Salarisnieuws

Vrijdag, 10 Sep

Laatste update04:24:24 AM GMT

10 Metaalindustrie
U bevindt zich op 10 Metaalindustrie

10 Metaalindustrie

Sector 10 - Metalektro AVV 2007-2010

E-mailadres Afdrukken PDF

Metalektro 2008/2010

Verbindendverklaring CAO-bepalingen

 

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

 

BESLUIT VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID VAN 15 FEBRUARI 2008 TOT ALGEMEEN VERBINDENDVERKLARING VAN BEPALINGEN VAN DE COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST IN DE METALEKTRO

 

UAW Nr. 10745

 

Bijvoegsel Stcrt. d.d. 19-02-2008, nr. 35

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelezen  het  verzoek  van  de  Stichting  Raad  van  Overleg  Metalektro namens partijen  bij  bovengenoemde  collectieve  arbeidsovereenkomst, strekkende tot algemeen verbindendverklaring van bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;

Partij(en) te ener zijde: Vereniging FME-CWM, Vereniging van onder- nemingen  in de metaal-,  kunststof-,  elektronica-  en  elektrotechnische industrie en aanverwante sectoren;

Partij(en) te anderer zijde: FNV Bondgenoten, CNV Bedrijvenbond  en De Unie.

Naar aanleiding van dit verzoek zijn schriftelijke bedenkingen ingediend door de AWVN namens AAR Aircraft Component  Services. Deze be- denkingen richten zich tegen artikel 9.6 en 9.7 van de cao in de Meta- lektro.

Partijen bij de cao in de Metalektro hebben aangegeven dat zij het avv- verzoek van de artikel 9.6 en 9.7 intrekken.

Nu  deze  passage  niet  voor  algemeen  verbindendverklaring  is  voor- gelegd, is de grond voor bovengenoemde bedenkingen komen te vervallen.

Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van  collectieve arbeids- overeenkomsten;

Besluit: Dictum I

Verklaart algemeen verbindend de navolgende bepalingen van bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst,  zulks met inachtneming  van hetgeen in de dicta II, III, IV, V en VI is bepaald:

HOOFDSTUK 1

 ALGEMENE BEPALINGEN

 Artikel 1.1

Definities 

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

1.   ,,Werknemer’’:

degene die een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek heeft gesloten, dan wel, al dan niet als thuiswerker, – anders dan in de zelfstandige uitoefening van een bedrijf of beroep – in aangenomen werk persoonlijk arbeid verricht.

2.   ,,Werkgever’’:  de  natuurlijke  of  rechtspersoon  voor  wie  een werknemer als bedoeld in lid 1 arbeid pleegt te verrichten.

5.   ,,Raad van Overleg in de Metalektro’’:

de Stichting Raad van Overleg in de Metalektro (ROM) gevestigd te ’s-Gravenhage. De Raad van Overleg is gerechtigd tot de taken die hem krachtens deze overeenkomst zijn opgedragen.

6.   ,,Loonsom Wfsv’’:

het  totaal van het loon als omschreven in artikel 3.1.1.1. Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv).

7.   ,,Feestdagen’’:

Nieuwjaarsdag, Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Tweede Pinksterdag,  Eerste en Tweede Kerstdag en de Nationale  Feestdag (30 april).

8.   ,,De Basis Jaarlijkse Arbeidsduur (BJA)(1)’’:

het saldo van het aantal dagen in een kalenderjaar verminderd met:

–    het aantal zaterdagen en zondagen in dat jaar,

–    de vakantiedagen  als bedoeld  in art. 5.3 eerste,  tweede  en derde volzin van deze CAO,

–    de feestdagen die niet op zaterdag of zondag vallen,  

–    13 roostervrije dagen (104 vrije roosteruren),  vermenigvul- digd met 8 uren.1)

In afwijking van het hiervoor vermelde bedraagt de BJA voor de werknemer  op  wie  de  overgangsregeling  extra  vakantie  voor senioren als bedoeld in artikel 5.6 van deze CAO, zoals dat geldt vanaf 1 januari 2009, van toepassing is in 2009  1736 uur en in 2010 1744 uur.

1)    De BJA bedraagt in 2008: 1736 uur De BJA bedraagt in 2009: 1720 uur De BJA bedraagt in 2010: 1728 uur

9.   ,,Voltijd’’:

een/het aantal te werken uren (op kalenderjaarbasis) gelijk aan de BJA.

10. ,,Deeltijd’’:

een/het aantal te werken uren (op kalenderjaarbasis) minder dan de BJA.

11. ,,Dienstrooster’’:

het voor de werknemer vastgestelde rooster van werktijden en rusttijden, vrije roosteruren en vakantietijden.

12. ,,Normale werkdag’’:

de  volgens  het  vastgestelde  rooster  door  de  werknemer  op  een kalenderdag te werken uren.

13. ,,Vrije roosteruren’’:

uren waarop de werkgever de werknemer binnen het  dienstrooster vrijstelt van dienst.

14. ,,Meeruren’’:

de gewerkte uren die de werknemer in opdracht van de  werkgever heeft gewerkt boven de BJA.

15. ,,Overuren’’:

De gewerkte uren die de werknemer in opdracht van de werkgever heeft gewerkt:

–    boven het aantal te werken uren volgens dagrooster voor  zover het aantal gewerkte uren het aantal van 8 te boven gaat;

–    op feestdagen of op roostervrije zaterdagen en zondagen.

De zon- en feestdagen worden geacht te duren van middernacht tot middernacht.

16. ,,Afwijkende werktijd’’:

een andere werktijd op een kalenderdag dan de werktijd welke voor de betreffende werknemers als normale werkdag is vastgesteld maar waarbij het aantal uren volgens het rooster van die dag niet  wordt overschreden.

17. ,,Ploegendienst’’:

het verrichten van arbeid in een systeem waarin de werktijden  van twee of meer groepen werknemers op elkaar aansluiten of uitsluitend ten behoeve van het overdragen van de  werkzaamheden  elkaar in geringe mate overlappen. Hierbij zal door de betrokken werknemer in regelmaat (bijvoorbeeld wekelijks) gedurende een langere termijn van dienst worden gewisseld.

18. ,,Functiejaren’’:

de hele jaren gedurende welke de werknemer werkzaam is geweest in de salarisgroep, waarin hij is ingedeeld te rekenen vanaf het tijdstip waarop hij de voor die salarisgroep geldende minimum leeftijd heeft bereikt of, indien dit op hogere leeftijd het geval is, vanaf het tijdstip waarop hij is ingedeeld in die salarisgroep.

Onder functiejaren worden mede begrepen:

–    de fictieve jaren welke de werkgever aan de werknemer  heeft toegekend bij invoering van een salarissysteem in de onderneming;

–    de fictieve jaren welke de werkgever aan de werknemer  heeft toegekend  op grond van zijn vroegere  werkzaamheden  in een lagere salarisgroep in dezelfde onderneming, waarbij de hoogte van het salaris in een lagere salarisgroep mede bepalend is;

–    de  fictieve jaren  welke  de  werkgever  aan  een  werknemer  bij indiensttreding toekent op grond van zijn ervaring in een andere onderneming.

19. ,,Salaris’’:

het tussen werkgever en werknemer overeengekomen  periodiek te betalen bedrag als vaste beloning voor de werkzaamheden in de door werknemer uitgeoefende functie.

20. ,,Jaarsalaris’’:

het tussen werkgever en werknemer overeengekomen  periodiek te betalen salaris berekend op jaarbasis.

21. ,,Oververdienste’’:

hetgeen een werknemer eventueel uit hoofde van een beloningssysteem per periode verdient boven zijn voor dezelfde  periode overeengekomen salaris.
Hieronder vallen derhalve niet vakantietoeslag, winstdeling, gratificatie  en  andere  eindejaarsuitkeringen,  alsmede  overwerk-, ploegen-, arbeidsomstandigheden- en andere inconveniëntentoeslagen.

22. ,,Beloningssysteem’’:

een  systeem  waarbij  de wijze  van taakvervulling  (individueel, groepsgewijs of collectief) wordt vastgesteld volgens één of meer kwantificeerbare factoren, of volgens een samenstel van factoren waarvan de meeste resp. de belangrijkste kwantificeerbaar zijn (prestatiebelonings-   resp.   prestatiebeoordelingssystemen).   Bij deze systemen zijn fluctuaties mogelijk.

23. ,,Jaarverdienste’’:

het jaarsalaris vermeerderd met de vaste oververdienste, of in geval   van   fluctuerende   oververdienste   de   gemiddelde    oververdienste van de werknemer in het laatst verstreken kalender- jaar.   De   jaarverdienste   heeft   betrekking   op    het   in   het kalenderjaar door de werknemer te werken aantal uren, de in lid 7 van dit artikel bedoelde feestdagen, alsmede de voor hem gel- dende vrije roosteruren en vakantie.

24. ,,Maandverdienste’’:

het twaalfde deel van de jaarverdienste.

25. ,,Uurverdienste’’:

0,58% van de maandverdienste.

 

Artikel 1.2 

Werkingssfeer

 

De bepalingen betreffende de werkingssfeer zijn opgenomen in bij- lage A. Deze bijlage maakt een geïntegreerd onderdeel uit van deze CAO.

 

Artikel 1.3

 

Gunstiger en andere bepalingen/Flexibilisering 

1.   De werkgever kan in voor werknemers gunstige zin van bepalin- gen van deze overeenkomst afwijken. 

2.   De werkgever kan niet in voor werknemers ongunstige zin  van bepalingen van deze overeenkomst afwijken. 

3.   De  werkgever  zal  in  zijn  onderneming  geldende  arbeidsvoor- waarden, die voor alle of één of meer groepen van werknemers in gunstige zin van bepalingen van deze overeenkomst afwijken, niet in ongunstige zin wijzigen dan na voorafgaand overleg met de ondernemingsraad en de v.v.. 

5.   De op basis van dit artikel van een vorige CAO overeengekomen regeling(en) blijft resp. blijven van kracht, ook na wijziging(en) van de CAO bepaling(en) waarvan bij die regeling(en) is afgewe- ken, zulks met inachtneming van de bij die regeling(en) overeen- gekomen looptijd.

 

Artikel 1.4 

MetalektroB-CAO 

1.   Bij of krachtens een CAO met bij deze overeenkomst betrokken vakverenigingen kan worden afgeweken van de B-bepalingen in deze  overeenkomst.   Die   CAO   wordt   hierna   aangeduid   als ,,MetalektroB-CAO’’, afgekort ,,MB-CAO’’. Van de A-bepalingen in deze CAO kan bij MB-CAO slechts in voor werknemers gun- stige zin worden afgeweken. 

2.   Een bij deze overeenkomst betrokken vakvereniging kan er van afzien  betrokken  te  zijn  bij  het  overeenkomen  van  de  in  het vorige lid bedoelde MB-CAO. 

3.   Voor zover bij MB-CAO is afgeweken van de B-bepalingen  in deze overeenkomst, gelden deze niet voor de betrokken werkge- ver(s) en zijn (hun) werknemers vanaf het moment  waarop de desbetreffende MB-CAO van kracht is geworden.

 4.   Wordt na afloop van een MB-CAO geen nieuwe MB-CAO afge- sloten, dan worden de B-bepalingen van deze overeenkomst voor zover daarvan bij MB-CAO was afgeweken van kracht een jaar nadat de looptijd van de MB-CAO is verstreken, tenzij partijen bij de MB-CAO anders overeenkomen. 

5.   In een MB-CAO kan worden bepaald wat de consequenties zijn van wijzigingen in B-bepalingen van deze CAO voor de lopende MB-CAO. 

6.   De op basis van dit artikel van een vorige CAO overeengekomen MB-CAO blijft van kracht, ook na  wijziging(en)  van de CAO bepaling(en) waarvan bij die MB-CAO is afgeweken, zulks met inachtneming van de bij die MB-CAO overeengekomen looptijd en het bepaalde in lid 4 en lid 5. 

7.   De werkgever stelt de betrokken werknemers schriftelijk in ken- nis van de gesloten MB-CAO, van de bepaling(en) van deze over- eenkomst waarop de afwijking betrekking heeft, van de ingangs- datum en van de duur van de MB-CAO. 

8.   Partijen bij de in lid 1 bedoelde MB-CAO melden de MB-CAO aan bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en zenden een exemplaar ter informatie  aan  de Raad van Overleg in de Metalektro.

 

Artikel 1.5 

Deeltijd 

1.   De bepalingen in deze CAO gaan uit van werknemers die in voltijd (voltijders) werkzaam zijn. Voor werknemers in deeltijd (deeltijders) gelden  de  in  deze  overeenkomst  opgenomen  arbeidsvoorwaarden naar evenredigheid van het aantal door de deeltijder gewerkte uren. Het bepaalde in de vorige zin geldt niet voor de artikelen 6.1 (kort verzuim), 6.3 (vakbondsverlof), 8.1 (karweiwerkzaamheden) en 8.2 (reis- en verblijfkosten). 

2.   In overleg tussen werkgever en werknemer kan de aanspraak van de deeltijder op extra opgebouwde vakantie en vrije roosteruren in ver- band met door hem gewerkte uren boven het contractueel overeen- gekomen aantal uren, geheel of gedeeltelijk worden vervangen door een aanspraak van de werknemer op vergoeding in geld. 

HOOFDSTUK 2

 BEGIN EN EINDE VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMST

 

Artikel 2.1 

Aanstelling 

1.   Een arbeidsovereenkomst kan worden aangegaan voor  bepaalde  of onbepaalde tijd. 

2.   Een proeftijd wordt op straffe van nietigheid schriftelijk overeenge- komen. 

3.   De werkgever bevestigt schriftelijk aan de werknemer het  aangaan van de arbeidsovereenkomst binnen een maand na de  aanvang van de werkzaamheden. In deze bevestiging of de  schriftelijke arbeids- overeenkomst staan ten minste de volgende gegevens:

a.   naam en woonplaats van de partijen;

b.   de plaats of de plaatsen waar de arbeid wordt verricht;

c.   de functie van de werknemer;

d.   het tijdstip van indiensttreding;

e.   indien de overeenkomst voor bepaalde tijd is gesloten: de duur van de overeenkomst; 

f.   de arbeidsduur;

g.   het aantal vrije roosteruren en het aantal vakantiedagen;

h.   de duur van de door partijen in acht te nemen opzegtermijnen of de wijze van berekening van deze termijnen;

i.    de salarisgroep dan wel werkklasse;

j.    het aantal toegekende functiejaren;

k.   indien van toepassing: de nevencode;

l.    de maand-, periode- of weekverdienste;

Wijzigingen zullen ook schriftelijk worden bevestigd.

 

Artikel 2.2 

Voorafgaande uitzendrelaties 

In afwijking van het bepaalde in artikel 7:668a BW geldt ten aanzien van de perioden waarin een werknemer, voorafgaande aan zijn  indiensttre- ding bij de werkgever, als uitzendkracht bij de werkgever heeft gewerkt, dat deze als één arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd worden meege- rekend, indien en voor zover die periode uitsluitend onderbroken is als gevolg van arbeidsongeschiktheid van de uitzendkracht en een daarmee samenhangende beëindiging  van  de  arbeidsovereenkomst  met het uit- zendbureau, met dien  verstande dat de tijdstermijn van artikel 7:668a BW (zijnde drie jaar) niet overschreden wordt c.q. doortelt.

 

Artikel 2.3 

Einde van de arbeidsovereenkomst 

1.   Opzegging van een voor onbepaalde tijd aangegane arbeidsovereen- komst gebeurt schriftelijk  en zodanig dat de  arbeidsovereenkomst eindigt aan het einde van de kalendermaand. 

2.   Bij  het  bereiken  door  de  werknemer  van  de  pensioengerechtigde leeftijd eindigt de dienstbetrekking zonder dat opzegging nodig is.

 

Artikel 2.4 

Verrekening vakantiedagen en vrije roosteruren 

Bij het einde van het dienstverband worden de te veel of te weinig geno- ten vakantiedagen en vrije roosteruren verrekend in tijd dan wel in geld. 

 HOOFDSTUK 3

 ARBEIDSDUUR EN WERKTIJDEN

 

Artikel 3.1 

Aanpassing van het aantal roostervrije uren

1.   Het aantal vrije roosteruren bedraagt per kalenderjaar 104. 

2.   De werkgever kan in afwijking van het vorige lid in overleg met de ondernemingsraad voor de gehele onderneming, één of meer afdelin- gen of één of meer groepen werknemers het aantal roostervrije uren voor een kalenderjaar vaststellen op een lager  aantal dan 104 uren (13 dagen), maar niet lager dan op 56 uren (7 dagen). Gaat de werk- gever daartoe over, dan wordt het feitelijk salaris van de desbetref- fende werknemers voor dat kalenderjaar verhoogd met 0,383% voor elke roostervrije dag (8 uren) die de werkgever lager vaststelt dan het aantal van 13  roostervrije  dagen (104 uren) per 1 januari van dat kalenderjaar. 

3.   De  werkgever  stelt  de  desbetreffende  werknemers  uiterlijk  in  de maand november  voorafgaand  aan het betreffende  kalenderjaar  in kennis van een besluit als bedoeld in lid 2.

4.   Het besluit als bedoeld in lid 2 geldt niet voor de werknemer die bin- nen 3 weken na de kennisgeving van dat besluit aan de  werkgever schriftelijk meedeelt, dat hij recht wil blijven  houden  op 104 vrije roosteruren. 

Artikel 3.2 

Aanpassing van de individuele arbeidsduur 

2.   De werknemer heeft in afwijking van artikel 2 WAA alleen recht op vermeerdering van de arbeidsduur in overleg met de werkgever. Stemt de werkgever niet in met een vermeerdering van de arbeids- duur, dan moet hij dat schriftelijk en gemotiveerd aan de werknemer meedelen.  

Artikel 3.3 

Aanpassing arbeidsduur in de werktijdregeling 

De werkgever die van plan is de arbeidsduur per dag in de  werktijd- regeling te vermeerderen tot boven de 8,5 uur pleegt  hierover overleg met de v.v.. 

Artikel 3.4 

Arbeidstijdenwet (ATW) 

Indien de werkgever een werktijdregeling wil gaan invoeren die niet past binnen de normen van de overlegregeling van de tot 1 november 2007 geldende Arbeidstijdenwet en de normen van de op deze wet gebaseerde Arbeidstijdenbesluiten, dan dient hij daarover overeenstemming te berei- ken met de bij deze CAO betrokken vakverenigingen. 

Artikel 3.5 

Uitgangspunten vaststelling dienstrooster/Uitgangspunten vaststelling dienstrooster 

1.   De werkgever vermijdt bij het vaststellen van het dienstrooster en het opdragen van bijzondere werkzaamheden zoveel mogelijk  het wer- ken op zaterdag en zondag en op feestdagen (zie art. 1.1 lid 7). Ten aanzien  van  de  werknemer  in  ploegendienst  is  daaraan  voldaan, indien de werknemer gedurende een etmaal dat ten minste over acht- tien achtereenvolgende  uren samenvalt  met  de feestdag, niet heeft gewerkt. 

2.   De werkgever zal bij het opnieuw vaststellen van de begin- en eind- tijden in de dienstroosters voor de dagdiensten op  maandag tot en met vrijdag in beginsel de aanvangstijd niet  stellen voor 07.00 uur en de eindtijd niet na 19.00 uur.

Artikel 3.6 

Vaststelling dienstrooster 

1.   De werkgever stelt na overleg met de werknemer het voor hem gel- dende dienstrooster vast. 

2.   Ten minste veertien kalenderdagen voor het in werking treden stelt de werkgever de werknemer in kennis van het voor hem  geldende dienstrooster. De werkgever kan met de  ondernemingsraad een an- dere termijn overeenkomen.  

Artikel 3.7 

Vaststelling vrije roosteruren 

1.   Vrije roosteruren worden verdiend in evenredigheid met de duur van de arbeidsovereenkomst gedurende het kalenderjaar. 

2.   De vrije roosteruren worden in de vorm van halve diensten volgens het rooster aangewezen.  De werkgever kan hiervan op  grond van bedrijfseconomische, organisatorische en/of  arbeidsmarkttechnische redenen afwijken. 

3.   De werkgever stelt na overleg met de werknemer de voor hem gel- dende vrije roosteruren vast. 

4.   Ten minste veertien kalenderdagen voor het in werking treden  van het rooster stelt de werkgever de werknemer van de voor hem gel- dende vrije roosteruren in kennis. De werkgever kan met de onder- nemingsraad een andere termijn overeenkomen. 

5.   De werkgever  mag na overleg met de ondernemingsraad  24  vrije roosteruren, geldend voor alle of nagenoeg alle  werknemers geza- menlijk, aanwijzen. Voor het aanwijzen van  meer vrije roosteruren voor alle of nagenoeg alle werknemers gezamenlijk is de instemming van de ondernemingsraad vereist. 

6.   De instemming van de ondernemingsraad  is nodig voor  wijziging van de in de onderneming gebruikelijke vorm waarin de vrije rooster- uren worden aangewezen of de in de onderneming gebruikelijke ver- deling van de vrije roosteruren over het jaar, indien de wijziging de gehele onderneming of een afdeling betreft. 

7.   In afwijking van de leden 4, 5 en 6 is de instemming van de onder- nemingsraad niet nodig, indien werkzaamheden buiten eigen bedrijf moeten worden verricht en op de werkplek de werkzaamheden niet kunnen worden uitgevoerd als gevolg van een aldaar geldende rege- ling van collectief vrijaf. De werkgever zal in dat geval eerst de 24 vrije roosteruren als bedoeld in lid 5 daarvoor gebruiken. 

8.   Andere afwijkingen van de aanwijzing van vrije roosteruren in  de vorm van halve diensten volgens het rooster dan als  bedoeld in de leden 6 en 7 vinden plaats na overleg met betrokkene(n). 

Artikel 3.8 

Overwerk 

1.   De werkgever stelt de ondernemingsraad van een opdracht tot over- werk – zo mogelijk voor de aanvang hiervan – in kennis. 

2.   Heeft de werkgever het in het vorige lid bepaalde in acht genomen, dan is de werknemer verplicht over te werken, tenzij:

–    hij jonger dan 18 jaar is of 55 jaar of ouder;

–    en voor zover hem is opgedragen  over te werken op een dag waarop hij een kortere arbeidsduur heeft dan die van werknemers in vergelijkbare functies;

–    hij wegens zijn gezondheid niet in staat is over te werken. Bij verschil van mening over de medische geschiktheid van de werknemer tot het verrichten van overwerk moet de werknemer, zo mogelijk met inschakeling van de bedrijfsarts, een medische verklaring overleggen.

3.   Begint het overwerk voor of op middernacht en:

–    is die dag de normale werktijd gewerkt of

–    is die dag een zon- of feestdag, dan behoeft het werk niet eerder dan elf uren na het beëindigen van het overwerk te worden hervat. Deze elf uren kunnen éénmaal per periode van 7 x 24 uur, worden ingekort tot acht uren. Voor zover deze uren vallen binnen de normale werkdag worden zij als gewerkte uren beschouwd. 

4.   Bij het opdragen van overwerk houdt de werkgever ernstig rekening met de voor de werknemer  op grond van zijn geloof  van belang zijnde wekelijkse rustdag en godsdienstige feestdagen.

5.   De werkgever  zal met de v.v. overleg  plegen  over het  overwerk, indien de v.v. de wens daartoe te kennen geven.

 

Artikel 3.9

Ploegendienst 

1.   De werkgever stelt voor de gehele onderneming of één of meerdere afdelingen geen voor de onderneming nieuwe ploegendienst in dan nadat de v.v. daarmee hebben ingestemd. 

2.   Wordt een ploegendienst ingesteld, dan is de werknemer verplicht in ploegen te werken, tenzij:

–    hij 55 jaar of ouder is en vanaf zijn 50ste jaar niet in  ploegen heeft gewerkt,

–    hij daartoe wegens zijn gezondheid niet in staat is. Bij verschil van mening over de medische geschiktheid van de  werknemer moet, zo mogelijk met inschakeling van de bedrijfsarts, de werk- nemer een medische verklaring overleggen.

 

Artikel 3.10 

Consignatiedienst 

1.   Een werkgever stelt geen consignatiedienst in dan nadat hij hiervoor in overleg met de v.v. of de ondernemingsraad  een  regeling heeft getroffen. In deze regeling moeten afspraken staan over vergoeding voor reiskosten en telefoonkosten en over de vergoeding per etmaal. Ook zal in de regeling een afspraak moeten staan over de te hante- ren rusttijd indien een werknemer in consignatie heeft moeten wer- ken in de uren gelegen tussen 0.00 uur en 5.00 uur. 

2.   De bepalingen uit deze CAO inzake overwerk en meeruren zijn op de consignatiedienst van toepassing. 

Artikel 3.11 

Opleidingsdagen 

1.   De werknemer heeft het kalenderjaar 2009 recht op 1 opleidingsdag (8 uren) en het kalenderjaar 2010 recht op 2  opleidingsdagen  (16 uren). 

2.   Opleidingsdagen (-uren) worden verdiend in evenredigheid met  de duur van de arbeidsovereenkomst gedurende het kalenderjaar. 

3.   Opleidingsdagen  (-uren) moeten in het betreffende of daarop  vol- gende kalenderjaar worden genoten. De opleidingsdagen (-uren) van het betreffende kalenderjaar die een werknemer dan niet heeft geno- ten, vervallen op dat moment.

Werkgever en werknemer kunnen afspreken dat de opleidingsdagen(-uren) op een later moment vervallen. 

4.   De werknemer kiest in overleg met de werkgever voor welke opleiding hij opleidingsdagen zal gebruiken. 

5.   De werkgever en de werknemer stellen in goed overleg de  dagen (uren) vast waarop de werknemer de opleiding op een opleidingsdag zal volgen.

 

Artikel 3.12 

Studiekostenregeling 

De werkgever stelt een studiekostenregeling vast voor het na 31 decem- ber 2008 volgen van een opleiding.

 

Artikel 3.13 

EVC (Erkenning van Verworven Competenties) 

De werknemer heeft vanaf 1 januari 2008 eenmaal in elke periode van vijf kalenderjaren recht op het door de werkgever vergoeden  van ge- maakte kosten voor een EVC-test tot een bedrag van ten hoogste € 750 bruto.

 

Artikel 3.14

Tijdsparen 

1.   De werknemer heeft het recht in het kader van de mogelijkheid tot individueel  sparen,  na  overleg  met  de  werkgever,  maximaal  12 roostervrije  dagdelen  te  kapitaliseren  en  aan  te  wenden  voor  de (vroeg)pensioenvoorziening. 

2.   Het  recht  van  de  werknemer  als  bedoeld  in  lid  1  is  afwezig  of beperkt tot minder dan 12 roostervrije dagdelen indien en voor zover de werkgever conform artikel 3.7 lid 5 alle of  méér  dan veertien roostervrije dagdelen voor alle of nagenoeg alle werknemers, waar- onder de werknemer, gezamenlijk, heeft aangewezen. 

3.   Het recht van de werknemer als bedoeld in lid 1 is eveneens afwe- zig of beperkt tot minder dan 12 roostervrije dagdelen indien en voor zover de werkgever conform artikel 3.7 lid 6 alle of méér dan veer- tien roostervrije dagdelen voor de gehele onderneming of een afde- ling, waaronder de werknemer, in een  andere vorm dan bedoeld in artikel 3.7 lid 2, aanwendt. 

4.   Het recht van de werknemer als bedoeld in lid 1 is eveneens afwe- zig of beperkt tot minder dan 12 roostervrije dagdelen indien en voor zover, ondanks het gestelde in de leden 2 en 3,  redelijkerwijs niet van de werkgever gevergd kan worden dat  hij  dat recht toekent. Is de werkgever dat van oordeel, dan zal hij dat schriftelijk en gemotiveerd aan de werknemer meedelen.

 

Artikel 3.15

Tijd verkopen of sparen

Op verzoek van de werknemer kunnen werkgever en werknemer afspre- ken dat de werknemer bovenwettelijke vakantiedagen tot een maximum van 6 dagen per jaar kan verkopen  of sparen voor  andere specifieke doeleinden dan de (vroeg)pensioenvoorziening of een tijdspaarregeling.

 

Artikel 3.16

Tijdspaarregeling 

1.   In de onderneming kan in overleg tussen de v.v. en/of de  onderne- mingsraad en de werkgever een tijdspaarregeling worden ingesteld. Bronnen hiervoor zijn: vrije roostertijd, bovenwettelijke vakantieda- gen en overuren. 

2.   Binnen  het kader  van een tijdspaarregeling  kunnen  werkgever  en werknemer afspreken dat de werknemer meer dan 6 bovenwettelijke vakantiedagen per jaar kan sparen in de vorm van tijd of geld. 

3.   Deelname aan de tijdspaarregeling is voor de werknemer  vrijwillig met dien verstande dat de bepalingen in deze CAO met betrekking tot het vaststellen van roostervrije uren,  vakantie  en overuren dan van toepassing blijven. 

4.   Gaat de werkgever over tot het instellen van een  tijdspaarregeling, dan  moet  hij  zekerheid  stellen  bijvoorbeeld  door  middel  van  het oprichten van een fonds en/of herverzekering. 

5.   De aanspraak van de werknemer op de in het kader van een  tijd- spaarregeling gespaarde vrije uren verjaart niet.

 

Artikel 3.17

Kopen van dagen 

De werknemer heeft het recht tot het kopen van maximaal zes dagen ver- lof per jaar. De werknemer kan dit verlof genieten na overleg  met de werkgever.

HOOFDSTUK 4

SALARISBEPALINGEN 

Artikel 4.1 

Salarisgroepen

1.   Elke functie die in een onderneming wordt uitgeoefend, wordt inge- deeld in één van de salarisgroepen A t/m K met behulp van een vorm van functieclassificatie. 

2.   De  werkgever  kan  voor het  invoeren  van  een  vorm  van  functie- classificatie kiezen uit ISF of een in bijlage F van deze CAO opge- nomen  systeem  van  functieclassificatie  dan  wel  daarvan  afgeleid instrument. Maakt de werkgever geen keuze, dan is hij verplicht ISF in te voeren.

Heeft  de werkgever  per 1 januari 2008 nog geen keuze voor  een vorm van functieclassificatie gemaakt ter vervanging van de functie- lijst, dan is de werkgever verplicht ISF in te voeren. 

3.   Indien de werkgever een andere vorm van functieclassificatie invoert dan een in het vorige lid vermelde vorm van functieclassificatie, dan moet hij zijn keuze ter goedkeuring  voorleggen  aan de Raad van Overleg in de Metalektro (ROM).

De ROM brengt binnen een maand na ontvangst van het verzoek tot goedkeuring zijn beslissing schriftelijk ter kennis van de werkgever.

Artikel 4.2 

Andere vormen van functieclassificatie dan ISF 

2.   Indien bij invoering van een andere vorm van functieclassificatie dan ISF de som van de maandverdienste en de arbeidsomstandigheden- toeslag minder bedraagt dan de som van de oorspronkelijke maand- verdienste en een eventuele toeslag voor bezwarende arbeidsomstan- digheden, zal de laatst vermelde som worden gegarandeerd. 

3.   In afwijking van lid 2 zal voor werknemers van 55 jaar en ouder de oorspronkelijke  maandverdienste,  vermeerderd  met  een  eventuele toeslag voor bezwarende omstandigheden, worden aangepast aan de algemene salarismutaties overeengekomen bij de CAO.

4.   Indien bij de invoering van een andere vorm van functieclassificatie dan ISF en zolang het functiesalaris minder  bedraagt dan het oor- spronkelijke salaris zal voor de  vaststelling van de aan het salaris gekoppelde arbeidsvoorwaarden worden uitgegaan van het oorspron- kelijke salaris. 

5.   Wordt  als  gevolg  van  de  toepassing  van  een  andere  vorm  van functieclassificatie dan ISF een salarissysteem ingevoerd resp. gewij- zigd, dan zal dit in overleg tussen werkgever, v.v. en w.v. plaatsvin- den.

 

Artikel 4.3 

Indeling van de functies in de onderneming 

1.   De werkgever legt de functies met hun salarisgroepindeling vast in een eigen lijst van de onderneming. 

2.   De indeling van de functies zal plaatsvinden nadat door de systeem- houder de door de onderneming vastgestelde functielijst is goedgekeurd. 

3.   Nadat de functielijst van de onderneming door de systeemhouder is goedgekeurd deelt de werkgever de in de onderneming voorkomende functies in salarisgroepen in na overleg met de ondernemingsraad.

 

Artikel 4.4 

Indeling van de werknemers 

1.   De werkgever deelt de werknemers in op grond van de door hen uit- geoefende functies in de salarisgroepen A t/m K. 

2.   In plaats van indeling op basis van de uitgeoefende functies kan bij jeugdige  werknemers  de  indeling  ook  plaatsvinden  in  de  salaris- groepen I t/m IV op basis van het opleidingsniveau:

in salarisgroep I:        werknemers van 15 t/m 20 jaar;

in salarisgroep II:       werknemers van 18 t/m 22 jaar;

in salarisgroep III:     werknemers van 18 t/m 22 jaar;

in salarisgroep IV:      werknemers van 21 t/m 24 jaar,

waarbij onder opleidingsniveau wordt verstaan een niveau:

voor I:          minder dan de niveaus genoemd onder II;

voor II:         v(m)bo/mavo;

voor III:       mbo resp. v(m)bo/mavo + specialistische opleiding

van min. 1 jaar (b.v. praktijkdiploma boekhouden of

Nederlandse handelscorrespondentie + handelscorrespondentie in één der moderne talen);

 voor I:          minder dan de niveaus genoemd onder II;

voor IV:       hbo resp. havo + S.P.D. I en II, havo + m.o. (b.v. boekhouden of handelswetenschappen of moderne taal). 

3.   De werkgever kan, in afwijking van het gestelde in lid 1 en 2, werk- nemers  die  in  het  kader  van  het  werkervaringsproject  een  werk- ervaringsplaats vervullen of deelnemen aan een ander arbeidsmarkt- project,  nadat  daarover  met  de  v.v.  overeenstemming  is  bereikt, gedurende een periode van 1 jaar indelen in een opstapsalarisgroep. 

4.   De werkgever verstrekt de werknemer, naast de schriftelijke beves- tiging als bedoeld in artikel 2.1, de functieomschrijving of de moti- vering van de indeling. Bij wijziging zal een nieuwe schriftelijke ver- klaring worden verstrekt. 

5.   Klachten van werknemers met betrekking tot hun indeling dienen te worden  behandeld  volgens  een  in  de  onderneming  aan  te  geven beroepsmogelijkheid (zie ook bijlage E).

 

Artikel 4.5 

Salariëring/Salariëring 

1.   De werkgever komt met de werknemer die de  pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt  een salaris  overeen,  dat ten minste gelijk is aan de persoonlijk minimum maandverdienste welke in dit artikel is vastgesteld, rekening houdende met:

–    de salarisgroep waarin hij is ingedeeld;

–    zijn leeftijd resp. het hem toegekende aantal functiejaren. 

2.   Het  persoonlijk  minimumsalaris  bij  0  functiejaren  zal  ten  minste worden toegekend:

in salarisgroep A op 23-jarige leeftijd; in salarisgroep B op 24-jarige leeftijd; in salarisgroep C op 24-jarige leeftijd; in salarisgroep D op 25-jarige leeftijd; in salarisgroep E op 25-jarige leeftijd; in salarisgroep F op 26-jarige leeftijd; in salarisgroep G op 26-jarige leeftijd; in salarisgroep H op 27-jarige leeftijd òf, indien dit op hogere leeftijd het geval is, vanaf het tijdstip  van indeling in de desbetreffende salarisgroep.

In de salarisgroepen J en K zal het persoonlijk minimumsalaris gel- den bij 0 functiejaren  vanaf het tijdstip van indeling  ongeacht de leeftijd.

3.   Het persoonlijk minimum functiesalaris behorende bij het hieronder vermelde  maximum  aantal  functiejaren  per  salarisgroep  dient  ten minste te worden toegekend aan de werknemers ingedeeld in: salarisgroep A bij  1 functiejaar;

salarisgroep B bij            2 functiejaren; salarisgroep C bij                  3 functiejaren; salarisgroep D bij                 4 functiejaren; salarisgroep E bij                                  5 functiejaren; salarisgroep F bij                  6 functiejaren; salarisgroep G bij                 7 functiejaren; salarisgroep H bij                                 8 functiejaren; salarisgroep J bij                   9 functiejaren; salarisgroep K bij 10 functiejaren.

 

4.   Voor werknemers jonger dan de in lid 2 vermelde leeftijden zal bij voltijdarbeid ten minste een persoonlijk minimum maandverdienste gelden:

 

 

 

per

 

1-1 2008

 

1-7-2008

 

1-1 2009

 

1-7-2009

 

1-1-2010

 

Bij indeling in salarisgroep II

 

18 jaar

 

988,03

 

992,97

 

1.017,79

 

1.027,97

 

1.035,68

 

19 jaar

1.106,55

1.112,08

1.139,88

1.151,28

1.159,91

 

20 jaar

1.225,07

1.231,20

1.261,98

1.274,60

1.284,16

 

21 jaar

1.343,59

1.350,31

1.384,07

1.397,91

1.408,39

 

22 jaar

1.462,12

1.469,43

1.506,17

1.521,23

1.532,64

 

23 jaar

1.580,64

1.588,54

1.628,25

1.644,53

1.656,86

Bij indeling in salarisgroep III

18 jaar

1.106,55

1.112,08

1.139,88

1.151,28

1.159,91

 

19 jaar

1.201,37

1.207,38

1.237,56

1.249,94

1.259,31

 

20 jaar

1.296,18

1.302,66

1.335,23

1.348,58

1.358,69

 

21 jaar

1.391,00

1.397,96

1.432,91

1.447,24

1.458,09

 

22 jaar

1.485,82

1.493,25

1.530,58

1.545,89

1.557,48

 

23 jaar

1.580,64

1.588,54

1.628,25

1.644,53

1.656,86

Bij indeling in salarisgroep IV

21 jaar

1.505,84

1.513,37

1.551,20

1.566,71

1.578,46

 

22 jaar

1.566,79

1.574,62

1.613,99

1.630,13

1.642,36

 

23 jaar

1.627,74

1.635,88

1.676,78

1.693,55

1.706,25

Bij indeling in salarisgroepen D en E

18 jaar

1.106,55

1.112,08

1.139,88

1.151,28

1.159,91

 

19 jaar

1.201,37

1.207,38

1.237,56

1.249,94

1.259,31

 

20 jaar

1.296,18

1.302,66

1.335,23

1.348,58

1.358,69

 

21 jaar

1.391,00

1.397,96

1.432,91

1.447,24

1.458,09

 

22 jaar

1.485,82

1.493,25

1.530,58

1.545,89

1.557,48

 

23 jaar

1.580,64

1.588,54

1.628,25

1.644,53

1.656,86

Bij indeling in salarisgroepen F, G en H

21 jaar

1.505,84

1.513,37

1.551,20

1.566,71

1.578,46

 

22 jaar

1.566,79

1.574,62

1.613,99

1.630,13

1.642,36

 

23 jaar

1.627,74

1.635,88

1.676,78

1.693,55

1.706,25


 

 

 

 

 

Metalektro 2008/2010

Verbindendverklaring CAO-bepalingen

 

 

 

5.   Voor werknemers in de opstapsalarisgroep geldt het wettelijk mini- mum(jeugd)loon.

 

6.   Voor de werknemer die geregeld verschillende functies uitoefent geldt, indien deze functies niet in dezelfde salarisgroep zijn inge- deeld, de persoonlijke minimum maandverdienste van de salaris- groep waarin de functie die  het hoogst is gewaardeerd is inge- deeld.

Bij of krachtens MB-CAO kan:

–    worden afgeweken van de systematiek van een hogere mini-

mum persoonlijke maandverdienste bij meer functiejaren vol-

gens onderstaande  tabel. Wordt alleen afgeweken van deze

systematiek en worden de 10 salarisgroepen van onderstaande

tabel  gehandhaafd,  dan  zullen  het  laagste  en  het  hoogste

bedrag van de persoonlijke minimum maandverdienste in elk

van de 10 salarisgroepen dienen te worden gerespecteerd;

–    (ook)  worden  afgeweken  van  de  indeling  van  10  salaris-

groepen. Voor de overeen te komen salarisverhoudingen geldt

dan dat het laagste en het hoogste bedrag van de overeen te

komen salarisgroepen worden bepaald in verhouding tot het

laagste en het hoogste bedrag van de salarisgroepen in onder-

staande tabel.

 

7.   De persoonlijke minimum maandverdienste per 1-1-2008 bij vol- tijdarbeid bedraagt:

 

salarisgr.
A
B
C
D
E
F
G
H
J
K
functiejr.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
0
1.534,66
1.559,69
1.596,47
1.648,59
1.711,41
1.786,01
1.871  ,84
1.975,54
2.107,34
2.259,08
1
1.555,61
1.586,77
1.629,68
1.685,36
1.753,31
1.833,01
1.924  ,96
2.034,81
2.172,21
2.331,10
2
 
1.613,33
1.662,38
1.722,13
1.795,20
1.880,00
1.977,58
2.09 3,54
2.237,09
2.402,63
3
 
 
1.695,07
1.758,93
1.837,09
1.927,01
2.030,72
2.152,30
2.3 01,98
2.474,66
4
 
 
 
1.796,21
1.878,97
1.973,48
2.083,31
2.211,04
2.366,86
2. 546,69
5
 
 
 
 
1.920,87
2.020,50
2.136,47
2.270,32
2.431,75
2.618,20
6
 
 
 
 
 
2.067,49
2.189,08
2.329,06
2.496,62
2.690,26
7
 
 
 
 
 
 
2.242,21
2.387,81
2.561,50
2.761,76
8
 
 
 
 
 
 
 
2.446,55
2.626,38
2.833,81
9
 
 
 
 
 
 
 
 
2.691,27
2.905,84
10
 
 
 
 
 
 
 
 
 
2.977,36

 

De persoonlijke minimum maandverdienste per 1-7-2008 bij voltijdarbeid bedraagt:

salarisgr.

A

B

C

D

E

F

G

H

J

K

functiejr.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0

1.542,33

1.567,49

1.604,45

1.656,83

1.719,97

1.794,94

1.881,20

1.985,42

2.117,88

2.270,38

1

1.563,39

1.594,70

1.637,83

1.693,79

1.762,08

1.842,18

1.934,58

2.044,98

2.183,07

2.342,76

2

 

1.621,40

1.670,69

1.730,74

1.804,18

1.889,40

1.987,47

2.104,01

2.248,28

2.414,64

3

 

 

1.703,55

1.767,72

1.846,28

1.936,65

2.040,87

2.163,06

2.313,49

2.487,03

4

 

 

 

1.805,19

1.888,36

1.983,35

2.093,73

2.222,10

2.378,69

2.559,42

5

 

 

 

 

1.930,47

2.030,60

2.147,15

2.281,67

2.443,91

2.631,29

6

 

 

 

 

 

2.077,83

2.200,03

2.340,71

2.509,10

2.703,71

7

 

 

 

 

 

 

2.253,42

2.399,75

2.574,31

2.775,57

8

 

 

 

 

 

 

 

2.458,78

2.639,51

2.847,98

9

 

 

 

 

 

 

 

 

2.704,73

2.920,37

10

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2.992,25


 

De persoonlijke minimum maandverdienste per 1-1-2009 bij voltijdarbeid bedraagt:

 

salarisgr.

A

B

C

D

E

F

G

H

J

K

functiejr.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0

1.580,89

1.606,68

1.644,56

1.698,25

1.762,97

1.839,81

1.928,23

2.035,06

2.170,83

2.327,14

1

1.602,47

1.634,57

1.678,78

1.736,13

1.806,13

1.888,23

1.982,94

2.096,10

2.237,65

2.401,33

2

 

1.661,94

1.712,46

1.774,01

1.849,28

1.936,64

2.037,16

2.156,61

2.304,49

2.475,01

3

 

 

1.746,14

1.811,91

1.892,44

1.985,07

2.091,89

2.217,14

2.371,33

2.549,21

4

 

 

 

1.850,32

1.935,57

2.032,93

2.146,07

2.277,65

2.438,16

2.623,41

5

 

 

 

 

1.978,73

2.081,37

2.200,83

2.338,71

2.505,01

2.697,07

6

 

 

 

 

 

2.129,78

2.255,03

2.399,23

2.571,83

2.771,30

7

 

 

 

 

 

 

2.309,76

2.459,74

2.638,67

2.844,96

8

 

 

 

 

 

 

 

2.520,25

2.705,50

2.919,18

9

 

 

 

 

 

 

 

 

2.772,35

2.993,38

10

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3.067,06


 

De persoonlijke minimum maandverdienste per 1-7-2009 bij voltijdarbeid bedraagt:

 

salarisgr.

A

B

C

D

E

F

G

H

J

K

functiejr.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0

1.596,70

1.622,75

1.661,01

1.715,23

1.780,60

1.858,21

1.947,51

2.055,41

2.192,54

2.350,41

1

1.618,49

1.650,92

1.695,57

1.753,49

1.824,19

1.907,11

2.002,77

2.117,06

2.260,03

2.425,34

2

 

1.678,56

1.729,58

1.791,75

1.867,77

1.956,01

2.057,53

2.178,18

2.327,53

2.499,76

3

 

 

1.763,60

1.830,03

1.911,36

2.004,92

2.112,81

2.239,31

2.395,04

2.574,70

4

 

 

 

1.868,82

1.954,93

2.053,26

2.167,53

2.300,43

2.462,54

2.649,64

5

 

 

 

 

1.998,52

2.102,18

2.222,84

2.362,10

2.530,06

2.724,04

6

 

 

 

 

 

2.151,08

2.277,58

2.423,22

2.597,55

2.799,01

7

 

 

 

 

 

 

2.332,86

2.484,34

2.665,06

2.873,41

8

 

 

 

 

 

 

 

2.545,45

2.732,56

2.948,37

9

 

 

 

 

 

 

 

 

2.800,07

3.023,31

10

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3.097,73

 

De persoonlijke minimum maandverdienste per 1-1-2010 bij voltijdarbeid bedraagt:

 

salarisgr.

A

B

C

D

E

F

G

H

J

K

functiejr.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

0

1.608,68

1.634,92

1.673,47

1.728,09

1.793,95

1.872,15

1.962,12

2.070,83

2.208,98

2.368,04

1

1.630,63

1.663,30

1.708,29

1.766,64

1.837,87

1.921,41

2.017,79

2.132,94

2.276,98

2.443,53

2

 

1.691,15

1.742,55

1.805,19

1.881,78

1.970,68

2.072,96

2.194,52

2.344,99

2.518,51

3

 

 

1.776,82

1.843,76

1.925,70

2.019,96

2.128,66

2.256,10

2.413,00

2.594,01

4

 

 

 

1.882,84

1.969,59

2.068,66

2.183,79

2.317,68

2.481,01

2.669,51

5

 

 

 

 

2.013,51

2.117,95

2.239,51

2.379,82

2.549,04

2.744,47

6

 

 

 

 

 

2.167,21

2.294,66

2.441,39

2.617,03

2.820,00

7

 

 

 

 

 

 

2.350,36

2.502,97

2.685,05

2.894,96

8

 

 

 

 

 

 

 

2.564,54

2.753,05

2.970,48

9

 

 

 

 

 

 

 

 

2.821,07

3.045,98

10

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3.120,96


 

 

 

 

 

Metalektro 2008/2010

Verbindendverklaring CAO-bepalingen

 

 

 

8.   Indien de feitelijke maandverdienste hoger is dan de in de tabel ver- melde bedragen kunnen aan de in lid 7 opgenomen tabel geen rech- ten worden ontleend om onderlinge verhoudingen te  wijzigen resp. het niveau van de feitelijke maandverdienste te verhogen.

 

9.   De maandverdienste van een werknemer is gedurende de eerste helft van een kalenderjaar tenminste gelijk aan de persoonlijke minimum maandverdienste genoemd bij de leeftijd die de werknemer op 1 april van dat jaar heeft en gedurende de tweede helft van het jaar aan de persoonlijke minimum maandverdienste genoemd bij de leeftijd die de werknemer op 1 oktober van dat jaar heeft.

 

Artikel 4.6

 

Ondernemingssalarissystemen

 

1.   a.   Indien  in  een  onderneming  wordt  gewerkt  met  een  voor  die onderneming geldend salarissysteem, zal hierbij het  gestelde in de artikelen 4.1, 4.3 en 4.4 in acht dienen te worden genomen.

b.   Het gestelde in artikel 4.5 lid 7 zal ten minste van  toepassing zijn, met dien verstande dat zowel van de vermelde leeftijden als van de aangegeven aantallen functiejaren kan worden afgeweken met  inachtneming  van  ten  minste  de  persoonlijke  minimum maandverdiensten.

 

2.   a.   Bij invoering  van resp.  ingrijpende  wijziging  van een  salaris- systeem zal in een vroegtijdig stadium overleg worden gepleegd tussen werkgever, w.v. en v.v..

De salarisschalen zullen worden gebaseerd op de in de onderne- ming bestaande betalingsniveaus.

b.   Ten behoeve van het overleg tussen werkgever, w.v. en v.v.  zal de onderneming de nodige gegevens verstrekken.

 

Overgangsbepaling:

Indien, als gevolg van toepassing van ISF, een salarissysteem wordt

ingevoerd resp. gewijzigd, zal dit in overleg tussen werkgever, v.v.

en w.v. plaatsvinden.

 

Artikel 4.7

 

Garantie bij invoering van ISF of ISF en SAO

 

1.   Indien bij invoering van ISF of ISF en SAO de som van de maand-

 

 

25


 

 

 

 

 

verdienste en de arbeidsomstandighedentoeslag minder bedraagt dan de som van de oorspronkelijke maandverdienste, en een  eventuele toeslag  voor  bezwarende  omstandigheden,  zal  de  laatst  vermelde som worden gegarandeerd.

 

2.   In afwijking van het gestelde in lid 1 zal voor werknemers van  55 jaar en ouder de oorspronkelijke maandverdienste, vermeerderd met een  eventuele  toeslag  voor  bezwarende  omstandigheden,  worden aangepast aan de algemene  salarismutaties, overeengekomen bij de CAO.

 

3.   Indien bij de invoering van ISF of ISF en SAO en zolang het salaris minder bedraagt dan het oorspronkelijke salaris zal voor de vaststel- ling van de aan het salaris gekoppelde arbeidsvoorwaarden worden uitgegaan van het oorspronkelijke salaris.

 

Artikel 4.8

 

Bijzonder verzuim

 

1.   In het kader van de voor de werknemer  geldende  basis  jaarlijkse arbeidsduur wordt – met de gevolgen als geregeld in  de volgende leden van dit artikel – als gewerkte uren beschouwd het aantal uren welke hij in afwijking van het voor  hem vastgestelde dienstrooster niet heeft gewerkt, of, bij gebreke van een dienstrooster, een aantal van 8 uren per werkdag, in geval van:

 

artikel 3.11

opleidingsdagen;

artikel 3.17

kopen van dagen;

artikel 4.14

compenserende vrije roostertijd;

artikel 5.4, 5 en 6

extra vakantie;

 

herhalingsoefening;

 

zwangerschap en bevalling;

artikel 6.1

kort verzuim;

artikel 6.2

werkloosheid tijdens dienstverband;

artikel 6.3

bijzonder verlof;

artikel 6.4

arbeidsongeschiktheid.

 

artikel 3.8 lid 3           –          vrijaf na overwerk;

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2.   Eveneens worden in het kader van de voor de werknemer geldende basis jaarlijkse arbeidsduur als gewerkte uren  beschouwd de uren, die ingevolge het dienstrooster voor de werknemer reeds waren aan- gewezen als vakantie, indien hij  gedurende deze uren arbeidsonge- schikt is.

 

3.   Het loon over de verzuimde uren is begrepen in de doorbetaling van de maandverdienste in de volgende gevallen als bedoeld in lid 1 van dit artikel:

 

 

 

26


 

 

 

 

 

Metalektro 2008/2010

Verbindendverklaring CAO-bepalingen

 

 

 

artikel 3.8                     –          lid 3 vrijaf na overwerk;

artikel 3.11                  –          opleidingsdagen;

artikel 4.14                  –          compenserende vrije roostertijd;

artikel 5.4, 5 en 6       –          extra vakantie;

artikel 6.1                     –          kort verzuim;

werkloosheid tijdens dienstverband

voorzover het betreft de uren


artikel 6.2                     –


gedurende een periode van één week;


artikel 6.3                     –          bijzonder verlof.

 

alsmede in de gevallen als bedoeld in lid 2 van dit artikel.

Bij   arbeid   in  regelmatige   ploegendienst   wordt   de  gemiddelde

ploegentoeslag per uur, berekend over de drie voorafgaande maan-

den, over de verzuimde uren doorbetaald.

 

4.   Over de uren, die als gewerkte uren worden beschouwd in geval van artikel 6.4 lid 1 en lid 2, arbeidsongeschiktheid, is de werkgever het wettelijk verplichte loon verschuldigd (vermeerderd met een aanvul- ling als bedoeld in artikel 6.4).

 

5.   Over de uren, die als gewerkte uren worden beschouwd, is de werk- gever, voor zover nodig in afwijking van het bepaalde in de artike- len 7:629 en 7:628 van het B.W., geen loon  verschuldigd in geval van:

–          herhalingsoefening;

–          zwangerschap en bevalling;

artikel 3.17                  –          kopen van dagen;

werkloosheid tijdens dienstverband,

voor zover het betreft de uren na een


artikel 6.2                     –


periode van één week;


artikel 6.2                     –          tijdelijke werktijdverkorting; arbeidsongeschiktheid, voor zover het betreft de periode volgende op de periode van wettelijk verplichte


artikel 6.4                     –


loondoorbetaling.


 

Artikel 4.9

 

Wijzigingen salarisgroep

 

1.   Indien een werknemer in een hogere salarisgroep wordt  ingedeeld houdt de werkgever bij het overeen te komen functiesalaris en/of bij

 

 

27


 

 

 

 

 

de overeen te komen verhogingen daarvan, rekening met de vorige maandverdienste en de binnen de onderneming redelijk geachte ver- houdingen.

 

2.   Voor de werknemer, die een functie gaat verrichten welke is  inge- deeld in een hogere salarisgroep, geldt het bij die hogere salarisgroep behorende salaris (eventueel: persoonlijk minimum salaris) niet eer- der  dan  na 1 maand  en uiterlijk  na 2  maanden.  Gedurende  deze periode behoudt de werknemer het  salaris dat hij verdiende in de functie die hij tot dusverre uitoefende. Het hier bepaalde is niet van toepassing indien de  werknemer na een vooraf bepaalde tijd of na afloop van een bepaald werk wordt herplaatst in zijn vorige functie.

 

3.   Voor de werknemer beneden de 45 jaar, die een functie gaat verrich- ten welke is ingedeeld in een lagere salarisgroep, blijft gedurende de periode die door de werkgever voor hem als  opzeggingstermijn in acht zou moeten worden genomen, indien hij het dienstverband had willen beëindigen, het salaris  gehandhaafd dat hij verdiende in de functie die hij tot dusverre uitoefende.

Voor de werknemer van 45 jaar en ouder, die een functie gaat ver- richten welke is ingedeeld in een lagere salarisgroep, blijft gedurende een periode gelijk aan tweemaal de periode die door  de werkgever voor hem als opzeggingstermijn in acht zou  moeten worden geno- men, indien hij het dienstverband had willen beëindigen, het salaris gehandhaafd dat hij verdiende in de functie die hij tot dusverre uit- oefende.

 

Bovendien blijft voor de werknemer, die een functie gaat verrichten welke ten opzichte van zijn vorige functie:

a.   één salarisgroep lager is ingedeeld, zijn salaris gedurende  nog twee maanden gehandhaafd, indien het onafgebroken  dienstver- band ten minste vijf jaren bedroeg;

b.   twee salarisgroepen lager is ingedeeld, het sub a bepaalde  van overeenkomstige toepassing; daarna geldt gedurende een maand voor hem een salaris dat behoort bij de salarisgroep die een groep lager ligt dan die, waarin zijn vorige functie is ingedeeld;

c.   meer dan twee salarisgroepen lager is ingedeeld, het sub a en b bepaalde  van  overeenkomstige  toepassing;  daarna  geldt  gedu- rende nog een maand een salaris dat behoort bij de salarisgroep die twee groepen lager ligt dan die, waarin zijn vorige functie is ingedeeld.

Het in dit lid bepaalde is niet van toepassing indien de werkne- mer na een vooraf bepaalde tijd of na afloop van  een bepaald werk wordt herplaatst in zijn vorige functie.

 

4.   Voor de werknemer van 60 jaar of ouder die een functie moet gaan verrichten welke is ingedeeld in een lagere salarisgroep, zal het sala- ris worden gehandhaafd.

 

 

28


 

 

 

 

 

Metalektro 2008/2010

Verbindendverklaring CAO-bepalingen

 

 

 

Artikel 4.10

 

Her- en omscholing

 

Voor de werknemers die bij indiensttreding in herscholing worden geno- men is gedurende de eerste drie maanden artikel 4.5 lid 7 niet van toe- passing.

 

Onder herscholing wordt verstaan een opleiding ter herwinning van de geheel of gedeeltelijk verloren gegane bekwaamheid in het  uitoefenen van een bepaalde  functie  die de op te leiden  werknemer  uitoefende, ongeacht of deze werknemer tevoren in  dienstverband werkzaam was dan wel een zelfstandig beroep uitoefende.

 

Voor de werknemers die bij indiensttreding in omscholing worden geno- men is gedurende de eerste zes maanden artikel 4.5 lid 7 niet van toe- passing, met dien verstande dat deze termijn van zes tot twaalf maanden wordt verlengd  ingeval  omscholing  plaatsvindt  tot een functie  die is ingedeeld in een van de salarisgroepen D tot en met F.

 

Onder omscholing wordt verstaan een opleiding voor een andere functie dan die de op te leiden werknemer tot dusverre heeft uitgeoefend, onge- acht of deze werknemer tevoren in  dienstverband  werkzaam was dan wel een zelfstandig beroep uitoefende.

 

Artikel 4.12

 

Betaling van arbeid in ploegen

 

1.   Bij voltijdarbeid ontvangt de werknemer in tweeploegendienst  per maand,  per  periode  of  per  week  een  toeslag  van  13,3%  van  de maandverdienste c.q. periodeverdienste of weekverdienste.

 

2.   Bij voltijdarbeid  ontvangt  de werknemer  in drieploegendienst  per maand, per periode of per week een toeslag van 15% van de maand- verdienste c.q. periodeverdienste of weekverdienste.

 

3.   Wanneer in een onderneming zowel in twee- als in drieploegendienst wordt gewerkt en de toeslag uniform wordt vastgesteld, kan één per- centage  worden  toegepast  met  inachtneming  van  de  percentages genoemd onder leden 1 en 2 van dit artikel.

 

4.   Wanneer in ploegendienst wordt gewerkt op zondagen zal bij voltijd-

 

 

29


 

 

 

 

 

arbeid  voor de betreffende  uren per gewerkt  uur een toeslag  van

0,48% van de maandverdienste (bij een uurverdienste van 0,58% van

de maandverdienste: 82,8% van de uurverdienste) worden betaald.

Wanneer in ploegendienst wordt gewerkt op de in artikel 1.1  lid  7

genoemde feestdagen, zal voor de betreffende uren per gewerkt uur

een toeslag van 1,06% van de maandverdienste (bij een uurverdienste

van 0,58% van de maandverdienste: 182,8% van de  uurverdienste)

worden betaald. Indien echter gedurende 18 achtereenvolgende uren,

samenvallend met het etmaal van de feestdag, geen arbeid is verricht,

is het voorgaande niet van toepassing.

 

5.   Voor de werknemer in regelmatige ploegendienst beneden de 45 jaar die werkzaamheden moet gaan verrichten in dagdienst, dan  wel in een ander soort regelmatige ploegendienst met een  lagere ploegen- toeslag, blijft gedurende de periode die door de werkgever voor de werknemer als opzegtermijn in acht zou  moeten worden genomen indien  hij  het  dienstverband  had  willen  beëindigen,  de  ploegen- toeslag gehandhaafd, die hij verdiende in de ploegendienst, welke hij laatstelijk uitoefende.

Deze periode wordt bovendien met 2 maanden verlengd, wanneer de werknemer gedurende ten minste 5 jaren onafgebroken in ploegen- dienst heeft gewerkt.

Voor de bepaling van de termijn waarover de ploegentoeslag  moet worden doorbetaald dient te worden uitgegaan van de tijd waarin de werknemer onafgebroken in ploegendienst heeft gewerkt.

 

6.   Voor  de  werknemer  in  regelmatige  ploegendienst  van  45  jaar  of ouder, die werkzaamheden moet gaan verrichten in  dagdienst, dan wel in een  ander  soort  regelmatige  ploegendienst  met  een  lagere ploegentoeslag, blijft gedurende een periode gelijk aan tweemaal de periode die door de werkgever voor de werknemer als opzegtermijn in acht moet worden genomen indien hij het dienstverband had wil- len beëindigen, de ploegentoeslag gehandhaafd, die hij verdiende in de ploegendienst welke hij laatstelijk uitoefende.

Deze periode wordt bovendien met 2 maanden verlengd, wanneer de werknemer gedurende ten minste 5 jaren onafgebroken in ploegen- dienst heeft gewerkt.

Voor de bepaling van de termijn waarover de ploegentoeslag  moet worden doorbetaald dient te worden uitgegaan van de tijd waarin de betrokken werknemer onafgebroken in ploegendienst heeft gewerkt.

 

Artikel 4.13

 

Betaling van continuarbeid

 

Voor werken in continuarbeid (meer dan drie ploegen) stelt de werkge- ver, in overleg met de ondernemingsraad, de werktijdregeling vast. De

 

 

 

30


 

 

 

 

 

Metalektro 2008/2010

Verbindendverklaring CAO-bepalingen

 

 

 

betalingsregeling van deze werktijdregeling wordt in overleg met de w.v en de v.v. vastgesteld.

 

Artikel 4.14

 

Meeruren en overuren

 

1.   De werknemer heeft als vergoeding voor meeruren en overuren aan- spraak  op  compenserende  vrije  uren  op  tijdstippen,   waarop  de bedrijfssituatie dit mogelijk maakt en waarop de  werknemer inge- volge zijn dienstrooster zou hebben moeten werken.

De vaststelling van de tijdstippen geschiedt na overleg met de werk- nemer door de werkgever.

Het verdient aanbeveling het compenserend vrijaf te realiseren bin- nen het kwartaal, waarin de meeruren en/of overuren zijn gemaakt. De compensatie geschiedt in de vorm van ten minste halve diensten volgens het rooster.

 

2.   In overleg tussen werkgever en werknemer kan de aanspraak van de werknemer als bedoeld in lid 1 van dit artikel worden  vervangen door een aanspraak van de werknemer op  vergoeding  van de uur- verdienste per meeruur of overuur.

In overleg tussen werkgever en werknemer kan de aanspraak van de werknemer op vergoeding geheel of gedeeltelijk worden aangewend in het kader van een tussen werkgever en ’s Rijks  belastingsdienst aangegane regeling welke regeling ten voordele  van de werknemer strekt.

 

3.   Meeruren die aan het einde van het kalenderjaar niet zijn gecompen- seerd in vrije tijd noch zijn vergoed overeenkomstig het bepaalde in lid 2 van dit artikel, worden overgebracht naar het volgende kalen- derjaar en in dat jaar aan de werknemer  als compenserende  vrije roostertijd toegekend, of in overleg  met de werknemer wordt 50% van de meeruren uitbetaald tegen 0,60% van de maandverdienste (bij een uurverdienste van 0,58% van de maandverdienste: 103,4% van de uurverdienste) per  meeruur en het restant aan meeruren overge- bracht naar het  volgende jaar en in dat jaar aan de werknemer als compenserende vrije roostertijd toegekend.

 

4.   Boven de uurvergoeding volgens de voorgaande leden van dit  arti- kel betaalt de werkgever de werknemer de volgende toeslagen voor overuren:

a.   0,14% van de maandverdienste (bij een uurverdienste van 0,58%

 

 

31


 

 

 

 

 

van de maandverdienste:  24,1% van de uurverdienste)  per  uur voor de eerste 2 uur direct voorafgaand of volgend op de normale werkdag.

Onder ,,uren direct voorafgaand aan’’ of ,,volgend op,,  worden mede verstaan die overuren welke van de normale werkdag zijn gescheiden  door  een  wettelijk  verplichte  of  door  plaatselijke omstandigheden geboden rusttijd;

b.   0,24% van de maandverdienste (bij een uurverdienste van 0,58% van de maandverdienste:  41,3% van de  uurverdienste) per uur voor de overige uren op maandag tot en met vrijdag;

c.   0,27% van de maandverdienste (bij een uurverdienste van 0,58% van de maandverdienste:  46,6% van de  uurverdienste) per uur voor de uren op zaterdag tot 14.00 uur;

d.   0,37% van de maandverdienste (bij een uurverdienste van 0,58% van de maandverdienste:  63,8% van de  uurverdienste) per uur voor de uren op zaterdag na 14.00 uur;

e.   0,48% van de maandverdienste (bij een uurverdienste van 0,58% van de maandverdienste:  82,8% van de  uurverdienste) per uur voor de uren op zondag en de in artikel 1.1 lid 7 genoemde feest- dagen.

 

5.   Geen vergoeding resp. toeslag is verschuldigd voor overuren, wan- neer de overuren aansluiten aan de normale werkdag en die uren die- nen tot afsluiting van de normale dagtaak, zich  slechts  incidenteel voordoen en niet langer duren dan een half uur. In geval van langere duur is vergoeding over de gehele duur ervan verschuldigd.

 

6.   Evenmin is vergoeding resp. toeslag verschuldigd over  inhaaluren, waaronder wordt verstaan:

a.   uren gedurende welke de werknemer ten gevolge van  bedrijfs- stoornis werkt buiten de normale werkdag en  boven het in zijn dienstrooster vastgestelde aantal uren, voor zover dit aantal uren niet groter is dan het aantal dat hij wegens de bedrijfsstoornis niet heeft gewerkt;

b.   uren gedurende welke na overleg met de ondernemingsraad door de gehele onderneming of één of meer afdelingen buiten de nor- male werkdag en boven het in zijn dienstrooster vastgestelde aan- tal uren wordt gewerkt met het reeds tevoren vaststaand doel om bepaaldelijk  aangewezen  uren,  waarop  niet  gewerkt  werd  of gewerkt zal worden, de in artikel 1.1 lid 7 genoemde feestdagen en de vakantie niet inbegrepen, in te halen.

Bij  inhalen  van  verzuim  wegens  onwerkbaar  weer  wordt  per winterseizoen over ten hoogste drie dagen geen vergoeding gege- ven.

 

 

 

 

 

32


 

 

 

 

 

Metalektro 2008/2010

Verbindendverklaring CAO-bepalingen

 

 

 

Artikel 4.15

 

Minder uren oproepkrachten

 

Heeft een oproepkracht in een bepaalde betalingsperiode  minder  uren gewerkt dan het overeengekomen minimum aantal arbeidsuren, dan kan de werkgever binnen drie maanden na afloop van deze betalingsperiode de niet gewerkte maar wel vergoede uren alsnog als te werken uren aan- wijzen zonder dat hij hiervoor een vergoeding is verschuldigd.

 

Artikel 4.16

 

Toeslag voor afwijkende werktijd

 

1.   De werkgever betaalt aan de werknemer in voltijdarbeid in die geval- len waarin opdracht is gegeven tot afwijkende werktijd:

a.   geen toeslag op de maandverdienste  voor het eerste uur  direct voorafgaand aan of volgend op de normale werkdag,  met een maximum van één uur per dag.

Onder het uur ,,direct voorafgaand aan’’ of ,,volgend op’’ wordt mede verstaan het uur dat van de normale werkdag is gescheiden door een wettelijk verplichte of door de plaatselijke omstandig- heden geboden rusttijd;

b.   per uur een toeslag op het salaris van 0,11% van de maandver- dienstec. per uur een toeslag op het salaris van  0,21% van de maandverdienste

 

2.   Deze toeslagen gelden niet voor de uren:

a.   gedurende welke de werknemer ten gevolge van bedrijfsstoornis

werkt buiten de normale werkdag, voorzover dit aantal uren niet

groter is dan het aantal dat hij op diezelfde dag wegens bedrijfs-

stoornis niet heeft overgewerkt;

b.   gedurende welke na overleg met de ondernemingsraad door de

gehele onderneming of één of meer afdelingen buiten de normale

werkdag wordt gewerkt met het reeds tevoren vaststaand doel om

bepaaldelijk aangewezen uren, waarop niet gewerkt werd of niet

gewerkt zal worden, op diezelfde dag in te halen.

 

 

 

 

 

 

 

33


 

 

 

 

 

Artikel 4.17

 

Betaling van overwerk bij continuarbeid

 

Voor de betaling van overwerk bij continuarbeid stelt de  werkgever  in overleg met de v.v., de ondernemingsraad gehoord, een regeling vast.

 

HOOFDSTUK 5

 

VAKANTIE

 

§ 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 5.1

 

Omschrijving

 

1.   Als vakantie worden beschouwd de dagen, welke door de werkgever als zodanig met inachtneming van artikel 5.8 zijn vastgesteld.

 

2.   Als vakantie worden niet beschouwd:

a.   de feestdagen genoemd in artikel 1.1 lid 7;

b.   de dagen of gedeelten van dagen, gedurende welke de werkne-

mer wegens arbeidsongeschiktheid de bedongen arbeid niet ver-

richt;

c.   de dagen of gedeelten van dagen, gedurende welke de werkne-

mer  wegens  andere  omstandigheden,  genoemd  in hoofdstuk 6

(verzuim), de bedongen arbeid niet verricht;

d.   de tijd gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet

verricht omdat hij, anders dan voor eerste oefening en zonder het

oogmerk de krijgsdienst of andere overheidsdienst bij wijze van

beroep te verrichten, een verplichting naleeft, hem opgelegd door

de wet, of voortvloeiend uit een verbintenis door hem jegens de

Overheid aangegaan en ten aanzien van ’s lands verdediging of

ter bescherming van de openbare orde;

e.   de tijd gedurende welke de vrouwelijke werknemer de bedongen

arbeid niet verricht wegens zwangerschap of bevalling;

f.   de tijd gedurende welke de jeugdige werknemer geen arbeid ver-

richt omdat hij onderricht volgt, waartoe hij krachtens de wet of

deze overeenkomst door de werkgever in de gelegenheid wordt

gesteld.

 

3.   De werknemer die tijdens voor hem vastgestelde vakantie arbeidson- geschikt wordt, zal dit onverwijld op de voorgeschreven wijze mel- den.

Indien de werkgever loon doorbetaalt in verband met ziekte gelden de dagen van arbeidsongeschiktheid niet als vakantie.

 

 

34


 

 

 

 

 

Metalektro 2008/2010

Verbindendverklaring CAO-bepalingen

 

 

 

4.   Wanneer de werknemer tijdens voor hem vastgestelde  vakantie  in omstandigheden verkeert als bedoeld in lid 2 onder c t/m f, gelden deze dagen slechts dan niet als vakantie indien de werkgever vóór de aanvang van de vakantie van deze omstandigheden op de hoogte is.

 

Artikel 5.2

 

Doorbetaling en verrekening gedurende het dienstverband

 

1.   De  werknemer  behoudt  gedurende  de  vakantie  aanspraak  op  zijn salaris.

 

2.   De werkgever heeft de bevoegdheid hetzij als voorschot hetzij  als collectieve vakantie te veel genoten vakantie te verrekenen met nog te verdienen vakantie.

 

3.   Zolang de dienstbetrekking duurt mag het recht op vakantie slechts worden vervangen door een uitkering in geld voorzover dit recht het in artikel 7:634 BW bedoelde minimum te boven  gaat. In overleg tussen werkgever en werknemer kan de uitkering in geld geheel of gedeeltelijk worden aangewend in het kader van een tussen werkge- ver en ’s Rijks belastingdienst aangegane regeling welke regeling ten voordele van werknemer strekt.

 

§ 2. Het verdienen van vakantierechten

 

Artikel 5.3

 

Vakantierechten

 

1.   De werknemer in voltijdarbeid heeft recht op 25 vakantiedagen (200 uren) per jaar. Met ingang van 1 januari 2009 heeft de werknemer in voltijdarbeid recht op 27 vakantiedagen (216 uren) per jaar.

De werknemer die evenwel volgens zijn normale dienstrooster per

52 weken:

a.   gedurende ten hoogste 13 weken, 6 dagen per week werkt, ont-

vangt 1 dag (8 uren) vakantie meer;

b.   gedurende ten minste 14 en ten hoogste 26 weken, 6 dagen per

week werkt, ontvangt 2 dagen (16 uren) vakantie meer;

c.   gedurende  ten  minste  27  weken  en  ten  hoogste  39  weken,  6

dagen per week werkt, ontvangt 3 dagen (24 uren) vakantie meer;

d.   gedurende tenminste 40 weken, 6 dagen per week werkt, ont-

vangt 4 dagen (32 uren) vakantie meer.

 

 

35


 

 

 

 

 

Voor het verdienen van de vakantierechten worden op werkdagen vallende feestdagen alsmede vakantiedagen als  gewerkte dagen beschouwd.

 

2.   In afwijking van lid 1, tweede volzin, heeft de werknemer die recht heeft  op  de  overgangsregeling  extra  vakantie  voor  senioren  met ingang van 1 januari 2009 recht op 25 vakantiedagen.

 

3.   De uitbreiding van de vakantiedagen per 1 april 1991 van 23  (184 uren) naar 24 vakantiedagen (192 uren) per jaar en per 1 april 1992 tot 25 vakantiedagen (200 uren) per jaar geldt niet voor de werkne- mer wiens werkgever met de v.v. een  overeenkomst heeft gesloten op grond waarvan de Basis  Jaarlijkse Arbeidsduur in de onderne- ming een kortere is dan  de in de CAO genoemde BJA en waarin tevens nadere afspraken zijn gemaakt over de gevolgen of regeling van de gevolgen van bij de bedrijfstak-CAO overeen te komen expli- ciete verkorting van de BJA.

 

Tot 1 januari 2009 geldt de volgende bepaling: Artikel 5.4

Extra vakantie wegens langdurig dienstverband

 

De werknemer die 25 jaar zonder onderbreking in dienst is van een en dezelfde werkgever ontvangt met ingang van het kalenderjaar waarin het

25-jarig  dienstverband  wordt bereikt, per jaar drie vakantiedagen  (24 uren) meer dan waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft. Deze extra vakantie zal niet op zaterdag vallen.

 

Zonodig zal over de toepassing van het begrip ,,zonder  onderbreking’’

overleg worden gepleegd met de ondernemingsraad.

 

Tot 1 januari 2009 geldt de volgende bepaling: Artikel 5.5

Extra vakantie voor jeugdigen

 

De werknemer, die op 1 juli de leeftijd van 19 jaar nog niet heeft bereikt, ontvangt per kalenderjaar 5 vakantiedagen (40 uren) meer  dan waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft.

 

 

 

 

 

 

 

36


 

 

 

 

 

Metalektro 2008/2010

Verbindendverklaring CAO-bepalingen

 

 

 

Tot 1 januari 2009 geldt de volgende bepaling: Artikel 5.6

Extra vakantie voor senioren

 

1.   De werknemer die op 1 juli

–    50, 51, 52, 53 of 54 jaar is ontvangt per kalenderjaar 3 vakantie-

dagen meer dan waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft;

–    55, 56, 57 jaar is ontvangt per kalenderjaar 5 vakantiedagen (40

uren) meer dan waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft;

–    571/2 jaar is ontvangt per kalenderjaar 7 vakantiedagen (56 uren)

meer dan waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft;

–    58, 59 jaar is ontvangt per kalenderjaar  10 vakantiedagen  (80

uren) meer dan waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft;

–    60 jaar is ontvangt per kalenderjaar 12 vakantiedagen (96 uren)

meer dan waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft;

–    61 jaar is ontvangt per kalenderjaar 13 vakantiedagen (104 uren)

meer dan waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft;

–    62 jaar is ontvangt per kalenderjaar 17 vakantiedagen (136 uren)

meer dan waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft;

–    63 jaar is ontvangt per kalenderjaar 22 vakantiedagen (176 uren)

meer dan waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft;

–    64 jaar of ouder is ontvangt per kalenderjaar 29  vakantiedagen

(232 uren) meer dan waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft.

 

2.   Deze extra vakantie zal niet op zaterdag vallen. Vanaf 1 januari 2009 geldt de volgende bepaling:

Artikel 5.4

 

Extra vakantie wegens langdurig dienstverband

 

1.   De werknemer die 25 jaar zonder onderbreking in dienst is van een en dezelfde  werkgever  ontvangt  met  ingang  van  het  kalenderjaar waarin het 25-jarig dienstverband wordt bereikt maar niet eerder dan het kalenderjaar 2009 per jaar één  vakantiedag (8 uren) meer dan waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft. Deze extra vakantiedag zal niet op zaterdag vallen. Zonodig zal over de toepassing van het begrip ,,zonder onderbreking’’ overleg worden gepleegd met de on- dernemingsraad.

 

 

 

37


 

 

 

 

 

2.   In afwijking van lid 1 heeft de werknemer die recht heeft op extra vakantie  volgens  artikel  5.6  lid  2  geen  recht  op  extra  vakantie wegens langdurig dienstverband.

 

Vanaf 1 januari 2009 geldt de volgende bepaling: Artikel 5.6

Overgangsregeling extra vakantie voor senioren

 

1.   De werknemer die op 1 januari 2009 in dienst is van zijn werkgever en op die datum 50 jaar of ouder is, heeft recht op  extra vakantie voor senioren volgens het bepaalde in lid 2.

De werknemer die op 1 januari 2009 in dienst is van zijn werkgever en op die datum 40 jaar of ouder maar jonger dan 50 jaar is, heeft recht op extra vakantie voor senioren volgens het bepaalde in lid 3 of lid 4.

 

2.   De werknemer als bedoeld in lid 1 die op 1 juli

–    50, 51, 52, 53 of 54 jaar is ontvangt per kalenderjaar 3 vakantie-

dagen meer dan waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft;

–    55, 56, 57 jaar is ontvangt per kalenderjaar 5 vakantiedagen (40

uren) meer dan waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft;

–    571/2 jaar is ontvangt per kalenderjaar 7 vakantiedagen (56 uren)

meer dan waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft;

–    58, 59 jaar is ontvangt per kalenderjaar  10 vakantiedagen  (80

uren) meer dan waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft;

–    60 jaar is ontvangt per kalenderjaar 12 vakantiedagen (96 uren)

meer dan waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft;

–    61 jaar is ontvangt per kalenderjaar 13 vakantiedagen (104 uren)

meer dan waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft;

–    62 jaar is ontvangt per kalenderjaar 17 vakantiedagen (136 uren)

meer dan waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft;

–    63 jaar is ontvangt per kalenderjaar 22 vakantiedagen (176 uren)

meer dan waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft;

–    64 jaar of ouder is ontvangt per kalenderjaar 22  vakantiedagen

(176 uren) meer dan waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft.

 

3.   De werknemer als bedoeld in lid 1 die op 1 januari 2009 45 jaar of ouder maar jonger dan 50 jaar is, heeft recht op 4 extra vakantieda- gen per kalenderjaar.

 

4.   De werknemer als bedoeld in lid 1 die op 1 januari 2009 40 jaar of ouder maar jonger dan 45 jaar is, heeft recht op 3 extra vakantieda- gen per kalenderjaar.

 

5.   De extra vakantie zal niet op zaterdag vallen.

 

 

 

38


 

 

 

 

 

Metalektro 2008/2010

Verbindendverklaring CAO-bepalingen

 

 

 

Artikel 5.7

 

Het verdienen van vakantie gedurende het kalenderjaar

 

Met inachtneming van het in het vorige artikel gestelde wordt de vakan- tie verdiend in evenredigheid met de duur van het dienstverband gedu- rende het kalenderjaar.

 

§ 3. Het genieten van vakantie

 

Artikel 5.8

 

Vaststellingsprocedure

 

1.   De werkgever stelt de aaneengesloten vakantie en vakantiedagen in danwel na overleg overeenkomstig het gestelde in de leden 2a, b, c, d en e en lid 3 vast. Hij zal ten aanzien  van  het werken op Goede Vrijdag, 15 augustus, 1 november en op de voor de werknemer van belang zijnde overige religieuze feestdagen, ernstig rekening houden met de consciëntie van de werknemer.

 

2.   a.   De individuele aaneengesloten vakantie en de individuele vakan- tiedagen worden vastgesteld na tijdig overleg tussen de werkge- ver en werknemer.

b.   De collectieve aaneengesloten vakantie wordt vastgesteld  wan- neer  daarover  met  de  ondernemingsraad  overeenstemming  is bereikt.

c.   De  werkgever  kan,  na  overleg  met  de  ondernemingsraad,  per kalenderjaar één collectieve vakantiedag vaststellen.

d.   De werkgever kan, met instemming van de  ondernemingsraad, bovendien per kalenderjaar twee collectieve vakantiedagen vast- stellen.

e.   De werkgever kan iedere volgende collectieve vakantiedag slechts vaststellen wanneer daarover overeenstemming is bereikt met de ondernemingsraad.

f.   De collectieve aaneengesloten vakantie en de collectieve vakan- tiedagen worden zo mogelijk vastgesteld vóór 1 februari.

 

3.   De werkgever kan, indien daartoe gewichtige redenen aanwezig zijn, na overleg met de werknemer, het door hem vastgestelde tijdvak van de vakantie wijzigen. De schade, welke de  werknemer ten gevolge daarvan lijdt, wordt door de werkgever vergoed.

 

 

 

39


 

 

 

 

 

Artikel 5.9

 

Data van de vakantie

 

1.   De vakantie zal in het algemeen bij voorkeur worden genoten in het jaar waarin deze wordt verdiend.

 

2.   De aaneengesloten vakantie zal – zo mogelijk – aanvangen  tussen

30 april  en  1 oktober  en  zal  zich  als  regel  uitstrekken  over  twee

opeenvolgende weken.

 

3.   Wanneer een collectieve aaneengesloten vakantie op korter dan twee opeenvolgende weken wordt vastgesteld, zal zij zich in ieder geval uitstrekken over ten minste 8 opeenvolgende  kalenderdagen (zater- dagen en zondagen daaronder begrepen).

 

4.   Bij het vaststellen  van de duur van de collectieve  aaneengesloten vakantie houdt de werkgever ernstig rekening met de consciëntie van die werknemers, die vrijaf willen nemen op  Goede Vrijdag, 15 au- gustus, 1 november en op de voor de werknemer van belang zijnde overige religieuze feestdagen.

 

5.   In de aaneengesloten vakantie zullen voor de werknemers in  ploe- gendienst c.q. continudienst  ten minste een zondag en  twee volle weekeinden begrepen zijn.

 

Artikel 5.10

 

Zaterdagen

 

1.   Voor de werknemer als bedoeld in artikel 5.3 lid 1 sub a, zal  één vakantiedag vallen op een zaterdag, waarop hij volgens zijn normale dienstrooster zou werken.

Voor de werknemer als bedoeld in artikel 5.3 lid 1 sub b, zullen twee vakantiedagen vallen op een dergelijke zaterdag.

Voor de werknemer als bedoeld in artikel 5.3 lid 1 sub c, zullen drie vakantiedagen vallen op een dergelijke zaterdag.

Voor de werknemer als bedoeld in artikel 5.3 lid 1 sub d, zullen vier vakantiedagen vallen op een dergelijke zaterdag.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

40


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Werknemer


bij een totaal aantal vakantiedagen van


bedoeld in           1-8,  9,    10,   11,   12,   13,   14,   15,   16,   17,   18,   19,   20,   21,   22,   23,   24,   25,   26,    27,    28,   29

 

 

art. 5.3 lid 1,

 

sub a

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

1

art. 5.3 lid 1,

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

sub b

0

0

0

0

0

0

0

1

1

1

1

1

1

1

1

1

1

1

1

2

art. 5.3 lid 1,

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

sub c

0

0

0

0

1

1

1

1

1

1

1

1

2

2

2

2

2

2

2

2

3

art. 5.3 lid 1,

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

sub d

0

1

1

1

1

1

1

1

2

2

2

2

2

2

2

3

3

3

3

3

3

4


 

 

 

 

 

2.   Bij een dienstverband gedurende een gedeelte van het  kalenderjaar worden de zaterdagen volgens vorenstaand schema  in de vakantie meeberekend.

 

§ 4. Vakantietoeslag

 

Artikel 5.11

 

Vakantietoeslag

 

1.   De werkgever verleent de werknemer jaarlijks een vakantietoe- slag welke wordt verdiend in de periode van 1 juli tot en met

30 juni.  De  betaling  van  de  vakantietoeslag  dient  uiterlijk  op

1 juli van het kalenderjaar plaats te vinden.

 

2.   De vakantietoeslag bedraagt 8% van de maandverdienste  voor iedere maand dienstverband  in de in artikel 5.11 lid 1  van de CAO bedoelde periode. Voor de berekening van de vakantietoe- slag wordt uitgegaan  van de maandverdienste  over de maand juni. Bij beëindiging  van het dienstverband  vóór 1 juni wordt uitgegaan van de maandverdienste over de laatste maand. Indien  een  werknemer  in  regelmatige  ploegendienst  werkt  of heeft gewerkt, zal zijn vakantietoeslag worden verhoogd met een bedrag, gelijk aan 8% van de ploegentoeslagen zoals bedoeld in artikel 4.12 lid 1 tot en met 4, welke hij sinds 1 juli van het voor- gaande kalenderjaar heeft verdiend.

Voor de berekening van de vakantietoeslag van handelsreizigers zal worden uitgegaan van het salaris over  de maand juni ver- hoogd met de gemiddelde  provisie-inkomsten per maand gedu- rende  de  periode  1 juli  van  het  voorgaande  kalenderjaar  tot

1 juli van het lopende kalenderjaar, met dien verstande dat  de vakantietoeslag niet meer zal bedragen dan ten hoogste 8% van driemaal het wettelijk minimumloon per 30 juni van het lopende kalenderjaar. Bij beëindiging van het dienstverband vóór 1 juni wordt uitgegaan van het salaris over de laatste maand verhoogd met de gemiddelde provisie-inkomsten per maand gedurende de voorafgaande 12 maanden. Indien echter 8% van het salaris over de maand  juni voor iedere maand dienstverband in de in lid 1 bedoelde periode op een hoger bedrag uitkomt, geldt dit hogere bedrag. Bij beëindiging van het dienstverband vóór 1 juni wordt uitgegaan van het salaris over de laatste maand.

 

3.   Bij voltijdarbeid  bedraagt de vakantietoeslag  voor de  werkne- mer van 23 jaar en ouder per 1 januari 2008 tenminste € 146,81 bruto per maand, per 1 juli 2008 ten minste € 147,55 bruto per maand, per 1 januari 2009 tenminste € 151,24 bruto per maand, per  1 juli  2009  ten  minste  € 152,75  bruto  per  maand  en  per

 

 

 

42


 

 

 

 

 

Metalektro 2008/2010

Verbindendverklaring CAO-bepalingen

 

 

1 januari 2010 tenminste € 153,90 bruto per maand voor iedere maand dienstverband.

 

4.   In  geval  van  arbeidsongeschiktheid  van  de  werknemer  is  de vakantietoeslag slechts verschuldigd gedurende twee jaar na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid, onder aftrek van hetgeen de werknemer  als vakantietoeslag  ontvangt uit  hoofde  van de sociale verzekering.

 

5.   Over  de  periode,  gedurende  welke  de  werknemer  zijn  werk- zaamheden niet heeft verricht en de werkgever geen  loon ver- schuldigd is, is geen vakantietoeslag verschuldigd.

 

 

HOOFDSTUK 6

 

VERZUIM

 

Artikel 6.1

 

Kort verzuim

 

1.   Aan  de werknemer,  voor wie  wegens  bijzondere  omstandigheden (kort) verzuim binnen de arbeidstijd noodzakelijk is, wordt dit toe- gestaan voor zover dit in de onderneming gebruikelijk is.

 

2.   Bij zodanig verzuim wordt het salaris doorbetaald in de  hieronder opgenomen gevallen tot de daarbij vermelde duur:

 

a.

over 4 dagen:

bij overlijden van de levenspartner;

 

 

bij overlijden van een inwonend

 

 

kind;

b.

over 2 dagen:

bij het huwelijk van de werknemer

 

 

of bij het aangaan van een notariële

 

 

samenlevingsovereenkomst of voor

 

 

registratie van het partnerschap;

 

 

bij het overlijden van een niet

 

 

inwonend kind;

 

 

bij het overlijden van een van de

 

 

ouders;

c.

over 1 dag:

bij bevalling van de levenspartner;

 

 

bij adoptie van een kind;

 

 

43


 

 

 

 

 

a.   over 4 dagen:                      bij overlijden van de levenspartner; bij 25- of 40-jarig huwelijk van de werknemer;

bij huwelijk van een kind;

bij overlijden of voor het bijwonen

van de begrafenis van:

een van de grootouders van de

werknemer of van de levenspartner;

een zuster en/of haar levenspartner;

een broer en/of zijn levenspartner;

één van de ouders van de levens-

partner;

een zuster van de levenspartner;

een broer van de levenspartner;

de levenspartner van een kind;

een kleinkind;

bij keuring voor de militaire dienst;


d.   over ten hoogste 1 dag in totaal per kalender- jaar:

e.   over een naar redelijk- heid te bepalen tijd tot ten hoogste 1 dag: bij het huwelijk van een broer, zuster of kleinkind, professie van een kind, broer of zuster, priester- wijding van een kind of broer; bij de vervulling van een bij wettelijk voorschrift of door de overheid opgelegde verplichting, welke persoonlijk moet worden nagekomen, voor zover hiervoor van de overheid geen geldelijke vergoe- ding kan worden verkregen; voor

het doen van een vakexamen ter verkrijging van een erkend diploma, indien dit in het belang van het bedrijf is; bij ondertrouw.

3.   Onder levenspartner als bedoeld in lid 2 wordt verstaan de  echtge- no(o)t(e) dan wel hij of zij met wie de werknemer respectievelijk een kind van de werknemer een duurzame  levensrelatie onderhoudt en die tevoren als zodanig bij de werkgever bekend is gemaakt door de werknemer.

4.   Over eventuele afwijking van de in lid 2 genoemde gevallen,  bij- voorbeeld op grond van regionale of plaatselijke gebruiken, zal in de onderneming overleg worden gepleegd.

5.   Voor verzuim in verband met bezoek aan huisarts, tandarts, specia- list of in verband met nabehandeling na ziekte, dient in de onderne- ming een regeling te worden getroffen.

Artikel 6.2 

Uitkering bij werkloosheid tijdens dienstverband 

1.   De toepassing van artikel 7:628 B.W. wordt beperkt tot één  week. Gedurende deze tijd betaalt de werkgever het salaris. 

2.   In geval van onderbreking van het werk op grond van de ,,Algemene Machtiging tot werktijdverkorting  bij onwerkbaar  weer of ongun- stige waterstand’’ (Beschikking College van Rijksbemiddelaars d.d. 6 december 1945, Stcrt. 1945, nr. 129), geldt het in lid 1  bepaalde voor elke periode van werkonderbreking opnieuw.

3.   Bij invoering door de werkgever van een door de bevoegde instantie goedgekeurde tijdelijke  werktijdverkorting  blijft,  in  afwijking  van het bepaalde in het eerste lid, artikel 7:628 B.W. geheel buiten toe- passing en betaalt de werkgever derhalve geen salaris over de uren waarin geen arbeid is verricht.

4.   Wanneer de werknemer aanspraak heeft op uitkering krachtens  de Werkloosheidswet omdat de werkgever ingevolge het bepaalde in de voorgaande leden niet of niet meer verplicht is tot betaling van het salaris, zal de werkgever deze uitkering aanvullen tot het bedrag van het salaris.

5.   Aan werknemers op wie het bepaalde in lid 4 niet kan worden toe- gepast in verband met de voorwaarden gesteld bij of  krachtens de artikelen 15 t/m 21 van de Werkloosheidswet*), zal de werkgever in de gevallen als bedoeld in de leden 2 en 3 het salaris doorbetalen.

 

Artikel 6.3 

Bijzonder verlof werknemers die lid zijn van de v.v./Bijzonder verlof werknemers die lid zijn van de v.v. 

1.   Aan werknemers die lid zijn van de v.v. wordt, mits de  aanvraag daartoe tijdig door de v.v. tot de onderneming is gericht, met inacht- neming van het bepaalde in lid 2 vrijaf  gegeven met behoud van salaris voor de volgende activiteiten:

a.   het  als  officieel  afgevaardigde  deelnemen  aan  bondscongres, bondsraad, algemene vergadering of het daarmee gelijk te stellen orgaan;

b.   het deelnemen aan door de v.v. georganiseerde cursussen; in dit geval zal slechts vrijaf worden gegeven indien de bedrijfsbelangen zich daartegen niet verzetten;

 

Artikel 6.4 

Uitkering bij arbeids(on)geschiktheid

1.   De werkgever is verplicht aan de arbeidsongeschikte werknemer die geen recht heeft op een Ziektewet-uitkering,  gedurende de eerste 52 weken van de arbeidsongeschiktheid een aanvulling op het wettelijk verplichte loon te  verstrekken ter hoogte van het verschil tussen het wettelijk verplichte loon en 100% van het vol- ledige Ziektewet-dagloon. Onder Ziektewet-dagloon wordt in dit kader verstaan  het  Ziektewet-dagloon,  voor  zover  nodig,  ver- meerderd met het spaarloon.

2.   De werkgever is verplicht aan de arbeidsongeschikte werknemer die geen recht heeft op een Ziektewet-uitkering, na de eerste 52 weken van arbeidsongeschiktheid gedurende 52 weken het wet- telijk verplichte loon te betalen met een maximum van 70% van het maximum Ziektewet-dagloon.

3.   De werkgever kan in overleg met v.v., met inachtneming van het bepaalde in artikel 7:629 lid 1 B.W., het in lid 1 genoemde per- centage verminderen met een aantal  procentpunten, indien ge- wenst verdeeld over verschillende tijdvakken gedurende de eer- ste 52 weken van de  arbeidsongeschiktheid,  onder gelijktijdige vermeerdering van het in lid 2 bedoelde wettelijk percentage met hetzelfde  aantal  procentpunten,  indien  gewenst  eveneens  ver- deeld over verschillende tijdvakken.

4.   Over de eerste twee dagen waarop wegens arbeidsongeschiktheid niet is gewerkt behoeft door de  werkgever aan de werknemer geen loon te worden betaald en geen aanvulling te worden ver- strekt, en na die dagen  behoeft geen aanvulling op de wettelijk verplichte loondoorbetaling te worden verstrekt indien:

–    de werknemer rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

5.   Over de eerste dag waarop wegens arbeidsongeschiktheid niet is gewerkt behoeft door de werkgever aan de werknemer geen loon te worden doorbetaald en geen aanvulling te worden verstrekt in de gevallen en op de voorwaarden als is omschreven in de rege- ling  ter  voorkoming  van  misbruik  welke  in  de  onderneming reeds bestaat of na met de ondernemingsraad bereikte overeen- stemming door de werkgever wordt vastgesteld.

6.   De werkgever zal geen gebruik maken van de wettelijke  mogelijkheid met de werknemer overeen te komen bij ziekmelding een vakantiedag af te boeken.

7.   Indien en voor zolang de arbeidsongeschikte  werknemer  naar het oordeel van de werkgever en naar het oordeel  van de be- drijfsarts optimaal meewerkt aan zijn herstel en reïntegratie, is de werkgever verplicht aan de werknemer na de eerste 52 weken van de arbeidsongeschiktheid  gedurende  52 weken een aanvul- ling op het wettelijk verplichte loon  te verstrekken ter hoogte van het verschil tussen het wettelijk verplichte loon en 80% van het volledige Ziektewet-dagloon.

8.   Indien naar het oordeel van de bedrijfsarts de volledig arbeids- ongeschikte werknemer geen duurzaam benutbare  mogelijkhe- den meer heeft, is de werkgever verplicht aan de werknemer na de eerste 52 weken van de arbeidsongeschiktheid gedurende 52 weken een aanvulling op het wettelijk verplichte loon te verstrek- ken ter hoogte van  het verschil tussen het wettelijk verplichte loon en 80% van het volledige Ziektewet-dagloon.

9.   De werkgever is gerechtigd, zo nodig in afwijking van het  ge- stelde in de leden 1 t/m 8 van dit artikel, sancties op te  leggen aan de werknemer die de controlevoorschriften  overtreedt die zijn neergelegd in een ondernemingsregeling waarin is geregeld hoe de werknemer dient te handelen bij ziekte. De sancties die- nen in de regeling te zijn opgenomen.

Deze ondernemingsregeling zal in overleg met de ondernemings- raad worden vastgesteld.

10. De  werkgever  is  in  het  kader  van  zijn  goed  werkgeverschap gehouden een gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer zo moge- lijk passend werk aan te bieden. Indien de werkgever geen pas- send werk  beschikbaar  heeft,  deelt  hij dat schriftelijk  aan de werknemer mee. In dat geval zal de werknemer begeleiding naar passend  werk  bij  een  andere  werkgever  binnen  of  buiten  de bedrijfstak worden aangeboden. De werknemer zal – met inacht- neming van de wettelijke beroepsmogelijkheden – zijn medewer- king hieraan verlenen.

11. De werkgever is verplicht aan de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer gedurende maximaal twee jaren te rekenen vanaf de datum van werkhervatting,  aanvullingen te verstrekken, indien deze werknemer passende of eigen, aangepaste, werkzaamheden bij  de  werkgever,  dan wel  passende  werkzaamheden,  met  het daarbij behorende salaris, bij een andere werkgever hervat. De aanvullingen zijn zodanig dat ze tezamen met het salaris, even- tuele andere aanvullingen en/of uitkeringen en  de arbeidsonge- schiktheidsuitkeringen, gedurende het  eerste  jaar vanaf de da- tum van werkhervatting een bedrag opleveren dat gelijk is aan het bedrag, dat de werknemer zou hebben ontvangen, indien hij gedurende die periode bij hem 100% van het volledige Ziektewet- dagloon zou hebben ontvangen.

Gedurende het tweede jaar vanaf de datum van werkhervatting dienen deze aanvullingen te leiden tot een bedrag gelijk aan 90% van het volledige Ziektewet-dagloon. 

12. De in lid 11 bedoelde aanvullingen bij werkhervatting dienen ook te worden  verstrekt aan de werknemer  die in overleg  met de bedrijfsarts arbeid op arbeidstherapeutische basis verricht. 

13. Indien gedurende de referteperiode die voor de vaststelling van het  Ziektewet-dagloon  geldt,  de  voor  de  werknemer  geldende arbeidsduur is vermeerderd of verminderd, geldt voor de toepas- sing van de leden 1, 7, 8 en 11 een fictief Ziektewet-dagloon. Dit fictieve Ziektewet-dagloon  is  gelijk  aan het  Ziektewet-dagloon dat zou hebben gegolden indien  voor de werknemer gedurende de gehele referteperiode de  arbeidsduur had gegolden die voor hem gold op het  moment waarop de arbeidsongeschiktheid  is ingetreden. 

14. Het in de leden 1, 2, 7, 8, 11 en 13 bedoelde (fictieve) Ziektewet- dagloon wordt gewijzigd met de in de Metalektro van toepassing zijnde algemene salariswijzigingen.

 

Artikel 6.5 

WGA-hiaatverzekering

1.   De  werkgever  is  met  ingang  van  1 jannari  2009  verplicht  de werknemer een WGA-hiaatverzekering  aan te bieden  ter  dek- king van het financiële risico bij  arbeidsongeschiktheid van ten minste 35% doch minder dan 80%.

Deze verzekering dient de werknemer een aanspraak te verlenen op   een   periodieke   uitkering   ter   aanvulling   op   de   WGA- vervolguitkering tot uiterlijk  de  AOW-gerechtigde  leeftijd.  De hoogte van die uitkering  dient  gelijk te zijn aan 70% van het Ziektewet-dagloon tot  het maximum Ziektewet-dagloon verme- nigvuldigd  met  het  arbeidsongeschiktheidspercentage,  en  ver- minderd  met  de  WGA-vervolguitkering.  De  premie  voor  de WGA-hiaatverzekering is voor rekening van de werknemer.

2.   Indien de werkgever op 1 november 2007 al een WGA-hiaatverze- kering aan zijn werknemers heeft aangeboden, dan dient die ver- zekering  ter gelegenheid  van  de eerste  contractsverlenging  na 1 januari 2009 aan het bepaalde in het vorige lid te voldoen.

3.   De verplichting tot het aanbieden van een WGA-hiaatverzekering geldt niet voor de werkgever die zelf het risico als bedoeld in lid 1  draagt  dan wel na advies  van de ondernemingsraad  besluit daartoe over te gaan.

 

Artikel 6.7 

Gedifferentieerde WGA-premie 

De werkgever kan gedurende de looptijd van deze CAO maximaal 50% van de gedifferentieerde premie voor de WGA die volgens  de wettelijke  regeling voor verhaal op de werknemer in  aanmerking komt verminderd met de rentehobbeltoeslag op de werknemer verhalen.

HOOFDSTUK 7 

PENSIOENREGELING

 

Artikel 7.2 

Overlijdensuitkering 

De nagelaten betrekkingen van een werknemer hebben recht op een overlijdensuitkering  overeenkomstig  het  gestelde  in  artikel  7:674 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat deze, voorzover nodig  in  afwijking  van  artikel  7:674  B.W.,  gaat  over de  periode vanaf de dag na overlijden tot en met de laatste dag van de tweede maand na die waarin het overlijden plaatsvond. Deze uitkering, die wordt betaald in een bedrag ineens, komt ten laste van de werkge- ver voor zover zij niet wordt gedaan door een uitvoeringsorgaan van de Ziektewet respectievelijk WAO respectievelijk WIA. 

HOOFDSTUK 8 

KARWEIWERK

 

Artikel 8.1 

Karweiwerkzaamheden 

1.   De werknemer die voorheen af en toe karweiwerkzaamheden diende te verrichten, kan na het bereiken van de 55-jarige  leeftijd daartoe niet meer worden verplicht.

Indien  een  werknemer  binnen  Nederland,  Duitsland,  België   of Luxemburg  karweiwerkzaamheden  voor  de  onderneming  uitvoert buiten de fabrieksterreinen van de onderneming of buiten de terrei- nen van het karweiwerk waarvoor hij is aangesteld en hij als gevolg daarvan noodzakelijkerwijze  langer  moet reizen, wordt deze extra reistijd aan hem vergoed, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden van dit artikel. Voor karweiwerkzaamheden in andere landen dan de in de vorige volzin vermelde landen, moet de werk- gever in  overleg met de v.v. of de ondernemingsraad een regeling treffen.

2.   a.   De reistijd wordt als volgt berekend:

–    bij gebruikmaking  van openbare middelen van vervoer: de reistijd tussen het tijdstip van vertrek van het station (stopplaats) van de woonplaats van de werknemer en het tijdstip van  aankomst  bij  het  karweiterrein  en  omgekeerd,  een  en ander volgens de dienstregeling van het openbaar vervoer;
–    bij gebruikmaking van andere vervoermiddelen:  de reistijd, die nodig is om met het gebezigde vervoermiddel de afstand af te leggen langs de kortst mogelijke weg van het centrum van de woonplaats naar het karweiterrein en omgekeerd; deze reistijd wordt bepaald in een redelijke verhouding tot de reistijd  volgens  het  openbare  vervoer  voor  een  vergelijkbare afstand.

b.   Wanneer de werknemer in verband met zijn werkzaamheden buiten zijn woonplaats moet overnachten, wordt zijn extra reistijd volledig vergoed.

c.   Eveneens volledige vergoeding van zijn extra reistijd ontvangt de werknemer wiens tewerkstelling op één karwei niet langer dan één dag duurt.

d.   Duurt zijn tewerkstelling op één karwei langer dan 1 dag en reist de werknemer dagelijks heen en weer, dan wordt een extra reistijd van twee uren of minder buiten zijn normale werkdag volledig vergoed. Reist hij langer, dan worden ten minste twee uren vergoed. 

3.   Reistijd  binnen  de  normale  werkdag  wordt  als  gewerkte  tijd  beschouwd en komt niet voor een bijzondere reistijdvergoeding in aan- merking.

Komt de reistijd wel voor vergoeding in aanmerking dan wordt deze bij de normale wekelijkse arbeidsduur als volgt betaald:

–    uren niet op zon- en feestdagen: 0,48% van de maandverdienste (bij een uurverdienste van 0,58% van de maandverdienste: 82,8% van de uurverdienste);

–    uren op zondag:  0,96% van de maandverdienste  (bij een  uur- verdienste van 0,58% van de maandverdienste: 165,5%  van de uurverdienste);

–    uren op een in artikel 1.1 lid 7 genoemde feestdag: 1,43% van de maandverdienste (bij een uurverdienste van 0,58% van de maand- verdienste: 246,6% van de uurverdienste). 

4.   De werknemer die langer dan een week buiten zijn vaste woonplaats moet  overnachten  wordt  elke  week  in  de  gelegenheid  gesteld  na afloop van de voor het betreffende  karwei vastgelegde  wekelijkse werktijd naar huis te reizen.

Indien echter de werkzaamheden zulks vorderen, dan wel de  reis- verbindingen daartoe aanleiding geven, kan de werkgever na overleg hiervan  afwijken.  Indien  volgens  dienstrooster  op  zaterdag  wordt gewerkt, heeft het vertrek van het karweiterrein naar de woonplaats eenmaal in de veertien dagen zó tijdig plaats, dat de werknemer die zaterdag omstreeks 15.00 uur thuis kan zijn. In dat geval behoeft op de  maandag  daaropvolgend  het  vertrek  van  het  centrum  van  de woonplaats  naar  het  karweiterrein  niet  eerder  aan  te  vangen  dan omstreeks 6.00 uur des morgens.

Indien  bijzondere  omstandigheden  naar  zijn  oordeel  zulks  nodig maken kan de werkgever  binnen de periode tussen 15 oktober en 1 maart daaropvolgend zijn werknemers op een karwei 6 dagen per week laten werken zonder dat daarvoor het overleg genoemd in arti- kel 3.3 nodig is. 

Artikel 8.2 

Reis- en verblijfkosten 

1.   Indien een werknemer  werkzaamheden  voor de onderneming  ver- richt buiten de terreinen van de onderneming of buiten de terreinen van het werk waarvoor hij is aangesteld en hij als  gevolg daarvan noodzakelijkerwijze extra reis- en verblijfkosten heeft gemaakt, wor- den deze extra kosten aan hem vergoed,  met  inachtneming van het volgende.

 2.   De vergoeding van reiskosten wordt bepaald op basis van of  over- eenkomstig  de  tarieven  van  het  openbaar  vervoer  in  de  laagste klasse, over de kortst mogelijke afstand.

3.   Indien de benodigde tijd en/of reisgelegenheid overnachting in  een pension noodzakelijk maken, worden de kosten daarvan vergoed met inachtneming van de in de onderneming hiervoor geldende regels. In dat geval wordt bovendien voor de bijkomende kosten – voor zover deze niet op andere wijze worden vergoed – € 3,40 per dag vergoed.

 

HOOFDSTUK 9 

DIVERSE BEPALINGEN 

Artikel 9.1 

Uitzendbureaus 

1.   De werkgever is met ingang van 1 januari 2009 verplicht om, indien de werkgever  gebruik maakt van een in Nederland  gevestigd  uit- zendbureau voor het inlenen van uitzendkrachten voor in Nederland te verrichten werkzaamheden, gebruik te maken van een uitzendbu- reau dat NEN gecertificeerd is. 

Artikel 9.2 

Niet in dienst zijnde werknemers

1.   a.   De werkgever draagt in zijn onderneming  zonder  voorafgaand overleg met de ondernemingsraad aan niet in dienst zijnde werk- nemers geen werkzaamheden op welke naar hun aard door werk- nemers in zijn dienst plegen te worden verricht, noch direct noch indirect via (onder)aannemers.

b.   Het  algemeen  beleid  van  de  onderneming  inzake  het  gebruik maken van niet in dienst zijnde werknemers zal ten minste twee- maal per jaar met de ondernemingsraad worden besproken.

c.   Onder ,,niet in dienst zijnde werknemer’’ wordt in dit artikel ver- staan de natuurlijke persoon, die werkzaamheden  verricht in de onderneming van een werkgever met wie hij geen dienstverband heeft aangegaan. 

2.   De werkgever zal bij het in lid 1 sub a bedoelde overleg de onder- nemingsraad informeren omtrent:

–    naam en adres van degene(n)  bij wie de niet in dienst  zijnde werknemers in dienst zijn dan wel van degene(n) die de niet in dienst zijnde werknemers ter beschikking stelt (stellen);

–    aard en geschatte duur van de werkzaamheden;

–    aantal, namen en leeftijden van de niet in dienst zijnde werkne- mers;

–    de arbeidsvoorwaarden van de niet in dienst zijnde werknemers. 

4.   Wanneer vaststaat dat het totaal van arbeidsvoorwaarden van de niet in dienst zijnde werknemers gemiddeld per functie en leeftijd meer dan 10% ligt boven dan wel 10% beneden dat van de vergelijkbare eigen werknemers  in dezelfde  salarisgroep,  zal  de werkgever  van deze niet in dienst zijnde werknemers geen gebruik maken resp. het gebruik  beëindigen,  tenzij  in  overleg  met  de  v.v.  dit  verschil  in arbeidsvoorwaarden tot ten hoogste 10% wordt teruggebracht. In alle gevallen dient het totaal van arbeidsvoorwaarden ten minste gelijk te zijn aan het totaal van de arbeidsvoorwaarden van deze CAO.

Bij deze vergelijking van arbeidsvoorwaarden wordt ten aanzien van de niet in dienst zijnde werknemers uitgegaan van het  totale inko- men uit deze arbeid, omgerekend naar de in de onderneming gebrui- kelijke betalingsperiode. Onder dit totale  inkomen worden alle, op geld waardeerbare elementen, hoe ook genaamd, begrepen.

Ten aanzien van de eigen werknemers wordt bij deze  vergelijking uitgegaan van het gemiddelde salaris in de  salarisgroep,  zo nodig afzonderlijk berekend voor werknemers in vergelijkbare leeftijdsca- tegorieën. Hierbij wordt het jaarinkomen, waarin alle vaste toeslagen en/of vaste gratificaties worden begrepen, vastgesteld en omgerekend naar de in de onderneming gebruikelijke betalingsperiode.

Onder arbeidsvoorwaarden worden mede begrepen:

a.   vakantierechten;

b.   vergoedingen voor reisuren, reiskosten, koffiegeld, e.d.;

c.   andere vergoedingen en toeslagen;

d.   het geheel of gedeeltelijk achterwege laten van de inhouding van premies voor sociale verzekeringen en pensioenvoorzieningen;

e.   duidelijke,  kwantificeerbare  verstrekkingen  aan  de   betrokken werknemers zoals kleding, schoeisel en gereedschap;

f.   duidelijke,  kwantificeerbare  voorzieningen  voor  de  betrokken werknemers zoals pensioenvoorziening  en ziektekostenverzekering;

g.   uitkeringen in het lopende jaar verband houdende met de winst, zodra de hoogte van de uitkering bekend is. 

5.   Wanneer de werkgever in de ondernemingsraad aantoont dat sprake is van:

a.   aanneming van werk, indien de werkzaamheden geschieden door personeel in dienst van de betreffende (onder)aannemer en waar- bij

1.   de  (onder)aannemer  aansprakelijk  is  voor  het  opgeleverde werk;

2.   de werknemers onder rechtstreeks toezicht en verantwoorde- lijkheid van de (onder)aannemer staan;

3.   de (onder)aannemer economisch risico loopt ten aanzien van prijs, kwaliteit of levertijd;

b.   collegiaal uitlenen zonder winstoogmerk;

c.   werkzaamheden  door werknemers in dienst van de leverancier terzake  van  montage  ingebruikstelling  en  onderhoud  van  een geleverd produkt;

d.   een gemeenschappelijk  door ondernemers  in de Metalektro  in stand gehouden arbeidsreserve zonder winstoogmerk, is het bepaalde in de leden 2, 3 en 4 niet van toepassing.

In  dit geval  zal de werkgever  de ondernemingsraad  niettemin informeren omtrent:

–    naam en adres van degene(n) bij wie de niet in dienst zijnde werknemers in dienst zijn;

–    aard en geschatte duur van de werkzaamheden.

 

Artikel 9.4 

Wijziging van gereglementeerde winstdelingsregelingen 

1.   Tot wijziging van een in de onderneming geldende gereglementeerde winstdelingsregeling zal de werkgever slechts  overgaan na overleg met de v.v. en met instemming van de ondernemingsraad. 

2.   Eveneens zal de werkgever voorafgaand overleg plegen met de v.v. bij invoering van een winstdelingsregeling die elementen van prestatiebeloning bevat. 

Artikel 9.5 

Sociaal beleid 

1.   De  gegevens  die  de  werkgever  in  het  sociaal  jaarverslag  aan  de ondernemingsraad verstrekt, worden ook aan de v.v. verstrekt; hier- over zal, indien de v.v. de wens daartoe te kennen geven een gesprek plaatshebben. 

2.   Wanneer in een onderneming een vacature ontstaat, zullen de werk- nemers in de betreffende  onderneming  in de  gelegenheid  worden gesteld daarnaar te solliciteren.

Wanneer een werknemer van deze interne sollicitatieprocedure  ge- bruik maakt doch niet volledig aan de functie-eisen voldoet, zal de werkgever  betrokkene  zo mogelijk in de gelegenheid  stellen  door middel van scholing aan de gestelde functie-eisen te voldoen. 

Artikel 9.8 

Levensloopregeling en verlof 

1.   Indien de werknemer met verlof wenst te gaan in een geval dat niet bij wet is geregeld met gebruikmaking van zijn tegoed in het kader van de levensloopregeling,  dan geldt het bepaalde in  de volgende leden. 

2.   De werknemer kan het verlof zowel in voltijd als in deeltijd  opnemen. 

3.   De werknemer dient een verzoek van minder dan drie maanden ver- lof tenminste  drie maanden  voor het beoogde  tijdstip  van  ingang schriftelijk in bij de werkgever. Een verlof van drie maanden of lan- ger wordt ten minste zes maanden voor dat tijdstip schriftelijk bij de werkgever ingediend. 

4.   De werkgever neemt een beslissing op het verzoek na overleg  met de werknemer binnen een maand na ontvangst van het  verzoek als bedoeld in lid 3. 

5.   Indien de werknemer met verlof wil gaan voor een periode van niet langer dan twee jaren direct voorafgaand aan het moment waarop hij met pensioen gaat, willigt de werkgever het verzoek in.

 

Artikel 9.9 

Vakbondscontributie 

De werknemer kan uiterlijk op 15 november van een kalenderjaar de  werkgever  schriftelijk  verzoeken  zijn  brutoloon  in  de  maand december te verlagen met de door hem in het betreffende kalender- jaar betaalde contributie voor het lidmaatschap van een vakvereni- ging. De werknemer overlegt bij het schriftelijk verzoek het bewijs van betaling van de  jaarcontributie van het lidmaatschap  van de vakvereniging en eventueel verdere benodigde informatie. De werk- gever zal  binnen de grenzen van de fiscale wetgeving het verzoek inwilligen in ruil voor een kostenvergoeding gelijk aan de door  de werknemer betaalde contributie.

HOOFDSTUK 10 

SLOTBEPALINGEN 

Artikel 10.3 

Sociaal Fonds 

1.   Er  is  een  ,,Stichting  Sociaal  Fonds  in  de  Metalektro’’  (SSF), waarvan de statuten worden geacht deel uit te maken van deze overeenkomst. 

2.   De werkgever is in het jaar 2008 en het jaar 2009 aan de  door de Raad van Overleg in de Metalektro (ROM) ingestelde Stich- ting Sociaal Fonds in de Metalektro een  bijdrage verschuldigd van 0,055% van de voor zijn  onderneming  geldende Loonsom Wfsv.

3.   De werkgever is verplicht op de in lid 2 bedoelde bijdragen een door de SSF vast te stellen voorschot te betalen:

–    in het jaar 2008 vóór een door de ROM vast te stellen datum, doch uiterlijk op 15 oktober. Het voorschot zal gebaseerd zijn op de per genoemde datum redelijkerwijs vast te stellen voor zijn onderneming geldende Loonsom Wfsv in het genoemde jaar. De definitieve afrekening zal geschieden op 15 augustus 2009.

–    in het jaar 2009 uiterlijk op 15 oktober. Het voorschot  zal gebaseerd zijn op de per genoemde datum redelijkerwijs vast te stellen voor zijn onderneming geldende Loonsom Wfsv in het genoemde jaar. De definitieve afrekening zal geschieden op 15 augustus 2010. 

4.   Bij  niet  tijdige   betaling   van  de  verschuldigde   (voorschot-) bijdragen is rente verschuldigd.  Deze rente  wordt in rekening gebracht vanaf de dag dat de verschuldigde (voorschot)bijdrage dient te zijn voldaan.  Hierbij geldt het op dat moment vastge- stelde percentage van de wettelijke rente. 

5.   De werkgever is verplicht aan de SSF gegevens, welke voor  de berekening van de in lid 2 en 3 genoemde (voorschot)bijdrage(n) noodzakelijk zijn, te verstrekken. 

Artikel 10.5 

Bondswerk in de onderneming 

1.   Als de v.v. aan de onderneming meedelen dat zij het vakbondswerk binnen de onderneming willen effectueren en/of  de delegatie voor het overleg over arbeidsvoorwaarden en alle andere voor de werkne- mers belangrijke zaken die met de v.v. plegen te  worden geregeld, (mede)  willen  laten  bestaan  uit  werknemersleden  der  v.v.  uit  de onderneming, zal over de  consequenties hiervan met de werkgever overleg worden  gepleegd. De v.v. kunnen zich in de onderneming laten  vertegenwoordigen door een in die onderneming werkzaam kaderlid, tenzij anders is overeengekomen. 

Artikel 10.6 

Fusie, reorganisatie, sluiting; inschakeling van organisatiebureaus

1.   De werkgever zal, alvorens een definitieve opdracht te verlenen aan een organisatiebureau om een onderzoek in te stellen met betrekking tot de organisatie van de onderneming, overleg plegen met de onder- nemingsraad  en de v.v. inlichten  ingeval  daarbij  werknemers  zijn betrokken.

De procedure met betrekking tot de uitvoering van en de wijze van informatie aan het personeel over het onderzoek vormt een punt van overleg met de ondernemingsraad. 

Artikel 10.9 

Wijzigingen

2.   Per 1 januari 2008 worden de feitelijke salarissen verhoogd met 3%. Voor de werknemer van 23 jaar en ouder zal bij  voltijdarbeid deze verhoging tenminste € 82,50 bruto per maand bedragen.

3.   Per  1  juli  2008  worden  de  feitelijke  salarissen  verhoogd  met 0,5%. Voor de werknemer van 23 jaar en ouder zal bij voltijdarbeid deze verhoging tenminste € 8,36 bruto per maand bedragen. 

4.   Per 1 januari 2009 worden de feitelijke salarissen verhoogd met 2,5%. Voor de werknemer van 23 jaar en ouder zal bij voltijdarbeid deze verhoging tenminste € 42,84 bruto per maand bedragen. 

5.   Per 1 juli 2009 worden de feitelijke salarissen verhoogd met 1%. Voor de werknemer van 23 jaar en ouder zal bij  voltijdarbeid deze verhoging tenminste € 17,31 bruto per maand bedragen.

6.   Per 1 januari 2010 worden de feitelijke salarissen verhoogd met 0,75%. Voor de werknemer van 23 jaar en ouder zal bij voltijdarbeid deze verhoging tenminste € 13,08 bruto per maand bedragen. 

Artikel 10.10 

Secretariaatskosten op bedrijfstakniveau 

1.   Er is een ,,Stichting Raad van Overleg in de Metalektro’’ (ROM), waarvan de statuten worden geacht deel uit te maken van deze overeenkomst. 

2.   De werkgever is in het jaar 2008 en het jaar 2009 aan de Raad van Overleg in de Metalektro (ROM), waarvan de statuten wor- den geacht deel uit te maken van deze  overeenkomst, een bij- drage  verschuldigd  van  0,03%  van  de  in  die  jaren  voor  zijn onderneming geldende Loonsom Wfsv. De heffingen zijn bestemd voor secretariaatskosten op bedrijfstakniveau. 

3.   De werkgever is verplicht op de in lid 2 bedoelde bijdragen een door de ROM vast te stellen voorschot te betalen:

–    in het jaar 2008 vóór een door de ROM vast te stellen datum, doch uiterlijk op 15 oktober. Het voorschot zal gebaseerd zijn op de per genoemde datum redelijkerwijs vast te stellen voor zijn onderneming geldende Loonsom Wfsv in het genoemde jaar. De definitieve afrekening zal geschieden op 15 augustus 2009.

–    in het jaar 2009 uiterlijk op 15 oktober. Het voorschot  zal gebaseerd zijn op de per genoemde datum redelijkerwijs vast te stellen voor zijn onderneming geldende Loonsom Wfsv in het genoemde jaar. De definitieve afrekening zal geschieden op 15 augustus 2010.

4.   Bij  niet  tijdige   betaling   van  de  verschuldigde   (voorschot-) bijdragen is rente verschuldigd.  Deze rente  wordt in rekening gebracht vanaf de dag dat de verschuldigde (voorschot)bijdrage dient te zijn voldaan.  Hierbij geldt het op dat moment vastge- stelde percentage van de wettelijke rente. 

5.   De werkgever is verplicht aan de ROM gegevens, welke voor de berekening van de in lid 2 en 3 genoemde (voorschot)bijdrage(n) noodzakelijk zijn, te verstrekken.

BIJLAGE A. BEHORENDE BIJ DEZE CAO

WERKINGSSFEER

1.   Deze overeenkomst is van toepassing op de arbeidsovereenkom- sten van werknemers in dienst van een werkgever in een onder- neming in de Metalektro.

2.   Tot de ,,Metalektro’’ behoren – voor zover niet genoemd in lid 3 en 4 ondernemingen waarin, rekening houdende met  het in de bedrijfstak  geldende  normale  aantal  arbeidsuren,  in  de  regel gedurende ten minste 1.200 uren per week door bij die onderne- ming in dienst zijnde werknemers als bedoeld in artikel 1 lid 1 van deze overeenkomst, doch met inachtneming van het gestelde onder 5 t/m 14 en 18, werkzaamheden worden verricht en waarin: a.  uitsluitend of in hoofdzaak het bedrijf van be- en/of verwer- ken van  metalen wordt uitgeoefend, waaronder onder meer wordt verstaan:

1e: het  aanleggen,  assembleren,  construeren,  demonteren,
draaien,  emailleren,  forceren,  gieten,  herstellen,  lassen,
monteren, onderhouden, persen, pletten, samenstellen, slo-
pen, verscheuren en/of vermalen, smeden, smelten, trek-
ken, vervaardigen, walsen van metaal (waaronder onder
meer  te  verstaan:  aluminium,  blik,  brons,  koper,  lood,
messing, staal, tin, ijzer, zink en legeringen of composities
hiervan)  of metalen  apparaten,  drijfwerk,  gereedschap-
pen,   machines,   toestellen,   voorwerpen   en  werktuigen
(waaronder mede begrepen kracht- en arbeidswerktuigen,
landbouwtractoren, -machines enwerktuigen), alles in de
ruimste  zin  des  woords,  zoals  appendages,  automaten,
automobielen, beelden, bliksemafleiders, blikwaren, bou-
ten, brandkasten, bromfietsen, bruggen, buizen, capsules,
draad, draadnagels, elektriciteitsmeters, elektroden, gaas,
gasmeters,  haarden,  instrumenten  (waaronder  optische
apparaten), jaloezieën, kachels, ketels (o.a. voor centrale
verwarming),  kinderwagens,  klinknagels,  kroonkurken,
matrassen,  matrijzen,  meubelen,  moeren,  motoren,  mo-
torrijwielen,  muziekinstrumenten,  ovens, radiatoren, ra-
men,  reservoirs, rolhekken, rollend materieel,  rolluiken,
rijwielen,  schaatsen,  schepen,  schroeven,  schuifhekken,
sierhekken, sluitingen, stempels, tanks, taximeters, tuben,
uurwerken, watermeters, zonweringen;

2e: het vervaardigen en/of herstellen van apparaten, installa-ties,  stoffen,  toestellen,  voorwerpen  e.d.  die  elektrische energie of haar componenten  afgeven,  bewaren, gebrui- ken, meten, omzetten, overbrengen,  schakelen, transfor- meren, verbruiken, verdelen, voortbrengen of waarneem- baar maken;

3e: het staalblazen en/of zandstralen;

4e: het verzinken en/of vertinnen, voor zover dit niet langs galvanotechnische weg geschiedt;

5e: het reviseren van verbrandingsmotoren en/of onderdelen daarvan in de ruimste zin;

b.  uitsluitend  of  in  hoofdzaak  het  elektrotechnische  scheepsinstallatiebedrijf wordt uitgeoefend;

c.   uitsluitend of in hoofdzaak rechtstreeks voor derden het bedrijf wordt uitgeoefend van het:

1.   wikkelen of herstellen van elektrotechnische machines en gebruiks-  en  verbruikstoestellen  voor  sterk-  en  zwak- stroominstallaties (elektrotechnisch wikkelbedrijf);

2.   monteren en bedraden van elektrotechnische en elektronische  apparatuur  van  bedienings-,  schakel-  en  signaleringspanelen (elektrotechnisch paneelbouwbedrijf);

3.   demonteren,  repareren,  monteren,  vervangen,  wijzigen, onderhouden,  gebruiksgereed  opleveren  van  apparaten, installaties,  toestellen,  voorwerpen  e.d.  die   elektrische energie  afgeven,  bewaren,  gebruiken,  meten,  omzetten, overbrengen, schakelen, transformeren, verbruiken,  verdelen,  voortbrengen  of  waarneembaar  maken  (elektrotechnisch reparatiebedrijf);

d.  uitsluitend of in hoofdzaak werknemers ter beschikking worden gesteld als bedoeld in artikel 7:690 B.W. van ondernemingen waarin uitsluitend of in hoofdzaak het bedrijf van be-en/of verwerken van metalen wordt uitgeoefend dan wel die op grond van de overige bepalingen van dit artikel worden geacht te behoren tot de Metalektro; echter, niet tot de Metalektro worden geacht te behoren ondernemingen waarin uitsluitend het bedrijf van het ter beschikking stellen van werknemers van derden wordt uitgeoefend indien de betreffende onderneming:

–    werknemers voor 25% of meer van de arbeidsuren van dein dienst zijnde werknemers ter beschikking stelt van derden die niet uitsluitend of in hoofdzaak het bedrijf  van been/of verwerken van metalen uitoefenen dan wel niet op grond van de overige bepalingen van dit artikel  worden geacht te behoren tot de Metalektro;

–    én voor 15% of meer van het totale premieplichtige loon op jaarbasis werknemers ter beschikking stelt van derden op  basis van uitzendovereenkomsten  met  uitzendbeding als bedoeld in artikel 7:691 lid 2 B.W., zoals nader gedefinieerd in artikel 1 lid 1 en 2, en artikel 2 van het Besluit Indeling  Uitzendbedrijven  van  het  Lisv  d.d.  6 oktober 1999, gepubliceerd  in de Staatscourant  nummer 49 van 9 maart  2000.  De  onderneming  heeft  aan  dit  criterium voldaan   indien   en   voor   zover   dit   door   het   UWV (Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen) als zodanig is vastgesteld;

–    én geen onderdeel uitmaakt van een groep van ondernemingen die geacht wordt te behoren tot de Metalektro;
–    én geen door werkgevers- en werknemers (organisatie(s))

tot stand gebrachte arbeidspool is;

e.   anders dan in hoofdzaak het bedrijf van het be- en/of verwerken van metalen en/of een of meer van de in lid 3 genoemdebedrijven  wordt  uitgeoefend  en  daarnaast  anders  dan  in hoofdzaak  werknemers  ter beschikking  worden  gesteld  als bedoeld in artikel 7:690 B.W. van ondernemingen waarin uitsluitend of in hoofdzaak het bedrijf van been/of verwerken van metalen wordt uitgeoefend dan wel die op grond van de overige bepalingen van dit artikel worden geacht te behoren tot de Metalektro, indien in de betreffende onderneming het grootste deel van het totale premieplichtige loon op jaarbasis wordt aangewend ten behoeve van deze activiteiten gezamenlijk.

Onder  ,,vervaardigen’’ dient  eveneens  te worden  verstaan  het assembleren, monteren en samenstellen uit van derden  betrok- ken onderdelen. 

3.   Ongeacht  het aantal arbeidsuren  gedurende welke in de  regel per week door bij die ondernemingen in dienst zijnde  werkne- mers werkzaamheden worden verricht, worden, behoudends het bepaalde in  lid  2 tevens  geacht  tot de  Metalektro  te behoren ondernemingen waarin uitsluitend of  in hoofdzaak een of meer van de volgende bedrijven worden uitgeoefend:

a.   het walsen van staal;

b.  het ijzer- en staalgietersbedrijf;

c.   het vervaardigen en/of herstellen van vliegtuigen;

d.  het vervaardigen en/of herstellen van liften. 

Onder  ,,vervaardigen’’ dient  eveneens  te worden  verstaan  het assembleren, monteren en samenstellen uit van derden  betrok- ken onderdelen. 

4.   Niet onder de werkingssfeer van deze overeenkomst ressorteren ondernemingen, die weliswaar onder de omschrijving van lid  3 vallen, doch waarop met goedkeuring van de daartoe  bevoegde instantie een (algemeen  verbindend  verklaarde)  collectieve  ar- beidsovereenkomst  of  regeling  van  arbeidsvoorwaarden  in  de Metaal en Technische Bedrijfstakken (MTB) van toepassing is. 

5.   Een onderneming,  die in verband  met het aantal  arbeidsuren van haar werknemers behoort tot de Metalektro, behoort, indien het  bedoeld  aantal  arbeidsuren  per week  in  de  onderneming, rekening houdende met het in de  bedrijfstak geldende normale aantal arbeidsuren, gedurende  een ononderbroken periode van onderscheidenlijk 3, 2, of 1 jaar, te rekenen vanaf 1 januari van enig jaar, minder heeft  bedragen dan onderscheidenlijk  1.200, 800 of 400, na afloop van die periode, met inachtneming van het hierna in lid 6 bepaalde, tot het metaalbewerkingsbedrijf.

6.   De  in  lid  5  bedoelde  onderneming  behoort  tot  het   metaal- bewerkingsbedrijf met ingang van de eerste dag  van het eerst- volgende kalenderjaar aanvangende na afloop  van de hiervoor onder lid 5 genoemde perioden.

7.   Ondernemingen waarvan de bedrijfsuitoefening uitsluitend of in hoofdzaak behoort tot de in lid 2 genoemde takken van bedrijf waarop het tot 1 januari 1985 geldende criterium van het aantal werknemers van toepassing is en die zijn ingeschreven bij de sec- tor  Metaalindustrie  of  de  sector  Elektrotechnische  Industrie (voorheen Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie en de Elec- trotechnische  Industrie),  doch  waarbij  op  of  voor  genoemde datum gelet op dat  criterium aansluiting bij de Bedrijfsvereni- ging voor de Metaalnijverheid (thans de sector Metaal en Tech- nische Bedrijfstakken) had moeten plaatsvinden, worden geacht te behoren tot de Metalektro.

8.   In geval van rechtsopvolging van een onderneming als hiervoor in lid 5 en 7 bedoeld, wordt voor de toepassing van het in lid 5 en 7 bepaalde aangenomen dat sprake is van eenzelfde aansluiting.

9.   Indien een onderneming als bedoeld in lid 7 in het kader van het bepaalde bij of krachtens de Organisatiewet sociale verzekerin- gen 1997 overgaat naar de sector Metaal en Technische Bedrijfs- takken behoort die onderneming met ingang van dezelfde datum tot het metaalbewerkingsbedrijf. 

10. Een onderneming,  die in verband  met het aantal  arbeidsuren van haar werknemers behoort tot het metaalbewerkingsbedrijf, behoort, indien het bedoeld aantal  arbeidsuren per week in de onderneming, rekening houdende met het in de bedrijfstak geldende normale aantal arbeidsuren, gedurende een  ononderbroken  periode  van  onderscheidenlijk  3,  2  en  1  jaar,  te  rekenen vanaf 1 januari van enig jaar, ten minste heeft bedragen onder- scheidenlijk 1200, 2000 of 3000, na  afloop van die periode, met inachtneming van het hierna in lid 11 bepaalde, tot de Metalektro. 

11. De in lid 10 bedoelde onderneming  behoort tot de  Metalektro met ingang van de eerste dag van het eerstvolgende kalenderjaar aanvangende na afloop van de hiervoor in lid 10 genoemde perioden. 

12. Ondernemingen waarvan de bedrijfsuitoefening uitsluitend of in hoofdzaak behoort tot de in lid 2 genoemde takken van bedrijf waarop het tot 1 januari 1985 geldende criterium van het aantal werknemers van toepassing is en die zijn ingeschreven bij de sec- tor Metaal en Technische  Bedrijfstakken (MTB) (voorheen Be- drijfsvereniging voor  de Metaalnijverheid), doch waarbij op of voor genoemde  datum gelet op dat criterium aansluiting bij de Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie en de Elektrotechni- sche  Industrie  (thans  de  sector  Metaalindustrie  en  de  sector Elektrotechnische Industrie)  had moeten plaatsvinden,  worden geacht te behoren tot het metaalbewerkingsbedrijf. 

13. In geval van rechtsopvolging van een onderneming als hiervoor in lid 10 en 12 bedoeld, wordt voor de toepassing van het in lid 10 en 12 bepaalde aangenomen dat sprake is van een zelfde aan- sluiting. 

14. Indien een onderneming als bedoeld in lid 12 in het kader van het bepaalde bij of krachtens de Organisatiewet sociale verzeke- ringen 1997 overgaat naar de sector Metaalindustrie of de sector Elektrotechnische  Industrie  behoort  die  onderneming  met  in- gang van dezelfde datum tot de Metalektro. 

15. De Commissie Werkingssfeer ziet toe op de toepassing van  de met betrekking tot de indeling en de overgang van ondernemin- gen in lid 5 t/m 14 gestelde regelen. 

16. Deze overeenkomst is voorts van toepassing op arbeidsovereen- komsten gesloten met werknemers in de lithografische afdelingen van ondernemingen in de Metalektro, met dien verstande dat de arbeidsvoorwaarden  voor die categorieën van werknemers, die grafische vakarbeid  verrichten,  alsmede voor die  werknemers, op wie sedert 1 januari 1962 de CAO voor het Grafische Bedrijf in Nederland  wat betreft de  mantelbepalingen  en bijlage  C – thans Grafimedia CAO –  werd toegepast,  zullen zijn overeen- komstig het bepaalde in die CAO. 

17. Deze overeenkomst is niet van toepassing op arbeidsovereenkom- sten met werknemers die een functie vervullen boven het niveau van de in deze overeenkomst  opgenomen salarisgroepen. In af- wijking van het bepaalde  in de vorige volzin zijn de artikelen 10.3 en 10.10 ook van toepassing op werknemers die een functie vervullen boven dat niveau met uitzondering van de bestuurders van de onderneming en de functionarissen die  rechtstreeks bij het bepalen van het ondernemingsbeleid zijn betrokken.

18. Deze overeenkomst is niet van toepassing op:

Holland Repair and Services B.V. te Amsterdam, Vemat B.V. te Cruquius en Vermeer Industrial Contracting B.V. te Hoofddorp alsmede op Alcatel-Lucent Nederland B.V. te Rijswijk,  alsmede Belden Wire and Cable B.V. te Venlo, Nedtrain B.V. te Utrecht, Rollepaal B.V. en Romit B.V. te Dedemsvaart, Enrichment Technology Nederland B.V. en Urenco Aerospace B.V. te Almelo  en Philips en de met deze vennootschap in concernverband verbonden ondernemingen. De Raad van Overleg in de Metalektro kan te allen tijde deze overeenkomst wel van toepassing verklaren op de in dit lid genoemde ondernemingen indien de grond voor het uitzonderen van de toepassing vervalt. Tijdens de looptijd  van deze overeenkomst kan de Raad van Overleg in de  Metalektro (bepalingen  van) deze overeenkomst desgevraagd niet van  toepassing verklaren op andere ondernemingen. 

Bijzondere bepalingen werkingssfeer 

1.   Deze overeenkomst is gedeeltelijk van toepassing op arbeidsover- eenkomsten met werknemers wier dienstverband met zich mee- brengt dat werkdagen van  afwisselende duur worden gemaakt, zoals b.v. conciërges, loopjongens, chauffeurs van personenauto’s. Ten aanzien van deze werknemers zijn niet van toepassing hoofd- stuk 3, met uitzondering van artikel 3.8 lid 3, en artikel 4.14. Op handelsreizigers zijn niet van toepassing de hoofdstukken 3, met uitzondering van artikel 3.8 lid 3, 4, met uitzondering van arti- kel 4.15, en 8. 

2.   De in het voorgaande lid uitgezonderde arbeidsvoorwaarden van aldaar bedoelde werknemers kunnen op initiatief van de v.v. of de betrokken werkgever  ondernemingsgewijs  worden  geregeld met de v.v. en de w.v.. De werkgever zal met de  v.v. daarover overleg voeren, indien de v.v. daartoe de wens te kennen geven.

Wanneer  dit  overleg  betrekking  heeft  op  arbeidsvoorwaarden van handelsreizigers, treden de v.v. daarbij tevens op namens de in   het   Landelijk   Contactorgaan van vakorganisaties voor Handelsvertegenwoordigers  (L.C.H.)  vertegenwoordigde  werk- nemersorganisaties. 

3.   Past de werkgever een andere vorm van functieclassificatie  toe dan ISF, dan gelden niet: artikel 4.1 lid 1 de woorden ,,in één van de salarisgroepen A t/m K’’, artikel 4.1 lid 2 en lid 3, artikel 4.2, in artikel 4.4 lid 1 de woorden ,,in de salarisgroepen van A t/m K’’, artikel 4.4 lid 2, artikel 4.5 de leden 1 tot en met 4, lid 7 en lid 8, en artikel 4.6 lid 1 sub a voor zover wordt verwezen naar delen van artikelen die niet  gelden. Het bepaalde in artikel 4.5 lid 2, lid 4, lid 7 en lid 8 geldt voor zover nodig om te bepalen of de  werknemer  ten  minste  de  persoonlijke  minimum  maand- verdienste is toegekend.

BIJLAGE D. INTEGRAAL SYSTEEM VAN FUNCTIE- WAARDERING (ISF)

I. – Integraal Systeem van Functiewaardering (ISF)/Integraal Systeem van Functiewaardering (ISF)

De in het ISF gebruikte salarisgroepstructuur  ten aanzien van  salaris- groepen en de daarbij behorende punten luidt als volgt:

Salarisgroep A. 0–130 punten
Salarisgroep B. 131–180 punten
Salarisgroep C. 181–230 punten
Salarisgroep D. 231–280 punten
Salarisgroep E. 281–330 punten
Salarisgroep F. 331–380 punten
Salarisgroep G. 381–430 punten
Salarisgroep H. 431–480 punten
Salarisgroep J. 481–535 punten
Salarisgroep K. 536–590 punten

BIJLAGE E. SYSTEEMHOUDERSCHAP ISF EN/OF SAO

III. – Indeling van de functies en van de arbeidsomstandigheden

–    De in de onderneming voorkomende functies en arbeidsomstan- digheden worden ingedeeld in salarisgroepen resp. trappen.

–    De functies en arbeidsomstandigheden met hun indeling worden vastgelegd in een ondernemingsfunctielijst,  waarbij  de functies en de arbeidsomstandigheden worden gespreid over de verschil- lende soorten functies en arbeidsomstandigheden en hun indelin- gen ter bereiking van een goed referentiekader.

–    Van elk van de functies, opgenomen in de ondernemingsfunctie- lijst,  resp.  arbeidsomstandigheden  opgenomen  in  een  arbeids- omstandighedenlijst wordt een omschrijving opgenomen.

–    Na opstelling van de functie-omschrijving wordt deze ter verifi- catie voorgelegd aan de betrokken werknemer(s) en hun chef(s).

–    Als deze akkoord gaat (gaan) met de functie-omschrijving,  kan de functie vervolgens worden gewaardeerd.

–    Van iedere werknemer, vallende onder de werkingssfeer van de CAO-en, wordt de door hem uitgeoefende functie ingedeeld.

–    De  werknemer  wordt  schriftelijk  in  kennis  gesteld  in  welke salarisgroep zijn functie is ingedeeld met de functie-omschrijving, resp. de motivering op grond waarvan.

–    Werknemers  kunnen  inzage  krijgen  in  de  functie-informatie, welke betrekking heeft op de functies in de ondernemingsfunctielijst.

–    Werknemers kunnen te allen tijde verzoeken de indeling te herzien,  indien zich wijzigingen  in de functie-inhoud  en/of de arbeidsomstandigheden hebben voorgedaan.

 

BIJLAGE F. (ARTIKEL 4.1 VAN DE CAO)

SYSTEMEN VAN FUNCTIECLASSIFICATIE

–    CATS (De Leeuw Consultancy)

–    Hay (Hay Consultancy)

–    ORBA (AWVN)

–    USB (Berenschot)

–    Bakkenist

BIJLAGE G. TOESLAGPERCENTAGES

1.   Toeslagpercentages

Toeslagen per uur in percentages van de maand- resp. periode- en weekverdienste bij voltijdarbeid.

a.   Indien overuren worden gecompenseerd met vrije tijd gelden de volgende  toeslagen  per  uur,  uitgedrukt  in  percentages  van  de maandresp. periode- en weekverdienste. 

Toeslag 

 
CAO-artikel
 
 
bij maand- betaling
 
bij 4-wekelijkse betaling
 
bij week- betaling
 
4.14, lid 4 sub
 
a
 
0,14%
 
0,15%
 
0,60%
 
b
0,24%
0,26%
1,03%
 
c
0,27%
0,29%
1,17%
 
d
0,37%
0,40%
1,60%
 
e
0,48%
0,52%
2,07%

b.

4.14, lid 3                             0,60%                   0,65%                       2,60%

 

c.   Toeslag per uur in percentages van de maand- resp. periode- en weekverdienste bij voltijdarbeid. 

Toeslag 

 
CAO-artikel
 
 
bij maand- betaling
 
bij 4-wekelijkse betaling
 
bij week- betaling
 
4.12, lid 4
 
 
0,48%
 
0,52%
 
2,07%
 
 
1,06%
1,15%
4,60%
4.16, lid 1 sub
b
0,11%
0,12%
0,46%
 
c
0,21%
0,23%
0,92%

2.   Toeslagen per uur in percentages van de uurverdienste

a.   Indien overuren worden gecompenseerd met vrije tijd gelden de volgende  toeslagen  per  uur  uitgedrukt  in  percentages  van  de uurverdienste. 

 
CAO-artikel
 
 
Toeslag
 
4.14, lid 4 sub
 
a
 
24,1%
 
b
41,3%
 
c
46,6%
 
d
63,8%
 
e
82,8%

 

b.

4.14, lid 3                            103,4%

c.   Toeslag per uur in percentages van de uurverdienste

CAO-artikel
 
 Toeslag
4.12, lid 4
 
82,8%
 
 
182,8%
4.16, lid 1 sub
b
19,0%
 
c
36,2%

 

OVERZICHT A- en B-BEPALINGEN

COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST IN DE METALEK- TRO 2004/2007

 

HOOFDSTUK 1 - ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 – Definities / Definities (leden 11 t/m 18)

Artikel 1.2 – Werkingssfeer

Artikel 1.3 – Gunstiger en andere bepalingen/Flexibilisering

Artikel 1.4 – MetalektroB-CAO

Artikel 1.5 – Deeltijd

 

HOOFDSTUK  2 - BEGIN EN EINDE VAN DE ARBEIDSOVER- EENKOMST

Artikel 2.1 – Aanstelling

Artikel 2.2 – Voorafgaande uitzendrelaties

Artikel 2.3 – Einde van de arbeidsovereenkomst

Artikel 2.4 – Verrekening vakantiedagen en vrije roosteruren

 

HOOFDSTUK 3 - ARBEIDSDUUR EN WERKTIJDEN

Artikel 3.1 – Aanpassing van het aantal roostervrije uren

Artikel 3.2 – Aanpassing van de individuele arbeidsduur

Artikel 3.3 – Aanpassing arbeidsduur in de werktijdregeling

Artikel 3.4 – Arbeidstijdenwet (ATW)

Artikel 3.5 – Uitgangspunten vaststelling dienstrooster (lid 1 woord

,,zondag’’) / Uitgangspunten vaststelling dienstrooster

Artikel 3.6 – Vaststelling dienstrooster

Artikel 3.7 – Vaststelling vrije roosteruren

Artikel 3.8 – Overwerk

Artikel 3.9 – Ploegendienst

Artikel 3.10 – Consignatiedienst

Artikel 3.11 – Opleidingsdagen

Artikel 3.12 – Studiekostenregeling

Artikel 3.13 – Erkenning van Verworven Competenties (EVC)

Artikel 3.14 – Tijdsparen

Artikel 3.15 – Tijd verkopen of sparen

Artikel 3.16 – Tijdspaarregeling

Artikel 3.17 – Kopen van dagen

 

HOOFDSTUK 4 - SALARISBEPALINGEN

Artikel 4.1 – Salarisgroepen

Artikel 4.2 – Andere vormen van functieclassificatie dan ISF

Artikel 4.3 – Indeling van de functies in de onderneming

Artikel 4.4 – Indeling van de werknemers

Artikel 4.5 – Salariëring (lid 7, tabellen alleen begin en eindbedrag)/Salariëring

Artikel 4.6 – Ondernemingssalarissystemen

Artikel 4.7 – Garantie bij invoering ISF of ISF en SAO

Artikel 4.8 – Bijzonder verzuim

Artikel 4.9 – Wijzigingen salarisgroep

Artikel 4.10 – Her- en omscholing

Artikel 4.12 – Betaling van arbeid in ploegen

Artikel 4.13 – Betaling van continuarbeid

Artikel 4.14 – Meeruren en overuren

Artikel 4.15 – Minder uren oproepkrachten

Artikel 4.16 – Toeslag voor afwijkende werktijd

Artikel 4.17 – Betaling van overwerk bij continuarbeid

 

HOOFDSTUK 5 - VAKANTIE

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 5.1 – Omschrijving

Artikel 5.2 – Doorbetaling en verrekening gedurende het dienstverband

§ 2. Het verdienen van vakantierechten

Artikel 5.3 – Vakantierechten

Artikel 5.4 – Extra vakantie wegens langdurig dienstverband (tot 1-1-

2009)

Artikel 5.5 – Extra vakantie voor jeugdigen (tot 1-1-2009)

Artikel 5.6 – Extra vakantie voor senioren (tot 1-1-2009)

Artikel 5.4 – Extra vakantie wegens langdurig dienstverband (vanaf 1-1-

2009)

Artikel 5.6 – Overgangsregeling extra vakantie voor senioren (vanaf 1-1-

2009)

Artikel 5.7 – Het verdienen van vakantie gedurende het kalenderjaar

§ 3. Het genieten van vakantie

Artikel 5.8 – Vaststellingsprocedure

Artikel 5.9 – Data van de vakantie

Artikel 5.10 – Zaterdagen

§ 4. Vakantietoeslag

Artikel 5.11 – Vakantietoeslag

 

HOOFDSTUK 6 - VERZUIM

Artikel 6.1 – Kort verzuim

Artikel 6.2 – Uitkering bij werkloosheid tijdens dienstverband

Artikel 6.3 – Bijzonder verlof werknemers die lid zijn van de v.v.

(toelichting bij lid 1)/ Bijzonder verlof werknemers die lid zijn van de

v.v.

Artikel 6.4 – Uitkering bij arbeids(on)geschiktheid

Artikel 6.5 – WGA-hiaatverzekering

Artikel 6.7 – Gedifferentieerde WGA-premie 

 

HOOFDSTUK 7 - PENSIOENREGELING

Artikel 7.1 – Bedrijfstakpensioenfonds

Artikel 7.2 – Overlijdensuitkering

 

HOOFDSTUK 8 - KARWEIWERK

Artikel 8.1 – Karweiwerkzaamheden

Artikel 8.2 – Reis- en verblijfkosten 

 

HOOFDSTUK 9 - DIVERSE BEPALINGEN

Artikel 9.1 – Uitzendbureaus

Artikel 9.2 – Niet in dienst zijnde werknemers (lid 3) / Niet in dienst

zijnde werknemers

Artikel 9.3 – Bescherming personeelsvertegenwoordigers

Artikel 9.4 – Wijziging van gereglementeerde winstdelingsregelingen

Artikel 9.5 – Sociaal beleid

Artikel 9.8 – Levensloopregeling en verlof

Artikel 9.9 – Vakbondscontributie

 

HOOFDSTUK 10 - SLOTBEPALINGEN

Artikel 10.3 – Sociaal Fonds

Artikel 10.5 – Bondswerk in de onderneming

Artikel 10.6 – Fusie, reorganisatie, sluiting; inschakeling van organisatiebureaus

Artikel 10.9 – Wijzigingen

Artikel 10.10 – Secretariaatskosten op bedrijfstakniveau

BIJLAGE A. Werkingssfeer

BIJLAGE D. Integraal Systeem van Functiewaardering (alleen be- gin  en  eind  puntentabel)/Integraal  Systeem  van  Functiewaardering (ISF)

BIJLAGE E. Systeemhouderschap ISF en/of SAO

BIJLAGE   F.  (Artikel  4.1  van  de  CAO)  Systemen  van   functie- classificatie

BIJLAGE F. Toeslagpercentages

BIJLAGE  G. Overzicht  informatiebijlagen  opgenomen  op de  website van de ROM (www.caometalektro.nl)

LEESWIJZER:

–    A-bepalingen zijn vet weergegeven

–    B-bepalingen zijn de overige (niet vet) weergegeven bepalingen

 

STATUTEN    STICHTING    RAAD   VAN    OVERLEG    IN    DE METALEKTRO 

Artikel 1 

Naam en zetel 

De stichting draagt de naam: Stichting Raad van Overleg in de Metalek- tro,  hierna  te  noemen:  ,,Raad  van  Overleg’’  en  is  gevestigd  te  ’s- Gravenhage.

 

Artikel 2 

Deelnemers 

De Raad van Overleg bestaat uit de navolgende deelnemers: 

1.   Voor de werkgeversafgevaardigden:

–    de Vereniging FME-CWM, te Zoetermeer; 

2.   Voor de werknemersafgevaardigden:

–    FNV Bondgenoten, een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid en statutair gevestigd te Utrecht;

–    CNV  Bedrijvenbond,  een  vereniging  met  volledige  rechtsbevoegdheid en statutair gevestigd te Houten;

–    De Unie, Vakbond voor industrie en dienstverlening, een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid  en statutair gevestigd te Culemborg;

–    De Vakorganisatie van het Middelbaar en Hoger Personeel VHP Metalektro, een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid en statutair gevestigd te Houten.

 

Artikel 3 

Doel 

De  Raad  van  Overleg  heeft  ten  doel  het  bevorderen  van  een  goede samenwerking tussen werkgevers en werknemers in het belang van alle ondernemingen in de CAO en CAO-HP in de Metalektro (voorheen: de Metaal- en Elektrotechnische Industrie) en van de daarin werkzame per- sonen. 

Artikel 4 

Middelen om het doel te verwezenlijken 

De Raad van Overleg tracht het doel, zoals omschreven onder artikel 3 te verwezenlijken door:

a.   op te treden als orgaan van overleg en samenwerking zoals in  het bestuur van de Raad van Overleg, de commissie werkingssfeer en de werkgroep Preventie, Ziekteverzuim en Reïntegratie. De kosten ten behoeve van het CAO-overleg worden door partijen zelf gedragen;

b.   desgevraagd of uit eigen beweging advies uit te brengen met betrek- king  tot  sociale-  en  economische  vraagstukken  in  de  bedrijfstak Metalektro;

c.   fondsen, instellingen, organen en werkgroepen in het leven te roepen en in stand te houden die voor de Metalektro van belang zijn, waar- onder de Stichting Arbeidsmarkt en Opleiding in de Metalektro, de Stichting Kinderopvang  in de Metalektro  en de  Stichting  Sociaal Fonds in de Metalektro;

d.   het overleg te bevorderen tussen de werkgevers en de werknemers in de afzonderlijke ondernemingen door middel van het bij elkaar bren- gen van (de meest betrokken) partijen, zoals de Bemiddelingsinstantie en de Geschillencommissie;

e.   het innen van de bijdragen van de secretariaatskosten op bedrijfstak- niveau, alsmede de bijdragen van de onder c. genoemde fondsen die door de ondernemingen in de Metalektro worden verstrekt ingevolge het bepaalde in de collectieve  arbeidsovereenkomst(en)  in hun be- drijfstak;

f.   het toezien op de verdeling van de sub e. bedoelde gelden conform de collectieve arbeidsovereenkomst(en) in de bedrijfstak;

g.   statistische gegevens op sociaal-economisch gebied te verzamelen;

h.   op te treden als regelend en uitvoerend orgaan, hetzij als uitvloeisel van tussen de deelnemers gemaakte afspraken, hetzij voorzover dit de deelnemers gewenst voorkomt – ingevolge bij of krachtens de wet verleende bevoegdheden;

i.    het voeren van het secretariaat en de daarmede verbonden administratie van de te ’s-Gravenhage gevestigde Bedrijfscommissie voor de Ondernemingsraden  in  de  Metalektro;  met  uitzondering  van  die werkzaamheden  waarvan  de uitvoering  bij wet of enig  besluit  in overleg  tussen  de  Bedrijfscommissie  en  de  stichting  genomen  of gehandhaafd, aan anderen is opgedragen;

j.    het  coördineren  van  beleidsvoorbereidende  en  beleidsuitvoerende taken van bedrijfstakorganen;

k.   het dienen als werkgever van het personeel van de Raad van Overleg dat belast is met de uitvoering van de activiteiten als in dit artikel omschreven;

l.    het beheren van de activa nodig voor de exploitatie van de in dit artikel genoemde activiteiten van de Raad van Overleg;

m. het financieren van ad hoc projecten in het kader van de in artikel 3 genoemd  doelen  en de daaruit  voortvloeiende  activiteiten  ten  behoeve van de bedrijfstak Metalektro;

n.   de vervaardiging van, uitgifte en verzending van de  noodzakelijke hoeveelheid CAO-boekjes ten behoeve van alle werkgevers en werknemers in de branche.

 

Artikel 5 

Geldmiddelen 

De geldmiddelen van de Raad van Overleg bestaan uit:

a.   het kapitaal van de Raad van Overleg;

b.   de jaarlijkse bijdragen van de ondernemingen in de Metalektro ingevolge het bepaalde in de collectieve arbeidsovereenkomst(en) in hun bedrijfstak  ten  aanzien  van  die  secretariaatskosten  van  bovengenoemde activiteiten ten behoeve van de gehele bedrijfstak;

c.   subsidies, giften en donaties;

d.   hetgeen op andere wijze wordt verkregen.

 

Artikel 6 

Taken 

De Raad van Overleg heeft zich onder meer tot taak gesteld:

a.   te bevorderen, dat tussen de werkgeversvereniging en de werknemersvakverenigingen  collectieve arbeidsovereenkomsten  worden aangegaan en dat deze algemeen verbindend worden verklaard;
b.   de ontwikkeling te volgen met betrekking tot de toepassing van  de collectieve arbeidsovereenkomsten;
c.   de ontwikkeling te volgen op sociaal en economisch gebied en in dit kader aandacht te schenken aan onder meer:

–    productiviteit;
–    werkgelegenheid;
–    kwaliteit van de arbeid;
–    vakopleiding;
–    veiligheid;

d.   andere  taken  die  door  de  werkgeversvereniging  en  werknemersvakverenigingen gezamenlijk door middel van de CAO(’s) worden opgedragen;

e.   de bestuursleden te benoemen van Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor Metalektro, Stichting Kinderopvang in de Metalektro, Stichting Arbeidsmarkt  en Opleiding  in de Metalektro  en Stichting  Sociaal Fonds in de Metalektro.

 

Artikel 7 

Organen 

De Raad van Overleg kent als organen:

1.   het bestuur;
2.   de raad van toezicht;
3.   de directie.

 

Artikel 8 

Bestuur 

1.   Het bestuur van de Raad van Overleg bestaat uit maximaal  zestien leden, door de deelnemers als volgt te benoemen;

a.   een delegatie van maximaal acht leden door de Vereniging FME- CWM;

b.   een delegatie van maximaal vier leden door FNV Bondgenoten;

c.   een delegatie  van maximaal  twee leden door CNV  Bedrijvenbond;

d.   een delegatie van één lid door de Unie, vakbond van industrie en dienstverlening;

e.   een delegatie van één lid door de VHP Metalektro, vakorganisatie van het middelbaar en hoger personeel. 

2.   Het bestuur wijst uit zijn midden een werkgeversen  werknemers- bestuurslid aan, die beurtelings voor één jaar de functie van voorzitter zal bekleden.

In de even jaren treedt een werkgeversbestuurslid als voorzitter op, in de oneven jaren treedt een werknemersbestuurslid als zodanig op. Gedurende het jaar dat het werkgeversbestuurslid  voorzitter is, zal het werknemersbestuurslid vice-voorzitter zijn en omgekeerd. 

3.   De overige bestuursfuncties  worden in onderling  overleg door  de bestuursleden verdeeld. 

4.   De leden van het bestuur worden voor onbepaalde tijd benoemd. 

5.   Het bestuurslidmaatschap eindigt:

a.   door overlijden;

b.   door bedanken;

c.   door onder curatelestelling of faillissement;

d.   door  een  daartoe  strekkend  besluit  van  de  deelnemer  die  het bestuur heeft benoemd.
Indien er in het bestuur één of meer vacatures bestaan blijven de overige bestuursleden een bevoegd college vormen. Het bestuur is verplicht zo spoedig mogelijk in de vacature(s) te doen voorzien.

6.   Het bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter of tenminste vier bestuursleden zulks wenselijk achten, doch tenminste één  keer per half jaar. 

7.   De bijeenroeping voor vergaderingen geschiedt, behoudens in spoed- eisende gevallen, zulks ter beoordeling van de voorzitter, schriftelijk, met een termijn van tenminste veertien dagen. De  brieven voor de oproeping vermelden, behalve het tijdstip en de plaats der vergade- ring, de onderwerpen welke in de vergadering zullen worden behan- deld. In de vergaderingen, welke niet schriftelijk met een termijn van veertien dagen zijn bijeengeroepen, kunnen slechts besluiten worden genomen, indien alle bestuursleden aanwezig zijn. 

8.   Geldige besluiten kunnen, tenzij de statuten daaromtrent anders be- palen, slechts worden genomen in vergaderingen, waarin  tenminste vier werkgevers en vier werknemersbestuursleden tegenwoordig zijn. 

9.   Stemming geschiedt per delegatie:

a.   De delegatie aangewezen door de Vereniging FME-CWM brengt achtenvijftig stemmen uit;

b.   De delegatie, aangewezen door FNV Bondgenoten, brengt vierenveertig stemmen uit;

c.   De delegatie, aangewezen door CNV Bedrijvenbond brengt acht stemmen uit;

d.   De delegatie, aangewezen door de Unie, vakbond van industrie en dienstverlening, brengt vier stemmen uit;

e.   De delegatie, aangewezen door de VHP Metalektro, vakorganisatie het middelbaar en hoger personeel brengt twee stemmen uit.

10. Ongeacht  het  aantal  aanwezige  bestuursleden  brengt  de  delegatie aangewezen door de werkgeversvereniging evenveel stemmen uit als de delegaties, aangewezen door de werknemersvakverenigingen gezamenlijk.

11. Bij staking van stemmen wordt het nemen van een besluit tot  een volgende vergadering uitgesteld. Indien de stemmen dan  wederom staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

12. Besluiten worden, voor zover daarvan bij deze statuten niet  wordt afgeweken, genomen bij volstrekte meerderheid van de geldig uitge- brachte stemmen.

Blanco stemmen en stemmen van onwaarde worden als niet  uitgebracht beschouwd.

13. Stemming over zaken geschiedt hoofdelijk en mondeling. Stemming over  personen  vindt  plaats  met  gesloten  stembiljetten,  die  geen ondertekening of ander kenmerk mogen dragen. Het bestuur is even- wel bevoegd, indien de meerderheid daartoe besluit, de stemming op een andere wijze te houden.  Een besluit kan ook worden genomen door ondertekening  door  alle bestuursleden  van een desbetreffend stuk. 

14. Het bestuur kan ook op andere wijze dan in een vergadering beslui- ten nemen,  mits  alle  leden  hun stem  schriftelijk  daaronder  mede begrepen per fax of electronische post (e-mail)  uitbrengen en geen van hen zich tegen deze wijze van besluitvorming verzet. Een besluit is alsdan genomen, indien de volstrekte dan wel de vereiste grotere meerderheid van het  aantal  leden zich vóór het voorstel heeft verklaard. 

15. Het bestuur is bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkom- sten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen. 

16. Het bestuur vertegenwoordigt de Raad van Overleg. De Raad  kan voorts vertegenwoordigd worden door de voorzitter en vice-voorzitter tezamen. Het bestuur verleent aan de directeur volmacht om in het kader van de aan de directie opgedragen taken de stichting te verte- genwoordigen.

 

Artikel 9 

Directie en administratie 

1.   Het bestuur draagt alle secretariële werkzaamheden, waaronder  het voorbereiden van werkplannen met bijbehorende begroting,  de uit- voering  van  bestuursbesluiten,  de  financiële  administratie  en  het beleggen van de financiële middelen op aan een door hem te benoe- men directie, bestaande uit één lid, de directeur. Het bestuur is belast met het beheer van het fondsvermogen. De directie legt aan de raad van toezicht periodiek verantwoording af over de uitvoering van haar taken en is gehouden de raad van toezicht alle verlangde informatie te verschaffen. 

2.   Aan de goedkeuring van de raad van toezicht zijn, onverminderd het elders deze statuten bepaalde, onderworpen de besluiten die  in het directiestatuut zijn genoemd. 

3.   De directeur is tevens secretaris van het bestuur. De secretaris maakt geen deel uit van het bestuur. 

4.   Het bestuur benoemt, schorst en ontslaat de directeur.

De bevoegdheid tot schorsing van de directeur komt mede toe aan de raad van toezicht. De schorsing door de raad van toezicht kan te allen tijde door het bestuur worden opgeheven. 

5.   De vaststelling van het salaris en de regeling van de overige arbeids- voorwaarden van de directeur geschieden door het bestuur. 

6.   Bij ontstentenis of belet van de directeur wordt de directie waarge- nomen door de raad van toezicht, onverminderd zijn  bevoegdheid één of meer personen, al dan niet uit zijn midden, daartoe aan te wijzen. 

7.   De taakomschrijving en overige regeling van de werkwijze en  be- sluitvorming van de directie geschiedt bij het directiestatuut, dat de goedkeuring van het bestuur behoeft.

 

Artikel 10 

Het secretariaat 

De directie is belast met het voeren van een centraal secretariaat en de daarmede verbonden administratie van de in artikel 4 genoemde Bedrijf- scommissie en van andere bedrijfstakorganen.

 

Artikel 11 

Raad van toezicht 

1.   De Raad van Overleg heeft een raad van toezicht. De raad van toe- zicht heeft tot taak toezicht te houden op de uitvoering van bestuurs- besluiten door de directie en op de algemene gang van zaken binnen het  centraal  secretariaat  en  daaraan  verbonden  administratie.  Hij staat de directie met raad terzijde. 

2.   De raad van toezicht bestaat uit twee personen. 

3.   De leden van de raad van toezicht worden door het bestuur benoemd, geschorst en ontslagen. De benoeming geschiedt al  dan niet uit de leden van het bestuur op basis van een  bindende  voordracht op te maken voor elke te vervullen plaats en wel zodanig dat een lid van de  raad  van  toezicht  werkgeversafgevaardigde en het andere lid werknemersafgevaardigde is.

De navolgende verenigingen hebben het recht de voordracht  op  te maken:

Voor de werkgeversafgevaardigde:

–    de Vereniging FME-CWM, te Zoetermeer;

Voor de werknemersafgevaardigde:

–    FNV Bondgenoten, te Utrecht;
–    CNV Bedrijvenbond, te Houten;
–   De Unie, Vakbond van industrie en dienstverlening, te Houten;
–    VHP Metalektro,  vakorganisatie  van  het  middelbaar  en  hoger personeel, te Houten.

Voor de benoeming van de werknemersafgevaardigde wordt door de genoemde werknemersverenigingen een gezamenlijke voordracht opgemaakt.

De betreffende vereniging(en) zal (zullen) de voordracht als bedoeld in dit lid opmaken binnen drie maanden nadat deze  vereniging(en) daartoe schriftelijk door het bestuur is (zijn) uitgenodigd.

 

Artikel 12 

1.   Het bestuur kan een lid van de raad van toezicht ontslaan  wegens verwaarlozing van zijn taak, wegens andere gewichtige  redenen of wegens ingrijpende wijziging van de omstandigheden op grond waar- van zijn handhaving als lid van de raad van  toezicht redelijkerwijs niet kan worden verlangd. 

2.   Het bestuur kan een lid van de raad schorsen; de schorsing vervalt van  rechtswege  indien  het  bestuur  niet  binnen  een  maand  na  de schorsing overgaat tot ontslag op één der gronden als in lid 1 van dit artikel is genoemd. 

3.   Een lid van de raad van toezicht treedt volgens rooster, doch uiter- lijk vier jaar na zijn benoeming, af. Een aftredend lid  van  de raad van toezicht is terstond herbenoembaar.

 

Artikel 13 

1.   De leden van de raad van toezicht vervullen beurtelings voor één jaar de functie van voorzitter.

In de even jaren treedt een werkgeverslid  als voorzitter op, in  de oneven jaar treedt een werknemerslid als zodanig op. Gedurende het jaar, dat het werkgeversbestuurslid voorzitter is, zal het werknemers- lid vice-voorzitter zijn en omgekeerd.

Voor de vervulling van de secretariële werkzaamheden van de raad van toezicht stelt de directie een secretaris aan.

De secretaris maakt geen deel uit van de raad van toezicht. 

2.   De raad van toezicht vergadert zo dikwijls de voorzitter, of de direc- tie het nodig achten.

De oproepingen tot de vergaderingen geschieden door de secretaris met inachtneming van een termijn van tenminste vijftien dagen, die van de oproeping van de vergadering daaronder niet begrepen.  In spoedeisende gevallen kan met een kortere termijn worden volstaan, zulks ter beoordeling van de voorzitter. 

3.   De raad van toezicht kan alleen dan geldige besluiten nemen indien de beide leden van de raad van toezicht aanwezig zijn en neemt zijn besluiten met algemene stemmen. 

4.   De raad van toezicht kan ook buiten vergadering besluiten  nemen mits de zienswijze van de leden van de raad van toezicht schriftelijk wordt ingewonnen en geen der leden van de raad van toezicht zich tegen deze wijze van besluitvorming verzet.

5.   De vergaderingen van de raad van toezicht worden bijgewoond door de directie, tenzij de raad van toezicht de wens te kennen geeft zon- der de directie te willen vergaderen. 

6.   Van het verhandelde in de vergaderingen worden notulen gehouden, welke zodra mogelijk door de voorzitter van de vergadering, alsmede door degene, die de notulen gehouden heeft, worden ondertekend.

In de notulen wordt vermeld welke leden van de raad van  toezicht ter vergadering aanwezig zijn geweest. De notulen worden zo spoe- dig mogelijk aan de leden van het bestuur toegestuurd.

 

Artikel 14 

Begroting en werkplan 

1.   Het bestuur van de Raad van Overleg zal voor de betreffende CAO- periode jaarlijks een werkplan met bijbehorende begroting vaststel- len. Het bestuur stelt deze begroting vast met een meerderheid van ten minste drie/vierde van het aantal  geldig uitgebrachte stemmen aan werkgeversvakverenigingskant en drie/vierde van het aantal gel- dig uitgebrachte stemmen aan werknemersvakverenigingskant. 

2.   Deze begroting moet zijn ingericht en gespecificeerd volgens de in artikel 4 van deze statuten bedoelde bestedingsdoelen/activiteiten. 

3.   De vastgestelde begroting zal voor de werknemers en de  onderne- mingen in Metalektro ten kantore van de stichting ter inzage worden gelegd en een afschrift daarvan zal op verzoek worden toegezonden tegen betaling van de daaraan verbonden kosten.

4.   Het  goedgekeurde  en  vastgestelde  werkplan  en  de  bijbehorende begroting vormen de basis voor het door het bestuur voor de betreffende periode te voeren beleid.

Het bestuur kan alleen daarvan afwijken op grond van een bestuurs- besluit te nemen met een meerderheid van ten minste drie/vierde van het aantal  geldig  uitgebrachte  stemmen  aan  werkgeversvakvereni- gingskant en drie/vierde van het aantal geldig uitgebrachte stemmen aan werknemersvakverenigingskant.

Terzake van de uitvoering van het werkplan brengt het bestuur  na afloop van ieder boekjaar verslag uit.

 

Artikel 15 

Boekjaar en jaarstukken 

1.   Het boekjaar van de Raad van Overleg is gelijk aan het kalenderjaar. 

2.   Per het einde van het boekjaar worden de boeken der stichting afge- sloten. Binnen  zes  maanden  na  afloop van  het  boekjaar  stelt  het bestuur een jaarverslag op, dat volgens de in artikel 4 van deze sta- tuten bedoelde bestedingsdoelen/activiteiten moet zijn gespecificeerd. In dit jaarverslag wordt een balans en een staat van baten en lasten over  het  afgelopen  boekjaar  opgenomen,  alsmede  een  verklaring over de besteding van de gelden. De directie laat dit jaarverslag con- troleren door een onafhankelijke extreme accountant of accountant- admimstratieconsulent  met  certificerende  bevoegdheid  en  legt  dit jaarverslag aan het bestuur ter vaststelling voor. Uit de stukken moet blijken dat de uitgaven conform de bestedingsdoelen zijn gedaan. 

3.   Het bestuur verleent de opdracht tot controle van het jaarverslag aan de in lid 2 bedoelde accountant. 

4.   Een besluit tot vaststelling wordt door het bestuur genomen met een meerderheid van tenminste drie/vierde van het aantal  geldig  uitge- brachte stemmen aan  werkgeversvakverenigingskant  en drie/vierde van  het  aantal   geldig   uitgebrachte   stemmen   aan  werknemers- vakverenigingskant. 

5.   Jaarlijks binnen één maand na vaststelling van de jaarstukken brengt het bestuur omtrent het gevoerde beleid verslag uit, zulks onder over- legging van de jaarstukken en het verslag van de in lid 2 bedoelde accountant. 

6.   De vastgestelde jaarstukken met het verslag van de in lid 2 bedoelde accountant  en  het  verslag  van  het  bestuur  omtrent  het  gevoerde beleid zal voor de werknemers en de ondernemingen in de Metalek- tro ten kantore van de Raad van Overleg en op een of meer door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen plaatsen ter inzage worden gelegd en een afschrift daarvan zal op verzoek worden toegezonden tegen betaling van de daaraan verbonden kosten.

 

Artikel 16 

Vrijwaring en vrijtekening 

1.   De stichting stelt iedere persoon die, vanwege het feit dat hij lid van het bestuur of van de raad van toezicht van de stichting is  of was, als partij betrokken is of was of als een op diens betrokkenheid als partij  uitlopende  ontwikkeling  aannemelijk  is  bij  een  op  handen zijnde, aanhangige of beëindigde actie of procedure van welke aard dan ook, door of namens de stichting dan wel door derden ingesteld, schadeloos voor alle nadelige financiële gevolgen, daaronder begre- pen  kosten  en  boetes,  die  hij  in  werkelijkheid  en  redelijkerwijze heeft moeten  dragen  in verband met een dergelijke actie of proce- dure, mits  hij heeft gehandeld op een wijze die hij redelijkerwijze kon beschouwen in het belang van of niet tegen de belangen van de stichting te zijn, en tenzij (en voor zover) het doen van een beroep op deze regeling in strijd zou zijn met de goede trouw, daarbij wordt het begrip goede trouw zo ruim uitgelegd als  juridisch van tijd tot tijd mogelijk is. 

2.   Een schadeloosstelling  door de stichting bedoeld in het vorige  lid geschiedt na een vaststelling dat het lid van het bestuur of  van de raad van toezicht voldaan heeft aan de van toepassing  zijnde ge- dragsnorm genoemd in het vorige lid. Deze  vaststelling  geschiedt door de raad van toezicht in een voltallige vergadering. 

3.   Kosten gemaakt voor het voeren van verweer in een actie of proce- dure kunnen door de stichting worden voorgeschoten in afwachting van  de  einduitspraak  in  de  actie  of  procedure  en  wel  krachtens besluit van de raad van toezicht met betrekking tot het desbetreffende geval, na ontvangst van een schriftelijke toezegging door of namens het lid van het bestuur dan wel  van de raad van toezicht om dit bedrag terug te betalen, tenzij uiteindelijk vastgesteld wordt dat hij het recht heeft door de stichting schadeloos gesteld te worden zoals in dit artikel bepaald. 

4.   De schadeloosstelling voorzien in dit artikel wordt niet geacht enig ander recht uit te sluiten, die de betrokken persoon zou kunnen toe- komen krachtens een reglement, (verzekerings)overeenkomst of van de niet-belanghebbende  bestuursleden of anderszins en zal  blijven gelden voor een persoon die geen lid van het bestuur of van de raad van toezicht meer is en zal ook ten goede komen aan de erfgenamen of legatarissen.

 

Artikel 17 

Uittreden 

Wanneer een deelnemer uittreedt, blijft hij gehouden tot nakoming van de verplichtingen, waartoe hij op het moment van uittreding gehouden was.

 

Artikel 18 

Wijziging der statuten 

1.   Het bestuur is bevoegd deze statuten te wijzigen. 

2.   Een besluit tot wijziging van de statuten kan slechts genomen worden met algemene stemmen. 

3.   Een voorstel tot wijziging van de statuten moet tenminste  veertien dagen voor de behandeling aan ieder der bestuursleden  schriftelijk ter kennis zijn gebracht. 

4.   De statutenwijziging komt bij notariële akte tot stand. 

5.   Tot het doen verlijden van de notariële akte van statutenwijziging is ieder bestuurslid bevoegd.

 

Artikel 19 

Ontbinding 

1.   Het bestuur  kan tot ontbinding  van de Raad  van Overleg  slechts besluiten  met  tenminste  drie/vierde  van  het  aantal  geldig  uitge- brachte stemmen aan werkgeversverenigingskant en drie/vierde van het     aantal               geldig          uitgebrachte      stemmen                aan           werknemers- vakverenigingskant.

2.   Een voorstel tot ontbinding van de Raad van Overleg moet tenmin- ste veertien dagen voor de behandeling aan ieder der bestuursleden schriftelijk ter kennis zijn gebracht.

3.   In geval van ontbinding is het bestuur met de vereffening belast.

4.   Het bestuur geeft aan het overschot na vereffening een bestemming welke zoveel mogelijk overeenkomt met haar doel en karakter.

 

Artikel 20 

Reglementen 

1.   Het bestuur kan voor de uitvoering van zijn taak een of meer reglementen vaststellen en een vastgesteld reglement of  vastgestelde re- glementen wijzigen. 

2.   De in lid 1 genoemde reglementen mogen geen bepalingen bevatten welke in strijd zijn met deze statuten. 

Artikel 21 

Slotbepaling 

In alle gevallen, waarin door de statuten of een eventueel reglement niet is voorzien, beslist het bestuur.

STATUTEN STICHTING SOCIAAL FONDS IN DE  METALEKTRO

 

Artikel 1 

Naam en zetel 

De stichting draagt de naam: Stichting Sociaal Fonds in de Metalektro en is gevestigd te ’s-Gravenhage.

 

Artikel 2 

Doel 

De stichting heeft ten doel het in de meest ruime zin bevorderen van:

–    goede arbeidsverhoudingen in de Metalektro;

–    goede arbeidsomstandigheden in de Metalektro;

–    een goede uitvoering en een optimaal functioneren van de  arbeidsvoorwaarden als overeengekomen in de collectieve arbeidsovereenkomst in de Metalektro;

–    een goede toepassing van de werking van de Wet op de  Ondernemingsraden;

–    een optimale werking van de arbeidsmarkt in de Metalektro.

 

Artikel 3 

Middelen om het doel te bereiken 

De stichting tracht haar doel te bereiken door het financieren en subsi- diëren van  door werknemersorganisaties  te verrichten  activiteiten  die gericht zijn op het in sociaal opzicht optimaal functioneren van de Meta- lektro. Activiteiten zijn het bevorderen van:

a.   het ontwikkelen  en/of implementeren  van beleid specifiek ten  be- hoeve van het uitvoeren van projecten die gericht zijn op  optimale werkgelegenheid in de Metalektro;

b.   het  adviseren,  geven  van  voorlichting  en  informatie  over  voor- schriften, die uit de cao Metalektro voortvloeien en/of andere voor- schriften die op het terrein van de arbeidsvoorwaarden/ -verhoudingen en of de vaktechnische ontwikkeling liggen;

c.   het coördineren,  voorbereiden  en ondersteunen  van het  geformali- seerde overleg, met uitzondering van CAO-overleg,  tussen sociale partners in de Metalektro;

d.   het bevorderen van een goede toepassing van de weten regelgeving op sociaal-economisch terrein in de Metalektro;

e.   opleidings-, scholings- en vormingsactiviteiten in het kader van  de arbeid ten behoeve van iedere werknemer in de Metalektro;

f.   het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de bevordering van goede arbeidsomstandigheden en medezeggenschap in de Meta- lektro;

g.   het (doen) verrichten van en informeren over onderzoek op de hier- boven onder a t/m e genoemde terreinen met het oog op het ontwik- kelen van beleid;

h.   het (doen) verrichten van en informeren over onderzoeken en  pro- jecten in het kader van de bevordering van de professionaliteit op het terrein van de arbeid van de Metalektro;

i.    en voorts de werkzaamheden van de stichting in het kader van  de uitvoering van de in de statuten, reglementen  en CAO  genoemde activiteiten.

 

Artikel 4 

Financiele middelen 

1.   De financiële middelen van de stichting bestaan uit:

a.   bijdragen, die door de ondernemingen in de Metalektro worden verstrekt en zijn geïnd door Stichting Raad van Overleg in de Metalektro, gevestigd te ’s-Gravenhage, ingevolge het bepaalde in de collectieve arbeidsovereenkomst in de Metalektro en in de collectieve arbeidsovereenkomst voor het hoger personeel in de Metalektro;

b.   inkomsten uit het vermogen van de stichting;
c.   eventuele andere baten. 

2.   De beschikbare gelden van het fonds van de stichting worden belegd met inachtneming van redelijke eisen van liquiditeit en rendement en van een zo juist mogelijke risicoverdeling,  ondermeer door kortlo- pende depositorekeningen bij solide Nederlandse bankinstellingen.

 

Artikel 5 

Bestuur 

1.   Het bestuur van de stichting bestaat uit twee leden, te weten  één werkgeverslid en één werknemerslid. 

2.   De leden van het bestuur worden benoemd door de stichting Stich- ting Raad van Overleg in de Metalektro, gevestigd te ’s-Gravenhage, hierna te noemen: ,,ROM’’.

De benoeming van bestuursleden geschiedt uit een bindende  voor- dracht, op te maken voor elke te vervullen plaats.

De  navolgende  verenigingen  maken  voor  de  benoeming  van  een bestuurslid de voordracht op, te weten:

–    voor  het  werkgeverslid:  Vereniging  FME-CWM,  gevestigd  te Zoetermeer;
–    voor het werknemerslid: de vakverenigingen in de ROM.

De voordracht als bedoeld in dit lid zal binnen een maand nadat de vereniging(en) hiertoe schriftelijk door de ROM is/zijn uitgenodigd, worden opgemaakt. 

3.   De ROM kan een bestuurslid schorsen of ontslaan al dan niet op ver- zoek van de vereniging  die overeenkomstig  lid 2  bevoegd  is een voordracht voor de betreffende bestuurszetel op te maken.

4.   Het bestuurslidmaatschap eindigt door:

a.   overlijden;
b.   het nemen van ontslag;
c.   onder curatelestelling of faillissement;
d.   ontslag als bedoeld in lid 3.

 

Artikel 6 

1.   Het bestuur wijst telkenjare uit haar midden een voorzitter en  een vice-voorzitter aan, met dien verstande dat indien het voorzitterschap wordt bekleed door het lid benoemd op  voordracht van de Vereni- ging FME-CWM, het  vice-voorzitterschap wordt bekleed door een lid benoemd op voordracht van de werknemersorganisaties en zo tel- kenjare afwisselend.

2.   Het bestuur vertegenwoordigt de stichting.

 

Artikel 7 

Vergaderingen 

Het bestuur vergadert zo dikwijls een bestuurslid dit gewenst acht.

 

Artikel 8 

Besluitvorming 

1.   Het bestuur kan alleen besluiten nemen indien beide  bestuursleden aanwezig zijn. Stemmen bij volmacht is niet toegestaan. 

2.   Bestuursbesluiten worden genomen met algemene stemmen. 

3.   Over zaken wordt mondeling  gestemd,  over personen  schriftelijk. Blanco stemmen zijn van onwaarde.

4.   Bij staking van stemmen wordt het voorstel in een volgende verga- dering opnieuw aan de orde gesteld. Staken de stemmen dan weer, dan wordt het betreffende voorstel voorgelegd aan – en beslist door de ROM.

5.   Besluiten van het bestuur kunnen ook buiten vergadering tot  stand komen, mits dit schriftelijk daaronder mede begrepen per electroni- sche post (e-mail) of fax – geschiedt en alle  bestuurders zich voor het desbetreffende voorstel uitspreken.

 

Artikel 9 

Bestuursbevoegdheid 

Het bestuur is bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van  registergoederen, mits een dergelijk besluit is genomen met algemene stemmen in een verga- dering waarin alle bestuursleden aanwezig zijn.

 

Artikel 10 

Secretariaat en administratie

1.   Het bestuur draagt alle secretariële werkzaamheden, waaronder  het voorbereiden van werkplannen met bijbehorende begroting,  de uit- voering  van  bestuursbesluiten,  de  financiële  administratie  en  het beleggen van  de  financiële middelen  op  aan  de  directeur  van  de ROM. Deze kan een derde, bij de ROM in dienst zijnde werknemer, aanwijzen als secretaris, die als zodanig toegang heeft tot bestuurs- vergaderingen en daarin een adviserende stem heeft.

Het bestuur is belast met het beheer van het fondsvermogen.

2.   Het bestuur draagt de inning van de in artikel 4 onder a.  bedoelde bijdragen op aan de ROM.

 

Artikel 11 

Subsidieverlening

1.   Het bestuur stelt de wijze waarop en de voorwaarden waaronder er recht op een verstrekking uit het fonds bestaat, vast, voorzover dit in de collectieve arbeidsovereenkomst in de Metalektro niet is vastgelegd. 

2.   Subsidie verzoekende instellingen dienen bij het verzoek een begro- ting in welke moet zijn gespecificeerd volgens de bestedingsdoelen/ activiteiten welke zijn opgenomen in artikel 3 van deze statuten. Subsidie ontvangende instellingen zullen  worden verplicht jaarlijks een door een onafhankelijke externe registeraccountant of accountant- administratie-consulent  met   certificerende  bevoegdheid  gecontro- leerde verklaring over te leggen over de besteding van de subsidie- gelden,  welke   verklaring  (ten  minste)  moet  zijn  gespecificeerd volgens de in artikel 3 van deze statuten bedoelde bestedingsdoelen/ activiteiten. Deze verklaring maakt een geïntegreerd onderdeel  uit van het (financieel) jaarverslag. 

Artikel 12 

Financien 

1.   Het boekjaar van de stichting loopt van één januari tot en met éénen- dertig december daaraanvolgend.

2.   Per het einde van het boekjaar worden de boeken der stichting afge- sloten. Binnen  zes  maanden  na  afloop van  het  boekjaar  stelt  het bestuur een jaarverslag op dat volgens de in artikel 3 van deze sta- tuten bedoelde bestedingsdoelen/activiteiten moet zijn gespecificeerd. In dit jaarverslag wordt een balans en een staat van baten en lasten over  het  afgelopen  boekjaar  opgenomen,  alsmede  een  verklaring over de besteding van de gelden. De directie laat dit jaarverslag con- troleren door een  onafhankelijke externe accountant of accountant- administratieconsulent  met  certificerende  bevoegdheid  en  legt  dit jaarverslag aan het bestuur ter vaststelling voor. Uit de stukken moet blijken dat de uitgaven conform de bestedingsdoelen zijn gedaan.

3.   Jaarlijks binnen één maand na vaststelling door het bestuur van  de jaarstukken brengt het bestuur omtrent het gevoerde beleid  verslag uit aan de ROM, zulks onder overlegging van de jaarstukken en het verslag van de in lid 2 bedoelde accountant.

4.   De vastgestelde jaarstukken met het verslag van de in lid 2 bedoelde accountant  en  het  verslag  van  het  bestuur  omtrent  het  gevoerde beleid zal voor de werknemers en de ondernemingen in de Metalek- tro ten kantore van de Stichting en op een of meer door de Minister van Sociale Zaken en  Werkgelegenheid aan te wijzen plaatsen ter inzage worden gelegd en een afschrift daarvan zal op verzoek wor- den toegezonden tegen betaling van de daaraan verbonden kosten. 

Artikel 13 

Begroting en werkplan 

1.   Het bestuur van de stichting zal jaarlijks voor het komende boekjaar een werkplan  met bijbehorende  begroting  vaststellen.  Het bestuur gaat niet tot die vaststelling over voordat de ROM  het plan en de begroting heeft goedgekeurd. 

2.   Deze begroting moet zijn ingericht en gespecificeerd volgens de in artikel 3 van deze statuten bedoelde bestedingsdoelen/activiteiten.

3.   De vastgestelde begroting zal voor de werknemers en de  onderne- mingen in de Metalektro ten kantore van de Stichting ter inzage wor- den gelegd en een afschrift daarvan zal op verzoek  worden toege- zonden tegen betaling van de daaraan verbonden kosten. 

4.   Het  goedgekeurde  en  vastgestelde  werkplan  en  de  bijbehorende begroting vormen de basis voor het door het bestuur voor de betref- fende periode te voeren beleid. Het bestuur kan alleen daarvan afwij- ken na verkregen goedkeuring van de ROM. Terzake van de uitvoe- ring van het werkplan brengt het bestuur na afloop van ieder boekjaar verslag uit aan de rom.

 

Artikel 14 

1.   Het bestuur kan voor de uitvoering van zijn taak een of meer regle- menten vaststellen en een vastgesteld reglement of  vastgestelde re- glementen wijzigen. 

2.   De in lid 1 genoemde reglementen mogen geen bepalingen bevatten welke in strijd zijn met deze statuten. 

Artikel 15 

Vrijwaring en vrijtekening

1.   De stichting stelt iedere persoon die, vanwege het feit dat hij lid van het bestuur van de stichting is of was, als partij betrokken is of was of als een op diens betrokkenheid als partij uitlopende ontwikkeling aannemelijk is bij een op handen zijnde,  aanhangige of beëindigde actie of procedure van welke aard dan ook, door of namens de stich- ting dan wel door derden  ingesteld, schadeloos voor alle nadelige financiële gevolgen, daaronder begrepen kosten en boetes, die hij in werkelijkheid en redelijkerwijze heeft moeten dragen in verband met een dergelijke actie of procedure, mits hij heeft  gehandeld op een wijze die hij redelijkerwijze kon beschouwen  in het belang van of niet tegen de belangen van de stichting  te  zijn, en tenzij (en voor zover) het doen van een beroep op  deze regeling in strijd zou zijn met de goede trouw, daarbij wordt het begrip goede trouw zo ruim uitgelegd als juridisch van tijd tot tijd mogelijk is. 

2.   Een schadeloosstelling  door de stichting bedoeld in het vorige  lid geschiedt na een vaststelling dat het lid van het bestuur voldaan heeft aan de van toepassing zijnde gedragsnorm genoemd in het vorige lid. Deze vaststelling geschiedt door het bestuur in een voltallige vergadering.

3.   Kosten gemaakt voor het voeren van verweer in een actie of proce- dure kunnen door de stichting worden voorgeschoten in afwachting van  de  einduitspraak  in  de  actie  of  procedure  en  wel  krachtens besluit van het bestuur met betrekking tot het desbetreffende geval, na ontvangst van een schriftelijke toezegging door of namens het lid van het bestuur om dit  bedrag  terug te betalen, tenzij uiteindelijk vastgesteld wordt dat hij het recht heeft door de stichting schadeloos gesteld te worden zoals in dit artikel bepaald. 

4.   De schadeloosstelling voorzien in dit artikel wordt niet geacht enig ander recht uit te sluiten, die de betrokken persoon zou kunnen toe- komen krachtens een reglement, (verzekerings)overeenkomst of van de niet-belanghebbende  bestuursleden of anderszins en zal blijven gelden voor een persoon die geen lid van het bestuur meer is en zal ook ten goede komen aan de erfgenamen of legatarissen. 

Artikel 16 

1.   Het bestuur is bevoegd de statuten te wijzigen.

2.   Een besluit als in lid 1 bedoeld, kan slechts worden genomen na ver- kregen goedkeuring van de ROM.

3.   De statutenwijziging komt bij notariële akte tot stand.

4.   Tot het doen verlijden van de notariële akte van statutenwijziging is ieder bestuurslid bevoegd.

Artikel 17 

1.   Het bestuur is bevoegd tot ontbinding  der stichting over te  gaan, zulks echter uitsluitend na het expireren van de algemeen verbindend verklaring  van  de  overeenkomst  betreffende  het  in  deze  statuten geregelde Fonds. De bepaling van artikel 16 lid 2 is van  overeenkomstige toepassing.

2.   Na ontbinding  van de stichting geschiedt  de vereffening door  het bestuur. Aan een eventueel batig saldo na vereffening zal  door het bestuur  een  bestemming  moeten  worden  gegeven,  welke  zoveel mogelijk overeenkomt met het doel en karakter der stichting.

 

Artikel 18 

Slotbepaling

In alle gevallen waarin de wet, deze statuten of vastgesteld(e) reglemen- t(en) niet voorzien, beslist het bestuur. 

Dictum II

De in dictum I opgenomen bepalingen zijn algemeen verbindend verklaard tot en met 31 januari 2010 en voorzover het betreft artikel 1.2 met bijbehorende bijlage A, artikel 10.3 en artikel 10.10 tot en met 31 augustus 2010.

Dictum III

Voorzover de in dictum I opgenomen bepalingen strijdig zijn met bij of krachtens de wet gestelde of te stellen regelen, prevaleren deze regelen. 

Dictum IV

Het besluit van 24 juni 2005 (Stcrt. 2005, nr. 122) tot algemeen verbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst in de Metalektro, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 20 december 2007 (Stcrt. 2007, nr. 250), wordt ingetrokken. 

Dictum V

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 september 2010 en heeft geen terugwerkende kracht. 

Dictum VI

Dit besluit zal in een bijvoegsel bij de Staatscourant worden geplaatst.
Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

 

’s-Gravenhage, 15 februari 2008

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 

Namens deze,

De directeur Uitvoeringstaken

Arbeidsvoorwaardenwetgeving, 

Mr. M.H.M. van der Goes

Sector 10 - Metalektro 2007/2010

E-mailadres Afdrukken PDF

COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST IN DE METALEKTRO
2007/2010

INTEGRALE TEKST GELDEND VANAF 1 JANUARI 2009

VOORAF
Voor u liggen de Collectieve Arbeidsovereenkomsten (CAO’s)
• In de Metalektro 2007/2010
• Voor het Hoger Personeel (HP) in de Metalektro 2007/2010
• Inzake Arbeidsmarkt en Opleiding in de Metalektro 2008/2010 en
• Aanvullende CAO in de Metalektro betreffende SAO 2007/2010
Door algemeen verbindend verklaring (AVV) zijn de meeste bepalingen van deze CAO’s van
toepassing voor alle werkgevers en werknemers die bij inwerkingtreding of gedurende de looptijd van de AVV onder de werkingssfeer vallen of komen te vallen.
Sommige bepalingen worden bij het verzoek tot AVV buiten beschouwing gelaten. Deze bepalingen
zijn daarom slechts bindend voor de georganiseerde werkgevers en hun werknemers.
Bovendien komt het voor dat de Directie UAW van het Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid bepalingen buiten de AVV laat. Ook deze bepalingen zijn slechts bindend voor de
georganiseerde werkgevers en hun werknemers. CAO-bepalingen die naar hun aard niet voor AVV in aanmerking komen zijn bijvoorbeeld bepalingen over pensioenen, herverzekering van eigen risico’s van werkgevers en bepalingen die geen verband houden met arbeid.

Van de CAO in de Metalektro 2007/2010 zijn buiten het verzoek tot AVV gelaten:

artikel 1.1 lid 3 en 4; artikel 2.1 lid 3 m en n; artikel 4.2 lid 1; artikel 6.3 leden 1 c en 2; artikel 7.1; artikel 9.2 lid 3; artikel 9.3; artikel 10.1; artikel 10.2; artikel 10.4; artikel 10.5 leden 2 en 3; artikel 10.6 leden 2, 3 en 4; artikel 10.7; artikel 10.8 en artikel 10.11.

Van de CAO voor het Hoger Personeel (HP) in de Metalektro 2007/2010 zijn buiten het verzoek tot
AVV gelaten:

artikel 1.1 leden 3 en 4; artikel 3 lid 1 sub h en l; artikel 8; artikel 43 lid 2; artikel 44 leden
2, 3 en 4; artikel 46; artikel 47; artikel 48; artikel 49; artikel 51 lid 3; artikel 52 en artikel 54.
In hoeverre ook andere bepalingen buiten de AVV blijven, zal blijken uit de behandeling van het AVVverzoek door de Directie UAW van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

In het AVV-besluit is te vinden welke bepalingen binnen de AVV vallen. Het besluit tot AVV wordt door de Directie UAW van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gepubliceerd op de site van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (www.CAO.SZW.nl) en op de site van de Staatscourant (www.staatscourant.nl).
De AVV treedt in werking op de tweede dag na publicatie van het besluit in de Staatscourant, dan wel op de in het besluit genoemde datum, en loopt tot uiterlijk de einddatum van de CAO.

Partijen bij de collectieve arbeidsovereenkomsten in de Metalektro hebben de afspraak gemaakt, dat binnen het kader van de Basis-CAO en de CAO-HP de mogelijkheid wordt geboden om op concern-, bedrijfs-, branche- of regioniveau een zo genoemde “MetalektroB-CAO” (afgekort: “MB-CAO”) af te sluiten (zie artikel 1.4). In samenhang daarmee zijn de bepalingen in de betreffende CAO’s en in de aanvullende CAO SAO onderverdeeld in A-bepalingen en B-bepalingen.

Leeswijzer:

-A-bepalingen zijn vet weergegeven
-B-bepalingen zijn de overige (niet vet) weergegeven bepalingen
(c) Copyright ROM. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de ROM.

COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST IN DE METALEKTRO
Tussen
1. de Vereniging FME-CWM, vereniging van ondernemingen in de metaal-, kunststof-,
elektronica- en elektrotechnische industrie en aanverwante sectoren, gevestigd te
Zoetermeer, hierna te noemen werkgeversvakvereniging of w.v., die handelt voor en
namens die leden van de w.v. van wie de onderneming valt resp. zal vallen onder de
omschrijving van de werkingssfeer in bijlage A behorend bij artikel 1.2 van deze
collectieve arbeidsovereenkomst (CAO),
en
2. de Vereniging FNV Bondgenoten, gevestigd te Utrecht,
3. de Vereniging CNV Bedrijvenbond, gevestigd te Houten,
4. de Vereniging De Unie, vakbond voor industrie en dienstverlening te Culemborg,
de verenigingen 2 t/m 4 hierna gezamenlijk te noemen de werknemersvakverenigingen of v.v.,
is de navolgende CAO gesloten.
A. Partijen geven hierna een toelichting op het karakter van deze CAO en een aantal regels
voor het behoud van het karakter en de juiste werking van deze CAO.
1. De w.v. en de v.v. hebben deze CAO gesloten om een bijdrage te leveren aan het
bevorderen van goede sociale verhoudingen in de Metalektro, aan het bevorderen van
het welzijn van de werknemers in de onderneming en aan het verhogen van de
productie en productiviteit in deze bedrijfstak.
2. Partijen zijn zich ervan bewust dat een groot aantal zaken die de arbeidsverhoudingen
betreffen niet in de CAO, maar op ondernemingsniveau geregeld worden. Afhankelijk
van het onderwerp zal dat tussen directie en v.v. of ondernemingsraad of door de
directie zelf geregeld worden.
3. In dit verband erkennen zij wederzijds taak en functie van de ondernemingsleiding en
van de v.v.. Aan de ene kant erkennen de v.v. dat in de huidige maatschappijstructuur
alleen de ondernemingsleiding tot taak heeft het ondernemingsbeleid te bepalen en
de verantwoordelijkheid draagt voor de realisering daarvan. Aan de andere kant
erkennen de w.v. en de leden van de w.v. de v.v. als zelfstandige belangenbehartigers
van hun leden, zowel op individueel als collectief niveau.
De (leden van de) w.v. erkennen dat v.v. hun taak alleen goed kunnen vervullen
wanneer zij zo goed mogelijk op de hoogte zijn van datgene wat binnen de
onderneming plaats heeft, waarbij genoemde belangen betrokken zijn, en zij een goed
contact met hun leden in de onderneming kunnen houden. Daarom zullen de leden
van de w.v. de v.v. zo goed mogelijk op de hoogte houden van zaken die voor hun
leden van belang zijn.
4. Om de bedoelingen van deze CAO te realiseren is tijdig en te goeder trouw overleg
essentieel.
5. Partijen hebben in de CAO een bemiddelingsprocedure opgenomen voor het geval het
niet lukt door goed overleg tot eenheid van opvatting te komen. Het is de bedoeling
van partijen dat van deze procedure bij hoge uitzondering gebruik wordt gemaakt.
6. Partijen bevelen aan om in overleg met de ondernemingsraad een klachtenregeling op
te stellen en daarin op te nemen dat de werknemer zich kan laten bijstaan door een
door hem gekozen persoon. Na afhandeling van de klacht binnen de onderneming
staat de weg via de v.v. nog open.
7. Partijen wijzen discriminatie bij tewerkstelling af en zijn bereid zich in te zetten voor
de bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen in het arbeidsproces.
Deelname van vrouwen aan opleidingen zal worden bevorderd. Periodiek zal de
voortgang bij het scheppen van gelijke kansen door CAO-partijen worden besproken.
B. Partijen vinden het belangrijk dat aandacht wordt besteed aan zowel kwalitatieve als
kwantitatieve aspecten van de werkgelegenheid in de bedrijfstak tegen de achtergrond
van de economische situatie.
1. Op bedrijfstakniveau (in de ROM) zal overleg worden gevoerd over voor de bedrijfstak
of de belangrijkste sectoren daarvan van belang zijnde onderwerpen. Met de binnen
de bedrijfstak werkzame opleidingsorganen zal worden overlegd over de opstelling
van scholingsprogramma’s gericht op moeilijk vervulbare vacatures en moeilijk
plaatsbare werknemers.
2. Op ondernemingsniveau kunnen v.v. en de ondernemingsleiding overleg voeren over
alle aspecten van de werkgelegenheid.
3. Partijen zullen de grootst mogelijke aandacht en medewerking geven aan het
bevorderen van de productiviteit, wanneer dit in de onderneming ter sprake wordt
gebracht.
4. Partijen bevelen aan in de onderneming extra aandacht te geven aan het ontwikkelen
van een integraal ouderenbeleid en aan de problemen van gehandicapten en
buitenlandse werknemers.
5. Partijen zetten zich in voor het bevorderen van de toepassing van
arbeidsvoorwaarden à la carte in de onderneming.
6. Partijen bevelen werkgevers en werknemers aan te doen wat in hun vermogen ligt om
conflictsituaties over gewetensbezwaren te voorkomen, onder meer door zo spoedig
mogelijk, nadat de werknemer de gewetensbezwarende situatie kenbaar heeft
gemaakt, met elkaar in overleg te treden.
C. Partijen zien het verzuim wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid als een blijvend punt
van zorg. Zij zijn van mening dat het verzuim dat voortvloeit uit het werk in eerste
instantie op het niveau van de onderneming moet worden aangepakt. Zij bevelen daartoe
aan binnen de onderneming een preventief beleid te ontwikkelen.
D. Partijen bevelen aan een intern milieuzorgsysteem in te voeren.
E. Partijen bevelen aan om op ondernemingsniveau tot een regeling te komen om
ongewenst gedrag tegen te gaan.
F. Partijen hebben het Integraal Systeem van Functiewaardering (ISF) ter vervanging van de
functielijst met ingang van 1 januari 2008 in deze CAO opgenomen.
Partijen zijn het eens omtrent een aantal toelichtingen en aanbevelingen behorende bij deze
CAO. De teksten van deze toelichtingen en aanbevelingen zijn opgenomen onder de artikelen
waarop zij betrekking hebben.

COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST IN DE METALEKTRO 2007/2010

HOOFDSTUK 1 - ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 – Definities / Definities

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

1. "Werknemer": degene die een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7: 610 van het
Burgerlijk Wetboek heeft gesloten, dan wel, al dan niet als thuiswerker, - anders dan in
de zelfstandige uitoefening van een bedrijf of beroep - in aangenomen werk persoonlijk
arbeid verricht.
2. "Werkgever": de natuurlijke of rechtspersoon voor wie een werknemer als bedoeld in lid
1 arbeid pleegt te verrichten.
3. "W.v.": de werkgeversvakvereniging, genoemd in de aanhef van deze overeenkomst.
4. "V.v.": de werknemersvakverenigingen, genoemd in de aanhef van deze overeenkomst.
5. "Raad van Overleg in de Metalektro": de Stichting Raad van Overleg in de Metalektro
(ROM) gevestigd te ‘s-Gravenhage. De Raad van Overleg is gerechtigd tot de taken die
hem krachtens deze overeenkomst zijn opgedragen.
6. "Loonsom Wfsv”: het totaal van het loon als omschreven in artikel 3.1.1.1. Wet
financiering sociale verzekeringen (Wfsv).
7. “Feestdagen”: Nieuwjaarsdag, Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Tweede Pinksterdag,
Eerste en Tweede Kerstdag en de Nationale Feestdag (30 april).
8. “De Basis Jaarlijkse Arbeidsduur (BJA)”: het saldo van het aantal dagen in een
kalenderjaar verminderd met:
-het aantal zaterdagen en zondagen in dat jaar,
-de vakantiedagen als bedoeld in art. 5.3 eerste, tweede en derde volzin van deze CAO,
-de feestdagen die niet op zaterdag of zondag vallen,
-13 roostervrije dagen (104 vrije roosteruren),
vermenigvuldigd met 8 uren.1
 
De BJA bedraagt in 2007: 1728 uur
De BJA bedraagt in 2008: 1736 uur
De BJA bedraagt in 2009: 1720 uur
De BJA bedraagt in 2010: 1728 uur
In afwijking van het hiervoor vermelde bedraagt de BJA voor de werknemer op wie de
overgangsregeling extra vakantie voor senioren als bedoeld in artikel 5.6 van deze CAO, zoals dat
geldt vanaf 1 januari 2009, van toepassing is in 2009 1736 uur en in 2010 1744 uur.
9. “Voltijd”: een/het aantal te werken uren (op kalenderjaarbasis) gelijk aan de BJA.
10. “Deeltijd”: een/het aantal te werken uren (op kalenderjaarbasis) minder dan de BJA.
11. “Dienstrooster”: het voor de werknemer vastgestelde rooster van werktijden en rusttijden, vrije
roosteruren en vakantietijden.
12. “Normale werkdag”: de volgens het vastgestelde rooster door de werknemer op een
kalenderdag te werken uren.
13. “Vrije roosteruren”: uren waarop de werkgever de werknemer binnen het dienstrooster vrijstelt
van dienst.
14. “Meeruren”: de gewerkte uren die de werknemer in opdracht van de werkgever heeft gewerkt
boven de BJA.
15. “Overuren”: De gewerkte uren die de werknemer in opdracht van de werkgever heeft gewerkt:
-boven het aantal te werken uren volgens dagrooster voor zover het aantal gewerkte uren het
aantal van 8 te boven gaat;
-op feestdagen of op roostervrije zaterdagen en zondagen.
De zon- en feestdagen worden geacht te duren van middernacht tot middernacht
16. “Afwijkende werktijd”: een andere werktijd op een kalenderdag dan de werktijd welke voor de
betreffende werknemers als normale werkdag is vastgesteld maar waarbij het aantal uren
volgens het rooster van die dag niet wordt overschreden.
17. “Ploegendienst”: het verrichten van arbeid in een systeem waarin de werktijden van twee of
meer groepen werknemers op elkaar aansluiten of uitsluitend ten behoeve van het overdragen
van de werkzaamheden elkaar in geringe mate overlappen. Hierbij zal door de betrokken
werknemer in regelmaat (bijvoorbeeld wekelijks) gedurende een langere termijn van dienst
worden gewisseld.
18. “Functiejaren”: de hele jaren gedurende welke de werknemer werkzaam is geweest in de
salarisgroep, waarin hij is ingedeeld te rekenen vanaf het tijdstip waarop hij de voor die
salarisgroep geldende minimum leeftijd heeft bereikt of, indien dit op hogere leeftijd het geval is,
vanaf het tijdstip waarop hij is ingedeeld in die salarisgroep.
Onder functiejaren worden mede begrepen:
- de fictieve jaren welke de werkgever aan de werknemer heeft toegekend bij invoering van een
salarissysteem in de onderneming;
- de fictieve jaren welke de werkgever aan de werknemer heeft toegekend op grond van zijn
vroegere werkzaamheden in een lagere salarisgroep in dezelfde onderneming, waarbij de
hoogte van het salaris in een lagere salarisgroep mede bepalend is;
- de fictieve jaren welke de werkgever aan een werknemer bij indiensttreding toekent op grond
van zijn ervaring in een andere onderneming.
19. “Salaris”: het tussen werkgever en werknemer overeengekomen periodiek te betalen
bedrag als vaste beloning voor de werkzaamheden in de door werknemer uitgeoefende
functie.
20. “Jaarsalaris”: het tussen werkgever en werknemer overeengekomen periodiek te betalen
salaris berekend op jaarbasis.
21. “Oververdienste”: hetgeen een werknemer eventueel uit hoofde van een
beloningssysteem per periode verdient boven zijn voor dezelfde periode
overeengekomen salaris.
Hieronder vallen derhalve niet vakantietoeslag, winstdeling, gratificatie en andere
eindejaarsuitkeringen, alsmede overwerk-, ploegen-, arbeidsomstandigheden- en andere
inconveniëntentoeslagen.
22. “Beloningssysteem”: een systeem waarbij de wijze van taakvervulling (individueel,
groepsgewijs of collectief) wordt vastgesteld volgens één of meer kwantificeerbare
factoren, of volgens een samenstel van factoren waarvan de meeste resp. de
belangrijkste kwantificeerbaar zijn (prestatiebelonings- resp.
prestatiebeoordelingssystemen). Bij deze systemen zijn fluctuaties mogelijk.
23. “Jaarverdienste”: het jaarsalaris vermeerderd met de vaste oververdienste, of ingeval
van fluctuerende oververdienste de gemiddelde oververdienste van de werknemer in het
laatst verstreken kalenderjaar. De jaarverdienste heeft betrekking op het in het
kalenderjaar door de werknemer te werken aantal uren, de in lid 7 van dit artikel bedoelde
feestdagen, alsmede de voor hem geldende vrije roosteruren en vakantie.
24. “Maandverdienste”: het twaalfde deel van de jaarverdienste.
25. “Uurverdienste”: 0,58% van de maandverdienste.

Artikel 1.2 – Werkingssfeer
De bepalingen betreffende de werkingssfeer zijn opgenomen in bijlage A. Deze bijlage maakt
een geïntegreerd onderdeel uit van deze CAO.

Artikel 1.3 – Gunstiger en andere bepalingen/Flexibilisering
1. De werkgever kan in voor werknemers gunstige zin van bepalingen van deze
overeenkomst afwijken.
2. De werkgever kan niet in voor werknemers ongunstige zin van bepalingen van deze
overeenkomst afwijken.
3. De werkgever zal in zijn onderneming geldende arbeidsvoorwaarden, die voor alle of één
of meer groepen van werknemers in gunstige zin van bepalingen van deze overeenkomst
afwijken, niet in ongunstige zin wijzigen dan na voorafgaand overleg met de
ondernemingsraad en de v.v..
Toelichting bij lid 3:
Dit lid heeft betrekking op de overlegprocedure bij voorgenomen wijzigingen in arbeidsvoorwaarden voor groepen werknemers.
Daarnaast zijn ook op de arbeidsovereenkomsten de algemene bepalingen van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zoals genoemd in de artikelen 6: 248 en 6: 258.
4. De werkgever die om belangrijke redenen zoals de continuïteit van de onderneming en/of
de daarmee verband houdende werkgelegenheid in zijn onderneming voor alle of één of
meer groepen van werknemers wenst af te wijken van het gestelde in lid 2 van dit artikel,
kan daartoe overgaan indien daarover op ondernemingsniveau overeenstemming is
bereikt met v.v. en w.v.. Het resultaat van het overleg dient te worden gemeld aan de
ROM. De aldus vastgestelde regeling treedt voor zover nodig in de plaats van de
betreffende CAO-bepalingen.
De werkgever stelt de betrokken werknemers schriftelijk in kennis van de gesloten
overeenkomst, van de bepalingen van deze CAO waarop de afwijking betrekking heeft,
van de ingangsdatum, welke na de kennisgeving moet zijn gelegen, en van de duur van
de overeenkomst.
5. De op basis van dit artikel van een vorige CAO overeengekomen regeling(en) blijft resp.
blijven van kracht, ook na wijziging(en) van de CAO bepaling(en) waarvan bij die
regeling(en) is afgeweken, zulks met inachtneming van de bij die regeling(en)
overeengekomen looptijd.

Artikel 1.4 – MetalektroB-CAO
1. Bij of krachtens een CAO met bij deze overeenkomst betrokken vakverenigingen kan
worden afgeweken van de B-bepalingen in deze overeenkomst. Die CAO wordt hierna
aangeduid als “MetalektroB-CAO”, afgekort “MB-CAO”. Van de A-bepalingen in deze
CAO kan bij MB-CAO slechts in voor werknemers gunstige zin worden afgeweken.
2. Een bij deze overeenkomst betrokken vakvereniging kan er van afzien betrokken te zijn
bij het overeenkomen van de in het vorige lid bedoelde MB-CAO.
3. Voor zover bij MB-CAO is afgeweken van de B-bepalingen in deze overeenkomst, gelden
deze niet voor de betrokken werkgever(s) en zijn (hun) werknemers vanaf het moment
waarop de desbetreffende MB-CAO van kracht is geworden.
4. Wordt na afloop van een MB-CAO geen nieuwe MB-CAO afgesloten, dan worden de Bbepalingen
van deze overeenkomst voor zover daarvan bij MB-CAO was afgeweken van
kracht een jaar nadat de looptijd van de MB-CAO is verstreken, tenzij partijen bij de MBCAO
anders overeenkomen.
5. In een MB-CAO kan worden bepaald wat de consequenties zijn van wijzigingen in
B-bepalingen van deze CAO voor de lopende MB-CAO.
6. De op basis van dit artikel van een vorige CAO overeengekomen MB-CAO blijft van
kracht, ook na wijziging(en) van de CAO bepaling(en) waarvan bij die MB-CAO is
afgeweken, zulks met inachtneming van de bij die MB-CAO overeengekomen looptijd en
het bepaalde in lid 4 en lid 5.
7. De werkgever stelt de betrokken werknemers schriftelijk in kennis van de gesloten MBCAO,
van de bepaling(en) van deze overeenkomst waarop de afwijking betrekking heeft,
van de ingangsdatum en van de duur van de MB-CAO.
8. Partijen bij de in lid 1 bedoelde MB-CAO melden de MB-CAO aan bij het Ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid en zenden een exemplaar ter informatie aan de Raad
van Overleg in de Metalektro.

Artikel 1.5 – Deeltijd
1. De bepalingen in deze CAO gaan uit van werknemers die in voltijd (voltijders) werkzaam zijn.
Voor werknemers in deeltijd (deeltijders) gelden de in deze overeenkomst opgenomen
arbeidsvoorwaarden naar evenredigheid van het aantal door de deeltijder gewerkte uren.*) Het
bepaalde in de vorige zin geldt niet voor de artikelen 6.1 (kort verzuim), 6.3 (vakbondsverlof),
8.1 (karweiwerkzaamheden) en 8.2 (reis- en verblijfkosten).
*) Werkt de deeltijder in opdracht van de werkgever meer uren dan met hem overeengekomen, dan verdient
hij tot aan de BJA over de extra gewerkte uren:
-naar evenredigheid vakantie en vrije roosteruren, en
-vakantietoeslag ter hoogte van 8% van de uurverdienste.
Ook moet de werkgever hem over deze extra gewerkte uren een bedrag ter grootte van het
werkgeversaandeel van de pensioenpremie ter beschikking stellen.
2. In overleg tussen werkgever en werknemer kan de aanspraak van de deeltijder op extra
opgebouwde vakantie en vrije roosteruren in verband met door hem gewerkte uren boven het
contractueel overeengekomen aantal uren, geheel of gedeeltelijk worden vervangen door een
aanspraak van de werknemer op vergoeding in geld.

HOOFDSTUK 2 - BEGIN EN EINDE VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMST

Artikel 2.1 – Aanstelling
1. Een arbeidsovereenkomst kan worden aangegaan voor bepaalde of onbepaalde tijd.
2. Een proeftijd wordt op straffe van nietigheid schriftelijk overeengekomen.
3. De werkgever bevestigt schriftelijk aan de werknemer het aangaan van de
arbeidsovereenkomst binnen een maand na de aanvang van de werkzaamheden. In deze
bevestiging of de schriftelijke arbeidsovereenkomst staan ten minste de volgende gegevens:
a. naam en woonplaats van de partijen;
b. de plaats of de plaatsen waar de arbeid wordt verricht;
c. de functie van de werknemer;
d. het tijdstip van indiensttreding;
e. indien de overeenkomst voor bepaalde tijd is gesloten: de duur van de overeenkomst;
f. de arbeidsduur;
g. het aantal vrije roosteruren en het aantal vakantiedagen;
h. de duur van de door partijen in acht te nemen opzegtermijnen of de wijze van berekening
van deze termijnen;
i. de salarisgroep dan wel werkklasse;
j. het aantal toegekende functiejaren;
k. indien van toepassing: de nevencode;
l. de maand-, periode- of weekverdienste;
m. of de werknemer gaat deelnemen aan een pensioenregeling;
n. de toepasselijke CAO.
Wijzigingen zullen ook schriftelijk worden bevestigd.

Artikel 2.2 – Voorafgaande uitzendrelaties
In afwijking van het bepaalde in artikel 7:668a BW geldt ten aanzien van de perioden waarin een
werknemer, voorafgaande aan zijn indiensttreding bij de werkgever, als uitzendkracht bij de werkgever
heeft gewerkt, dat deze als één arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd worden meegerekend, indien
en voor zover die periode uitsluitend onderbroken is als gevolg van arbeidsongeschiktheid van de
uitzendkracht en een daarmee samenhangende beëindiging van de arbeidsovereenkomst met het
uitzendbureau, met dien verstande dat de tijdstermijn van artikel 7:668a BW (zijnde drie jaar) niet
overschreden wordt c.q. doortelt.

Artikel 2.3 – Einde van de arbeidsovereenkomst
1. Opzegging van een voor onbepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst gebeurt schriftelijk
en zodanig dat de arbeidsovereenkomst eindigt aan het einde van de kalendermaand.
Toelichting bij lid 1:
Voor de werknemer die op het tijdstip van het in werking treden van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid (1 januari
1999) 45 jaar of ouder was en voor wie op dat tijdstip een langere termijn voor opzegging gold dan volgens deze
wet, blijft de oude termijn gelden zo lang hij bij dezelfde werkgever in dienst blijft.
2. Bij het bereiken door de werknemer van de pensioengerechtigde leeftijd eindigt de
dienstbetrekking zonder dat opzegging nodig is.
Artikel 2.4 – Verrekening vakantiedagen en vrije roosteruren
Bij het einde van het dienstverband worden de te veel of te weinig genoten vakantiedagen en vrije
roosteruren verrekend in tijd dan wel in geld.

HOOFDSTUK 3 - ARBEIDSDUUR EN WERKTIJDEN

Artikel 3.1 – Aanpassing van het aantal roostervrije uren
1. Het aantal vrije roosteruren bedraagt per kalenderjaar 104.
2. De werkgever kan in afwijking van het vorige lid in overleg met de ondernemingsraad voor de
gehele onderneming, één of meer afdelingen of één of meer groepen werknemers het aantal
roostervrije uren voor een kalenderjaar vaststellen op een lager aantal dan 104 uren (13
dagen), maar niet lager dan op 56 uren (7 dagen). Gaat de werkgever daartoe over, dan wordt
het feitelijk salaris van de desbetreffende werknemers voor dat kalenderjaar verhoogd met
0,383% voor elke roostervrije dag (8 uren) die de werkgever lager vaststelt dan het aantal van
13 roostervrije dagen (104 uren) per 1 januari van dat kalenderjaar.
3. De werkgever stelt de desbetreffende werknemers uiterlijk in de maand november voorafgaand
aan het betreffende kalenderjaar in kennis van een besluit als bedoeld in lid 2.
4. Het besluit als bedoeld in lid 2 geldt niet voor de werknemer die binnen 3 weken na de
kennisgeving van dat besluit aan de werkgever schriftelijk meedeelt, dat hij recht wil blijven
houden op 104 vrije roosteruren.
Toelichting:
Over de verhoging voor een bepaald kalenderjaar verdient de werknemer vakantietoeslag, indien van toepassing
ploegentoeslag, en moet pensioenpremie worden betaald.


Artikel 3.2 – Aanpassing van de individuele arbeidsduur
1. De werknemer heeft op grond van de Wet Aanpassing Arbeidsduur (WAA*) en op de wijze als
daar is bepaald recht op vermindering van de arbeidsduur. De werknemer kan in afwijking van
de WAA op dit recht ook een beroep doen:
-vanaf de datum van indiensttreding,
-indien de werkgever minder dan 10 werknemers heeft.
*) Informatie over de Wet Aanpassing Arbeidsduur (WAA) is opgenomen op de website van de ROM
www.caometalektro.nl
2. De werknemer heeft in afwijking van artikel 2 WAA alleen recht op vermeerdering van de
arbeidsduur in overleg met de werkgever.
Stemt de werkgever niet in met een vermeerdering van de arbeidsduur, dan moet hij dat
schriftelijk en gemotiveerd aan de werknemer meedelen.

Artikel 3.3 – Aanpassing arbeidsduur in de werktijdregeling
De werkgever die van plan is de arbeidsduur per dag in de werktijdregeling te vermeerderen tot boven
de 8,5 uur pleegt hierover overleg met de v.v..

Artikel 3.4 – Arbeidstijdenwet (ATW)
Indien de werkgever een werktijdregeling wil gaan invoeren die niet past binnen de normen van de
overlegregeling van de tot 1 november 2007 geldende Arbeidstijdenwet en de normen van de op deze
wet gebaseerde Arbeidstijdenbesluiten, dan dient hij daarover overeenstemming te bereiken met de
bij deze CAO betrokken vakverenigingen.

Artikel 3.5 – Uitgangspunten vaststelling dienstrooster / Uitgangspunten vaststelling dienstrooster
1. De werkgever vermijdt bij het vaststellen van het dienstrooster en het opdragen van bijzondere
werkzaamheden zoveel mogelijk het werken op zaterdag en zondag en op feestdagen (zie art.
1.1 lid 7). Ten aanzien van de werknemer in ploegendienst is daaraan voldaan, indien de
werknemer gedurende een etmaal dat ten minste over achttien achtereenvolgende uren
samenvalt met de feestdag, niet heeft gewerkt.
2. De werkgever zal bij het opnieuw vaststellen van de begin- en eindtijden in de dienstroosters
voor de dagdiensten op maandag tot en met vrijdag in beginsel de aanvangstijd niet stellen voor
07.00 uur en de eindtijd niet na 19.00 uur.

Artikel 3.6 – Vaststelling dienstrooster
1. De werkgever stelt na overleg met de werknemer het voor hem geldende dienstrooster vast.
2. Ten minste veertien kalenderdagen voor het in werking treden stelt de werkgever de werknemer
in kennis van het voor hem geldende dienstrooster. De werkgever kan met de
ondernemingsraad een andere termijn overeenkomen.

Artikel 3.7 – Vaststelling vrije roosteruren
1. Vrije roosteruren worden verdiend in evenredigheid met de duur van de arbeidsovereenkomst
gedurende het kalenderjaar.
2. De vrije roosteruren worden in de vorm van halve diensten volgens het rooster aangewezen. De
werkgever kan hiervan op grond van bedrijfseconomische, organisatorische en/of
arbeidsmarkttechnische redenen afwijken.
3. De werkgever stelt na overleg met de werknemer de voor hem geldende vrije roosteruren vast.
4. Ten minste veertien kalenderdagen voor het in werking treden van het rooster stelt de
werkgever de werknemer van de voor hem geldende vrije roosteruren in kennis. De werkgever
kan met de ondernemingsraad een andere termijn overeenkomen.
5. De werkgever mag na overleg met de ondernemingsraad 24 vrije roosteruren, geldend voor alle
of nagenoeg alle werknemers gezamenlijk, aanwijzen. Voor het aanwijzen van meer vrije
roosteruren voor alle of nagenoeg alle werknemers gezamenlijk is de instemming van de
ondernemingsraad vereist.
6. De instemming van de ondernemingsraad is nodig voor wijziging van de in de onderneming
gebruikelijke vorm waarin de vrije roosteruren worden aangewezen of de in de onderneming
gebruikelijke verdeling van de vrije roosteruren over het jaar, indien de wijziging de gehele
onderneming of een afdeling betreft.
7. In afwijking van de leden 4, 5 en 6 is de instemming van de ondernemingsraad niet nodig,
indien werkzaamheden buiten eigen bedrijf moeten worden verricht en op de werkplek de
werkzaamheden niet kunnen worden uitgevoerd als gevolg van een aldaar geldende regeling
van collectief vrijaf. De werkgever zal in dat geval eerst de 24 vrije roosteruren als bedoeld in lid
5 daarvoor gebruiken.
8. Andere afwijkingen van de aanwijzing van vrije roosteruren in de vorm van halve diensten
volgens het rooster dan als bedoeld in de leden 6 en 7 vinden plaats na overleg met
betrokkene(n).
Toelichting:
Bij arbeidsongeschiktheid op vastgestelde roostervrije dagdelen bestaat geen recht op vervangende vrije
roostertijd.

Artikel 3.8 – Overwerk*)
1. De werkgever stelt de ondernemingsraad van een opdracht tot overwerk – zo mogelijk voor de
aanvang hiervan – in kennis.
2. Heeft de werkgever het in het vorige lid bepaalde in acht genomen, dan is de werknemer
verplicht over te werken, tenzij:
- hij jonger dan 18 jaar is of 55 jaar of ouder;
- en voor zover hem is opgedragen over te werken op een dag waarop hij een kortere
arbeidsduur heeft dan die van werknemers in vergelijkbare functies;
- hij wegens zijn gezondheid niet in staat is over te werken. Bij verschil van mening over de
medische geschiktheid van de werknemer tot het verrichten van overwerk moet de
werknemer, zo mogelijk met inschakeling van de bedrijfsarts, een medische verklaring
overleggen.
3. Begint het overwerk voor of op middernacht en:
- is die dag de normale werktijd gewerkt of
-is die dag een zon- of feestdag,
dan behoeft het werk niet eerder dan elf uren na het beëindigen van het overwerk te worden
hervat. Deze elf uren kunnen éénmaal per periode van 7 x 24 uur, worden ingekort tot acht
uren. Voor zover deze uren vallen binnen de normale werkdag worden zij als gewerkte uren
beschouwd.
4. Bij het opdragen van overwerk houdt de werkgever ernstig rekening met de voor de werknemer
op grond van zijn geloof van belang zijnde wekelijkse rustdag en godsdienstige feestdagen.
5. De werkgever zal met de v.v. overleg plegen over het overwerk, indien de v.v. de wens daartoe
te kennen geven.
De werkgever wordt aanbevolen:
1. overwerk waar mogelijk te beperken.
2. bij lid 2: om wanneer een werknemer aantoont dat persoonlijke omstandigheden resp. zijn
gezinssituatie het verrichten van overwerk extra bezwaarlijk maken, hiermee ernstig rekening te
houden.
3. bij lid 4: overwerk op zaterdagen en zon- en feestdagen te vermijden.
*) Bij wijziging van de werktijdregeling is artikel 27 van de Wet op de Ondernemingsraden van toepassing.

Artikel 3.9 – Ploegendienst
1. De werkgever stelt voor de gehele onderneming of één of meerdere afdelingen geen voor de
onderneming nieuwe ploegendienst in dan nadat de v.v. daarmee hebben ingestemd.
2. Wordt een ploegendienst ingesteld, dan is de werknemer verplicht in ploegen te werken, tenzij:
- hij 55 jaar of ouder is en vanaf zijn 50ste jaar niet in ploegen heeft gewerkt,
- hij daartoe wegens zijn gezondheid niet in staat is. Bij verschil van mening over de medische
geschiktheid van de werknemer moet, zo mogelijk met inschakeling van de bedrijfsarts, de
werknemer een medische verklaring overleggen.*)
*) De werkgever wordt aanbevolen om wanneer een werknemer aantoont dat persoonlijke omstandigheden
resp. zijn gezinssituatie het verrichten van ploegendienst extra bezwaarlijk maken, hiermee ernstig
rekening te houden.

Artikel 3.10 – Consignatiedienst *)
1. Een werkgever stelt geen consignatiedienst in dan nadat hij hiervoor in overleg met de v.v. of
de ondernemingsraad een regeling heeft getroffen. In deze regeling moeten afspraken staan
over vergoeding voor reiskosten en telefoonkosten en over de vergoeding per etmaal. Ook zal
in de regeling een afspraak moeten staan over de te hanteren rusttijd indien een werknemer in
consignatie heeft moeten werken in de uren gelegen tussen 0.00 uur en 5.00 uur.
2. De bepalingen uit deze CAO inzake overwerk en meeruren zijn op de consignatiedienst van
toepassing.
*) De wettelijke bepalingen die in geval van consignatie van toepassing zijn, zijn opgenomen op de website
van de ROM: www.caometalektro.nl.

Artikel 3.11 – Opleidingsdagen
1. De werknemer heeft het kalenderjaar 2009 recht op 1 opleidingsdag (8 uren) en het
kalenderjaar 2010 recht op 2 opleidingsdagen (16 uren).
2. Opleidingsdagen (-uren) worden verdiend in evenredigheid met de duur van de
arbeidsovereenkomst gedurende het kalenderjaar.
3. Opleidingsdagen (-uren) moeten in het betreffende of daarop volgende kalenderjaar worden
genoten. De opleidingsdagen (-uren) van het betreffende kalenderjaar die een werknemer dan
niet heeft genoten, vervallen op dat moment. *)
Werkgever en werknemer kunnen afspreken dat de opleidingsdagen (-uren) op een later
moment vervallen.
*) Indien de werknemer de opleidingsdag van 2009 niet heeft genoten voor het einde van het kalenderjaar
2010, dan vervalt deze dag.
4. De werknemer kiest in overleg met de werkgever voor welke opleiding hij opleidingsdagen zal
gebruiken.
5. De werkgever en de werknemer stellen in goed overleg de dagen (uren) vast waarop de
werknemer de opleiding op een opleidingsdag zal volgen.
Toelichting:
Mocht de werknemer op problemen stuiten bij het gebruik maken van zijn recht op opleidingsdagen, dan kan hij
dat ter behandeling melden bij de ROM. Meer informatie is te vinden op de website van de ROM:
www.caometalektro.nl.

Artikel 3.12 – Studiekostenregeling
De werkgever stelt een studiekostenregeling vast voor het na 31 december 2008 volgen van een
opleiding.

Artikel 3.13 – EVC (Erkenning van Verworven Competenties)
De werknemer heeft vanaf 1 januari 2008 eenmaal in elke periode van vijf kalenderjaren recht op het
door de werkgever vergoeden van gemaakte kosten voor een EVC-test tot een bedrag van ten
hoogste € 750 bruto.

Artikel 3.14 – Tijdsparen
1. De werknemer heeft het recht in het kader van de mogelijkheid tot individueel sparen, na
overleg met de werkgever, maximaal 12 roostervrije dagdelen te kapitaliseren en aan te
wenden voor de (vroeg)pensioenvoorziening.
2. Het recht van de werknemer als bedoeld in lid 1 is afwezig of beperkt tot minder dan 12
roostervrije dagdelen indien en voor zover de werkgever conform artikel 3.7 lid 5 alle of méér
dan veertien roostervrije dagdelen voor alle of nagenoeg alle werknemers, waaronder de
werknemer, gezamenlijk, heeft aangewezen.
3. Het recht van de werknemer als bedoeld in lid 1 is eveneens afwezig of beperkt tot minder dan
12 roostervrije dagdelen indien en voor zover de werkgever conform artikel 3.7 lid 6 alle of méér
dan veertien roostervrije dagdelen voor de gehele onderneming of een afdeling, waaronder de
werknemer, in een andere vorm dan bedoeld in artikel 3.7 lid 2, aanwendt.
4. Het recht van de werknemer als bedoeld in lid 1 is eveneens afwezig of beperkt tot minder dan
12 roostervrije dagdelen indien en voor zover, ondanks het gestelde in de leden 2 en 3,
redelijkerwijs niet van de werkgever gevergd kan worden dat hij dat recht toekent. Is de
werkgever dat van oordeel, dan zal hij dat schriftelijk en gemotiveerd aan de werknemer
meedelen.

Artikel 3.15 – Tijd verkopen of sparen
Op verzoek van de werknemer kunnen werkgever en werknemer afspreken dat de werknemer
bovenwettelijke vakantiedagen tot een maximum van 6 dagen per jaar kan verkopen of sparen voor
andere specifieke doeleinden dan de (vroeg)pensioenvoorziening of een tijdspaarregeling.

Artikel 3.16 – Tijdspaarregeling
1. In de onderneming kan in overleg tussen de v.v. en/of de ondernemingsraad en de werkgever
een tijdspaarregeling worden ingesteld. Bronnen hiervoor zijn: vrije roostertijd, bovenwettelijke
vakantiedagen en overuren.
2. Binnen het kader van een tijdspaarregeling kunnen werkgever en werknemer afspreken dat de
werknemer meer dan 6 bovenwettelijke vakantiedagen per jaar kan sparen in de vorm van tijd
of geld.
3. Deelname aan de tijdspaarregeling is voor de werknemer vrijwillig met dien verstande dat de
bepalingen in deze CAO met betrekking tot het vaststellen van roostervrije uren, vakantie en
overuren dan van toepassing blijven.
4. Gaat de werkgever over tot het instellen van een tijdspaarregeling, dan moet hij zekerheid
stellen bijvoorbeeld door middel van het oprichten van een fonds en/of herverzekering.
5. De aanspraak van de werknemer op de in het kader van een tijdspaarregeling gespaarde vrije
uren verjaart niet.

Artikel 3.17 – Kopen van dagen
De werknemer heeft het recht tot het kopen van maximaal zes dagen verlof per jaar. De werknemer
kan dit verlof genieten na overleg met de werkgever.

HOOFDSTUK 4 - SALARISBEPALINGEN

Vanaf 1 januari 2008 gelden de volgende bepalingen
Artikel 4.1 – Salarisgroepen
1. Elke functie die in een onderneming wordt uitgeoefend, wordt ingedeeld in één van de
salarisgroepen A t/m K met behulp van een vorm van functieclassificatie.
2. De werkgever kan voor het invoeren van een vorm van functieclassificatie kiezen uit ISF of een
in bijlage F van deze CAO opgenomen systeem van functieclassificatie dan wel daarvan
afgeleid instrument. Maakt de werkgever geen keuze, dan is hij verplicht ISF in te voeren.
Heeft de werkgever per 1 januari 2008 nog geen keuze voor een vorm van functieclassificatie
gemaakt ter vervanging van de functielijst, dan is de werkgever verplicht ISF in te voeren.*)
3. Indien de werkgever een andere vorm van functieclassificatie invoert dan een in het vorige lid
vermelde vorm van functieclassificatie, dan moet hij zijn keuze ter goedkeuring voorleggen aan
de Raad van Overleg in de Metalektro (ROM).
De ROM brengt binnen een maand na ontvangst van het verzoek tot goedkeuring zijn
beslissing schriftelijk ter kennis van de werkgever.
*) Toelichting:
De functielijst vervalt met ingang van 1 januari 2008.

Artikel 4.2 – Andere vormen van functieclassificatie dan ISF
1. Bij invoering van een andere vorm van functieclassificatie dan ISF:
-stelt de werkgever een klachtenprocedure in die gelijkwaardig is aan de in artikel IV van
Bijlage E opgenomen klachtenprocedure, en
- geeft de werkgever de werknemer voorlichting over: taak en verantwoordelijkheid van de
systeemhouder, doel en werking van de gekozen vorm van functieclassificatie en de
beroepsprocedure.
2. Indien bij invoering van een andere vorm van functieclassificatie dan ISF de som van de
maandverdienste en de arbeidsomstandighedentoeslag minder bedraagt dan de som van de
oorspronkelijke maandverdienste en een eventuele toeslag voor bezwarende
arbeidsomstandigheden, zal de laatst vermelde som worden gegarandeerd.
3. In afwijking van lid 2 zal voor werknemers van 55 jaar en ouder de oorspronkelijke
maandverdienste, vermeerderd met een eventuele toeslag voor bezwarende omstandigheden,
worden aangepast aan de algemene salarismutaties overeengekomen bij de CAO.
4. Indien bij de invoering van een andere vorm van functieclassificatie dan ISF en zolang het
functiesalaris minder bedraagt dan het oorspronkelijke salaris zal voor de vaststelling van de
aan het salaris gekoppelde arbeidsvoorwaarden worden uitgegaan van het oorspronkelijke
salaris.
5. Wordt als gevolg van de toepassing van een andere vorm van functieclassificatie dan ISF een
salarissysteem ingevoerd resp. gewijzigd, dan zal dit in overleg tussen werkgever, v.v. en w.v.
plaatsvinden.

Artikel 4.3 – Indeling van de functies in de onderneming
1. De werkgever legt de functies met hun salarisgroepindeling vast in een eigen lijst van de
onderneming.*)
2. De indeling van de functies zal plaatsvinden nadat door de systeemhouder de door de
onderneming vastgestelde functielijst*) is goedgekeurd.
3. Nadat de functielijst van de onderneming door de systeemhouder is goedgekeurd deelt de
werkgever de in de onderneming voorkomende functies in salarisgroepen in na overleg met de
ondernemingsraad.
*) Deze lijst kan zijn een lijst met alle functies, een lijst met functiereeksen of een lijst met
voorbeeldfuncties (sleutelfuncties), met indeling in salarisgroepen.

Artikel 4.4 – Indeling van de werknemers
1. De werkgever deelt de werknemers in op grond van de door hen uitgeoefende functies in de
salarisgroepen A t/m K.
2. In plaats van indeling op basis van de uitgeoefende functies kan bij jeugdige werknemers de
indeling ook plaatsvinden in de salarisgroepen I t/m IV op basis van het opleidingsniveau:
in salarisgroep I: werknemers van 15 t/m 20 jaar;
in salarisgroep II: werknemers van 18 t/m 22 jaar;
in salarisgroep III: werknemers van 18 t/m 22 jaar;
in salarisgroep IV: werknemers van 21 t/m 24 jaar,
waarbij onder opleidingsniveau wordt verstaan een niveau:
voor I: minder dan de niveaus genoemd onder II;
voor II: v(m)bo/mavo;
voor III: mbo resp. v(m)bo/mavo + specialistische opleiding van min. 1 jaar (b.v.
praktijkdiploma boekhouden of Nederlandse handelscorrespondentie +
handelscorrespondentie in één der moderne talen);
voor IV: hbo resp. havo + S.P.D. I en II, havo + m.o. (b.v. boekhouden of
handelswetenschappen of moderne taal).
3. De werkgever kan, in afwijking van het gestelde in lid 1 en 2, werknemers die in het kader van
het werkervaringsproject een werkervaringsplaats vervullen of deelnemen aan een ander
arbeidsmarktproject, nadat daarover met de v.v. overeenstemming is bereikt, gedurende een
periode van 1 jaar indelen in een opstapsalarisgroep.
4. De werkgever verstrekt de werknemer, naast de schriftelijke bevestiging als bedoeld in artikel
2.1, de functieomschrijving of de motivering van de indeling. Bij wijziging zal een nieuwe
schriftelijke verklaring worden verstrekt.
5. Klachten van werknemers met betrekking tot hun indeling dienen te worden behandeld volgens
een in de onderneming aan te geven beroepsmogelijkheid (zie ook bijlage E).

Artikel 4.5 – Salariëring / Salariëring
1. De werkgever komt met de werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft
bereikt een salaris overeen, dat ten minste gelijk is aan de persoonlijk minimum
maandverdienste welke in dit artikel is vastgesteld, rekening houdende met:
- de salarisgroep waarin hij is ingedeeld;
- zijn leeftijd resp. het hem toegekende aantal functiejaren.
2. Het persoonlijk minimumsalaris bij 0 functiejaren zal ten minste worden toegekend:
in salarisgroep A op 23-jarige leeftijd;
in salarisgroep B op 24-jarige leeftijd;
in salarisgroep C op 24-jarige leeftijd;
in salarisgroep D op 25-jarige leeftijd;
in salarisgroep E op 25-jarige leeftijd;
in salarisgroep F op 26-jarige leeftijd;
in salarisgroep G op 26-jarige leeftijd;
in salarisgroep H op 27-jarige leeftijd
òf, indien dit op hogere leeftijd het geval is, vanaf het tijdstip van indeling in de desbetreffende
salarisgroep.
In de salarisgroepen J en K zal het persoonlijk minimumsalaris gelden bij 0 functiejaren vanaf het
tijdstip van indeling ongeacht de leeftijd.
3. Het persoonlijk minimum functiesalaris behorende bij het hieronder vermelde maximum aantal
functiejaren per salarisgroep dient ten minste te worden toegekend aan de werknemers
Ingedeeld in:
salarisgroep A bij 1 functiejaar;
salarisgroep B bij 2 functiejaren;
salarisgroep C bij 3 functiejaren;
salarisgroep D bij 4 functiejaren;
salarisgroep E bij 5 functiejaren;
salarisgroep F bij 6 functiejaren;
salarisgroep G bij 7 functiejaren;
salarisgroep H bij 8 functiejaren;
salarisgroep J bij 9 functiejaren;
salarisgroep K bij 10 functiejaren.
4. Voor werknemers jonger dan de in lid 2 vermelde leeftijden zal bij voltijdarbeid ten minste een
persoonlijk minimum maandverdienste gelden*) 

 
 
per
1-1 2008
1-7-2008
1-1 2009
1-7-2009
1-1-2010
Bij indeling in
 
 
 
 
 
 
salarisgroep II
18 jaar
988,03
992,97
1.017,79
1.027,97
1.035,68
 
 
19 jaar
1.106,55
1.112,08
1.139,88
1.151,28
1.159,91
 
 
20 jaar
1.225,07
1.231,20
1.261,98
1.274,60
1.284,16
 
 
21 jaar
1.343,59
1.350,31
1.384,07
1.397,91
1.408,39
 
 
22 jaar
1.462,12
1.469,43
1.506,17
1.521,23
1.532,64
 
 
23 jaar
1.580,64
1.588,54
1.628,25
1.644,53
1.656,86
Bij indeling in
 
 
 
 
 
 
salarisgroep III
18 jaar
1.106,55
1.112,08
1.139,88
1.151,28
1.159,91
 
 
19 jaar
1.201,37
1.207,38
1.237,56
1.249,94
1.259,31
 
 
20 jaar
1.296,18
1.302,66
1.335,23
1.348,58
1.358,69
 
 
21 jaar
1.391,00
1.397,96
1.432,91
1.447,24
1.458,09
 
 
22 jaar
1.485,82
1.493,25
1.530,58
1.545,89
1.557,48
 
 
23 jaar
1.580,64
1.588,54
1.628,25
1.644,53
1.656,86
Bij indeling in
 
 
 
 
 
 
salarisgroep IV
21 jaar
1.505,84
1.513,37
1.551,20
1.566,71
1.578,46
 
 
22 jaar
1.566,79
1.574,62
1.613,99
1.630,13
1.642,36
 
 
23 jaar
1.627,74
1.635,88
1.676,78
1.693,55
1.706,25
Bij indeling in
 
 
 
 
 
 
salarisgroepen D en E
18 jaar
1.106,55
1.112,08
1.139,88
1.151,28
1.159,91
 
 
19 jaar
1.201,37
1.207,38
1.237,56
1.249,94
1.259,31
 
 
20 jaar
1.296,18
1.302,66
1.335,23
1.348,58
1.358,69
 
 
21 jaar
1.391,00
1.397,96
1.432,91
1.447,24
1.458,09
 
 
22 jaar
1.485,82
1.493,25
1.530,58
1.545,89
1.557,48
 
 
23 jaar
1.580,64
1.588,54
1.628,25
1.644,53
1.656,86
Bij indeling in
 
 
 
 
 
 
salarisgroepen F, G en H
21 jaar
1.505,84
1.513,37
1.551,20
1.566,71
1.578,46
 
 
22 jaar
1.566,79
1.574,62
1.613,99
1.630,13
1.642,36
 
 
23 jaar
1.627,74
1.635,88
1.676,78
1.693,55
1.706,25
*)
Bij deze bepaling wordt aangetekend dat de maandverdienste moet voldoen aan de Wet minimumloon en
 
minimumvakantiebijslag.
 
 
 
 
 
 

5. Voor werknemers in de opstapsalarisgroep geldt het wettelijk minimum(jeugd)loon.
6. Voor de werknemer die geregeld verschillende functies uitoefent geldt, indien deze functies niet
in dezelfde salarisgroep zijn ingedeeld, de persoonlijke minimum maandverdienste van de
salarisgroep waarin de functie die het hoogst is gewaardeerd is ingedeeld.
Algemene toelichting bij artikel 4.5 lid 7:
Bij of krachtens MB-CAO kan:
- worden afgeweken van de systematiek van een hogere minimum persoonlijke maandverdienste bij
meer functiejaren volgens onderstaande tabel. Wordt alleen afgeweken van deze systematiek en
worden de 10 salarisgroepen van onderstaande tabel gehandhaafd, dan zullen het laagste en het
hoogste bedrag van de persoonlijke minimum maandverdienste in elk van de 10 salarisgroepen
dienen te worden gerespecteerd;
- (ook) worden afgeweken van de indeling van 10 salarisgroepen. Voor de overeen te komen
salarisverhoudingen geldt dan dat het laagste en het hoogste bedrag van de overeen te komen
salarisgroepen worden bepaald in verhouding tot het laagste en het hoogste bedrag van de
salarisgroepen in onderstaande tabel.
7. De persoonlijke minimum maandverdienste per 1-1-2008 bij voltijdarbeid bedraagt: *) **) 

salarisgr.
A
B
C
D
E
F
G
H
J
K
functiejr.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
0
1.534,66
1.559,69
1.596,47
1.648,59
1.711,41
1.786,01
1.871,84
1.975,54
2.107,34
2.259,08
1
1.555,61
1.586,77
1.629,68
1.685,36
1.753,31
1.833,01
1.924,96
2.034,81
2.172,21
2.331,10
2
 
1.613,33
1.662,38
1.722,13
1.795,20
1.880,00
1.977,58
2.093,54
2.237,09
2.402,63
3
 
 
1.695,07
1.758,93
1.837,09
1.927,01
2.030,72
2.152,30
2.301,98
2.474,66
4
 
 
 
1.796,21
1.878,97
1.973,48
2.083,31
2.211,04
2.366,86
2.546,69
5
 
 
 
 
1.920,87
2.020,50
2.136,47
2.270,32
2.431,75
2.618,20
6
 
 
 
 
 
2.067,49
2.189,08
2.329,06
2.496,62
2.690,26
7
 
 
 
 
 
 
2.242,21
2.387,81
2.561,50
2.761,76
8
 
 
 
 
 
 
 
2.446,55
2.626,38
2.833,81
9
 
 
 
 
 
 
 
 
2.691,27
2.905,84
10
 
 
 
 
 
 
 
 
 
2.977,36

De persoonlijke minimum maandverdienste per 1-7-2008 bij voltijdarbeid bedraagt: *) **) 

salarisgr.
A
B
C
D
E
F
G
H
J
K
functiejr.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
0
1.542,33
1.567,49
1.604,45
1.656,83
1.719,97
1.794,94
1.881,20
1.985,42
2.117,88
2.270,38
1
1.563,39
1.594,70
1.637,83
1.693,79
1.762,08
1.842,18
1.934,58
2.044,98
2.183,07
2.342,76
2
 
1.621,40
1.670,69
1.730,74
1.804,18
1.889,40
1.987,47
2.104,01
2.248,28
2.414,64
3
 
 
1.703,55
1.767,72
1.846,28
1.936,65
2.040,87
2.163,06
2.313,49
2.487,03
4
 
 
 
1.805,19
1.888,36
1.983,35
2.093,73
2.222,10
2.378,69
2.559,42
5
 
 
 
 
1.930,47
2.030,60
2.147,15
2.281,67
2.443,91
2.631,29
6
 
 
 
 
 
2.077,83
2.200,03
2.340,71
2.509,10
2.703,71
7
 
 
 
 
 
 
2.253,42
2.399,75
2.574,31
2.775,57
8
 
 
 
 
 
 
 
2.458,78
2.639,51
2.847,98
9
 
 
 
 
 
 
 
 
2.704,73
2.920,37
10
 
 
 
 
 
 
 
 
 
2.992,25

De persoonlijke minimum maandverdienste per 1-1-2009 bij voltijdarbeid bedraagt: *) **) 

salarisgr.
A
B
C
D
E
F
G
H
J
K
functiejr.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
0
1.580,89
1.606,68
1.644,56
1.698,25
1.762,97
1.839,81
1.928,23
2.035,06
2.170,83
2.327,14
1
1.602,47
1.634,57
1.678,78
1.736,13
1.806,13
1.888,23
1.982,94
2.096,10
2.237,65
2.401,33
2
 
1.661,94
1.712,46
1.774,01
1.849,28
1.936,64
2.037,16
2.156,61
2.304,49
2.475,01
3
 
 
1.746,14
1.811,91
1.892,44
1.985,07
2.091,89
2.217,14
2.371,33
2.549,21
4
 
 
 
1.850,32
1.935,57
2.032,93
2.146,07
2.277,65
2.438,16
2.623,41
5
 
 
 
 
1.978,73
2.081,37
2.200,83
2.338,71
2.505,01
2.697,07
6
 
 
 
 
 
2.129,78
2.255,03
2.399,23
2.571,83
2.771,30
7
 
 
 
 
 
 
2.309,76
2.459,74
2.638,67
2.844,96
8
 
 
 
 
 
 
 
2.520,25
2.705,50
2.919,18
9
 
 
 
 
 
 
 
 
2.772,35
2.993,38
10
 
 
 
 
 
 
 
 
 
3.067,06

De persoonlijke minimum maandverdienste per 1-7-2009 bij voltijdarbeid bedraagt: *) **) 

salarisgr.
A
B
C
D
E
F
G
H
J
K
functiejr.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
0
1.596,70
1.622,75
1.661,01
1.715,23
1.780,60
1.858,21
1.947,51
2.055,41
2.192,54
2.350,41
1
1.618,49
1.650,92
1.695,57
1.753,49
1.824,19
1.907,11
2.002,77
2.117,06
2.260,03
2.425,34
2
 
1.678,56
1.729,58
1.791,75
1.867,77
1.956,01
2.057,53
2.178,18
2.327,53
2.499,76
3
 
 
1.763,60
1.830,03
1.911,36
2.004,92
2.112,81
2.239,31
2.395,04
2.574,70
4
 
 
 
1.868,82
1.954,93
2.053,26
2.167,53
2.300,43
2.462,54
2.649,64
5
 
 
 
 
1.998,52
2.102,18
2.222,84
2.362,10
2.530,06
2.724,04
6
 
 
 
 
 
2.151,08
2.277,58
2.423,22
2.597,55
2.799,01
7
 
 
 
 
 
 
2.332,86
2.484,34
2.665,06
2.873,41
8
 
 
 
 
 
 
 
2.545,45
2.732,56
2.948,37
9
 
 
 
 
 
 
 
 
2.800,07
3.023,31
10
 
 
 
 
 
 
 
 
 
3.097,73

De persoonlijke minimum maandverdienste per 1-1-2010 bij voltijdarbeid bedraagt: *) **) 

salarisgr.
A
B
C
D
E
F
G
H
J
K
functiejr.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
0
1.608,68
1.634,92
1.673,47
1.728,09
1.793,95
1.872,15
1.962,12
2.070,83
2.208,98
2.368,04
1
1.630,63
1.663,30
1.708,29
1.766,64
1.837,87
1.921,41
2.017,79
2.132,94
2.276,98
2.443,53
2
 
1.691,15
1.742,55
1.805,19
1.881,78
1.970,68
2.072,96
2.194,52
2.344,99
2.518,51
3
 
 
1.776,82
1.843,76
1.925,70
2.019,96
2.128,66
2.256,10
2.413,00
2.594,01
4
 
 
 
1.882,84
1.969,59
2.068,66
2.183,79
2.317,68
2.481,01
2.669,51
5
 
 
 
 
2.013,51
2.117,95
2.239,51
2.379,82
2.549,04
2.744,47
6
 
 
 
 
 
2.167,21
2.294,66
2.441,39
2.617,03
2.820,00
7
 
 
 
 
 
 
2.350,36
2.502,97
2.685,05
2.894,96
8
 
 
 
 
 
 
 
2.564,54
2.753,05
2.970,48
9
 
 
 
 
 
 
 
 
2.821,07
3.045,98
10
 
 
 
 
 
 
 
 
 
3.120,96

*) Bij deze bepaling wordt aangetekend dat de maandverdienste moet voldoen aan de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
**) Zie voor de minimum verhogingen van de feitelijke salarissen artikel 10.9 van de CAO.
Toelichting:
Een voor een bepaalde onderneming geldend salarissysteem zal in het algemeen zijn gebaseerd op voor die onderneming geldende omstandigheden en verhoudingen. Dit kan betekenen dat andere beginleeftijden resp. aantallen functiejaren worden toegepast dan in de leden 2 en 3 van dit artikel zijn aangegeven. Dit kunnen zowel hogere als lagere leeftijden resp. meer of minder functiejaren zijn e.e.a. met inachtneming van het gestelde in artikel 4.6 lid 1 sub b.
8. Indien de feitelijke maandverdienste hoger is dan de in de tabel vermelde bedragen kunnen aan
de in lid 7 opgenomen tabel geen rechten worden ontleend om onderlinge verhoudingen te
wijzigen resp. het niveau van de feitelijke maandverdienste te verhogen.
9. De maandverdienste van een werknemer is gedurende de eerste helft van een kalenderjaar
tenminste gelijk aan de persoonlijke minimum maandverdienste genoemd bij de leeftijd die de
werknemer op 1 april van dat jaar heeft en gedurende de tweede helft van het jaar aan de
persoonlijke minimum maandverdienste genoemd bij de leeftijd die de werknemer op 1 oktober
van dat jaar heeft.

Artikel 4.6 – Ondernemingssalarissystemen
1. a. Indien in een onderneming wordt gewerkt met een voor die onderneming geldend
salarissysteem, zal hierbij het gestelde in de artikelen 4.1, 4.3 en 4.4 in acht dienen te
worden genomen.
b. Het gestelde in artikel 4.5 lid 7 zal ten minste van toepassing zijn, met dien verstande dat
zowel van de vermelde leeftijden als van de aangegeven aantallen functiejaren kan
worden afgeweken met inachtneming van ten minste de persoonlijke minimum
maandverdiensten.
2. a. Bij invoering van resp. ingrijpende wijziging van een salarissysteem zal in een vroegtijdig
stadium overleg worden gepleegd tussen werkgever, w.v. en v.v..
De salarisschalen zullen worden gebaseerd op de in de onderneming bestaande
betalingsniveaus.
b. Ten behoeve van het overleg tussen werkgever, w.v. en v.v. zal de onderneming de
nodige gegevens verstrekken.
Toelichting:
1. Het initiatief tot een gesprek over invoering resp. ingrijpende wijziging van een salarissysteem kan zowel van de werkgever als van de v.v. uitgaan.
2. Onder salarissysteem in dit verband te verstaan:
- salarisschalen gebaseerd op een stelsel van regels met betrekking tot vaststelling van individuele
functiesalarissen, op basis van onder meer een salarisgroepindeling, leeftijden, functiejaren al dan
niet in combinatie met een beloningssysteem (salarisdifferentiatie);
- een stelsel van regels dat onderdeel uitmaakt van de geldende arbeidsverhouding tussen
werkgever en werknemer, zowel collectief als individueel.
Overgangsbepaling:
Indien, als gevolg van toepassing van ISF, een salarissysteem wordt ingevoerd resp. gewijzigd, zal dit in overleg tussen werkgever, v.v. en w.v. plaatsvinden.

Artikel 4.7 – Garantie bij invoering van ISF of ISF en SAO
1. Indien bij invoering van ISF of ISF en SAO de som van de maandverdienste en de
arbeidsomstandighedentoeslag minder bedraagt dan de som van de oorspronkelijke
maandverdienste, en een eventuele toeslag voor bezwarende omstandigheden, zal de laatst
vermelde som worden gegarandeerd.
2. In afwijking van het gestelde in lid 1 zal voor werknemers van 55 jaar en ouder de
oorspronkelijke maandverdienste, vermeerderd met een eventuele toeslag voor bezwarende
omstandigheden, worden aangepast aan de algemene salarismutaties, overeengekomen bij de
CAO.
3. Indien bij de invoering van ISF of ISF en SAO en zolang het salaris minder bedraagt dan het
oorspronkelijke salaris zal voor de vaststelling van de aan het salaris gekoppelde
arbeidsvoorwaarden worden uitgegaan van het oorspronkelijke salaris.

Artikel 4.8 – Bijzonder verzuim
1. In het kader van de voor de werknemer geldende basis jaarlijkse arbeidsduur wordt - met de
gevolgen als geregeld in de volgende leden van dit artikel - als gewerkte uren beschouwd het
aantal uren welke hij in afwijking van het voor hem vastgestelde dienstrooster niet heeft
gewerkt, of, bij gebreke van een dienstrooster, een aantal van 8 uren per werkdag, in geval van:
artikel 3.8 lid 3 -vrijaf na overwerk;
artikel 3.11 -opleidingsdagen;
artikel 3.17 -kopen van dagen;
artikel 4.14 -compenserende vrije roostertijd;
artikel 5.4, 5 en 6
-extra vakantie;
-herhalingsoefening;
-zwangerschap en bevalling;
artikel 6.1 -kort verzuim;
artikel 6.2 -werkloosheid tijdens dienstverband;
artikel 6.3 -bijzonder verlof;
artikel 6.4 -arbeidsongeschiktheid.
2. Eveneens worden in het kader van de voor de werknemer geldende basis jaarlijkse arbeidsduur
als gewerkte uren beschouwd de uren, die ingevolge het dienstrooster voor de werknemer
reeds waren aangewezen als vakantie, indien hij gedurende deze uren arbeidsongeschikt is.
Toelichting:
Bij arbeidsongeschiktheid op vastgestelde roostervrije dagdelen bestaat geen recht op vervangende vrije
roostertijd.
3. Het loon over de verzuimde uren is begrepen in de doorbetaling van de maandverdienste in de
volgende gevallen als bedoeld in lid 1 van dit artikel:
artikel 3.8 lid 3 -vrijaf na overwerk;
artikel 3.11 -opleidingsdagen;
artikel 4.14 -compenserende vrije roostertijd;
artikel 5.4, 5 en 6 -extra vakantie;
artikel 6.1 -kort verzuim;
artikel 6.2 -werkloosheid tijdens dienstverband voorzover het betreft de
uren gedurende een periode van één week;
artikel 6.3 -bijzonder verlof.
alsmede in de gevallen als bedoeld in lid 2 van dit artikel.
Bij arbeid in regelmatige ploegendienst wordt de gemiddelde ploegentoeslag per uur, berekend
over de drie voorafgaande maanden, over de verzuimde uren doorbetaald.
4. Over de uren, die als gewerkte uren worden beschouwd in geval van artikel 6.4 lid 1 en lid 2,
arbeidsongeschiktheid, is de werkgever het wettelijk verplichte loon verschuldigd (vermeerderd
met een aanvulling als bedoeld in artikel 6.4).
5. Over de uren, die als gewerkte uren worden beschouwd, is de werkgever, voor zover nodig in
afwijking van het bepaalde in de artikelen 7: 629 en 7: 628 van het B.W., geen loon
verschuldigd in geval van:
-herhalingsoefening;
- zwangerschap en bevalling;
artikel 3.17 - kopen van dagen;
artikel 6.2 - werkloosheid tijdens dienstverband, voor zover het betreft de uren
na een periode van één week;
artikel 6.2 - tijdelijke werktijdverkorting;
artikel 6.4 - arbeidsongeschiktheid, voor zover het betreft de periode volgende
op de periode van wettelijk verplichte loondoorbetaling.

Artikel 4.9 – Wijzigingen salarisgroep
1. Indien een werknemer in een hogere salarisgroep wordt ingedeeld houdt de werkgever bij het
overeen te komen functiesalaris en/of bij de overeen te komen verhogingen daarvan, rekening
met de vorige maandverdienste en de binnen de onderneming redelijk geachte verhoudingen.
2. Voor de werknemer, die een functie gaat verrichten welke is ingedeeld in een hogere
salarisgroep, geldt het bij die hogere salarisgroep behorende salaris (eventueel: persoonlijk
minimum salaris) niet eerder dan na 1 maand en uiterlijk na 2 maanden. Gedurende deze
periode behoudt de werknemer het salaris dat hij verdiende in de functie die hij tot dusverre
uitoefende. Het hier bepaalde is niet van toepassing indien de werknemer na een vooraf
bepaalde tijd of na afloop van een bepaald werk wordt herplaatst in zijn vorige functie.
3. Voor de werknemer beneden de 45 jaar, die een functie gaat verrichten welke is ingedeeld in
een lagere salarisgroep, blijft gedurende de periode die door de werkgever voor hem als
opzeggingstermijn in acht zou moeten worden genomen, indien hij het dienstverband had willen
beëindigen, het salaris gehandhaafd dat hij verdiende in de functie die hij tot dusverre
uitoefende.
Voor de werknemer van 45 jaar en ouder, die een functie gaat verrichten welke is ingedeeld in
een lagere salarisgroep, blijft gedurende een periode gelijk aan tweemaal de periode die door
de werkgever voor hem als opzeggingstermijn in acht zou moeten worden genomen, indien hij
het dienstverband had willen beëindigen, het salaris gehandhaafd dat hij verdiende in de functie
die hij tot dusverre uitoefende.
Bovendien blijft voor de werknemer, die een functie gaat verrichten welke ten opzichte van zijn
vorige functie:
a. één salarisgroep lager is ingedeeld, zijn salaris gedurende nog twee maanden
gehandhaafd, indien het onafgebroken dienstverband ten minste vijf jaren bedroeg;
b. twee salarisgroepen lager is ingedeeld, het sub a bepaalde van overeenkomstige
toepassing; daarna geldt gedurende een maand voor hem een salaris dat behoort bij de
salarisgroep die een groep lager ligt dan die, waarin zijn vorige functie is ingedeeld;
c. meer dan twee salarisgroepen lager is ingedeeld, het sub a en b bepaalde van
overeenkomstige toepassing; daarna geldt gedurende nog een maand een salaris dat
behoort bij de salarisgroep die twee groepen lager ligt dan die, waarin zijn vorige functie
is ingedeeld.
Het in dit lid bepaalde is niet van toepassing indien de werknemer na een vooraf bepaalde tijd
of na afloop van een bepaald werk wordt herplaatst in zijn vorige functie.
4. Voor de werknemer van 60 jaar of ouder die een functie moet gaan verrichten welke is
ingedeeld in een lagere salarisgroep, zal het salaris worden gehandhaafd.

Artikel 4.10 – Her- en omscholing
Voor de werknemers die bij indiensttreding in herscholing worden genomen is gedurende de eerste
drie maanden artikel 4.5 lid 7 niet van toepassing.
Onder herscholing wordt verstaan een opleiding ter herwinning van de geheel of gedeeltelijk verloren
gegane bekwaamheid in het uitoefenen van een bepaalde functie die de op te leiden werknemer
uitoefende, ongeacht of deze werknemer tevoren in dienstverband werkzaam was dan wel een
zelfstandig beroep uitoefende.
Voor de werknemers die bij indiensttreding in omscholing worden genomen is gedurende de eerste
zes maanden artikel 4.5 lid 7 niet van toepassing, met dien verstande dat deze termijn van zes tot
twaalf maanden wordt verlengd ingeval omscholing plaatsvindt tot een functie die is ingedeeld in een
van de salarisgroepen D tot en met F.
Onder omscholing wordt verstaan een opleiding voor een andere functie dan die de op te leiden
werknemer tot dusverre heeft uitgeoefend, ongeacht of deze werknemer tevoren in dienstverband
werkzaam was dan wel een zelfstandig beroep uitoefende.
Toelichting:
Het is niet de bedoeling dat het bepaalde in dit artikel tot gevolg zal hebben dat deze werknemers een inkomen ontvangen dat lager ligt dan bijvoorbeeld de salarisschaal voor salarisgroep A (artikel 4.5 lid 7). Het is uiteraard de bedoeling dat het salaris overeenkomstig de gemaakte vorderingen geleidelijk zal stijgen tot het daarvoor in aanmerking komende salaris.

Artikel 4.11 – Pensioengerechtigde werknemers
Aan de werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt dient, met inachtneming van het
gestelde in artikel 6.4 lid 4, het salaris te worden betaald dat in de onderneming voor de door hem
ingevolge het nieuwe dienstverband uit te oefenen functie gebruikelijk is. Dit salaris kan worden
verminderd met het bedrag van de door de werknemer niet meer verschuldigde premies voor sociale verzekeringen en voor ouderdomsvoorzieningen.

Toelichting:
Indien het salaris van een werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt wordt verminderd met het bedrag van de door de werknemer niet meer verschuldigde premies voor sociale verzekeringen en voor ouderdomsvoorzieningen, kan dit bedrag op een spaarrekening worden geplaatst en bij het einde van het dienstverband aan hem worden uitgekeerd. Dit laatste zou, met toestemming van de werknemer, ook kunnen geschieden met uitkeringen uit een ondernemingspensioenfonds.

Artikel 4.12 – Betaling van arbeid in ploegen
1. Bij voltijdarbeid ontvangt de werknemer in tweeploegendienst per maand, per periode of per
week een toeslag van 13,3% van de maandverdienste c.q. periodeverdienste of
weekverdienste.
2. Bij voltijdarbeid ontvangt de werknemer in drieploegendienst per maand, per periode of per
week een toeslag van 15% van de maandverdienste c.q. periodeverdienste of weekverdienste.
3. Wanneer in een onderneming zowel in twee- als in drieploegendienst wordt gewerkt en de
toeslag uniform wordt vastgesteld, kan één percentage worden toegepast met inachtneming
van de percentages genoemd onder leden 1 en 2 van dit artikel.
Toelichting bij lid 3:
Indien een uniform percentage wordt toegepast, kan worden uitgegaan van een percentage hoger dan 13,3% en lager dan 15%. De mate waarin in twee- resp. drieploegendienst wordt gewerkt kan bij de bepaling van het uniforme percentage een rol spelen.
4. Wanneer in ploegendienst wordt gewerkt op zondagen zal bij voltijdarbeid voor de betreffende
uren per gewerkt uur een toeslag van 0,48% van de maandverdienste (bij een uurverdienste
van 0,58% van de maandverdienste: 82,8% van de uurverdienste) worden betaald.
Wanneer in ploegendienst wordt gewerkt op de in artikel 1.1 lid 7 genoemde feestdagen, zal
voor de betreffende uren per gewerkt uur een toeslag van 1,06% van de maandverdienste (bij
een uurverdienste van 0,58% van de maandverdienste: 182,8% van de uurverdienste) worden
betaald. Indien echter gedurende 18 achtereenvolgende uren, samenvallend met het etmaal
van de feestdag, geen arbeid is verricht, is het voorgaande niet van toepassing.
5. Voor de werknemer in regelmatige ploegendienst beneden de 45 jaar die werkzaamheden moet
gaan verrichten in dagdienst, dan wel in een ander soort regelmatige ploegendienst met een
lagere ploegentoeslag, blijft gedurende de periode die door de werkgever voor de werknemer
als opzegtermijn in acht zou moeten worden genomen indien hij het dienstverband had willen
beëindigen, de ploegentoeslag gehandhaafd, die hij verdiende in de ploegendienst, welke hij
laatstelijk uitoefende.
Deze periode wordt bovendien met 2 maanden verlengd, wanneer de werknemer gedurende
ten minste 5 jaren onafgebroken in ploegendienst heeft gewerkt.
Voor de bepaling van de termijn waarover de ploegentoeslag moet worden doorbetaald dient te
worden uitgegaan van de tijd waarin de werknemer onafgebroken in ploegendienst heeft
gewerkt.
6. Voor de werknemer in regelmatige ploegendienst van 45 jaar of ouder, die werkzaamheden
moet gaan verrichten in dagdienst, dan wel in een ander soort regelmatige ploegendienst met
een lagere ploegentoeslag, blijft gedurende een periode gelijk aan tweemaal de periode die
door de werkgever voor de werknemer als opzegtermijn in acht moet worden genomen indien
hij het dienstverband had willen beëindigen, de ploegentoeslag gehandhaafd, die hij verdiende
in de ploegendienst welke hij laatstelijk uitoefende.
Deze periode wordt bovendien met 2 maanden verlengd, wanneer de werknemer gedurende
ten minste 5 jaren onafgebroken in ploegendienst heeft gewerkt.
Voor de bepaling van de termijn waarover de ploegentoeslag moet worden doorbetaald dient te
worden uitgegaan van de tijd waarin de betrokken werknemer onafgebroken in ploegendienst
heeft gewerkt.
Toelichting bij lid 5 en 6:
Onder ,,regelmatige ploegendienst" dient te worden verstaan ploegendienst, die ten minste gedurende 1 jaar is uitgeoefend resp. dient te worden uitgeoefend volgens een rooster dat vooraf is vastgesteld.

Artikel 4.13 – Betaling van continuarbeid
Voor werken in continuarbeid (meer dan drie ploegen) stelt de werkgever, in overleg met de
ondernemingsraad, de werktijdregeling vast. De betalingsregeling van deze werktijdregeling wordt in
overleg met de w.v en de v.v. vastgesteld.

Artikel 4.14 – Meeruren en overuren*)
1. De werknemer heeft als vergoeding voor meeruren en overuren aanspraak op compenserende
vrije uren op tijdstippen, waarop de bedrijfssituatie dit mogelijk maakt en waarop de werknemer
ingevolge zijn dienstrooster zou hebben moeten werken.
De vaststelling van de tijdstippen geschiedt na overleg met de werknemer door de werkgever.
Het verdient aanbeveling het compenserend vrijaf te realiseren binnen het kwartaal, waarin de
meeruren en/of overuren zijn gemaakt.
De compensatie geschiedt in de vorm van ten minste halve diensten volgens het rooster.
*) Voor de definitie van meeruren en van overuren zie artikel 1.1 lid 14 en 15.
2. In overleg tussen werkgever en werknemer kan de aanspraak van de werknemer als bedoeld in
lid 1 van dit artikel worden vervangen door een aanspraak van de werknemer op vergoeding
van de uurverdienste per meeruur of overuur.
In overleg tussen werkgever en werknemer kan de aanspraak van de werknemer op vergoeding
geheel of gedeeltelijk worden aangewend in het kader van een tussen werkgever en ’s Rijks
belastingsdienst aangegane regeling welke regeling ten voordele van de werknemer strekt.
3. Meeruren die aan het einde van het kalenderjaar niet zijn gecompenseerd in vrije tijd noch zijn
vergoed overeenkomstig het bepaalde in lid 2 van dit artikel, worden overgebracht naar het
volgende kalenderjaar en in dat jaar aan de werknemer als compenserende vrije roostertijd
toegekend, of in overleg met de werknemer wordt 50% van de meeruren uitbetaald tegen 0,60%
van de maandverdienste (bij een uurverdienste van 0,58% van de maandverdienste: 103,4%
van de uurverdienste) per meeruur en het restant aan meeruren overgebracht naar het
volgende jaar en in dat jaar aan de werknemer als compenserende vrije roostertijd toegekend.
4. Boven de uurvergoeding volgens de voorgaande leden van dit artikel betaalt de werkgever de
werknemer de volgende toeslagen voor overuren:
a. 0,14% van de maandverdienste**) (bij een uurverdienste van 0,58% van de
maandverdienste: 24,1% van de uurverdienste) per uur voor de eerste 2 uur direct
voorafgaand of volgend op de normale werkdag.
Onder ,,uren direct voorafgaand aan" of ,,volgend op" worden mede verstaan die
overuren welke van de normale werkdag zijn gescheiden door een wettelijk verplichte of
door plaatselijke omstandigheden geboden rusttijd;
b. 0,24% van de maandverdienste**) (bij een uurverdienste van 0,58% van de
maandverdienste: 41,3% van de uurverdienste) per uur voor de overige uren op
maandag tot en met vrijdag;
c. 0,27% van de maandverdienste**) (bij een uurverdienste van 0,58% van de
maandverdienste: 46,6% van de uurverdienste) per uur voor de uren op zaterdag tot
14.00 uur;
d. 0,37% van de maandverdienste**) (bij een uurverdienste van 0,58% van de
maandverdienste: 63,8% van de uurverdienste) per uur voor de uren op zaterdag na
14.00 uur;
e. 0,48% van de maandverdienste**) (bij een uurverdienste van 0,58% van de
maandverdienste: 82,8% van de uurverdienste) per uur voor de uren op zondag en de in
artikel 1.1 lid 7 genoemde feestdagen.
**) Voor vergoedingen resp. toeslagen zie bijlage G.
5. Geen vergoeding resp. toeslag is verschuldigd voor overuren, wanneer de overuren aansluiten
aan de normale werkdag en die uren dienen tot afsluiting van de normale dagtaak, zich slechts
incidenteel voordoen en niet langer duren dan een half uur. In geval van langere duur is
vergoeding over de gehele duur ervan verschuldigd.
6. Evenmin is vergoeding resp. toeslag verschuldigd over inhaaluren, waaronder wordt verstaan:
a. uren gedurende welke de werknemer ten gevolge van bedrijfsstoornis werkt buiten de
normale werkdag en boven het in zijn dienstrooster vastgestelde aantal uren, voor zover
dit aantal uren niet groter is dan het aantal dat hij wegens de bedrijfsstoornis niet heeft
gewerkt;
b. uren gedurende welke na overleg met de ondernemingsraad door de gehele
onderneming of één of meer afdelingen buiten de normale werkdag en boven het in zijn
dienstrooster vastgestelde aantal uren wordt gewerkt met het reeds tevoren vaststaand
doel om bepaaldelijk aangewezen uren, waarop niet gewerkt werd of gewerkt zal worden,
de in artikel 1.1 lid 7 genoemde feestdagen en de vakantie niet inbegrepen, in te halen.
Bij inhalen van verzuim wegens onwerkbaar weer wordt per winterseizoen over ten
hoogste drie dagen geen vergoeding gegeven.

Artikel 4.15 – Minder uren oproepkrachten
Heeft een oproepkracht in een bepaalde betalingsperiode minder uren gewerkt dan het
overeengekomen minimum aantal arbeidsuren, dan kan de werkgever binnen drie maanden na afloop
van deze betalingsperiode de niet gewerkte maar wel vergoede uren alsnog als te werken uren
aanwijzen zonder dat hij hiervoor een vergoeding is verschuldigd.

Artikel 4.16 – Toeslag voor afwijkende werktijd
1. De werkgever betaalt aan de werknemer in voltijdarbeid in die gevallen waarin opdracht is
gegeven tot afwijkende werktijd:
a. geen toeslag op de maandverdienste*) voor het eerste uur direct voorafgaand aan of
volgend op de normale werkdag, met een maximum van één uur per dag.
Onder het uur ,,direct voorafgaand aan" of ,,volgend op" wordt mede verstaan het uur dat
van de normale werkdag is gescheiden door een wettelijk verplichte of door de
plaatselijke omstandigheden geboden rusttijd;
b. per uur een toeslag op het salaris van 0,11% van de maandverdienste*) (bij een
uurverdienste van 0,58% van de maandverdienste: 19% van de uurverdienste) voor de
direct daaraan voorafgaande of daarop volgende twee uren;
c. per uur een toeslag op het salaris van 0,21% van de maandverdienste*) (bij een
uurverdienste van 0,58% van de maandverdienste: 36,2% van de uurverdienste) voor
alle overige uren.
*) Voor de toeslag bij periode- en weekbetaling zie bijlage G.
2. Deze toeslagen gelden niet voor de uren:
a. gedurende welke de werknemer ten gevolge van bedrijfsstoornis werkt buiten de normale
werkdag, voorzover dit aantal uren niet groter is dan het aantal dat hij op diezelfde dag
wegens bedrijfsstoornis niet heeft overgewerkt;
b. gedurende welke na overleg met de ondernemingsraad door de gehele onderneming of
één of meer afdelingen buiten de normale werkdag wordt gewerkt met het reeds tevoren
vaststaand doel om bepaaldelijk aangewezen uren, waarop niet gewerkt werd of niet
gewerkt zal worden, op diezelfde dag in te halen.

Artikel 4.17 – Betaling van overwerk bij continuarbeid
Voor de betaling van overwerk bij continuarbeid stelt de werkgever in overleg met de v.v., de
ondernemingsraad gehoord, een regeling vast.

HOOFDSTUK 5 - VAKANTIE

§1. Algemene bepalingen
Artikel 5.1 – Omschrijving
1. Als vakantie worden beschouwd de dagen, welke door de werkgever als zodanig met
inachtneming van artikel 5.8 zijn vastgesteld.
2. Als vakantie worden niet beschouwd:
a. de feestdagen genoemd in artikel 1.1 lid 7;
b. de dagen of gedeelten van dagen, gedurende welke de werknemer wegens
arbeidsongeschiktheid de bedongen arbeid niet verricht;
c. de dagen of gedeelten van dagen, gedurende welke de werknemer wegens andere
omstandigheden, genoemd in hoofdstuk 6 (verzuim), de bedongen arbeid niet verricht;
d. de tijd gedurende welke de werknemer de bedongen arbeid niet verricht omdat hij,
anders dan voor eerste oefening en zonder het oogmerk de krijgsdienst of andere
overheidsdienst bij wijze van beroep te verrichten, een verplichting naleeft, hem opgelegd
door de wet, of voortvloeiend uit een verbintenis door hem jegens de Overheid
aangegaan en ten aanzien van 's lands verdediging of ter bescherming van de openbare
orde;
e. de tijd gedurende welke de vrouwelijke werknemer de bedongen arbeid niet verricht
wegens zwangerschap of bevalling;
f. de tijd gedurende welke de jeugdige werknemer geen arbeid verricht omdat hij onderricht
volgt, waartoe hij krachtens de wet of deze overeenkomst door de werkgever in de
gelegenheid wordt gesteld.
3. De werknemer die tijdens voor hem vastgestelde vakantie arbeidsongeschikt wordt, zal dit
onverwijld op de voorgeschreven wijze melden.
Indien de werkgever loon doorbetaalt in verband met ziekte gelden de dagen van
arbeidsongeschiktheid niet als vakantie.
4. Wanneer de werknemer tijdens voor hem vastgestelde vakantie in omstandigheden verkeert als
bedoeld in lid 2 onder c t/m f, gelden deze dagen slechts dan niet als vakantie indien de
werkgever vóór de aanvang van de vakantie van deze omstandigheden op de hoogte is.

Artikel 5.2 – Doorbetaling en verrekening gedurende het dienstverband
1. De werknemer behoudt gedurende de vakantie aanspraak op zijn salaris.
2. De werkgever heeft de bevoegdheid hetzij als voorschot hetzij als collectieve vakantie te veel
genoten vakantie te verrekenen met nog te verdienen vakantie.
3. Zolang de dienstbetrekking duurt mag het recht op vakantie slechts worden vervangen door een
uitkering in geld voorzover dit recht het in artikel 7:634 BW bedoelde minimum te boven gaat. In
overleg tussen werkgever en werknemer kan de uitkering in geld geheel of gedeeltelijk worden
aangewend in het kader van een tussen werkgever en ’s Rijks belastingdienst aangegane
regeling welke regeling ten voordele van werknemer strekt.
Toelichting:
Voor doorbetaling van salaris bij niet werken zie artikel 4.8

§2. Het verdienen van vakantierechten
Artikel 5.3 – Vakantierechten
1. De werknemer in voltijdarbeid heeft recht op 25 vakantiedagen (200 uren) per jaar. Met ingang
van 1 januari 2009 heeft de werknemer in voltijdarbeid recht op 27 vakantiedagen (216 uren)
per jaar.
De werknemer die evenwel volgens zijn normale dienstrooster per 52 weken:
a. gedurende ten hoogste 13 weken, 6 dagen per week werkt, ontvangt 1 dag
(8 uren) vakantie meer;
b. gedurende ten minste 14 en ten hoogste 26 weken, 6 dagen per week werkt, ontvangt 2
dagen (16 uren) vakantie meer;
c. gedurende ten minste 27 weken en ten hoogste 39 weken, 6 dagen per week werkt,
ontvangt 3 dagen (24 uren) vakantie meer;
d. gedurende tenminste 40 weken, 6 dagen per week werkt, ontvangt 4 dagen
(32 uren) vakantie meer.
Voor het verdienen van de vakantierechten worden op werkdagen vallende feestdagen alsmede
vakantiedagen als gewerkte dagen beschouwd.
2. In afwijking van lid 1, tweede volzin, heeft de werknemer die recht heeft op de
overgangsregeling extra vakantie voor senioren* met ingang van 1 januari 2009 recht op 25
vakantiedagen.
* Toelichting:
De werknemer die op 1 januari 2009 in dienst is van zijn werkgever en op die datum 40 jaar of ouder is, heeft  recht op de overgangsregeling extra vakantie voor senioren als bedoeld in artikel 5.6. De werknemer die na 1 januari 2009 bij de werkgever in dienst treedt en ook de werknemer die op 1 januari 2009 jonger is dan 40 jaar heeft dus geen recht op de overgangsregeling. Deze werknemer heeft recht op 27 vakantiedagen met ingang van 1 januari 2009.
3. De uitbreiding van de vakantiedagen per 1 april 1991 van 23 (184 uren) naar 24 vakantiedagen
(192 uren) per jaar en per 1 april 1992 tot 25 vakantiedagen (200 uren) per jaar geldt niet voor
de werknemer wiens werkgever met de v.v. een overeenkomst heeft gesloten op grond
waarvan de Basis Jaarlijkse Arbeidsduur in de onderneming een kortere is dan de in de CAO
genoemde BJA en waarin tevens nadere afspraken zijn gemaakt over de gevolgen of regeling
van de gevolgen van bij de bedrijfstak-CAO overeen te komen expliciete verkorting van de BJA.

Artikel 5.4 – Extra vakantie wegens langdurig dienstverband
1. De werknemer die 25 jaar zonder onderbreking in dienst is van een en dezelfde werkgever
ontvangt met ingang van het kalenderjaar waarin het 25-jarig dienstverband wordt bereikt
maar niet eerder dan het kalenderjaar 2009 per jaar één vakantiedag (8 uren) meer dan
waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft. Deze extra vakantiedag zal niet op zaterdag
vallen. Zonodig zal over de toepassing van het begrip “zonder onderbreking” overleg worden
gepleegd met de ondernemingsraad.
2. In afwijking van lid 1 heeft de werknemer die recht heeft op extra vakantie volgens artikel 5.6
lid 2 geen recht op extra vakantie wegens langdurig dienstverband.
Toelichting 1:
Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een ononderbroken dienstverband dient er rekening mee te worden gehouden dat onderbrekingen in het dienstverband kunnen voorkomen, welke voor de toepassing van dit artikel redelijkerwijs buiten beschouwing moeten worden gelaten. In deze gevallen wordt echter bij de berekening van het aantal dienstjaren de tijd van onderbreking niet meegeteld.
Toelichting 2:
Samenloop van extra vakantie wegens langdurig dienstverband (artikel 5.4) en de overgangsregeling extra vakantie voor senioren voor werknemers die op 1 januari 2009 50 jaar of ouder zijn (art. 5.6 lid 2, zoals dat geldt vanaf 1 januari 2009) is niet mogelijk. De werknemer die recht heeft op extra vakantie volgens artikel 5.6 lid 2 zoals dat geldt vanaf 1 januari 2009 heeft geen recht op extra vakantie wegens langdurig dienstverband.

Artikel 5.5 – Extra vakantie voor jeugdigen (vervallen)
 
Artikel 5.6 – Overgangsregeling extra vakantie voor senioren
1. De werknemer die op 1 januari 2009 in dienst is van zijn werkgever en op die datum 50 jaar of
ouder is, heeft recht op extra vakantie voor senioren volgens het bepaalde in lid 2.
De werknemer die op 1 januari 2009 in dienst is van zijn werkgever en op die datum 40 jaar of
ouder maar jonger dan 50 jaar is, heeft recht op extra vakantie voor senioren volgens het
bepaalde in lid 3 of lid 4.
2. De werknemer als bedoeld in lid 1 die op 1 juli
- 50, 51, 52, 53 of 54 jaar is ontvangt per kalenderjaar 3 vakantiedagen meer dan waarop
hij krachtens artikel 5.3 recht heeft;
- 55, 56, 57 jaar is ontvangt per kalenderjaar 5 vakantiedagen (40 uren) meer dan waarop
hij krachtens artikel 5.3 recht heeft;
- 571/2 jaar is ontvangt per kalenderjaar 7 vakantiedagen (56 uren) meer dan waarop hij
krachtens artikel 5.3 recht heeft;
- 58, 59 jaar is ontvangt per kalenderjaar 10 vakantiedagen (80 uren) meer dan waarop hij
krachtens artikel 5.3 recht heeft;
- 60 jaar is ontvangt per kalenderjaar 12 vakantiedagen (96 uren) meer dan waarop hij
krachtens artikel 5.3 recht heeft;
- 61 jaar is ontvangt per kalenderjaar 13 vakantiedagen (104 uren) meer dan waarop hij
krachtens artikel 5.3 recht heeft;
- 62 jaar is ontvangt per kalenderjaar 17 vakantiedagen (136 uren) meer dan waarop hij
krachtens artikel 5.3 recht heeft;
- 63 jaar is ontvangt per kalenderjaar 22 vakantiedagen (176 uren) meer dan waarop hij
krachtens artikel 5.3 recht heeft;
- 64 jaar of ouder is ontvangt per kalenderjaar 22 vakantiedagen (176 uren) meer dan
waarop hij krachtens artikel 5.3 recht heeft.
3. De werknemer als bedoeld in lid 1 die op 1 januari 2009 45 jaar of ouder maar jonger dan 50 jaar
is, heeft recht op 4 extra vakantiedagen per kalenderjaar.
4. De werknemer als bedoeld in lid 1 die op 1 januari 2009 40 jaar of ouder maar jonger dan 45 jaar
is, heeft recht op 3 extra vakantiedagen per kalenderjaar.
5. De extra vakantie zal niet op zaterdag vallen.

Artikel 5.7 – Het verdienen van vakantie gedurende het kalenderjaar
Met inachtneming van het in het vorige artikel gestelde wordt de vakantie verdiend in evenredigheid
met de duur van het dienstverband gedurende het kalenderjaar.

§3. Het genieten van vakantie
Artikel 5.8 – Vaststellingsprocedure
1. De werkgever stelt de aaneengesloten vakantie en vakantiedagen in danwel na overleg
overeenkomstig het gestelde in de leden 2a, b, c, d en e en lid 3 vast. Hij zal ten aanzien van
het werken op Goede Vrijdag, 15 augustus, 1 november en op de voor de werknemer van
belang zijnde overige religieuze feestdagen, ernstig rekening houden met de consciëntie van de
werknemer.
2. a. De individuele aaneengesloten vakantie en de individuele vakantiedagen worden
vastgesteld na tijdig overleg tussen de werkgever en werknemer.
b. De collectieve aaneengesloten vakantie wordt vastgesteld wanneer daarover met de
ondernemingsraad overeenstemming is bereikt.
c. De werkgever kan, na overleg met de ondernemingsraad, per kalenderjaar één
collectieve vakantiedag vaststellen.
d. De werkgever kan, met instemming van de ondernemingsraad, bovendien per
kalenderjaar twee collectieve vakantiedagen vaststellen.
e. De werkgever kan iedere volgende collectieve vakantiedag slechts vaststellen wanneer
daarover overeenstemming is bereikt met de ondernemingsraad.
f. De collectieve aaneengesloten vakantie en de collectieve vakantiedagen worden zo
mogelijk vastgesteld vóór 1 februari.
3. De werkgever kan, indien daartoe gewichtige redenen aanwezig zijn, na overleg met de
werknemer, het door hem vastgestelde tijdvak van de vakantie wijzigen. De schade, welke de
werknemer ten gevolge daarvan lijdt, wordt door de werkgever vergoed.
Toelichting:
Uitgaande van de wenselijkheid van een ruime vakantiespreiding bevelen partijen aan om, indien de
bedrijfsbelangen zich daartegen niet verzetten, voorkeur te geven aan individuele aaneengesloten vakanties, mits voldoende gespreid.

Artikel 5.9 – Data van de vakantie
1. De vakantie zal in het algemeen bij voorkeur worden genoten in het jaar waarin deze wordt
verdiend.
2. De aaneengesloten vakantie zal - zo mogelijk - aanvangen tussen 30 april en 1 oktober en zal
zich als regel uitstrekken over twee opeenvolgende weken.
3. Wanneer een collectieve aaneengesloten vakantie op korter dan twee opeenvolgende weken
wordt vastgesteld, zal zij zich in ieder geval uitstrekken over ten minste 8 opeenvolgende
kalenderdagen (zaterdagen en zondagen daaronder begrepen).
4. Bij het vaststellen van de duur van de collectieve aaneengesloten vakantie houdt de werkgever
ernstig rekening met de consciëntie van die werknemers, die vrijaf willen nemen op Goede
Vrijdag, 15 augustus, 1 november en op de voor de werknemer van belang zijnde overige
religieuze feestdagen.
5. In de aaneengesloten vakantie zullen voor de werknemers in ploegendienst c.q. continudienst
ten minste een zondag en twee volle weekeinden begrepen zijn.
Aanbeveling:
Aanbevolen wordt bij de vaststelling van de aaneengesloten vakantie rekening te houden met door de werknemer reeds eerder aangegane vakantieverplichtingen.

Artikel 5.10 – Zaterdagen
1. Voor de werknemer als bedoeld in artikel 5.3 lid 1 sub a, zal één vakantiedag vallen op een
zaterdag, waarop hij volgens zijn normale dienstrooster zou werken.
Voor de werknemer als bedoeld in artikel 5.3 lid 1 sub b, zullen twee vakantiedagen vallen op
een dergelijke zaterdag.
Voor de werknemer als bedoeld in artikel 5.3 lid 1 sub c, zullen drie vakantiedagen vallen op
een dergelijke zaterdag.
Voor de werknemer als bedoeld in artikel 5.3 lid 1 sub d, zullen vier vakantiedagen vallen op
een dergelijke zaterdag.
bij een totaal aantal vakantiedagen van 

Werknemer
bij een totaal aantal vakantiedagen van
 
bedoeld in
1-8, 9,10,11,12,13,14,15,16,17,18,19,20,21,22,23,24,25,26,27,28,29
 
 
art. 5.3
 
lid 1, sub a
0   0   0   0   0   0   0   0   0   0   0   0   0   0   0   0   0   0   1   -   -   -
art. 5.3
 
lid 1, sub b
0   0   0   0   0   0   0   1   1   1   1   1   1   1   1   1   1   1   1   2   -   -
art. 5.3
 
lid 1, sub c
0   0   0   0   1   1   1   1   1   1   1    1  2   2   2   2   2   2   2   2   3   -
art. 5.3
 
lid 1, sub d
0   1   1   1   1   1   1   1   2   2   2   2   2   2   2   3   3   3   3   3   3   4

2. Bij een dienstverband gedurende een gedeelte van het kalenderjaar worden de zaterdagen
volgens vorenstaand schema in de vakantie meeberekend.

§4. Vakantietoeslag
Artikel 5.11 – Vakantietoeslag
1. De werkgever verleent de werknemer jaarlijks een vakantietoeslag welke wordt verdiend
in de periode van 1 juli tot en met 30 juni. De betaling van de vakantietoeslag dient
uiterlijk op 1 juli van het kalenderjaar plaats te vinden.
2. De vakantietoeslag bedraagt 8% van de maandverdienste*) voor iedere maand
dienstverband in de in artikel 5.11 lid 1 van de CAO bedoelde periode. Voor de
berekening van de vakantietoeslag wordt uitgegaan van de maandverdienste over de
maand juni. Bij beëindiging van het dienstverband vóór 1 juni wordt uitgegaan van de
maandverdienste over de laatste maand.
Indien een werknemer in regelmatige ploegendienst**) werkt of heeft gewerkt, zal zijn
vakantietoeslag worden verhoogd met een bedrag, gelijk aan 8% van de
ploegentoeslagen zoals bedoeld in artikel 4.12 lid 1 tot en met 4, welke hij sinds 1 juli van
het voorgaande kalenderjaar heeft verdiend.
Voor de berekening van de vakantietoeslag van handelsreizigers zal worden uitgegaan
van het salaris over de maand juni verhoogd met de gemiddelde provisie-inkomsten per
maand gedurende de periode 1 juli van het voorgaande kalenderjaar tot 1 juli van het
lopende kalenderjaar, met dien verstande dat de vakantietoeslag niet meer zal bedragen
dan ten hoogste 8% van driemaal het wettelijk minimumloon per 30 juni van het lopende
kalenderjaar. Bij beëindiging van het dienstverband vóór 1 juni wordt uitgegaan van het
salaris over de laatste maand verhoogd met de gemiddelde provisie-inkomsten per
maand gedurende de voorafgaande 12 maanden. Indien echter 8% van het salaris over de
maand juni voor iedere maand dienstverband in de in lid 1 bedoelde periode op een
hoger bedrag uitkomt, geldt dit hogere bedrag. Bij beëindiging van het dienstverband
vóór 1 juni wordt uitgegaan van het salaris over de laatste maand.
*) Voor de definitie zie artikel 1.1 lid 24.
**) Onder “regelmatige ploegendienst” dient te worden verstaan ploegendienst, die ten minste
gedurende 1 jaar is uitgeoefend resp. dient te worden uitgeoefend volgens een rooster, dat vooraf
is vastgesteld.
3. Bij voltijdarbeid bedraagt de vakantietoeslag voor de werknemer van 23 jaar en ouder per
1 januari 2008 tenminste € 146,81 bruto per maand, per 1 juli 2008 ten minste € 147,55
bruto per maand, per 1 januari 2009 tenminste € 151,24 bruto per maand, per 1 juli 2009
ten minste € 152,75 bruto per maand en per 1 januari 2010 tenminste € 153,90 bruto per
maand voor iedere maand dienstverband.
4. In geval van arbeidsongeschiktheid van de werknemer is de vakantietoeslag slechts
verschuldigd gedurende twee jaar na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid, onder
aftrek van hetgeen de werknemer als vakantietoeslag ontvangt uit hoofde van de sociale
verzekering.
5. Over de periode, gedurende welke de werknemer zijn werkzaamheden niet heeft verricht
en de werkgever geen loon verschuldigd is, is geen vakantietoeslag verschuldigd.

HOOFDSTUK 6 - VERZUIM

Artikel 6.1 – Kort verzuim
1. Aan de werknemer, voor wie wegens bijzondere omstandigheden (kort) verzuim binnen de
arbeidstijd noodzakelijk is, wordt dit toegestaan voor zover dit in de onderneming gebruikelijk is.
2. Bij zodanig verzuim wordt het salaris doorbetaald in de hieronder opgenomen gevallen tot de
daarbij vermelde duur:
a. over 4 dagen: bij overlijden van de levenspartner; bij overlijden van een inwonend kind;
b. over 2 dagen: bij het huwelijk van de werknemer of bij het aangaan van een notariële samenlevingsovereenkomst of voor registratie van het partnerschap; bij het overlijden van een niet inwonend kind; bij het overlijden van een van de ouders;
c. over 1 dag: bij bevalling van de levenspartner; bij adoptie van een kind; bij 25- of 40-jarig huwelijk van de werknemer; bij huwelijk van een kind; bij overlijden of voor het bijwonen van de
begrafenis van: een van de grootouders van de werknemer of van de levenspartner; een zuster en/of haar levenspartner; een broer en/of zijn levenspartner; één van de ouders van de levenspartner;
een zuster van de levenspartner; een broer van de levenspartner; de levenspartner van een kind;
een kleinkind; bij keuring voor de militaire dienst;
d. over ten hoogste 1 dag in totaal bij het huwelijk van een broer, zuster of kleinkind, per kalenderjaar: professie van een kind, broer of zuster, priesterwijding van een kind of broer;
e. over een naar redelijkheid te bij de vervulling van een bij wettelijk voorschrift of bepalen tijd tot ten hoogste door de overheid opgelegde verplichting, welke 1 dag: persoonlijk moet worden nagekomen, voor zover hiervoor van de overheid geen geldelijke vergoeding kan worden verkregen; voor het doen van een vakexamen ter verkrijging van een erkend diploma, indien dit in het belang van het bedrijf is; bij ondertrouw.
3. Onder levenspartner als bedoeld in lid 2 wordt verstaan de echtgeno(o)t(e) dan wel hij of zij met
wie de werknemer respectievelijk een kind van de werknemer een duurzame levensrelatie
onderhoudt en die tevoren als zodanig bij de werkgever bekend is gemaakt door de werknemer.
4. Over eventuele afwijking van de in lid 2 genoemde gevallen, bijvoorbeeld op grond van
regionale of plaatselijke gebruiken, zal in de onderneming overleg worden gepleegd.
5. Voor verzuim in verband met bezoek aan huisarts, tandarts, specialist of in verband met
nabehandeling na ziekte, dient in de onderneming een regeling te worden getroffen.

Artikel 6.2 – Uitkering bij werkloosheid tijdens dienstverband
1. De toepassing van artikel 7: 628 B.W. wordt beperkt tot één week. Gedurende deze tijd betaalt
de werkgever het salaris.
2. In geval van onderbreking van het werk op grond van de ,,Algemene Machtiging tot
werktijdverkorting bij onwerkbaar weer of ongunstige waterstand" (Beschikking College van
Rijksbemiddelaars d.d. 6 december 1945, Stcrt. 1945, nr. 129), geldt het in lid 1 bepaalde voor
elke periode van werkonderbreking opnieuw.
3. Bij invoering door de werkgever van een door de bevoegde instantie goedgekeurde tijdelijke
werktijdverkorting blijft, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, artikel
7: 628 B.W. geheel buiten toepassing en betaalt de werkgever derhalve geen salaris over de
uren waarin geen arbeid is verricht.
Toelichting bij lid 3:
Aan de werkgever wordt aanbevolen om, alvorens tot invoering van tijdelijke werktijdverkorting ex. artikel 8 BBA over te gaan, overleg te plegen met de v.v. en de w.v., alsmede met de ondernemingsraad.
4. Wanneer de werknemer aanspraak heeft op uitkering krachtens de Werkloosheidswet omdat de
werkgever ingevolge het bepaalde in de voorgaande leden niet of niet meer verplicht is tot
betaling van het salaris, zal de werkgever deze uitkering aanvullen tot het bedrag van het
salaris.
5. Aan werknemers op wie het bepaalde in lid 4 niet kan worden toegepast in verband met de
voorwaarden gesteld bij of krachtens de artikelen 15 t/m 21 van de Werkloosheidswet*), zal de
werkgever in de gevallen als bedoeld in de leden 2 en 3 het salaris doorbetalen.
N.B. De Werkloosheidswet geldt niet voor werknemers ouder dan 65 jaar.
*) Deze artikelen bepalen onder andere, verkort weergegeven, dat in het algemeen slechts aanspraak op uitkering volgens de Werkloosheidswet bestaat indien de werknemer:
a. vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per week heeft verloren en
b. in de 36 weken voorafgaand aan de werkloosheid in ten minste 26 weken als werknemer arbeid
heeft verricht.

Artikel 6.3*) – Bijzonder verlof werknemers die lid zijn van de v.v. / Bijzonder verlof werknemers
die lid zijn van de v.v.
1. Aan werknemers die lid zijn van de v.v. wordt, mits de aanvraag daartoe tijdig door de v.v. tot
de onderneming is gericht, met inachtneming van het bepaalde in lid 2 vrijaf gegeven met
behoud van salaris voor de volgende activiteiten:
a. het als officieel afgevaardigde deelnemen aan bondscongres, bondsraad, algemene
vergadering of het daarmee gelijk te stellen orgaan;
b. het deelnemen aan door de v.v. georganiseerde cursussen; in dit geval zal slechts vrijaf
worden gegeven indien de bedrijfsbelangen zich daartegen niet verzetten;
c. het als officieel afgevaardigde deelnemen aan CAO-onderhandelingen in de Raad van
Overleg in de Metalektro.
*) Van dit artikel kan bij MB-CAO slechts worden afgeweken met betrekking tot de werknemers die lid zijn van v.v. die feitelijk betrokken zijn bij de totstandkoming van de MB-CAO en deze hebben
gesloten.
Toelichting bij lid 1 sub a:
Met gelijk te stellen organen worden bedoeld
voor FNV Bondgenoten: Bedrijfsgroepsraad en Bedrijfsgroepafdeling,
voor de CNV Bedrijvenbond: Coördinatiecommissie, districtsmetaalcommissies, CAO commissie voor de Metaal- en Elektrotechnische Industrie; Vakgroep Bestuur Metaal- en Elektro;
voor De Unie: Bestuursraad, bestuur bedrijfsgroep Metaalindustrie, gedelegeerden-
vergadering Metaalindustrie.
2. De in lid 1 sub b genoemde verplichting tot het verlenen van bijzonder verlof met behoud van
salaris is in beginsel per onderneming beperkt tot 2 dagen per 2 jaar per 9 bij de v.v.
georganiseerde werknemers.

Artikel 6.4 – Uitkering bij arbeids(on)geschiktheid
De leden 1 tot en met 10 gelden vanaf 1 april 2005
1. De werkgever is verplicht aan de arbeidsongeschikte werknemer die geen recht heeft op
een Ziektewet-uitkering, gedurende de eerste 52 weken van de arbeidsongeschiktheid
een aanvulling op het wettelijk verplichte loon te verstrekken ter hoogte van het verschil
tussen het wettelijk verplichte loon en 100% van het volledige Ziektewet-dagloon*).
Onder Ziektewet-dagloon wordt in dit kader verstaan het Ziektewet-dagloon, voor zover
nodig, vermeerderd met het spaarloon.
*) De samenstelling van het Ziektewet-dagloon is opgenomen op de website van de ROM:
www.caometalektro.nl
2. De werkgever is verplicht aan de arbeidsongeschikte werknemer die geen recht heeft op
een Ziektewet-uitkering, na de eerste 52 weken van arbeidsongeschiktheid gedurende 52
weken het wettelijk verplichte loon te betalen met een maximum van 70% van het
maximum Ziektewet-dagloon *).
3. De werkgever kan in overleg met v.v., met inachtneming van het bepaalde in artikel 7:
629 lid 1 B.W., het in lid 1 genoemde percentage verminderen met een aantal
procentpunten, indien gewenst verdeeld over verschillende tijdvakken gedurende de
eerste 52 weken van de arbeidsongeschiktheid, onder gelijktijdige vermeerdering van het
in lid 2 bedoelde wettelijk percentage met hetzelfde aantal procentpunten, indien
gewenst eveneens verdeeld over verschillende tijdvakken.
4. Over de eerste twee dagen waarop wegens arbeidsongeschiktheid niet is gewerkt
behoeft door de werkgever aan de werknemer geen loon te worden betaald en geen
aanvulling te worden verstrekt, en na die dagen behoeft geen aanvulling op de wettelijk
verplichte loondoorbetaling te worden verstrekt indien:
- de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt;
- de werknemer rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
5. Over de eerste dag waarop wegens arbeidsongeschiktheid niet is gewerkt behoeft door
de werkgever aan de werknemer geen loon te worden doorbetaald en geen aanvulling te
worden verstrekt in de gevallen en op de voorwaarden als is omschreven in de regeling
ter voorkoming van misbruik welke in de onderneming reeds bestaat of na met de
ondernemingsraad bereikte overeenstemming door de werkgever wordt vastgesteld.
6. De werkgever zal geen gebruik maken van de wettelijke mogelijkheid met de werknemer
overeen te komen bij ziekmelding een vakantiedag af te boeken.
7. Indien en voor zolang de arbeidsongeschikte werknemer naar het oordeel van de
werkgever en naar het oordeel van de bedrijfsarts optimaal meewerkt aan zijn herstel en
reïntegratie, is de werkgever verplicht aan de werknemer na de eerste 52 weken van de
arbeidsongeschiktheid gedurende 52 weken een aanvulling op het wettelijk verplichte
loon te verstrekken ter hoogte van het verschil tussen het wettelijk verplichte loon en
80% van het volledige Ziektewet-dagloon *).
8. Indien naar het oordeel van de bedrijfsarts de volledig arbeidsongeschikte werknemer
geen duurzaam benutbare mogelijkheden meer heeft, is de werkgever verplicht aan de
werknemer na de eerste 52 weken van de arbeidsongeschiktheid gedurende 52 weken
een aanvulling op het wettelijk verplichte loon te verstrekken ter hoogte van het verschil
tussen het wettelijk verplichte loon en 80% van het volledige Ziektewet-dagloon*).
9. De werkgever is gerechtigd, zo nodig in afwijking van het gestelde in de leden 1 t/m 8 van
dit artikel, sancties op te leggen aan de werknemer die de controlevoorschriften
overtreedt die zijn neergelegd in een ondernemingsregeling waarin is geregeld hoe de
werknemer dient te handelen bij ziekte. De sancties dienen in de regeling te zijn
opgenomen.
Deze ondernemingsregeling zal in overleg met de ondernemingsraad worden
vastgesteld.
10. De werkgever is in het kader van zijn goed werkgeverschap gehouden een gedeeltelijk
arbeidsgeschikte werknemer zo mogelijk passend werk aan te bieden. Indien de
werkgever geen passend werk beschikbaar heeft, deelt hij dat schriftelijk aan de
werknemer mee. In dat geval zal de werknemer begeleiding naar passend werk bij een
andere werkgever binnen of buiten de bedrijfstak worden aangeboden. De werknemer zal
-met inachtneming van de wettelijke beroepsmogelijkheden- zijn medewerking hieraan
verlenen.
11. De werkgever is verplicht aan de gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer gedurende
maximaal twee jaren te rekenen vanaf de datum van werkhervatting, aanvullingen te
verstrekken, indien deze werknemer passende of eigen, aangepaste, werkzaamheden bij
de werkgever, dan wel passende werkzaamheden, met het daarbij behorende salaris, bij
een andere werkgever hervat. De aanvullingen zijn zodanig dat ze tezamen met het
salaris, eventuele andere aanvullingen en/of uitkeringen en de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, gedurende het eerste jaar vanaf de datum van
werkhervatting een bedrag opleveren dat gelijk is aan het bedrag, dat de werknemer zou
hebben ontvangen, indien hij gedurende die periode bij hem 100% van het volledige
Ziektewet-dagloon*) zou hebben ontvangen.
Gedurende het tweede jaar vanaf de datum van werkhervatting dienen deze aanvullingen
te leiden tot een bedrag gelijk aan 90% van het volledige Ziektewet-dagloon*).
12. De in lid 11 bedoelde aanvullingen bij werkhervatting dienen ook te worden verstrekt aan
de werknemer die in overleg met de bedrijfsarts arbeid op arbeidstherapeutische basis
verricht.
13. Indien gedurende de referteperiode die voor de vaststelling van het Ziektewet-dagloon
geldt, de voor de werknemer geldende arbeidsduur is vermeerderd of verminderd, geldt
voor de toepassing van de leden 1, 7, 8 en 11 een fictief Ziektewet-dagloon. Dit fictieve
Ziektewet-dagloon is gelijk aan het Ziektewet-dagloon dat zou hebben gegolden indien
voor de werknemer gedurende de gehele referteperiode de arbeidsduur had gegolden die
voor hem gold op het moment waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden.
14. Het in de leden 1, 2, 7, 8, 11 en 13 bedoelde (fictieve) Ziektewet-dagloon wordt gewijzigd
met de in de Metalektro van toepassing zijnde algemene salariswijzigingen.
Aanbeveling 1:
In het kader van de reïntegratie van (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte werknemers binnen de bedrijfstak bevelen partijen aan dat de ondernemingen onderzoeken welke functies binnen de onderneming geschikt zijn, dan wel geschikt te maken zijn, om vervuld te worden door (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte werknemers.
Tevens bevelen partijen aan dat bij vacatures in deze functies, deze vacatures ter bemiddeling worden gemeld bij één of meer organen belast met de reïntegratie van deze werknemers.
Aanbeveling 2:
Om te komen tot een integrale aanpak ter voorkoming van vermijdbaar ziekteverzuim en mogelijke
arbeidsongeschiktheid bevelen partijen aan dat ondernemingen in de bedrijfstak in overleg met de
ondernemingsraad of de VGW-commissie een plan van aanpak gericht op de eigen onderneming
ontwikkelen.
Aspecten die ten minste een onderdeel van een dergelijk plan van aanpak zijn, betreffen:
- een tijdsfasering ten aanzien van de nagestreefde verbeteringen zodat effectieve bewaking van de
voortgang en evaluatie mogelijk is;
-een inventarisatie van mogelijke verbeteringen met betrekking tot de kwaliteit van de arbeid binnen
de onderneming, waarin met name aandacht zal zijn voor lawaai, ergonomische omstandigheden,
sociale arbeidsomstandigheden en gevaarlijke stoffen;
- de gekozen aanpak ter bevordering van het terugdringen van het ziekteverzuim, waarbij gedacht
moet worden aan het opzetten van een gericht verzuimbeleid waarvan een aanpak voor de sociaalmedische begeleiding onderdeel uitmaakt.

Artikel 6.5 – WGA-hiaatverzekering
1. De werkgever is met ingang van 1 januari 2009 verplicht de werknemer een WGAhiaatverzekering aan te bieden ter dekking van het financiële risico bij
arbeidsongeschiktheid van ten minste 35% doch minder dan 80%.
Deze verzekering dient de werknemer een aanspraak te verlenen op een periodieke
uitkering ter aanvulling op de WGA-vervolguitkering tot uiterlijk de AOW-gerechtigde
leeftijd. De hoogte van die uitkering dient gelijk te zijn aan 70% van het Ziektewetdagloon
tot het maximum Ziektewet-dagloon vermenigvuldigd met het arbeidsongeschiktheidspercentage, en verminderd met de WGA-vervolguitkering. De premie voor de WGA-hiaatverzekering is voor rekening van de werknemer.
2. Indien de werkgever op 1 november 2007 al een WGA-hiaatverzekering aan zijn
werknemers heeft aangeboden, dan dient die verzekering ter gelegenheid van de eerste
contractsverlenging na 1 januari 2009 aan het bepaalde in het vorige lid te voldoen.
3. De verplichting tot het aanbieden van een WGA-hiaatverzekering geldt niet voor de
werkgever die zelf het risico als bedoeld in lid 1 draagt dan wel na advies van de
ondernemingsraad besluit daartoe over te gaan.

Artikel 6.6 – WIA-bodemverzekering
De werkgever is verplicht om met ingang van 1 januari 2009 50% van de premie van een door
de ROM te bepalen WIA-bodemverzekering voor zijn rekening te nemen, indien de werknemer
deelneemt aan die verzekering.
Toelichting:
Partijen hebben afgesproken dat per 1 januari 2009 in de bedrijfstak een WIA-bodemverzekering wordt aangeboden. Werknemers zal de keuze worden voorgelegd of zij al dan niet aan die verzekering wensen deel te nemen. De WIA-bodemverzekering zal het financiële risico dekken bij arbeidsongeschiktheid van 15% tot 35%.
Deze verzekering zal de werknemer een periodieke uitkering verlenen van 100% van het Ziektewet-dagloon tot het maximum Ziektewet-dagloon vermenigvuldigd met het arbeidsongeschiktheidspercentage gedurende een bepaalde periode.

Artikel 6.7 – Gedifferentieerde WGA-premie
De werkgever kan gedurende de looptijd van deze CAO maximaal 50% van de gedifferentieerde
premie voor de WGA die volgens de wettelijke regeling voor verhaal op de werknemer in
aanmerking komt verminderd met de rentehobbeltoeslag op de werknemer verhalen.
Toelichting:
De rentehobbeltoeslag bedraagt in 2007 0,47% en in 2008 0,28%.

HOOFDSTUK 7 - PENSIOENREGELING

Artikel 7.1 – Bedrijfstakpensioenfonds
Deelneming aan de pensioenvoorziening van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de
Metalektro is algemeen verplicht gesteld, behoudens in geval van verleende vrijstelling.*)
*) Met ingang van 1 januari 2003 is in de Metalektro een nieuwe pensioenregeling van kracht. De tot
dat moment bestaande regelingen: ouderdoms- en nabestaandenpensioen, vroegpensioen en SUM
zijn in de nieuwe regeling geïntegreerd. Per 1 januari 2006 is de regeling gewijzigd.

Artikel 7.2 – Overlijdensuitkering*)
De nagelaten betrekkingen van een werknemer hebben recht op een overlijdensuitkering
overeenkomstig het gestelde in artikel 7: 674 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande
dat deze, voorzover nodig in afwijking van artikel 7: 674 B.W., gaat over de periode vanaf de
dag na overlijden tot en met de laatste dag van de tweede maand na die waarin het overlijden
plaatsvond. Deze uitkering, die wordt betaald in een bedrag ineens, komt ten laste van de
werkgever voor zover zij niet wordt gedaan door een uitvoeringsorgaan van de Ziektewet
respectievelijk WAO respectievelijk WIA.
Toelichting:
Wanneer in vóór 31 december 1970 gesloten individuele arbeidsovereenkomsten op dit punt gunstiger voorwaarden zijn opgenomen, blijven deze voorwaarden krachtens artikel 6: 248 lid 2 B.W. in deze arbeidsovereenkomsten gehandhaafd.

*) Voor de inhoud van artikel 7: 674 B.W. wordt verwezen naar de website van de ROM:
www.caometalektro.nl.

HOOFDSTUK 8 - KARWEIWERK

Artikel 8.1 – Karweiwerkzaamheden
1. De werknemer die voorheen af en toe karweiwerkzaamheden diende te verrichten, kan na het
bereiken van de 55-jarige leeftijd daartoe niet meer worden verplicht.
Indien een werknemer binnen Nederland, Duitsland, België of Luxemburg
karweiwerkzaamheden voor de onderneming uitvoert buiten de fabrieksterreinen van de
onderneming of buiten de terreinen van het karweiwerk waarvoor hij is aangesteld en hij als
gevolg daarvan noodzakelijkerwijze langer moet reizen, wordt deze extra reistijd aan hem
vergoed, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden van dit artikel. Voor
karweiwerkzaamheden in andere landen dan de in de vorige volzin vermelde landen, moet de
werkgever in overleg met de v.v. of de ondernemingsraad een regeling treffen.
2. a. De reistijd wordt als volgt berekend:
- bij gebruikmaking van openbare middelen van vervoer: de reistijd tussen het tijdstip
van vertrek van het station (stopplaats) van de woonplaats van de werknemer en
het tijdstip van aankomst bij het karweiterrein en omgekeerd, een en ander volgens
de dienstregeling van het openbaar vervoer;
- bij gebruikmaking van andere vervoermiddelen: de reistijd, die nodig is om met het
gebezigde vervoermiddel de afstand af te leggen langs de kortst mogelijke weg
van het centrum van de woonplaats naar het karweiterrein en omgekeerd; deze
reistijd wordt bepaald in een redelijke verhouding tot de reistijd volgens het
openbare vervoer voor een vergelijkbare afstand.
b. Wanneer de werknemer in verband met zijn werkzaamheden buiten zijn woonplaats moet
overnachten, wordt zijn extra reistijd volledig vergoed.
c. Eveneens volledige vergoeding van zijn extra reistijd ontvangt de werknemer wiens
tewerkstelling op één karwei niet langer dan één dag duurt.
d. Duurt zijn tewerkstelling op één karwei langer dan 1 dag en reist de werknemer dagelijks
heen en weer, dan wordt een extra reistijd van twee uren of minder buiten zijn normale
werkdag volledig vergoed.
Reist hij langer, dan worden ten minste twee uren vergoed.
3. Reistijd binnen de normale werkdag wordt als gewerkte tijd beschouwd en komt niet voor een
bijzondere reistijdvergoeding in aanmerking.
Komt de reistijd wel voor vergoeding in aanmerking dan wordt deze bij de normale wekelijkse
arbeidsduur als volgt betaald:
- uren niet op zon- en feestdagen: 0,48% van de maandverdienste*) (bij een uurverdienste
van 0,58% van de maandverdienste: 82,8% van de uurverdienste);
- uren op zondag: 0,96% van de maandverdienste*) (bij een uurverdienste van 0,58% van
de maandverdienste: 165,5% van de uurverdienste);
- uren op een in artikel 1.1 lid 7 genoemde feestdag: 1,43% van de maandverdienste*) (bij
een uurverdienste van 0,58% van de maandverdienste: 246,6% van de uurverdienste).
*) Voor de toeslagen bij een periode- en weekbetaling zie bijlage G.
4. De werknemer die langer dan een week buiten zijn vaste woonplaats moet overnachten wordt
elke week in de gelegenheid gesteld na afloop van de voor het betreffende karwei vastgelegde
wekelijkse werktijd naar huis te reizen.
Indien echter de werkzaamheden zulks vorderen, dan wel de reisverbindingen daartoe
aanleiding geven, kan de werkgever na overleg hiervan afwijken. Indien volgens dienstrooster
op zaterdag wordt gewerkt, heeft het vertrek van het karweiterrein naar de woonplaats eenmaal
in de veertien dagen zó tijdig plaats, dat de werknemer die zaterdag omstreeks 15.00 uur thuis
kan zijn. In dat geval behoeft op de maandag daaropvolgend het vertrek van het centrum van
de woonplaats naar het karweiterrein niet eerder aan te vangen dan omstreeks 6.00 uur des
morgens.
Indien bijzondere omstandigheden naar zijn oordeel zulks nodig maken kan de werkgever
binnen de periode tussen 15 oktober en 1 maart daaropvolgend zijn werknemers op een karwei
6 dagen per week laten werken zonder dat daarvoor het overleg genoemd in artikel 3.3 nodig is.
Toelichting:
1. Partijen bedoelen in lid 1 van dit artikel tot uitdrukking te brengen dat elke werknemer een zekere tijd nodig heeft om op zijn werk te komen en dat alleen voor vergoeding in aanmerking komt die reistijd welke uitgaat boven de normale reistijd van betrokkene of van vergelijkbare werknemers in de onderneming.
2. Onder karweiwerkzaamheden worden o.m. verstaan werkzaamheden die bestaan uit het vervaardigen, het installeren of het onderhoud van producten of installaties, alsmede het voor deze werkzaamheden noodzakelijke toezicht, ontwerp en constructie, die door hun aard ter plaatse van het karwei moeten worden verricht.
3. Bestaande ondernemingsgewijze regelingen, die ten minste gelijkwaardig zijn aan het bepaalde in dit artikel, behoeven niet met een beroep op dit artikel te worden gewijzigd.

Artikel 8.2 – Reis- en verblijfkosten
1. Indien een werknemer werkzaamheden voor de onderneming verricht buiten de terreinen van
de onderneming of buiten de terreinen van het werk waarvoor hij is aangesteld en hij als gevolg
daarvan noodzakelijkerwijze extra reis- en verblijfkosten heeft gemaakt, worden deze extra
kosten aan hem vergoed, met inachtneming van het volgende.
2. De vergoeding van reiskosten wordt bepaald op basis van of overeenkomstig de tarieven van
het openbaar vervoer in de laagste klasse, over de kortst mogelijke afstand.
3. Indien de benodigde tijd en/of reisgelegenheid overnachting in een pension noodzakelijk
maken, worden de kosten daarvan vergoed met inachtneming van de in de onderneming
hiervoor geldende regels. In dat geval wordt bovendien voor de bijkomende kosten - voor zover
deze niet op andere wijze worden vergoed - € 3,40 per dag vergoed.
Toelichting:
Partijen bedoelen in lid 1 van dit artikel tot uitdrukking te brengen dat elke werknemer bepaalde reiskosten moet maken om op zijn werk te komen en dat alleen voor vergoeding in aanmerking komen die kosten, welke uitgaan boven de normale kosten van betrokkene of van vergelijkbare werknemers in de onderneming.

HOOFDSTUK 9 - DIVERSE BEPALINGEN

Artikel 9.1 – Uitzendbureaus
1. Partijen bevelen aan en de werkgever is met ingang van 1 januari 2009 verplicht om, indien de
werkgever gebruik maakt van een in Nederland gevestigd uitzendbureau voor het inlenen van
uitzendkrachten voor in Nederland te verrichten werkzaamheden, gebruik te maken van een
uitzendbureau dat NEN gecertificeerd is.
2. Partijen bevelen aan om, indien de werkgever gebruik maakt van een in het buitenland
gevestigd uitzendbureau voor het inlenen van uitzendkrachten voor in Nederland te verrichten
werkzaamheden, na de datum van inwerkingtreding van de certificeringregeling voor
buitenlandse uitzendbureaus* gebruik te maken van een uitzendbureau dat NEN gecertificeerd
is. De werkgever is daartoe verplicht nadat één jaar gerekend vanaf de datum van
inwerkingtreding van die certificeringregeling voor buitenlandse uitzendbureaus is verstreken.
*Toelichting: Een NEN norm voor buitenlandse uitzendbureaus is nog in ontwikkeling.

Artikel 9.2 – Niet in dienst zijnde werknemers / Niet in dienst zijnde werknemers
1. a. De werkgever draagt in zijn onderneming zonder voorafgaand overleg met de
ondernemingsraad aan niet in dienst zijnde werknemers geen werkzaamheden op welke
naar hun aard door werknemers in zijn dienst plegen te worden verricht, noch direct noch
indirect via (onder)aannemers.
b. Het algemeen beleid van de onderneming inzake het gebruik maken van niet in dienst
zijnde werknemers zal ten minste tweemaal per jaar met de ondernemingsraad worden
besproken.
c. Onder “niet in dienst zijnde werknemer" wordt in dit artikel verstaan de natuurlijke
persoon, die werkzaamheden verricht in de onderneming van een werkgever met wie hij
geen dienstverband heeft aangegaan.
2. De werkgever zal bij het in lid 1 sub a bedoelde overleg de ondernemingsraad informeren
omtrent:
- naam en adres van degene(n) bij wie de niet in dienst zijnde werknemers in dienst zijn
dan wel van degene(n) die de niet in dienst zijnde werknemers ter beschikking stelt
(stellen);
- aard en geschatte duur van de werkzaamheden;
- aantal, namen en leeftijden van de niet in dienst zijnde werknemers;
- de arbeidsvoorwaarden van de niet in dienst zijnde werknemers.
3. De bepalingen in deze CAO met betrekking tot de persoonlijke minimum
maandverdiensten, de betaling van de overwerktoeslagen, de ploegentoeslagen en de
kostenvergoedingen zijn van overeenkomstige toepassing op uitzendkrachten.
4. Wanneer vaststaat dat het totaal van arbeidsvoorwaarden van de niet in dienst zijnde
werknemers gemiddeld per functie en leeftijd meer dan 10% ligt boven dan wel 10% beneden
dat van de vergelijkbare eigen werknemers in dezelfde salarisgroep, zal de werkgever van deze
niet in dienst zijnde werknemers geen gebruik maken resp. het gebruik beëindigen, tenzij in
overleg met de v.v. dit verschil in arbeidsvoorwaarden tot ten hoogste 10% wordt teruggebracht.
In alle gevallen dient het totaal van arbeidsvoorwaarden ten minste gelijk te zijn aan het totaal
van de arbeidsvoorwaarden van deze CAO.
Bij deze vergelijking van arbeidsvoorwaarden wordt ten aanzien van de niet in dienst zijnde
werknemers uitgegaan van het totale inkomen uit deze arbeid, omgerekend naar de in de
onderneming gebruikelijke betalingsperiode. Onder dit totale inkomen worden alle, op geld
waardeerbare elementen, hoe ook genaamd, begrepen.
Ten aanzien van de eigen werknemers wordt bij deze vergelijking uitgegaan van het
gemiddelde salaris in de salarisgroep, zo nodig afzonderlijk berekend voor werknemers in
vergelijkbare leeftijdscategorieën. Hierbij wordt het jaarinkomen, waarin alle vaste toeslagen
en/of vaste gratificaties worden begrepen, vastgesteld en omgerekend naar de in de
onderneming gebruikelijke betalingsperiode.
Onder arbeidsvoorwaarden worden mede begrepen:
a. vakantierechten;
b. vergoedingen voor reisuren, reiskosten, koffiegeld, e.d.;
c. andere vergoedingen en toeslagen;
d. het geheel of gedeeltelijk achterwege laten van de inhouding van premies voor sociale
verzekeringen en pensioenvoorzieningen;
e. duidelijke, kwantificeerbare verstrekkingen aan de betrokken werknemers zoals kleding,
schoeisel en gereedschap;
f. duidelijke, kwantificeerbare voorzieningen voor de betrokken werknemers zoals
pensioenvoorziening en ziektekostenverzekering;
g. uitkeringen in het lopende jaar verband houdende met de winst, zodra de hoogte van de
uitkering bekend is.
5. Wanneer de werkgever in de ondernemingsraad aantoont dat sprake is van:
a. aanneming van werk, indien de werkzaamheden geschieden door personeel in dienst
van de betreffende (onder)aannemer en waarbij
1. de (onder)aannemer aansprakelijk is voor het opgeleverde werk;
2. de werknemers onder rechtstreeks toezicht en verantwoordelijkheid van de
(onder)aannemer staan;
3. de (onder)aannemer economisch risico loopt ten aanzien van prijs, kwaliteit of
levertijd;
b. collegiaal uitlenen zonder winstoogmerk;
c. werkzaamheden door werknemers in dienst van de leverancier terzake van montage
ingebruikstelling en onderhoud van een geleverd produkt;
d. een gemeenschappelijk door ondernemers in de Metalektro in stand gehouden
arbeidsreserve zonder winstoogmerk, is het bepaalde in de leden 2, 3 en 4 niet van
toepassing.
In dit geval zal de werkgever de ondernemingsraad niettemin informeren omtrent:
- naam en adres van degene(n) bij wie de niet in dienst zijnde werknemers in dienst
zijn;
- aard en geschatte duur van de werkzaamheden.

Artikel 9.3 – Bescherming personeelsvertegenwoordigers
1. De werknemer, die als vertegenwoordiger van het personeel is gekozen in een orgaan van de
onderneming, zal van het uitoefenen van deze functie geen nadelige invloed ondervinden in zijn
positie als werknemer.
Toelichting bij lid 1:
Hierbij is niet alleen gedacht aan ontslag, maar ook aan nadelige invloed op de beloning en
promotiemogelijkheden.
2. De werknemer, die meent dat zijn werkgever in strijd handelt met het bepaalde in het eerste lid,
kan een beroep doen op de in artikel 10.8 bedoelde Bemiddelingsprocedure. Daarbij kan het
bepaalde in artikel 4 onder A, leden 2, 3, 4 en 5 van bijlage C buiten toepassing blijven.

Artikel 9.4 – Wijziging van gereglementeerde winstdelingsregelingen
1. Tot wijziging van een in de onderneming geldende gereglementeerde winstdelingsregeling zal
de werkgever slechts overgaan na overleg met de v.v. en met instemming van de
ondernemingsraad.
2. Eveneens zal de werkgever voorafgaand overleg plegen met de v.v. bij invoering van een
winstdelingsregeling die elementen van prestatiebeloning bevat.

Artikel 9.5 – Sociaal beleid
1. De gegevens die de werkgever in het sociaal jaarverslag aan de ondernemingsraad verstrekt,
worden ook aan de v.v. verstrekt; hierover zal, indien de v.v. de wens daartoe te kennen geven
een gesprek plaatshebben.
2. Wanneer in een onderneming een vacature ontstaat, zullen de werknemers in de betreffende
onderneming in de gelegenheid worden gesteld daarnaar te solliciteren.
Wanneer een werknemer van deze interne sollicitatieprocedure gebruik maakt doch niet
volledig aan de functie-eisen voldoet, zal de werkgever betrokkene zo mogelijk in de
gelegenheid stellen door middel van scholing aan de gestelde functie-eisen te voldoen.

Artikel 9.6 – Vervroegd uittreden
Met ingang van 1 januari 2006 geldt de volgende bepaling:
1. De werkgever die aan het bestuur van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de
Metalektro (mede) vrijstelling heeft gevraagd van deelname aan de in de Metalektro
verplicht gestelde pensioenregeling, en aan wie deze vrijstelling is verleend, is verplicht
een vervroegde uittredingsregeling te treffen. Op grond van deze regeling kunnen zijn
werknemers die voldoen aan de voorwaarden zoals vermeld in artikel 2 van onderdeel B
van genoemd Pensioenreglement, vervroegd uittreden met behoud van dezelfde rechten
als die welke zijn geregeld in onderdeel B van genoemd pensioenreglement.
Dit geldt niet voor de in de eerste volzin bedoelde werkgever die voor zijn
overeenkomstige werknemers een pensioenregeling treft en/of in stand houdt die ten
minste de rechten toekent die in onderdeel B van genoemd Pensioenreglement aan de in
artikel 2 van onderdeel B van dat reglement genoemde deelnemers worden toegekend.
Onder werknemers die voldoen aan de voorwaarden zoals vermeld in artikel 2 van
onderdeel B van genoemd Pensioenreglement, wordt in dit artikel verstaan:
degenen die een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7: 610 lid 1 van het Burgerlijk
Wetboek hebben gesloten met de in de eerste volzin bedoelde werkgever en die voldoen
aan de volgende voorwaarden;
-geboren zijn voor 1950;
-op de laatste dag van de maand van uittreden 60 jaar of ouder zijn doch niet ouder
dan 64 jaar en 11 maanden;
-direct voorafgaand aan de datum van vervroegd uittreden 7 jaar onafgebroken
werkzaam zijn geweest in de Metalektro, dan wel 6 jaar onafgebroken werkzaam zijn
geweest in de Metalektro en totaal ten minste 13 jaar werkzaam zijn geweest in de
Metalektro, dan wel 5 jaar onafgebroken werkzaam zijn geweest in de Metalektro en
totaal ten minste 19 jaar werkzaam zijn geweest in de Metalektro.
Bij de toetsing van het aantal in de Metalektro gewerkte jaren, worden in de Metaal en
Technische Bedrijfstakken gewerkte jaren eveneens meegeteld. Het dienstverband direct
voorafgaand aan de uittreding moet echter in de Metalektro zijn doorgebracht. Bovendien
worden jaren waarbij de overgangsregeling SUM in het kader van de pensioenregeling
van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Metalektro vrijwillig is voortgezet als
jaren werkzaam in de Metalektro beschouwd. Dit geldt ook voor de jaren waarin de
voortzetting van het deelnemerschap aan die pensioenregeling wegens
arbeidsongeschiktheid heeft plaatsgevonden.
Bij de toetsing van het aantal in de Metalektro gewerkte jaren wordt een onderbreking
korter dan een jaar niet als onderbreking gezien.
2. De werkgever aan wie de in het eerste lid bedoelde vrijstelling is verleend, is verplicht
aan de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Metalektro een bijdrage te betalen.
De bijdrage is gelijk aan het omslagpremiepercentage over de desbetreffende
heffingsgrondslag behorend bij onderdeel B van het Pensioenreglement als bedoeld in
het eerste lid. Hierop wordt in mindering gebracht de in enig jaar geldende actuariële
contante waarde van de in dat jaar ingegane uitkeringen uit hoofde van de regeling voor
zover die in de plaats komt van de regeling als bedoeld in onderdeel B van het
Pensioenreglement, vastgesteld volgens regels door de ROM op advies van het bestuur
van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Metalektro gesteld. Het in dit lid
bedoelde premiepercentage alsmede de wijze van betaling van de bijdrage aan de
Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Metalektro worden jaarlijks door de ROM op
advies van het bestuur van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Metalektro
vastgesteld.

Artikel 9.7 – Pensioen
De werkgever die aan het bestuur van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de
Metalektro (PME) vrijstelling heeft gevraagd van deelname aan de in de Metalektro verplicht
gestelde pensioenregeling en aan wie deze vrijstelling is verleend, is verplicht om vóór 1
januari 2008 een regeling te treffen en vervolgens in stand te houden die dezelfde
voorwaardelijke extra pensioenaanspraken toekent als die in hoofdstuk C van het
pensioenreglement van PME worden toegekend aan de in artikel 2 en artikel 3 van hoofdstuk C
van het pensioenreglement bedoelde deelnemers. In deze door de werkgever te treffen
regeling wordt tevens bepaald, dat bij individuele en collectieve verandering van
dienstbetrekking binnen de Metalektro geen verlies van voorwaardelijke extra
pensioenaanspraken zal optreden, echter uitsluitend indien en voor zover in de regeling van de
nieuwe werkgever deze aanspraken nog niet (vervroegd) zijn ingekocht en derhalve
onvoorwaardelijk zijn geworden.
De financiering van deze overgangsregeling kan plaatsvinden uit een vast te stellen premie. De
bijdrage van de werknemer aan deze premie bedraagt maximaal 50%.

Artikel 9.8 – Levensloopregeling en verlof
1. Indien de werknemer met verlof wenst te gaan in een geval dat niet bij wet is geregeld*) met
gebruikmaking van zijn tegoed in het kader van de levensloopregeling, dan geldt het bepaalde
in de volgende leden.
2. De werknemer kan het verlof zowel in voltijd als in deeltijd opnemen.
3. De werknemer dient een verzoek van minder dan drie maanden verlof tenminste drie maanden
voor het beoogde tijdstip van ingang schriftelijk in bij de werkgever. Een verlof van drie
maanden of langer wordt ten minste zes maanden voor dat tijdstip schriftelijk bij de werkgever
ingediend.
4. De werkgever neemt een beslissing op het verzoek na overleg met de werknemer binnen een
maand na ontvangst van het verzoek als bedoeld in lid 3.
5. Indien de werknemer met verlof wil gaan voor een periode van niet langer dan twee jaren direct
voorafgaand aan het moment waarop hij met pensioen gaat, willigt de werkgever het verzoek in.
*) Hierbij wordt gedoeld op bijvoorbeeld onbetaald verlof voor het meer tijd besteden aan de zorg voor hulp behoevende ouders of voor studie of voor een sabbatical leave en niet aan bijvoorbeeld de volgende, in de Wet arbeid en zorg geregelde, verlofvormen: zwangerschaps- en bevallingsverlof, verlof bij adoptie, kraamverlof, calamiteiten- en kortverzuimverlof, kortdurend zorgverlof en ouderschapsverlof.

Artikel 9.9 – Vakbondscontributie
De werknemer kan uiterlijk op 15 november van een kalenderjaar de werkgever schriftelijk
verzoeken zijn brutoloon in de maand december te verlagen met de door hem in het
betreffende kalenderjaar betaalde contributie voor het lidmaatschap van een vakvereniging. De
werknemer overlegt bij het schriftelijk verzoek het bewijs van betaling van de jaarcontributie
van het lidmaatschap van de vakvereniging en eventueel verdere benodigde informatie. De
werkgever zal binnen de grenzen van de fiscale wetgeving het verzoek inwilligen in ruil voor
een kostenvergoeding gelijk aan de door de werknemer betaalde contributie.

HOOFDSTUK 10 - SLOTBEPALINGEN

Artikel 10.1 – Lidmaatschap van de vakverenigingen
Elk der v.v. zal, indien de w.v. haar lijsten verstrekt van werknemers, bij een werkgever in dienst,
hierop desgevraagd aangeven welke werknemers bij haar of bij de in het Landelijk Contactorgaan van Vakorganisaties voor Handelsvertegenwoordigers (L.C.H.) samenwerkende werknemersorganisaties zijn aangesloten en de lijsten vervolgens zo spoedig mogelijk weer aan de w.v. doen toekomen.

Artikel 10.2 – Aansprakelijkheid
1. De contracterende partijen staan er, onderling en elk voor zich tegenover elk der andere
partijen, voor in dat zij deze overeenkomst getrouwelijk zullen nakomen.
2. Elk der contracterende partijen is bovendien aansprakelijk voor de gedragingen van haar
leden, waardoor inbreuk wordt gemaakt op de bepalingen van deze overeenkomst, tenzij
deze gedragingen buiten haar voorkennis of toedoen dan wel in strijd met haar besluiten
hebben plaatsgehad.

Artikel 10.3 – Sociaal Fonds
1. Er is een “Stichting Sociaal Fonds in de Metalektro” (SSF), waarvan de statuten worden
geacht deel uit te maken van deze overeenkomst.
2. De werkgever is in het jaar 2008 en het jaar 2009 aan de door de Raad van Overleg in de
Metalektro (ROM) ingestelde Stichting Sociaal Fonds in de Metalektro een bijdrage
verschuldigd van 0,055% van de voor zijn onderneming geldende Loonsom Wfsv.
3. De werkgever is verplicht op de in lid 2 bedoelde bijdragen een door de SSF vast te
stellen voorschot te betalen:
- in het jaar 2008 vóór een door de ROM vast te stellen datum, doch uiterlijk op 15
oktober. Het voorschot zal gebaseerd zijn op de per genoemde datum
redelijkerwijs vast te stellen voor zijn onderneming geldende Loonsom Wfsv in het
genoemde jaar. De definitieve afrekening zal geschieden op 15 augustus 2009.
- in het jaar 2009 uiterlijk op 15 oktober. Het voorschot zal gebaseerd zijn op de per
genoemde datum redelijkerwijs vast te stellen voor zijn onderneming geldende
Loonsom Wfsv in het genoemde jaar. De definitieve afrekening zal geschieden op
15 augustus 2010.
4. Bij niet tijdige betaling van de verschuldigde (voorschot)bijdragen is rente verschuldigd.
Deze rente wordt in rekening gebracht vanaf de dag dat de verschuldigde
(voorschot)bijdrage dient te zijn voldaan. Hierbij geldt het op dat moment vastgestelde
percentage van de wettelijke rente.
5. De werkgever is verplicht aan de SSF gegevens, welke voor de berekening van de in lid
2 en 3 genoemde (voorschot)bijdrage(n) noodzakelijk zijn, te verstrekken.

Artikel 10.4 – Werkstaking en uitsluiting
1. Behoudens het bepaalde in de leden 3, 4, 5 en 7, zullen de v.v. en hun leden, die onder
deze overeenkomst vallen, tijdens de looptijd van deze overeenkomst geen werkstaking
of andere acties, om welke reden dan ook, toepassen, die het normaal functioneren van
de onderneming(en) van de leden van de w.v. belemmeren.
2. Indien bij een of meer v.v. het voornemen bestaat tot werkstaking of andere acties, die
het normaal functioneren van de onderneming belemmeren, geeft (geven) die v.v.
daarvan kennis aan de w.v. en de overige v.v..
Na deze kennisgeving zal tussen de partijen bij deze overeenkomst zo spoedig mogelijk
overleg plaatshebben over het voornemen tot, de mogelijke gevolgen van, en de
mogelijkheden tot het vermijden van, de werkstaking en andere acties.
Tevens kan elk van de partijen aan de Bemiddelingsinstantie bemiddeling en/of
beoordeling verzoeken.
3. Het in lid 1 gestelde verbod vervalt:
- indien het onderwerp van de voorgenomen werkstaking of andere acties een
onderwerp betreft dat in of krachtens deze overeenkomst is geregeld, 4 weken na
de datum waarop aan de Bemiddelingsinstantie een verzoek om bemiddeling en/of
beoordeling is gedaan;
- indien het onderwerp van de voorgenomen werkstaking of andere acties niet een
onderwerp betreft dat in of krachtens deze overeenkomst is geregeld, 4 weken na
de in lid 2 bedoelde kennisgeving;
- zodra de Bemiddelingsinstantie binnen de hierboven genoemde termijnen
schriftelijk haar oordeel heeft gegeven of schriftelijk heeft kennis gegeven geen
oordeel te kunnen geven.
4. Het bepaalde in lid 1 geldt niet indien de voorgenomen werkstaking of andere acties
betrekking heeft c.q. hebben op een MB-CAO en:
- het aangaan van een volgende MB-CAO betreft, dan wel
- georganiseerd wordt c.q. worden door één of meer bij deze overeenkomst
betrokken vakvereniging(en), die niet zijn betrokken bij het sluiten van een MBCAO
zonder dat zij daarvan hebben afgezien, dan wel
- het wijzigen van een lopende MB-CAO na wijziging van B-bepalingen in deze CAO
betreft, indien voor dat geval in de MB-CAO is voorzien in tussentijdse
onderhandelingen,
drie weken na kennisgeving aan de betrokken werkgever(s) en overige betrokken v.v..
5. Het in lid 1 bepaalde geldt evenmin, indien de voorgenomen werkstaking of andere acties
betrekking heeft c.q. hebben op de voorgenomen plannen van het kabinet tot wijziging
van het ontslagrecht.
6. De w.v. en hun leden passen tijdens de duur van deze overeenkomst geen uitsluiting op
de leden der v.v. toe zolang de v.v. of de leden der v.v. geen werkstaking of andere acties
bij een of meer werkgevers toepassen.
7. Indien een onderneming of een concern overweegt of heeft besloten:
- een fusie aan te gaan;
- een bedrijf of bedrijfsonderdeel te sluiten en/of;
-de personeelsbezetting ingrijpend te reorganiseren
en de v.v. daartegen zeer ernstige bezwaren hebben, kunnen de v.v. en hun leden
werkstaking of andere acties, die het normaal functioneren van de onderneming
belemmeren, toepassen tegenover de betreffende onderneming of het betreffende
concern.
In dat geval zullen de v.v. en hun leden werkstaking of andere acties niet toepassen dan
na overleg daarover met de werkgever en na kennisgeving van hun voornemen daartoe
aan het bestuur van de betrokken organisatie, indien de werkgever is aangesloten bij de
w.v.. Indien een dergelijke conflictsituatie zich heeft voorgedaan kan elk der daarbij
betrokken partijen alsmede de w.v. achteraf het oordeel van de Bemiddelingsinstantie
vragen.

Artikel 10.5 – Bondswerk in de onderneming
1. Als de v.v. aan de onderneming meedelen dat zij het vakbondswerk binnen de onderneming
willen effectueren en/of de delegatie voor het overleg over arbeidsvoorwaarden en alle andere
voor de werknemers belangrijke zaken die met de v.v. plegen te worden geregeld, (mede)
willen laten bestaan uit werknemersleden der v.v. uit de onderneming, zal over de
consequenties hiervan met de werkgever overleg worden gepleegd. De v.v. kunnen zich in de
onderneming laten vertegenwoordigen door een in die onderneming werkzaam kaderlid, tenzij
anders is overeengekomen.
2. In het verband van het in lid 1 bepaalde zal de werkgever, ten behoeve van het onderhouden
van de contacten door de v.v. met hun leden in de onderneming, faciliteiten verlenen.
Over de vraag welke faciliteiten alsmede over de mate en de vorm waarin deze faciliteiten
worden verleend zal tussen werkgever en v.v. overleg worden gepleegd.
Hierbij kan onder meer worden gedacht aan:
- het toestaan van aankondigingen op publicatieborden van bijeenkomsten van
ledengroepen der v.v. per bedrijf;
- het vrijaf geven aan kaderleden der v.v., werkzaam in ploegendienst voor het bijwonen
van voor hen bestemde bijeenkomsten der v.v. over bedrijfsaangelegenheden;
- het beschikbaar stellen - als regel buiten bedrijfstijd - van bedrijfsruimte voor
vakbondsvergaderingen over bedrijfsaangelegenheden;
- het - alleen in dringende gevallen - beschikbaar stellen van bedrijfsruimte in bedrijfstijd
voor contacten van leden van de v.v. met degenen die - al dan niet werkzaam bij de
onderneming - een functie in de v.v. vervullen;
- het aantal uren per jaar ten behoeve van het vakbondswerk binnen de onderneming.
Toelichting:
1. Bij de bepaling van het aantal uren bedoeld onder het laatste gedachtestreepje kan rekening worden gehouden met het aantal georganiseerden in de onderneming.
2. Bij het gebruik maken van de gegeven faciliteiten zullen de in de onderneming geldende spelregels worden gevolgd.
3. a. Indien het in lid 1 genoemde overleg heeft plaatsgehad en faciliteiten zijn verleend, zullen
kaderleden der v.v. van de uitoefening van deze vakbondsfunctie geen nadelige
gevolgen ondervinden in hun positie als werknemer, mits de namen van bedoelde
werknemers door de v.v. van tevoren aan de onderneming schriftelijk zijn meegedeeld.
Onder kaderleden worden verstaan: leden van het bestuur van de bedrijfsledengroepen
alsmede in grote ondernemingen: leden van sectiebesturen vallende onder
verantwoordelijkheid van het bestuur van de bedrijfsledengroep en eventuele
werknemersleden van een onderhandelingsdelegatie.
b. Het kaderlid zal niet worden ontslagen indien hij ook niet ontslagen zou worden als hij
geen kaderlid zou zijn.
c. Indien een werkgever voornemens is een kaderlid te ontslaan zal hij daar niet toe
overgaan alvorens een gesprek te hebben met de bezoldigde bestuurder van de v.v.
waar de werknemer kaderlid is. In dit gesprek zal geprobeerd worden een oplossing voor
de gerezen problematiek te vinden.
Een kaderlid dat meent dat zijn werkgever in strijd handelt met het bepaalde in de leden 3 a. en b. kan een beroep doen op de Bemiddelingsinstantie.
Indien de Bemiddelingsinstantie in geval van ontslag aan het eind van de ontslagtermijn nog geen
uitspraak heeft gedaan wordt het eventueel ontslag opgeschort tot de Bemiddelingsinstantie uitspraak heeft gedaan.
In geval van ontslag wegens dringende reden ex. artikel 7: 678 B.W. zal het dienstverband worden
geacht niet onderbroken te zijn geweest als de Bemiddelingsinstantie van oordeel is dat het ontslag
van het kaderlid is gegeven omdat hij kaderlid is.
Toelichting bij lid 3:
Het is een beginsel van goed beleid dat een werknemer, gekozen of benoemd in binnen de onderneming fungerende organen of commissies, niet door de werkgever zal worden ontslagen of belemmerd zal worden in zijn mogelijkheden of kansen binnen de onderneming door het enkele feit dat hij een dergelijke functie vervult.
Hierbij is gedacht aan nadelige invloed op de beloning en promotiemogelijkheden. Dit beginsel is evenzeer van toepassing op de krachtens gemaakte afspraken daartoe aangewezen vakbondskaderleden. Algemene of bijzondere wettelijke voorzieningen ten aanzien van ontslagverlening zijn in de daarvoor in aanmerking komende gevallen normaal van toepassing. Zoals voorgeschreven in het Reglement Bemiddelingsinstantie (zie bijlage C)
dient het verschil van mening eerst aan de wederzijdse organisaties te worden voorgelegd alvorens de Bemiddelingsinstantie kan worden benaderd.

Artikel 10.6 – Fusie, reorganisatie, sluiting; inschakeling van organisatiebureaus
1. De werkgever zal, alvorens een definitieve opdracht te verlenen aan een organisatiebureau om
een onderzoek in te stellen met betrekking tot de organisatie van de onderneming, overleg
plegen met de ondernemingsraad en de v.v. inlichten ingeval daarbij werknemers zijn
betrokken.
De procedure met betrekking tot de uitvoering van en de wijze van informatie aan het personeel
over het onderzoek vormt een punt van overleg met de ondernemingsraad.
2. De werkgever die overweegt een fusie aan te gaan zal bij het nemen van zijn beslissing de
sociale consequenties betrekken.
a. In verband daarmede zal de werkgever zo spoedig mogelijk, mede gezien het hierna
volgende, de v.v. en de w.v. inlichten over de overwogen maatregelen.
Uiterlijk een week hierna zullen de ondernemingsraad en de werknemers hierover door
de werkgever worden ingelicht.
In overleg met de v.v. kan van deze termijn worden afgeweken. Tot aan het tijdstip van
informatie aan de ondernemingsraad zullen de werkgever, de v.v. en de w.v. de
geheimhouding over de overwogen maatregelen in acht nemen.
b. Daarna zal de werkgever de overwogen maatregelen en de daaruit eventueel voor de
werknemers of een aantal werknemers voortvloeiende gevolgen bespreken met de v.v.
en de w.v., alsmede met de ondernemingsraad, teneinde deze in de gelegenheid te
stellen hun zienswijze naar voren te brengen en hierdoor (eventueel) de beslissing van
de werkgever te beïnvloeden.
De werkgever zal de resultaten van dit beraad meedelen aan de Raad van
Commissarissen dan wel aan de daarmee vergelijkbare beleidsinstantie.
3. De werkgever die overweegt een bedrijf of bedrijfsonderdeel te sluiten en/of de
personeelsbezetting ingrijpend te wijzigen zal bij het nemen van zijn beslissing de sociale
consequenties betrekken.
a. Indien de werkgever verwacht dat bepaalde ontwikkelingen de omvang van de
werkgelegenheid in de onderneming in ernstige mate in gevaar zullen brengen, zal hij de
v.v. en de w.v. zo spoedig mogelijk hiervan op de hoogte brengen en voor een gesprek
uitnodigen.
In dat gesprek zal de werkgever de v.v. en de w.v. inzicht verschaffen in aard en
mogelijke consequenties van die ontwikkelingen.
Uiterlijk een week hierna zullen de ondernemingsraad en de werknemers hierover door
de werkgever worden ingelicht.
In overleg met de v.v. kan van deze termijn worden afgeweken. Tot aan het tijdstip van
informatie aan de ondernemingsraad zullen de werkgever, de v.v. en de w.v. de
geheimhouding over de overwogen maatregelen in acht nemen.
b. Vervolgens zal met de v.v. en de w.v. worden besproken welke voorgenomen
maatregelen tot aanpassing van de personeelsbezetting binnen welk tijdsbestek dienen
te worden getroffen, waarbij met medewerking van de betrokkenen wat betreft om-, her-
en bijscholing, over- en, herplaatsing, er naar zal worden gestreefd om gedwongen
ontslagen te voorkomen.
Hierbij zal o.m. worden gesproken over maatregelen die de herplaatsing hetzij binnen het
bedrijf hetzij elders kunnen bevorderen en de wijze waarop e.e.a. zal plaatsvinden.
c. Voorts zal de werkgever de te treffen maatregelen bespreken met de ondernemingsraad
teneinde deze in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen en
hierdoor (eventueel) de beslissing van de werkgever te beïnvloeden. De werkgever zal
de resultaten van dit beraad mededelen aan de Raad van Commissarissen dan wel aan
de daarmee vergelijkbare beleidsinstantie.
Toelichting bij lid 3:
Partijen gaan er van uit dat de v.v. en de ondernemingsraad voldoende gelegenheid krijgen voor beraad met de werknemers over de te treffen maatregelen en de daaruit eventueel voor de werknemers voortvloeiende gevolgen.
4. Indien de in de leden 2 en 3 genoemde gevolgen voor de werknemers of een aantal
werknemers zijn te verwachten zal de werkgever in overleg met de v.v. en de w.v. een sociaal
plan opstellen waarin wordt aangegeven met welke belangen van de werknemers in het
bijzonder rekening dient te worden gehouden en welke voorzieningen in verband daarmede
kunnen worden getroffen.
In verband hiermede zal, indien de v.v. zulks verzoeken, hierbij tevens het inzicht van het
betreffende CWI worden gevraagd inzake de plaatsbaarheid van de betrokken werknemers.
Ingeval te verwachten is dat daarbij beëindiging van het dienstverband zal plaatsvinden in een
omvang die gevolgen heeft voor de plaatselijke arbeidsmarkt, zal in het overleg tussen de
werkgever, de v.v. en de w.v. de vraag worden betrokken of het wenselijk is ter zake advies van
de betreffende regionale raad voor de arbeidsmarkt te vragen.

Artikel 10.7 – Behandeling van geschillen
1. Wanneer er een geschil bestaat betreffende de toepassing of nakoming van deze
overeenkomst (waaronder begrepen: beweerde niet-nakoming van bij deze
overeenkomst opgelegde verplichtingen), heeft elk der daarbij betrokken partijen, met
inachtneming van het in lid 3 genoemde reglement, het recht zich bij gemotiveerd
klaagschrift te wenden tot de Geschillencommissie.
2. Het in het vorige lid bepaalde geldt niet indien, resp. zodra, het geschil in verband met
het gestelde in artikel 10.4 aan de Bemiddelingsinstantie ter beoordeling is resp. wordt
voorgelegd.
Indien er sprake is van een geschil dat reeds bij de Bemiddelingsinstantie aanhangig is
gemaakt, zal de Geschillencommissie zich terstond na ontvangst van een in artikel 10.8
lid 2 bedoeld afschrift onthouden van (verdere) behandeling van het betreffende geschil.
3. De Geschillencommissie zal het geschil behandelen met inachtneming van het reglement
voor de behandeling van geschillen.
Dit reglement is als bijlage B aan deze overeenkomst toegevoegd.
4. De uitspraak van de Geschillencommissie heeft de kracht van een bindend advies.

Artikel 10.8 – Bemiddelingsprocedure
1. Bij een klacht van een werknemer of van een groep van werknemers inzake de
arbeidsverhouding kan deze alsmede de betrokken werkgever de klacht, met inachtneming van
het gestelde in bijlage C, ter bemiddeling (doen) voorleggen aan de Bemiddelingsinstantie voor
de Metalektro.
2. Bij verschil van mening tussen één of meer werknemersvakverenigingen enerzijds en een
werkgever anderzijds over het in de onderneming gevoerde of te voeren sociaal beleid, kan elk
der daarbij betrokken partijen, alsmede de w.v. het meningsverschil, met inachtneming van het
gestelde in bijlage C, ter bemiddeling voorleggen aan de Bemiddelingsinstantie voor de
Metalektro.
3. Tevens kan (kunnen) een of meer der werknemersvakverenigingen, alsmede de w.v., schriftelijk
aan de Bemiddelingsinstantie verzoeken te bemiddelen en/of een oordeel te geven met
betrekking tot het in artikel 10.4 bedoelde voornemen.
4. Ook kunnen, in geval zich een in artikel 10.4 lid 7 bedoelde conflictsituatie heeft voorgedaan,
zowel de betrokken werkgever en/of de w.v., als de v.v. achteraf de Bemiddelingsinstantie
verzoeken een oordeel te geven.
5. Indien de aanleiding tot de klacht, het verschil van mening of het voornemen werkstaking of
andere acties toe te passen is ontstaan tijdens de looptijd van deze overeenkomst wordt zowel
in geval van voorlegging aan de Bemiddelingsinstantie vóór het einde van deze overeenkomst
als in geval van voorlegging na het einde van deze overeenkomst, de behandeling van de
klacht, het verschil van mening of het voornemen als bedoeld in artikel 10.4 door de
Bemiddelingsinstantie voortgezet resp. aangevangen.
Indien de aanleiding tot de klacht, het verschil van mening of het voornemen werkstaking of
andere acties toe te passen is ontstaan na het einde van deze overeenkomst kan de klacht, het
verschil van mening of het voornemen als bedoeld in artikel 10.4 aan de Bemiddelingsinstantie
worden voorgelegd indien de bij deze CAO betrokken partijen daarmede instemmen.
6. De Bemiddelingsinstantie zal een verzoek zoals bedoeld in de leden 1 t/m 5 behandelen met
inachtneming van het reglement Bemiddelingsinstantie dat als bijlage C aan deze
overeenkomst is toegevoegd.

Artikel 10.9 – Wijzigingen
1. Bij de betaling van het salaris in de maand december 2007 zal een uitkering ineens
plaatsvinden van € 225 bruto.
De uitkering wordt betaald aan de werknemers die op 1 december 2007 in dienst zijn van
de werkgever en vanaf 1 november 2007 onafgebroken in dienst zijn geweest van
dezelfde werkgever.
2. Per 1 januari 2008 worden de feitelijke salarissen verhoogd met 3%. Voor de werknemer
van 23 jaar en ouder zal bij voltijdarbeid deze verhoging tenminste € 82,50 bruto per
maand bedragen.
3. Per 1 juli 2008 worden de feitelijke salarissen verhoogd met 0,5%. Voor de werknemer
van 23 jaar en ouder zal bij voltijdarbeid deze verhoging tenminste € 8,36 bruto per
maand bedragen.
4. Per 1 januari 2009 worden de feitelijke salarissen verhoogd met 2,5%. Voor de
werknemer van 23 jaar en ouder zal bij voltijdarbeid deze verhoging tenminste € 42,84
bruto per maand bedragen.
5. Per 1 juli 2009 worden de feitelijke salarissen verhoogd met 1%. Voor de werknemer van
23 jaar en ouder zal bij voltijdarbeid deze verhoging tenminste € 17,31 bruto per maand
bedragen.
6. Per 1 januari 2010 worden de feitelijke salarissen verhoogd met 0,75%. Voor de
werknemer van 23 jaar en ouder zal bij voltijdarbeid deze verhoging tenminste € 13,08
bruto per maand bedragen.

Artikel 10.10 – Secretariaatskosten op bedrijfstakniveau
1. Er is een “Stichting Raad van Overleg in de Metalektro” (ROM), waarvan de statuten
worden geacht deel uit te maken van deze overeenkomst.
2. De werkgever is in het jaar 2008 en het jaar 2009 aan de Raad van Overleg in de
Metalektro (ROM), waarvan de statuten worden geacht deel uit te maken van deze
overeenkomst, een bijdrage verschuldigd van 0,03% van de in die jaren voor zijn
onderneming geldende Loonsom Wfsv. De heffingen zijn bestemd voor
secretariaatskosten op bedrijfstakniveau.
3. De werkgever is verplicht op de in lid 2 bedoelde bijdragen een door de ROM vast te
stellen voorschot te betalen:
- in het jaar 2008 vóór een door de ROM vast te stellen datum, doch uiterlijk op 15
oktober. Het voorschot zal gebaseerd zijn op de per genoemde datum
redelijkerwijs vast te stellen voor zijn onderneming geldende Loonsom Wfsv in het
genoemde jaar. De definitieve afrekening zal geschieden op 15 augustus 2009.
- in het jaar 2009 uiterlijk op 15 oktober. Het voorschot zal gebaseerd zijn op de per
genoemde datum redelijkerwijs vast te stellen voor zijn onderneming geldende
Loonsom Wfsv in het genoemde jaar. De definitieve afrekening zal geschieden op
15 augustus 2010.
4. Bij niet tijdige betaling van de verschuldigde (voorschot)bijdragen is rente verschuldigd.
Deze rente wordt in rekening gebracht vanaf de dag dat de verschuldigde
(voorschot)bijdrage dient te zijn voldaan. Hierbij geldt het op dat moment vastgestelde
percentage van de wettelijke rente.
5. De werkgever is verplicht aan de ROM gegevens, welke voor de berekening van de in lid
2 en 3 genoemde (voorschot)bijdrage(n) noodzakelijk zijn, te verstrekken.

Artikel 10.11 – Looptijd van de overeenkomst
Deze overeenkomst wordt geacht in werking te zijn getreden op 1 november 2007 en eindigt op
31 januari 2010 zonder dat daarvoor opzegging nodig is.
Aldus overeengekomen en in viervoud getekend:
VERENIGING FME-CWM
VERENlGING VAN ONDERNEMINGEN
IN DE METAAL-, KUNSTSTOF-,
ELEKTRONICA- EN ELEKTRO-
TECHNISCHE INDUSTRlE EN
AANVERWANTE SECTOREN
w.g.
J. Kamminga,
voorzitter.
w.g.
T. de Bruine,
lid dagelijks bestuur.
FNV BONDGENOTEN
w.g.
J.P.M. Brocken,
landelijk bestuurder metaal.
w.g.
J. Berghuis,
landelijk bestuurder metaal.
DE UNIE, VAKBOND VAN
INDUSTRIE EN DIENSTVERLENING
w.g.
J.P.H. Teuwen,
voorzitter.
w.g.
drs. W.H.M. Brouwer
bedrijfsgroepvoorzitter Metalektro.
CNV BEDRIJVENBOND
w.g.
J. Jongejan,
voorzitter.
w.g.
J.W. Wevers,
beleidscoördinator.

BIJLAGE A. BEHORENDE BIJ DEZE CAO
WERKINGSSFEER

1. Deze overeenkomst is van toepassing op de arbeidsovereenkomsten van werknemers in
dienst van een werkgever in een onderneming in de Metalektro.
2. Tot de ‘Metalektro’ behoren – voor zover niet genoemd in lid 3 en 4 – ondernemingen
waarin, rekening houdende met het in de bedrijfstak geldende normale aantal
arbeidsuren, in de regel gedurende ten minste 1.200 uren per week door bij die
onderneming in dienst zijnde werknemers als bedoeld in artikel 1 lid 1 van deze
overeenkomst*), doch met inachtneming van het gestelde onder 5 t/m 14 en 18,
werkzaamheden worden verricht en waarin:
a. uitsluitend of in hoofdzaak het bedrijf van be- en/of verwerken van metalen wordt
uitgeoefend, waaronder onder meer wordt verstaan:
1e het aanleggen, assembleren, construeren, demonteren, draaien, emailleren,
forceren, gieten, herstellen, lassen, monteren, onderhouden, persen, pletten,
samenstellen, slopen, verscheuren en/of vermalen, smeden, smelten, trekken,
vervaardigen, walsen van metaal (waaronder onder meer te verstaan: aluminium,
blik, brons, koper, lood, messing, staal, tin, ijzer, zink en legeringen of
composities hiervan) of metalen apparaten, drijfwerk, gereedschappen,
machines, toestellen, voorwerpen en werktuigen (waaronder mede begrepen
kracht- en arbeidswerktuigen, landbouwtractoren, -machines en -werktuigen),
alles in de ruimste zin des woords, zoals appendages, automaten, automobielen,
beelden, bliksemafleiders, blikwaren, bouten, brandkasten, bromfietsen, bruggen,
buizen, capsules, draad, draadnagels, elektriciteitsmeters, elektroden, gaas,
gasmeters, haarden, instrumenten (waaronder optische apparaten), jaloezieën,
kachels, ketels (o.a. voor centrale verwarming), kinderwagens, klinknagels,
kroonkurken, matrassen, matrijzen, meubelen, moeren, motoren, motorrijwielen,
muziekinstrumenten, ovens, radiatoren, ramen, reservoirs, rolhekken, rollend
materieel, rolluiken, rijwielen, schaatsen, schepen, schroeven, schuifhekken,
sierhekken, sluitingen, stempels, tanks, taximeters, tuben, uurwerken,
watermeters, zonweringen;

2e het vervaardigen en/of herstellen van apparaten, installaties, stoffen, toestellen,
voorwerpen e.d. die elektrische energie of haar componenten afgeven, bewaren,
gebruiken, meten, omzetten, overbrengen, schakelen, transformeren, verbruiken,
verdelen, voortbrengen of waarneembaar maken;

3e het staalblazen en/of zandstralen;

4e het verzinken en/of vertinnen, voor zover dit niet langs galvanotechnische weg
geschiedt;

5e het reviseren van verbrandingsmotoren en/of onderdelen daarvan in de ruimste
zin;

b. uitsluitend of in hoofdzaak het elektrotechnische scheepsinstallatiebedrijf wordt
uitgeoefend;
c. uitsluitend of in hoofdzaak rechtstreeks voor derden het bedrijf wordt uitgeoefend
van het:
1. wikkelen of herstellen van elektrotechnische machines en gebruiks- en
verbruikstoestellen voor sterk- en zwakstroominstallaties (elektrotechnisch
wikkelbedrijf);
2. monteren en bedraden van elektrotechnische en elektronische apparatuur van
bedienings-, schakel- en signaleringspanelen (elektrotechnisch
paneelbouwbedrijf);

3. demonteren, repareren, monteren, vervangen, wijzigen, onderhouden,
gebruiksgereed opleveren van apparaten, installaties, toestellen, voorwerpen e.d.
die elektrische energie afgeven, bewaren, gebruiken, meten, omzetten,
overbrengen, schakelen, transformeren, verbruiken, verdelen, voortbrengen of
waarneembaar maken (elektrotechnisch reparatiebedrijf);
*) Zie beschikking van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 juni 1990 (Stcrt.
1990, 112)

d. uitsluitend of in hoofdzaak werknemers ter beschikking worden gesteld als bedoeld
in artikel 7:690 B.W. van ondernemingen waarin uitsluitend of in hoofdzaak het bedrijf
van be- en/of verwerken van metalen wordt uitgeoefend dan wel die op grond van de
overige bepalingen van dit artikel worden geacht te behoren tot de Metalektro; echter,
niet tot de Metalektro worden geacht te behoren ondernemingen waarin uitsluitend
het bedrijf van het ter beschikking stellen van werknemers van derden wordt
uitgeoefend indien de betreffende onderneming:
- werknemers voor 25% of meer van de arbeidsuren van de in dienst zijnde
werknemers ter beschikking stelt van derden die niet uitsluitend of in hoofdzaak het bedrijf
van be- en/of verwerken van metalen uitoefenen dan wel niet op grond van de
overige bepalingen van dit artikel worden geacht te behoren tot de Metalektro;
- én voor 15% of meer van het totale premieplichtige loon op jaarbasis werknemers
ter beschikking stelt van derden op basis van uitzendovereenkomsten met
uitzendbeding als bedoeld in artikel 7: 691 lid 2 B.W., zoals nader gedefinieerd in
artikel 1 lid 1 en 2, en artikel 2 van het Besluit Indeling Uitzendbedrijven van het
Lisv d.d. 6 oktober 1999, gepubliceerd in de Staatscourant nummer 49 van 9
maart 2000. De onderneming heeft aan dit criterium voldaan indien en voor zover
dit door het UWV (Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen) als zodanig is
vastgesteld;
- én geen onderdeel uitmaakt van een groep van ondernemingen die geacht wordt
te behoren tot de Metalektro;
- én geen door werkgevers- en werknemers (organisatie(s)) tot stand gebrachte
arbeidspool is;
e. anders dan in hoofdzaak het bedrijf van het be- en/of verwerken van metalen en/of
een of meer van de in lid 3 genoemde bedrijven wordt uitgeoefend en daarnaast
anders dan in hoofdzaak werknemers ter beschikking worden gesteld als bedoeld in
artikel 7: 690 B.W. van ondernemingen waarin uitsluitend of in hoofdzaak het bedrijf
van be- en/of verwerken van metalen wordt uitgeoefend dan wel die op grond van de
overige bepalingen van dit artikel worden geacht te behoren tot de Metalektro, indien
in de betreffende onderneming het grootste deel van het totale premieplichtige loon
op jaarbasis wordt aangewend ten behoeve van deze activiteiten gezamenlijk.
Onder “vervaardigen” dient eveneens te worden verstaan het assembleren, monteren en
samenstellen uit van derden betrokken onderdelen.

3. Ongeacht het aantal arbeidsuren gedurende welke in de regel per week door bij die
ondernemingen in dienst zijnde werknemers werkzaamheden worden verricht, worden,
behoudends het bepaalde in lid 2 tevens geacht tot de Metalektro te behoren
ondernemingen waarin uitsluitend of in hoofdzaak een of meer van de volgende
bedrijven worden uitgeoefend:
a. het walsen van staal;
b. het ijzer- en staalgietersbedrijf;
c. het vervaardigen en/of herstellen van vliegtuigen;
d. het vervaardigen en/of herstellen van liften.
Onder “vervaardigen” dient eveneens te worden verstaan het assembleren, monteren en
samenstellen uit van derden betrokken onderdelen.

4. Niet onder de werkingssfeer van deze overeenkomst ressorteren ondernemingen, die
weliswaar onder de omschrijving van lid 3 vallen, doch waarop met goedkeuring van de
daartoe bevoegde instantie een (algemeen verbindend verklaarde) collectieve
arbeidsovereenkomst of regeling van arbeidsvoorwaarden in de Metaal en Technische
Bedrijfstakken (MTB) van toepassing is.

5. Een onderneming, die in verband met het aantal arbeidsuren van haar werknemers
behoort tot de Metalektro, behoort, indien het bedoeld aantal arbeidsuren per week in de
onderneming, rekening houdende met het in de bedrijfstak geldende normale aantal
arbeidsuren, gedurende een ononderbroken periode van onderscheidenlijk 3, 2, of 1 jaar,
te rekenen vanaf 1 januari van enig jaar, minder heeft bedragen dan onderscheidenlijk
1.200, 800 of 400, na afloop van die periode, met inachtneming van het hierna in lid 6
bepaalde, tot het metaalbewerkingsbedrijf. **)
**) Als bedoeld in artikel 77, eerste lid van het besluit van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 14 december 1983 (Stcrt 1983, 246)

6. De in lid 5 bedoelde onderneming behoort tot het metaalbewerkingsbedrijf met ingang
van de eerste dag van het eerstvolgende kalenderjaar aanvangende na afloop van de
hiervoor onder lid 5 genoemde perioden.

7. Ondernemingen waarvan de bedrijfsuitoefening uitsluitend of in hoofdzaak behoort tot
de in lid 2 genoemde takken van bedrijf waarop het tot 1 januari 1985 geldende criterium
van het aantal werknemers van toepassing is en die zijn ingeschreven bij de sector
Metaalindustrie of de sector Elektrotechnische Industrie (voorheen Bedrijfsvereniging
voor de Metaalindustrie en de Electrotechnische Industrie), doch waarbij op of voor
genoemde datum gelet op dat criterium aansluiting bij de Bedrijfsvereniging voor de
Metaalnijverheid (thans de sector Metaal en Technische Bedrijfstakken) had moeten
plaatsvinden, worden geacht te behoren tot de Metalektro.

8. In geval van rechtsopvolging van een onderneming als hiervoor in lid 5 en 7 bedoeld,
wordt voor de toepassing van het in lid 5 en 7 bepaalde aangenomen dat sprake is van
eenzelfde aansluiting.

9. Indien een onderneming als bedoeld in lid 7 in het kader van het bepaalde bij of
krachtens de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 overgaat naar de sector Metaal
en Technische Bedrijfstakken behoort die onderneming met ingang van dezelfde datum
tot het metaalbewerkingsbedrijf.

10. Een onderneming, die in verband met het aantal arbeidsuren van haar werknemers
behoort tot het metaalbewerkingsbedrijf, behoort, indien het bedoeld aantal arbeidsuren
per week in de onderneming, rekening houdende met het in de bedrijfstak geldende
normale aantal arbeidsuren, gedurende een ononderbroken periode van
onderscheidenlijk 3, 2 en 1 jaar, te rekenen vanaf 1 januari van enig jaar, ten minste heeft
bedragen onderscheidenlijk 1200, 2000 of 3000, na afloop van die periode, met
inachtneming van het hierna in lid 11 bepaalde, tot de Metalektro.

11. De in lid 10 bedoelde onderneming behoort tot de Metalektro met ingang van de eerste
dag van het eerstvolgende kalenderjaar aanvangende na afloop van de hiervoor in lid 10
genoemde perioden.

12. Ondernemingen waarvan de bedrijfsuitoefening uitsluitend of in hoofdzaak behoort tot
de in lid 2 genoemde takken van bedrijf waarop het tot 1 januari 1985 geldende criterium
van het aantal werknemers van toepassing is en die zijn ingeschreven bij de sector
Metaal en Technische Bedrijfstakken (MTB) (voorheen Bedrijfsvereniging voor de
Metaalnijverheid), doch waarbij op of voor genoemde datum gelet op dat criterium
aansluiting bij de Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie en de Elektrotechnische
Industrie (thans de sector Metaalindustrie en de sector Elektrotechnische Industrie) had
moeten plaatsvinden, worden geacht te behoren tot het metaalbewerkingsbedrijf.

13. In geval van rechtsopvolging van een onderneming als hiervoor in lid 10 en 12 bedoeld,
wordt voor de toepassing van het in lid 10 en 12 bepaalde aangenomen dat sprake is van
een zelfde aansluiting.

14. Indien een onderneming als bedoeld in lid 12 in het kader van het bepaalde bij of
krachtens de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 overgaat naar de sector
Metaalindustrie of de sector Elektrotechnische Industrie behoort die onderneming met
ingang van dezelfde datum tot de Metalektro.
15. De Commissie Werkingssfeer*) ziet toe op de toepassing van de met betrekking tot de
indeling en de overgang van ondernemingen in lid 5 t/m 14 gestelde regelen.
*) De Commissie Werkingssfeer is samengesteld door de Stichting Raad van Overleg in de Metalektro
en de Stichting Vakraad Metaal en Techniek.
Het secretariaat van de Commissie Werkingssfeer is gevestigd:
Postbus 5210, 2280 HE Rijswijk ZH, telefoon 070-3160325.
In de commissie hebben tevens zitting, het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Metalektro en het
Bedrijfspensioenfonds voor de Metaal en Techniek.

16. Deze overeenkomst is voorts van toepassing op arbeidsovereenkomsten gesloten met
werknemers in de lithografische afdelingen van ondernemingen in de Metalektro, met
dien verstande dat de arbeidsvoorwaarden voor die categorieën van werknemers, die
grafische vakarbeid verrichten, alsmede voor die werknemers, op wie sedert 1 januari
1962 de CAO voor het Grafische Bedrijf in Nederland wat betreft de mantelbepalingen en
bijlage C – thans Grafimedia CAO – werd toegepast, zullen zijn overeenkomstig het
bepaalde in die CAO.

17. Deze overeenkomst is niet van toepassing op arbeidsovereenkomsten met werknemers
die een functie vervullen boven het niveau van de in deze overeenkomst opgenomen
salarisgroepen. In afwijking van het bepaalde in de vorige volzin zijn de artikelen 10.3 en
10.10 ook van toepassing op werknemers die een functie vervullen boven dat niveau met
uitzondering van de bestuurders van de onderneming en de functionarissen die
rechtstreeks bij het bepalen van het ondernemingsbeleid zijn betrokken.
18. Deze overeenkomst is niet van toepassing op:
Holland Repair and Services B.V. te Amsterdam, Vemat B.V. te Cruquius en Vermeer
Industrial Contracting B.V. te Hoofddorp alsmede op Alcatel-Lucent Nederland B.V. te
Rijswijk, alsmede Belden Wire and Cable B.V. te Venlo, Nedtrain B.V. te Utrecht,
Rollepaal B.V. en Romit B.V. te Dedemsvaart, Enrichment Technology Nederland B.V. en
Urenco Aerospace B.V. te Almelo en Philips en de met deze vennootschap in
concernverband verbonden ondernemingen. De Raad van Overleg in de Metalektro kan
te allen tijde deze overeenkomst wel van toepassing verklaren op de in dit lid genoemde
ondernemingen indien de grond voor het uitzonderen van de toepassing vervalt. Tijdens
de looptijd van deze overeenkomst kan de Raad van Overleg in de Metalektro
(bepalingen van) deze overeenkomst desgevraagd niet van toepassing verklaren op
andere ondernemingen.

Bijzondere bepalingen werkingssfeer
1. Deze overeenkomst is gedeeltelijk van toepassing op arbeidsovereenkomsten met
werknemers wier dienstverband met zich meebrengt dat werkdagen van afwisselende
duur worden gemaakt, zoals b.v. conciërges, loopjongens, chauffeurs van
personenauto’s. Ten aanzien van deze werknemers zijn niet van toepassing hoofdstuk 3,
met uitzondering van artikel 3.8 lid 3, en artikel 4.14. Op handelsreizigers zijn niet van
toepassing de hoofdstukken 3, met uitzondering van artikel 3.8 lid 3, 4, met uitzondering
van artikel 4.15, en 8.
2. De in het voorgaande lid uitgezonderde arbeidsvoorwaarden van aldaar bedoelde
werknemers kunnen op initiatief van de v.v. of de betrokken werkgever
ondernemingsgewijs worden geregeld met de v.v. en de w.v.. De werkgever zal met de
v.v. daarover overleg voeren, indien de v.v. daartoe de wens te kennen geven.
Wanneer dit overleg betrekking heeft op arbeidsvoorwaarden van handelsreizigers,
treden de v.v. daarbij tevens op namens de in het Landelijk Contactorgaan van
vakorganisaties voor Handelsvertegenwoordigers (L.C.H.) vertegenwoordigde
werknemersorganisaties.
3. Past de werkgever een andere vorm van functieclassificatie toe dan ISF, dan gelden niet:
artikel 4.1 lid 1 de woorden “in één van de salarisgroepen A t/m K”, artikel 4.1 lid 2 en lid
3, artikel 4.2, in artikel 4.4 lid 1 de woorden "in de salarisgroepen van A t/m K", artikel 4.4
lid 2, artikel 4.5 de leden 1 tot en met 4, lid 7 en lid 8, en artikel 4.6 lid 1 sub a voor zover
wordt verwezen naar delen van artikelen die niet gelden. Het bepaalde in artikel 4.5 lid 2,
lid 4, lid 7 en lid 8 geldt voor zover nodig om te bepalen of de werknemer ten minste de
persoonlijke minimum maandverdienste is toegekend.

 

 

BIJLAGE B. (ARTIKEL 10.7 VAN DE CAO EN ARTIKEL 46 VAN DE CAO HOGER PERSONEEL)
GESCHILLENREGLEMENT

Artikel 1
1. De Geschillencommissie (hierna te noemen: Commissie) bestaat uit acht leden en acht
plaatsvervangende leden, door de Raad van Overleg te benoemen, zodanig dat zowel van
de leden als van de plaatsvervangende leden de helft bestaat uit werkgeversleden en de
helft uit werknemersleden.
2. De leden en de plaatsvervangende leden worden benoemd voor de tijd van drie jaar. Na
afloop van deze termijn treden zij gezamenlijk af; zij zijn opnieuw benoembaar.
3. Bij voorziening in een tussentijdse vacature heeft het in deze vacature benoemde lid
zitting voor de tijd gedurende welke zijn voorganger nog zitting zou hebben gehad.

Artikel 2
1. De Commissie wijst uit haar midden tot voorzitters aan een der werkgeversleden en een
der werknemersleden.
2. De voorzitters treden om beurten, telkens voor een jaar, als zodanig op; de eerste beurt
wordt door het lot bepaald.
Bij afwezigheid van de fungerende voorzitter treedt de andere als zodanig op.
3. De Commissie wijst uit haar midden of daarbuiten een secretaris aan, die van alle
vergaderingen der Commissie notulen houdt. Deze notulen worden, na vaststelling door
de Commissie, ondertekend door de voorzitter.
4. Indien de secretaris geen lid is der Commissie, heeft hij een adviserende stem.
5. Voor de benoeming van een secretaris, die geen lid is van de Commissie, is de
goedkeuring vereist van de Raad van Overleg.

Artikel 3
1. Een lid of plaatsvervangend lid van de Commissie, dat rechtstreeks bemoeienis heeft
gehad met het geschil, voordat dit bij de Commissie werd aangebracht, mag aan de
behandeling ervan en aan de beslissing niet deelnemen.
2. Een lid of plaatsvervangend lid, dat aan de behandeling van het geschil door de
Commissie deelneemt, mag zich daarover noch direct, noch indirect, hetzij mondeling,
hetzij schriftelijk, inlaten met partijen, hun vakvereniging of hun raadslieden, noch
andere geschriften, op het geschil betrekking hebbende, dan processtukken, aannemen.
3. Voor het nemen van een rechtsgeldige beslissing over een geschil is de aanwezigheid
vereist van ten minste vier leden der Commissie.
4. De leden der Commissie oordelen zonder last of ruggespraak.
5. In de vergadering der Commissie brengt ieder lid één stem uit.
6. De Commissie beslist bij gewone meerderheid der geldig uitgebrachte stemmen. Blanco
stemmen worden niet als geldig uitgebrachte stemmen beschouwd.
7. Wanneer bij het nemen van een beslissing de stemmen staken, wordt het geschil in een
binnen twee weken daarna te houden vergadering wederom aan de orde gesteld.
8. Wanneer de stemmen dan opnieuw staken, zal binnen vier weken een derde vergadering
worden gehouden, alwaar een door de Commissie aan te wijzen rechtsgeleerde de
behandeling van het geschil zal bijwonen. De voorzitter zal deze tijdig in de gelegenheid
stellen kennis te nemen van de aanhangige zaak.
9. Staken de stemmen der Commissieleden opnieuw, dan beslist de rechtsgeleerde.

Artikel 4
1. Een geschil wordt aanhangig gemaakt bij gemotiveerd klaagschrift, waarin duidelijk is
aangegeven welke uitspraak van de Commissie wordt gevraagd.
2. Een klaagschrift, als bedoeld in lid 1, kan door de betrokken partij zelf worden ingediend
of door tussenkomst van de contracterende vakvereniging waarbij zij is aangesloten*).
3. Alvorens het klaagschrift in behandeling wordt genomen, zal de klagende partij, ten
genoegen van de voorzitter, dienen aan te tonen dat zij ernstig heeft getracht het geschil
in der minne te regelen, zowel binnen het kader van de onderneming als in overleg met
de betrokken vakverenigingen van werkgevers en werknemers.
4. De Commissie is bevoegd een klaagschrift in behandeling te nemen betreffende een
geschil, waarbij een of meer niet bij een der contracterende vakverenigingen aangesloten
partijen zijn betrokken.
De Commissie maakt van deze bevoegdheid in geen geval gebruik, indien niet
a. door de klagende partij een bedrag van € 11,34 wegens kosten wordt gestort;
b. beide partijen schriftelijk verklaren zich te onderwerpen aan de bepalingen van dit
reglement.
*) Het is gewenst dat de werkgever of werknemer vóór het indienen van een klaagschrift, daaromtrent overleg pleegt met de contracterende vakvereniging, waarbij hij is aangesloten.

Artikel 5
1. Het klaagschrift moet zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes maanden nadat de
beweerde overtreding van een bepaling der collectieve arbeidsovereenkomst heeft
plaatsgevonden, worden ingediend bij de secretaris van de Commissie.
2. Wanneer de klacht betrekking heeft op een regelmatig herhaalde overtreding of op een
voortdurende overtreding, moet het klaagschrift worden ingediend uiterlijk zes maanden
nadat de klagende partij de wederpartij schriftelijk van de beweerde overtreding in kennis
heeft gesteld.
3. Het tijdvak, waarover te weinig ontvangen salaris kan worden gevorderd, gaat niet verder
terug dan ten hoogste acht maanden, te rekenen vanaf de in het vorige lid genoemde
kennisgeving.
4. De in lid 1 en 2 bedoelde termijnen worden door de Commissie niet ambtshalve
toegepast.
5. Wanneer de aangeklaagde partij zich beroept op overschrijding van de termijn door de
klagende partij, kan de Commissie desondanks, indien zij daartoe termen aanwezig acht,
genoegen nemen met die overschrijding, mits het klaagschrift is ingediend binnen twaalf
maanden nadat de beweerde overtreding heeft plaatsgevonden c.q. nadat de klagende
partij de wederpartij schriftelijk van de beweerde overtreding in kennis heeft gesteld.

Artikel 6
1. De secretaris stelt onverwijld na ontvangst van het klaagschrift de voorzitter van de
Commissie hiervan in kennis.
2. Indien de voorzitter de zaak voor minnelijke schikking vatbaar acht, is hij gerechtigd de
betrokken partijen op te roepen teneinde een schikking te beproeven.

Artikel 7
1. Wanneer de voorzitter geen schikking beproeft, of wanneer een schikkingspoging geen
resultaat heeft gehad, zendt de secretaris zo spoedig mogelijk een afschrift van het
klaagschrift toe aan de aangeklaagde partij en aan elk der leden van de Commissie.
2. De aangeklaagde partij heeft gedurende twee maanden, te rekenen vanaf de in lid 1
bedoelde verzending van het afschrift van het klaagschrift, gelegenheid om een
gemotiveerd verweerschrift in te zenden bij de secretaris van de Commissie.
De in dit lid genoemde termijn wordt door de Commissie niet ambtshalve toegepast.
3. Wanneer de klagende partij zich beroept op overschrijding van de termijn door de
aangeklaagde partij kan de Commissie desondanks, indien zij daartoe termen aanwezig
acht, genoegen nemen met die overschrijding, mits het verweerschrift is ingezonden
binnen drie maanden, te rekenen vanaf de in lid 1 bedoelde verzending van het afschrift
van het klaagschrift .
4. De secretaris zendt zo spoedig mogelijk een afschrift van het verweerschrift toe aan de
klagende partij en aan elk der leden van de Commissie. De voorzitter belegt zo spoedig
mogelijk een zitting van de Commissie op een door hem te bepalen tijd en plaats en doet
de betrokken partijen oproepen om aldaar te verschijnen. Deze oproepingen geschieden
bij aangetekende brieven, die uiterlijk op de tiende dag aan de zittingsdag voorafgaande,
ter post moeten zijn bezorgd.
5. Wanneer binnen drie maanden, te rekenen vanaf de verzending van het afschrift van het
klaagschrift aan de aangeklaagde partij, deze laatste geen gemotiveerd verweerschrift
heeft ingezonden, kan de Commissie toch een beslissing nemen. In dat geval kan zij
afzien van het horen van partijen als in artikel 8 lid 1 omschreven.

Artikel 8
1. De Commissie hoort de betrokken partijen, voorzover zij ter zitting zijn verschenen en
bepaalt de wijze, waarop het geding verder zal worden gevoerd.
2. Partijen kunnen ter zitting getuigen of deskundigen meebrengen alsmede zich doen
vertegenwoordigen en door raadsleden doen bijstaan.
3. Partijen, die zich ter zitting door getuigen of deskundigen wensen te doen vergezellen,
zijn verplicht de secretaris der Commissie en de wederpartij hiervan ten minste drie
dagen voor de zitting in kennis te stellen, onder opgave van namen en woonplaatsen.
4. De Commissie is bevoegd getuigen of deskundigen op te roepen.
5. Zij, die als partij of deskundige worden opgeroepen teneinde door de Commissie te
worden gehoord, zijn verplicht aan deze oproep gehoor te geven.

Artikel 9
1. De Commissie doet uitspraak naar goede trouw en billijkheid.
2. De beslissingen der Commissie worden met redenen omkleed.
3. De Commissie doet uitspraak in hoogste ressort.
4. De uitspraak der Commissie heeft de kracht van een bindend advies.
5. De Commissie is bevoegd een tussentijdse uitspraak te doen. Daarbij wordt, zo enigszins
mogelijk, een termijn gesteld, waarbinnen de behandeling van het geschil zal worden
voortgezet.

Artikel 10
De Commissie zal de aangeklaagde partij, van wie gebleken is dat zij enige bij de collectieve
arbeidsovereenkomst opgelegde verplichting niet is nagekomen, veroordelen om deze alsnog
na te komen en/of aan de klagende partij een schadevergoeding te betalen.

Artikel 11
1. De Commissie bepaalt het bedrag der kosten (zowel van de Commissie als van de
betrokken partijen), welke door het geding zijn veroorzaakt en bepaalt in hoeverre en in
welke verhouding partijen die zullen dragen.
2. Onder de kosten worden niet begrepen kosten van eventuele rechtskundige of andere
bijstand van partijen.

 

 

BIJLAGE C. (ARTIKEL 10.8 VAN DE CAO EN ARTIKEL 47 VAN DE CAO HOGER PERSONEEL)
REGLEMENT BEMIDDELINGSINSTANTIE

Artikel 1 – Benoeming
1. De Bemiddelingsinstantie bestaat uit acht leden, t.w.:
-een voorzitter;
-een plaatsvervangend voorzitter;
-drie leden voorgedragen door de Vereniging FME-CWM;
-drie leden voorgedragen door de werknemersvakverenigingen.
2. De leden worden benoemd voor een periode van drie jaar, met de mogelijkheid van
herbenoeming.
3. Bij voorziening in een tussentijdse vacature heeft het in deze vacature benoemde lid
zitting voor de tijd gedurende welke zijn voorganger nog zitting zou hebben gehad.
4. Het lidmaatschap eindigt automatisch bij het bereiken van de leeftijd van 72 jaar.
5. Het secretariaat van de Bemiddelingsinstantie berust bij het secretariaat van de Raad
van Overleg.

Artikel 2 – Werkwijze
1. Zodra een verzoek bij de Bemiddelingsinstantie aanhangig is gemaakt, stelt het
secretariaat de voorzitter op de hoogte van de aard en inhoud.
2. De voorzitter overlegt met de plaatsvervangend voorzitter wie van hen als fungerend
voorzitter zal optreden.
3. Naargelang de aard van het verzoek beslist de fungerend voorzitter hoeveel leden en
welke leden hij zal verzoeken zich met de behandeling van de klacht te belasten. Bij deze
keuze zal het aantal leden, voorgedragen door de Vereniging FME-CWM gelijk dienen te
zijn aan het aantal leden, voorgedragen door de werknemersvakverenigingen.
4. Afhankelijk van de beslissing van de fungerend voorzitter zal het aantal leden dat het
verzoek gaat behandelen, inclusief de voorzitter, drie of vijf bedragen.
5. Indien daaraan behoefte bestaat kan deze groep, nadat het oordeel is gevormd, dit
alvorens aan partijen mee te delen, ter bespreking voorleggen aan de voltallige
Bemiddelingsinstantie.
6. In alle gevallen geldt het oordeel van de groep als oordeel van de Bemiddelingsinstantie.
7. Voor de behandeling van het verzoek ontvangen de fungerend voorzitter en de leden die
de klacht behandelen een door de Raad van Overleg vastgestelde vergoeding.
8. Alle op het verzoek betrekking hebbende stukken worden ter kennisgeving toegezonden
aan de voltallige Bemiddelingsinstantie.

Artikel 3 – Geen arbitrage en geen publicatie
1. De Bemiddelingsinstantie kan geen arbitragetaak op zich nemen, en kan uit dien hoofde
in contracten niet met een arbitrerende taak worden belast.
2. De Bemiddelingsinstantie kan een verzoek wel in behandeling nemen en haar oordeel
geven indien de bij het geschil betrokken partijen van tevoren met elkaar afspreken dat
zij zich bij dit oordeel zullen neerleggen.
3. Door de Bemiddelingsinstantie worden aan derden geen mededelingen gedaan over een
door haar behandelde klacht.

Artikel 4 – Situaties waarin de Bemiddelingsinstantie kan worden ingeschakeld
A. Klachten van een werknemer of een groep van werknemers inzake de
arbeidsverhouding:
1. De werknemer dient eerst zijn klacht te bespreken in de onderneming, waarbij
achtereenvolgens de volgende fasen worden doorlopen:
- directe chef;
- eventueel hogere chef;
- directie of haar gemachtigde (al of niet via de bemiddeling van een lid van de
ondernemingsraad).
2. Is langs de in lid 1 aangegeven weg binnen een redelijke termijn geen bevredigende
oplossing verkregen, dan kan de werknemer, die is aangesloten bij een van de v.v. zijn
klacht voorleggen aan de daartoe door zijn organisatie aangewezen vertegenwoordiger,
waarna de betrokken organisatie de klacht bij de werkgever in bespreking brengt.
3. Indien tussen die organisatie en de werkgever geen overeenstemming kan worden
verkregen, kan zowel de werkgever als de betrokken werknemer zijn organisatie
verzoeken de klacht ter bemiddeling voor te leggen aan de Bemiddelingsinstantie.
4. Indien de organisatie aan dit verzoek gevolg geeft, stelt zij de andere bij het verzoek
betrokken partij en diens organisatie daarvan in kennis.
5. Indien één van de betrokken partijen geen lid is van de w.v. of een der v.v. kan de klacht
rechtstreeks aan de Bemiddelingsinstantie worden voorgelegd. De
Bemiddelingsinstantie neemt de klacht slechts in behandeling, indien beide partijen en
partijen bij de CAO daarmee instemmen.
6. Indien de klager geen lid is van een der v.v. neemt de Bemiddelingsinstantie de klacht
slechts in behandeling wanneer de klager zich tevoren bereid heeft verklaard de kosten
van de bemiddeling te dragen.
B. Verschil van mening tussen werknemersvakvereniging(en) en een werkgever:
1. Indien over het in de onderneming gevoerde of te voeren sociaal beleid verschil van
mening is tussen een werkgever, die is aangesloten bij de w.v., en een of meer
werknemersvakverenigingen, dan kan dit meningsverschil zowel door de werkgever als
door de werknemersvakvereniging(en) worden voorgelegd aan de besturen van de
betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties.
2. Indien de bemoeiingen onder sub 1 genoemd niet tot resultaat leiden, kan elk der
organisaties het meningsverschil ter bemiddeling voorleggen aan de
Bemiddelingsinstantie.
3. Indien de betrokken werkgever geen lid is van de w.v., wordt het verschil van mening
rechtstreeks aan de Bemiddelingsinstantie voorgelegd. De Bemiddelingsinstantie neemt
het verschil van mening slechts in behandeling, indien partijen bij de CAO daarmee
instemmen.
C. Het voornemen bij een of meer werknemersvakverenigingen tot werkstaking of andere
acties:
1. Indien er een onderwerp is, naar aanleiding waarvan een of meer
werknemersvakverenigingen en/of haar (hun) leden werkstaking of acties zou(den) willen
toepassen, die het normaal functioneren van een onderneming belemmeren, dan kan dit
onderwerp zowel door de betrokken werkgever(s), die is (zijn) aangesloten bij de w.v., als
door de werknemersvakvereniging(en) en/of haar (hun) leden worden voorgelegd aan de
besturen van de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties.
2. Indien van het voornemen tot werkstaking of andere acties kennis is gegeven aan de w.v.
kan (kunnen) zowel een of meer werknemersvakverenigingen als de w.v. aan de
Bemiddelingsinstantie bemiddeling en/of beoordeling verzoeken.
De Bemiddelingsinstantie zendt onverwijld afschrift van bovenvermeld verzoek aan de
betrokken werkgever(s), de v.v., de w.v. en de Geschillencommissie.

Artikel 5 – Procedure
1. De Bemiddelingsinstantie hoort:
a. in geval van klachten van een werknemer of een groep van werknemers: de
betrokken werknemer(s) en de werknemersvakvereniging(en) die het geschil
aanhangig heeft (hebben) gemaakt en, indien de w.v. de klacht ter bemiddeling
hebben voorgelegd, de w.v.;
b. in geval van verschil van mening tussen werknemersvakvereniging(en) en een
werkgever:
-de betrokken werkgever;
-indien de werkgever is aangesloten bij de w.v.: de betrokken organisatie;
-de betrokken werknemersvakvereniging(en);
c. in geval van het voornemen bij een of meer werknemersvakverenigingen tot
werkstaking of andere acties: de w.v. en de werknemersvakverenigingen.
2. De Bemiddelingsinstantie kan alle ter zake dienende inlichtingen inwinnen en alle
personen als getuigen of deskundigen horen, die naar haar oordeel gewenst zijn.
Partijen zullen aan verzoeken van de Bemiddelingsinstantie tot het verstrekken van
inlichtingen voldoen.
Partijen zullen bevorderen dat de personen, welke de Bemiddelingsinstantie als getuigen
of deskundigen wenst te horen, aan een daartoe strekkend verzoek gevolg geven.
3. De Bemiddelingsinstantie zal, na van alle daarop betrekking hebbende gegevens kennis
te hebben genomen, tussen partijen trachten te bemiddelen.
4. Indien de bemiddelingspogingen binnen twee maanden, nadat de klacht c.q. het verschil
van mening c.q. het voornemen aan de Bemiddelingsinstantie is voorgelegd, niet tot
resultaat hebben geleid, zal de Bemiddelingsinstantie binnen twee weken na het
verstrijken van de hiervoor genoemde termijn schriftelijk haar oordeel geven. Van
vorengenoemde termijn van twee maanden kan worden afgeweken in overleg tussen de
Bemiddelingsinstantie en de betrokken partijen.
In geval van het voornemen bij een of meer werknemersvakverenigingen tot werkstaking
of andere acties zal de Bemiddelingsinstantie er naar streven binnen 4 weken haar
bemiddeling te voltooien dan wel schriftelijk haar oordeel te geven.
5. Het schriftelijk oordeel wordt door de Bemiddelingsinstantie toegezonden aan de
betrokken partijen alsmede, indien de werkgever is aangesloten bij de w.v., aan zijn
organisatie. Publicatie van het oordeel is toegestaan na verloop van een week na
ontvangst.
Publicatie van een oordeel met betrekking tot het voornemen van een of meer
werknemersvakverenigingen en/of haar (hun) leden tot werkstaking of andere acties, is
toegestaan direct na ontvangst.
De publicatie bevat het volledige oordeel van de Bemiddelingsinstantie, behoudens
eventuele door de Bemiddelingsinstantie niet voor publicatie vrijgegeven passages.
Namen van personen, ondernemingen en organisaties kunnen desgewenst worden
weggelaten.

 

 

BIJLAGE D. INTEGRAAL SYSTEEM VAN FUNCTIEWAARDERING (ISF)
I. – Integraal Systeem van Functiewaardering (ISF) / Integraal Systeem van Functiewaardering
(ISF)
De in het ISF gebruikte salarisgroepstructuur ten aanzien van salarisgroepen en de daarbij behorende
punten luidt als volgt:

Salarisgroep A. 0-130 punten
Salarisgroep B. 131-180 punten
Salarisgroep C. 181-230 punten
Salarisgroep D. 231-280 punten
Salarisgroep E. 281-330 punten
Salarisgroep F. 331-380 punten
Salarisgroep G. 381-430 punten
Salarisgroep H. 431-480 punten
Salarisgroep J. 481-535 punten
Salarisgroep K. 536-590 punten

BIJLAGE E. SYSTEEMHOUDERSCHAP ISF EN/OF SAO

I. – Systeemhouderschap
Partijen zijn overeengekomen dat het systeemhouderschap van het ISF en SAO berust bij FMECWM.

Daarbij worden de volgende uitgangspunten gehanteerd.

1. Voor zover het ISF wordt toegepast worden ondernemingsfunctielijsten opgezet onder
begeleiding van deskundigen van FME-CWM.
2. Voor zover het SAO wordt toegepast worden de arbeidsomstandighedenlijsten opgezet
onder begeleiding van deskundigen van FME-CWM.
3. Deze deskundigen zullen met betrekking tot de indeling van de functies over de nieuwe
ondernemingsfunctielijsten een eindoordeel geven.
Wanneer de v.v. het noodzakelijk achten de ondernemingsfunctielijsten te beoordelen,
geschiedt zulks uitsluitend door deskundigen van de v.v..
4. De indeling van de functies en de arbeidsomstandigheden alsmede de beoordeling
daarvan geschiedt uitsluitend door deskundigen van FME-CWM en van de v.v..
5. De bewaking van het ISF en SAO berust bij de Commissie Beloningsstructuur, ingesteld
door de ROM, welke zich zal bezighouden met:
- besturing van het systeem;
- aanvulling van het referentiemateriaal;
- klachtenbehandeling.
6. Indien groeperingen buiten de Metalektro het ISF en SAO wensen toe te passen dan
zullen de v.v. daaraan geen medewerking verlenen zonder overleg met en uitdrukkelijke
toestemming van FME-CWM.
Deze toestemming zal worden verleend indien met de betreffende groeperingen
afspraken worden gemaakt inzake onder meer:
-de wijze van toepassing;
-de bewaking;
-het onderhoud van het systeem.
Anderzijds zal FME-CWM de v.v. informeren over een voorgenomen toepassing van het
systeem buiten de Metalektro.
II. – Procedure-afspraken
1. Bij de toepassing van het ISF en/of SAO wordt ervan uitgegaan dat:
-partijen het ISF en SAO naar inhoud en gevolgen aanvaarden;
-de voorbeeldfuncties onderdeel vormen van het nieuwe systeem;
-het aantal voorbeeldfuncties in de loop der tijd zal worden uitgebreid en als
referentiefunctielijst aan het ISF en/of SAO wordt toegevoegd;
-door middel van een brochure informatie zal worden verstrekt over doel en werking van
het systeem;
-per onderneming voorlichting zal worden gegeven omtrent:
* taak en verantwoordelijkheid van de systeemhouder;
* doel en werking van het systeem;
* de taken van een eventuele stuurgroep of graderingscommissie;
* de klachtenprocedure.
2. Afhankelijk van de situatie in een onderneming kan het proces van de toepassing van het
de toepassing van het systeem worden begeleid door een stuurgroep waarvan de
samenstelling representatief dient te zijn voor alle geledingen van de organisatie.
Het aantal leden zal uit een oogpunt van doelmatigheid dienen te worden beperkt. De
stuurgroep heeft tot taak het begeleiden van het totale proces van de functiewaardering:
introductie, invoering en vervolgens onderhoud.
Een interne graderingscommissie, bestaande uit interne deskundigen, heeft tot taak de
functies te analyseren en te graderen. Zowel leden van de stuurgroep als interne
deskundigen zullen door FME-CWM deskundigen worden opgeleid en in het algemeen
begeleid.

III. – Indeling van de functies en van de arbeidsomstandigheden
-De in de onderneming voorkomende functies en arbeidsomstandigheden worden ingedeeld
in salarisgroepen resp. trappen.

-De functies en arbeidsomstandigheden met hun indeling worden vastgelegd in een
ondernemingsfunctielijst, waarbij de functies en de arbeidsomstandigheden worden
gespreid over de verschillende soorten functies en arbeidsomstandigheden en hun
indelingen ter bereiking van een goed referentiekader.

-Van elk van de functies, opgenomen in de ondernemingsfunctielijst, resp.
arbeidsomstandigheden opgenomen in een arbeidsomstandighedenlijst wordt een
omschrijving opgenomen.

-Na opstelling van de functie-omschrijving wordt deze ter verificatie voorgelegd aan de
betrokken werknemer(s) en hun chef(s).
-Als deze akkoord gaat (gaan) met de functie-omschrijving, kan de functie vervolgens
worden gewaardeerd.
-Van iedere werknemer, vallende onder de werkingssfeer van de CAO-en, wordt de door
hem uitgeoefende functie ingedeeld.
-De werknemer wordt schriftelijk in kennis gesteld in welke salarisgroep zijn functie is
ingedeeld met de functie-omschrijving, resp. de motivering op grond waarvan.
-Werknemers kunnen inzage krijgen in de functie-informatie, welke betrekking heeft op de
functies in de ondernemingsfunctielijst.
-Werknemers kunnen te allen tijde verzoeken de indeling te herzien, indien zich wijzigingen
in de functie-inhoud en/of de arbeidsomstandigheden hebben voorgedaan.

IV. – Klachtenprocedure
In de onderneming zal overleg worden gepleegd met de v.v. over de wijze waarop een
werknemer beroep kan aantekenen tegen de indeling van de door hem uitgeoefende functie.
Indien een werknemer in beroep gaat tegen de indeling van de functie op basis van ISF en/of
SAO, zal de uitkomst hiervan gemotiveerd en schriftelijk aan betrokkene worden meegedeeld.
Indien naar de mening van betrokkene deze procedure niet tot een voor hem bevredigende
oplossing leidt, kan hij, indien hij lid is van één van de v.v., zich wenden tot zijn vakvereniging.
In een dergelijk geval zal een deskundige van de v.v. tezamen met een deskundige van FMECWM
de klacht onderzoeken. Op basis van het door hen ingestelde onderzoek zullen deze
deskundigen een bindende uitspraak doen, welke schriftelijk zal worden bevestigd. Indien deze
uitspraak leidt tot een indeling in een hogere salarisgroep dient nabetaling plaats te vinden
vanaf het moment waarop de klacht schriftelijk bij de onderneming is ingediend.

V. – Informatie
De onderneming verstrekt aan de v.v. alle nodige informatie voor de invoering van ISF en/of
SAO.

 

 

BIJLAGE F. (ARTIKEL 4.1 VAN DE CAO)

SYSTEMEN VAN FUNCTIECLASSIFICATIE

-CATS (De Leeuw Consultancy)
-Hay (Hay Consultancy)
-ORBA (AWVN)
-USB (Berenschot)
-Bakkenist

BIJLAGE TER INFORMATIE

 

BIJLAGE G. TOESLAGPERCENTAGES

1. Toeslagpercentages
Toeslagen per uur in percentages van de maand- resp. periode- en weekverdienste bij
voltijdarbeid.

a. Indien overuren worden gecompenseerd met vrije tijd gelden de volgende toeslagen per
uur, uitgedrukt in percentages van de maand- resp. periode- en weekverdienste. 

 
 
 
Toeslag
 
 
 
 
 
 
 
 
bij maand-
bij 4-wekelijkse
bij week-
CAO-artikel
 
betaling
betaling
betaling
 
 
 
 
 
4.14, lid 4 sub
a
0,14%
0,15%
0,60%
 
b
0,24%
0,26%
1,03%
 
c
0,27%
0,29%
1,17%
 
d
0,37%
0,40%
1,60%
 
e
0,48%
0,52%
2,07%

b.

4.14, lid 3                               0,60%                            0,65%                                         2,60%

 

c. Toeslag per uur in percentages van de maand- resp. periode- en weekverdienste bij
voltijdarbeid. 

 
 
 
Toeslag
 
 
 
 
 
 
 
 
bij maand-
bij 4-wekelijkse
bij week-
CAO-artikel
 
betaling
betaling
betaling
 
 
 
 
 
4.12, lid 4
 
0,48%
0,52%
2,07%
 
 
1,06%
1,15%
4,60%
4.16, lid 1 sub
b
0,11%
0,12%
0,46%
 
c
0,21%
0,23%
0,92%


2. Toeslagen per uur in percentages van de uurverdienste
a. Indien overuren worden gecompenseerd met vrije tijd gelden de volgende toeslagen per
uur uitgedrukt in percentages van de uurverdienste. 

 
CAO-artikel
 
Toeslag
 
4.14, lid 4 sub
a
24,1%
 
 
b
41,3%
 
 
c
46,6%
 
 
d
63,8%
 
 
e
82,8%
b.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
4.14, lid 3
 
103,4%
 
 
c.
Toeslag per uur in percentages van de uurverdienste
 
 
 
 
 
CAO-artikel
 
Toeslag
 
4.12, lid 4
 
82,8%
 
 
 
182,8%
 
4.16, lid 1 sub
b
19,0%
 
 
c
36,2%

 

 

BIJLAGE TER INFORMATIE

BIJLAGE H. OVERZICHT INFORMATIEBIJLAGEN OPGENOMEN OP DE WEBSITE VAN DE ROM
(WWW.CAOMETALEKTRO.NL)

Calamiteiten- en zorgverlof is in de Wet arbeid en zorg geregeld, zie o.a. art. 4:1 van deze wet.

Wet aanpassing arbeidsduur (Artikel 3.2 van de CAO)

Relevante bepalingen van boek 7 van het B.W betreffende de arbeidsovereenkomst
alsmede artikel 6 van het BBA 1945

• Artikel 7: 610a B.W.
• Artikel 7: 610b B.W.
• Artikel 7: 628 B.W.
• Artikel 7: 628a B.W.
• Artikel 7: 667 B.W.
• Artikel 7: 668 B.W.
• Artikel 7: 668a B.W.
• Artikel 7: 669 B.W.
• Artikel 7: 670 B.W.
• Artikel 7: 670a B.W.
• Artikel 7: 670b B.W.
• Artikel 7: 672 B.W.
• Artikel 7: 652 B.W.
• Artikel 7: 676 B.W.
Artikel 5.9 van de Arbeidstijdenwet

Artikel 7: 674 B.W.

Vakantie en verlof

• Artikel 7: 634 B.W.
• Artikel 7: 635 B.W.
• Artikel 7: 642 B.W.
Algemene Dagloonregeling Ziektewet

 

VISIE
SALARISNIEUWS

Voor en door salarisadministrateurs & HR specialisten.

Salarisadministratie is een kennisintensief en dynamisch vakgebied.
Het up-to-date houden van kennis begint met delen van kennis…

CAO 
SALARISADMINISTRATIE

Zoek gratis in onze Cao's database. Heb je tips of vragen? Reageer of mail!


SALARIS
SOFTWARE

Deel je positieve ervaringen en frustraties.
Geef je mening en advies!

OPLEIDING EN MEER

SALARISADMINISTRATIE 

Jezelf blijven ontwikkelen binnen de salarisadministratie is een must. Opleidingen zoals Praktijkdiploma Loonadministratie (PDL) & Vakopleiding Payroll Services (VPS) . Congressen en vakbladen voor up-to-date informatie.

Salarisnieuws LinkedIn


Salarisnieuws Twitter