter geen nieuwe afspraken zijn gemaakt door partijen, behoudt de cao haar geldigheid tot maximaal 1 jaar na de bovenvermelde datum.


BIJLAGE I PROTOCOLLEN *
Protocol I


Structurele thema’s
1. Partijen bij de cao zijn van oordeel dat de ontwikkeling van de werkgelegenheid en arbeidsvoorziening in de bedrijfstak en daarbuiten onderwerp van gezamenlijke bespreking van de ondernemers- en werknemersorganisaties dient te vormen. Partijen streven naar groei van de werkgelegenheid in de bedrijfstak.
- Op grond van het bovenstaande verklaren partijen er mee in te stemmen dat in het 'georganiseerd overleg' op nader te regelen tijden, maar in elk geval tenminste drie maal per jaar, de situatie en de ontwikkeling van de hoveniersbranche wordt behandeld.
- De onderwerpen die in het bedoelde overleg besproken kunnen worden, zijn onder meer de volgende:
a. CAO en arbeidsvoorziening;
b. Fondsen;
c. Arbeidsomstandigheden en ziekteverzuim;
d. Scholing.
2. De werkgever is verplicht om bij een voorgenomen fusie, overdracht van de zeggenschap over de onderneming, beëindiging of inkrimping van de werkzaamheden van de onderneming of van een onderdeel daarvan, in een zo vroeg mogelijk stadium vooraf overleg te plegen met de werknemersorganisaties, partij bij deze overeenkomst, en een regeling te treffen voor de gevolgen van deze maatregelen voor de bij deze organisaties aangesloten werknemers.
3. Faciliteiten vakbondswerk in de onderneming
De werkgever zal op verzoek van een of meer werknemersorganisaties, partij bij deze cao, publicatieborden op de daartoe bestemde plaatsen ter beschikking stellen voor:
- het doen van mededelingen van zakelijke aard ten aanzien van de eigen onderneming of de eigen bedrijfstak;
- het bekend maken van de namen van de in het rayon werkzame bestuurders van de
werknemersorganisaties;
- de kandidaatstelling van leden van de ondernemingsraad;
- het aankondigen van vergaderingen van werknemersorganisaties.
Een exemplaar van de te publiceren berichten en mededelingen wordt vooraf ter kennisname van de werkgever gebracht. In bijzondere omstandigheden, wanneer het bedrijfsbelang dit naar het oordeel van de werkgever vordert, kan het verlenen van de faciliteiten worden opgeschort.
Dit zal niet geschieden dan na tijdige voorafgaande kennisgeving aan de betrokken werknemersorganisaties.
Indien verschil van inzicht rijst over de wijze van toekenning en gebruikmaking van faciliteiten in de onderneming en de daarbij gemaakte afspraken, kan ieder der betrokken partijen dit verschil van inzicht onderwerpen aan het oordeel van de geschillencommissie bij de cao en daarbij het verzoek doen om goede diensten te verlenen.
In overleg met de bedrijfsleiding kan vergaderruimte binnen de onderneming, ten behoeve van vergaderingen en in het algemeen ten behoeve van het onderhouden van contacten met de leden van de vakorganisaties, beschikbaar gesteld worden. Het gebruik van deze vergaderruimte geschiedt in beginsel buiten of aansluitend aan de normale werktijden op basis van een tijdig ingediende aanvraag bij de bedrijfsleiding.
4. Vakbondscontactperso(o)n(en)
a. Partijen anderzijds zijn bevoegd in ondernemingen met minder dan 20 werknemers, voor zover niet reeds een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging is gevormd in overleg met de betrokken werknemers, uit hun midden, een vakbondscontactpersoon aan te wijzen. In bedoelde bedrijven met 20 werknemers of meer kunnen maximaal 3 vakbondscontactpersonen worden aangewezen.
b. De aanwijzing van een vakbondscontactperso(o)n(en) geschiedt voor de duur van 2 jaar, de aanwijzing kan daarna terstond wederom voor een periode van 2 jaar plaatsvinden.
c. Door partijen anderzijds zal schriftelijk aan de ondernemer worden meegedeeld wie als contactpersoon is aangewezen.
d. De vakbondscontactperso(o)n(en) geniet dezelfde rechtsbescherming als een lid van een ondernemingsraad.

Protocol II
OR-platform
Partijen streven er naar een project in te dienen ten laste van het B-deel van de CAO voor de agrarische en aanverwante sectoren inzake Sociaal Fonds Colland Arbeidsmarktbeleid ter financiering van het OR-platform.

Protocol III
Paritaire werkgroepen
Partijen zullen gedurende de looptijd van deze cao in een of meerdere werkgroepen onderwerpen met betrekking tot leeftijdsbewust personeelsbeleid, flexibiliteit en scholing bespreken. Eventuele aanbevelingen zullen door cao-partijen bij het cao-overleg worden betrokken.
De uitgangspunten voor bespreking van de voornoemde onderwerpen zijn ondermeer als volgt:
a) Paritaire werkgroep flexibiliteit: optimalisatie en verduidelijking van de regeling. Het uitgangspunt is administratieve vereenvoudiging van de bestaande mogelijkheden. Op voorhand is geen enkel model onbespreekbaar.
b) Paritaire werkgroep scholing: er is een scholingsregeling die wordt uitgevoerd door Colland. Om het negatieve saldo van de scholingsregeling in dit fonds in te kunnen lopen wordt de premie vanaf 1 januari 2010 met 0,4% verhoogd naar 0,7%. Deze premieverhoging zal als volgt worden verdeeld: 0,2% ten laste van werkgevers (totaal 0,5%) en 0,2% ten laste van werknemers. De werkgever zal het premiedeel van de werknemer in mindering brengen op het loon.
Als het tekort is ingelopen kan de premie worden ingezet voor het eventueel vernieuwde scholingsbeleid of voor levensfasebewust personeelsbeleid.
De beschikbare reserves van overige fondsen zullen waar mogelijk worden aangewend om het scholingstekort in te lopen.
De uitgangspunten voor het nieuw te ontwikkelen scholingsbeleid zijn: zonder fonds, koppelen aan
levensfasebewust personeelsbeleid, uitruilmogelijkheden met andere arbeidsvoorwaarden en individualisering.
c) Paritaire werkgroep levensfasebewust personeelsbeleid: door de werkgever zal 0,2% van het brutoloon per medewerker vanaf 1 juli 2009 binnen de onderneming op naam van de medewerker worden gereserveerd.
Deze individuele reservering is bestemd voor levensfasebewust personeelsbeleid. Deze premie komt ten laste van de werkgever. Tijdens de looptijd van deze cao zal door deze werkgroep nader uitgewerkt worden hoe de uitvoering van het beleid van deze reservering plaats dient te vinden. Ook de leeftijdsdiscriminerende bepalingen in de cao tekst zullen onder de loep worden genomen.

Protocol IV
Overbruggingsfonds
Partijen zien er op toe dat de gemaakte afspraken inzake de werkgeversreserve uit het OBF worden gerespecteerd.

Protocol V
Verbreding CAO
Partijen zullen gedurende de looptijd van de CAO een studie verrichten naar de mogelijkheden om UTA-functies, waarvan de beloning naar verwachting binnen de in de CAO genoemde loonschalen vallen, te beschrijven en te waarderen. In latere CAO-onderhandelingen zal gesproken worden over het eventueel opnemen van deze functieomschrijvingen in de CAO, bijvoorbeeld telefoniste/receptioniste en secretaresse.

Protocol VI
Functieomschrijving
Ten aanzien van de referentiefunctie van servicemedewerker interieurbeplanter zal onderzocht worden of deze in functiegroep 2 of 3 thuishoort. Aansluitend zullen overgangsmaatregelen worden getroffen.

Protocol VII
Naleving
Gedurende de vorige cao-periode hebben sociale partners een verkennend onderzoek verricht naar de mate waarin de cao-afspraken al dan niet worden toegepast en worden nageleefd. Doelstelling van het onderzoek is geweest het bevorderen van naleving van de cao en het toegankelijk maken van gemaakte afspraken om naleving te bevorderen.
Tijdens de looptijd van deze cao zullen sociale partners zich gaan richten op het geven van voorlichting over (het belang  van) naleving van de cao en over cao-bepalingen die onduidelijk, of in de praktijk moeilijk toe te passen zijn, of anderszins. Sociale partners zullen de wijze waarop de voorlichting wordt georganiseerd en welke onderdelen aan de orde komen nader afstemmen.
Sociale partners vinden het van belang dat de cao op de juiste manier wordt toegepast en wordt nageleefd. Na de voorlichtingsfase zullen sociale partners bezien hoe zij invulling zullen geven aan controle op de naleving van de cao. Zij zullen daarom vaststellen of in de praktijk daadwerkelijk sprake is van naleving. Gecontroleerd wordt of de bepalingen van de cao algemeen en volledig worden nageleefd. Bij ernstige overtredingen kunnen los van de rechtsgang, de feiten worden voorgelegd aan de geschillencommissie. Bij constatering van structurele overtredingen van de cao zullen sociale partners onderzoeken welke maatregelen getroffen zullen worden om naleving te bevorderen.
Mogelijk dat werkgever en werknemer verplicht worden aan te tonen dat zij de bepalingen van de cao getrouw naleven.
De werkgever dient hiertoe een deugdelijke loon- en arbeidsadministratie te voeren, waaronder mede wordt begrepen de verstrekking van een loonspecificatie, zoals genoemd in artikel 22 lid 1. Daarnaast is de werkgever verplicht partijen of de instantie die namens hen optreedt toegang te verschaffen tot zijn bedrijf en de nog nader te specificeren bedrijfsgegevens. Indien deze verplichting niet (tijdig) wordt nagekomen, zal dit worden afgedwongen via de geschillencommissie of via de rechter, waarbij tevens voor schade die partijen ofwel de ingeschakelde instantie hebben geleden, een vergoeding kan worden gevraagd.
In dit project zal de privacy van de betrokkenen gewaarborgd worden door middel van de regels uit de Wet Bescherming Persoonsgegevens.

 

BIJLAGE II BEHOREND BIJ ARTIKEL 58, OVERGANGSBEPALINGEN
Overgangsbepaling
De overgangsbepalingen gelden voor de werknemer die arbeidsongeschikt is geworden (met uitsluiting van de werknemers waarvan het dienstverband tijdens arbeidsongeschiktheid is beëindigd) in de periode vanaf 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005
1. Loondoorbetalingsverplichtingen gedurende het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid
a. Bij arbeidsongeschiktheid zal aan de werknemer gedurende het eerste jaar van de wettelijke periode, als genoemd in artikel 7:629 BW, 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon worden doorbetaald.
b. Tijdens het eerste jaar van de wettelijke periode als genoemd in artikel 7:629 BW ontvangt de werknemer, boven de wettelijke loondoorbetaling, een aanvulling tot 100% van het naar tijdruimte vastgestelde loon.
c. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vindt uitbetaling naar rato plaats
2. Loondoorbetalingsverplichtingen tweede jaar van arbeidsongeschiktheid
a. Bij arbeidsongeschiktheid zal aan de werknemer gedurende het tweede jaar van de wettelijke periode, als genoemd in artikel 7:629 BW, 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon worden doorbetaald.
b. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid vindt uitbetaling naar rato plaats
3. Loondoorbetalingsverplichtingen derde en vierde jaar van arbeidsongeschiktheid
Voor de vaststelling van de hoogte van het uitkeringsloon genoemd in de hierna genoemde sub leden a en b van dit lid wordt uitgegaan van de systematiek toegepast door UWV en waarbij in de toekomst rekening wordt gehouden met de nog in te voeren Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in sociale verzekeringswetten (Wet Walvis), rekening houdend met de nog te maken of gemaakte afspraken door de sociale partners in de agrarische sector.
a. In aansluiting op de eerste twee jaar van arbeidsongeschiktheid wordt over de dagen waarover de werknemer een Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA)- uitkering arbeidsongeschikt ontvangt krachtens de Wet werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen(WIA) deze uitkering als volgt aangevuld:
- gedurende het eerste WIA jaar tot 100% van het vastgestelde uitkeringsloon.
- gedurende het tweede WIA jaar tot 90 % van vastgestelde uitkeringsloon.
b. Voor de werknemer die is ingedeeld in een arbeidsongeschiktheidspercentage tussen de 35% en 80% of tussen de 80% en 100% maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is, wordt over dagen
waarover de werknemer een uitkering krachtens de regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) ontvangt, een aanvulling vastgesteld, op basis van een gedeelte van het naar tijdruimte vastgestelde uitkeringsloon als volgt:

Arbeidsongeschiktheid
Tijdens het eerste WIA-jaar
Tijdens het tweede WIA-jaar
van
 
 
 
 
 
35 tot 45%
tot 100% van 28/70ste  uitkeringsloon
tot 90% van28/70ste  uitkeringsloon
45 tot 55%
tot 100% van 35/70ste uitkeringsloon
tot 90% van 35/70ste  uitkeringsloon
55 tot 65%
tot 100% van 42/70ste uitkeringsloon
tot 90% van 42/70ste  uitkeringsloon
65 tot 80%
tot 100% van 50,75/70ste  uitkeringsloon
tot 90% van 50,75/70ste  uitkeringsloon
80-100%(niet duurzaam)
tot 100% van 70/70ste  uitkeringsloon
tot 90% van 70/70ste  uitkeringsloon

c. Voor de werknemer die minder dan 35% arbeidsongeschikt is gelden gedurende de eerste twee jaren van arbeidsongeschiktheid de bepalingen opgenomen in de leden 1 en 2 van de overgangsregeling. Vanaf het derde jaar van arbeidsongeschiktheid geldt hetgeen is vermeld in artikel 58 lid 7.

 

BIJLAGE III FONDSEN IN RELATIE TOT COLLAND *
De agrarische en groene sociale fondsen zijn per 1 januari 2005 ondergebracht in drie clusters: Pensioen, Verzekeren en Arbeidsmarktbeleid. “Colland” is het samenwerkingsverband voor de agrarische en groene sociale regelingen.
Arbeidsmarktbeleid. Het derde cluster, Arbeidsmarktbeleid betreft de cao Colland en omvat het fonds ‘Colland Arbeidsmarktbeleid’. Het fonds biedt werkgevers en werknemers onder meer subsidie voor scholing en arbeidsmarktprojecten.
Meer informatie over deze regelingen en premies zijn te vinden op de website van Colland: www.colland.nl. Voor vragen kunt u ook telefonisch terecht bij het Klant contact center, telefoon: 0900 – 1656565 (€ 0,05 p/m).

 

BIJLAGE III A BEDRIJFSPENSIOENFONDS VOOR DE LANDBOUW (BPL)
Voor werknemers in de agrarische bedrijfstak geldt de pensioenregeling van het Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw (BPL). De regeling wordt uitgevoerd door Syntrus Achmea Pensioenbeheer.
De pensioenregeling is met ingang van 1 januari 2007 ingrijpend gewijzigd. Voor werknemers geboren voor 1 januari 1966 en die al voor 1 januari 2007 werkzaam waren in de agrarische bedrijfstak zijn er waarschijnlijk overgangsmaatregelen getroffen. Deze worden in het jaarlijkse pensioenoverzicht dat de werknemer ontvangt nader uitgelegd.
Werknemers die 21 jaar of ouder zijn en in dienst komen bij een agrarische onderneming beginnen meteen met hun pensioenopbouw. De pensioenopbouw stopt als de werknemer buiten de bedrijfstak gaat werken of met pensioen gaat.
Pensioen bij het BPL kan bestaan uit:
• ouderdomspensioen (vanaf 65 jaar tot overlijden)
• partnerpensioen (uitkering voor de partner als de werknemer overlijdt)
• reparatie Anw-gat (een aanvulling op het partnerpensioen)
• wezenpensioen (uitkering voor de kinderen tot 18 jaar als de werknemer overlijdt)
• arbeidsongeschiktheidspensioen (een aanvulling op de WAO-uitkering)
Voor meer informatie kunt u telefonisch terecht bij het Klant contact center, telefoon: 0900-1656565 (€ 0,05 p/m). 

BIJLAGE III B SUWAS I VERVROEGDE UITTREDING BEHOREND BIJ ARTIKEL 68
De vervroegde uittreding is voor werknemers in agrarische sectoren in een aparte cao geregeld. De regeling wordt uitgevoerd door Syntrus Achmea Pensioenbeheer onder verantwoordelijkheid van de Stichting uittreding werknemers agrarische sectoren (Suwas-I). Werkgevers en werknemers betalen een heffing aan Suwas-I.
De Suwas-regeling is een zogenaamde VUT-regeling en wordt op termijn afgebouwd. Zij geldt alleen nog voor werknemers die vóór 1 januari 1950 geboren zijn. Daarnaast gelden bepaalde voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een uitkering. Zo zal een deelnemer zelf de uitkering moeten aanvragen. De belangrijkste is dat de werknemer direct voorafgaand aan de uitkering tien jaar in dienstverband binnen de agrarische sector heeft gewerkt. De Suwas-regeling gaat - afhankelijk van de leeftijd - tussen 60 en 62 jaar in.
De Suwas-uitkering wordt berekend over het SV-loon (het loon voor de Sociale Verzekeringen) met een maximum van 1,5 keer het maximum SV-loon. De uitkeringshoogte bedraagt normaal gesproken 80% van het loon. Daarnaast wordt een vakantietoeslag gegeven.
Het is mogelijk om later met de VUT te gaan. De Suwas-uitkering wordt dan op de ingangsdatum opnieuw berekend maar zal nooit meer zijn dan 100% van het laatstverdiende loon. Het meerdere wordt aangewend voor inkoop van rechten bij Na 65 jaar vervalt het recht op een uitkering.
Een werknemer kan er eenmalig voor kiezen om met deeltijd-VUT te gaan. Bij deeltijd-VUT blijft de
werknemer voor 50% werken en gaat hij voor de overige 50% met de VUT. Uitgangspunt daarbij is het aantal uren dat er vóór de VUT-datum werd gewerkt. Vanuit deeltijd-VUT kan de werknemer eventueel later nog volledig met de VUT gaan.
Werknemers die nog bijverdiensten hebben naast het werk van waaruit ze met de VUT zijn gegaan, mogen die op bepaalde voorwaarden op dezelfde manier voortzetten. De werknemer moet dan minimaal een half jaar voor aanmelding voor de VUT met deze verdiensten begonnen zijn. De werknemer mag naast de VUT-uitkering een nieuw dienstverband aangaan. De inkomsten uit deze arbeid en uitkering tezamen mogen niet meer bedragen dan 125% van het loon.
Tijdens de VUT-periode, wordt de pensioenopbouw voortgezet. Suwas neemt dan de pensioenpremie volledig over. Bij een uitkering van 50% geschiedt deze bijdrage pro rata.
De inhoud van deze bijlage is met de grootste zorg samen gesteld. Aan de inhoud kunnen echter geen rechten worden ontleend. Voor de volledige inhoud van deze regeling wordt verwezen naar de tekst van de SUWAS I regeling. Deze is opvraagbaar bij partijen, het Ministerie van SZW en bij het Klant contactcenter.
Mocht u nog in aanmerking denken te komen voor deze regeling dan raden wij u aan contact op te nemen met het Klant contact center, telefoon: 0900-1656565 (€ 0,05 p/m). 

BIJLAGE III C COLLECTIEVE VERZEKERING INZAKE BETALING BIJ ZIEKTE (SAZAS)
Verzuim verzekering voor betaling bij arbeidsongeschiktheid (SAZAS) behorend bij artikel 70.
De werkgevers en vakbonden in de agrarische sector bieden binnen Colland de SAZAS Ziekteverzuimverzekering aan.
Deze verzekering kent een Basispakket voor de werkgever en een Pluspakket voor de werknemer. De werkgever kan uit drie pakketten kiezen voor de hoogte van een vergoeding van SAZAS bij zijn loondoorbetalingplicht aan de werknemer in de eerste twee ziektejaren.
Een werknemer die in dienst is bij een werkgever die bij SAZAS is aangesloten, neemt automatisch deel aan het Pluspakket, tenzij hij aangeeft dat hij dit niet wil. Voor het Pluspakket betaalt de werknemer 0,7% van zijn loon (premieniveau 2009).
Als de werknemer langer dan een half jaar ziek is en meewerkt aan zijn re-integratie ontvangt hij de volgende extra aanvullingen:
- het tweede half jaar van ziekte: 10%. Opgeteld bij de betaling van de werkgever ontvangt de
werknemer zijn volledige loon;
- het tweede jaar van ziekte: 15% aanvulling. Opgeteld bij de betaling van de werkgever ontvangt de werknemer ook dan zijn volledige loon;
- het derde tot en met het zevende ziektejaar (dit zijn de eerste vijf jaren binnen de WIA): 10% aanvulling berekend over het loon. Daarnaast kent het Pluspakket ook een verzekering voor het WGA-hiaat. SAZAS betaalt de Plusuitkering rechtstreeks aan de werknemer.
Bij beëindiging van de verzekering door de werkgever na 1 januari 2009 heeft de werknemer de mogelijkheid om binnen twee maanden na einde van de verzekering het pluspakket zelf voort te zetten. In dat geval geldt een individuele premie van 0,9%. Bij een verzoek om voorzetting na 2 maanden dient een gezondheidsverklaring te worden overlegd.
De inhoud van deze bijlage is met de grootste zorg samen gesteld. Aan de inhoud kunnen echter geen rechten worden ontleend. Voor meer informatie raden wij u aan contact op te nemen met het Klant contact center, telefoon: 0900-1656565 (€ 0,05 p/m).

 

BIJLAGE III D SUWAS II AANVULLING WAO- EN WW-UITKERING OUDERE WERKNEMERS
1. Er bestaat een Stichting uitvoering WW- en WAO-aanvulling agrarische sectoren, hierna te noemen Suwas-II.
Werkgevers en werknemers zijn gehouden tot naleving van alle verplichtingen welke bij of krachtens de statuten van deze stichting worden voorgeschreven. De statuten en reglementen van dit fonds worden geacht onderdeel te zijn van deze cao.
2. Deze stichting heeft ten doel voor oudere werknemers in de agrarische bedrijfstakken een aanvulling van de uitkering uit hoofde van de Werkloosheidswet en een aanvulling uit hoofde van de WAO-uitkering aan oudere arbeidsongeschikten te financieren uit daartoe door de werkgevers en/of werknemers in die bedrijfstakken verstrekte gelden. Per 1 januari 2008 is de bestaande SUWAS II regeling een gesloten regeling geworden. Dit houdt in dat alleen werknemers die vóór 1953 geboren zijn en die voldoen aan de voorwaarden nog aanspraak kunnen maken op de regeling.
3. Ten behoeve van het onder lid 2 geformuleerde doel zijn werkgevers een financiële bijdrage verschuldigd aan Suwas-II gelijk aan het bedrag ter grootte van 0% (niveau 1 januari 2009) van de in deze bijlage genoemde loonsom van werknemers bedoeld in deze cao.
De regeling wordt uitgevoerd door Syntrus Achmea Pensioebeheer onder verantwoordelijkheid van de Stichting Suwas.
Voor bijzonderheden kan contact worden opgenomen met Syntrus Achmea Pensioenbeheer. Meer informatie over deze regeling is te vinden op de website van Colland: www.colland.nl .

 

BIJLAGE IV ENKELE ARTIKELEN UIT HET BURGERLIJK WETBOEK (BW) EN HET BUITENGEWOON BESLUIT ARBEIDSVERHOUDINGEN (BBA) EN DE ARBEIDSTIJDENWET*
Artikel 6: 107a BW Verhaal
1. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk of geestelijk letsel oploopt, houdt de rechter bij de vaststelling van de schadevergoeding waarop de gekwetste aanspraak kan maken rekening met de aanspraak op loon die de gekwetste heeft krachtens artikel 629, lid 1, van Boek 7 of krachtens individuele of collectieve arbeidsovereenkomst. 2. Indien een werkgever krachtens artikel 629, lid 1, van Boek 7 of krachtens individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verplicht is tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid van de gekwetste het loon door te betalen, heeft hij, indien de ongeschiktheid tot werken van de gekwetste het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, jegens deze ander recht op schadevergoeding ten bedrage van de door hem betaalde loon, doch ten hoogste tot het bedrag, waarvoor de aansprakelijke persoon, bij het ontbreken van de loondoorbetalingsverplichting aansprakelijk zou zijn, verminderd met een bedrag, gelijk aan dat van de schadevergoeding tot betaling waarvan de aansprakelijke persoon jegens de gekwetste is gehouden.
4. Indien de aansprakelijke persoon een werknemer is, heeft de werkgever slechts recht op schadevergoeding indien de ongeschiktheid tot werken het gevolg is van diens opzet of bewuste roekeloosheid.

Artikel 7:629 BW Loon tijdens ziekte
Lid 1 en 10.
1. Voor zover het loon niet meer bedraagt dan het bedrag, bedoeld in artikel 17 eerste lid van de Wet financiering Sociale Verzekeringen met betrekking tot een loontijdvak van een dag, behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, maar de eerste 52 weken ten minste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon, indien hij de bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling daartoe verhinderd was.
10. Voor toepassing van de leden 1, 2 en 9 worden perioden waarin de werknemer in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling verhinderd is geweest zijn arbeid te verrichten, samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan 4 weken opvolgen. Bij de vaststelling van de periode van 4 weken blijven perioden, waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid van de Wet arbeid en zorg, buiten beschouwing.

Artikel 7:635 BW Bijzondere regelingen bij opbouw vakantiedagen
1. In afwijking van artikel 634 verwerft de werknemer aanspraak op vakantie over het tijdvak, gedurende het welk hij geen recht heeft op in geld vastgesteld loon, omdat:
a. hij, anders dan voor oefening en opleiding, als dienstplichtige is opgeroepen ter vervulling van zijn militaire dienst of vervangende dienst;
b. hij vakantie als bedoeld in artikel 641 lid 3 geniet;
c. hij, met toestemming van de werkgever, deelneemt aan een bijeenkomst die wordt georganiseerd door een vakvereniging waarvan hij lid is;
d. hij, anders dan ten gevolge van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in de leden 2 tot en met 4, tegen zijn wil niet in staat is om de overeengekomen arbeid te verrichten;
e. hij verlof als bedoeld in artikel 643 geniet.
f. hij verlof als bedoeld in hoofdstuk 5, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg geniet.
2. In afwijking van artikel 634 verwerft de vrouwelijke werknemer die wegens zwangerschap of
bevalling niet gedurende een geheel jaar aanspraak op loon verwerft, over de volledige
overeengekomen arbeidsduur aanspraak op vakantie over het tijdvak dat zij recht heeft op een
uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg.
3. In afwijking van artikel 634 verwerft de werknemer die wegens adoptieverlof of verlof voor het opnemen van een pleegkind niet gedurende een geheel jaar aanspraak op loon verwerft, over de volledige overeengekomen arbeidsduur aanspraak op vakantie over het tijdvak dat hij recht heeft op een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg.
4. In afwijking van artikel 634 verwerft de werknemer die de bedongen arbeid niet verricht wegens ziekte, ongeacht of hij aanspraak heeft op loon, aanspraak op vakantie over het tijdvak van de laatste zes maanden waarin de arbeid niet werd verricht, met dien verstande dat tijdvakken worden samengesteld als zij elkaar met een onderbreking van minder dan een maand opvolgen. De werknemer die de bedongen arbeid slechts voor een gedeelte van de overeengekomen arbeidsduur niet verricht wegens ziekte, verwerft slechts aanspraak op vakantie die een evenredig gedeelte bedraagt van datgene waarop hij recht zou hebben gehad als hij gedurende de volledige arbeidsduur arbeid zou hebben verricht. Indien de ziekte door opzet van de werknemer is ontstaan of het gevolg is van een gebrek waarover hij in het kader van een aanstellingskeuring opzettelijk valse inlichtingen heeft gegeven, verwerft de werknemer evenmin aanspraak op vakantie. De werknemer heeft evenmin aanspraak op vakantie voor de tijd gedurende welke hij door zijn toedoen zijn genezing belemmert of vertraagt dan wel hij, hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 4 voor de werkgever of voor een door de werkgever met toestemming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aangewezen derde, waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt, niet verricht dan wel hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door de werkgever of door een door hem aangewezen deskundigen gegeven redelijke voorschriften en getroffen maatregelen die er op gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid te verrichten..
5. De jeugdige werknemer verwerft aanspraak op vakantie over de tijd die hij besteedt aan het volgen van het onderricht waartoe hij krachtens de wet door de werkgever in de gelegenheid moet worden gesteld.
6. Indien een aanspraak op vakantie is verworven die het in artikel 634 bedoelde minimum te  boven gaat, kan voorzover die aanspraak dat minimum te boven gaat, bij schriftelijke overeenkomst van de leden 1 tot en met 4 worden afgeweken ten nadele van de werknemer.

Artikel 7:652 BW Proeftijd
Leden 1 t/m 5.
1. Indien partijen een proeftijd overeenkomen, is deze voor beide partijen gelijk.
2. De proeftijd wordt schriftelijk overeengekomen.
3. Bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd kan een proeftijd worden overeengekomen van ten hoogste twee maanden.
4. Bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan een proeftijd worden overeengekomen van ten hoogste:
a. één maand, indien de overeenkomst is aangegaan voor korter dan twee jaren;
b. twee maanden, indien de overeenkomst is aangegaan voor twee jaren of langer.
5. Indien het einde van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet op een kalenderdatum is gesteld, kan een proeftijd worden overeengekomen van ten hoogste één maand.

Artikel 7:668 BW Voortzetting arbeidsovereenkomst
1. Indien de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de tijd, bedoeld in artikel 667 lid 1, door partijen zonder tegenspraak wordt voortgezet, wordt zij geacht voor dezelfde tijd, doch telkens ten hoogste voor een jaar, op de vroegere voorwaarden wederom te zijn aangegaan.
2. Hetzelfde geldt, wanneer in de gevallen waarin opzegging nodig is, tijdige opzegging achterwege blijft en de gevolgen van de voortzetting der arbeidsovereenkomst niet opzettelijk zijn geregeld.

Artikel 7:668a BW Arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die overgaan in onbepaalde tijd Leden 1, 2 en 3.
1. Vanaf de dag dat tussen dezelfde partijen:
a. arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen van niet meer dan 3 maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden, geldt met ingang van die dag de laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd;
b. meer dan 3 voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 3 maanden, geldt de laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd.
2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten tussen een werknemer en verschillende werkgevers, die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden elkanders opvolger te zijn.
3. Lid 1, onderdeel a en laatste zinsnede, is niet van toepassing op een arbeidsovereenkomst aangegaan voor niet meer dan 3 maanden die onmiddellijk volgt op een tussen dezelfde partijen aangegane arbeidsovereenkomst voor 36 maanden of langer.

Artikel 7:678 BW Dringende reden werkgever
1. Voor de werkgever worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 677 beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
2. Dringende redenen zullen onder andere aanwezig geacht kunnen worden:
a. wanneer de werknemer bij het sluiten van de overeenkomst de werkgever heeft misleid door het vertonen van of valse of vervalste getuigschriften, of deze opzettelijk valse inlichtingen heeft gegeven omtrent de wijze waarop zijn vorige arbeidsovereenkomst is geëindigd;
b. wanneer hij in ernstige mate de bekwaamheid of geschiktheid blijkt te missen tot de arbeid waarvoor hij zich heeft verbonden;
c. wanneer hij zich ondanks waarschuwing overgeeft aan dronkenschap of ander liederlijk gedrag;
d. wanneer hij zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering, bedrog of andere misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt;
e. wanneer hij de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn medewerknemers mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt;
f. wanneer hij de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn medewerknemers verleidt of tracht te verleiden tot handelingen, strijdig met de wetten of de goede zeden;
g. wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, eigendom van de werkgever beschadigt of aan ernstig gevaar blootstelt;
h. wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, zich zelf of anderen aan ernstig gevaar blootstelt;
i. wanneer hij bijzonderheden aangaande de huishouding of het bedrijf van de werkgever, die hij behoorde geheim te houden, bekendmaakt;
j. wanneer hij hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten, hem door of namens de werkgever verstrekt;
k. wanneer hij op andere wijze grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt;
l. wanneer hij door opzet of roekeloosheid buiten staat geraakt of blijft de bedongen arbeid te verrichten.
3. Bedingen waarbij aan de werkgever de beslissing wordt overgelaten of er een dringende reden in de zin van artikel 677 lid 1 aanwezig is, zijn nietig.

Artikel 7:679 BW Dringende reden werknemer
1. Voor de werknemer worden als dringende redenen in de zin van artikel 677 lid 1 beschouwd zodanige omstandigheden, die ten gevolge hebben dat van de werknemer redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
2. Dringende redenen zullen onder andere aanwezig geacht kunnen worden:
a. wanneer de werkgever de werknemer, diens familieleden of huisgenoten mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt, of gedoogt dat dergelijke handelingen door een van huisgenoten of ondergeschikten worden gepleegd;
b. wanneer hij de werknemer, of diens familieleden of huisgenoten verleidt of tracht te verleiden tot handelingen, strijdig met de wetten of de goede zeden, of gedoogt dat een dergelijke verleiding of poging tot verleiding door een van zijn huisgenoten of ondergeschikten worden gepleegd;
c. wanneer hij het loon niet op de daarvoor bepaalde tijd voldoet;
d. wanneer hij, waar kost en inwoning overeengekomen zijn, niet op behoorlijke wijze daarin voorziet;
e. wanneer hij de werknemer wiens loon afhankelijk van de uitkomsten van de te verrichten arbeid is vastgesteld, geen voldoende arbeid verschaft;
f. wanneer hij de werknemer wiens loon afhankelijk van de uitkomsten van de te verrichten arbeid is vastgesteld, de bedongen hulp niet of niet in behoorlijke mate verschaft;
g. wanneer hij op andere wijze grovelijk de plichten veronachtzaamt welke de arbeidsovereenkomst hem oplegt;
h. wanneer hij, zonder dat de aard van de arbeidsovereenkomst dit medebrengt, de werknemer niettegenstaande diens weigering gelast arbeid in het bedrijf van een andere werkgever te verrichten;
i. wanneer de voortduring van de arbeidsovereenkomst voor de werknemer zou zijn verbonden met ernstige gevaren voor leven, gezondheid, zedelijkheid of goede naam, die niet duidelijk waren ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst;
j. wanneer de werknemer door ziekte of andere oorzaken zonder zijn toedoen buiten staat geraakt de bedongen arbeid te verrichten.
3. Bedingen waarbij aan de werknemer de beslissing wordt overgelaten of er een dringende reden in de zin van artikel 677 lid 1 aanwezig is, zijn nietig.

Artikel 6 BBA Toestemming Centrale organisatie werk en inkomen
Lid 1 en 2.
1. De werkgever behoeft voor de opzegging van de arbeidsverhouding voorafgaande toestemming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
2. De werkgever behoeft deze toestemming niet:
a. indien de opzegging onverwijld geschiedt om een dringende reden, onder gelijktijdige mededeling van die reden aan de werknemer;
b. tijdens de proeftijd;
c. indien de opzegging geschiedt ten gevolge van faillissement van de werkgever of toepassing ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen.

Artikel 5:6 Arbeidstijdenwet Arbeid op zondag
1. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer op zondag geen arbeid verricht, behalve voor zover dat uit de aard van de arbeid voortvloeit en het tegendeel is bedongen.
2. Indien de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken, kan van het eerste lid worden afgeweken, indien de werkgever daartoe overeenstemming heeft bereikt met het medezeggenschapsorgaan of, bij het ontbreken daarvan, met de belanghebbende werknemers. De werknemer verricht in de omstandigheden, bedoeld in de vorige zin, uitsluitend arbeid op zondag, indien hij daarmee voor dat geval instemt.
3. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer op ten minste 13 zondagen in elke periode van 52 aaneengesloten weken geen arbeid verricht.
4. Bij collectieve regeling kan van het derde lid worden afgeweken, met inachtneming van:
a. het eerste lid, of
b. het tweede lid.
Bij toepassing van de aanhef en onderdeel a van de vorige zin, verricht de werknemer uitsluitend op 40 of meer zondagen in elke periode van 52 aaneengesloten weken arbeid, indien hij daarmee voor dat geval instemt. Elk beding, waarbij op een nadere wijze dan in dit lid is bepaald, wordt afgeweken van het derde lid, is nietig.

BIJLAGE V WET ARBEID EN ZORG
Hieronder volgt een beknopte uitwerking van de wettekst per onderdeel. De oorspronkelijke wettekst geldt, tenzij sociale partners gebruik hebben gemaakt van hun recht om afwijkende afspraken te maken.
Zwangerschaps- en bevallingsverlof
1. Voor de werkneemster bestaat recht op zwangerschapsverlof, vanaf 6 weken voor de dag na de vermoedelijke datum van haar bevalling tot en met de dag van de bevalling. Het zwangerschapsverlof gaat in uiterlijk 4 weken voor de dag na de vermoedelijke datum van bevalling. De vermoedelijke datum van bevalling dient aan de werkgever te worden aangetoond middels een schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige.
2. Voor de werkneemster gaat het recht op bevallingsverlof in op de dag na haar bevalling en bedraagt 10 aaneengesloten weken of zoveel meer als het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof minder dan 6 weken heeft bedragen.
3. Het recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof is onbetaald. Wel bestaat recht op een uitkering welke dient te worden aangevraagd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
4. Voor toepassing van het tweede lid worden dagen waarover de werkneemster op grond van artikel 29a, lid 2, van de Ziektewet ziekengeld heeft genoten in de periode dat zij recht heeft op zwangerschapsverlof, maar dat verlof nog niet is ingegaan, aangemerkt als dagen waarover zij zwangerschapsverlof heeft genoten.
5. De werkneemster dient uiterlijk 3 weken voor de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof aan de werkgever te melden wanneer zij dit verlof wil laten ingaan.
6. Uiterlijk op de tweede dag na de bevalling dient de werkneemster haar bevalling aan de werkgever te (laten) melden.
7. Zoals geregeld in het Burgerlijk Wetboek gaat de opbouw van vakantiedagen tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof volledig door.

Adoptieverlof
1. De werknemer heeft in verband met de adoptie van een kind recht op maximaal 4 weken verlof zonder behoud van loon.
2. Het verlof dient te worden opgenomen binnen een tijdvak van 18 weken. Dit tijdvak vangt aan 2 weken voordat de feitelijke opneming ter adoptie heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden.
3. Het recht op adoptieverlof is onbetaald. Wel bestaat recht op een uitkering welke dient te worden aangevraagd bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
4. De werknemer dient de werkgever een document te verstrekken waaruit blijkt dat een kind ter adoptie is of zal worden opgenomen.
5. Indien tegelijkertijd 2 of meer kinderen ter adoptie worden opgenomen, geldt het recht op verlof slechts eenmaal.
6. De werknemer meldt zo mogelijk uiterlijk 3 weken voor de ingang van het verlof dat hij adoptieverlof opneemt onder vermelding van de ingangsdatum en de duur van het verlof.
7. Dit artikel is ook van toepassing op werknemers die duurzaam de zorg en opvoeding voor een pleegkind op zich nemen. Bedoeld wordt een pleegkind dat blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als de werknemer en door hem in diens gezin duurzaam wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de jeugdhulpverlening.

Kraamverlof
1. De heeft de werknemer na de bevalling van de echtgenote, de geregistreerde partner, de persoon met wie hij ongehuwd samenwoont of degene van wie hij het kind erkent, heeft de werknemer recht op 2 dagen verlof met behoud van loon (zie voor afwijking artikel 53 van deze cao). 2. Het verlof dient te worden opgenomen binnen de eerste 4 weken dat het kind feitelijk op hetzelfde adres als de werknemer woont.
3. De werknemer dient het opnemen van dit verlof zo mogelijk vooraf aan de werkgever te melden onder opgave van de reden.
4. De werkgever kan achteraf van de werknemer verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij recht had op kraamverlof.
5. Indien de werknemer tijdens dit verlof een uitkering krijgt uit een (wettelijke) verzekering of een fonds dat uit de arbeidsovereenkomst voortvloeit, kan de werkgever het loon verminderen met het bedrag van de uitkering.
6. De werkgever kan het loon verminderen met door de werkgever vergoede onkosten als de werknemer deze heeft bespaard door het niet verrichten van zijn arbeid.

Kortdurend zorgverlof
1. De werknemer heeft recht op verlof voor de noodzakelijke verzorging in verband met ziekte van een persoon als bedoeld in het tweede lid.
2. Onder een persoon als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:
a. de echtgeno(o)t(e), de geregistreerde partner of de persoon met wie de werknemer ongehuwd samenwoont;
b. een inwonend kind tot wie de werknemer als ouder in een familierechtelijke betrekking staat;
c. een inwonend kind van de echtgeno(o)t(e), de geregistreerde partner of de persoon met wie de werknemer ongehuwd samenwoont;
d. een pleegkind dat blijkens de verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als de werknemer en door hem in diens gezin duurzaam wordt verzorgd en opgevoed op basis van een pleegcontract als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de jeugdhulpverlening;
e. een bloedverwant in de eerste graad, niet zijnde een kind.
3. Het verlof bedraagt in elke periode van 12 achtereenvolgende maanden ten hoogste 2 maal de
arbeidsduur per week.
4. Voorzover het loon niet meer bedraagt dan het bedrag, bedoeld in artikel 17 eerste lid van de Wet financiering Sociale Verzekeringen met betrekking tot een loontijdvak van een dag, behoudt de werknemer, gedurende het verlof recht op 70% van het loon, maar ten minste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon.
5. De werkgever kan het verlof weigeren als hij een zodanig zwaarwegend bedrijfsbelang heeft dat het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. De werkgever dient dit dan terstond aan de werknemer kenbaar te maken.
6. De werknemer meldt het opnemen van dit verlof zo mogelijk vooraf aan de werkgever onder opgave van de reden. Is dit vooraf niet mogelijk, dan dient hij dat zo spoedig mogelijk alsnog te doen. De werknemer moet daarbij tevens aangeven: de omvang, de wijze van opneming en de vermoedelijke duur van het verlof.
7. De werkgever kan achteraf van de werknemer verlangen dat hij aannemelijk maakt dat hij zijn arbeid niet heeft verricht vanwege de noodzakelijke verzorging van een persoon als bedoeld in lid 2. 8. Indien de werknemer tijdens dit verlof een uitkering krijgt uit een (wettelijke) verzekering of een fonds dat uit de arbeidsovereenkomst voortvloeit, kan de werkgever het loon verminderen met het bedrag van de uitkering.
9. De werkgever kan het loon verminderen met door de werkgever vergoede onkosten als de werknemer deze heeft bespaard door het niet verrichten van zijn arbeid.
 
Langdurend zorgverlof
Met ingang van 1 juni 2005 krijgen werknemers het wettelijk recht onbetaald verlof op te nemen om te zorgen voor een levensbedreigend ziek partner, kind of ouder. De totale duur van dit zorgverlof is maximaal 6 keer de wekelijkse arbeidsduur in een periode van 12 achtereenvolgende maanden, bij voorkeur op te nemen in deeltijd. De werkgever kan vanwege zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang dit recht weigeren.

Ouderschapsverlof

1. Een werknemer heeft recht op onbetaald ouderschapsverlof voor een eigen kind of een kind dat bij hem woont en waarvoor hij duurzaam de zorg op zich heeft genomen. Dit recht bestaat totdat het kind de leeftijd van 8 jaar heeft bereikt.
2. Ingeval van de geboorte van een meerling of bij adoptie van meerdere kinderen tegelijk bestaat het recht voor ieder van die kinderen. In alle andere gevallen dat de werknemer met ingang van hetzelfde tijdstip de verzorging van meerdere kinderen op zich neemt, bestaat er slechts recht op één keer verlof.
3. Het aantal uren verlof waarop de werknemer ten hoogste recht heeft bedraagt 13 maal de arbeidsduur per week.
4. Het verlof wordt per week opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste 6 maanden.
5. Het aantal uren verlof per week bedraagt ten hoogste de helft van de arbeidsduur per week.
6. In afwijking van lid 4 en 5 kan de werknemer de werkgever verzoeken om:
a. verlof voor een langere periode van 6 maanden, of
b. het verlof op te delen in ten hoogste 3 perioden, waarbij iedere periode ten minste een maand bedraagt, of
c. meer uren verlof per week dan de helft van de arbeidsduur per week.
7. De werkgever kan het verzoek van de werknemer, bedoeld in lid 6, afwijzen indien een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zich hiertegen verzet.
8. Als de werknemer het ouderschapsverlof heeft opgesplitst in 2 of 3 perioden en de arbeidsverhouding wordt beëindigd voordat het verlof is genoten, heeft de werknemer tegenover een nieuwe werkgever aanspraak op het resterende deel van het verlof.
9. Het recht op verlof bestaat pas als de werknemer een jaar in dienst is bij de werkgever.
10. De werknemer moet het opnemen van het verlof ten minste 2 maanden voor ingang van het verlof schriftelijk aan de werkgever melden. Hij dient hierbij aan te geven: de periode, het aantal uren verlof per week (of ander tijdvak) en de spreiding van deze uren.
11. De tijdstippen van ingang en einde van het verlof kunnen afhankelijk worden gesteld van de datum van de bevalling, het einde van het bevallingsverlof of van de aanvang van de verzorging.
12. De werkgever kan het ouderschapsverlof niet wijzigen. Wel heeft hij de mogelijkheid om, na overleg met de werknemer, de voorgestelde spreiding van de uren over de week (of ander tijdvak) te wijzigen als hij daarvoor een zwaarwegend bedrijfsbelang kan aanvoeren. De wijziging moet uiterlijk 4 weken voor de ingang van het verlof aan de werknemer worden meegedeeld.
13. Als een werknemer terugkomt op zijn verzoek om ouderschapsverlof op te nemen of de werknemer tussentijds het verlof wil beëindigen op grond van onvoorziene omstandigheden, dan mag de werkgever dit weigeren als een zwaarwegend bedrijfsbelang zich verzet tegen de inwilliging van het verzoek. Indien een dergelijk verzoek wel kan worden ingewilligd hoeft dit niet eerder te gebeuren dan 4 weken nadat het verzoek is gedaan. Het resterende gedeelte van het verlof komt dan te vervallen. Indien gebruik gemaakt is van de mogelijkheid om het ouderschapsverlof in maximaal 3 perioden op te splitsen, dan gelden deze bepalingen ten aanzien van elk van deze perioden.

 

BIJLAGE VI OVERZICHT NORMEN ARBEIDSTIJDENWET VOOR WERKNEMERS VAN 18 JAAR EN OUDER
Normen: werknemers van 18 jaar en ouder Regeling

Minimumrusttijden
Wekelijkse onafgebroken rusttijd: Hetzij 36 uur per periode van 7 × 24 uur. hetzij een totaal aan wekelijkse rusttijden van 72 uur per periode van 14 × 24 uur, waarbij als wekelijkse rusttijd wordt aangemerkt iedere aaneengesloten periode van minimaal 32 uur waarin geen arbeid wordt verricht. Dagelijkse onafgebroken rusttijd: 11 uur per 24 uur (1 × per periode van 7 × 24 in te korten tot 8
uur)

Zondagsarbeid
Arbeidsverbod: Op zondag wordt geen arbeid verricht, tenzij …
Uitzondering 1 op arbeidsverbod: Tenzij het tegendeel is bedongen en uit de aard van de arbeid
voortvloeit.
Uitzondering 2 op arbeidsverbod: Tenzij de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken;
hierover moet de werkgever overeenstemming hebben bereikt met het medezeggenschapsorgaan (of bij het ontbreken daarvan met de belanghebbende medewerkers), en de individuele
werknemer moet met de zondagsarbeid hebben ingestemd.
Zondagsbepaling: In geval van arbeid op zondag ten minste 13 vrije zondagen per 52 weken.
Afwijkingsmogelijkheid: Bij collectieve regeling is het mogelijk om af te wijken van het aantal vrije zondagen per 52 weken, de werknemer verricht uitsluitend arbeid op 40 of meer zondagen per 52 weken indien de betrokken medewerker voor dat geval heeft ingestemd.

Maximumarbeidstijden
Arbeidstijd per dienst: 12 uur
Arbeidstijd per week: 60 uur
Arbeidstijd per 4 weken: Gemiddeld 55 uur per week
Arbeidstijd per 16 weken: Gemiddeld 48 uur per week
Afwijkingsmogelijkheid: Bij collectieve regeling kan afgeweken worden van de 4 weken norm.

Aanvullende regels indien er sprake is van nachtdiensten (meer dan 1 uur arbeid tussen 00:00 uur en 06:00 uur)

Minimumrust na een nachtdienst die eindigt na 02.00 uur: 14 uur (1 × per 7 × 24 uur in te korten tot 8 uur)

Functie
Hoveniers
Groenvoor-
Boomver-
Interieur-
Golfbanen
Diversen
groep/
 
zieners
zorgers
beplanters
 
 
ORBA-
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
score
 
 
 
 
 
 
00-39,5
Medewerker
Medewerker
 
Medewerker
Medewerker
 
1
 
 
 
 
 
 
40-59,5
Assistent
Assistent
Assistent
 
 
Machinist
2
Hovenier
Groen-
Boom-
 
 
 
 
 
Voorziening
verzorger
 
 
 
60-79,5
Hovenier
Groen-
Boom-
Service-
 
 
3
 
Voorziener
verzorger
mede-
 
 
 
 
 
 
werker
 
 
 
 
 
 
Interieur-
 
 
 
 
 
 
beplanting
 
 
80-99,5
Hovenier A
Groen-
 
 
Green-
Machinist A
4
 
voorziener A
 
 
keeper
 
100-119,5
Allround
Voorman/
Allround
Teamleider
 
Machinist/
5
Hovenier
Wijk-
Boom-
Interieur-
 
Voorman
 
Voorman
Beheerder
verzorger
beplanting
 
Monteur
 
 
 
 
 
120-139,5
Voorman A
Voorman A
Voorman A
 
Hoofd
 
6
 
 
 
 
Green-
 
 
 
 
 
 
keeper
 

 

BIJLAGE VIII PROCEDURE VAN BEZWAAR EN BEROEP IN HET KADER VAN DE
FUNCTIEWAARDERING


Een medewerker heeft het recht om bezwaar en beroep aan te tekenen tegen het door de werkgever genomen indelingsbesluit.
Bezwaar en beroep zijn mogelijk als de werknemer van mening is dat zijn functie niet of (bij functiewijziging) niet meer juist is beschreven en ingedeeld.
De hierop betrekking hebbende procedure bestaat uit 2 onderdelen of fasen:
• bezwaarfase (bij de eigen werkgever)
• beroepsfase (bij de geschillencommissie van de CAO)

Bezwaarfase:
Voordat een werknemer bezwaar aantekent, dient hij eerst in goed overleg met zijn werkgever te trachten tot een oplossing van het geschil te komen. De werknemer moet zijn bezwaar binnen 30 dagen na bekendmaking van het indelingsbesluit schriftelijk indienen bij de werkgever. Op zijn beurt moet de werkgever binnen 30 dagen na ontvangst van het bezwaar, schriftelijk uitspraak doen of de oorspronkelijk indeling wordt gehandhaafd of gewijzigd.
Als de werkgever niet binnen de termijn van 30 dagen uitspraak doet, mag de werknemer dit opvatten als een afwijzing. Dit geeft de werknemer dan het recht om gebruik te maken van de beroepsfase.

Beroepsfase:
Als de bezwaarfase voor de werknemer geen bevredigende oplossing oplevert, kan hij beroep instellen bij de geschillencommissie van de CAO. Deze beroepsmogelijkheid geldt zowel voor georganiseerde als niet georganiseerde werknemers. De stemverhouding tussen werknemers en werkgevers is één op één.
Een beroepschrift moet binnen 15 dagen na de interne behandeling van het ‘bezwaar’ schriftelijk zijn aangemeld bij de geschillencommissie van de CAO. Indien de werkgever niet binnen de in de bezwaarfase genoemde termijn van 30 dagen uitspraak heeft gedaan, moet een beroepschrift binnen 15 dagen na de laatste dag van die termijn zijn aangemeld.
De geschillencommissie van de CAO zal vervolgens aan de indiener van het beroep, en diens werkgever, verzoeken om de volgende stukken:
• de inhoud van de functie waarop het beroep betrekking heeft (ingevuld ORBA-vragenformulier of functieomschrijving, waarin de inhoud van de functie voldoende duidelijk is omschreven, beide voor akkoord ondertekend door zowel functievervuller als werkgever)
• het indelingsformulier waarmee de werkgever het indelingsbesluit aan de werknemer heeft medegedeeld
• de schriftelijke uitspraak van de werkgever uit de bezwaarfase
• een schriftelijke motivering van de werknemer waarom hij beroep aantekent tegen de indeling van zijn functie.
De geschillencommissie van de CAO beoordeelt in hoeverre het voorgelegde beroep ontvankelijk is.
Met andere woorden, heeft het beroep daadwerkelijk betrekking op een indelingsgeschil of spelen er andere zaken die niets met het indelen van de functie te maken hebben?
Als de geschillencommissie van de CAO het beroep in behandeling neemt, laat zij zich bijstaan door functiewaarderingsdeskundigen van werkgevers en werknemersorganisaties. Een unaniem advies van deze deskundigen zal door de geschillencommissie van de CAO, overgenomen worden. De geschillencommissie van de CAO en/of de functiewaarderingsdeskundigen kunnen besluiten om de betrokken partijen bij de behandeling van het beroep uit te nodigen voor een mondelinge toelichting. De geschillencommissie van de CAO doet binnen een termijn van maximaal 3 maanden na ontvangst van het beroep uitspraak. Deze uitspraak is bindend voor betrokken partijen.

 

BIJLAGE IX ADRESSEN, TELEFOON- EN FAXNUMMERS VAN DE ORGANISATIES DIE DE
COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST VOOR HET HOVENIERSBEDRIJF IN
NEDERLAND HEBBEN AFGESLOTEN

Tel.nr. Fax.nr.
Branchevereniging VHG 030-6595550 030-6595655
De Molen 30
3994 DB HOUTEN
Postbus 1010
3990 CA HOUTEN
e-mail: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
www.vhg.org

FNV Bondgenoten 0900-9690
Varrolaan 100
3584 BW UTRECHT
Postbus 9208
3506 GE UTRECHT
Klantenservice email: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
www.fnvbondgenoten.nl

CNV BedrijvenBond 030-7511007
Tiberdreef 4
3561 GG UTRECHT
Postbus 2525
3500 GM Utrecht
e-mail: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
www.cnvbedrijvenbond.nl

BIJLAGE X ADRESSEN- TELEFOON- EN FAXNUMMERS VAN UWV
Tel.nr.
UWV /Belastingdienst
Telefoon:
- Werkgeversvragen 0900-9295
Internet: www.uwv.nl
- Polis en premiezaken 0800-0543
Internet: www.belastingdienst.nl
UWV regiokantoren – adressen via website: www.uwv.nl 0900-9295

Belastingdienst
Bereikbaar via BelastingTelefoon 0800-0543

 

BIJLAGE XI ADRESSEN, TELEFOON- EN FAXNUMMERS VAN ACHMEA VITALE, BPL, SAZAS EN COLLAND ARBEIDSMARKTBELEID
Tel.nr. Fax.nr.
Achmea Vitale (Hoofdkantoor)
Postbus 207
3454 ZL DE MEERN
Rijnzathe 10
3454 PV DE MEERN 0800-1901
Achmea Vitale regiokantoren
Adressen via: www.achmeavitale.nl

BPL pensioen,voorheen GUO Fondsenbeheer (Stivos, Stosas, Suwas-I, Suwas-II)
Postbus 254
2700 AG ZOETERMEER
Louis Braillelaan 100
2719 EK ZOETERMEER 0900-1656565
E-mail: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

Colland Arbeidsmarktbeleid
Postbus 254
2700 AG ZOETERMEER
Louis Braillelaan 100
2719 EK ZOETERMEER 0900-1656565

Colland Bestuursbureau
P/a Actor Bureau voor sectoradvies
Postbus 28
2700 AA ZOETERMEER
Boerhaavelaan 30
2713 HX ZOETERMEER 079-3292030 079-3292031

Sazas
Postbus 747
2700 AS ZOETERMEER
Louis Braillelaan 100
2719 EK ZOETERMEER 0900-1656565
E-mail: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

VISIE
SALARISNIEUWS

Voor en door salarisadministrateurs & HR specialisten.

Salarisadministratie is een kennisintensief en dynamisch vakgebied.
Het up-to-date houden van kennis begint met delen van kennis…

CAO 
SALARISADMINISTRATIE

Zoek gratis in onze Cao's database. Heb je tips of vragen? Reageer of mail!


SALARIS
SOFTWARE

Deel je positieve ervaringen en frustraties.
Geef je mening en advies!

OPLEIDING EN MEER

SALARISADMINISTRATIE 

Jezelf blijven ontwikkelen binnen de salarisadministratie is een must. Opleidingen zoals Praktijkdiploma Loonadministratie (PDL) & Vakopleiding Payroll Services (VPS) . Congressen en vakbladen voor up-to-date informatie.

Salarisnieuws LinkedIn


Salarisnieuws Twitter