Bijlagen bij de CAO voor de Bouwnijverheid 1 juli 2009 tot en met 31 december 2010
Inhoudsopgave
Bijlage 9: Individugericht pakket preventiezorg 168
Bijlage 10: Arbo- en verzuimbeleid 169
Bijlage 11: Protocol veilig aanslaan van lasten 171
Bijlage 12: Werkgelegenheidsbevorderende maatregelen voor doelgroepen 172
Bijlage 13a: Reglement Vrijwillig Vervroegd Uittreden UTA 173
Bijlage 13b: Voorwaarden collectieve excedentregeling 179
Bijlage 13c: VUT-voorwaarden van de op 31 december 1997 geldende VUT-UTA-CAO 180
Bijlage 14: Civieltechnische werkzaamheden 185
Bijlage 15: Toepassing Cao voor de Bouwnijverheid voor uitzendkrachten als bedoeld in artikel 91 187
Bijlage 16: Toepassing Cao voor de Bouwnijverheid voor buitenlandse arbeidskrachten als bedoeld in artikel 92 lid 1 194
Bijlage 17: Reglement plaatselijke en regionale commissies 206
Bijlage 18: Stichting Tijdspaarfonds voor de Bouwnijverheid 209
Bijlage 19: Overzicht weerstations per postcodegebied 218 (zoals bedoeld in artikel 20a lid 3)
Bijlage 20: Reglement Werkingssfeer 220 (zoals bedoeld in artikel 97)
Bijlage 21: Reglement Geschillen 223 (zoals bedoeld in artikel 98)
Bijlage 22: Reglement Dispensatie 226 (zoals bedoeld in artikel 99)
Bijlage 23: Reglement Naleving 228 (zoals bedoeld in artikel 100)
Bijlage 9: Individugericht pakket preventiezorg
Het pakket individugerichte preventiezorg, als bedoeld in artikel 66 lid 2 omvat:
• Een intredekeuring, als bedoeld in artikel 3. De intredekeuring is een functiegericht onderzoek, waarbij zorgvuldige afweging plaatsvindt van de belasting van het werk en de belastbaarheid van de werknemer. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de bouwspecifieke beoordelingsrichtlijnen “Arbeidsgeschiktheid” van de Stichting Arbouw.
• Het Arbeids Gezondheidskundig Onderzoek voor Jongeren op vrijwillige basis, een jaar na intrede in de bedrijfstak, waarbij de afweging tussen de belasting van het werk en de belastbaarheid van de werknemer zal plaatsvinden en de werknemer een gericht advies krijgt met betrekking tot een gezonde en veilige invulling van de functie.
• Het Periodiek Arbeids Gezondheidskundig Onderzoek (PAGO). Dit PAGO vangt aan op de leeftijd van 16 jaar en vervolgens voor bouwplaatswerknemers op de leeftijden 20, 24, 28, 32, 36, 40, 42, 44, 46, 48, 50, 52, 54, 56, 58 en 60 en 62 jaar; daarna individueel op indicatie, en voor UTA-werknemers op de leeftijden 20, 24, 28, 32, 36, 40, 44, 48, 52,
54, 56, 58 en 60 en 62 jaar; daarna individueel op indicatie.
• Een Arbo-spreekuur, dat de werknemer spontaan kan bezoeken.
• Werknemers steigerbouw zullen jaarlijks een arbokeuring ondergaan van de arbodienst.
• Vervolgactiviteiten, voorzover de hiervoor genoemde activiteiten daartoe aanleiding geven.
De activiteiten in het kader van het individugerichte pakket preventiezorg worden uitgevoerd door gecertificeerde arbodiensten die voldoen aan door de Stichting Arbouw vastgestelde kwaliteitseisen. De arbodiensten zijn verplicht de door hen verzamelde werknemersgegevens door te geven aan de Stichting Arbouw op een wijze die door de Stichting Arbouw is voorgeschreven. Voornoemde activiteiten worden door de Stichting Arbouw aan de arbodienst vergoed op
basis van contractuele afspraken.
De werknemer heeft - in aanvulling op het PAGO - in de hieronder genoemde beroepen en/of werkzaamheden recht op een Gericht Periodiek Onderzoek (GPO):
• machinisten van torenkraan, mobiele kraan of heistelling: elke twee jaar of frequenter op indicatie. Vanaf het 40e levensjaar kan met de uitvoering van dit GPO als onderdeel van het PAGO worden volstaan;
• werknemers, die werkzaam zijn op terreinen van de chemische industrie dan wel werken in of met verontreinigde grond en verontreinigd (grond)water: elk jaar;
• werknemers die hun werk doen met behulp van persluchtapparatuur: tot 50e levensjaar eens per twee jaar, daarna elk jaar;
• werknemers die werken met asbest: voor aanvang van het werk waarbij blootstelling aan asbest boven het actieniveau mogelijk is, daarna tot 40e levensjaar eens per twee jaar. Vanaf het 40e levensjaar kan met de uitvoering van dit GPO als onderdeel van het PAGO worden volstaan.
• werknemers die werken met overdruk: vóór aanvang werkzaamheden en verder jaarlijks.
• bouwwerknemers in de offshore: tot 40e levensjaar eens per twee jaar, daarna elk jaar.
Het GPO wordt met de extra frequentie in aanvulling op het PAGO uitgevoerd. Daarbij kan de werknemer op de PAGO-gerechtigde leeftijden op normale wijze van het PAGO gebruik maken.
Vanaf 1 januari 2000 dient de werkgever (voor zover het GPO niet met het PAGO kan worden gecombineerd) zelf afspraken met de arbodienst te maken en de kosten daarvoor ook zelf te dragen. Hierbij geldt de voorwaarde dat de arbodienst een samenwerkingsovereenkomst met de Stichting Arbouw heeft en het GPO overeenkomstig de door de Stichting Arbouw vastgestelde uitvoeringsprotocollen uitvoert.
Bijlage 10: Arbo- en verzuimbeleid
Arbo- en verzuimbeleid in de onderneming
1. Doel
• Het bevorderen en beschermen van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers in verband met de arbeid als integraal onderdeel van het bedrijfsbeleid.
• Het terugdringen van het ziekteverzuim, met name door preventieve maatregelen.
2. Basis
• Het arbo- en verzuimbeleid in de onderneming wordt vastgesteld op basis van een deugdelijke en op schrift gestelde inventarisatie en evaluatie van alle gevaren die de arbeid voor de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van de werknemers met zich brengt, alsmede een analyse van op ziekte en ongevallen betrekking hebbende verzuimgegevens binnen het bedrijf.
3. Arbobeleid
3.1 De preventiemedewerker
Er worden één of meer preventiemedewerkers aangesteld voor de ondersteuning bij;
• de uitvoering van de risico-inventarisatie en -evaluatie;
• de advisering aan en nauwe samenwerking met de ondernemingsraad, personeelsvertegenwoordiging of belanghebbende werknemers over genomen of te nemen maatregelen ter verbetering van de arbeidsomstandigheden;
• de (medewerking aan de) uitvoering van deze maatregelen.
De preventiemedewerker heeft voldoende deskundigheid, ervaring en uitrusting om aan zijn taken invulling te geven en voldoet ten minste aan het competentieprofiel dat deel uitmaakt van het digitale, door partijen bij deze cao vastgestelde RI&E-instrument MKB.
3.2 Organisatie van de arbodienstverlening
Het is mogelijk de ondersteuning voor de wettelijk verplichte toetsing van de risico-inventarisatie en -evaluatie en de begeleiding van zieke werknemers binnen of buiten het bedrijf te laten uitvoeren door gecertificeerde deskundigen, niet werkzaam bij een arbodienst. Hiervoor dient dan wel schriftelijk overeenstemming te zijn bereikt met de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging.
Het individugerichte pakket preventiezorg, waaronder het periodiek arbeidsgezondheidskundige onderzoek en het arbospreekuur (zie bijlage 9), wordt uitsluitend uitgevoerd door gecertificeerde arbodiensten die voldoen aan de door de Stichting Arbouw gestelde kwaliteitseisen (zie www.arbouw.nl).
3.3 Toetsing van de Risico-inventarisatie en -evaluatie
Werkgevers die voor minder dan 40 uur per week werk laten verrichten hoeven de risico-inventarisatie en -evaluatie niet te laten toetsen. Dit geldt ook voor werkgevers die minder dan 26 werknemers in dienst hebben. Voorwaarde is dan wel, dat voor de risico-inventarisatie en -evaluatie gebruik is gemaakt van de RI&E MKB, de ABRIE-Bouw, de Arbocheck B&U of GWW of een ander door de Stichting Arbouw ontwikkeld model dat door partijen bij deze cao is goedgekeurd en geregistreerd bij www.rie.nl.
Naast de maatregelen die zullen worden getroffen ter voorkoming c.q. reducering van de in de risico-inventarisatie en -evaluatie gesignaleerde gevaren maken de volgende onderdelen deel uit van het Plan van Aanpak:
• De vastlegging van te ontwikkelen activiteiten ter bevordering van de veiligheid en ter bescherming van de gezondheid in de vorm van te treffen maatregelen van technische aard en/of organisatorische aard of indien dit niet tot de mogelijkheden behoort, het aanwenden van persoonlijke beschermingsmiddelen;
• De wijze waarop de introductie, voorlichting en onderricht is georganiseerd van in dienst zijnde en nieuwe werknemers met betrekking tot het veilig en gezond uitvoeren van de werkzaamheden, met speciale aandacht voor de doelmatige begeleiding van jeugdige werknemers;
• De wijze waarop voorzieningen zijn getroffen opdat werknemers in het bedrijf gebruik kunnen maken van het door partijen vastgestelde, op het individugerichte pakket preventiezorg.
Bijlage 11: Protocol veilig aanslaan van lasten
Partijen bij de Cao voor de Bouwnijverheid erkennen gezamenlijk het belang dat bij het aanslaan van lasten goed geïnstrueerd personeel van belang is voor een veilig en optimaal verloop van de hijswerkzaamheden.
Daartoe zullen de volgende maatregelen worden genomen.
1. In kaart brengen van alle beroepsgroepen in de bouwnijverheid, waarvan redelijkerwijs te verwachten valt dat zij tijdens werkzaamheden zelf betrokken kunnen raken bij het aanslaan van lasten.
2. Voor de onder 1 geïnventariseerde beroepsgroepen dient op zo kort mogelijke termijn standaard in de vakopleiding de module “Aanslaan van lasten” te worden opgenomen, zoals deze door Fundeon is ontwikkeld.
3. Voor de huidige groep werkenden wordt nadrukkelijk invulling gegeven aan het begrip ‘bevorderen’, zoals genoemd in artikel 70a lid 19 van de Cao voor de Bouwnijverheid.
Hiertoe worden de volgende acties ondernomen:
a. De door de bedrijfstak ingestelde arbovoorlichters zullen actief gaan voorlichten over dit onderwerp;
b. In de beroepsrisicoprofielen zal bij de onder 1. geïnventariseerde beroepen het aanslaan van lasten worden toegevoegd;
c. Er zal een toolboxmeeting worden opgesteld over dit onderwerp, die aan het bedrijfsleven ter beschikking zal worden gesteld;
d. Onderzocht zal worden of aansluiting kan worden verkregen bij het project “Versterking Arbeidsveiligheid” van het Ministerie van SZW. Dit mede met het oog op mogelijke cofinanciering in de vorm van subsidies.
Bijlage 12: Werkgelegenheidsbevorderende maatregelen voor doelgroepen
Partijen bij deze cao zijn een aantal stimuleringsmaatregelen overeengekomen om de instroom van doelgroepen in de beroepsopleiding te verhogen. Tot de doelgroepen behoren:
• langdurig werklozen (langer dan 6 maanden werkloos)
• vrouwen
• allochtonen*
• schoolverlaters die langdurig werkloos zijn
Partijen hebben drie maatregelen afgesproken, waarvan de uitvoering is opgedragen aan Fundeon:
1. Stimuleren van de instroom van doelgroepers (instroompremie)
Na succesvolle afronding van een voorschakeltraject hebben deelnemers recht op deelname aan de basisberoepsopleiding (BBL 2) bij het samenwerkingsverband. Bovendien hebben alle doelgroepers die een voorschakeltraject c.q. een BBL 1- opleiding hebben gevolgd en aansluitend instromen in de basisberoepsopleiding recht op bedrag ineens van € 90,- voor elke maand dat het voorschakeltraject heeft geduurd, met een maximum van € 450,-. Dit bedrag komt ten laste van het Aanvullingsfonds WW.
2. Vergoeding toeleiding dienstverband
Een samenwerkingsverband heeft recht op een vergoeding uit het O&O-fonds voor toeleidingsactiviteiten van leerlingwerknemers uit de doelgroep naar een dienstverband bij een individueel bouwbedrijf. Het doel van deze maatregel is samenwerkingsverbanden in de gelegenheid te stellen leerlingen uit doelgroepen extra begeleiding te geven, met name na de afgeronde beroepsopleiding, wanneer hij of zij werkzaam is bij een individuele werkgever. Hiervoor is een bedrag beschikbaar van € 90- per maand dat het dienstverband na afronding van de BBL 1- of BBL 2-
opleiding duurt, met een maximum van € 1.080. Per leerlingwerknemer is slechts éénmaal subsidie verkrijgbaar.
3. Instroom via een extern gesubsidieerd werkgelegenheidsproject
Per werknemer die via een extern gesubsidieerd werkgelegenheidsproject instroomt, kan een bedrijfstakbijdrage worden verstrekt. Deze bijdrage dient voor instroom in de bedrijfstak aangevraagd te worden. Toekenning van de bijdrage is ter beoordeling van het bestuur Fundeon. Voor toekenning van de bijdrage geldt de eis dat maximaal gebruik gemaakt wordt van de bestaande opleidingsinfrastructuur van de bedrijfstak. Hiermee wordt beoogd de samenwerking tussen samenwerkingsverbanden en individuele leerbedrijven enerzijds en werkgelegenheidsprojecten
anderzijds te stimuleren. Daarvoor is een subsidiebedrag van € 2.850,- beschikbaar per werknemer die na het werkgelegenheidsproject de oriëntatie- en introductieperiode (eerste dertien weken van de BBL 1 of 2) heeft doorlopen. Dit geldt zowel voor samenwerkingsverbanden als individuele (erkende) leerbedrijven.
Fundeon informeert partijen jaarlijks over de voortgang en eventuele knelpunten.
* Onder “allochtonen” wordt verstaan leerlingen uit onderstaande culturele minderheden:
• Leerlingen van wie beide ouders of voogden afkomstig zijn uit Griekenland, Italië, Kroatië, Slovenië, Bosnië-Herzegovina en overig voormalig Joegoslavië, Kaap Verdië, Marokko, Portugal, Spanje, Tunesië en Turkije dan wel wier ouders beide de desbetreffende nationaliteit hebben.
• Leerlingen die behoren tot de Molukse en Indonesische bevolkingsgroep.
• Leerlingen die behoren tot de Surinaamse, Antilliaanse of Arubaanse bevolkingsgroep.
• Leerlingen die behoren tot de zigeuners of woonwagenbewoners.
• Anderstalige leerlingen, afkomstig uit een land buiten Europa, die het voortgezet onderwijs niet geheel (minder dan vier schooljaren) in Nederland hebben gevolgd.
• Leerlingen, afkomstig uit de Oost-Europese landen - met uitzondering van de leerlingen afkomstig uit de voormalige DDR - voor zover deze leerlingen nog geen twee schooljaren onderwijs in Nederland hebben gevolgd.
Bijlage 13a: Reglement Vrijwillig Vervroegd Uittreden UTA
Artikel 1 - Definities
In dit reglement gelden de definities die zijn opgenomen in artikel 2 van de statuten van de Stichting VUT-UTA Bouwbedrijf. Verder wordt verstaan onder:
a. VUT-UTA-CAO: de op 31 december 1997 geldende collectieve arbeidsovereenkomst betreffende Vrijwillig Vervroegde Uitreding voor het Uitvoerend, Technisch en Administratief personeel in de Bouwbedrijven;
b. het vroegpensioenfonds; de Stichting Vroegpensioenfonds voor het UTA-personeel in het Bouwbedrijf;
c. belanghebbende: de belanghebbende bedoeld in artikel 2;
d. uittredingsdatum: de eerste dag van de maand waarin belanghebbende 62 jaar wordt of zoveel eerder of later met inachtneming van het bepaalde in artikel 3, lid 2, van dit reglement;
e. vroegpensioenuitkering: betaling of nog te verrichten betaling van vroegpensioen of enige andere uitkering door het vroegpensioenfonds bij of krachtens de reglementen van het vroegpensioenfonds;
f. CAO: de Cao voor de Bouwnijverheid;
g. normale arbeidsduur: de normale arbeidsduur in de zin van artikel 8, lid 1 van de Cao voor de Bouwnijverheid;
h. BPF Bouw: de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid;
i. pensioenloon: het overeengekomen vast loon;
j. overeengekomen vast loon: het vast overeengekomen loon als bedoeld in artikel 88 lid 20 onder b van de Cao voor de Bouwnijverheid (inclusief de krachtens de cao geldende vakantietoeslag) vermeerderd met de resultaten van een prestatiebevorderend systeem voortvloeiend uit de cao en een met de werkgever schriftelijk overeengekomen vaste jaarlijkse uitkering onder welke benaming dan ook, zoals een dertiende maand, een vaste eindejaarsuitkering, gegarandeerde tantième e.d.
Artikel 2 - Voorwaarden
1. Belanghebbende in de zin van deze voorwaarden is degene:
a. die op de laatste dag van de maand voor de uittredingsdatum werknemer in de zin van artikel 88, lid 7 van de Cao voor de Bouwnijverheid was of die drie maanden voor de uittredingsdatum werknemer als bedoeld in de vorige zinsnede was en in de periode van 3 maanden direct voorafgaande aan de uittredingsdatum werkloos in de
zin van de Werkloosheidswet is geworden; en
b. voor 1 januari 2005 de 55-jarige leeftijd heeft bereikt; en
c. op enig moment in de periode van 1 oktober 1997 tot 1 april 1998 viel onder de werkingssfeer van de op 31 december 1997 geldende VUT-UTA-CAO, en
d. op enig moment in de periode van 1 juli 2005 tot 1 januari 2006 viel onder de werkingssfeer van de toen geldende Cao voor de Bouwnijverheid; en
e. voor wie over de hiervoor onder c en d bedoelde dagen premie is betaald aan overeenkomstig het reglement van de Stichting Vroegpensioenfonds voor het UTA-personeel in het Bouwbedrijf respectievelijk de Stichting VUT-UTA Bouwbedrijf; en
f. op de uittredingsdatum voldoet aan uittredingsvoorwaarden van de op 31 december 1997 geldende VUT-UTA-CAO, en
g. die gelijktijdig met de aanvraag als bedoeld in artikel 7 van dit reglement een aanvraag heeft gedaan tot uitkering van het daarvoor, op de door de stichting vast te stellen datum, in aanmerking komende deel van zijn ouderdomspensioenuitkering krachtens de pensioenregeling van BPF Bouw vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd;
h. die geen recht heeft op een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) dan wel de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) of een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 of meer; en
i. die op de uittredingsdatum een vroegpensioenuitkering krijgt van het vroegpensioenfonds overeenkomstig de vroegpensioenregeling zoals die luidde op 31 december 2005; en
j. die op de uittredingsdatum geen VUT-uitkering heeft.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid onder i van dit artikel is tevens belanghebbende de werknemer werkzaam bij de werkgever, waaraan het vroegpensioenfonds in de periode tot en met 31 december 2005 vrijstelling heeft verleend, voor wie bijdrage aan de stichting is betaald en die een vroegpensioenuitkering krachtens de gedispenseerde regeling heeft.
3. Het bestuur kan op verzoek degene die niet langer werknemer is als belanghebbende aanmerken. De belanghebbende is de bijdrage als bedoeld in artikel 5 van dit reglement aan de stichting verschuldigd. Het verzoek dient binnen twee maanden te rekenen vanaf het moment dat degene niet meer een werknemer in de zin van artikel 88 sub 7 van de Cao voor de Bouwnijverheid is. Het bestuur kan aan de inwilliging van dit verzoek voorwaarden verbinden. In aanvulling op de referte-eisen, zoals die zijn genoemd in de uittredingsvoorwaarden zoals bedoeld in lid 1, sub f van dit artikel, tellen tevens de jaren mee waarin bijdragebetaling op grond van deze bepaling heeft plaatsgevonden.
4. In dit artikel worden met jaren gewerkt onder de cao gelijk gesteld jaren gewerkt onder de UTA-CAO. Jaren gewerkt onder de Cao Bouwbedrijf tellen mee als ware gewerkt onder de UTA-CAO. In het geval desondanks niet aan de voorwaarden genoemd in dit artikel kan worden voldaan, maar de belanghebbende op de uittredingsdatum had kunnen
voldoen aan de voorwaarden van de per 1 januari 2006 geldende voorwaardelijke regeling van de Stichting Vroegpensioenfonds Bouwbedrijf voor degenen die op 1 januari 2005 55 jaar of ouder waren, wordt een beroep op dit artikel eveneens gehonoreerd.
Artikel 3 - Ingang van de uitkering
1. Aan de belanghebbende wordt op verzoek door de stichting een uitkering in de zin van artikel 4 van dit reglement toegekend met ingang van de uittredingsdatum, tot de eerste dag van de maand waarin belanghebbende zijn ouderdomspensioen overeenkomstig de pensioen-regeling van BPF Bouw laat ingaan dan wel, indien de belanghebbende werkzaam is bij een werkgever waaraan het vroegpensioenfonds in de periode tot en met 31 december 2005 vrijstelling heeft verleend, tot de maand met ingang waarvan hij zijn ouderdomspensioenuitkering
had kunnen vervroegen indien de werkgever niet was vrijgesteld, doch uiterlijk tot de maand waarin belanghebbende de 65-jarige leeftijd bereikt.
2. Ten aanzien van de belanghebbende die eerder of later dan de uittredingsdatum, doch uiterlijk voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd, wil uittreden wordt de uitkering actuarieel verlaagd respectievelijk verhoogd op basis van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen. De uitkering kan niet worden uitgesteld tot een tijdstip gelijkvallend met of na het moment van (fictieve) vervroegde ingang van het ouderdomspensioen als bedoeld in lid 1 van dit artikel.
Artikel 4 - Uitkering
1. De uitkering wordt berekend met inachtneming van de volgende formule:
[A - (62 – B)] x 1,75% x PG x C
waarbij geldt dat:
A = 40 jaar indien de uittredingsdatum samenvalt met de eerste dag van de maand waarin de belanghebbende de 62-jarige leeftijd bereikt dan wel indien hij eerder uittreedt 40 jaar verminderd met het aantal jaren, in maanden nauwkeurig, dat hij eerder uittreedt;
B = de leeftijd van de deelnemer op 1 februari 1998;
PG = de ten aanzien van de belanghebbende op 31 december 2005 geldende vroegpensioengrondslag krachtens het op die datum geldende vroegpensioenreglement van het vroegpensioenfonds, respectievelijk in geval van vrijstelling van de verplichte deelneming aan het vroegpensioenfonds de vroegpensioengrondslag die zou gelden indien geen sprake was van vrijstelling tot een pensioenloon niet hoger dan het op 31 december 2005 geldende maximum pensioenloon overeenkomstig de vroegpensioenregeling van de Stichting Vroegpensioenfonds voor het UTA-
personeel in het Bouwbedrijf;
C = de op de uittredingsdatum voor de belanghebbende geldende parttime breuk waarbij de teller gelijk is aan de op de uittredingsdatum voor hem geldende wekelijkse arbeidsduur en de noemer gelijk is aan de normale arbeidsduur. Indien de belanghebbende op de uittredingsdatum arbeidsongeschikt is in de zin van de WIA dan wel de WAO wordt de parttime breuk vastgesteld op basis van het gemiddelde dienstverband van de belanghebbende in de 5 jaren voorafgaande aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag.
2. Voor de belanghebbende die op 1 januari 2006 een pensioenloon heeft hoger dan het geldende maximum pensioenloon overeenkomstig de pensioenregeling van BPF Bouw wordt de uitkering ingevolge het vorige lid vermeerderd met een bedrag dat wordt berekend met inachtneming van de volgende formule:
D x 1,75% x PG x C
Waarbij geldt dat:
D = het aantal jaren vanaf 1 januari 2006 tot de eerste dag van de maand waarin de belanghebbende de 62-jarige leeftijd bereikt dan wel de eerdere uittredingsdatum;
PG = het verschil tussen het pensioenloon op 31 december 2005 van belanghebbende tot ten hoogste het op 31 december 2005 geldende maximum pensioenloon overeenkomstig de vroegpensioenregeling van de Stichting Vroegpensioenfonds voor het UTA-personeel in het Bouwbedrijf en het op 31 december 2005 geldende maximum pensioenloon overeenkomstig de pensioenregeling van BPF Bouw;
C = de op de uittredingsdatum voor de belanghebbende geldende parttime breuk waarbij de teller gelijk is aan de op de uittredingsdatum voor hem geldende wekelijkse arbeidsduur en de noemer gelijk is aan de normale arbeidsduur. Indien de belanghebbende op de uittredingsdatum arbeidsongeschikt is in de zin van de WIA dan wel de WAO wordt de parttime breuk vastgesteld op basis van het gemiddelde dienstverband van de belanghebbende in de 5 jaren voorafgaande aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag.
3. De in dit artikel bedoelde pensioengrondslagen worden vanaf 31 december 2005 jaarlijks aangepast overeenkomstig de samengestelde wijziging van de salarissen van de UTA-werknemers volgens de Cao voor de Bouwnijverheid over het voorafgaande kalenderjaar, waarbij de eventueel inbegrepen functieherwaarderingen en incidentele salarisverhogingen buiten beschouwing worden gelaten.
4. Indien het ouderdomspensioen eerder ingaat dan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, dan wel, ingeval belanghebbende werkzaam is bij een werkgever waaraan BPF Bouw vrijstelling heeft verleend, het ouderdomspensioen eerder dan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd had kunnen ingaan, wordt de uitkering actuarieel herrekend naar de kortere uitkeringsduur.
5. Gedurende de looptijd wordt de uitkering jaarlijks herzien conform de indexering van de vroegpensioenuitkeringen die zijn ingegaan krachtens het vroegpensioenreglement van het vroegpensioenfonds.
Artikel 5 - Bijdrageverplichting
1. De organisaties van werkgevers en werknemers, genoemd in artikel 5 van de statuten, betrokken bij de cao stellen jaarlijks ter financiering van de uitkeringen ingegaan op basis van het tot en met 31 december 2005 geldende reglement alsmede de uitkeringen ingegaan op basis van dit reglement een bijdrage vast. De bijdrage wordt naar rato van de arbeidsduur geheven over het in het loonbetalingstijdvak geldende pensioenloon van de werknemers tot ten
hoogste het maximum pensioenloon als bedoeld in het Pensioenreglement Bouwnijverheid.
2. Ten aanzien van de werknemers die een pensioenloon hebben dat meer bedraagt dan het maximum pensioenloon als bedoeld in het Pensioenreglement Bouwnijverheid is de werkgever een door de in lid 1 van dit artikel bedoelde organisaties vast te stellen aanvullende bijdrage verschuldigd. De bijdrage wordt naar rato van de arbeidsduur geheven over het in het loonbetalingstijdvak geldende pensioenloon van de werknemers tot ten hoogste € 74.032,18. Dit maximum wordt na 1 januari 2006 jaarlijks per 1 januari aangepast overeenkomstig de samengestelde wijziging van de salarissen van de UTA-werknemers volgens de Cao voor de Bouwnijverheid over het voorafgaande kalenderjaar.
3. De werkgever is verplicht de bijdrage te betalen op de door de stichting te bepalen wijze en tijdstippen.
Artikel 6 - Vakantietoeslag
1. Degene, die recht heeft op een uitkering ingevolge dit reglement, heeft tevens recht op vakantietoeslag.
2. De vakantietoeslag wordt jaarlijks vastgesteld op basis van 12 maal de uitkering die over de maand mei is toegekend. Het percentage is gelijk aan het percentage dat bepaald is in de laatst geldende cao. Indien over een kortere periode dan twaalf maanden (mei tot en met april daaropvolgend) een uitkering is uitgekeerd, wordt een evenredig deel van de vakantietoeslag toegekend, op basis van de uitkering die over de laatste maand is uitgekeerd.
3. De vakantietoeslag wordt uitgekeerd tezamen met de aan de belanghebbende toekomende uitkering in de maand mei. Bij beëindiging van de uitkering na 1 juni en voor 1 mei van het volgende boekjaar, wordt de aan die periode toe te kennen vakantietoeslag alsdan uitgekeerd.
Artikel 7 - Aanvraag en toekenning van de uitkering
1. De belanghebbende, die voor uitkering op grond van deze regeling in aanmerking wenst te komen, dient minimaal 3 maanden voor de gewenste uittredingsdatum een daartoe strekkende aanvraag in. Het recht op een aanvullende uitkering kan per belanghebbende slechts eenmaal worden toegekend.
2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier, dat volledig en naar waarheid wordt ingevuld en ondertekend.
3. De uitkering gaat in op de uittredingsdatum.
Artikel 8 - Einde van de uitkering
Het recht op een uitkering op grond van deze regeling eindigt uiterlijk bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd of de eerdere ingangsdatum van het ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 3, lid 1, van dit reglement dan wel bij eerder overlijden op de laatste dag van de maand, waarin de belanghebbende overlijdt. Het recht op de uitkering kan ook eindigen als gevolg van intrekking van de uitkering als bedoeld in het volgende artikel.
Artikel 9 - Intrekking en wijziging van een besluit tot uitkering
1. Indien de belanghebbende de gevraagde dan wel uit eigen beweging te verschaffen inlichtingen niet of niet tijdig verstrekt of de door hem verstrekte gegevens onjuist of onvolledig blijken te zijn, kan besloten worden dat een uitkering niet wordt toegekend c.q. een besluit tot toekenning van een uitkering worden ingetrokken, de uitkering al dan niet tijdelijk worden verlaagd, een boete worden opgelegd, een waarschuwing worden gegeven, dan wel een andere door het bestuur van de stichting te bepalen sanctie worden toegepast.
2. De in het eerste lid van dit artikel genoemde sancties kunnen ook worden toegepast indien de belanghebbende anderszins niet voldoet aan het in dit reglement bepaalde.
3. Indien er gerede vermoedens bestaan dat een belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit is het bestuur van de stichting bevoegd daarvan aangifte pro justitia te doen.
4 Bij toepassing van één van de vorige leden van dit artikel wordt de door de stichting opgelopen schade, bestaande uit de teveel betaalde uitkering, alsmede de daarmee samenhangende sociale lasten, rente en kosten, teruggevorderd of verrekend met de lopende uitkering.
Opgelegde boetes worden in mindering gebracht op de lopende uitkering dan wel van de betrokkene gevorderd indien de uitkering niet toereikend is of inmiddels is beëindigd.
5. Het bestuur van de stichting is bevoegd tegelijkertijd meerdere van de in de vorige leden van dit artikel genoemde maatregelen op te leggen.
6. De vorige leden zijn niet van toepassing, indien de belanghebbende van een gedraging als daar bedoeld redelijkerwijs geen verwijt gemaakt kan worden.
7. Indien er gerede vermoedens bestaan dat de belanghebbende handelt in strijd met de statuten en/of reglementen is het bestuur van de stichting bevoegd om een onderzoek in te (laten) stellen.
Artikel 10 - Beslissingsbevoegdheid
1. Op verzoeken om toekenning van een uitkering wordt door het bestuur van de stichting beslist.
2. Besluiten tot weigering, intrekking of wijziging van een uitkering, zijn met redenen omkleed.
3. Besluiten als bedoeld in voorgaande leden worden schriftelijk aan de belanghebbende meegedeeld.
Artikel 11 - Verblijf in het buitenland
De belanghebbende behoeft voor een verblijf in het buitenland voor een aaneengesloten tijdvak van langer dan 4 weken gedurende de periode waarover hij uitkering ontvangt, de voorafgaande schriftelijke toestemming van de stichting.
Artikel 12 - Korting op de uitkering wegens een arbeidsongeschiktheidsuitkering
1. Indien een belanghebbende recht heeft op een uitkering uit hoofde van de WIA dan wel de WAO of daarmee vergelijkbare andere wettelijke sociale zekerheidsuitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid of een invaliditeitspensioenuitkering, wordt de uitkering uit hoofde van de WIA of de WAO of daarmee vergelijkbare andere wettelijke sociale zekerheidsuitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid of een invaliditeitspensioenuitkering in mindering gebracht op de volgens artikel 4 berekende uitkering.
2. Tezamen bedraagt het totaal van de vroegpensioenuitkering ingevolge het tot en met 31 december 2005 geldende vroegpensioenreglement, de uitkering op basis van deze regeling en de uitkering uit hoofde van de WIA of de WAO of daarmee vergelijkbare andere wettelijke sociale zekerheidsuitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid of een invaliditeitspensioenuitkering niet meer dan de totale vroegpensioenuitkering en uitkering op basis van deze regeling die aan een belanghebbende zonder een uitkering uit hoofde van de WIA of de WAO of daarmee vergelijkbare andere wettelijke sociale zekerheidsuitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid of een invaliditeitspensioenuitkering in een verder gelijke situatie zou zijn uitgekeerd.
Artikel 13 - Voortzetting opbouw ouderdomspensioen en inhoudingen op uitkering
1. Indien de belanghebbende op de uittredingsdatum deelnemer is in de pensioenregeling van BPF Bouw worden gedurende de resterende jaren, tot de eerste dag van de maand waarin het ouderdomspensioen ingaat, de belanghebbende 65 jaar wordt of bij eerder overlijden, de verschuldigde pensioenpremies door het fonds aan genoemd bedrijfstakpensioenfonds voldaan met inachtneming van de door BPF Bouw te stellen voorwaarden.
De pensioenopbouw die met toepassing van dit lid plaatsvindt, bedraagt niet meer dan de jaarlijkse pensioenopbouw in de periode van 1 januari 2000 tot 1 januari 2006 overeenkomstig het Pensioenreglement Bouwpensioen2000 van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid.
2. Indien de belanghebbende op de uittredingsdatum geen deelnemer is aan BPF Bouw, in verband met verkregen vrijstelling, zal, bij gehele of gedeeltelijke voortzetting van deze pensioenregeling met premiebetaling, het werkgeversaandeel van de, vanaf de uittredingsdatum, tot de eerste dag van de maand waarin de belanghebbende 65 jaar wordt, verschuldigde pensioenpremies door het fonds aan belanghebbende of diens werkgever worden voldaan. Deze premie wordt gemaximeerd op het bedrag dat voor de belanghebbende verschuldigd zou zijn aan BPF Bouw, bij deelneming aan de Pensioenregeling Bouwnijverheid van BPF Bouw. Zulks geschiedt onder voorwaarde dat:
a. de premie voor de belanghebbende individueel moet zijn vast te stellen; en
b. na uittreding de belanghebbende zijn gebruikelijke evenredige aandeel in de premie, bij continuatie van de verzekering door de werkgever, aan de werkgever blijft afdragen.
3. De premie wordt éénmaal per jaar, achteraf, betaald. Indien op enig kalenderjaar betrekking hebbende bewijzen van premiebetaling niet binnen 6 maanden na afloop van dat kalenderjaar zijn getoond, vervallen over dat kalenderjaar aanspraken op de hierboven genoemde vergoeding. Geen recht op deze vergoeding bestaat indien daar reeds recht op bestaat bij een ander rechtspersoon.
4. Op de uitkering wordt ingehouden hetgeen de belanghebbende verschuldigd is aan:
a. inkomensafhankelijke bijdrage ingevolge de Zorgverzekeringswet;
b. loonheffing;
c. pensioenpremie.
Artikel 14 - Overgangsbepalingen
1. Alle vóór de invoering van dit reglement ingegane uitkeringen blijven bepaald volgens het reglement geldende op de datum waarop de uitkering werd vastgesteld.
2. De werknemers die belanghebbende waren in de zin van het reglement zoals dat luidde op 31 december 2005, die vóór 1 januari 2006 aanspraak hadden op een uitkering krachtens dat reglement en de ingangsdatum van deze uitkering hebben uitgesteld tot ná 1 januari 2006, behouden aanspraak op deze uitkering voor zover deze ingaat vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd.
3. In afwijking van het bepaalde in lid 1 en 2 van dit artikel vindt met ingang van 1 januari 2006 het bepaalde in artikel 13, lid 4, onder a, ook plaats ten aanzien van de in die leden bedoelde uitkeringen.
Artikel 15 - Inwerkingtreding
Dit reglement wordt geacht in werking te zijn getreden op 1 januari 2006 ter vervanging van het tot die datum geldende reglement.
Als bijlage 13c worden opgenomen de ongewijzigde voorwaarden geldend op 31 december 1997 van de VUT-UTA-CAO.
Bijlage 13b: Voorwaarden collectieve excedentregeling
Voorwaarden voor UTA-werknemers geboren vóór 1950 met een salaris hoger dan het maximum pensioenloon BPF Bouw om in aanmerking te komen voor de collectieve excedentregeling, zoals bedoeld in artikel 82c lid 3.
a. De werknemer heeft in de tweede helft van 2005 een actief dienstverband in de bouw gehad. Bovendien moet de werkgever over die periode vroegpensioen- of VUT-premie hebben afgedragen.
b. De werknemer is tussen 1 oktober 1997 en 1 april 1998 minstens één dag werkzaam geweest onder de toen geldende UTA-CAO.
c. De werknemer is deelnemer aan de aanvullingsregelingen en voldoet aan de voorwaarden van de VUT-regeling, zoals die gold op 31 december 1997 (zie bijlage 13c).
Bijlage 13c: VUT-voorwaarden van de op 31 december 1997 geldende VUT-UTA-CAO
In deze bijlage zijn de relevante teksten van de VUT-voorwaarden van de op 31 december 1997 geldende VUT-UTA-CAO weergegeven.
Artikel 1 - Definities
1.1. Werkgever: iedere natuurlijke of rechtspersoon, die bij een bedrijfsuitoefening als bedoeld in artikel 2 in Nederland arbeid doet verrichten door een of meer werknemers, alsmede samenwerkingsverbanden en scholings- en werkervaringsverbanden en ondernemingen in de zin van artikel 2 lid 7.
1.2.a Werknemer: hij of zij die krachtens een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 1637a Burgerlijk Wetboek (thans artikel 7:610 BW), in Nederland werkzaamheden verricht, dan wel – anders dan in zelfstandige uitoefening van beroep of bedrijf – in aangenomen werk persoonlijk arbeid verricht, met inachtneming van het bepaalde in artikel 2. Werknemer is ook degene die in de periode van 3 maanden direct voorafgaande aan de uittredingsdatum werkloos (in de zin van de Werkloosheidswet) is geworden.
1.2.b Niet als werknemers worden beschouwd:
• werknemers, vallend onder de werkingssfeer van de Cao voor het Bouwbedrijf 1997-1998;
• praktikanten;
• vakantiewerkers;
• wakers, portiers en degenen, die soortgelijke arbeid verrichten;
• degenen, die in het buitenland woonachtig zijn en in Nederland in dienst van een in het buitenland gevestigde werkgever werkzaam zijn, indien deze werkzaamheden van tijdelijke aard zijn. De werkzaamheden worden als tijdelijk
aangemerkt, zolang de Nederlandse sociale verzekeringswetten nog niet op het dienstverband van toepassing zijn.
1.3. Onder “het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouwwerken” wordt verstaan: het geheel of gedeeltelijk uitvoeren met alle daartoe dienstige materialen en werkwijzen van werken op het gebied van de Burgerlijke en Utiliteitsbouw: Grond-, Water-, Spoor- en Wegenbouw; het Straatmakersbedrijf; het Heibedrijf; de Kust- en Oeverwerken en het Grondborings- en Buizenleggersbedrijf, alsmede werken die naar hun aard tot het bouwbedrijf moeten worden gerekend. Elders dan op de bouwplaats verrichte werkzaamheden ter voorbereiding van de bouw worden mede tot het uitvoeren gerekend, indien zij worden verricht door de onderneming die het bouwwerk op de bouwplaats tot stand
brengt.
Onder “bouwwerken” zoals hierboven bedoeld worden verstaan, respectievelijk daarmee gelijkgesteld: woningen, gebruiks- of bedrijfsgebouwen dan wel andere constructies van bouwkundige aard; ovenbouw en schoorsteenbouw, voor zover geen onderdeel van isolatiewerkzaamheden; alle dakbedekkingen niet zijnde bitumineuze, of van aluminium, zink, lood of koper; egalisatie van terreinen; bouwrijp maken; funderingen; steigerbouw; grondwerken anders dan van agrarische aard; riolerings- en kabelnetten; grondborings-, bronbemalings-, sondeer- en buizenlegwerken; zinkers; doorpersingen en regeninstallaties; kust- en oeverwerken; hei- en funderingswerkzaamheden; waterbouwkundige
kunstwerken; spoorwerken; bouwkundige voorzieningen voor land-, water- en luchtverkeer; sloopwerken; wegenbouw en bestratingswerkzaamheden.
Onder “productie voor derden” wordt mede verstaan: dienstverleningen aan derden; voorts ook het bouwen voor eigen rekening met het doel het gebouwde aan derden te verkopen of te verhuren, of op andere wijze ter beschikking te stellen. Het bouwen van woningen enz. voor eigen personeelsleden wordt als bouwen in eigen beheer (artikel 2, lid 3) aangemerkt.
1.4. Met ondernemingen, die bouwwerken uitvoeren, worden gelijkgesteld: organisaties, al dan niet met rechtspersoonlijkheid, voor zover zij bouwwerken uitvoeren.
1.5. Belanghebbende: de belanghebbende bedoeld in artikel 3 en 3a, niet in het genot zijnde van een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), of de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) of een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage
van 80 of meer.
1.6. Uittredingsdatum: iedere eerste dag of – indien en voorzover dat ingevolge de door belanghebbende in acht te nemen opzeggingstermijn dan wel in verband met arbeidsongeschiktheid noodzakelijk is – een latere dag van enige maand waarop belanghebbende, met toepassing van het bepaalde in artikel 3 kan uittreden.
1.11.a Onder “samenwerkingsverband” wordt verstaan een door werkgevers opgerichte, regionaal werkende rechtspersoon welke voldoet aan de voorwaarden zoals vastgesteld door de Stichting Vakopleiding Bouwbedrijf of de Stichting Beroepsopleidingen Weg- en Waterbouw, en die ten doel heeft met leerlingen uit de betrokken regio een
arbeidsovereenkomst te sluiten en deze een opleiding te geven volgens de richtlijnen van de landelijke organen, zoals genoemd in de Wet op het leerlingwezen.
1.11.b Onder een “scholings- en werkervaringsverband” wordt verstaan een door werkgevers en werknemers opgerichte, regionaal werkende rechtspersoon welke voldoet aan de voorwaarden zoals vastgesteld door partijen en die ten doel heeft te voorzien in scholing en werkervaring voor moeilijk plaatsbare werklozen.
Artikel 2 - Werkingssfeer
2.1. Bouwondernemingen.
Onder de werkingssfeer van deze cao vallen – met inachtneming van artikel 1 en met inachtneming van de beperkingen omschreven in dit artikel – alle ondernemingen, waarvan het bedrijf gericht is op produktie voor derden op het gebied van:
a. het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouwwerken;
b. het uitvoeren van verbouwingen en/of onderhoudswerk aan bouwwerken en het herstellen, bekleden, conserveren en verfraaien van deuren;
c. het uitvoeren op bouwplaatsen van onderdelen van bouwwerken (respectievelijk verbouwingen of onderhoudswerk); het elders vervaardigen van deze onderdelen wordt hiermede gelijkgesteld, indien de onderneming, die de onderdelen vervaardigt, tevens zorgdraagt voor de verwerking daarvan in het bouwwerk;
d. het verlenen van diensten op bouwplaatsen;
e. het tot stand brengen van bedrijfsklare projecten indien de totstandkoming daarvan mede de uitvoering van een of meer bouwwerken omvat;
f. het slopen van bouwwerken;
g. het verrichten van grondwerken in relatie tot het uitvoeren van bouwwerkzaamheden voor zover betrekking hebbend op grondverzetwerkzaamheden ten behoeve van de in dit artikel onder lid 1 sub a t/m f en h genoemde werkzaamheden;
h. het verhuren van machines met bedienend personeel voor het verrichten van werkzaamheden bij de uitvoering van werken als onder a t/m g genoemd;
i. asfaltproductie;
j. het aanbrengen van wegmarkeringen;
k. betonreparatie van constructieve aard en betoninjectering;
l. het afgraven van verontreinigde grond;
m. droge zandwinning;
n. het inspecteren, renoveren en reinigen van riolen, met uitzondering van huis- en bedrijfsrioleringen (loodgieterswerkzaamheden);
o. het opbouwen en/of plaatsen van verplaatsbare verblijfsruimten;
p. het verrichten van civieltechnische werkzaamheden zoals beschreven in bijlage 2.
2.2 Samengestelde ondernemingen
Indien een onderneming, naast het bouwbedrijf als bedoeld in lid 1, tevens een ander bedrijf (andere produktie voor derden) uitoefent, geldt voor de toepassing van deze cao het volgende:
a. indien elk bedrijf in een afzonderlijke afdeling wordt uitgeoefend, is deze cao van toepassing ten aanzien van de werknemers in de afdeling bouwbedrijf;
b. indien in een afzonderlijke afdeling zowel het bouwbedrijf als een ander bedrijf wordt uitgeoefend en de productie van het bouwbedrijf overweegt, geldt deze cao voor de werknemers van deze afdeling;
c. indien er geen afzonderlijke afdelingen zijn en de productie van het bouwbedrijf overweegt, geldt deze cao voor de werknemers van de onderneming.
Afzonderlijke afdelingen worden aanwezig geacht indien iedere bedrijfsuitoefening feitelijk als zelfstandige eenheid is georganiseerd. De overwegende produktie wordt bepaald door vergelijking van de in elke produktie verloonde bedragen.
2.3. Bouwen in eigen beheer
De bepalingen van deze cao vinden voorts toepassing ten aanzien van:
a. werkgevers, die bouwwerken of verbouwingen in eigen beheer doen uitvoeren met het doel het gebouwde voor zichzelf of voor de eigen onderneming in gebruik te nemen, dan wel ter beschikking van personeelsleden te stellen;
b. werkgevers die verbouwingen en onderhoudswerkzaamheden in eigen beheer doen uitvoeren aan gebouwen, die zij in eigendom bezitten of in beheer hebben.
In de hierbedoelde gevallen is deze cao van toepassing ten aanzien van de werknemers, die bij de uitvoering, de verbouwing of het onderhoud van bouwwerken arbeid verrichten, met uitzondering van degenen waarop een andere collectieve arbeidsovereenkomst of loonregeling van toepassing is.
2.4. Overgangsbepaling
Onder de werkingssfeer van deze cao vallen – met inachtneming van artikel 1 en de beperkingen omschreven in dit artikel – eveneens:
a. beheermaatschappijen, die met toestemming van het Lisv zijn aangesloten bij de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid;
b. beheermaatschappijen zonder verzekeringsplichtig personeel, die door een statutaire omzetting zijn voortgekomen uit ondernemingen, vallend onder de werkingssfeer van deze cao.
2.5. Ondernemingen (nevenbedrijven werkzaam op bouwplaatsen) waarop deze overeenkomst niet van toepassing is.
a. Niet als bouwbedrijf in de zin van lid 1 van dit artikel worden beschouwd ondernemingen waarvan het bedrijf is gericht op produktie (respectievelijk dienstverlening) voor derden op het gebied van:
1. baggerwerken;
2. betonmortel- betonmorteltransport;
3. betonwaren;
4. bitumineuze dakbedekkingen;
5. natuursteen;
6. parketvloeren;
7. schilderen en afwerken;
8. steen, houtgraniet en kunststeen;
9. stukadoors- en terrazzowerken;
10. staalskeletbouw en het uitvoeren van werken (bruggen enz.) geheel of nagenoeg geheel in staal;
11. fabrieksmatig timmerwerk;
12. interieurbetimmeringen;
13. loodgieters- en fittersbedrijf;
14. centrale verwarmingsinstallaties;
15. het maken van elektrotechnische verbindingen tussen kabels van kabelnetten;
16. het verhuren van mobiele kranen.
b. Ten aanzien van ondernemingen met een afzonderlijke ondernemings-cao geldt deze cao betreffende vrijwillig vervroegde uittreding voor het UTA-personeel in de bouwbedrijven slechts indien en voor zover het betreft de toepassing van lid 3 (bouwen in eigen beheer).
2.6. Deze cao is van toepassing op de arbeidsovereenkomsten gesloten door werkgevers, die lid zijn van de werkgeversorganisaties, welke partij zijn bij deze cao – met inachtneming van het bepaalde in artikel 2 – met hun werknemers als bedoeld in artikel 1 lid 2.
2.7. De bepalingen van deze cao zijn voor de duur van de hierna genoemde overeenkomst – met inachtneming van het bepaalde in artikel 1 – van toepassing op alle werknemers, die in dienst zijn bij ondernemingen, die zich door middel van een overeenkomst met partijen hebben verbonden deze cao toe te passen.
Artikel 2 lid 2 is op bovenstaande ondernemingen van toepassing, met dien verstande dat in plaats van het woord “bouwbedrijf” in artikel 2 lid 2 gelezen dient te worden “werkzaamheden, die onder de werkingssfeer van deze cao vallen”.
Artikel 3 - Voorwaarden
Belanghebbende in de zin van deze overeenkomst is degene:
a. die op de laatste dag van de maand, liggende 4 maanden vóór de uittredingsdatum werknemer is in dienst van een bouwbedrijf in de zin van deze cao en niet valt onder de voorwaarden vervroegde uittreding in de Cao voor het Bouwbedrijf;
en
3.2.1 die direct voorafgaande aan de uittredingsdatum, gedurende een periode van minimaal 10 jaar zonder onderbreking anders dan door arbeidsongeschiktheid of werkloosheid als werknemer in de zin van deze cao werkzaam is geweest. Daarbij geldt bovendien per afzonderlijk kalenderjaar een maximum van 6 maanden. Na een onderbreking door arbeidsongeschiktheid dient de belanghebbende, in de periode van 2 jaar voorafgaande aan de uittredingsdatum, ten minste 6 maanden werkzaam te zijn geweest als werknemer in de zin van deze cao. Bij deze onderbreking door
werkloosheid wordt de mee te tellen werkloosheidsperiode op gemiddeld 4 maanden per kalenderjaar gemaximeerd.
Voor de berekening van deze periode van 10 jaren wordt tevens in aanmerking genomen:
a. de periode dat belanghebbende als werknemer in de zin van de Cao voor het Bouwbedrijf werkzaam is geweest; en
b. de periode dat belanghebbende in het buitenland werkzaam is geweest mits over deze periode aantoonbare premiebetaling heeft plaatsgevonden op de wijze als in Protocol A van de op 31 december 1997 geldende VUT-UTA-CAO omschreven;
c. de periode dat belanghebbende als werknemer werkzaam is geweest bij een bedrijf dat is komen te vallen onder de werkingssfeer van de UTA- en VUT-UTA-CAO, mits voor de werknemer een VUT-regeling van toepassing was;
d. een periode van maximaal 3 jaar waarin belanghebbende, mits vrouw zijnde, het dienstverband heeft onderbroken in verband met de opvoeding van een kind in de leeftijd van 0-4 jaar. Deze periode kan zich ten hoogste tweemaal voordoen;
of
3.2.2 die in de periode van 15 jaar direct voorafgaande aan de uittredingsdatum ten minste 10 jaar werkzaam is geweest (waaronder begrepen periode(n) van arbeidsongeschiktheid en werkloosheid) in een onderneming vallend onder de werkingssfeer van deze cao als werknemer in de zin van deze cao of in de zin van de Cao voor het Bouwbedrijf. Na een onderbreking door arbeidsongeschiktheid dient de belanghebbende, in de periode van 2 jaar voorafgaande aan de uittredingsdatum, ten minste 6 maanden werkzaam te zijn geweest als werknemer in de zin van deze cao. Hierbij geldt tevens dat de werknemer in ieder geval gedurende de laatste 4 jaar direct voorafgaande aan de uittredingsdatum zonder onderbreking anders dan door arbeidsongeschiktheid of werkloosheid werkzaam dient te zijn geweest als werknemer in de zin van deze cao.
Bij deze onderbreking door werkloosheid wordt de mee te tellen werkloosheidsperiode op gemiddeld 4 maanden per kalenderjaar gemaximeerd. Daarbij geldt bovendien per afzonderlijk kalenderjaar een maximum van 6 maanden.
Voor de berekening van de 10 jaar en 4 jaar periode wordt tevens in aanmerking genomen de periode waarin belanghebbende in het buitenland werkzaam is geweest mits over deze periode aantoonbare premiebetaling heeft plaatsgevonden conform hetgeen in Protocol A van de op 31 december 1997 geldende VUT-UTA-CAO is bepaald.
Voor de berekening van de 10 jaar wordt tevens in aanmerking genomen de periode dat belanghebbende als werknemer werkzaam is geweest bij een bedrijf dat is komen te vallen onder de werkingssfeer van de UTA- en VUT-UTA-CAO, mits voor de werknemer een VUT-regeling van toepassing was, alsmede een periode van maximaal
3 jaar waarin belanghebbende, mits vrouw zijnde, het dienstverband heeft onderbroken in verband met de opvoeding van een kind in de leeftijd van 0-4 jaar.
Deze periode kan zich ten hoogste tweemaal voordoen;
en
3.3 die op de dag, voorafgaande aan de in lid 5 bedoelde datum, zijn woonplaats in Nederland, België of de Bondsrepubliek Duitsland heeft.
en
3.5. wiens dienstbetrekking met ingang van de uittredingsdatum, of – indien en voor zover dat ingevolge de door belanghebbende in acht te nemen opzegtermijn dan wel in verband met arbeidsongeschiktheid noodzakelijk is – met ingang van een latere datum, is geëindigd.
Bijlage 14: Civieltechnische werkzaamheden
Civieltechnische werkzaamheden als bedoeld in artikel 89 lid 1A onder p
Definities
• Onder civieltechnische werkzaamheden wordt verstaan: de aanleg van verhardingen, rioleringen en gebouwen en dergelijke waarvoor een bouw- of aanlegvergunning is vereist, alsmede het hiermee samenhangende onderhoud.
• Onder cultuurtechnische werkzaamheden wordt verstaan: de aanleg van groenvoorzieningen, de daarmee samenhangende grondwerkzaamheden (bovenste grondlaag) en drainage, alsmede het hiermee samenhangende onderhoud.
De volgende activiteiten worden beschouwd als civieltechnische activiteiten in de zin van artikel 89 lid 1A onder p en daarmee behorend tot de bouwnijverheid:
• grondboringen,
• bronbemalingen,
• de aanleg, montage en onderhoud van ondergrondse kabels en buisleidingen,
• de aanleg, montage en onderhoud van bovengrondse kabels en buisleidingen ten behoeve van de te verrichten bouwwerkzaamheden,
• grondwerk (ten behoeve van civieltechnische bestemming),
• wegenbouw,
• markeringen,
• de aanleg, montage, onderhoud en sloop van verkeersveiligheid bevorderende voorzieningen en geluidsweringen,
• sloopwerken, met uitzondering van de sloop van objecten (nagenoeg) geheel bestaande uit metaal indien het aantal arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers die bij de werkzaamheden worden ingezet groter is dan het aantal overeengekomen arbeidsuren bij de overige te verrichten werkzaamheden van alle in dienst zijnde werknemers gemeten over de periode van een kalenderjaar,
• waterbouwkundige werken,
• funderingswerken en
• verhuur van bemand materiaal voor civieltechnische activiteiten
behoudens:
a. de aanleg van buisleidingen in eigen beheer voor drainage ten behoeve van landbouw, bewerking van grond en zand ten behoeve van een agrarische bestemming en de incidentele aanleg van duikers ten behoeve van ontsluiting van een landbouwperceel, welke als cultuurtechnische werkzaamheden opgevat moeten worden;
b. het aanleggen, verbeteren of onderhouden van sportvelden en andere recreatieobjecten alsmede alle andere grondwerken ten behoeve van cultuurtechnische, civieltechnische sport-, recreatie- en andere objecten, beplantingen en groenstroken langs wegen. Hierbij is het uitgangspunt dat, indien er een bouw/aanlegvergunning vereist is, het civieltechnische werkzaamheden zijn, met uitzondering van de aanleg en het onderhoud van het groen alsmede drainage en de bovenste grondlaag ten behoeve van het groen, welke cultuurtechnische activiteiten zijn;
c. de te onderscheiden cultuurtechnische werkzaamheden bij inpoldering en ruilverkaveling; de ontsluiting van gronden en ruilverkaveling dienen als cultuurtechnische werkzaamheden opgevat te worden, indien er sprake is van daarmee samenhangende grondbewerking (ploegen, eggen, zaaien, egaliseren van de toplaag van de grond ten behoeve van de plantaardige bestemming etcetera) en als civieltechnische werkzaamheden indien er sprake is van grondverwerking
in de zin van landinrichting (de aanleg van wegen, watergangen en gemalen).
Toelichting ad b en c:
In geval van partiële aanneming en uitvoering van werken (sportvelden, recreatieparken, wegenbouw en ruilverkaveling) kan onverkort het onderscheid in civieltechnisch en cultuurtechnisch werk worden gehanteerd. Wanneer bovengenoemde werken integraal door één onderneming worden aangenomen en uitgevoerd, zal het onderscheid in civiel-/cultuurtechnisch werk gehanteerd kunnen worden voorzover deelwerkzaamheden functioneel van elkaar onderscheiden kunnen worden.
Bijlage 15: Toepassing Cao voor de Bouwnijverheid voor uitzendkrachten als bedoeld in artikel 91
I. VAN TOEPASSING ZIJNDE ARTIKELEN VOOR UITZENDKRACHTEN IN EEN BOUWPLAATSFUNCTIE
Onderstaand wordt de toepassing van artikel 91 van de Cao voor de Bouwnijverheid 2009-2010, in combinatie met de bepalingen uit de ABU Cao voor Uitzendkrachten 2009-2014 en de NBBU Cao voor Uitzendkrachten 2009-2013 nader uitgewerkt (de met * gemarkeerde bepalingen gelden tevens voor nieuwkomers). Voor zover nodig zijn de artikelen voorzien van een toelichting.
Artikel 4: introductie (*)
Integraal van toepassing. Met ‘de werknemer’ wordt de uitzendkracht bedoeld, met ‘de werkgever’ de inlenende werkgever.
Artikel 8: De normale arbeidsduur en arbeidstijden (*)
Integraal van toepassing. Met ‘de (bouwplaats)werknemer’ wordt de uitzendkracht bedoeld, met ‘de werkgever’ de inlenende werkgever.
Artikel 9: Normregeling Arbeidstijden (*)
Integraal van toepassing. Met ‘de werknemer’ wordt de uitzendkracht bedoeld.
Artikel 10: Deeltijdwerk (m.u.v. lid 5) (*)
Een verzoek van de uitzendkracht om zijn arbeidsduur aan te passen wordt gehonoreerd tenzij redelijkerwijze bedrijfsbelangen zich hiertegen verzetten. De bepalingen van artikel 10 van deze cao zijn daarbij van toepassing, met uitzondering van lid 2 (voor zover het de verwijzing betreft naar de artikelen 21a, 23a, 30a, 39, 43 en 79). Voor nieuwkomers is bovendien in lid 2 de verwijzing naar artikel 19a en in lid 2 de verwijzing naar artikel 42 niet van toepassing.
Artikel 11a: Vierdaagse werkweek
Van toepassing zijn de leden 1, 2, 3, 7 en 8 van artikel 11a, en wel als volgt:
• Een vakkracht van 55 jaar of ouder kan de inlenende werkgever verzoeken zijn werkweek aan te passen tot vier dagen (32 uur).
• Een vierdaagse werkweek kan ingaan vanaf het moment dat de vakkracht de 55-jarige leeftijd heeft bereikt en een vierdaagse werkweek over de rest van het kalenderjaar mogelijk is.
• Om tot een vierdaagse werkweek te komen, gebruikt de vakkracht zijn vakantiedagen en zijn roostervrije dagen. Daarbij heeft hij recht op een aantal extra vakantiedagen (voor 55-60-jarigen: 10, voor ouder dan 60: 13), de zogenaamde seniorendagen.
• In onderling overleg tussen de vakkracht en de inlenende werkgever worden de verschillende soorten vrije dagen gelijkelijk over het jaar gespreid en schriftelijk vastgelegd minimaal één maand voorafgaande aan de invoeringsdatum dan wel voorafgaande aan het volgende kalenderjaar. In weken waarin een feest- of in de onderneming vastgestelde
roostervrije dag valt, geldt deze feest- of in de onderneming vastgestelde roostervrije dag als de vrije dag van die week.
• Indien er onvoldoende verlofdagen en roostervrije dagen beschikbaar zijn om gedurende het gehele jaar tot een vierdaagse werkweek te komen, kan de vakkracht ervoor kiezen om het benodigde aantal weken vijf dagen te werken of dagen voor eigen rekening in te zetten.
• De vakkracht kan de inlenende werkgever verzoeken op enig moment de extra vrije dagen weer in te ruilen voor loon en over te gaan tot een volledige werkweek van vijf dagen.
Artikel 12: Ploegendienst (*)
Integraal van toepassing.
Artikel 13: Kust- en Oeverwerken (*)
Integraal van toepassing.
Artikel 14: Verschoven uren Infra (*)
Integraal van toepassing, met uitzondering van de laatste volzin van lid 1 sub i. Met ‘de werknemer wordt de uitzendkracht bedoeld, met ‘de werkgever’ de inlenende werkgever.
Artikel 16: Niet-verplicht overwerk (*)
Integraal van toepassing m.u.v. lid 1b. Met ‘de werknemer’ wordt de uitzendkracht bedoeld, met ‘de werkgever’ de inlenende werkgever.
Artikel 18: Bereikbaarheidsdienst
Integraal van toepassing m.u.v. de verwijzing in lid 1 naar artikel 15. Met ‘de werknemer’ wordt de vakkracht bedoeld, met ‘de werkgever’ de inlenende werkgever.
Artikel 19a: Roostervrije dagen
Van toepassing zijn lid 1, 3, 4a, 6 en 7 van artikel 19a, en wel als volgt:
• Vakkrachten als bedoeld in artikel 91 lid 2 hebben recht op 22 roostervrije dagen op jaarbasis.
• Tien roostervrije dagen worden collectief in de onderneming vastgesteld, de overige zijn vrij opneembaar. Voor de tien collectief vast te stellen roostervrije dagen volgt de inlenende werkgever de procedure als beschreven in artikel 19a lid 4a.
• Indien de vakkracht in de loop van een kalenderjaar aan zijn werkzaamheden begint wordt berekend op hoeveel roostervrije dagen hij recht heeft in het resterende deel van het betreffende jaar.
• Indien de vakkracht in de loop van een kalenderjaar zijn werkzaamheden bij de inlenende werkgever beëindigt, gelden de volgende bepalingen.
a. Bij beëindiging van de werkzaamheden wordt berekend op hoeveel roostervrije dagen de betrokken vakkracht nog recht heeft.
b. Indien blijkt dat de vakkracht op het tijdstip van beëindiging van de werkzaamheden recht heeft op een groter aantal dan de feitelijk opgenomen roostervrije dag(en), dient deze dag respectievelijk dienen deze dagen, alsnog na overleg met de inlenende werkgever vóór het einde van de werkzaamheden te worden opgenomen.
c. Alleen wanneer de werkzaamheden op verzoek van de vakkracht worden beëindigd, kunnen in geval bij de beëindiging de vakkracht meer roostervrije dagen blijkt te hebben opgenomen dan waarop hij op de datum van beëindiging recht had, deze meerdere dagen met hem worden verrekend.
Artikel 23a: Vakantie
De leden 3 en 4 zijn van toepassing voorzover deze betrekking hebben op de extra verlofdagen voor werknemers van 55 jaar of ouder. Voor vakkrachten van 55 tot en met 59 jaar zijn er tien extra verlofdagen, voor vakkrachten ouder dan 60 dertien.
Artikel 25a: Functie-indeling (*)
Alleen lid 1 en 5 van artikel 25a zijn van toepassing. Met ‘de werknemer’ wordt de uitzendkracht bedoeld.
Artikel 27: Garantielonen en inloopschalen (*)
Integraal van toepassing.
Met ‘de werknemer’ wordt de uitzendkracht bedoeld. De inlenende werkgever dient erop toe te zien dat de uitzendonderneming de juiste loonschaal toepast.
Artikel 28: Garantielonen jeugdigen (*)
Artikel 28 dient als volgt te worden toegepast:
• Week-/uurloon naar leeftijd
De inlenende werkgever dient erop toe te zien dat de uitzendonderneming aan de jeugdige uitzendkracht minimaal het in dit artikel bedoelde loon zal betalen, volgens tabel III van bijlage 7a.
• Ploegendienst
De krachtens artikel 28 lid 1 van deze cao te betalen lonen moeten bij werken in ploegendienst worden verhoogd conform het in artikel 38 bepaalde.
• Inloopschaal jeugdige werknemers
In afwijking van het gestelde in het eerste lid ontvangt een uitzendkracht die nog nooit in de bouw heeft gewerkt, maximaal voor de periode van een jaar, een loon volgens de inloopschaal (zie tabel IV, bijlage 7a). Voor de inloopschalen geldt dat uitzendkrachten die èn jonger zijn dan 22 jaar èn de beroepsopleiding instromen niet volgens deze schaal worden beloond. In dit artikel wordt onder beroepsopleiding mede verstaan het volgen van de praktijkcomponent. Deze afwijking geldt evenmin voor uitzendkrachten die in het bezit zijn van het diploma van het SOMA-college.
• Afwijkende lonen
Indien en voorzover jeugdige uitzendkrachten, die zich hebben aangemeld voor de BBL 2 en eerst na de zomervakantie met deze opleiding zullen aanvangen, werkzaamheden verrichten vallende onder deze cao, geldt tot het moment waarop zij met de BBL 2 aanvangen een beloning conform tabel V van bijlage 7a van de cao. Deze lonen zullen gelden tot en met de eerste 13 feitelijke opleidingsweken van de BPVO.
Artikel 30: Loonsverhogingen (*)
Alleen lid 1 is van toepassing, en wel als volgt:
Gedurende de looptijd van de cao ontvangt de uitzendwerknemer de volgende structurele loonsverhogingen:
• Per 1 oktober 2009: 0,50%
• Per 1 januari 2010: 0,75%
• Per 1 juli 2010: 0,50%
• Per 1 oktober 2010: 0,25%
In de loontabellen van bijlage 7a zijn deze loonsverhogingen reeds verwerkt.
Artikel 33: Prestatiebeloning
Artikel 33 is als volgt van toepassing:
• De vakkracht die ter beschikking wordt gesteld in een onderneming of op een object, waar een prestatietoeslag geldt, heeft tevens recht op deze prestatietoeslag.
• Bij een verhoging van het garantieloon, anders dan op grond van plaatsing in een hogere functiegroep, mag deze verhoging niet in mindering worden gebracht op de resultaten van overeengekomen prestatiebeloning en dergelijke.
Artikel 35a: Overwerkvergoeding (*)
Integraal van toepassing met uitzondering van de verwijzing in lid 1 naar artikel 15. Met ‘de werknemer’ wordt de uitzendkracht bedoeld, met ‘de werkgever’ de inlenende werkgever.
Artikel 36: Vergoeding bereikbaarheidsdienst
Integraal van toepassing met uitzondering van de verwijzing in lid 4 naar artikel 73.
Met ‘de werknemer’ wordt de vakkracht bedoeld. De inlenende werkgever dient erop toe te zien dat de uitzendonderneming de vergoeding voor de bereikbaarheidsdienst voldoet.
Artikel 37: Toeslag verschoven uren Tijwerk en Infra (*)
Integraal van toepassing. Met ‘de (bouwplaats)werknemer’ wordt de uitzendwerknemer bedoeld, met ‘de werkgever’ de inlenende werkgever.
Artikel 38: Toeslag ploegendienst (*)
Integraal van toepassing. Met ‘de werknemers’ worden de uitzendkrachten bedoeld.
Artikel 40: Vergoeding bij verafgelegen werken (*)
Lid 1 en 2 van artikel 40 zijn van toepassing. Waar gesproken wordt over ‘de werknemer’ wordt de uitzendkracht bedoeld. De inlenende werkgever dient erop toe te zien dat de uitzendonderneming de vergoeding voldoet.
Artikel 41a: Reiskostenvergoeding (*)
Integraal van toepassing. Met ‘de werknemer’ wordt de uitzendwerknemer bedoeld, met ‘de werkgever’ de inlenende werkgever. Enkel het belastingvrije deel van € 0,19 per km wordt verstrekt.
Artikel 42: Reisurenvergoeding
Integraal van toepassing, met uitzondering van de verwijzingen naar de chauffeurstoeslag in lid 2 en lid 4. Met ‘de werknemer’ wordt de vakkracht bedoeld. De inlenende werkgever dient erop toe te zien dat de uitzendonderneming de reisurenvergoeding voldoet.
Artikel 45: Kostenvergoedingen (*)
Integraal van toepassing. Met ‘de werknemer’ wordt de uitzendkracht bedoeld, met ‘de werkgever’ de inlenende werkgever.
Artikel 70a: Bijzondere veiligheids- en arbobepalingen (*)
Integraal van toepassing. Met ‘de werknemer’ wordt de uitzendkracht bedoeld, met ‘de werkgever’ de inlenende werkgever.
Artikel 71: Veiligheid bij verschoven uren Infra (*)
Integraal van toepassing. Met ‘de werknemers’ worden de uitzendkrachten bedoeld.
Artikel 82a: Pensioenregeling
De volgende regels gelden vanaf 1 januari 2006 voor toepassing van de pensioenregeling voor uitzendkrachten in bouwplaatsfuncties:
a. Vakkrachten als bedoeld in artikel 91 lid 7 van de Cao voor de Bouwnijverheid nemen verplicht deel aan het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (BPF Bouw), indien zij direct voorafgaande aan de uitzendarbeid reeds deelnemer in het BPF Bouw waren.
b. Vakkrachten als bedoeld in artikel 91 lid 7 van de Cao voor de Bouwnijverheid nemen eerst na twaalf maanden uitzendarbeid in de bouw deel in het BPF Bouw, indien zij niet aan de onder a vermelde voorwaarde voldoen.
c. Nieuwkomers als bedoeld in artikel 91 lid 9 van de Cao voor de Bouwnijverheid nemen niet deel in het BPF Bouw. Echter, indien zij door het verstrijken van de tijdgebonden eis als bedoeld in artikel 91 lid 7d van de Cao voor de Bouwnijverheid vakkracht zijn geworden, geldt voor hen vervolgens de onder b bedoelde overgangstermijn van twaalf
maanden, na het verstrijken waarvan alsnog deelname in het BPF Bouw volgt.
d. De werkgever is gehouden ten aanzien van de vakkrachten die deelnemen aan de pensioenregeling van het BPF Bouw erop toe te zien dat de premieafdracht die de uitzendonderneming verschuldigd is aan BPF Bouw wordt voldaan.
Artikel 92: Buitenlandse werknemers (*)
Integraal van toepassing, inclusief bijlage 16.
II. VAN TOEPASSING ZIJNDE ARTIKELEN VOOR UITZENDKRACHTEN IN EEN UTA-FUNCTIE
Onderstaand wordt de toepassing van artikel 91 van de Cao voor de Bouwnijverheid 2009-2010, in combinatie met de bepalingen uit de ABU Cao voor Uitzendkrachten 2009-2014 en de NBBU Cao voor Uitzendkrachten 2009-2013 nader uitgewerkt (de met * gemarkeerde bepalingen gelden tevens voor nieuwkomers). Voor zover nodig zijn de artikelen voorzien van een toelichting.
Artikel 4: introductie (*)
Integraal van toepassing. Met ‘de werknemer’ wordt de uitzendkracht bedoeld, met ‘de werkgever’ de inlenende werkgever.
Artikel 8: De normale arbeidsduur en arbeidstijden (*)
Van toepassing zijn de leden 1, 2, 6, 7, 8, 10 en 11 van artikel 8. Met ‘de werknemer’ wordt de uitzendkracht bedoeld, met ‘de werkgever’ de inlenende werkgever.
Artikel 9: Normregeling Arbeidstijden (*)
Integraal van toepassing. Met ‘de werknemer’ wordt de uitzendkracht bedoeld.
Artikel 10: Deeltijdwerk (*)
Van toepassing zijn lid 1 en 5 van artikel 10. Met ‘de werknemer’ wordt de uitzendkracht bedoeld, met ‘de werkgever’ de inlenende werkgever.
Artikel 11b: Vierdaagse werkweek
Van toepassing zijn de leden 1, 2, 6, 10 en 11 van artikel 11b, en wel als volgt:
• Een vakkracht van 55 jaar of ouder kan de inlenende werkgever verzoeken zijn werkweek aan te passen tot vier dagen (32 uur).
• Een vierdaagse werkweek kan ingaan vanaf het moment dat de vakkracht de 55-jarige leeftijd heeft bereikt en een vierdaagse werkweek over de rest van het kalenderjaar mogelijk is.
• Om tot een vierdaagse werkweek te komen, gebruikt de vakkracht zijn vakantiedagen en zijn roostervrije dagen. Daarbij heeft hij recht op een aantal extra vakantiedagen (voor 55-60-jarigen: 9, voor ouder dan 60: 11), de zogenaamde seniorendagen.
• In onderling overleg tussen de vakkracht en de inlenende werkgever worden de verschillende soorten vrije dagen gelijkelijk over het jaar gespreid en schriftelijk vastgelegd minimaal één maand voorafgaande aan de invoeringsdatum dan wel voorafgaande aan het volgende kalenderjaar. In weken waarin een feest- of in de onderneming vastgestelde
roostervrije dag valt, geldt deze feest- of in de onderneming vastgestelde roostervrije dag als de vrije dag van die week.
• Indien er onvoldoende verlofdagen en roostervrije dagen beschikbaar zijn om gedurende het gehele jaar tot een vierdaagse werkweek te komen, kan de vakkracht ervoor kiezen om het benodigde aantal weken vijf dagen te werken of dagen voor eigen rekening in te zetten.
• De vakkracht kan de inlenende werkgever verzoeken op enig moment de extra vrije dagen weer in te ruilen voor loon en over te gaan tot een volledige werkweek van vijf dagen.
Artikel 17: Overwerk (*)
Integraal van toepassing. Met ‘de werknemer’ wordt de uitzendkracht bedoeld.
Artikel 19b: Roostervrije dagen
Van toepassing zijn de leden 1, 2, 3, 4, 6, 7 en 8 van artikel 19b, en wel als volgt:
• Vakkrachten als bedoeld in artikel 91 lid 3 hebben recht op zeventien roostervrije dagen op jaarbasis. Vanaf 2006 ontvangen zij vijftien dagen in tijd en de waarde van twee dagen wordt additioneel aan de vakkracht uitgekeerd. Dit als compensatie voor het niet ontvangen van een levensloopbijdrage door de werkgever, die wel geldt voor vaste medewerkers.
• Indien de vakkracht in de loop van een kalenderjaar aan zijn werkzaamheden begint wordt berekend op hoeveel roostervrije dagen hij recht heeft in het resterende deel van het betreffende jaar.
• Indien de vakkracht in de loop van een kalenderjaar zijn werkzaamheden bij de inlenende werkgever beëindigt, gelden de volgende bepalingen.
a. Bij beëindiging van de werkzaamheden wordt berekend op hoeveel roostervrije dagen de betrokken vakkracht nog recht heeft.
b. Indien blijkt dat de vakkracht op het tijdstip van beëindiging van de werkzaamheden recht heeft op een groter aantal dan de feitelijk opgenomen roostervrije dag(en), dient deze dag respectievelijk dienen deze dagen, alsnog na overleg met de inlenende werkgever vóór het einde van de werkzaamheden te worden opgenomen.
c. Alleen wanneer de werkzaamheden op verzoek van de vakkracht worden beëindigd, kunnen in geval bij de beëindiging van het dienstverband de vakkracht meer roostervrije dagen blijkt te hebben opgenomen dan waarop hij op de datum van beëindiging recht had, deze meerdere dagen met hem worden verrekend.
Artikel 23b: Vakantie
De leden 2, 3 en 5 zijn van toepassing voorzover deze betrekking hebben op de extra verlofdagen voor werknemers van 55 jaar of ouder. Voor vakkrachten van 55 tot en met 59 jaar zijn er negen extra verlofdagen, voor vakkrachten ouder dan 60 elf.
Artikel 25b: Functie-indeling (*)
Lid 1, 2 en 3 van artikel 25b zijn van toepassing. Met ‘de werknemer’ wordt de uitzendkracht bedoeld, met ‘de werkgever’ de inlenende werkgever.
Artikel 29: Salarisschalen (*)
Integraal van toepassing, met uitzondering van lid 4a. Met ‘de werknemer’ wordt de uitzendkracht bedoeld. De inlenende werkgever dient erop toe te zien dat de uitzendonderneming de juiste salarisschaal toepast.
Artikel 30: Salarisverhogingen (*)
Alleen lid 1 van artikel 30 is van toepassing. Met ‘de werknemer’ wordt de uitzendkracht bedoeld.
Artikel 35b: Overwerkvergoeding (*)
Integraal van toepassing. Met ‘de werknemer’ wordt de uitzendkracht bedoeld, met ‘de werkgever’ de inlenende werkgever.
Artikel 41b: Reis- en verhuiskostenvergoeding (*)
Integraal van toepassing. Met ‘de werknemer’ wordt de uitzendwerknemer bedoeld, met ‘de werkgever’ de inlenende werkgever. Enkel het belastingvrije deel van € 0,19 per km wordt verstrekt.
Artikel 70b: Bijzondere veiligheids- en arbobepalingen UTA-werknemers (*)
Integraal van toepassing. Met ‘de werknemer’ wordt de uitzendkracht bedoeld, met ‘de werkgever’ de inlenende werkgever.
Artikel 82b: Pensioenregeling
De volgende regels gelden vanaf 1 januari 2006 voor toepassing van de pensioenregeling voor uitzendkrachten in UTA-functies:
a. Vakkrachten als bedoeld in artikel 91 lid 8 van de Cao voor de Bouwnijverheid nemen verplicht deel aan het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid (BPF Bouw), indien zij direct voorafgaande aan de uitzendarbeid reeds deelnemer in het BPF Bouw waren.
b. Vakkrachten als bedoeld in artikel 91 lid 8 van de Cao voor de Bouwnijverheid nemen eerst na twaalf maanden uitzendarbeid in de bouw deel in het BPF Bouw, indien zij niet aan de onder a vermelde voorwaarde voldoen.
c. Nieuwkomers als bedoeld in artikel 91 lid 9 van de Cao voor de Bouwnijverheid nemen niet deel in het BPF Bouw. Echter, indien zij door het verstrijken van de tijdgebonden eis als bedoeld in artikel 91 lid 8b van de Cao voor de Bouwnijverheid vakkracht zijn geworden, geldt voor hen vervolgens de onder b bedoelde overgangstermijn van twaalf
maanden, na het verstrijken waarvan alsnog deelname in het BPF Bouw volgt.
d. De werkgever is gehouden ten aanzien van de vakkrachten die deelnemen aan de pensioenregeling van het BPF Bouw erop toe te zien dat de premieafdracht die de uitzendonderneming verschuldigd is aan BPF Bouw wordt voldaan.
Artikel 92: Buitenlandse werknemers (*)
Integraal van toepassing, inclusief bijlage 16.
Bijlage 16: Toepassing Cao voor de Bouwnijverheid voor buitenlandse arbeidskrachten als bedoeld in artikel 92 lid 1
DEEL I: INVENTARISATIE EN UITWERKING TOEPASSELIJKE BEPALINGEN
Overeenkomstig de bepalingen van de Wet Arbeidsvoorwaarden Grensoverschrijdende Arbeid (WAGA) zijn op ter beschikking gestelde werknemers, als bedoeld in artikel 92 de volgende artikelen van deze cao van toepassing.
Tabel 1: Overzicht
| Onderwerpen WAGA | cao-artikelen |
| Maximale werktijden en minimale rusttijden |
Artikel 8: De normale arbeidsduur en arbeidstijden
Artikel 9: De Normregeling Arbeidstijden
Artikel 12: Ploegendienst
Artikel 13: Kust- en Oeverwerken Artikel 14: Verschoven uren Infra Artikel 16 en 17: Overwerk Artikel 18: Bereikbaarheidsdienst Artikel 21: Kort verzuim |
| Minimum aantal vakantiedagen, gedurende welke de verplichting van de werkgever om loon te betalen bestaat |
Artikel 19a en 19b: Roostervrije dagen
Artikel 23a en 23b: Vakantiedagen
Artikel 24: Feestdagen
|
| Minimumlonen, daaronder begrepen vergoedingen voor overwerk, en daaronder niet begrepen aanvullende bedrijfspensioenregelingen |
Artikel 25a en 25b: Functie-indeling
Artikel 26a: Wijze van loonbetaling
Artikel 27, 28 en 29: Garantielonen, salarisschalen en inloopschalen
Artikel 30: Loons- en salarisverhogingen en eenmalige uitkeringen
Artikel 32a en 32b: Vakantie-uitkering
Artikel 33: Prestatiebeloning Artikel 35a en 35b: Overwerkvergoeding Artikel 36: Vergoeding bereikbaarheidsdienst Artikel 37: Toeslag verschoven uren Artikel 38: Toeslag ploegendienst Artikel 39: Toeslag steenzetterswerkzaamheden Artikel 41a en 41b: Reiskostenvergoeding Artikel 42: Reisurenvergoeding Artikel 43: Chauffeurstoeslag Artikel 44: Premie schadevrij rijden Artikel 45: Kostenvergoedingen |
| Voorwaarden voor het ter beschikking stellen van werk- nemers, in het bijzonder voor uitzendbedrijven |
Artikel 91 (zie tabel 3 van deze bijlage) |
| Gezondheid, veiligheid en hygiëne op het werk |
Artikel 20a en 20b: Ongunstige weersomstandigheden
Artikel 45: Kostenvergoedingen
Artikel 70a en 70b: Bijzondere veiligheids- en arbobepalingen Artikel 71: Veiligheid verschoven arbeidstijden Infra |
| Beschermende maatregelen met betrekking tot de arbeidsvoor- waarden en -omstandigheden van zwangere of pas bevallen vrouwen, kinderen en jongeren |
Artikel 33 Prestatiebeloning |
| Gelijke behandeling van mannen en vrouwen, alsmede andere bepalingen inzake niet- discriminatie |
Tabel 2: Uitwerking van toepassing zijnde bepalingen
| Artikel | Van toepassing zijnde delen |
| Artikel 8: De normale arbeids- duur en arbeidstijden |
Lid 1 t/m 9 integraal |
| Artikel 9: Normregeling Arbeidstijden |
Integraal |
| Artikel 12: Ploegendienst | Integraal |
| Artikel 13: Kust- en Oeverwerken | Integraal |
| Artikel 14: Verschoven uren Infra | Lid 1 behoudens laatste volzin van punt i Lid 2 |
|
Artikel 16: Niet-verplicht
overwerk bouwplaatswerknemers
|
Lid 1: “Wanneer in bijzondere gevallen de omstandig- heden dat vereisen, kan de werkgever na overleg en met instemming van een representatief deel van de daarbij betrokken werknemers bepalen dat overwerk wordt verricht, met inachtneming van de volgende bepalingen.” Lid 2 t/m 8 integraal |
| Artikel 17: Overwerk UTA-werknemers |
Integraal |
| Artikel 18: Bereikbaarheidsdienst | Lid 1 tot en met 6 integraal Lid 7, behoudens de laatste volzin |
|
Artikel 19a: Roostervrije dagen
bouwplaatswerknemers
|
Lid 1, behoudens de laatste volzin Lid 3: “In het kader van deze cao is het aantal roostervrije dagen per kalenderjaar vastgesteld op 22. Van de 22 roostervrije dagen per kalenderjaar worden: 10 dagen vastgesteld in de onderneming op basis van de in lid 4a genoemde regeling; 12 dagen vastgesteld overeenkomstig het verzoek van de werknemer. Het verzoek wordt in ieder geval gehonoreerd indien dit twee weken voor aanvang aan de werkgever kenbaar is gemaakt.” Lid 4a Lid 5b Lid 6 Lid 7 sub a en sub b Lid 7 sub c: “Alleen wanneer het dienstverband op verzoek van de werknemer wordt beëindigd, dan wel bij beëindiging van het dienstverband met als reden zeer verwijtbaar gedrag van de werknemer, kan in geval bij de beëindiging van het dienstverband de werknemer meer roostervrije dagen blijkt te hebben opgenomen dan waarop hij op de datum van beëindiging recht had, de werkgever deze meerdere dag(en) met de werknemer verrekenen.” |
|
Artikel 19b: Roostervrije dagen
UTA-werknemers
|
Lid 1, behoudens de laatste volzin
Lid 2 t/m 4
Lid 6
Lid 7: “Indien bij opzegging van het dienstverband
blijkt dat de werknemer op het tijdstip van beëindiging
van het dienstverband recht zal kunnen doen gelden op
een groter aantal dan de feitelijk opgenomen roostervrije
dagen dienen deze dagen alsnog in overleg met de
werkgever vóór de beëindiging van het dienstverband te
worden opgenomen. Alleen wanneer het dienstverband
op verzoek van de werknemer wordt beëindigd, dan wel bij
beëindiging van het dienstverband met als reden zeer
verwijtbaar gedrag van de werknemer, kan in geval bij
de beëindiging van het dienstverband de werknemer
meer roostervrije dagen blijkt te hebben opgenomen
dan waarop hij op de datum van beëindiging recht had,
de werkgever deze meerdere dag(en) met de werknemer
verrekenen.”
Lid 8
|
|
Artikel 20a: Ongunstige weers-
omstandigheden bouwplaats-
werknemers
|
Lid 1 t/m 3 Lid 4, behoudens laatste volzin Lid 6 Lid 9 Lid 12 t/m 15 |
|
Artikel 20b:
Ongunstige weers-
omstandigheden UTA-
werknemers
|
Lid 1 Lid 2, behoudens de verwijzing naar lid 3 |
| Artikel 21: Kort verzuim | Lid 1: “In de hierna te noemen gevallen heeft de werknemer gedurende in totaal maximaal drie werkdagen per kalenderjaar recht op vrijaf, met doorbetaling van het vast overeengekomen loon: (…)” Rest lid 1 ongewijzigd Lid 6 en 7 |
|
Artikel 23a: Vakantie bouw-
plaats werknemers
|
Lid 3 en 4 Lid 6 t/m 8 Lid 9b, alleen eerste volzin Lid 10c |
|
Artikel 23b: Vakantie
UTA-werknemers
|
Lid 1 en 2 Lid 5: “Werknemers van 55 jaar of ouder kunnen het aantal verlofdagen dat uitstijgt boven de 25 inzetten als extra seniorendagen.” Lid 6 t/m 10 |
| Artikel 24: Feestdagen | Integraal |
|
Artikel 25a: Functie-indeling
bouwplaatswerknemers
|
Lid 1, met dien verstande dat voor buitenlandse werk- nemers een aangepaste functie-indeling geldt (zie deel II van deze bijlage). Lid 4 en 5 |
|
Artikel 25b: Functie-indeling
UTA-werknemers
|
Lid 1, met dien verstande dat voor buitenlandse werk- nemers een aangepaste functie-indeling geldt (zie deel II van deze bijlage). Lid 2 en 3 |
|
Artikel 26a: Wijze van loon-
betaling
|
Lid 5 “Bij elke loonbetaling zal aan de werknemer een specificatie worden verstrekt van het brutoloon, verdeeld in bijvoorbeeld garantieloon, prestatiebeloning of soortgelijke beloningscomponenten, overuren, reisurenvergoeding en andere vergoedingen en/of toeslagen.” |
| Artikel 27: Garantielonen en inloopschalen vakvolwassen bouwplaatswerknemers |
Zie aparte uitwerking in deel III van deze bijlage. |
|
Artikel 28: Garantielonen
jeugdige bouwplaatswerknemers
|
Aparte uitwerking lid 1 (zie deel III deze bijlage) Lid 2 Aparte uitwerking lid 3 a t/m f (zie verderop in deze bijlage) Lid 3 h: “De jeugdige werknemer die gehuwd is heeft aanspraak op het loon van een drie jaar oudere werk- nemer.” Lid 5 a “In afwijking van het gestelde in het eerste lid betaalt de werkgever een werknemer, die nog nooit in de bouw heeft gewerkt, maximaal voor de periode van een jaar een loon volgens de inloopschaal. Voor de inloopschalen geldt dat werknemers die én jonger zijn dan 22 jaar én de vakopleiding instromen niet volgens deze schaal worden beloond.” Lid 5 b |
|
Artikel 29: Salarisschalen
UTA-werknemers
|
Lid 1 Lid 2: “De werkgever zal aan de werknemer van 22 jaar of ouder een salaris betalen dat ligt op of boven het minimum van de salarisschaal behorend bij diens functieniveau. De salarissen zijn opgenomen in de tabellen 1, 2 en 3 van bijlage 7b.” Lid 3: “De werkgever zal aan de jeugdige werknemer beneden de leeftijd van 22 jaar een salaris betalen dat ligt op of boven het minimum behorend bij diens functieniveau. De salarissen zijn opgenomen in de tabellen 1, 2 en 3 van bijlage 7b.” Lid 4 en 5 |
|
Artikel 30: Loonsverhogingen
en eenmalige uitkeringen
bouwplaatswerknemers |
Lid 1 en 2 |
| Artikel 32a: Vakantie-uitkering voor bouwplaatswerknemers |
Lid 2, behoudens de laatste volzin. |
| Artikel 32b: Vakantie-uitkering voor UTA-werknemers |
Integraal |
| Artikel 33: Prestatiebeloning | Integraal |
|
Artikel 35a: Overwerkvergoeding
bouwplaatswerknemers
|
Lid 1 en 2 Lid 3, behoudens laatste volzin |
| Artikel 35b: Overwerkvergoeding UTA-werknemers |
Integraal |
|
Artikel 36: Vergoeding
bereikbaarheidsdienst
|
Lid 1 t/m 3 Lid 4, behoudens laatste volzin. |
| Artikel 37: Toeslag verschoven uren Tijwerk en Infra |
Integraal |
| Artikel 38: Toeslag ploegendienst | Integraal |
| Artikel 39: Toeslag steenzetters- werkzaamheden |
Integraal |
|
Artikel 41a: Reiskosten-
vergoeding bouwplaats-
werknemers
|
Lid 1: in dit geval moet onder woongemeente worden verstaan de tijdelijke verblijfplaats van de ter beschikking gestelde werknemer Lid 2 t/m 4 Lid 6 Lid 7, behoudens de laatste volzin |
| Artikel 41b: Reiskosten- vergoeding UTA-werknemers |
Lid 1 en 2 |
| Artikel 42: Reisuren | Lid 1: “Onder reisuren worden verstaan de uren gedurende welke gereisd wordt van de tijdelijke verblijfplaats in Nederland tot het werk en terug. Zij moet worden vergoed indien de arbeid in een andere dan de tijdelijke verblijfgemeente van de werknemer plaatsvindt. Daarbij dient de werkgever de bepalingen van dit artikel in acht te nemen.” Lid 2 t/m 7 Lid 9 Lid 10, behoudens de laatste volzin |
| Artikel 43: Chauffeurstoeslag | Integraal |
| Artikel 44: Premie schadevrij rijden |
Integraal |
| Artikel 45: Kostenvergoedingen | Lid 1, 2 en 3 Lid 4, behoudens de laatste volzin |
|
Artikel 70a: Bijzondere
veiligheids- en arbobepalingen
bouwplaatswerknemers
|
Lid 1 en 2 integraal Lid 3: “Jeugdige werknemers beneden 18 jaar mogen niet zelfstandig bouwkranen, graafmachines, handtrilwalsen, smalspoorlocomotieven, kleine funderingsinstallaties, bouwmachines en mobiele kranen bedienen of onderhouden. Jeugdige werknemers van 18 jaar en ouder mogen deze werkzaamheden zelfstandig verrichten wanneer zij: a. de leeftijd van 18 jaar of 19 jaar hebben bereikt, in opleiding zijn voor, respectievelijk in het bezit zijn van een verklaring of diploma voor het met goed gevolg doorlopen hebben van een opleiding tot machinist, monteur of materieelkundige, werken onder deskundig toezicht van uitvoerders of vakvolwassen werknemers met dezelfde functie; b. de leeftijd van 20 jaar hebben bereikt en in het bezit zijn van een verklaring of diploma voor het met goed gevolg doorlopen hebben van een opleiding tot machinist, monteur of materieelkundige.” Lid 4 t/m 15 integraal Lid 16 behoudens verwijzing naar artikel 73 Lid 17 en 18 integraal Lid 19: “De werkgever zal bevorderen dat een werknemer die in het kader van hijswerkzaamheden lasten aanslaat, dan wel daartoe aanwijzingen geeft door middel van armseinen, een hiertoe bestemde cursus heeft gevolgd.” Lid 20 tot en met 23 integraal |
|
Artikel 70b: Bijzondere
veiligheids- en arbobepalingen
UTA-werknemers
|
Lid 1: “Indien de werkgever werknemers opdraagt taken uit te oefenen, voortvloeiende uit zijn zorg voor de naleving van het bij of krachtens de Arbo-wet bepaalde, dienen daarmee samenhangende verantwoordelijkheden en bevoegdheden iedere werknemer die het betreft op schrift verstrekt te worden.” Lid 2 Lid 3: “In overleg met en na toestemming van de werkgever kunnen uitvoerders jaarlijks een dag voorlichting en instructie krijgen gericht op het bevorderen van goede arbeidsomstandigheden op de bouwplaats.” Lid 4 t/m 8 |
| Artikel 71: Veiligheid bij verschoven uren Infra |
Integraal |
Tabel 3: Van toepassing zijnde bepalingen artikel 91 (uitzendarbeid)
| Artikel 91: Uitzendarbeid | Lid 1 t/m 5 Lid 6: “De van toepassing zijnde cao-bepalingen als bedoeld onder lid 2 t/m 5 zijn nader uitgewerkt en verbijzonderd in tabel 2 van bijlage 16 van deze cao.” Lid 7: “Onder vakkracht in bouwplaatsfuncties wordt verstaan de uitzendwerknemer die: a. een beroepsopleiding in de bouw volgt of een diploma heeft van een beroepsopleiding in de bouw; b. binnen een periode van twee jaar in totaal twaalf maanden bouwwerkzaamheden in de zin van deze cao heeft verricht (direct voorafgaande aan de aanvang van de uitzendarbeid of - zodra dit het geval is - gedurende het verrichten van uitzendarbeid in de bouw).” Lid 8: “Onder vakkracht in UTA-functies wordt verstaan de uitzendwerknemer die: a. in het bezit is van een diploma van gelijk of vergelijkbaar niveau als niveau 2 van de beroepsopleidende leerweg in Nederland in een bouwtechnische richting; b. binnen een periode van twee jaar in totaal twaalf maanden UTA-werkzaamheden in de zin van deze cao heeft verricht (direct voorafgaande aan de aanvang van de uitzendarbeid of - zodra dit het geval is - gedurende het verrichten van uitzendarbeid in de bouw).” Lid 9, 10 en 11 |
DEEL II: UITWERKING FUNCTIE-INDELING
Uitwerking artikel 25a met betrekking tot de indeling van een bouwplaatsfunctie
De indeling van de functies in de groepen A tot en met E is gebaseerd op functie-eisen met betrekking tot opleiding, ervaring, veiligheid en gezondheid, belastende fysieke arbeidsomstandigheden, leiding geven en de mate waarin zelfstandig beslissingen genomen moeten worden. Bij het tijdelijk werken in Nederland dienen werkgever en werknemer gezamenlijk na te gaan wat de aard van de te verrichten werkzaamheden in Nederland zal zijn. Vervolgens wordt de
werknemer ingedeeld in één van onderstaande categorieën:
Categorie A
Ongeschoold/ laaggeschoold werk, ervaring niet vereist, assisterende functie.
Voorbeeld: een bouwvakhelper; het verrichten van eenvoudige werkzaamheden in de sectoren burgerlijke, utiliteits-, grond-, water-, spoor- en wegenbouw, waarvoor geen speciale kennis is vereist.
Categorie B
Enige vakspecifieke kennis is aanwezig, mate van zelfstandigheid gering, bij eenvoudige herhalende werkzaamheden vaak zelfstandigheid.
Voorbeeld: een sloper die onder toezicht werkt; deze verricht alle voorkomende sloopwerkzaamheden en is behulpzaam bij het onderhouden van machines en gereedschappen.
Categorie C
Vakspecifieke kennis aanwezig, ze kennen hun vak en kunnen zelfstandig werken. Dit zijn de echte ambachtslieden.
Voorbeeld: een tegelzetter die zelfstandig alle voorkomende werkzaamheden bij het tegelzetten verricht.
Categorie D
Gespecialiseerde vakspecifieke kennis, werken zelfstandig, vaak leidinggevend.
Voorbeeld: een metselaar, die zelfstandig alle soorten metselwerk, voegwerk en eenvoudig raapwerk verricht en repareert; die rioleringen legt of herstelt alsmede die tegelvloeren, wanden of pannendaken herstelt of vernieuwt.
Categorie E
Zeer gespecialiseerde kennis, werken zelfstandig, meestal leidinggevend.
Voorbeeld: een funderingsspecialist; dit is een medewerker die belast is met de dagelijkse leiding van werkzaamheden op het gebied van alle typen funderingen, anders dan heien, op een klein object of onderdeel van een groot object.
Uitwerking artikel 25b met betrekking tot de indeling van een UTA-functie
Met betrekking tot artikel 25b lid 1, waarin wordt verwezen naar bijlage 2b betreffende de functiestructuur, geldt de volgende aangepaste gebruiksinstructie.
Gebruiksinstructie
Stap 1: Ga na welke de belangrijkste werkzaamheden zijn die regelmatig in de functie voorkomen.
Stap 2: Kies voor de in te delen functie de overeenkomstige ladder.
Stap 3: Lees deze ladder helemaal door.
Stap 4: Zoek in deze ladder het niveau dat het meest met de in te delen functie overeenkomt.
Stap 5: Stel vast dat de karakteristiek op de hogere trede ook duidelijk hoger en die op de lagere trede ook duidelijk lager is dan het niveau van de desbetreffende functie.
NB 1: Lukken stappen 4 en 5 niet, ga dan na of er sprake is van een combinatiefunctie. Splits deze dan op en volg de stappen 4 en 5 voor de afzonderlijke delen. In zo’n geval geldt de hoogste trede als het niveau van de functie, mits de
werkzaamheden op dit hoogste niveau voor meer dan 20% van de tijd worden uitgeoefend.
NB 2: Voor medewerkers in opleiding wordt geen apart functieniveau onderscheiden. Deze medewerkers worden tijdelijk één trede lager ingedeeld dan de functie waarvoor zij in opleiding zijn.
Stap 6: Vergelijk het minimum van deze schaal met het huidige salaris van de betreffende werknemer en ken het hoogste salaris toe.
Stap 7: Deel uw beslissing mee aan de medewerker.
Voor het overige dient de bijlage gevolgd te worden met dien verstande dat de opgesomde van toepassing verklaarde cao-bepalingen niet van toepassing zijn op de functies 6, 13 t/m 16 en 18 t/m 25.
Wel van toepassing zijn dus onderstaande functies uit de functieladder:
1. Uitvoering
2. Bedrijfsbureau
3. Werkvoorbereiding
4. Calculatie
5. Planontwikkeling, Constructiebureau en Tekenkamer
7. Inkoop
8. Beheer van Materieel en Bouwmateriaal
9. Onderhoud Materieel
10. Kwaliteitscontrole asfalt en/of beton
11. Administratie Algemeen
12. Werkenadministratie
17. Programmering en Systeemanalyse
DEEL III: UITWERKING GARANTIELONEN BOUWPLAATSWERKNEMERS
Uitwerking artikel 27 inzake garantielonen voor vakvolwassenen
1. De werkgever zal aan de werknemer van 22 jaar en ouder per volle werkweek minimaal het weekloon betalen dat voor de functiegroep waarin de werknemer is ingedeeld geldt. Wanneer de werknemer binnen de normale arbeidstijd volgens artikel 15 minder dan 40 uur per week heeft gewerkt, moet hem per gewerkt uur minimaal het voor zijn functiegroep vastgestelde uurloon worden uitbetaald (zie tabel I, bijlage 7a).
2. Inloopschaal vakvolwassen werknemers
In afwijking van het bepaalde onder 1 betaalt de werkgever een werknemer die nog nooit in de bouw heeft gewerkt, maximaal voor de periode van een jaar, een loon volgens de inloopschaal. Deze afwijking geldt niet voor een werknemer die een vakopleiding in de bouw volgt of in het bezit is van een vakopleidingsdiploma (zie tabel IV, bijlage 7a).
3. Voor degene die leiding geeft aan ten minste vijf werknemers geldt tabel II van bijlage 7a.
Uitwerking artikel 28 inzake garantielonen voor jeugdigen
Een jeugdige werknemer is iemand beneden 22 jaar.
Tabel 4: Uurlonen voor jeugdigen per 1 juli 2009 (in euro’s)
| Leeftijd |
Zonder Beroepsopleiding
in de bouw
|
Beroepsopleiding
in de bouw volgend
|
Diploma Beroepsopleiding
in de bouw
|
| 16 | 4,73 | 5,01 | |
| 17 | 5,32 | 5,64 | 6,89 |
| 18 | 6,51 | 6,89 | 8,14 |
| 19 | 7,69 | 8,14 | 9,40 |
| 20 | 8,87 | 9,40 | 10,96 |
| 21 | 10,35 | 10,96 |
Tabel 5: Uurlonen voor jeugdigen per 1 oktober 2009 (in euro’s)
| Leeftijd |
Zonder Beroepsopleiding
in de bouw
|
Beroepsopleiding
in de bouw volgend
|
Diploma Beroepsopleiding
in de bouw
|
| 16 | 4,76 | 5,04 | |
| 17 | 5,35 | 5,67 | 6,92 |
| 18 | 6,54 | 6,92 | 8,18 |
| 19 | 7,73 | 8,18 | 9,44 |
| 20 | 8,92 | 9,44 | 11,02 |
| 21 | 10,40 | 11,02 |
Tabel 6: Uurlonen voor jeugdigen per 1 januari 2010 (in euro’s)
| Leeftijd |
Zonder Beroepsopleiding
in de bouw
|
Beroepsopleiding
in de bouw volgend
|
Diploma Beroepsopleiding
in de bouw
|
| 16 | 4,79 | 5,07 | |
| 17 | 5,39 | 5,71 | 6,97 |
| 18 | 6,59 | 6,97 | 8,24 |
| 19 | 7,79 | 8,24 | 9,51 |
| 20 | 8,99 | 9,51 | 11,10 |
| 21 | 10,48 | 11,10 |
Tabel 7: Uurlonen voor jeugdigen per 1 juli 2010 (in euro’s)
| Leeftijd |
Zonder Beroepsopleiding
in de bouw
|
Beroepsopleiding
in de bouw volgend
|
Diploma Beroepsopleiding
in de bouw
|
| 16 | 4,82 | 5,10 | |
| 17 | 5,42 | 5,73 | 7,01 |
| 18 | 6,62 | 7,01 | 8,28 |
| 19 | 7,83 | 8,28 | 9,56 |
| 20 | 9,03 | 9,56 | 11,15 |
| 21 | 10,54 | 11,15 |
Tabel 8: Uurlonen voor jeugdigen per 1 oktober 2010 (in euro’s)
| Leeftijd |
Zonder Beroepsopleiding
in de bouw
|
Beroepsopleiding
in de bouw volgend
|
Diploma Beroepsopleiding
in de bouw
|
| 16 | 4,83 | 5,11 | |
| 17 | 5,43 | 5,75 | 7,02 |
| 18 | 6,64 | 7,02 | 8,30 |
| 19 | 7,85 | 8,30 | 9,58 |
| 20 | 9,05 | 9,58 | 11,17 |
| 21 | 10,56 | 11,17 |
Ploegendienst
De bovenstaande lonen, genoemd bij de uitwerking van artikel 27 en 28 moeten bij werken
in ploegendienst worden verhoogd, te weten met 10% bij tweeploegendienst, en met 15% bij
drieploegendienst.
Bijlage 17: Reglement plaatselijke en regionale commissies
Reglement plaatselijke en regionale commissies als bedoeld in artikel 85
Artikel 1 Taak van de commissie
De commissie heeft tot taak:
1. het bevorderen van goede samenwerking tussen werkgevers en werknemers, in de bedrijfstak ter plaatse of in de regio werkzaam, alsmede het voorkomen en tegengaan van alles, wat deze goede samenwerking bedreigt;
2. het bevorderen van de juiste naleving en doorvoering van de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst.
Artikel 2
De commissie zal de haar opgedragen taak trachten te vervullen onder meer door:
• het houden van toezicht op bijboeking van vakantiewaarde, bijdragen en premies als bedoeld in artikel 55 van deze cao;
• de naleving van de vakantiebepalingen;
• het tegengaan van beunhazerij, als bedoeld in artikel 65 van deze cao;
• het verlenen van schriftelijke toestemming voor het verrichten van beroepsarbeid in de vrije tijd, bedoeld in artikel 7 van deze cao;
• het bevorderen van de beroepsopleiding;
• het bevorderen van de naleving van de wettelijke bescherming van de werknemers in de bedrijfstak, onder andere ten aanzien van de veiligheid op de werkobjecten en in de werkplaatsen, van de gezondheid, hygiëne en van de schaftgelegenheden.
Samenstelling van de commissie
Artikel 3
a. De commissie wordt samengesteld uit leden van de organisaties die partij zijn bij deze cao. Zij bestaat uit een gelijk aantal personen uit werkgevers- en werknemersorganisaties en omvat ten minste vier en ten hoogste acht leden.
b. De commissie geeft van haar instelling en samenstelling ten spoedigste kennis aan partijen.
c. De commissie doet bij haar kennisgeving omtrent het in lid b bepaalde tevens mededeling omtrent het gebied waarbinnen zij haar werkzaamheden verricht. Tot het gebied van een regionale commissie wordt niet gerekend het gebied waarbinnen een plaatselijke commissie haar werkzaamheden verricht.
Artikel 4
De leden kiezen uit hun midden een voorzitter en een secretaris, welke laatste eveneens de functie verricht van penningmeester. Indien de voorzitter uit één der werkgeversorganisaties gekozen wordt, zal de secretaris één der werknemersvertegenwoordigers zijn en omgekeerd.
Bevoegdheden van de Commissie
Artikel 5
De commissie vergadert zo mogelijk eenmaal per maand. De voorzitter heeft echter de bevoegdheid in overleg met de secretaris meer vergaderingen uit te schrijven. Een vergadering moet eveneens gehouden worden, indien drie leden daartoe een met redenen omkleed verzoek indienen. Indien deze vergadering binnen 14 dagen nadat het verzoek tot bijeenroeping is ingediend, niet gehouden is, hebben zij, die de vergadering hebben aangevraagd, het recht een
vergadering uit te schrijven.
De commissie kan, indien zij dit van voldoende groot belang acht, een subcommissie instellen ten behoeve van het onderwerp veiligheid en arbeidsomstandigheden. De taak van deze subcommissie is informatie-uitwisseling op dit terrein. De subcommissie kan desgewenst deskundigen bij haar werkzaamheden betrekken.
Artikel 6
De commissie mag niet beraadslagen of besluiten, indien niet ten minste twee werkgevers- en werknemersleden aanwezig zijn. Een besluit zal niet worden uitgevoerd, indien één van de commissieleden zich tegen de uitvoering van het genomen besluit verzet.
Alsdan bestaat het recht het betrokken besluit ter nadere beslissing omtrent de uitvoering aan een daartoe door partijen aan te wijzen instantie of commissie voor te leggen. De commissie onthoudt zich van elke rechtstreekse bemoeiing met het regelen van lonen en arbeidsvoorwaarden die door partijen bij deze overeenkomst zijn of plegen te worden geregeld.
Artikel 7
Klachten over het niet nakomen van de bepalingen van deze cao, eventueel andere onderwerpen, de samenwerking tussen werkgevers en werknemers direct betreffende, moeten schriftelijk door of namens de meest gerede partij aan de orde worden gesteld. Na ontvangst van het vorenbedoeld schrijven worden de commissieleden binnen acht dagen voor een vergadering opgeroepen.
Artikel 8
De algemene kosten aan de werkzaamheden van de commissie verbonden worden door partijen elk voor de helft gedragen. Geschillen ten aanzien van de bevoegdheden, taak en samenstelling van de commissie zullen worden voorgelegd aan en beslist worden door een daartoe door partijen aan te wijzen instantie of commissie.
Adressenlijst plaatselijke en regionale commissies
Regio Noord
Nieuwe Stationsweg 9
9751 SZ Haren
T 050 524 04 14
F 050 524 04 18
E
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
Regio Oost
Postbus 380
7300 AJ Apeldoorn
Boogschuttersstraat 15a
T 055 368 68 68
F 055 368 68 69
E
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
Regio Randstad Noord
Muzenplein 9
1077 WC Amsterdam
T 020 575 67 00
F 020 575 67 07
E
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
Regio Randstad Zuid
Bezuidenhoutseweg 12
2594 AV Den Haag
T 070 315 51 66
F 070 315 51 67
E
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
Regio Zuid
Postbus 848
5000 AV Tilburg
Reitseplein 3
T 013 535 05 10
F 013 536 27 35
E
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
Bijlage 18: Stichting Tijdspaarfonds voor de Bouwnijverheid
I. STATUTEN
Artikel 1 - Naam en zetel
De stichting draagt de naam ‘Stichting Tijdspaarfonds voor de Bouwnijverheid’.
De stichting is statutair gevestigd te Harderwijk.
De stichting is opgericht voor onbepaalde tijd.
Artikel 2 - Definities
In deze statuten wordt verstaan onder:
a. Tijdspaarfonds: de in artikel 1 genoemde stichting;
b. deze cao: de Cao voor de Bouwnijverheid;
c. partijen: partijen bij de Cao voor de Bouwnijverheid;
d. werkgever: de werkgever in de zin van de cao;
e. werknemer: de bouwplaats- of UTA-werknemer in de zin van de cao;
f. deelnemer: de bouwplaatswerknemer die verplicht deelneemt aan het Tijdspaarfonds of de UTA-werknemer die vrijwillig deelneemt aan het Tijdspaarfonds;
g. bestuur: het bestuur als bedoeld in artikel 8 van deze statuten;
h. reglement: een reglement als bedoeld in artikel 11 van deze statuten;
i. afdracht of storting: het bedrag dat de werkgever verschuldigd is aan het Tijdspaarfonds;
j. uitvoeringsorganisatie: Cordares cao-Regelingen B.V., statutair gevestigd te Amsterdam;
k. Technisch Bureau Bouwnijverheid: de Stichting Technisch Bureau voor de Bouwnijverheid statutair gevestigd te Harderwijk.
Artikel 3 - Doel
In het Tijdspaarfonds wordt deelgenomen door de bouwplaatswerknemers op wie de cao van toepassing is. Deelname van UTA-werknemers op wie de cao van toepassing is geschiedt op vrijwillige basis.
Het Tijdspaarfonds heeft ten doel in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen in de cao en overeenkomstig bij reglement vast te stellen bepalingen, aan deelnemers een uitkering te verschaffen wegens
a. vakantietoeslag;
b. loonderving bij bovenwettelijke vakantiedagen;
c. loonderving voor een aantal van de roostervrije dagen;
d. loonderving bij kortverzuim;
e. eventuele andere daarmee verband houdende situaties.
Artikel 4 - Middelen
1. De geldmiddelen van het Tijdspaarfonds bestaan uit:
a. het stichtingskapitaal;
b. renten;
c. eventuele (overheids)subsidies;
d. geldleningen;
e. andere baten.
2. Ter uitvoering van het doel worden de door partijen vast te stellen bedragen voor de opbouw van afdrachten door de werkgever aan het Tijdspaarfonds betaald.
3. De opbrengsten uit de beleggingen worden gebruikt ter financiering van de uitvoeringskosten.
4. Het bestuur beslist over de bestemming van mogelijke opbrengsten die het niveau van de kosten overstijgen.
5. Indien in enig boekjaar de opbrengst van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde middelen kleiner is dan het totaal van de uitgaven van de stichting dan wordt het nadelig verschil ten laste van het volgend boekjaar gebracht.
6. De afgedragen stortingen zullen door het bestuur worden belegd op zodanige wijze dat een zo optimaal mogelijk rendement wordt verkregen en zonder dat een belangrijk risico van blijvende vermogensverliezen wordt gelopen.
Artikel 5 - Uitkeringen
De geldswaarde van de afgedragen stortingen wordt aan de deelnemer uitbetaald op bij reglement te bepalen voorwaarden.
Artikel 6 - Administratie
Het Tijdspaarfonds draagt zijn administratie op aan de uitvoeringsorganisatie.
Artikel 7 - Secretariaat
Het bestuur laat zich bij het uitvoeren van zijn taak terzijde staan door het Technisch Bureau Bouwnijverheid.
Artikel 8 - Bestuur
1. Het bestuur van de stichting bestaat uit tien leden, te weten vijf werkgeversleden en vijf werknemersleden.
2. De werkgeversleden worden benoemd door Bouwend Nederland. Drie werknemersleden worden benoemd door FNV Bouw, twee werknemersleden worden benoemd door de CNV Hout en Bouw.
3. Het bestuur benoemt uit zijn midden twee voorzitters: een van werkgeverszijde en een van werknemerszijde.
4. Om beurten treden de voorzitters voor de tijd van een kalenderjaar als voorzitter en als tweede voorzitter op.
5. Voor de verdeling van de bestuurszetels voor de werknemersorganisaties geldt een kiesdeler. De kiesdeler wordt bepaald door het aantal actieve leden van de werknemersorganisatie(s) die betrokken zijn bij de stichting, te delen door 7. Na normale afronding volgt hieruit het aantal bestuursleden per organisatie. Als werknemersorganisaties worden beschouwd partijen betrokken bij de collectieve arbeidsovereenkomsten van de bouwnijverheid. De stand per 1 juli van enig jaar is bepalend voor de zetelverdeling in het daaropvolgende jaar. Na schriftelijk verzoek van ten minste één van de werknemersorganisaties stelt het bestuur de kiesdeler opnieuw vast. Het totaal aantal werknemerszetels is 5.
6. De bestuursleden worden benoemd voor een periode van drie jaar en zijn herbenoembaar. Het bestuur stelt een rooster van aftreden op. In onvoorziene omstandigheden kan hiervan worden afgeweken.
7. In tussentijdse vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien.
8. De organisatie die een bestuurslid benoemt, kan te allen tijde die benoeming intrekken en in plaats daarvan een ander tot bestuurslid benoemen.
Artikel 9 - Bestuursvergaderingen
1. De agenda voor de vergaderingen van het bestuur wordt met eventuele bijlagen door het Technisch Bureau Bouwnijverheid te Harderwijk voor de vergadering aan de leden toegezonden. Stukken en voorstellen die zijn ingekomen nadat de agenda is verzonden, kunnen alleen in behandeling worden genomen, indien hiertoe met meerderheid van stemmen besloten wordt.
2. Bij uitzondering kunnen, in spoedeisende gevallen ofwel in gevallen waarin geen twijfel mogelijk is, door beide voorzitters gezamenlijk voorlopige beslissingen en maatregelen worden genomen, die in de eerstvolgende vergadering van het bestuur ter bekrachtiging worden voorgedragen.
3. In een vergadering van het bestuur mogen geen besluiten worden genomen, als niet ten minste vier bestuursleden aanwezig zijn, waarvan ten minste twee werkgeversleden en ten minste twee werknemersleden.
4. Indien in een vergadering van het bestuur meer werkgeversleden aanwezig zijn dan werknemersleden – of omgekeerd –, dan brengen de leden van de groep met de meeste aanwezigen samen evenveel stemmen uit als de andere groep leden.
5. Over zaken wordt bij voorkeur mondeling en over personen schriftelijk gestemd.
6. Alle besluiten worden, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 15 van deze statuten, genomen met meerderheid van stemmen.
7. Indien de stemmen staken wordt de beslissing tot de volgende vergadering uitgesteld. Indien op die vergadering opnieuw de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn afgewezen zo het een stemming over zaken betreft en zal, indien het een stemming over personen betreft, het lot beslissen.
8. Een gewone meerderheid binnen de werkgevers- of werknemersgeleding bepaalt het standpunt van die geleding.
9. Leden van het bestuur van het Technisch Bureau Bouwnijverheid zijn gerechtigd bij bestuursvergaderingen aanwezig te zijn. Het bestuur kan besluiten over de aanwezigheid van derden tijdens de bestuursvergaderingen.
Artikel 10 - Bestuursbevoegdheden en vertegenwoordiging
1. Het bestuur is belast met het besturen van de zaken van de stichting, het beheer van haar vermogen, alsmede het innen van de gelden en het doen van uitkeringen. Het bestuur is bevoegd, met inachtneming van het in deze statuten bepaalde, tot alle rechtshandelingen met name ook tot het sluiten van die overeenkomsten, waarvoor het regelend recht een beperking kent.
2. Het bestuur beslist in alle zaken waarin de beslissing niet is opgedragen of gedelegeerd aan andere organen van de stichting.
3. De stichting wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door het bestuur alsmede door beide voorzitters gezamenlijk.
Artikel 11 - Reglementen
1. Het bestuur kan voor de uitvoering van zijn taak een of meer uitvoeringsreglementen vaststellen.
2. De reglementen mogen geen bepalingen bevatten welke in strijd zijn met deze statuten.
Artikel 12 - Mandaat
1. Het bestuur kan uitdrukkelijk omschreven bevoegdheden mandateren aan het Technisch Bureau Bouwnijverheid dan wel aan de uitvoeringsorganisatie en/of aan door het bestuur, al dan niet geheel uit zijn midden benoemde paritaire commissies waarbij aan deze commissies toestemming kan worden verleend, volgens door het bestuur te stellen richtlijnen, een deel van deze bevoegdheden weer over te dragen aan het Technisch Bureau Bouwnijverheid c.q. de uitvoeringsorganisatie. De gemandateerde bevoegdheden worden door de commissies dan wel het Technisch Bureau Bouwnijverheid c.q. de uitvoeringsorganisatie uitgeoefend onder toezicht en verantwoordelijkheid van het bestuur.
2. Het administratief en geldelijk beheer wordt onder verantwoordelijkheid van het bestuur uitgevoerd.
Artikel 13 - Begroting
1. Uiterlijk in de maand januari worden de begrotingen van inkomsten en van uitgaven voor het lopende boekjaar vastgesteld.
2. De begroting is ingericht en gespecificeerd volgens de in artikel 3 van deze statuten omschreven bestedingsdoelen.
3. De begroting van inkomsten en uitgaven behoeft de goedkeuring van de bestuursleden benoemende organisaties, als bedoeld in artikel 8 lid 2.
4. De begroting van inkomsten en uitgaven is op aanvraag beschikbaar voor alle bij de stichting betrokken werkgevers en werknemers.
Artikel 14 - Jaarverslag, rekening en verantwoording
1. Het boekjaar van de stichting is gelijk aan het kalenderjaar.
2. Het bestuur van de stichting stelt jaarlijks een verslag op, dat een getrouw beeld geeft van de grootte en de samenstelling van het vermogen van de stichting aan het einde van het boekjaar en van de ontwikkeling daarvan gedurende het boekjaar, en dat is gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 3 van de statuten omschreven bestedingsdoelen; via dit verslag legt het bestuur rekenschap van het gevoerde beleid af aan de bestuursleden benoemende organisaties als bedoeld in artikel 8 lid 2.
3. Dit verslag moet zijn gecontroleerd door een externe door het bestuur te benoemen registeraccountant of accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid, uit welke stukken moet blijken dat de uitgaven conform de in artikel 3 van de statuten omschreven bestedingsdoelen zijn gedaan.
4. Dit verslag wordt, voorzien van de goedkeurende verklaring van de registeraccountant of accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid, ter inzage van de bij de stichting betrokken werkgevers en werknemers neergelegd:
a. Ten kantore van het Technisch Bureau Bouwnijverheid.
b. Op een of meer door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen plaatsen.
5. Het verslag en de accountantsverklaring worden zonder aanvraag toegezonden aan partijen als bedoeld in artikel 2 onder c van deze statuten en op aanvraag tegen kostprijs aan de bij de stichting betrokken werkgevers en werknemers.
6. Het verslag en de goedkeurende accountantsverklaring worden binnen zes maanden na het verstrijken van het boekjaar in drievoud gezonden naar de directie Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving (UAW) van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Uit deze stukken moet blijken dat de uitgaven conform de in artikel 3 omschreven bestedingsdoelen zijn gedaan.
Artikel 15 - Statutenwijziging
1. Het bestuur is bevoegd tot wijziging van de statuten.
2. Tot wijziging van de statuten kan door het bestuur worden besloten in een speciaal daartoe uitgeschreven vergadering.
3. Een besluit tot wijziging van de statuten kan slechts genomen worden, wanneer ten minste tweederde gedeelte van het aantal werkgeversbestuursleden, en ten minste tweederde gedeelte van het aantal werknemersbestuursleden zich voor die statutenwijziging verklaren.
4. Een besluit tot vaststelling of wijziging van de statuten wordt eerst van kracht nadat de bestuursleden benoemende organisaties als bedoeld in artikel 8 lid 2 hiervan schriftelijk op de hoogte zijn gebracht en hieraan hun goedkeuring hebben verleend. In verband met de voortgang van het proces wordt het uitblijven van een schriftelijke reactie van de hiervoor genoemde organisaties binnen 6 maanden beschouwd als een instemmende reactie.
5. De wijziging van de statuten moet bij notariële akte tot stand komen.
6. De reglementen, alsmede de in deze statuten en in de reglementen aangebrachte wijzigingen, treden niet in werking alvorens een volledig exemplaar van die stukken onderscheidenlijk van de wijzigingen daarin, door het bestuur ondertekend, voor een ieder ter inzage is neergelegd ter Griffie van het Kantongerecht binnen welks ressort de stichting is gevestigd.
Artikel 16 - Ontbinding en liquidatie
1. Tot ontbinding van de stichting kan alleen worden overgegaan in de volgende gevallen:
a. Indien partijen bij de Cao voor de Bouwnijverheid daartoe unaniem besluiten; of
b. Indien de Cao voor de Bouwnijverheid ten minste één jaar is geëxpireerd.
2. Om in het in lid 1 onder b bedoelde geval tot ontbinding over te gaan, volstaat het wanneer één der partijen bij de cao dit per aangetekend schrijven meldt aan alle andere bij de cao betrokken partijen, uiterlijk zes maanden na expiratie van de Cao voor de Bouwnijverheid.
3. In geval van ontbinding worden deze statuten en het bijbehorende reglement via een wijziging van de algemeenverbindendverklaring uit deze cao verwijderd en wordt van de ontbinding opgaaf gedaan aan het register waar de stichting was ingeschreven.
4. In geval van ontbinding is het bestuur belast met de uitvoering van de liquidatie en alle daarbij behorende zaken, waaronder de bestemming van een eventueel batig saldo.
Artikel 17 - Inwerkingtreding
Deze statuten treden in werking met ingang van 1 januari 2006.
Artikel 18 - Slotbepaling
In alle gevallen waarin niet door deze statuten of de reglementen van de stichting is voorzien beslist het bestuur.
II. REGLEMENT
Artikel 1 - Definities
In dit reglement wordt verstaan onder:
1. het Tijdspaarfonds: de Stichting Tijdspaarfonds voor de Bouwnijverheid, statutair gevestigd te Harderwijk;
2. de statuten: de statuten van het Tijdspaarfonds;
3. het bestuur: het bestuur van het Tijdspaarfonds;
4. de(ze) cao: de Cao voor de Bouwnijverheid;
5. de werkgever: de werkgever op wie de bepalingen van deze cao van toepassing zijn;
6. bouwplaatswerknemer: de werknemer op wie de bepalingen van de cao van toepassing zijn, die werkzaam is in een bouwplaatsfunctie en die verplicht deelneemt aan het Tijdspaarfonds;
7. UTA-werknemer: de werknemer op wie de bepalingen van de cao van toepassing zijn, die werkzaam is in een uitvoerende, technische of administratieve functie en die op vrijwillige basis deelneemt aan het Tijdspaarfonds;
8. deelnemer: de bouwplaats- of UTA-werknemer als onder 6 en 7 bedoeld;
9. vakbondsconsulenten: medewerkers van FNV Bouw en de CNV Hout en Bouw;
10. vakantiedagen: de bovenwettelijke vakantiedagen waarover de werkgever geen loon behoeft te betalen, mits de werkgever de geldswaarde daarvan in het Tijdspaarfonds heeft gestort;
11. roostervrije dagen: arbeidstijdverkorting- of roostervrije dagen waarover de werkgever geen loon behoeft te betalen, mits de werkgever de geldswaarde daarvan in het Tijdspaarfonds heeft gestort;
12. kortverzuimdagen: dagen waarop de deelnemer een werkdag of een deel van de werkdag zijn arbeid niet kan verrichten en waarover de werkgever geen loon behoeft te betalen, mits de werkgever de geldswaarde daarvan in het Tijdspaarfonds heeft gestort;
13. vakantietoeslag: de procentuele vakantiebijslag als bedoeld in artikel 32a lid 2 dan wel artikel 32b lid 2 van deze cao (met ingang van 2006: 8%).
14. het uurloon: het bij deze cao gedefinieerde vast overeengekomen loon per uur voor bouwplaatswerknemers, vermeerderd met de resultaten van een prestatiebevorderend systeem, toeslagen voor alle vormen van werken in ploegendiensten, de leermeester/instructeurstoeslag, de voorliedentoeslag, de toeslag verschoven uren tijwerk en de toeslag verschoven arbeidstijden Infra;
15. het salaris: het bij deze cao gedefinieerde tussen UTA-werknemer en werkgever overeengekomen vaste brutobedrag per periode, dat de werknemer als loon voor zijn werkzaamheden in de door hem uitgeoefende functie van de werkgever ontvangt;
16. loonbetalingsperiode: de overeengekomen, aaneengesloten periode van vier weken of één maand waarover het loon of salaris wordt uitbetaald;
17. afdracht vakantietoeslag: de waarde van de storting in het Tijdspaarfonds voor de vakantietoeslag;
18. afdracht dagen: de waarde van de storting in het Tijdspaarfonds voor de bovenwettelijke vakantiedagen, roostervrije dagen en kortverzuimdagen als bedoeld in dit reglement;
19. extra afdracht: de waarde van de storting in het Tijdspaarfonds van mogelijk tussen werkgever en werknemer afgesproken andere dan in 17 en 18 bedoelde elementen;
20. Tijdspaarrekening: de rekening die op naam van de deelnemer bij de uitvoeringsorganisatie wordt geopend ten behoeve van de stortingen aan en uitbetalingen van het Tijdspaarfonds;
21. volledige storting: het volledige, per loonbetalingsperiode van vier weken of één maand tijdsevenredige deel van de vakantietoeslag en de waarde van de dagen als bedoeld in 18 plus eventuele extra afdrachten;
22. gedeeltelijke storting: 55% van de volledige storting als bedoeld in 21;
23. Technisch Bureau Bouwnijverheid: de Stichting Technisch Bureau voor de Bouwnijverheid, statutair gevestigd te Harderwijk;
24. Uitvoeringsorganisatie: Cordares cao-Regelingen, statutair gevestigd te Amsterdam.
Artikel 2 - Vaststelling afdracht dagen
1. Voor de bouwplaatswerknemer jonger dan 18 jaar worden op jaarbasis 9 bovenwettelijke vakantiedagen, 10 roostervrije dagen en 3 kortverzuimdagen in het Tijdspaarfonds gestort.
2. Voor de bouwplaatswerknemer van 18 jaar of ouder worden op jaarbasis 5 bovenwettelijke vakantiedagen, 10 roostervrije dagen en 3 kortverzuimdagen in het Tijdspaarfonds gestort.
3. Voor de UTA-werknemer jonger dan 18 jaar die te kennen heeft gegeven deel te willen nemen aan het Tijdspaarfonds worden op jaarbasis 7 bovenwettelijke vakantiedagen, 5 roostervrije dagen en 3 kortverzuimdagen in het Tijdspaarfonds gestort.
4. Voor de UTA-werknemer van 18 jaar of ouder die te kennen heeft gegeven deel te willen nemen aan het Tijdspaarfonds worden op jaarbasis 5 bovenwettelijke vakantiedagen, 5 roostervrije dagen en 3 kortverzuimdagen in het Tijdspaarfonds gestort.
5. Voor de bouwplaatswerknemer van 55 jaar of ouder die gebruik maakt van de mogelijkheid van een vierdaagse werkweek worden op jaarbasis uitsluitend 3 kortverzuimdagen in het Tijdspaarfonds gestort. Het staat hem echter vrij om daarnaast ook de 5 bovenwettelijke vakantiedagen en 10 roostervrije dagen in het Tijdspaarfonds te laten storten. In het laatste geval, is de werkgever over deze dagen niet gehouden tot doorbetaling van het loon.
6. De UTA-werknemer van 55 jaar of ouder die gebruik maakt van de mogelijkheid van een vierdaagse werkweek kan ervoor kiezen om toch deel te nemen in het Tijdspaarfonds. In dat geval worden op jaarbasis in elk geval 3 kortverzuimdagen in het Tijdspaarfonds gestort, maar kan de werknemer ervoor kiezen om ook de 5 bovenwettelijke vakantiedagen en 5 roostervrije dagen in het Tijdspaarfonds te laten storten.
7. De afdracht dagen wordt berekend via de volgende formule:
UL x 8 x AD
AL
UL = uurloon; voor UTA-werknemers moet het maandsalaris worden teruggerekend naar een uursalaris.
AD = het voor de betreffende deelnemer geldende totaal van het aantal vakantie-, kortverzuim- en roostervrije dagen op jaarbasis, waarvan de geldswaarde wordt gestort in het Tijdspaarfonds.
AL = het aantal loonbetalingsperioden per jaar (12 of 13).
8. Voor deelnemers die in deeltijd werken wordt op de afdracht dagen de deeltijdfactor toegepast.
Artikel 3 - Vaststelling afdracht vakantietoeslag
1. Voor de deelnemer wordt op jaarbasis 8% vakantietoeslag in het Tijdspaarfonds gestort.
2. De afdracht vakantietoeslag voor bouwplaatswerknemers wordt berekend door het uurloon per overeengekomen loonbetalingsperiode te vermenigvuldigen met het aantal uren waarover men in die loonbetalingsperiode recht heeft op loon. Dit bedrag wordt verhoogd met het bedrag afdracht dagen uit dezelfde loonbetalingsperiode. Het vervolgens verkregen bedrag wordt vermenigvuldigd met 8%.
3. De afdracht vakantietoeslag voor UTA-werknemers wordt berekend door het uursalaris per overeengekomen loonbetalingsperiode te vermenigvuldigen met het aantal uren, waarover men in die loonbetalingsperiode recht heeft op salaris. Dit bedrag wordt verhoogd met het bedrag afdracht dagen uit dezelfde loonbetalingsperiode. Het vervolgens verkregen bedrag wordt vermenigvuldigd met 8%.
Artikel 4 - Extra afdrachten
De deelnemer kan met instemming van de werkgever ook de geldswaarde van andere inkomensbestanddelen op zijn individuele Tijdspaarrekening laten storten, zoals overige roostervrije dagen, of roostervrije dagen die aan het eind van het jaar niet zijn opgenomen, reisuren en/of de chauffeurstoeslag.
Artikel 5 - Aangepaste afdracht
Indien de deelnemer in een kalenderjaar minder verlofdagen en/of roostervrije dagen heeft opgenomen dan waarvoor afdracht dagen heeft plaatsgehad, kan de deelnemer de werkgever vragen de afdracht dagen in het volgende kalenderjaar met dat aantal dagen te verlagen. De geldswaarde van dat aantal dagen kan aangewend worden voor een storting in een levensloopregeling. Aanspraken kunnen niet in tijd naar een volgend kalenderjaar worden overgeheveld.
Artikel 6 - Arbeidsongeschiktheid
1. De opbouw van het recht op roostervrije dagen en kortverzuimdagen loopt door tijdens arbeidsongeschiktheid, zolang de bouwplaats- of UTA-werknemer bij de werkgever in dienst is.
2. Om opbouw van voldoende verlofdagen bij volledige arbeidsongeschiktheid te garanderen, is in de cao bepaald dat de opbouw van bovenwettelijke vakantiedagen gedurende de eerste 26 weken van arbeidsongeschiktheid plaatsvindt.
3. Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt mede verstaan perioden van volledige arbeidsongeschiktheid die elkaar binnen een maand opvolgen.
Artikel 7 - Wijze van afdracht
1. De deelnemer kan kiezen voor een volledige of een gedeeltelijke storting.
2. De afdrachten vakantietoeslag en dagen worden apart door de werkgever berekend en binnen 14 dagen na afloop van elke loonbetalingsperiode op de Tijdspaarrekening van de werknemer overgemaakt.
3. Bij de afdracht vermeldt de werkgever de loonperiode waarop de afdracht betrekking heeft. Cordares zal deze periode overnemen en vermelden bij de storting op de rekening van de werknemer. Het is de werkgever niet toegestaan bij de afdracht loonperiodes samen te voegen.
4. Over de afdrachten zijn dezelfde heffingen verschuldigd als bij loon- of salarisbetalingen uit arbeidsovereenkomst. De heffingen over de afdrachten houdt de werkgever in bij de loon- of salarisbetaling.
5. De uit te betalen bedragen uit het Tijdspaarfonds aan de deelnemer zijn nettobedragen.
6. Indien de betaling niet tijdig heeft plaatsgevonden is de werkgever in verzuim.
Het bestuur is bevoegd vanaf de datum van verzuim rente te vorderen over de achterstallige betalingen. Deze rente is gelijk aan de wettelijke rente.
Artikel 8 - Uitbetalen dagen en vakantietoeslag
1. De gestorte afdrachten dagen en vakantietoeslag zijn vrij opneembaar.
2. Tijdig gestorte afdrachten dagen en vakantietoeslag worden op aanvraag van de deelnemer door de uitvoeringsorganisatie tussentijds aan hem uitbetaald. De aanvraag voor uitbetaling aan een bouwplaatswerknemer moet worden ingediend bij een vakbondsconsulent naar keuze van de werknemer.
3. Tijdig gestorte afdrachten dagen en vakantietoeslag van de UTA-werknemer worden op aanvraag via internet (www.tijdsparenbouw.nl) door de uitvoeringsorganisatie tussentijds aan hem uitbetaald.
4. De uitbetaling heeft plaats op het bank- of girorekeningnummer dat bij de uitvoeringsorganisatie van de werknemer bekend is.
5. Alle tijdig gestorte afdrachten dagen en vakantietoeslag die niet tussentijds zijn opgenomen worden in de maand mei van elk kalenderjaar door de uitvoeringsorganisatie aan de werknemer uitbetaald zonder dat daarvoor een aanvraag behoeft te worden gedaan. Echter, de deelnemer kan via internet (www.tijdsparenbouw.nl) aangeven dat hij het geld op de Tijdspaarrekening wil laten staan.
Artikel 9 - vervallen
Artikel 10 - Vergoeding
1. Het bestuur stelt jaarlijks vast of er over de spaarsaldi die in het voorgaande kalenderjaar op de Tijdspaarrekening hebben gestaan een vergoeding kan worden verstrekt.
2. Onder spaarsaldi worden verstaan zowel de afdracht vakantietoeslag en de afdracht dagen, als de eventuele extra stortingen en de vrijgevallen maar nog niet opgenomen bedragen op de Tijdspaarrekening.
Artikel 11 - Administratieve gegevens
1. De werkgever verstrekt aan de uitvoeringsorganisatie desgevraagd alle gegevens die nodig zijn om op naam van de deelnemer de afdrachten te kunnen administreren.
2. De uitvoeringsorganisatie verstrekt de werkgever via internet (www.tijdsparenbouw.nl) tijdig instructie wanneer en op welke wijze de gegevens moeten worden aangeleverd en hoe de betaling dient te geschieden.
Artikel 12 - Verstrekken van inlichtingen
1. De werkgever en deelnemer zijn verplicht aan het bestuur of een schriftelijk door hem gemachtigd persoon van de uitvoeringsorganisatie alle opgaven en inlichtingen te verstrekken die van hen worden verlangd ten behoeve van een goede administratie van het Tijdspaarfonds.
2. De werkgever vermeldt op elke loonstrook van de deelnemer welke bedragen op de Tijdspaarrekening van de deelnemer zijn gestort en op welke loonperiode die storting betrekking heeft.
3. Het Tijdspaarfonds stelt via een beveiligde internettoepassing aan iedere deelnemer gegevens beschikbaar die betrekking hebben op de Tijdspaarrekening van die deelnemer.
Artikel 13 - Hardheidsclausule
Het bestuur is bevoegd voor bepaalde gevallen of groepen van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard die zich bij de toepassing van dit reglement voordoen.
Artikel 14 - Slotbepalingen
1. Teneinde een efficiënte werking van het Tijdspaarfonds te verzekeren, kunnen door het bestuur nadere voorschriften gegeven worden, in overeenstemming met de bepalingen van de statuten en van dit reglement, mits deze voorschriften niet in strijd komen met één of meer bepalingen van deze cao.
2. Citeertitel: reglement Tijdspaarfonds voor de Bouwnijverheid
3. Dit reglement treedt in werking op 1 april 2007.
Bijlage 19: Overzicht weerstations per postcodegebied (zoals bedoeld in artikel 20a lid 3)
| Postcodegebied | Weerstation | Postcodegebied | Weerstation | ||||
| 1000 | 1129 | 240 | Schiphol | 5280 | 5299 | 370 | Eindhoven |
| 1130 | 1159 | 249 | Berkhout | 5300 | 5339 | 356 | Herwijnen |
| 1160 | 1199 | 240 | Schiphol | 5340 | 5499 | 375 | Volkel |
| 1200 | 1299 | 260 | De Bilt | 5500 | 5739 | 370 | Eindhoven |
| 1300 | 1379 | 269 | Lelystad | 5740 | 5799 | 375 | Volkel |
| 1380 | 1399 | 240 | Schiphol | 5800 | 5809 | 391 | Arcen |
| 1400 | 1419 | 260 | De Bilt | 5810 | 5849 | 375 | Volkel |
| 1420 | 1469 | 240 | Schiphol | 5850 | 5999 | 391 | Arcen |
| 1470 | 1479 | 249 | Berkhout | 6000 | 6039 | 370 | Eindhoven |
| 1480 | 1599 | 240 | Schiphol | 6040 | 6049 | 391 | Arcen |
| 1600 | 1699 | 249 | Berkhout | 6050 | 6069 | 380 | Maastricht |
| 1700 | 1749 | 240 | Schiphol | 6070 | 6073 | 391 | Arcen |
| 1750 | 1759 | 235 | De Kooy | 6074 | 6079 | 380 | Maastricht |
| 1760 | 1779 | 249 | Berkhout | 6080 | 6099 | 370 | Eindhoven |
| 1780 | 1789 | 235 | De Kooy | 6100 | 6499 | 380 | Maastricht |
| 1790 | 1799 | 251 | Terschelling | 6500 | 6599 | 391 | Arcen |
| 1800 | 1859 | 240 | Schiphol | 6600 | 6659 | 375 | Volkel |
| 1860 | 1909 | 257 | Wijk aan Zee | 6660 | 6699 | 356 | Herwijnen |
| 1910 | 1929 | 240 | Schiphol | 6700 | 6829 | 275 | Deelen |
| 1930 | 1989 | 257 | Wijk aan Zee | 6830 | 6859 | 356 | Herwijnen |
| 1990 | 2039 | 240 | Schiphol | 6860 | 6999 | 275 | Deelen |
| 2040 | 2062 | 257 | Wijk aan Zee | 7000 | 7219 | 283 | Hupsel |
| 2063 | 2069 | 240 | Schiphol | 7220 | 7229 | 275 | Deelen |
| 2070 | 2099 | 257 | Wijk aan Zee | 7230 | 7299 | 283 | Hupsel |
| 2100 | 2109 | 240 | Schiphol | 7300 | 7399 | 275 | Deelen |
| 2110 | 2119 | 257 | Wijk aan Zee | 7400 | 7459 | 278 | Heino |
| 2120 | 2189 | 240 | Schiphol | 7460 | 7689 | 290 | Twenthe |
| 2190 | 2299 | 210 | Valkenburg ZH | 7690 | 7709 | 279 | Hoogeveen |
| 2300 | 2409 | 240 | Schiphol | 7710 | 7739 | 278 | Heino |
| 2410 | 2419 | 348 | Cabauw | 7740 | 7759 | 279 | Hoogeveen |
| 2420 | 2499 | 240 | Schiphol | 7760 | 7769 | 286 | Nieuw Beerta |
| 2500 | 2599 | 210 | Valkenburg ZH | 7770 | 7799 | 279 | Hoogeveen |
| 2600 | 2679 | 344 | Rotterdam | 7800 | 7849 | 286 | Nieuw Beerta |
| 2680 | 2689 | 210 | Valkenburg ZH | 7850 | 7857 | 279 | Hoogeveen |
| 2690 | 2799 | 344 | Rotterdam | 7858 | 7859 | 286 | Nieuw Beerta |
| 2800 | 2899 | 348 | Cabauw | 7860 | 7869 | 279 | Hoogeveen |
| 2900 | 2939 | 344 | Rotterdam | 7870 | 7899 | 286 | Nieuw Beerta |
| 2940 | 2979 | 348 | Cabauw | 7900 | 7999 | 279 | Hoogeveen |
| 2980 | 3239 | 344 | Rotterdam | 8000 | 8059 | 278 | Heino |
| 3240 | 3259 | 323 | Wilhelminadorp | 8060 | 8069 | 273 | Marknesse |
| 3260 | 3299 | 344 | Rotterdam | 8070 | 8199 | 278 | Heino |
| 3300 | 3329 | 356 | Herwijnen | 8200 | 8259 | 269 | Lelystad |
| 3330 | 3349 | 344 | Rotterdam | 8260 | 8269 | 273 | Marknesse |
| 3350 | 3399 | 356 | Herwijnen | 8270 | 8279 | 278 | Heino |
| 3400 | 3429 | 348 | Cabauw | 8280 | 8329 | 273 | Marknesse |
| 3430 | 3439 | 260 | De Bilt | 8330 | 8354 | 279 | Hoogeveen |
| 3440 | 3449 | 348 | Cabauw | 8355 | 8379 | 273 | Marknesse |
| 3450 | 3459 | 260 | De Bilt | 8380 | 8399 | 279 | Hoogeveen |
| 3460 | 3499 | 348 | Cabauw | 8400 | 8459 | 280 | Eelde |
| 3500 | 3639 | 260 | De Bilt | 8460 | 8469 | 270 | Leeuwarden |
| 3640 | 3699 | 240 | Schiphol | 8470 | 8488 | 280 | Eelde |
| 3700 | 3769 | 260 | De Bilt | 8489 | 8879 | 270 | Leeuwarden |
| 3770 | 3789 | 275 | Deelen | 8880 | 8899 | 251 | Terschelling |
| 3790 | 3999 | 260 | De Bilt | 8900 | 9159 | 270 | Leeuwarden |
| 4000 | 4299 | 356 | Herwijnen | 9160 | 9169 | 251 | Terschelling |
| 4300 | 4499 | 323 | Wilhelminadorp | 9170 | 9239 | 270 | Leeuwarden |
| 4500 | 4599 | 319 | Westdorpe | 9240 | 9249 | 280 | Eelde |
| 4600 | 4649 | 350 | Gilze en Rijen | 9250 | 9299 | 270 | Leeuwarden |
| 4650 | 4699 | 323 | Wilhelminadorp | 9300 | 9409 | 280 | Eelde |
| 4700 | 5059 | 350 | Gilze en Rijen | 9410 | 9419 | 279 | Hoogeveen |
| 5060 | 5069 | 370 | Eindhoven | 9420 | 9429 | 280 | Eelde |
| 5070 | 5079 | 350 | Gilze en Rijen | 9430 | 9449 | 279 | Hoogeveen |
| 5080 | 5099 | 370 | Eindhoven | 9450 | 9499 | 280 | Eelde |
| 5100 | 5199 | 350 | Gilze en Rijen | 9500 | 9599 | 286 | Nieuw Beerta |
| 5200 | 5249 | 375 | Volkel | 9600 | 9639 | 280 | Eelde |
| 5250 | 5257 | 350 | Gilze en Rijen | 9640 | 9699 | 286 | Nieuw Beerta |
| 5258 | 5259 | 375 | Volkel | 9700 | 9942 | 280 | Eelde |
| 5260 | 5269 | 350 | Gilze en Rijen | 9943 | 9949 | 286 | Nieuw Beerta |
| 5270 | 5279 | 375 | Volkel | 9950 | 9999 | 280 | Eelde |
Bijlage 20: Reglement Werkingssfeer (zoals bedoeld in artikel 97)
Artikel 1 - Definities
1. Onder ‘de cao’ wordt verstaan de Cao voor de Bouwnijverheid. Daaronder wordt mede verstaan de Cao Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bouwnijverheid.
2. Onder ‘de verplichtstelling’ wordt verstaan de verplichtstellingsbeschikking van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
3. Onder ‘partijen’ wordt verstaan de werkgevers- en werknemersorganisaties die partij zijn bij de Cao voor de Bouwnijverheid en de Cao Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bouwnijverheid. Onder ‘partijen’ wordt mede verstaan het bestuur van het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid.
4. Onder ‘werkingssfeeronderzoeken’ wordt verstaan onderzoeken naar de vraag of ondernemingen werkzaamheden verrichten of gaan verrichten die al dan niet onder de werkingssfeer van de cao en de verplichtstelling vallen.
5. Onder ‘werkgever(s)’ wordt verstaan de werkgever als bedoeld in de cao en de verplichtstelling.
6. Onder ‘werknemer(s)’ wordt verstaan de werknemer als bedoeld in de cao en de verplichtstelling.
7. Onder ‘commissie’ wordt verstaan de Commissie Werkingssfeer.
8. Onder het ‘bureau’ wordt verstaan de Stichting Technisch Bureau voor de Bouwnijverheid, statutair gevestigd te Hoofddorp en kantoorhoudende te Harderwijk (Postbus 1128, 3840 BC Harderwijk).
Artikel 2 - Werkingssfeeronderzoeken
1. Het bureau stelt namens partijen werkingssfeeronderzoeken in. De onderzoeken kunnen worden verricht door een daartoe aan te wijzen extern bureau.
2. Het werkingssfeeronderzoek bestaat in eerste instantie uit een (eenzijdig) bureauonderzoek. Indien op basis van het bureauonderzoek onvoldoende gegevens beschikbaar zijn voor een uitspraak, wordt een veldonderzoek ingesteld.
3. Alle betrokkenen bij een werkingssfeeronderzoek zijn gehouden geheimhouding te bewaren ten aanzien van al datgene wat hen uit hoofde van hun betrokkenheid ter kennis komt.
Artikel 3 - Melding
1. Een melding kan worden gedaan door:
a. elk van de partijen;
b. iedere onderneming, voor wat betreft de eigen of een andere onderneming;
c. iedere werknemer van zodanige onderneming als bedoeld onder lid 1 sub b.
2. Een melding wordt schriftelijk ingediend bij het bureau onder vermelding van ‘werkingssfeeronderzoek’.
3. De melding dient ten minste te bevatten:
a. naam en adres van de melder;
b. ondertekening door de melder;
c. naam en adres van de onderneming waarop de melding betrekking heeft;
d. een nauwkeurige beschrijving van de bedrijfsactiviteiten, vergezeld van de argumenten waaruit blijkt dat de cao en/of verplichtstelling in redelijkheid van toepassing kan worden geacht;
e. de dagtekening.
4. De melder verschaft desgevraagd (aanvullende) gegevens en bescheiden die voor de beoordeling van de melding nodig zijn en waarover hij of zij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
5. Indien of zodra de melding volledig is, wordt de melding in behandeling genomen. De melder ontvangt hiervan bericht.
6. De melder wordt geacht zich niet te mengen in de behandeling van de melding. Gedurende het werkingssfeeronderzoek dient de melder zich dan ook te onthouden van gedragingen die de uitkomst van het onderzoek kunnen beïnvloeden.
7. Onder een ‘melding’ wordt tevens verstaan signaleringen die volgen uit bestandsvergelijkingen.
Artikel 4 - Werkwijze
1. De onderneming wordt schriftelijk op de hoogte gebracht van het instellen van een veldonderzoek. Ten minste twee weken voordat het onderzoek plaatsvindt, ontvangt de onderneming hiervan bericht met vermelding van datum en plaats van het onderzoek.
2. Een veldonderzoek geschiedt in beginsel in de vorm van controle ter plaatse. Indien de onderneming niet instemt met controle ter plaatse, kan een schriftelijk onderzoek worden ingesteld.
3. Ingeval een schriftelijk onderzoek wordt ingesteld, ontvangt de onderneming bericht welke specifieke gegevens, die redelijkerwijs nodig zijn voor de beoordeling, hij binnen drie weken dient over te leggen.
4. De onderneming dient te allen tijde mee te werken aan een werkingssfeeronderzoek. Indien de onderneming weigert medewerking te verlenen of onvolledige of onjuiste informatie verstrekt, is sprake van een gegrond vermoeden van toepasselijkheid van de cao en verplichtstelling.
Artikel 5 - Commissie Werkingssfeer
1. De commissie is door partijen belast met het houden van toezicht op de werkingssfeer-onderzoeken.
2. De Commissie Werkingssfeer is namens partijen beslissingsbevoegd om uitspraken te doen over de werkingssfeeronderzoeken.
3. Het bureau legt de onderzoeksresultaten – voorzien van een aanbeveling – voor aan de Commissie Werkingssfeer.
4. De commissie bestaat uit 3 vertegenwoordigers van werkgeverszijde en 3 vertegenwoordigers van werknemerszijde van partijen.
5. Van werkgeverszijde worden twee vertegenwoordigers benoemd door Bouwend Nederland en één vertegenwoordiger door het bestuur van BPF Bouw.
6. Van werknemerszijde wordt één vertegenwoordiger benoemd door FNV Bouw, één vertegenwoordiger door CNV Hout en Bouw en één vertegenwoordiger door het bestuur van BPF Bouw.
7. De commissie wordt ondersteund door een of meer medewerkers van het bureau en laat zich – indien van toepassing – bijstaan door een medewerker van het extern onderzoeksbureau.
8. Het secretariaat wordt gevoerd door het bureau.
9. Besluitvorming vindt plaats bij gewone meerderheid. Medewerkers van het bureau en het extern onderzoeksbureau hebben geen stemrecht.
10. Voor het nemen van besluiten moeten ten minste één lid van werkgeverszijde en ten minste één lid van werknemerszijde aanwezig zijn.
11. Indien in een commissievergadering meer werkgeversleden aanwezig zijn dan werknemersleden – of omgekeerd –, dan brengen de leden van de groep met de meeste aanwezigen samen evenveel stemmen uit als de andere groep leden.
12. Indien de commissie niet tot besluitvorming komt nadat een zaak twee keer is behandeld, wordt de zaak aan partijen voorgelegd.
Artikel 6 - Uitspraak
Het bureau deelt de uitspraak schriftelijk mede aan de melder en de onderneming waarop de uitspraak betrekking heeft, waarbij wordt gewezen op de verder te volgen procedure en op de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de uitspraak.
Artikel 7 - Bezwaar
1. Zowel de melder als de onderneming waarop de uitspraak betrekking heeft, kunnen bezwaar maken tegen de uitspraak.
2. De termijn voor het indienen van bezwaar bedraagt zes weken. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop de uitspraak schriftelijk bekend is gemaakt als bedoeld in artikel 6. Een na afloop van deze termijn ingediend bezwaar, is niet-ontvankelijk en wordt derhalve niet in behandeling genomen.
3. Het bezwaar wordt schriftelijk ingediend bij het bureau onder vermelding van ‘Bezwaar werkingssfeeronderzoek’ en dient ten minste te vermelden:
a. naam en adres van de bezwaarhebbende;
b. ondertekening door de bezwaarhebbende;
c. de gronden van het bezwaar;
d. de dagtekening.
4. Bij het bezwaarschrift dient een kopie gevoegd te worden van de uitspraak waartegen het bezwaar zich richt.
5. Zowel de bezwaarhebbende als de melder c.q onderneming, ontvangen bericht van de indiening van het bezwaar.
6. De commissie doet uitspraak op bezwaar.
Artikel 8 - Uitspraak op bezwaar
Het bureau deelt de uitspraak op bezwaar schriftelijk mede aan de bezwaarhebbende en de melder c.q. onderneming.
Artikel 9 - Kosten
1. Aan het indienen van een melding respectievelijk een bezwaar en de behandeling ervan zijn voor de melder en de partij waarop de melding betrekking heeft, respectievelijk de indiener van het bezwaar, geen kosten verbonden.
2. De indiener van een melding en de partij waarop de melding betrekking heeft, respectievelijk de indiener van het bezwaar, dragen ieder de eigen kosten en komen niet in aanmerking voor vergoeding daarvan jegens elkander, de commissie, het bureau, een eventuele derde aan wie onderzoekswerkzaamheden zijn opgedragen of partijen.
Artikel 10 - Wijziging reglement
Partijen bij de cao zijn bevoegd dit reglement te wijzigen.
Artikel 11 - Slotbepaling
In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslissen partijen.
Artikel 12 - Inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 1 juli 2009.
Bijlage 21: Reglement Geschillen (zoals bedoeld in artikel 98)
Artikel 1 - Definities
1. Onder ‘de cao’ wordt verstaan de Cao voor de Bouwnijverheid. Daaronder wordt mede verstaan de Cao Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bouwnijverheid.
2. Onder ‘partijen bij de cao’ wordt verstaan de werkgevers- en werknemersorganisaties die partij zijn bij de Cao voor de Bouwnijverheid en de Cao Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bouwnijverheid.
3. Onder ‘geschillen’ wordt verstaan geschillen tussen werkgever en werknemer over de toepassing van een of meer bepalingen van de cao.
4. Onder ‘werkgever(s)’ wordt verstaan de werkgever als bedoeld in de cao.
5. Onder ‘werknemer(s)’ wordt verstaan de werknemer als bedoeld in de cao.
6. Onder ‘commissie’ wordt verstaan de Commissie Naleving.
7. Onder het ‘bureau’ wordt verstaan de Stichting Technisch Bureau voor de Bouwnijverheid, statutair gevestigd te Hoofddorp en kantoorhoudende te Harderwijk (Postbus 1128, 3840 BC Harderwijk).
Artikel 2 - Mandaat
1. Partijen bij de cao doen uitspraken over geschillen die hun oorsprong vinden in de cao.
2. De Commissie Naleving is namens partijen bij de cao beslissingsbevoegd om uitspraken te doen.
Artikel 3 - Commissie Naleving
1. Het bureau legt geschillen – voorzien van een aanbeveling – voor aan de Commissie Naleving.
2. De commissie bestaat uit 3 vertegenwoordigers van werkgeverszijde en 3 vertegenwoordigers van werknemerszijde van partijen bij de cao.
3. De werkgeversleden worden benoemd door Bouwend Nederland. Twee werknemersleden worden benoemd door FNV Bouw en één werknemerslid wordt benoemd door CNV Hout en Bouw.
4. De commissie wordt ondersteund door een of meer medewerkers van het bureau.
5. Het secretariaat wordt gevoerd door het bureau.
6. Besluitvorming vindt plaats bij gewone meerderheid. Medewerkers van het bureau hebben geen stemrecht.
7. Voor het nemen van besluiten moeten ten minste één lid van werkgeverszijde en ten minste één lid van werknemerszijde aanwezig zijn.
8. Indien in een commissievergadering meer werkgeversleden aanwezig zijn dan werknemersleden – of omgekeerd –, dan brengen de leden van de groep met de meeste aanwezigen samen evenveel stemmen uit als de andere groep leden.
9. Indien de commissie niet tot besluitvorming komt nadat een geschil twee keer is behandeld, wordt de zaak aan partijen bij de cao voorgelegd.
10. Bij de behandeling van een geschil kan de commissie besluiten zich door een deskundige bij te laten staan. De commissie besluit wie als deskundige wordt gevraagd en conformeert zich aan het oordeel van de deskundige.
Artikel 4 - Geheimhouding
Alle betrokkenen bij een geschil zijn gehouden geheimhouding te bewaren ten aanzien van al datgene wat hen uit hoofde van hun betrokkenheid ter kennis komt.
Artikel 5 - Indienen van een verzoek
1. Een verzoek om een uitspraak te doen in een geschil kan door iedere werknemer en werkgever die door het geschil rechtstreeks in zijn belang is getroffen, worden ingediend.
2. Een verzoek wordt schriftelijk ingediend bij het bureau onder vermelding van ‘Geschil’.
3. Het verzoek dient ten minste te vermelden:
a. naam en adres van de verzoeker;
b. ondertekening door de verzoeker;
c. naam en adres van degene op wie het verzoek betrekking heeft;
d. een nauwkeurige beschrijving van het geschil en de argumenten van verzoeker;
e. of om een bindend advies of niet bindend advies wordt verzocht;
f. de dagtekening.
4. De verzoeker verschaft desgevraagd (aanvullende) gegevens en bescheiden die voor de beoordeling van het verzoek nodig zijn en waarover hij of zij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
5. De verzoeker en degene op wie het verzoek betrekking heeft kunnen zich door een gemachtigde laten bijstaan of vertegenwoordigen. Van een gemachtigde kan een schriftelijke machtiging worden verlangd, tenzij de gemachtigde advocaat of procureur is.
Artikel 6 - Buiten behandeling
Een verzoek wordt niet in behandeling genomen wanneer:
a. reeds een gerechtelijke procedure is gestart;
b. over het geschil reeds een gerechtelijke uitspraak is gedaan;
c. het verzoek later dan zes maanden na de einddatum van het dienstverband wordt ingediend;
d. het geschil betrekking heeft op een periode langer dan vijf jaar voor het verzoek is ingediend;
e. nadat de verzoeker in de gelegenheid is gesteld om het verzoek aan te vullen, de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van het verzoek;
f. de verzoeker en de partij waarop het verzoek betrekking heeft geen of onvoldoende inspanning hebben verricht om eerst tot een oplossing te komen.
Artikel 7 - Behandeling van een verzoek
1. De verzoeker ontvangt van het bureau bericht van het in behandeling nemen van het verzoek.
2. De partij waarop het verzoek betrekking heeft wordt door het bureau schriftelijk in kennis gesteld van de ontvangst van het verzoek en wordt daarbij in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken na dagtekening van deze kennisgeving schriftelijk te reageren.
3. Een tweede ronde van hoor en wederhoor kan worden toegepast, waarbij termijnen van twee weken worden gesteld.
4. Beide partijen ontvangen een exemplaar van dit reglement.
Artikel 8 - Uitspraak
1. Het bureau deelt de uitspraak schriftelijk mede aan beide partijen.
2. De uitspraak van de commissie wordt gedaan in de vorm van een niet-bindend advies, tenzij beide partijen hebben verzocht om een bindende uitspraak.
Artikel 9 - Kosten
1. Aan het indienen van een verzoek en de behandeling ervan zijn voor de verzoeker en de partij waarop het verzoek betrekking heeft geen kosten verbonden.
2. De indiener van een verzoek en de partij waarop het verzoek betrekking heeft, dragen ieder de eigen kosten en komen niet in aanmerking voor vergoeding daarvan jegens elkander, de commissie, het bureau of partijen bij de cao.
Artikel 10 - Wijziging reglement
Partijen bij de cao zijn bevoegd dit reglement te wijzigen.
Artikel 11 - Slotbepaling
In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslissen partijen bij de cao.
Artikel 12 - Inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 1 juli 2009.
Bijlage 22: Reglement Dispensatie (zoals bedoeld in artikel 99)
Artikel 1 - Definities
1. Onder ‘de cao’ wordt verstaan de Cao voor de Bouwnijverheid. Daaronder wordt mede verstaan de Cao Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bouwnijverheid.
2. Onder ‘partijen bij de cao’ wordt verstaan de werkgevers- en werknemersorganisaties die partij zijn bij de Cao voor de Bouwnijverheid en de Cao Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bouwnijverheid.
3. Onder ‘dispensatieverzoek’ wordt verstaan een verzoek tot dispensatie van een of meer bepalingen van de cao.
4. Onder ‘werkgever(s)’ wordt verstaan de werkgever als bedoeld in de cao.
5. Onder ‘werknemer(s)’ wordt verstaan de werknemer als bedoeld in de cao.
6. Onder ‘commissie’ wordt verstaan de Commissie Naleving.
7. Onder het ‘bureau’ wordt verstaan de Stichting Technisch Bureau voor de Bouwnijverheid, statutair gevestigd te Hoofddorp en kantoorhoudende te Harderwijk (Postbus 1128, 3840 BC Harderwijk).
Artikel 2 - Mandaat
1. Partijen bij de cao doen uitspraken over dispensatieverzoeken.
2. De Commissie Naleving is namens partijen bij de cao beslissingsbevoegd om uitspraken te doen.
Artikel 3 - Commissie Naleving
1. Het bureau legt dispensatieverzoeken – voorzien van een aanbeveling – voor aan de Commissie Naleving.
2. De commissie bestaat uit 3 vertegenwoordigers van werkgeverszijde en 3 vertegenwoordigers van werknemerszijde van partijen bij de cao.
3. De werkgeversleden worden benoemd door Bouwend Nederland. Twee werknemersleden worden benoemd door FNV Bouw en één werknemerslid wordt benoemd door CNV Hout en Bouw.
4. De commissie wordt ondersteund door een of meer medewerkers van het bureau.
5. Het secretariaat wordt gevoerd door het bureau.
6. Besluitvorming vindt plaats bij gewone meerderheid. Medewerkers van het bureau hebben geen stemrecht.
7. Voor het nemen van besluiten moeten ten minste één lid van werkgeverszijde en ten minste één lid van werknemerszijde aanwezig zijn.
8. Indien in een commissievergadering meer werkgeversleden aanwezig zijn dan werknemersleden – of omgekeerd –, dan brengen de leden van de groep met de meeste aanwezigen samen evenveel stemmen uit als de andere groep leden.
9. Indien de commissie niet tot besluitvorming komt nadat een dispensatieverzoek twee keer is behandeld, wordt de zaak aan partijen bij de cao voorgelegd.
Artikel 4 - Geheimhouding
Alle betrokkenen bij een dispensatieverzoek zijn gehouden geheimhouding te bewaren ten aanzien van al datgene wat hen uit hoofde van hun betrokkenheid ter kennis komt.
Artikel 5 - Indienen van een verzoek
1. Een dispensatieverzoek kan worden ingediend door iedere werkgever of werknemer dan wel groepen werkgevers en werknemers die menen dat de toepassing van deze bepalingen van de cao voor hem/haar/hun om gegronde redenen onmogelijk danwel onwenselijk is.
2. Het verzoek wordt schriftelijk ingediend bij het bureau onder vermelding van ‘Dispensatie’.
3. Het verzoek dient ten minste te vermelden:
a. naam en adres van de verzoeker;
b. ondertekening door de verzoeker;
c. een nauwkeurige beschrijving van de aard en het bereik van het dispensatieverzoek en de argumenten van verzoeker;
d. de dagtekening.
4. De verzoeker verschaft desgevraagd (aanvullende) gegevens en bescheiden die voor de beoordeling van het verzoek nodig zijn en waarover hij of zij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
5. De verzoeker kan zich door een gemachtigde laten bijstaan of vertegenwoordigen.
Van een gemachtigde kan een schriftelijke machtiging worden verlangd, tenzij de gemachtigde advocaat of procureur is.
Artikel 6 - Buiten behandeling
Een verzoek wordt niet in behandeling genomen wanneer, nadat de verzoeker in de gelegenheid is gesteld om het verzoek aan te vullen, de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van het verzoek.
Artikel 7 - Behandeling van een verzoek
De verzoeker ontvangt van het bureau bericht van het in behandeling nemen van het verzoek en ontvangt daarbij een exemplaar van dit reglement.
Artikel 8 - Uitspraak
1. Het bureau deelt de uitspraak schriftelijk mede aan de verzoeker.
2. De uitspraak is bindend.
Artikel 9 - Kosten
1. Aan het indienen van een verzoek en de behandeling ervan zijn voor de verzoeker geen kosten verbonden.
2. De indiener van een verzoek draagt de eigen kosten en komt niet in aanmerking voor vergoeding daarvan jegens de commissie, het bureau of partijen bij de cao.
Artikel 10 - Wijziging reglement
Partijen bij de cao zijn bevoegd dit reglement te wijzigen.
Artikel 11 - Slotbepaling
In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslissen partijen bij de cao.
Artikel 12 - Inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 1 juli 2009.
Bijlage 23: Reglement Naleving (zoals bedoeld in artikel 100)
Artikel 1 - Definities
1. Onder ‘de cao’ wordt verstaan de Cao voor de Bouwnijverheid. Daaronder wordt mede verstaan de Cao Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bouwnijverheid.
2. Onder ‘partijen bij de cao’ wordt verstaan de werkgevers- en werknemersorganisaties die partij zijn bij de Cao voor de Bouwnijverheid en de Cao Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bouwnijverheid.
3. Onder ‘nalevingonderzoeken’ wordt verstaan onderzoeken naar de vraag of een werkgever de bepalingen van de cao naleeft.
4. Onder ‘werkgever(s)’ wordt verstaan de werkgever als bedoeld in de cao.
5. Onder ‘werknemer(s)’ wordt verstaan de werknemer als bedoeld in de cao.
6. Onder ‘commissie’ wordt verstaan de Commissie Naleving.
7. Onder het ‘bureau’ wordt verstaan de Stichting Technisch Bureau voor de Bouwnijverheid, statutair gevestigd te Hoofddorp en kantoorhoudende te Harderwijk (Postbus 1128, 3840 BC Harderwijk).
Artikel 2 - Nalevingonderzoeken
1. Het bureau stelt namens partijen bij de cao nalevingonderzoeken in. De onderzoeken kunnen worden verricht door een daartoe aan te wijzen extern bureau.
2. Het bureau controleert op basis van een gegrond vermoeden van overtreding van de cao. Van een gegrond vermoeden is sprake indien:
a. het bureau kennis neemt van signalen in de branche dat werkgevers de bepalingen van de cao overtreden en deze signalen concreet kunnen worden onderbouwd;
b. een aangeschreven onderneming weigert medewerking te verlenen;
c. een aangeschreven onderneming onvolledige of onjuiste informatie verstrekt;
d. het bureau op basis van de aangeleverde bescheiden één of meer overtredingen constateert.
3. Alle betrokkenen bij een nalevingonderzoek zijn gehouden geheimhouding te bewaren ten aanzien van al datgene wat hen uit hoofde van hun betrokkenheid ter kennis komt.
Artikel 3 - Melding
1. Een melding kan worden gedaan door:
a. elk van de partijen bij de cao;
b. iedere onderneming;
c. iedere werknemer van zodanige onderneming als bedoeld onder lid 1 sub b;
d. paritaire stichtingen binnen de sector Bouwnijverheid.
2. Een melding wordt schriftelijk ingediend bij het bureau onder vermelding van ‘nalevingonderzoek’.
3. De melding dient ten minste te bevatten:
a. naam en adres van de melder;
b. ondertekening door de melder;
c. naam en adres van de werkgever waarop de melding betrekking heeft;
d. een nauwkeurige beschrijving van de bedrijfsactiviteiten, vergezeld van de argumenten waaruit blijkt dat de cao niet wordt nageleefd;
e. de dagtekening.
4. De melder verschaft desgevraagd (aanvullende) gegevens en bescheiden die voor de beoordeling van de melding nodig zijn en waarover hij of zij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
5. Indien of zodra de melding volledig is, wordt de melding in behandeling genomen. Zowel de melder als de werkgever waarop de melding betrekking heeft, ontvangen hiervan bericht.
6. De melder wordt geacht zich niet te mengen in de behandeling van de melding. Gedurende het nalevingonderzoek dient de melder zich dan ook te onthouden van gedragingen die de uitkomst van het onderzoek kunnen beïnvloeden.
Artikel 4 - Werkwijze
1. De werkgever wordt schriftelijk op de hoogte gebracht van het instellen van een nalevingonderzoek. Ten minste twee weken voordat het onderzoek plaatsvindt, ontvangt de werkgever hiervan bericht, met vermelding van datum en plaats van het onderzoek.
2. Een nalevingonderzoek geschiedt in beginsel in de vorm van controle ter plaatse. Indien de werkgever niet instemt met controle ter plaatse, kan een schriftelijk onderzoek worden ingesteld.
3. Ingeval een schriftelijk onderzoek wordt ingesteld, ontvangt de werkgever bericht welke specifieke gegevens, die redelijkerwijs nodig zijn voor de controle en het toezicht op de naleving van de in de cao vastgelegde arbeidsvoorwaarden, hij binnen drie weken dient over te leggen.
4. De onderneming dient te allen tijde mee te werken aan een nalevingonderzoek.
Artikel 5 - Commissie Naleving
1. De commissie is door partijen bij de cao belast met het houden van toezicht op de nalevingonderzoeken.
2. De Commissie Naleving is namens partijen bij de cao beslissingsbevoegd om uitspraken te doen over de nalevingonderzoeken.
3. Het bureau legt de onderzoeksresultaten – voorzien van een aanbeveling – voor aan de Commissie Naleving.
4. De commissie bestaat uit 3 vertegenwoordigers van werkgeverszijde en 3 vertegenwoordigers van werknemerszijde van partijen bij de cao.
5. De werkgeversleden worden benoemd door Bouwend Nederland. Twee werknemersleden worden benoemd door FNV Bouw en één werknemerslid wordt benoemd door CNV Hout en Bouw.
6. De commissie wordt ondersteund door een of meer medewerkers van het bureau en laat zich – indien van toepassing – bijstaan door een medewerker van het extern onderzoeksbureau.
7. Het secretariaat wordt gevoerd door het bureau.
8. Besluitvorming vindt plaats bij gewone meerderheid. Medewerkers van het bureau en het extern onderzoeksbureau hebben geen stemrecht.
9. Voor het nemen van besluiten moeten ten minste één lid van werkgeverszijde en ten minste één lid van werknemerszijde aanwezig zijn.
10. Indien in een commissievergadering meer werkgeversleden aanwezig zijn dan werknemersleden – of omgekeerd –, dan brengen de leden van de groep met de meeste aanwezigen samen evenveel stemmen uit als de andere groep leden.
11. Indien de commissie niet tot besluitvorming komt nadat een zaak twee keer is behandeld, wordt de zaak aan partijen bij de cao voorgelegd.
Artikel 6 - Uitspraak
1. Het bureau deelt de uitspraak schriftelijk mede aan de melder en de werkgever waarop de uitspraak betrekking heeft.
2. Wanneer de uitspraak inhoudt dat de werkgever de cao niet naleeft, wordt de werkgever in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken verbeteringen aan te brengen ten aanzien van de geconstateerde omissies, bij gebreke waarvan een schadevergoedingsactie als bedoeld in artikel 7 kan worden ingesteld.
Artikel 7 - Schadevergoedingsactie
1. Partijen bij de cao dragen hun bevoegdheid tot het instellen van een schadevergoedingsactie als bedoeld in artikel 15 Wet CAO en artikel 3 Wet AVV in beginsel over aan het bureau.
2. Voordat het bureau een ingebrekestelling aan een bepaalde werkgever verstuurt inzake het niet naleven van cao-bepalingen, stelt zij hiervan partijen bij de cao in kennis.
3. Elk der partijen bij de cao kan afzonderlijk binnen een termijn van veertien dagen kenbaar maken dat zij zelfstandig ten aanzien van de betreffende werkgever een schadevergoedingsactie wenst in te stellen, waardoor de delegatie als bedoeld in lid 1 ten aanzien van de desbetreffende actie vervalt. Het bureau zal worden geïnformeerd over de uitkomst van de schadevergoedingsactie.
4. Als partijen niet binnen de termijn van veertien dagen reageren, is het bureau bevoegd de actie in te stellen, zonder dat partijen dat nog kunnen doorkruisen.
5. Wanneer een schadevergoeding wordt opgelegd, zullen de gronden voor en de omvang van de schadevergoeding schriftelijk aan de werkgever worden medegedeeld. Bij het bepalen van de schadevergoeding wordt in ieder geval rekening gehouden met de aard, de omvang en de duur van de niet-naleving, alsmede met de loonsom van de onderneming van de betrokken werkgever. Daarnaast kan rekening worden gehouden met de mate waarin die werkgever alsnog achterstallige verplichtingen jegens zijn personeel nakomt dan wel zekerheid stelt voor een correcte naleving van de cao.
6. De schadevergoeding dient ter dekking van de kosten van het onderzoek, gevoerde procedures en geleden imagoschade. De ter deze zake verkregen middelen worden toegevoegd aan de geldmiddelen van het bureau tot dekking van de kosten die het bureau moet maken als gevolg van haar toezichthoudende taak ten aanzien van de wijze waarop de cao wordt nageleefd. Het bureau hoeft niet aan te tonen dat zij de schade in de omvang als door haar gevorderd ook daadwerkelijk heeft geleden.
Artikel 8 - Kosten
1. Aan het indienen van een melding en de behandeling ervan zijn voor de melder en de partij waarop de melding betrekking heeft geen kosten verbonden.
2. De indiener van een melding en de partij waarop de melding betrekking heeft dragen ieder de eigen kosten en komen niet in aanmerking voor vergoeding daarvan jegens elkander, de commissie, het bureau, een eventuele derde aan wie onderzoekswerkzaamheden zijn opgedragen of partijen bij de cao.
3. Dit artikel is niet van toepassing wanneer een schadevergoedingsactie als bedoeld in artikel 7 wordt ingesteld.
Artikel 9 - Wijziging reglement
Partijen bij de cao zijn bevoegd dit reglement te wijzigen.
Artikel 10 - Slotbepaling
In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslissen partijen bij de cao.
Artikel 11 - Inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 1 juli 2009.




