Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf
Verplichtstelling
Statuten
Pensioenreglement
Uitvoeringsreglement
Reglement Deelnemersraad
Reglement Verantwoordingsorgaan
Reglement Visitatiecommissie
Reglement Geschillencommissie
Reglement Adviescommissie bezwaarschriften vrijstellingsbesluiten
administrateur
Interpolis Pensioenen B.V.
Rijnzathe 10, 3454 PV De Meern
Postbus 3183, 3502 GD Utrecht
Telefoon (030) 245 39 22
versie
Januari 2009
71476 012009
inhoud
1 verplichtstelling 9
2 statuten 10
Artikel 1 Naam en zetel 10
Artikel 2 Begripsbepalingen 10
Artikel 3 Doel, middelen en werkwijze 10
Artikel 4 Geldmiddelen 11
Artikel 5 Werkgever 11
Artikel 6 Aangesloten werkgever 12
Artikel 7 Werknemer 12
Artikel 8 Deelnemer 12
Artikel 9 Bestuur 12
Artikel 10 Taken en bevoegdheden van het bestuur en vertegenwoordiging 13
Artikel 11 Bestuursvergaderingen en besluitvorming 14
Artikel 12 Deelnemersraad 15
Artikel 13 Bevoegdheden van de deelnemersraad 16
Artikel 14 Verantwoordingsorgaan 16
Artikel 15 Bevoegdheden van het verantwoordingsorgaan 17
Artikel 16 Intern toezicht 17
Artikel 17 Administrateur 17
Artikel 18 Actuaris 17
Artikel 19 Accountant 18
Artikel 20 Boekjaar 18
Artikel 21 Statutenwijziging en ontbinding 18
Artikel 22 Intrekking van de verplichtstelling 18
Artikel 23 Vereffening 18
Artikel 24 Verslaglegging 19
Artikel 25 Wijziging pensioenreglement 19
Artikel 26 Onvoorziene gevallen 19
Artikel 27 Geschillen 19
Artikel 28 Inwerkingtreding 20
3 pensioenreglement 21
HOOFDSTUK I ALGEMEEN 21
Artikel 1 Begripsomschrijvingen 21
Artikel 2 Deelneming 23
Artikel 3 Uitbetaling van pensioen 24
Artikel 4 Gemoedsbezwaarde werknemers 25
Artikel 5 Uitbetaling van spaarbijdragen 26
Artikel 6 Verplichtingen van deelnemers en andere belanghebbenden 27
Artikel 7 Korting pensioenaanspraken en pensioenrechten 27
Artikel 8 Klachten 28
Artikel 9 Geschillen 29
HOOFDSTUK II VERPLICHTE PENSIOENREGELING 29
Artikel 10 Pensioenaanspraken 29
Artikel 11 Ouderdomspensioen 30
Artikel 12 Partnerpensioen 31
Artikel 13 Wezenpensioen 32
Artikel 14 Arbeidsongeschiktheidspensioen 33
Artikel 15 ANW-gat-pensioen 34
Artikel 16 Premie 35
HOOFDSTUK III VERLOF 35
Artikel 17 Opbouw van aanspraken tijdens verlof 35
Artikel 18 Premies tijdens verlof 35
Artikel 19 Risicodekking tijdens verlof 36
HOOFDSTUK IV BEËINDIGING EN/OF VOORTZETTING VAN DE PENSIOENOPBOUW 36
Artikel 20 Tussentijdse beëindiging 36
Artikel 21 Vrijwillige voortzetting 36
Artikel 22 Voortzetting bij WAO-uitkering 37
Artikel 23 Voortzetting bij WIA-uitkering 38
Artikel 24 Voortzetting bij werkloosheid 39
Artikel 25 Voortzetting bij VUT 40
HOOFDSTUK V WAARDEOVERDRACHT 40
Artikel 26 Plicht tot waardeoverdracht 40
Artikel 27 Uitzondering op plicht tot waardeoverdracht 41
Artikel 28 Collectieve waardeoverdracht 41
HOOFDSTUK VI SCHEIDING 42
Artikel 29 Bijzonder partnerpensioen 42
Artikel 30 Verevening van pensioen 43
HOOFDSTUK VII AFKOOP 45
Artikel 31 Afkoop klein ouderdomspensioen bij beëindiging deelneming 45
Artikel 32 Afkoop klein partnerpensioen of wezenpensioen bij ingang 46
Artikel 33 Afkoop klein bijzonder partnerpensioen bij scheiding 46
HOOFDSTUK VIII TOESLAGVERLENING 47
Artikel 34 Toeslagbeleid 47
Artikel 35 Uitvoering 47
Artikel 36 Uitruil van ouderdomspensioen in partnerpensioen 47
Artikel 37 Uitruil van partnerpensioen in ouderdomspensioen 48
HOOFDSTUK IX HERSCHIKKEN 49
Artikel 38 Vervroegen van het ouderdomspensioen 49
HOOFDSTUK X INFORMATIEVERSTREKKING DOOR HET FONDS 50
Artikel 39 Informatie over de pensioenregeling 50
Artikel 40 Jaarlijkse pensioenopgave 51
Artikel 41 Informatie aan gewezen deelnemers 51
Artikel 42 Informatie aan gewezen partners 52
Artikel 43 Informatie aan pensioengerechtigden 52
Artikel 44 Informatie over toeslagverlening 52
Artikel 45 Informatie op verzoek 52
Artikel 46 Informatie bij vertrek naar een andere lidstaat 53
HOOFDSTUK XI AANVULLENDE PENSIOENVERZEKERINGEN 53
Artikel 47 Sluiten van aanvullende verzekeringen 53
Artikel 48 Eindigen van aanvullende verzekeringen 54
HOOFDSTUK XII OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN 55
Artikel 49 Inwerkingtreding 55
Artikel 50 Overgangsbepalingen 55
Artikel 51 Hardheidsclausule 56
4 uitvoeringsreglement 59
Hoofdstuk I Algemene bepalingen 59
Artikel 1 Definities 59
Artikel 2 De verplichte pensioenregeling 60
Artikel 3 Aanvullende pensioenregeling 60
Hoofdstuk II Wijze van vaststelling van de verschuldigde premie 60
Artikel 4 Vaststelling van de premie voor de verplichte pensioenregeling 60
Artikel 5 Vaststelling van de premie voor de aanvullende pensioenregeling 61
Artikel 6 Verschuldigdheid van de premie 61
Hoofdstuk III Wijze van betaling van de premie in termijnen 61
Artikel 7 Betaling van de premie in termijnen 61
Artikel 8 Overschrijding betalingstermijn 62
Hoofdstuk IV Verplichting van de werkgever om informatie te verstrekken 62
Artikel 9 Informatieplicht van de werkgever 62
Artikel 10 Niet nakomen van informatieplicht door de werkgever 63
Artikel 11 Informatieverstrekking door het fonds 63
Hoofdstuk V Procedures bij niet nakomen van premiebetalingsverplichtingen 64
Artikel 12 Melding premieachterstand 64
Artikel 13 Uitoefening rechtsmiddelen ter incasso 64
Artikel 14 Informeren van deelnemers over betalingsachterstand 64
Hoofdstuk VI Procedures bij wijziging van de pensioenovereenkomst en het pensioenreglement 64
Artikel 15 Aanpassing van het pensioenreglement aan de pensioenovereenkomst 64
Hoofdstuk VII De voorwaarden waaronder toeslagverlening plaatsvindt 65
Artikel 16 Voorwaarden voor toeslagverlening 65
Hoofdstuk VIII Uitgangspunten en procedures bij besluitvorming over vermogenstekorten, vermogensoverschotten en winstdeling 65
Artikel 17 Herstelplannen 65
Artikel 18 Sturingsmiddelen 65
Artikel 19 Korting van pensioenaanspraken en pensioenrechten 65
Hoofdstuk IX Mogelijkheid om premiekorting te verlenen 66
Artikel 20 Premiekorting 66
Artikel 21 Terugstorting 66
Hoofdstuk X Mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting van de pensioenregeling na beëindiging van de dienstbetrekking 66
Artikel 22 Voortzetting deelneming door inactieve deelnemers 66
Artikel 23 Wettelijke voorwaarden bij vrijwillige voortzetting 66
Hoofdstuk XI Vrijstelling van verplichte deelneming in het fonds 67
Artikel 24 Voorwaarden voor vrijstelling 67
Artikel 25 Redenen voor vrijstelling 67
Artikel 26 Procedure inzake verzoek tot vrijstelling 67
Artikel 27 Intrekking van de vrijstelling 67
Artikel 28 Nadere regelgeving 67
Hoofdstuk XII Gemoedsbezwaarde werkgevers 68
Artikel 29 Aanvraag van vrijstelling 68
Artikel 30 Vervangende spaarbijdrage 68
Artikel 31 Vrijstelling geldt voor vijf jaar 68
Artikel 32 Beëindiging vrijstelling 68
Hoofdstuk XIII Klachten en geschillen 68
Artikel 33 Klachten 68
Artikel 34 Geschillen 69
Hoofdstuk XIV Slotbepaling 70
Artikel 35 Inwerkingtreding 70
5 reglement van de deelnemersraad 71
HOOFDSTUK I Begripsbepalingen 71
Artikel 1 71
HOOFDSTUK II Samenstelling en zittingsduur 71
Artikel 2 Samenstelling 71
Artikel 3 Zittingsduur 72
Artikel 4 Tussentijdse vacature 72
HOOFDSTUK III Bevoegdheden van de deelnemersraad 72
Artikel 5 Adviesrecht 72
Artikel 6 Informatie omtrent advies 73
Artikel 7 Informatie aan deelnemersraad 73
Artikel 8 Beroep deelnemersraad bij ondernemingskamer 73
Artikel 9 Beroep geleding deelnemersraad bij ondernemingskamer 74
Artikel 10 Geheimhoudingsplicht 74
HOOFDSTUK IV Voorzieningen en Secretariële ondersteuning voor de deelnemersraad 74
Artikel 11 Voorzieningen deelnemersraad 74
Artikel 12 Secretariaat 75
HOOFDSTUK V Werkwijze van de deelnemersraad 75
Artikel 13 Besluitvorming 75
HOOFDSTUK VI Slotbepaling en inwerkingtreding 76
Artikel 14 76
6 reglement van het verantwoordingsorgaan 77
Hoofdstuk I Algemene bepalingen 77
Artikel 1 Begripsbepalingen 77
Artikel 2 Samenstelling 77
Artikel 3 Zittingsduur 78
Artikel 4 Tussentijdse vacature 78
Hoofdstuk II Taken en bevoegdheden van het verantwoordingsorgaan 78
Artikel 5 Oordeel van het verantwoordingsorgaan 78
Artikel 6 Publicatie van het oordeel 78
Artikel 7 Overleg met het bestuur 79
Artikel 8 Recht op informatie en overleg externe deskundigen en toezichthouders 79
Artikel 9 Adviesrecht 79
Artikel 10 Enquêterecht 79
Artikel 11 Geheimhoudingsplicht 80
Hoofdstuk III Werkwijze van het verantwoordingsorgaan 80
Artikel 12 Vergaderingen 80
Artikel 13 Besluitvorming in vergadering 80
Artikel 14 Schriftelijke besluitvorming 81
Artikel 15 Voorzieningen verantwoordingsorgaan 81
Hoofdstuk IV Slotbepaling en inwerkingtreding 82
Artikel 16 Inwerkingtreding 82
7 reglement van de visitatiecommissie 83
Artikel 1 Begripsomschrijvingen 83
Artikel 2 Samenstelling 83
Artikel 3 Organisatie, taken en bevoegdheden 83
Artikel 4 Werkwijze en rapportage 83
Artikel 5 Voorzieningen en vergoedingen 84
Artikel 6 Geheimhouding 84
Artikel 7 Vaststelling en wijziging van het reglement 84
Artikel 8 Inwerkingtreding 84
8 reglement van de geschillencommissie 85
Artikel 1 Begripsbepalingen 85
Artikel 2 Samenstelling en benoeming van de commissie 85
Artikel 3 Secretaris 85
Artikel 4 Geheimhoudingsplicht en vergoedingen 86
Artikel 5 Taak en bevoegdheid van de commissie 86
Artikel 6 Aanhangig maken van een geschil 86
Artikel 7 Behandeling van het geschil 86
Artikel 8 Oproeping van partijen 87
Artikel 9 Vergadering 87
Artikel 10 Beslissing van de commissie 88
Artikel 11 Inhoud van de beslissing 88
Artikel 12 Kosten 88
Artikel 13 Wraking en verschoning 89
Artikel 14 Toetsing van het bindend advies 89
Artikel 15 Inwerkingtreding 89
9 reglement van de adviescommissie bezwaarschriften vrijstellingsbesluiten 90
Artikel 1 Begripsomschrijvingen 90
Artikel 2 Samenstelling en benoeming van de adviescommissie 90
Artikel 3 Bevoegdheid van de adviescommissie 91
Artikel 4 Indiening bezwaarschrift 91
Artikel 5 Vormvereisten bezwaarschrift 91
Artikel 6 Niet-ontvankelijk verklaring 91
Artikel 7 Tijdstip indiening 91
Artikel 8 Hoorprocedure 91
Artikel 9 Afzien van het horen 92
Artikel 10 Wraking 92
Artikel 11 Mogelijkheid van machtiging 92
Artikel 12 De inhoud van het advies van de adviescommissie 92
Artikel 13 Vormvereisten advies adviescommissie en besluit bestuur 92
Artikel 14 Geheimhoudingsplicht 93
Artikel 15 Kosten 93
Artikel 16 Algemene wet bestuursrecht 93
Artikel 17 Niet voorziene gevallen 93
Artikel 18 Inwerkingtreding 93
1 verplichtstelling
Verplichtstelling van de deelneming in het Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf
De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid heeft bij besluit van 29 november 1968, Directoraat-Generaal voor Sociale Voorzieningen, Directie Sociale Verzekering, Afdeling P. en S., nr. 63963, met ingang van 30 december 1968 de deelneming in het Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf verplicht gesteld.
Dit besluit is diverse malen gewijzigd, voor het laatst bij besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 februari 2008, nr. UAW/CAV/07/32940/12. Met inachtneming van bedoelde wijzigingen luidt de verplichtstelling als volgt.
De deelneming in de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf is verplicht gesteld voor de werknemers vanaf de eerste dag van de maand, waarin de 21-jarige leeftijd wordt bereikt tot de eerste dag van de maand, waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt, met dien verstande dat de verplichtstelling niet geldt voor de werknemers, die ingevolge enige beschikking krachtens artikel 3, eerste lid, van de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds, zoals deze beschikking op 30 december 1968 luidde, verplicht zijn tot deelneming in een ander bedrijfstakpensioenfonds.
Hierbij wordt verstaan onder:
a. werknemer: degene, die tot een werkgever in dienstbetrekking staat in de zin van de sociale werknemersverzekeringen;
b. werkgever:
iedere natuurlijke of rechtspersoon die een schoonmaak- respectievelijk glazenwassersbedrijf uitoefent;
c. schoonmaak- respectievelijk glazenwassersbedrijf:
iedere onderneming, die haar hoofd- of nevenberoep maakt van het periodiek dan wel telkens voor eenmaal schoonmaken, respectievelijk glazenwassen in, op of aan gebouwen, terreinen en verkeersmiddelen, alsmede het verrichten van daarmee verwante werkzaamheden, een en ander in de ruimste zin des woords, uitgevoerd als neventaak binnen dan wel bij schoonmaak- respectievelijk glazenwasseractiviteiten.
2 statuten
Artikel 1 Naam en zetel
1. De Stichting draagt de naam: Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf.
2. De Stichting is gevestigd te Utrecht.
Artikel 2 Begripsbepalingen
In deze statuten wordt verstaan onder:
1. fonds: de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf;
2. toezichthouder: de Stichting Autoriteit Financiële Markten of De Nederlandsche Bank N.V, ieder voor zover belast met de uitoefening van het toezicht bij of krachtens artikel 151 van de Pensioenwet;
3. werkgever: de in artikel 5 bedoelde werkgever;
4. aangesloten werkgever: de in artikel 6 bedoelde werkgever;
5. werknemer: de in artikel 7 bedoelde werknemer;
6. deelnemer: de in artikel 8 bedoelde deelnemer;
7. gewezen deelnemer: de werknemer of gewezen werknemer door wie op grond van het pensioenreglement geen pensioen meer wordt verworven en die bij beëindiging van de deelneming een pensioenaanspraak heeft behouden jegens het fonds;
8. aanspraakgerechtigde: persoon die begunstigde is voor een nog niet ingegaan pensioen;
9. pensioengerechtigde: persoon voor wie op grond van het pensioenreglement het pensioen is ingegaan;
10. bestuur: het in artikel 9 bedoelde bestuur;
11. administrateur: de in artikel 13 bedoelde administrateur;
12. uitvoeringsreglement: de door het fonds opgestelde regeling met betrekking tot de verhouding tussen fonds en werkgever;
13. pensioenreglement: de door het fonds opgestelde regeling met betrekking tot de verhouding tussen fonds en deelnemer;
14. wet: de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.
Artikel 3 Doel, middelen en werkwijze
1. Het fonds heeft ten doel het verlenen van pensioenen aan de deelnemers, de gewezen deelnemers, alsmede aan hun nagelaten betrekkingen.
2. Het fonds tracht dit doel te bereiken door:
a. premies te innen bij de aangesloten ondernemingen, deze gelden te beleggen en te beheren en daaruit uitkeringen toe te kennen bij ouderdom, overlijden en arbeidsongeschiktheid, een en ander overeenkomstig de regels gesteld in het uitvoeringsreglement dan wel het pensioenreglement;
b. andere wettige middelen, die tot het bereiken van het doel bevorderlijk kunnen zijn.
3. Het fonds werkt volgens een actuariële en bedrijfstechnische nota, waarin in elk geval een omschrijving is opgenomen van de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan:
a. de regeling met betrekking tot de onderwerpen opgenomen in het uitvoeringsreglement;
b. het voorschrift dat bij voorwaardelijke toeslagverlening er een consistent geheel dient te zijn tussen de gewekte verwachtingen, de financiering en het realiseren van voorwaardelijke toeslagen;
c. de in de Pensioenwet opgenomen voorschriften met betrekking tot de vaststelling van technische voorzieningen, financiering van ouderdomspensioen, de hoogte van de kostendekkende premie, terugstorting of premiekorting, vermelding van de premie in de jaarrekening en het jaarverslag, het minimaal vereist eigen vermogen, het vereist eigen vermogen, de dekking door waarden, korting van pensioenaanspraken en pensioenrechten, de eisen ten aanzien van beleggingen, het aangaan van leningen en de financiering van voorwaardelijke toeslagverlening.
4. De gelden van het fonds worden door het bestuur belegd in overeenstemming met de prudent-person regel. Het beleggingsbeleid is met name gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
a. de waarden worden belegd in het belang van de aanspraak- en pensioengerechtigden; en
b. de beleggingen worden gewaardeerd op basis van marktwaardering.
5. De actuariële en bedrijfstechnische nota bevat voorts een verklaring inzake beleggingsbeginselen en een beschrijving van de sturingsmiddelen. De verklaring inzake beleggingsbeginselen wordt om de drie jaar en voorts onverwijld na iedere belangrijke wijziging van het beleggingsbeleid herzien.
6. De actuariële en bedrijfstechnische nota voldoet overigens aan de voorschriften opgenomen in het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.
7. Het fonds zendt een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de wijzigingen in de actuariële en bedrijfstechnische nota binnen twee weken na totstandkoming van die wijziging aan de toezichthouder.
Artikel 4 Geldmiddelen
1. De inkomsten van het fonds bestaan uit:
a. de bijdragen van de aangesloten werkgevers;
b. de bijdragen van de deelnemers;
c. de te kweken renten;
d. al hetgeen op andere wijze wordt verworven.
2. De uitgaven van het fonds bestaan uit:
a. uitkeringen aan deelnemers, gewezen deelnemers en hun nagelaten betrekkingen;
b. overige uitgaven.
Artikel 5 Werkgever
1. Onder werkgever wordt verstaan iedere natuurlijke of rechtspersoon die een schoonmaak- respectievelijk glazenwassersbedrijf uitoefent.
2. Onder schoonmaak- respectievelijk glazenwassersbedrijf wordt verstaan: iedere onderneming, die haar hoofd- of nevenberoep maakt van het periodiek dan wel telkens voor eenmaal schoonmaken, respectievelijk glazenwassen in, op of aan gebouwen, terreinen en verkeersmiddelen, alsmede het verrichten van daarmee verwante werkzaamheden, een en ander in de ruimste zin des woords, uitgevoerd als neventaak binnen danwel bij schoonmaak- respectievelijk glazenwassersactiviteiten.
Artikel 6 Aangesloten werkgever
1. Aangesloten werkgever is:
a. de werkgever die één of meer werknemers in dienst heeft, die vallen onder de verplichtstelling krachtens de wet;
b. de werkgever die niet onder de werkingssfeer van het fond valt, met wie het fonds een uitvoeringsovereenkomst heeft gesloten;
c. de stichting die wegens vrijwillig vervroegde uittreding aan gewezen werknemers een inkomensvervangende uitkering vertrekt.
2. Het fonds kan een uitvoeringsovereenkomst sluiten met een werkgever die niet onder de werkingssfeer van het fonds valt, maar die zich op vrijwillige basis bij het fonds wil aansluiten, indien:
a. de loonontwikkeling bij deze werkgever ten minste gelijk is aan die volgens de CAO in het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf en de werkgever de door de Raad voor Arbeidsverhoudingen Schoonmaak- en Glazenwassersbranche (RAS) vastgestelde premie aan de RAS afdraagt;
b. er sprake is van een groepsverhouding tussen de werkgever die zich vrijwillig wil aansluiten en een andere werkgever die onder de werkingssfeer van het fonds valt; of
c. dit aansluitend gebeurt aan een periode waarin de werkgever wel onder de werkingssfeer van het fonds viel.
Artikel 7 Werknemer
Onder werknemer wordt verstaan degene die in dienstbetrekking staat in de zin van de sociale werknemersverzekeringen tot een werkgever als bedoeld in artikel 5, eerste lid, dan wel in artikel 6, eerste lid, onder c.
Artikel 8 Deelnemer
Deelnemer is:
a. de werknemer die verplicht is tot deelneming in het fonds op grond van de verplichtstelling krachtens de wet;
b. de werknemer die verplicht is tot deelneming in het fonds op grond van een tussen zijn werkgever en het fonds gesloten toelatingsovereenkomst;
c. de gewezen werknemer indien en zolang zijn deelneming overeenkomstig het pensioenreglement wordt voortgezet.
Artikel 9 Bestuur
1. Het bestuur van het fonds bestaat uit zes leden, van wie drie worden benoemd door de werkgeversverenigingen, te weten: de Ondernemersorganisatie Schoonmaak- en Bedrijfsdiensten; en drie door de werknemersverenigingen, te weten:
a. de FNV Bondgenoten;
b. de CNV BedrijvenBond;
tezamen in onderling overleg.
2. De bestuursleden zijn deskundig in verband met de uitoefening van het bedrijf van het pensioenfonds.
3. Het bestuur draagt er zorg voor dat de betrouwbaarheid van de bestuursleden buiten twijfel staat. De betrouwbaarheid van een persoon staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door de toezichthouder voor de toepassing van de Pensioenwet is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een
nieuwe beoordeling. Indien zich een wijziging voordoet van de antecedenten die van invloed is op de betrouwbaarheid van de bestuursleden, stelt het fonds de toezichthouder daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.
4. Het bestuur meldt elke wijziging in de samenstelling van het bestuur vooraf aan de toezichthouder. Een dergelijke wijziging wordt niet doorgevoerd indien:
a. de toezichthouder binnen zes weken na ontvangst van de melding van de wijziging aan het fonds bekend maakt dat het niet met de voorgenomen wijziging instemt; of
b. de toezichthouder om nadere gegevens of inlichtingen heeft verzocht en binnen zes weken na ontvangst van die gegevens of inlichtingen aan het bestuur bekend maakt dat het niet met de voorgenomen wijziging instemt.
5. Het lidmaatschap van het bestuur eindigt door het periodiek aftreden, opzeggen, overlijden, alsmede bij intrekking van de benoeming door de betrokken vereniging dan wel verenigingen.
6. Een bestuurslid kan door het bestuur worden geschorst indien naar het oordeel van het bestuur de belangen van het fonds tijdelijk conflicteren met de belangen van het desbetreffende bestuurslid. Gedurende de periode van schorsing kan het geschorste bestuurslid de aan het bestuurslidmaatschap verbonden rechten niet uitoefenen. De schorsing zal worden opgeheven indien naar het oordeel van het bestuur niet langer sprake is van een belangenconflict.
7. Het bestuur stelt een procedure vast voor een periodieke evaluatie van het functioneren van het bestuur als geheel en het functioneren van de individuele bestuursleden. Indien het bestuur na het volgen van deze procedure van oordeel is dat er sprake is van een situatie van permanent disfunctioneren door een bestuurslid, zal het de werkgevers- of werknemersvereniging die het desbetreffende lid heeft benoemd, schriftelijk en met redenen omkleed, verzoeken de benoeming in te trekken en een ander bestuurslid te benoemen.
8. Ieder jaar in de maand januari treedt een werkgeversbestuurslid en een werknemersbestuurslid af volgens een door het bestuur op te maken rooster. De aftredenden zijn, met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid, onmiddellijk her-benoembaar.
9. In een vacature wordt zo spoedig mogelijk na het ontstaan daarvan voorzien door de daarvoor, gelet op het bepaalde in lid 1, in aanmerking komende vereniging dan wel verenigingen. Een bestuurslid dat in zulk een vacature is benoemd, treedt af op het tijdstip, waarop degene, die hij opvolgt, moest aftreden. Het bestuur kan zijn bevoegdheden uitoefenen, ook wanneer er vacatures zijn.
10. Het bestuur stelt een vergoedingsregeling voor de leden van het bestuur vast. Zij ontvangen op grond van deze regeling voor het bijwonen van vergaderingen of daarmee gelijk te stellen bijeenkomsten een vacatiegeld en een vergoeding van de gemaakte reis- en verblijfkosten.
11. Het bestuur wijst een werkgeversbestuurslid en een werknemersbestuurslid aan, die beurtelings voor de tijd van een kalenderjaar als voorzitter optreden. Het bestuur bepaalt wie voor het eerst als voorzitter zal optreden. Bij ontstentenis van de fungerende voorzitter treedt de andere voorzitter als zodanig op.
12. Evenzo wijst het bestuur een werkgeversbestuurslid en een werknemersbestuurslid aan, die om beurten voor de tijd van een kalenderjaar als secretaris optreden, met dien verstande, dat met de voorzitter-werkgever de secretaris-werknemer en met de voorzitter-werknemer de secretaris-werkgever fungeert. Bij ontstentenis van de fungerende secretaris treedt de andere secretaris als zodanig op.
Artikel 10 Taken en bevoegdheden van het bestuur en vertegenwoordiging
1. Het bestuur is belast met de bepaling van het beleid van het fonds, alsmede met de zorg voor de uitvoering en handhaving van de statuten en de reglementen. Het dagelijks beleid van het fonds wordt bepaald door ten minste twee personen uit het bestuur.
2. Het bestuur is bevoegd alle handelingen – daaronder begrepen het besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen, daaronder echter niet begrepen het aangaan van overeenkomsten waarbij het fonds zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een ander verbindt – te verrichten, voor zover daaromtrent bij of krachtens wettelijke voorschriften, respectievelijk bij of krachtens deze statuten of het pensioenreglement van het fonds niet anders is bepaald.
3. Het bestuur kan zijn bevoegdheden geheel of gedeeltelijk delegeren aan de voorzitter en de secretaris gezamenlijk of aan de administrateur. De gedelegeerde bevoegdheden worden uitgeoefend onder toezicht en verantwoordelijkheid van het bestuur.
4. De voorzitter en de secretaris van het bestuur vertegenwoordigen gezamenlijk het fonds.
5. Alle van het bestuur uitgaande stukken worden door de voorzitter en de secretaris ondertekend.
6. Het bestuur is bevoegd om ook de administrateur tekeningsbevoegdheid te geven.
7. De bestuursleden richten zich bij de vervulling van hun taak naar de belangen van de bij het fonds betrokken deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, de pensioengerechtigden en de werkgevers en zorgen ervoor dat dezen zich door hen op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen.
Artikel 11 Bestuursvergaderingen en besluitvorming
1. Het bestuur vergadert ten minste eenmaal per jaar en voorts zo dikwijls de voorzitter dit nodig acht of ten minste twee bestuursleden zulks wensen. In het laatste geval is de voorzitter verplicht een bestuursvergadering uit te schrijven binnen een maand nadat een desbetreffend schriftelijk verzoek door hem is ontvangen.
2. De oproeping voor alle vergaderingen geschiedt door of namens de voorzitter per schriftelijke convocatie. De te behandelen punten worden in de oproeping vermeld. Andere punten kunnen slechts worden behandeld in een vergadering, waarin ten minste vier der bestuursleden aanwezig zijn, tenzij een der aanwezige leden zich tegen behandeling verzet.
3. Indien de voorzitter geen gevolg geeft aan een verzoek ingevolge het eerste lid, zijn de betrokken leden van het bestuur gezamenlijk tot de convocatie der vergadering bevoegd.
4. Ter vergadering brengen de aanwezige werkgeversbestuursleden gezamenlijk evenveel stemmen uit als door de aanwezige werknemersbestuursleden worden uitgebracht. Zijn de aantallen ter vergadering aanwezige werkgeversbestuursleden en werknemersbestuursleden even groot, dan brengt ieder lid van het bestuur een stem uit. Zijn de aantallen ter vergadering aanwezige werkgevers- en werknemersbestuursleden niet even groot, dan brengt elk der leden van die groep, waarvan het kleinste aantal ter vergadering aanwezig is, zoveel stemmen uit als overeenkomt met het aantal leden van die groep, waarvan het grootste aantal ter vergadering aanwezig is. Elk der leden van de groep, waarvan het grootste aantal aanwezig is, brengt alsdan zoveel stemmen uit als overeenkomt met het aantal leden van die groep, waarvan het kleinste aantal ter vergadering aanwezig is.
5. Het bestuur is slechts bevoegd tot het nemen van beslissingen, wanneer ten minste vier der bestuursleden ter vergadering aanwezig zijn. Ingeval ter vergadering niet het voor het nemen van een beslissing vereiste aantal bestuursleden aanwezig is, wordt het bestuur binnen een maand opnieuw in vergadering bijeengeroepen. In die vergadering kan, ongeacht het aantal aanwezige bestuursleden, een besluit worden genomen over die voorstellen, waarover in de eerst uitgeschreven vergadering wegens onvoltalligheid geen besluit kon worden genomen.
6. Tenzij in deze statuten uitdrukkelijk anders is bepaald, worden alle besluiten in een bestuursvergadering over zaken genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen. Blanco uitgebrachte stemmen tellen niet mee bij de berekening van het aantal stemmen, dat de volstrekte meerderheid uitmaakt. Bij staking van stemmen wordt, tenzij de vergadering voltallig is, het nemen van een besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. In deze en evenzo in een voltallige vergadering wordt bij staking van stemmen het voorstel geacht te zijn verworpen. De stemming moet geschieden bij hoofdelijke oproeping, wanneer één van de bestuursleden dit verlangt en alsdan mondeling. De stemming over personen geschiedt, behoudens in die gevallen, waarin de verkiezing bij acclamatie plaats-heeft, met gesloten en ongetekende briefjes. De volstrekte meerderheid van stemmen beslist. Heeft bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid verkregen, dan heeft een tweede vrije stemming plaats. Is er ook dan geen volstrekte meerderheid, dan heeft er tussen de kandidaten, die alsdan de meeste stemmen verkregen hebben, een her-stemming plaats nadat zonodig door een tussenstemming is uitgemaakt tussen welke personen de herstemming zal plaatshebben. Zo bij deze tussenstemming of herstemming de stemmen staken, beslist het lot.
7. Onverminderd het bepaalde in artikel 17, eerste lid, kan het bestuur ook buiten vergadering besluiten nemen, mits dat geschiedt via schriftelijke voorlegging aan alle leden van het bestuur, waarbij ieder bestuurslid de gelegenheid krijgt zich over de desbetreffende voorstellen uit te spreken. Indien een bestuurslid de wens daartoe te kennen geeft, wordt het besluit aangehouden tot de volgende bestuursvergadering.
8. Ieder van de bestuursleden is bevoegd een deskundige te raadplegen, alsmede zich krachtens een bestuursbesluit, waarbij ten minste een vierde van de bestuursleden zich daarvóór heeft uitgesproken, ter vergadering door een deskundige te laten bijstaan.
Artikel 12 Deelnemersraad
1. De deelnemersraad van het fonds bestaat uit vijf leden.
2. In de deelnemersraad zijn de deelnemers en de pensioengerechtigden die een ouderdomspensioen of partnerpensioen van het fonds ontvangen evenredig op basis van onderlinge getalsverhoudingen vertegenwoordigd, met dien verstande dat iedere geleding in de deelnemersraad ten minste één zetel bezet.
3. Werknemersverenigingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, en verenigingen van pensioengerechtigden zijn evenredig aan hun ledentallen binnen het fonds vertegenwoordigd in de deelnemersraad, onverminderd het tweede lid. Deze verenigingen benoemen de leden van de deelnemersraad. Zij bepalen in onderling overleg hoeveel van de leden door elk van hen worden benoemd.
4. Het lidmaatschap van de deelnemersraad is niet verenigbaar met het lidmaatschap van het bestuur of het intern toezicht.
5. Het bestuur en de deelnemersraad komen ten minste tweemaal per jaar in vergadering bijeen.
6. Het bestuur stelt een reglement vast waarin de werkwijze van de deelnemersraad wordt vastgelegd, hetgeen onder meer inhoudt:
a. de wijze waarop en de gevallen waarin vergaderingen van de deelnemersraad worden bijeengeroepen;
b. de wijze waarop de deelnemersraad in de vergaderingen besluiten neemt;
c. de wijze waarop de deelnemersraad adviezen samenstelt en aan het bestuur ter kennis brengt. De deelnemersraad is verplicht om zich te houden aan de procedures die zijn vastgelegd in het reglement.
7. De leden van de deelnemersraad ontvangen voor het bijwonen van vergaderingen of daarmee gelijk te stellen bijeenkomsten een vacatiegeld en een vergoeding van de gemaakte reis- en verblijfkosten.
Artikel 13 Bevoegdheden van de deelnemersraad
1. De deelnemersraad adviseert het bestuur desgevraagd of uit eigen beweging over aangelegenheden die het fonds betreffen.
2. Het bestuur stelt de deelnemersraad in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit van het bestuur tot:
a. het nemen van maatregelen van algemene strekking;
b. wijziging van de statuten en reglementen van het fonds;
c. vaststelling van het jaarverslag, de begroting, de jaarrekening, de actuariële en bedrijfstechnische nota en een langetermijnherstelplan;
d. vermindering van de verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten;
e. het vaststellen en wijzigen van het toeslagbeleid, dan wel het verlenen van toeslagen;
f. gehele of gedeeltelijke overdracht van de verplichtingen van het fonds of de overname van verplichtingen door het fonds;
g. liquidatie van het fonds;
h. het sluiten, wijzigen of beëindigen van een uitvoeringsovereenkomst;
i. het terugstorten van premie of geven van premiekorting.
3. Naast het adviesrecht heeft de deelnemersraad een beroepsrecht.
4. De bepalingen aangaande bevoegdheden van de deelnemersraad in de Pensioenwet zijn van toepassing.
Artikel 14 Verantwoordingsorgaan
1. Het verantwoordingsorgaan van het fonds bestaat uit drie leden.
2. In het verantwoordingsorgaan zijn de deelnemers, de pensioengerechtigden en de aangesloten werkgevers gelijkelijk vertegenwoordigd.
3. De in artikel 9, eerste lid, genoemde werkgeversvereniging benoemt en ontslaat het lid van het verantwoordingsorgaan, dat de aangesloten werkgevers vertegenwoordigt. De in artikel 9, eerste lid, genoemde werknemersverenigingen, alsmede verenigingen van pensioengerechtigden benoemen en ontslaan de leden van het verantwoordingsorgaan, die de deelnemers en de pensioengerechtigden vertegenwoordigen.
4. Het verantwoordingsorgaan kan zijn bevoegdheden uitoefenen, ook wanneer er vacatures zijn.
5. Het lidmaatschap van het verantwoordingsorgaan is niet verenigbaar met het lidmaatschap van het bestuur of het intern toezicht.
6. Het bestuur stelt een reglement vast waarin de werkwijze van het verantwoordingsorgaan wordt vastgelegd, hetgeen ondermeer inhoudt:
a. de wijze waarop en de gevallen waarin vergaderingen van het verantwoordingsorgaan worden bijeengeroepen;
b. de wijze waarop het verantwoordingsorgaan in en buiten de vergaderingen besluiten neemt;
c. de wijze waarop het verantwoordingsorgaan tot een oordeel komt dan wel adviezen samenstelt en dit oordeel dan wel deze adviezen aan het bestuur ter kennis brengt. Het verantwoordingsorgaan is verplicht om zich te houden aan de procedures die zijn vastgelegd in het reglement.
7. De leden van het verantwoordingsorgaan ontvangen voor het bijwonen van vergaderingen of daarmee gelijk te stellen bijeenkomsten een vacatiegeld en een vergoeding van de gemaakte reis- en verblijfkosten.
Artikel 15 Bevoegdheden van het verantwoordingsorgaan
1. Het verantwoordingsorgaan heeft de bevoegdheid een oordeel te geven over het handelen van het bestuur, over het door het bestuur uitgevoerde beleid, alsmede over beleidskeuzes voor de toekomst.
2. Het verantwoordingsorgaan heeft een adviesrecht en een enquêterecht. De relevante artikelen in de Pensioenwet, alsmede de principes in hoofdstuk 4.B van de Principes voor goed pensioenfondsbestuur zoals vastgesteld door de Stichting van de Arbeid op 16 december 2005, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16 Intern toezicht
1. Het bestuur draagt zorg voor de organisatie van een transparant intern toezicht.
2. Het intern toezicht heeft betrekking op het kritisch bezien van het functioneren van (het bestuur van) het fonds door onafhankelijke deskundigen.
3. Het bestuur benoemt een visitatiecommissie, die bestaat uit ten minste drie onafhankelijke deskundigen.
4. Het bestuur geeft eenmaal per drie jaar, of – gehoord het verantwoordingsorgaan – vaker als daartoe aanleiding is, een visitatiecommissie opdracht het functioneren van (het bestuur van) het fonds te bezien.
5. De visitatiecommissie rapporteert aan het bestuur. Het bestuur bespreekt de rapportage van de visitatiecommissie en de eventueel daarop gebaseerde (voorgenomen) bestuursbesluiten met het verantwoordingsorgaan. De bevindingen van het intern toezicht worden in het jaarverslag vermeld.
6. Het bestuur stelt een reglement vast waarin de taken en bevoegdheden van de visitatiecommissie en zijn werkwijze worden vastgelegd.
Artikel 17 Administrateur
1. De uitvoering van de pensioenregeling bestaat uit pensioenbeheer, vermogensbeheer en vastgoedbeheer. Deze werkzaamheden worden onder toezicht en verantwoordelijkheid van het bestuur opgedragen aan een daarvoor door het bestuur aan te wijzen administrateur.
2. De opdracht tot het uitvoeren van het pensioenbeheer, vermogensbeheer en vastgoedbeheer aan de administrateur wordt schriftelijk vastgelegd in een beheerovereenkomst, die de rechten en verplichtingen van het fonds en de administrateur ten opzichte van elkaar regelt.
3. De afspraken over de kwaliteit van de dienstverlening door de administrateur worden nader vastgelegd in dienstverleningsovereenkomsten voor pensioenbeheer, vermogensbeheer en vastgoedbeheer, die behoren bij de beheerovereenkomst.
4. De administrateur is verplicht zich te doen vertegenwoordigen in de vergaderingen van het bestuur.
Artikel 18 Actuaris
1. Het bestuur benoemt een actuaris, die bevoegd is tot het waarmerken van de jaarlijks actuariële staten en het actuarieel verslag. De actuaris is onafhankelijk van het fonds en verricht geen andere werkzaamheden voor het fonds.
2. In het actuarieel verslag, dat jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar ten behoeve van het bestuur wordt opgesteld, wordt een beoordeling gegeven van de financiële opzet van het fonds en de grondslagen waarop het rust. De actuaris laat het actuarieel verslag vergezeld gaan van een verklaring.
3. De actuaris is gerechtigd tot inzage van die boeken en bescheiden van het fonds, waarvan de inzage voor een juiste vervulling van zijn taak nodig is.
4. Alvorens een besluit wordt genomen, strekkende tot wijziging van de rechten of verplichtingen van de werkgevers, deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en de pensioengerechtigden, wint het bestuur advies in van een andere actuaris.
Artikel 19 Accountant
1. Het bestuur draagt de controle van de administratie van het fonds op aan een registeraccountant.
2. De accountant is gerechtigd tot inzage van alle boeken en bescheiden van het fonds. De waarden van het fonds moeten hem desverlangd worden getoond.
Artikel 20 Boekjaar
Het boekjaar van het fonds loopt van 1 januari tot en met 31 december.
Artikel 21 Statutenwijziging en ontbinding
1. Besluiten tot wijziging der statuten, alsook een besluit tot ontbinding van het fonds kunnen alleen door het bestuur worden genomen in een bijzonderlijk daartoe uitgeschreven vergadering, waar ten minste vier bestuursleden aanwezig zijn en indien ten minste twee/derde der ter vergadering uitgebrachte geldige stemmen zich daarvóór verklaart.
2. Voorstellen tot ontbinding van het fonds worden niet in behandeling genomen dan nadat daartoe een schriftelijk advies is ingewonnen van de in artikel 9, eerste lid, genoemde verenigingen. Voor het uitbrengen van deze adviezen moet een termijn van minstens een maand worden gegeven.
Artikel 22 Intrekking van de verplichtstelling
1. Indien de verplichtstelling krachtens de wet wordt ingetrokken en niet binnen zes maanden daarna een besluit tot ontbinding van het fonds in werking treedt, zullen aan degenen, wier deelneming als gevolg van de intrekking komt te vervallen, dezelfde aanspraken worden toegekend, die bij het beëindigen van de deelneming op andere wijze ingevolge het pensioenreglement van het fonds aan de betrokkenen toekomen.
2. Treedt bij intrekking der verplichtstelling, als in het voorgaande lid bedoeld, binnen zes maanden daarna een besluit tot ontbinding van het fonds in werking, dan zullen aan degenen, wier deelneming als gevolg van deze intrekking komt te vervallen, premievrije aanspraken worden toegekend op de wijze als in artikel 20, derde lid, is bepaald.
Artikel 23 Vereffening
1. Bij ontbinding van het fonds geschiedt de vereffening door een daartoe door het bestuur aan te wijzen commissie.
2. De met de vereffening belaste commissie treedt in de bevoegdheden en de verplichtingen van het bestuur met dien verstande, dat na het inwerkingtreden van het besluit tot ontbinding:
a. door werkgevers en deelnemers geen premies meer verschuldigd zullen worden;
b. geen wijzigingen in de statuten en het pensioenreglement van het fonds mogen worden aangebracht.
3. Bij vereffening wordt eerst een zodanig bedrag uitgetrokken, dat de uitkeringen aan hen, van wie het pensioen reeds is ingegaan, tot de reglementaire einddatum kunnen worden voortgezet. Vervolgens worden aan alle deelnemers, gewezen deelnemers en andere aanspraakgerechtigden en de pensioengerechtigden premievrije aanspraken toegekend ter grootte van de aanspraken, welke zij zouden hebben gehad, indien bij het voortbestaan van het fonds hun deelneming de datum van vereffening zou zijn beëindigd. Indien de beschikbare middelen daartoe niet toereikend zijn, worden de desbetreffende aanspraken naar evenredigheid verminderd. Een eventueel overschot zal worden aangewend zoveel mogelijk in overeenstemming met de doelstelling van het fonds.
4. Het bestuur is bevoegd bij ontbinding van het fonds de verplichtingen van het fonds over te dragen aan een verzekeraar als bedoeld in de Pensioenwet, of aan een ander fonds waarop die wet van toepassing is.
5. De slotrekening van de vereffening behoeft de goedkeuring van de in artikel 9, eerste lid genoemde verenigingen.
Artikel 24 Verslaglegging
1. Het bestuur legt jaarlijks na afloop van het boekjaar aan de in artikel 9, eerste lid genoemde verenigingen, rekening en verantwoording van het beheer van het fonds over het afgelopen boekjaar af, onder overlegging van de jaarrekening, het jaarverslag en het actuarieel verslag.
2. Het bestuur draagt zorg, dat de deelnemers en de aangesloten werkgevers van het verslag, eventueel in beknopte vorm, kennis kunnen nemen.
3. Het bestuur legt aan de toezichthouder jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening, een jaarverslag en overige gegevens over het verstreken boekjaar over.
4. Het bestuur legt aan de toezichthouder bovendien jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een actuarieel verslag betreffende het fonds over, voorzien van de verklaring van de actuaris.
5. De jaarrekening moet zijn voorzien van een verklaring omtrent getrouwheid, ondertekend door de accountant.
Artikel 25 Wijziging pensioenreglement
Het bestuur is bevoegd de reglementen van het fonds te wijzigen.
Artikel 26 Onvoorziene gevallen
Het bestuur is bevoegd in gevallen waarin deze statuten, het uitvoeringsreglement en het pensioenreglement niet voorzien, dan wel in gevallen van bijzondere hardheid af te wijken van het uitvoeringsreglement of het pensioenreglement, mits daarbij niet in strijd wordt gehandeld met deze statuten.
Artikel 27 Geschillen
1. Het bestuur stelt een geschillencommissie in, die bestaat uit drie onafhankelijke leden, te weten een voorzitter en twee overige leden namens werkgevers respectievelijk werknemers.
2. Het bestuur benoemt telkens voor vier jaar de voorzitter van de commissie en de beide overige leden van de commissie. Zij kunnen na afloop van hun eerste zittingsperiode eenmaal worden herbenoemd voor een nieuwe zittingsperiode van vier jaar. Het bestuur is bevoegd op grond van gewichtige redenen af te wijken van de maximale zittingsperiode van acht jaar.
3. Aan de commissie wordt een secretaris toegevoegd, die door het bestuur wordt benoemd en ontslagen. De secretaris is geen lid van de commissie.
4. De voorzitter en secretaris hebben bij voorkeur de hoedanigheid van meester in de rechten.
5. Tot voorzitter en secretaris kunnen niet worden benoemd personen, die werkgever of werknemer zijn in het schoonmaak- en glazenwassersbedrijf. Tot lid van de commissie kunnen niet worden benoemd personen die lid zijn van het bestuur, de deelnemersraad, het verantwoordingsorgaan of het intern toezicht.
6. De commissie heeft tot taak geschillen tussen deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, pensioengerechtigden of werkgevers en het fonds te beslechten inzake besluiten van het bestuur, niet zijnde besluiten van algemene strekking.
7. De commissie is niet bevoegd van geschillen kennis te nemen in de gevallen als bedoeld in hoofdstuk 11 en 12 van het uitvoeringsreglement en artikel 4 van het pensioenreglement.
8. Het bestuur stelt een reglement vast, waarin de werkwijze van de commissie wordt vastgelegd.
Artikel 28 Inwerkingtreding
Deze statuten traden in werking met ingang van 30 december 1968.
In de hiervoor opgenomen statuten zijn de nadien aangebrachte wijzigingen verwerkt, tot en met die welke notarieel verleden zijn op 11 juni 2008.
De Stichting is ingeschreven in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Utrecht onder nummer 41177936.
3 pensioenreglement
De door het fonds opgestelde regeling met betrekking tot de verhouding tussen fonds en werkgever is vastgelegd in het uitvoeringsreglement.
HOOFDSTUK I ALGEMEEN
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
In dit pensioenreglement worden geacht te zijn opgenomen de begripsomschrijvingen, opgenomen in artikel 2 van de statuten. Voorts wordt in dit pensioenreglement verstaan onder:
1. deelnemer: de werknemer of gewezen werknemer die op grond van het pensioenreglement pensioenaanspraken verwerft jegens het fonds;
2. gewezen deelnemer: de gewezen werknemer door wie op grond van het pensioenreglement geen pensioen meer wordt verworven en die bij beëindiging van de deelneming een pensioenaanspraak heeft behouden jegens het fonds;
3. partner: onder partner wordt verstaan:
a. de persoon met wie de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde is gehuwd; óf
b. de ongehuwde persoon die als partner van de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde is geregistreerd in de registers van de burgerlijke stand; óf
c. de ongehuwde persoon met wie de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde een gezamenlijke huishouding voert;
4. gezamenlijke huishouding: van een gezamenlijke huishouding van de ongehuwde (gewezen) deelnemer of gepensioneerde met een ongehuwde persoon is sprake indien:
a. een notariële samenlevingsovereenkomst is aangegaan, krachtens welke de partners zich verbonden hebben duurzaam een gezamenlijke huishouding te voeren, onder de verplichting gezamenlijk te voorzien in huisvesting en in elkaars verzorging, mits tussen hen geen bloed- of aanverwantschap in de eerste graad bestaat en er sprake is van niet meer dan één partner; én
b. uit inschrijving in het bevolkingsregister blijkt dat de ongehuwde (gewezen) deelnemer of gepensioneerde met de ongehuwde persoon op één adres woont;
5. gewezen partner: de persoon die partner van de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde is geweest;
6. nabestaande:
a. de persoon die op de dag van overlijden van de deelnemer zijn partner was;
b. de persoon die op de dag van overlijden van de gewezen deelnemer zijn partner was, mits het overlijden plaatsvond in de periode van drie maanden na beëindiging van de deelneming;
c. de persoon die op de dag van overlijden van de gepensioneerde zijn partner was, mits op de pensioendatum een deel van het ouderdomspensioen is uitgeruild in partnerpensioen;
7. nabestaandenpensioen:
partnerpensioen of wezenpensioen;
8. partnerpensioen:
een uitkering voor de (gewezen) partner wegens het overlijden van de (gewezen) deelnemer;
9. kind: het kind van de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde, dat tot de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde in familierechtelijke betrekking staat, alsmede het pleeg- en stiefkind dat door hem als eigen kind wordt onderhouden en opgevoed, indien en zolang:
a. de leeftijd van 18 jaar nog niet is bereikt; óf
b. tussen de 18-jarige en de 27-jarige leeftijd de voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of van een beroepsopleiding;
10. pensioenaanspraak:
het recht op een nog niet ingegaan pensioen;
11. pensioenrecht:
het recht op een ingegaan pensioen;
12. aanspraakgerechtigde: persoon die begunstigde is voor een nog niet ingegaan pensioen;
13. pensioengerechtigde: persoon voor wie op grond van het pensioenreglement het pensioen is ingegaan;
14. gepensioneerde:
pensioengerechtigde voor wie het ouderdomspensioen is ingegaan;
15. pensioendatum: de eerste dag van de maand waarin de (gewezen) deelnemer 65 jaar wordt;
16. pensioneringsdatum: de eerste dag van de maand waarin de (gewezen) deelnemer voor het eerst een ouderdomspensioen van het fonds ontvangt;
17. pensioengevend loon:
het loon in de zin van hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen, met uitzondering van:
a. vergoedingen voor overwerk inclusief toeslagen voor overwerk, een en ander overeenkomstig het bepaalde in de CAO in het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf;
b. uitkeringen en verstrekkingen ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Werkloosheidswet en hierop door de werkgever verstrekte aanvullingen;
c. het genot van een door de werkgever ter beschikking gestelde auto;
d. het loon dat betrekking heeft op de periode vanaf de eerste dag van de maand waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt.
Het loon dat meer heeft bedragen dan het maximum premieloon als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen op jaarbasis (2009: € 47.802,15), blijft buiten aanmerking. Indien de dienstbetrekking een deel van een kalenderjaar betreft, wordt dit maximum premieloon vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller gelijk is aan het aantal kalenderdagen dat de dienstbetrekking heeft geduurd en waarvan de noemer gelijk is aan het aantal kalenderdagen in het desbetreffende kalenderjaar;
pensioenreglement pagina 23 | 93
18. franchise: een bedrag dat jaarlijks voor het daarop volgende kalenderjaar door het bestuur wordt vastgesteld (2009: € 10.473,-- per jaar). De franchise wordt uitgedrukt in een uurbedrag door de jaarfranchise te delen door het aantal uren per jaar volgens de normale arbeidsduur in de CAO in het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf, waarbij de uitkomst naar boven op eurocenten wordt afgerond (2009: € 5,20 per uur);
19. pensioengrondslag: het pensioengevend loon verminderd met de voor het loontijdvak overeenkomende franchise, waarbij als franchise aangehouden wordt het aantal over het loontijdvak uitbetaalde uren bij de werkgever, exclusief overwerkuren, vermenigvuldigd met de in sub 18 bedoelde uurfranchise;
20. FVP: de Stichting Financiering Voortzetting Pensioenverzekering te Amsterdam;
21. WIA-uitkering: een arbeidsongeschiktheidsuitkering, dan wel een WGA-uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA);
22. afkoopgrens:
het grensbedrag bedoeld in artikel 66, eerste lid, van de Pensioenwet (2009: € 417,74 per jaar)
Artikel 2 Deelneming
1. Deelnemer Deelnemer is:
a. de werknemer die verplicht is tot deelneming in het fonds op grond van de verplichtstelling krachtens de wet;
b. de werknemer die verplicht is tot deelneming in het fonds op grond van een tussen zijn werkgever en het fonds gesloten aansluitingsovereenkomst;
c. de gewezen werknemer indien en zolang zijn deelneming op grond van het tweede lid wordt voortgezet.
De deelneming vangt op zijn vroegst aan op de eerste dag van de maand waarin de deelnemer 21 jaar wordt.
2. Voortzetting van de deelneming Na beëindiging van de dienstbetrekking met de werkgever wordt de hoedanigheid van deelnemer behouden:
a. indien en zolang de deelnemer de pensioenopbouw vrijwillig voortzet;
b. indien en zolang de pensioenopbouw wordt voortgezet wegens – al dan niet volledige – arbeidsongeschiktheid, werkloosheid of vervroegd uittreden;
c. indien en zolang de deelnemer in aanmerking komt voor een uitkering krachtens de Ziektewet in aansluiting op de periode waarin de pensioenopbouw wegens werkloosheid werd voortgezet, mits de deelnemer vervolgens in aanmerking komt voor voortzetting van de pensioenopbouw wegens arbeidsongeschiktheid;
d. indien en zolang de deelnemer in aanmerking komt voor een uitkering krachtens de Ziektewet in aansluiting op de periode waarin de werkgever krachtens artikel 7:629 BW verplicht was het loon door te betalen, welke loondoorbetalingsplicht eindigde door beëindiging van de dienstbetrekking wegens bedrijfssluiting door dan wel faillissement van de werkgever, mits de deelnemer vervolgens in aanmerking komt voor voortzetting van de pensioenopbouw wegens arbeidsongeschiktheid;
e. indien en zolang de deelnemer in aanmerking komt voor een uitkering krachtens de Ziektewet in aansluiting op een dienstbetrekking die beëindigd werd wegens bedrijfssluiting door dan wel faillissement van de werkgever, mits de deelnemer vervolgens in aanmerking komt voor voortzetting van de pensioenopbouw wegens arbeidsongeschikt-heid;
f. indien en zolang de pensioenopbouw wordt voortgezet tijdens de periode dat een uitkering van prepensioen wordt ontvangen.
3. Einde van de deelneming Det deelneming eindigt op de dag:
a. direct voorafgaand aan de pensioneringsdatum, behoudens voor zover de dienstbetrekking met de werkgever (gedeeltelijk) wordt voortgezet dan wel de deelneming wordt voortgezet op grond van het tweede lid, onder f;
b. van het tussentijds, dat wil zeggen vóór de pensioneringsdatum, beëindigen van de dienstbetrekking met een werkgever, tenzij:
- aansluitend een dienstbetrekking met een aangesloten werkgever wordt aangegaan;
- de deelneming wordt voortgezet op grond van het tweede lid, onder a tot en met e;
c. van het tussentijds eindigen van de overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, onder b;
d. van het eindigen van de voortzetting van de deelneming op grond van het tweede lid;
e. van het overlijden van de deelnemer.
Artikel 3 Uitbetaling van pensioen
1. Aanvraag en toekenning van pensioen Pensioenen worden door het fonds toegekend en uitbetaald op schriftelijke aanvraag door of namens de pensioengerechtigde gericht aan de administrateur. Het fonds is bevoegd een pensioen uit eigen beweging toe te kennen indien de aanvraag om pensioen niet is gedaan, maar genoegzaam vaststaat dat recht op uitkering bestaat.
2. Aanvraag herschikken De administrateur informeert de (gewezen) deelnemer uiterlijk zes maanden vóór de pensioendatum over de mogelijkheden om:
a. een deel van het ouderdomspensioen uit te ruilen in partnerpensioen;
b. een eventueel vóór 1 januari 2003 opgebouwd partnerpensioen, dan wel een partnerpensioen verworven als gevolg van uitruil van ouderdomspensioen uit te ruilen in ouderdomspensioen;
c. ouderdomspensioen te vervroegen;
d. dan wel een combinatie van deze mogelijkheden.
De (gewezen) deelnemer maakt een voornemen als hier bedoeld, uiterlijk vier maanden vóór de pensioneringsdatum aan de administrateur kenbaar. De administrateur informeert de (gewezen) deelnemer over de gevolgen van de voorgenomen keuze voor wat betreft de hoogte van het pensioen. Op basis van deze informatie maakt de (gewezen) deelnemer zijn definitieve keuze uiterlijk twee maanden vóór de pensioneringsdatum bekend aan de administrateur.
3. Termijnen en inhoudingen De pensioenen worden uitbetaald – onder aftrek van wettelijke inhoudingen – in maandelijkse termijnen, aan het einde van iedere kalendermaand. In afwijking van het voorgaande kan het fonds bepalen dat een pensioen in halfjaarlijkse of driemaandelijkse termijnen wordt uitgekeerd, indien de maandelijkse termijnen van het pensioen minder zijn dan een door het fonds bepaald bedrag.
4. Bewijsstukken Bij de aanvraag om pensioen dienen door het fonds nodig geachte stukken en gegevens te worden verstrekt, waaruit het recht op pensioen blijkt. Indien pensioen uitbetaald wordt aan een in het buitenland wonende pensioengerechtigde, verstrekt deze het fonds periodiek een bewijs van in leven zijn om vast te stellen of het recht op pensioen nog steeds bestaat.
5. Afkoopverbod Aanspraken op pensioen kunnen niet worden afgekocht, vervreemd of prijsgegeven, dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid worden, anders dan in de gevallen voorzien bij of krachtens de Pensioenwet.
6. Vervallen van niet opgevraagde pensioentermijnen De uitbetaling van pensioen kan worden opgeschort indien:
pensioenreglement pagina 25 | 93
a. het pensioen niet is aangevraagd dan wel de door het fonds nodig geachte stukken en gegevens niet worden verstrekt;
b. een pensioengerechtigde op pensioen met onbekende bestemming is vertrokken;
c. de in het buitenland wonende pensioengerechtigde het door het fonds gevraagde bewijs van in leven zijn niet periodiek inzendt.
Een pensioenuitkering waarover op grond van een van deze situaties niet is beschikt, vervalt aan het fonds na het overlijden van de pensioengerechtigde.
7. Ten onrechte verstrekte pensioentermijnen Ten onrechte verstrekte pensioentermijnen worden door of namens het fonds teruggevorderd.
8. Geen recht op toekenning van pensioenen aan nabestaanden of kinderen Geen recht op partnerpensioen en/of ANW-gat-pensioen bestaat indien de partner of het kind de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde van het leven heeft beroofd of daaraan medeplichtig was.
Artikel 4 Gemoedsbezwaarde werknemers
1. Gemoedsbezwaren
De werknemer die gemoedsbezwaren heeft tegen iedere vorm van verzekering, kan door het bestuur op zijn verzoek worden vrijgesteld van de verplichtstelling.
2. De aanvraag
De vrijstelling wordt aangevraagd door het indienen van een door de aanvrager ondertekende verklaring. Deze verklaring houdt ten minste in dat de aanvrager overwegende gemoedsbezwaren heeft tegen elke vorm van verzekering en daarom noch zichzelf, noch iemand anders, noch zijn eigendommen heeft verzekerd. Uit een door de werkgever ingediende verklaring moet voorts blijken of deze ook gemoedsbezwaren heeft tegen de nakoming van de hem als werkgever opgelegde verplichtingen.
3. Indienen van de aanvraag
De in het tweede lid bedoelde verklaring wordt ingediend bij het fonds. Het fonds onderzoekt of de verklaring overeenkomstig de waarheid is.
4. Verlenen van de vrijstelling
Als de verklaring naar de mening van het fonds overeenkomstig de waarheid is, verleent het fonds de vrijstelling. Aan de vrijstelling kunnen voorwaarden worden verbonden die nodig zijn in verband met de administratie van het fonds. Aan een werkgever die heeft verklaard geen gemoedsbezwaren te hebben tegen de nakoming van de hem als werkgever opgelegde verplichtingen, kan op die grond een vrijstelling van de hem anders dan in zijn hoedanigheid van werkgever opgelegde verplichtingen niet worden geweigerd.
5. Bewijs van vrijstelling
Het fonds verstrekt een bewijs van de verleende vrijstelling. De persoon of rechtspersoon die is vrijgesteld van zijn verplichtingen als werkgever, is verplicht te zorgen dat het verstrekte bewijs van vrijstelling of een afschrift daarvan wordt en blijft opgehangen op een plaats, die vrij toegankelijk is voor alle in zijn dienst zijnde werknemers en waar deze geregeld plegen te komen, op zodanige wijze, dat van hetgeen op het desbetreffende stuk staat vermeld, gemakkelijk kan worden kennisgenomen.
6. Spaarbijdragen
De werknemer die is vrijgesteld, betaalt dezelfde bijdragen die hij verschuldigd zou zijn indien hij geen vrijstelling had, aan het fonds in de vorm van spaarbijdragen. Dit geldt ook voor de werkgever die niet is vrijgesteld, met betrekking tot de bijdragen die hij verschuldigd is voor een werknemer die wel is vrijgesteld.
pensioenreglement pagina 26 | 93
7. Omzetting in pensioenaanspraken
Op basis van een verzoek van de werknemer die niet is vrijgesteld en in dienst is van een werkgever die wel is vrijgesteld, betaalt de werkgever zowel de door de werknemer als de door de werkgever verschuldigde bijdragen aan het fonds. Deze bijdragen worden aangemerkt als pensioenpremies en de werknemer verkrijgt evenredige pensioenaanspraken overeenkomstig het pensioenreglement.
8. Spaarrekening
De op grond van het zesde lid ten behoeve van een werknemer betaalde spaarbijdragen worden door het fonds geboekt op een ten name van die werknemer staande spaarrekening. Het fonds verstrekt jaarlijks aan de werknemer met een spaarrekening, een opgave van het saldo op de spaarrekening aan het eind van het voorgaande kalenderjaar. Het spaarsaldo wordt jaarlijks per 1 januari verhoogd met de in het voorgaande kalenderjaar geldende rekenrente, verminderd met 0,5%punt, alsmede, indien de pensioenaanspraken op 1 januari zijn verhoogd op grond van artikel 34, eerste lid, met het percentage van die verhoging.
9. Intrekken en vervallen van de vrijstelling
Een vrijstelling wordt door het fonds ingetrokken:
a. op verzoek van de werknemer aan wie de vrijstelling is verleend;
b. als naar het oordeel van het fonds de gemoedsbezwaren op grond waarvan de vrijstelling is verleend, niet langer geacht kunnen worden te bestaan.
De vrijstelling kan door het fonds worden ingetrokken als de betrokkene de bij de vrijstelling gestelde voorwaarden niet of niet behoorlijk naleeft.
10. Gevolgen van intrekken en vervallen van de vrijstelling
Door het intrekken of het vervallen van de vrijstelling wordt ten aanzien van de betrokkene de pensioenregeling volledig van kracht. Het spaarsaldo vervalt en wordt omgezet in evenredige pensioenaanspraken.
Artikel 5 Uitbetaling van spaarbijdragen
1. Uitkeringen
Het gespaarde op de spaarrekening, bedoeld in artikel 4, achtste lid, wordt vanaf de 65-jarige leeftijd in gelijke termijnen aan de werknemer uitgekeerd gedurende 15 jaar.
2. Overlijden vóór ingang van de uitkeringen
Bij het overlijden van de werknemer voordat de uitkeringen zijn ingegaan, worden de spaarbedragen in gelijke termijnen uitgekeerd aan de partner gedurende 15 jaar. Als er geen partner is, maar wel één of meer kinderen onder de 18 jaar, worden de spaarbedragen uitgekeerd aan de kinderen in de periode tussen het overlijden van de werknemer en de 18-jarige leeftijd van het jongste kind. Bij afwezigheid van een partner en kinderen worden de spaarbedragen in een bedrag ineens uitgekeerd aan de erfgenamen.
3. Overlijden na ingang van de uitkeringen
Bij het overlijden van de werknemer nadat de uitkeringen zijn ingegaan, wordt de betaling van de vastgestelde uitkeringen voor de nog resterende periode voortgezet aan de partner. Als er geen partner (meer) is, maar wel één of meer kinderen onder de 18 jaar, geschiedt de uitkering aan de kinderen in de periode tussen het overlijden van de werknemer en de 18-jarige leeftijd van het jongste kind. Bij afwezigheid van een partner en kinderen wordt het nog niet uitgekeerde spaarbedrag aangewend in een bedrag ineens uitgekeerd aan de erfgenamen.
4. Vaststelling gelijke termijnen
De gelijke termijnen als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid worden bij ingang van deze uitkeringen vastgesteld door het gespaarde bedrag te delen door de uitkeringsduur in maanden. Ingegane uitkeringen worden jaarlijks per 1 januari verhoogd met de in het voorgaande kalenderjaar geldende rekenrente, verminderd met 0,5%punt, alsmede, indiende ingegane pensioenen op 1 januari zijn verhoogd op grond van artikel 34, eerste lid, met het percentage van die verhoging.
5. Afkoop
Als bij toepassing van het eerste of tweede lid de uitkering op jaarbasis niet meer bedraagt dan de afkoopgrens, wordt het spaarsaldo eenmalig uitgekeerd aan de werknemer, de partner of de kinderen.
Artikel 6 Verplichtingen van deelnemers en andere belanghebbenden
1. Naleving statuten en reglementen Elke deelnemer, gewezen deelnemer, andere aanspraakgerechtigde of pensioengerechtigde is verplicht tot naleving van het bij of krachtens de statuten en dit reglement bepaalde.
2. Informatieverstrekking door deelnemers en andere belanghebbenden Elke deelnemer, gewezen deelnemer, andere aanspraakgerechtigde of pensioengerechtigde is verplicht aan het fonds, binnen een door het fonds gestelde termijn, alle stukken en gegevens te verstrekken die het fonds nodig acht voor de goede uitvoering van de statuten en van dit reglement. Indien deze verplichting niet wordt nagekomen, is het fonds bevoegd de nodige gegevens naar beste weten vast te stellen en te registreren. Indien gedurende een jaar na bekendmaking niet gereageerd is op door het fonds geregistreerde gegevens, mag het fonds veronderstellen dat deze correct zijn en is het fonds bevoegd eventueel later gemelde wijzigingen niet door te voeren.
3. Eindigen gezamenlijke huishouding
De deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde van wie de gezamenlijke huishouding is geëindigd, is verplicht de beëindiging van de gezamenlijke huishouding te melden aan het fonds, onder overlegging van een notariële akte, dan wel een onderhandse overeenkomst of door beide gewezen partners ondertekende gelijkluidende verklaringen.
4. Uitsluiten van aansprakelijkheid
Het fonds aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de gevolgen van het niet aanleveren van informatie, dan wel het aanleveren van onvolledige, onjuiste of niet tijdige informatie.
Artikel 7 Korting pensioenaanspraken en pensioenrechten
1. Het fonds kan verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten uitsluitend verminderen indien:
a. de technische voorzieningen en het minimaal vereist eigen vermogen niet meer volledig door waarden zijn gedekt;
b. het fonds niet in staat is binnen een redelijke termijn de technische voorzieningen en het minimaal vereist eigen vermogen door waarden te dekken zonder dat de belangen van deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden, andere aanspraakgerechtigden of de aangesloten werkgevers onevenredig worden geschaad; en
c. alle overige beschikbare sturingsmiddelen, met uitzondering van het beleggingsbeleid, zijn ingezet zoals uitgewerkt in het kortetermijnherstelplan.
2. Het fonds informeert de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en de aangesloten werkgevers schriftelijk over het besluit tot vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten.
3. De vermindering, bedoeld in het eerste lid, kan op zijn vroegst een maand nadat de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden, aangesloten werkgevers en de toezichthouder hierover geïnformeerd zijn, worden gerealiseerd.
pensioenreglement pagina 28 | 93
Artikel 8 Klachten
1. Klachtenregeling Een deelnemer, gewezen deelnemer, andere aanspraakgerechtigde of pensioengerechtigde heeft het recht bij de administrateur een klacht in te dienen over de uitvoering van dit reglement. De klacht kan zowel mondeling als schriftelijk als per e-mail worden ingediend. De klacht bevat zo duidelijk mogelijk een omschrijving van de wijze van uitvoering van de werkzaamheden waarover geklaagd wordt.
2. Behandeling van de klacht De klacht wordt als volgt afgehandeld.
a. De administrateur stuurt binnen twee werkdagen na de dag van ontvangst van de klacht aan klager een schriftelijke ontvangstbevestiging, tenzij de klacht binnen twee werkdagen kan worden afgehandeld. De ontvangstbevestiging bevat informatie over de verwachte termijn van afhandeling en geeft aan tot wie de klager zich kan wenden bij vragen.
b. De klacht wordt in beginsel binnen tien werkdagen na de dag van ontvangst afgehandeld. Indien de klacht niet binnen deze termijn kan worden afgehandeld, deelt de administrateur dit vóór het einde van die termijn schriftelijk aan klager mee, waarbij een nieuwe afhandelingstermijn wordt vermeld.
c. Klager kan zich ter behartiging van zijn belangen laten vertegenwoordigen door een gemachtigde.
d. Klager wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt nader toe te lichten, indien dit noodzakelijk is voor de goede afhandeling van zijn klacht.
e. Klager heeft recht op inzage in het klachtdossier.
f. Het oordeel over de klacht dient gebaseerd te zijn op een toereikend onderzoek en op voor klager kenbare feiten en stukken.
g. De beslissing dient te berusten op een deugdelijke motivering en dient op alle onderdelen van de klacht in te gaan. De beslissing bevat een oordeel over de vraag of de wijze van uitvoering van de werkzaamheden waarover geklaagd wordt voldoende zorgvuldig jegens klager is geweest.
h. Indien na een gedegen onderzoek wordt vastgesteld dat het niet mogelijk is de ware toedracht met zodanige zekerheid te achterhalen dat daarop een oordeel gebaseerd kan worden, kan het geven van een oordeel achterwege blijven.
i. De beslissing op de klacht wordt schriftelijk aan klager meegedeeld, tenzij klager heeft aangegeven daarop geen prijs te stellen.
3. Beroep op het bestuur Indien klager het niet eens is met de beslissing van de administrateur, heeft klager het recht in beroep te gaan bij het bestuur. Dit wordt bij de beslissing op de klacht aan klager meegedeeld. Klager kan binnen vier weken nadat hij over de beslissing op de klacht is geïnformeerd, schriftelijk, mondeling of per e-mail verzoeken de klacht aan het bestuur voor te leggen. Dit verzoek bevat zo duidelijk mogelijk een omschrijving van de redenen waarom naar het oordeel van klager de beslissing op de klacht niet in stand kan blijven. Binnen vier weken na ontvangst van het verzoek geeft het bestuur een oordeel over de vraag of de beslissing op de klacht in redelijkheid genomen had kunnen worden.
4. Beroep op de Ombudsman Pensioenen Indien het bestuur de beslissing van de administrateur bevestigt, heeft klager het recht een beroep te doen op de Ombudsman Pensioenen. Dit wordt bij de beslissing van het bestuur aan klager meegedeeld. De klacht wordt als volgt afgehandeld.
a. De Ombudsman neemt klachten in behandeling, die betrekking hebben op de uitvoering van dit reglement.
b. De Ombudsman neemt een klacht niet in behandeling indien:
- klager geen gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheid een klacht in te dienen bij de administrateur, dan wel klager, indien hij het niet eens is met de beslissing van de administrateur, niet in beroep is gegaan bij het bestuur; of
- hem bekend is dat deze in handen van een advocaat is gesteld, aan het oordeel van de rechter is onderworpen of waarin een onherroepelijke rechterlijke uitspraak is gedaan.
pensioenreglement pagina 29 | 93
c. Klachten kunnen zowel schriftelijk als mondeling aan de Ombudsman worden voorgelegd.
d. De Ombudsman kan te allen tijde deskundigen raadplegen bij de behandeling van bij hem ingediende klachten.
e. De Ombudsman handelt een klacht af door het geven van een schriftelijk advies dat hij uitsluitend aan klager en het bestuur ter kennis brengt.
f. Indien het bestuur besluit het advies van de Ombudsman niet op te volgen, stelt het fonds klager daarvan schriftelijk en gemotiveerd in kennis. Het fonds verstrekt de Ombudsman een afschrift van het besluit. De Ombudsman doet daarvan mededeling aan de voorzitter van het bestuur van de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen onder overlegging van het uitgebrachte advies.
Artikel 9 Geschillen
1. Geschillencommissie
Een deelnemer, gewezen deelnemer, andere aanspraakgerechtigde of pensioengerechtigde die een geschil heeft met het fonds inzake een besluit van het bestuur, niet zijnde een besluit van algemene strekking of een besluit als bedoeld in artikel 4, kan dit geschil voorleggen aan de geschillencommissie bedoeld in artikel 27 van de statuten. De geschillencommissie brengt in een voorgelegd geschil een bindend advies uit of bevordert een schikking tussen partijen. De werkwijze van de geschillencommissie is vastgelegd in het Reglement van de geschillencommissie.
2. Bezwaar bij vrijstelling
Degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit over vrijstelling is betrokken, kan tegen een besluit om vrijstelling te verlenen of te weigeren of in te trekken, dan wel tegen de daaraan verbonden voorwaarden, bezwaar maken bij het bestuur. Het bezwaarschrift wordt door belanghebbende ingediend binnen zes weken na de dag waarop het besluit bekend is gemaakt. Het bezwaarschrift wordt ondertekend en bevat ten minste de naam en het adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van het bestreden besluit en de gronden van het bezwaar. Bij het nemen van een besluit op het bezwaarschrift wordt het bestuur geadviseerd door de Adviescommissie Bezwaarschriften vrijstellingsbesluiten.
3. Beroep bij vrijstelling
De belanghebbende kan tegen een besluit op het bezwaarschrift beroep instellen bij de rechtbank te Rotterdam, sector bestuursrecht. Het beroepschrift wordt ingediend binnen zes weken na de dag waarop het besluit bekend is gemaakt. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste de naam en het adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van het bestreden besluit en de gronden van het beroep. Tevens wordt een afschrift van het bestreden besluit bijgevoegd.
HOOFDSTUK II VERPLICHTE PENSIOENREGELING
Artikel 10 Pensioenaanspraken
1. Aanspraken De deelnemer heeft aanspraak op:
a. een levenslang ouderdomspensioen ten behoeve van zichzelf;
b. een levenslang partnerpensioen ten behoeve van zijn partner;
c. een tijdelijk wezenpensioen ten behoeve van zijn kind of kinderen;
d. een tijdelijk arbeidsongeschiktheidspensioen ten behoeve van zichzelf, indien hij in aanmerking komt voor een vervolguitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
e. een tijdelijk ANW-gat-pensioen ten behoeve van zijn partner.
2. Karakter De in het eerste lid genoemde pensioenaanspraken zijn gebaseerd op een uitkeringsovereenkomst, dat is een pensioenovereenkomst inzake een vastgestelde pensioenuitkering.
pensioenreglement pagina 30 | 93
Artikel 11 Ouderdomspensioen
1. Uitkeringsperiode Het ouderdomspensioen gaat in op
- de pensioendatum, óf
- de eerdere datum naar keuze van de (gewezen) deelnemer overeenkomstig het bepaalde in artikel 38,
en eindigt op
- de laatste dag van de maand waarin de gepensioneerde overlijdt.
2. Hoogte van het ouderdomspensioen Het jaarlijks ouderdomspensioen bedraagt vanaf 2007 voor elk opbouwjaar 2,05% van de pensioengrondslag over het desbetreffende jaar. Op de ingangsdatum bedraagt het jaarlijks ouderdomspensioen 2,05% van de som van de pensioengrondslagen, die vanaf 2007 tijdens de deelneming hebben gegolden, eventueel vermeerderd met het ouderdomspensioen overeenkomstig artikel 50, eerste lid.
3. Inkoop over verleden diensttijd
De in het tweede lid bedoelde aanspraak op ouderdomspensioen wordt onder de voorwaarden genoemd in het vierde tot en met het zevende lid verhoogd met een in te kopen aanspraak op ouderdomspensioen over een of meer perioden gelegen vóór 1 januari 2007 voor de deelnemer die:
a. geboren is in de periode 1948 tot en met 1955;
b. zowel op 31 december 2006 als op 1 januari 2007 deelnemer is in de zin van artikel 2, eerste lid,
onder a of b.
4. Financiering van de inkoop
De financiering van de in het derde lid bedoelde in te kopen aanspraak op ouderdomspensioen wordt uitgesteld tot de daadwerkelijke inkoop daarvan. Deze aanspraak op ouderdomspensioen wordt ingekocht op de pensioneringsdatum. De inkoop vindt alleen plaats indien de deelneming in de zin van artikel 2, eerste lid, onder a of b, onafgebroken van 1 januari 2007 is voortgezet tot de pensioneringsdatum. De deelneming wordt geacht onafgebroken te zijn bij een onderbreking van maximaal drie maanden, behoudens een langere onderbreking wegens arbeidsongeschiktheid of werkloosheid, een en ander ter beoordeling van het bestuur. Op de jaarlijkse pensioenopgave, als bedoeld in artikel 40, lid 1, worden vermeld de in totaal toegezegde aanspraken en de reeds gefinancierde en ingekochte pensioenaanspraken.
5. Inkoopbedrag
De met inachtneming van het derde en vierde lid in te kopen aanspraak is in beginsel gelijk aan het verschil tussen enerzijds hetgeen opgebouwd is aan ouderdomspensioen over de perioden waarin vóór 1 januari 2007 werd deelgenomen en anderzijds hetgeen in die perioden op grond van de pensioenregeling die geldt vanaf 1 januari 2007 had kunnen worden opgebouwd aan ouderdomspensioen. Het aldus vastgestelde bedrag wordt verminderd voor zover dit meer bedraagt dan het verschil tussen enerzijds het vervroegd ouderdomspensioen over de periode tussen de 62-jarige en de 65-jarige leeftijd en anderzijds 80% van het gemiddelde pensioengevend loon over de periode 2004 tot en met 2006. Onder vervroegd ouderdomspensioen wordt verstaan het ouderdomspensioen op 62-jarige leeftijd dat gebaseerd is op:
- het in de periode 2003 tot en met 2006 opgebouwde prepensioen, dan wel het ouderdomspensioen dat verkregen is door uitruil van dit prepensioen; en
- het ouderdomspensioen dat vanaf 2007 wordt opgebouwd, voor zover dit meer bedraagt dan het ouderdomspensioen dat opgebouwd zou worden op grond van de tot en met 31 december 2006 geldende pensioenregeling.
6. Informatieverstrekking
De in het zevende lid vervatte tekst wordt opgenomen in:
a. de eerste schriftelijke informatieverstrekking aan de deelnemer dat er aanspraken over verstreken dienstjaren met uitgestelde financiering worden toegezegd;
pensioenreglement pagina 31 | 93
b. de jaarlijkse opgave aan de deelnemer over de in totaal toegezegde aanspraken en de reeds gefinancierde pensioenaanspraken;
c. de schriftelijke informatie over de in te kopen aanspraak op ouderdomspensioen die op verzoek van de deelnemer wordt verstrekt.
7. Vrijwaringsclausule
Het pensioen dat voor u zal worden ingekocht omdat u in het verleden gedurende uw dienstbetrekking(en) een of meer perioden hebt gehad waarin minder pensioen is opgebouwd dan op grond van de fiscale regelgeving mogelijk is, wordt pas opgebouwd op het moment dat en voor zover de toegezegde aanspraken zijn gefinancierd. Wanneer uw deelname aan de pensioenregeling eindigt voordat deze aanspraken (volledig) zijn gefinancierd, heeft u alleen recht op het op dat moment gefinancierde en opgebouwde deel van deze pensioenaanspraken. Indien bij beëindiging van de deelname aan de pensioenregeling nog geen toegezegd pensioen over verstreken dienstjaren voor u is ingekocht en opgebouwd, heeft u dus ook geen recht op dit deel van uw toezegging. Als aan u is toegezegd dat pensioenaanspraken over verstreken dienstjaren worden ingekocht, dan moeten deze uiterlijk binnen vijftien jaren nadat de toezegging is gedaan, zijn gefinancierd. Wanneer u binnen die vijftien jaar met pensioen zou gaan, moeten de in te kopen pensioenaanspraken al eerder zijn gefinancierd, namelijk uiterlijk op het moment van uw pensionering. Een eenmaal gedane toezegging tot inkoop van aanspraken over het verleden kan in beginsel niet worden ingetrokken of gewijzigd.
Artikel 12 Partnerpensioen
1. Uitkeringsperiode Het partnerpensioen gaat in op
- de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de deelnemer overlijdt, óf
- de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de gewezen deelnemer of gepensioneerde overlijdt, mits een deel van het ouderdomspensioen is uitgeruild in partnerpensioen
en eindigt op
- de laatste dag van de maand waarin de nabestaande overlijdt.
2. Hoogte van het partnerpensioen Het jaarlijks partnerpensioen bedraagt voor elk opbouwjaar 70% van het in dat jaar opgebouwde ouderdomspensioen.
a. Indien een deelnemer overlijdt, bedraagt het jaarlijks partnerpensioen op de ingangsdatum het tot de dag van overlijden verworven partnerpensioen, vermeerderd met het partnerpensioen dat nog verworven zou worden indien de deelnemer niet was overleden en hij van de dag van overlijden tot de pensioendatum zou hebben deelgenomen op basis van de pensioengrondslag die gold in het kalenderjaar vóór het overlijden. Indien het loon is verlaagd in verband met ziekte en daardoor een lagere pensioengrondslag geldt, wordt het nog op te bouwen partnerpensioen gebaseerd op de pensioengrondslag die gold vóór de verlaging van het loon.
b. Indien een gewezen deelnemer, als bedoeld in het eerste lid, 2e streepje, of een gepensioneerde, als bedoeld in het eerste lid, 3e streepje, overlijdt, bedraagt het jaarlijks partnerpensioen het tijdens de deelneming verworven partnerpensioen.
3. Bijzonder partnerpensioen Indien een (gewezen) deelnemer of gepensioneerde vóór 1 januari 2003 met een andere partner dan de nabestaande gehuwd is geweest, een geregistreerd partnerschap heeft gehad of een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, dan wel indien een deel van het ouderdomspensioen is uitgeruild in partnerpensioen, wordt het partnerpensioen ten behoeve van zijn nabestaande verminderd met het bijzonder partnerpensioen als bedoeld in artikel 29.
4. Overlijden tijdens onbetaald verlof
Indien een deelnemer overlijdt tijdens een periode van onbetaald verlof, terwijl hij er niet voor gekozen heeft om de pensioenopbouw op grond van artikel 17 voort te zetten, bedraagt het jaarlijks partnerpensioen, in afwijking van het tweede lid, onder a, het tot de dag van overlijden opgebouwde partnerpensioen, vermeerderd met het partnerpensioen dat nog opgebouwd zou worden indien de deelnemer niet was overleden en hij van de dag van aanvang van het verlof tot de pensioendatum zou hebben deelgenomen op basis van de pensioengrondslag die gold in het kalenderjaar vóór het verlof.
5. Overlijden tijdens werkloosheid Indien een gewezen deelnemer, die na beëindiging van de deelneming recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, overlijdt tijdens de periode dat hij deze uitkering ontvangt, heeft zijn nabestaande recht op een partnerpensioen dat gelijk is aan het partnerpensioen dat verworven was op de laatste dag van de deelneming. Daarbij wordt rekening gehouden met het partnerpensioen verkregen op grond van artikel 36. Het bepaalde in dit lid van overeenkomstige toepassing op de deelnemer, die na beëindiging van de deelneming recht heeft op werkloosheidsuitkering van zijn woonland.
6. FVP-bijdrage
Indien door het FVP in verband met het overlijden van een werkloos geworden deelnemer een bijdrage voor de inkoop van een partnerpensioen verstrekt wordt, wordt de met deze inkoopsom overeenkomende pensioengrondslag mede in aanmerking genomen bij het vaststellen van de hoogte van het partnerpensioen.
7. Geen recht op partnerpensioen Geen recht op partnerpensioen bestaat indien het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de gezamenlijke huishouding eerst na de pensioendatum is aangegaan.
Artikel 13 Wezenpensioen
1. Uitkeringsperiode Het wezenpensioen gaat in op
- de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de deelnemer overlijdt, of
- de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de gewezen deelnemer of gepensioneerde overlijdt, mits een deel van het ouderdomspensioen is uitgeruild in partnerpensioen
en eindigt op de laatste dag van de maand waarin
- niet meer aan de omschrijving van kind wordt voldaan, óf
- het kind eventueel eerder overlijdt.
2. Hoogte van het wezenpensioen Het jaarlijks wezenpensioen bedraagt per kind 20% van het jaarlijks partnerpensioen, zonder een eventuele vermindering met het bijzonder partnerpensioen op grond van artikel 12, derde lid.
Indien vóór ingang van het wezenpensioen het partnerpensioen is vervallen op grond van artikel 30, vijfde lid, of artikel 37, wordt voor de vaststelling van het wezenpensioen uitgegaan van het partnerpensioen, dat gegolden zou hebben als het partnerpensioen niet vervallen zou zijn.
3. Maximering wezenpensioen Aan wezenpensioen wordt ten hoogste een bedrag uitgekeerd, dat gelijk is aan vijf maal het in het tweede lid bedoelde bedrag aan wezenpensioen per kind. Indien en zolang het aantal kinderen dat recht heeft op wezenpensioen groter is dan vijf, wordt elk van de wezenpensioenen met eenzelfde gedeelte verlaagd, zodat het totale wezenpensioen gelijk is aan het hiervoor bedoelde maximaal beschikbare bedrag.
4. Volle wezen Het wezenpensioen wordt verdubbeld vanaf de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin het kind ouderloos wordt. In dit verband wordt mede onder ouder verstaan degene die op het moment van zijn overlijden een pleeg- of stiefkind als eigen kind onderhield en opvoedde. Het wezenpensioen wordt maximaal eenmaal verdubbeld, en wel indien beide ouders overleden zijn.
pensioenreglement pagina 33 | 93
5. Geen recht op wezenpensioen Geen recht op wezenpensioen bestaat indien een kind eerst na de pensioendatum aan de in dit reglement gehanteerde omschrijving van kind voldoet.
Artikel 14 Arbeidsongeschiktheidspensioen
1. Voorwaarden De deelnemer die in aanmerking komt voor een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) volgens een dagloon dat hoger is dan het voor betrokkene geldende wettelijk minimumloon per dag, heeft recht op een arbeidsongeschiktheidspensioen indien hij in aanmerking komt voor een vervolguitkering krachtens de WAO.
2. Uitkeringsperiode Het arbeidsongeschiktheidspensioen gaat in op
- de dag waarop de vervolguitkering krachtens de WAO ingaat
en eindigt op
- de laatste dag waarop de vervolguitkering krachtens de WAO wordt verleend, óf
- de dag direct voorafgaand aan dag waarop het ouderdomspensioen ingaat, óf
- de laatste dag van de tweede maand, volgend op die waarin de pensioengerechtigde overlijdt, indien hij overlijdt vóór de hiervoor bedoelde dag.
3. Hoogte van het arbeidsongeschiktheidspensioen Het arbeidsongeschiktheidspensioen bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer bedraagt per dag 30% van 100/108ste maal het dagloon krachtens de WAO zoals dit geldt op de eerste WAO-dag, met dien verstande dat het arbeidsongeschiktheidspensioen wordt gekort, voor zover dit pensioen tezamen met de vervolguitkering die wordt verleend op de eerste dag waarover recht op vervolguitkering bestaat, 70% van het vorenbedoeld dagloon overschrijdt. Het hiervoor bedoelde dagloon wordt gemaximeerd op de wijze als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Wet financiering sociale verzekeringen. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid wordt een evenredige uitkering verleend, in die zin dat het percentage van 70 vervangen wordt bij een arbeidsongeschiktheid van 15 - 25% door 14 25 - 35% door 21 35 - 45% door 28 45 - 55% door 35 55 - 65% door 42 65 - 80% door 50,75. Het arbeidsongeschiktheidspensioen wordt vermeerderd met het percentage van de vakantie-uitkering volgens de WAO. Indien de WAO-uitkering op de in artikel 44 van de WAO genoemde wijze wordt uitbetaald, wordt het arbeidsongeschiktheidspensioen op overeenkomstige wijze uitbetaald.
4. Tussentijdse wijzigingen Het arbeidsongeschiktheidspensioen wordt verhoogd of verlaagd met ingang van de dag waarop de vervolguitkering wordt herzien terzake van verlaging respectievelijk van toeneming van de arbeidsongeschiktheid. Het arbeidsongeschiktheidspensioen wordt alsdan vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in het derde lid.
5. Overlijdensuitkering Indien de pensioengerechtigde overlijdt, wordt het arbeidsongeschiktheidspensioen, voor zover niet reeds uitbetaald, tot en met de laatste dag van de tweede maand, volgend op die waarin het overlijden plaatsvond, uitbetaald
a. aan de nabestaande, óf
b. aan de minderjarige kinderen, indien er geen nabestaande is, óf
c. aan degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde, indien er geen nabestaande is en geen minderjarige kinderen.
pensioenreglement pagina 34 | 93
Bij toepassing van het bepaalde in dit lid bedraagt het pensioen, indien de overledene voor 80% of meer arbeidsongeschikt was, met ingang van de dag na het overlijden 100/70ste van het op het dag van overlijden geldende pensioen.
6. Geen aanspraak De deelnemer van wie de pensioenopbouw wordt voortgezet wegens werkloosheid, heeft geen recht op een arbeidsongeschiktheidspensioen.
Artikel 15 ANW-gat-pensioen
1. Voorwaarden De nabestaande van een deelnemer heeft in aanvulling op het partnerpensioen recht op ANW-gat-pensioen, indien hij:
a. geboren is in of na 1950 én geen ongehuwd kind dan wel een niet als partner geregistreerd kind onder de 18 jaar heeft dat tot zijn huishouden behoort, óf
b. geboren is in of na 1950 én een ongehuwd kind dan wel een niet als partner geregistreerd kind onder de 18 jaar heeft dat tot zijn huishouden behoort, zodra het kind de 18-jarige leeftijd bereikt dan wel niet meer tot het huishouden van de nabestaande behoort, óf
c. in aanmerking komt voor een gedeeltelijke nabestaandenuitkering krachtens de Algemene Nabestaandenwet (ANW), mits hij niet arbeidsongeschikt is voor ten minste 45%.
2. Uitkeringsperiode Het ANW-gat-pensioen gaat in
- in de situatie bedoeld in het eerste lid, onder a en c: op de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de deelnemer overlijdt, mits de nabestaande op de dag van het overlijden 40 jaar of ouder is;
- in de situatie bedoeld in het eerste lid, onder b: op de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin het kind de 18-jarige leeftijd bereikt dan wel niet meer tot het huishouden van de nabestaande behoort, mits de nabestaande op die dag 40 jaar of ouder is en inmiddels niet is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of een gezamenlijke huishouding is gaan voeren
en eindigt op
- de laatste dag van de maand voorafgaand aan de maand waarin de nabestaande de 65-jarige leeftijd bereikt, óf
- de laatste dag van de maand waarin de nabestaande overlijdt, indien hij vóór de 65-jarige leeftijd overlijdt, óf
- de laatste dag van de maand waarin de nabestaande in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat of een gezamenlijke huishouding gaat voeren.
3. Hoogte van het ANW-gat-pensioen Het maandelijks ANW-gat-pensioen bedraagt:
a. voor de nabestaande als bedoeld in het eerste lid, onder a en b: de som van de nabestaanden- en vakantie-uitkering per maand krachtens de ANW;
b. voor de nabestaande als bedoeld in het eerste lid, onder c: de som van de nabestaanden- en vakantie-uitkering per maand krachtens de ANW, verminderd met de feitelijk ontvangen nabestaanden- en vakantie-uitkering krachtens de ANW,
met dien verstande dat het maandelijks ANW-gat-pensioen niet meer zal bedragen dan het verschil tussen enerzijds het inkomen van de nabestaande en anderzijds 70% van het gezinsinkomen vóór het overlijden.
In dit verband wordt verstaan onder:
- het inkomen van de nabestaande: het inkomen, als bedoeld in artikel 10 van de ANW, de eventuele nabestaanden- en vakantie-uitkering krachtens de ANW én het partnerpensioen, als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder a;
- het gezinsinkomen vóór het overlijden: het inkomen, als bedoeld in artikel 10 van de ANW, van de nabestaande en de overleden deelnemer gezamenlijk, zoals dit werd genoten in het kalenderjaar vóór het overlijden, herleid op maandbasis.
pensioenreglement pagina 35 | 93
De hiervoor bedoelde toetsing wordt eenmalig uitgevoerd, en wel op de dag dat het ANW-gat-pensioen ingaat. Bij de toepassing van dit lid wordt de halfwezenuitkering krachtens de ANW buiten beschouwing gelaten.
Artikel 16 Premie
1. Premievaststelling
De premie voor de uitvoering van de verplichte pensioenregeling wordt door het bestuur, na overleg met de in artikel 9, eerste lid, van de statuten, genoemde werkgevers- en werknemersverenigingen, vastgesteld en zonodig gewijzigd.
2. Verschuldigdheid van de premie
Voor iedere deelnemer wordt jaarlijks premie geheven voor de financiering van de verplichte pensioenregeling. Deze premie is door de aangesloten werkgever verschuldigd. De aangesloten werkgever kan een gedeelte van de premie op het loon van de deelnemer inhouden.
3. Premie
De premie is per 1 januari 2007 vastgesteld op:
a. 17,7% van de pensioengrondslag. Hiervan kan de werkgever 9,4% op het loon van de deelnemer inhouden;
b. 1% van het pensioengevend loon.
HOOFDSTUK III VERLOF
Artikel 17 Opbouw van aanspraken tijdens verlof
1. Voortzetting van pensioenopbouw tijdens verlof De deelnemer die verlof heeft opgenomen zonder behoud van loon, heeft de mogelijkheid om de pensioenopbouw over de verlofperiode geheel of gedeeltelijk tegen betaling van de volledige premie voort te zetten, indien tijdens deze periode de dienstbetrekking heeft voortgeduurd, daaronder begrepen perioden van - al dan niet in deeltijd - :
a. ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 6 van de Wet arbeid en zorg;
b. sabbatsverlof krachtens een schriftelijk vastgelegde regeling van de werkgever gedurende ten hoogste twaalf maanden;
c. studieverlof voor cursussen, voor opleidingen of studie voor een beroep, voor het op peil houden van de vakkennis en voor cursussen, opleidingen of studie die door de werkgever worden gefinancierd;
d. levensloop als bedoeld in 19g van de Wet op de loonbelasting 1964;
met dien verstande dat bij dienstbetrekkingen in deeltijd de pensioenopbouw wordt gerelateerd aan de deeltijdfactor.
2. Pensioengrondslag Indien de pensioenopbouw op grond van het eerste lid wordt voortgezet, geldt als pensioengrondslag het verschil tussen de pensioengrondslag die gold vóór en de pensioengrondslag die geldt vanaf het opnemen van het verlof. In afwijking van het voorgaande wordt in geval van verlof als bedoeld in het eerste lid, onder d, waarbij niet tevens sprake is van verlof als bedoeld in het eerste lid, onder a, b of c, indien en zolang tijdens de verlofperiode minder dan 70% van het laatstverdiende loon genoten wordt (levenslooploon en eventueel nog van de werkgever ontvangen loon), de pensioengrondslag gebaseerd op het feitelijk genoten loon.
Artikel 18 Premies tijdens verlof
Indien een deelnemer ervoor kiest om de pensioenopbouw op grond van artikel 17 voort te zetten, vindt deze plaats indien en voor zover de in artikel 16, eerste lid, bedoelde premies (zowel het werkgevers- als het werknemersdeel) aan het fonds zijn voldaan.
pensioenreglement pagina 36 | 93
Artikel 19 Risicodekking tijdens verlof
Ook indien de deelnemer ervoor gekozen heeft om de pensioenopbouw over de verlofperiode niet voort te zetten, blijft het risico van overlijden en arbeidsongeschiktheid tijdens het verlof gedekt op basis van de pensioengrondslag die gold vóór het opnemen van het verlof.
HOOFDSTUK IV BEËINDIGING EN/OF VOORTZETTING VAN DE PENSIOENOPBOUW
Artikel 20 Tussentijdse beëindiging
Indien de deelneming anders dan door overlijden eindigt vóór de pensioendatum, krijgt de gewezen deelnemer een premievrije aanspraak op het opgebouwde:
- ouderdomspensioen;
- partnerpensioen voor zover opgebouwd vóór 1 januari 2003; en
- wezenpensioen voor zover opgebouwd vóór 1 januari 2003.
Artikel 21 Vrijwillige voortzetting
1. Voorwaarden Indien de deelneming anders dan door overlijden eindigt vóór de pensioneringsdatum, is het fonds bevoegd op verzoek van de gewezen deelnemer toe te staan, dat deze de pensioenopbouw vrijwillig voortzet. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:
a. het verzoek moet zijn gedaan binnen drie maanden na het einde van de deelneming;
b. de voortzetting geldt voor een periode van maximaal drie jaar;
c. de pensioengrondslag wordt gebaseerd op de pensioengrondslag, die gold in het kalenderjaar voorafgaand aan de voortzetting van de deelneming. Deze pensioengrondslag wordt ieder jaar geïndexeerd op grond van het CBS-indexcijfer van de CAO-lonen, inclusief bijzondere beloningen, van de particuliere bedrijven;
d. de premie terzake van de voortgezette deelneming wordt aan het fonds voldaan op de wijze, in de termijnen en op de tijdstippen zoals door het fonds bepaald.
2. Nadere voorwaarden Indien de deelneming eindigt vóór de pensioendatum, waarbij geen loongerelateerde uitkeringen ontvangen worden en de gewezen deelnemer niet buiten het schoonmaak- respectievelijk glazenwassersbedrijf in dienstbetrekking werkzaam is, gelden de volgende aanvullende voorwaarden:
a. de deelneming heeft ten minste drie jaar geduurd;
b. de pensioenregeling wordt slechts gewijzigd als de pensioenaanspraken van de deelnemer daardoor niet worden verbeterd;
c. de vrijwillige voortzetting kan slechts plaatsvinden voor zover geen samenloop plaatsvindt met een pensioenregeling bij een eventuele nieuwe werkgever of een andere fiscaal gefacilieerde oudedagsvoorziening;
d. de voortzetting kan niet plaatsvinden in de drie jaar vóór de pensioendatum, tenzij degene die de pensioenregeling vrijwillig voortzet aannemelijk maakt dat hij om medische redenen de dienstbetrekking heeft beëindigd.
3. Beëindiging van de voortzetting
De vrijwillige voortzetting eindigt:
a. door het verstrijken van de maximale periode van drie jaar;
b. door opzegging door de deelnemer, zijn eventuele werkgever of het fonds bij aangetekend schrijven met een opzegtermijn van drie maanden;
pensioenreglement pagina 37 | 93
c. indien de verschuldigde premie niet op de vervaldag is voldaan, met ingang van een door het fonds te bepalen tijdstip;
d. zodra de deelnemer komt te behoren tot de kring van personen, die krachtens de wet verplicht zijn tot deelneming in het fonds of in enig ander bedrijfstakpensioenfonds;
e. op de dag direct voorafgaand aan de pensioneringsdatum;
f. op de dag van overlijden van de deelnemer.
Artikel 22 Voortzetting bij WAO-uitkering
1. Voortzetting van de pensioenopbouw Gedurende de periode waarin de deelnemer recht heeft op een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een arbeidsongeschiktheid van 15% of meer, wordt de pensioenopbouw geheel of gedeeltelijk voortgezet, zonder dat premie aan het fonds verschuldigd is, voor:
- ouderdomspensioen;
- partnerpensioen; en
- wezenpensioen.
2. Basis voor de premievrije voortzetting De rechten op pensioen over de in het eerste lid bedoelde periode worden vastgesteld op basis van de pensioengrondslag, die verkregen wordt door de pensioengrondslag die gold in het kalenderjaar waarin de eerste dag gelegen is waarover WAO-uitkering wordt verleend, te vermenigvuldigen met een breuk, waarvan de teller gelijk is aan het aantal kalenderdagen in het desbetreffende kalenderjaar en waarvan de noemer gelijk is aan het in dat kalenderjaar gelegen aantal kalenderdagen vóór de eerste dag waarover WAO-uitkering wordt verleend.
3. Hoogte van de pensioengrondslag De pensioengrondslag per kalenderjaar over de in het eerste lid bedoelde periode wordt vastgesteld, door de in het tweede lid bedoelde pensioengrondslag te vermenigvuldigen met:
a. 20% bij een arbeidsongeschiktheid van 15-25%;
b. 30% bij een arbeidsongeschiktheid van 25-35%;
c. 40% bij een arbeidsongeschiktheid van 35-45%;
d. 50% bij een arbeidsongeschiktheid van 45-55%;
e. 60% bij een arbeidsongeschiktheid van 55-65%;
f. 72,5% bij een arbeidsongeschiktheid van 65-80%;
g. 100% bij een arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
Indien recht bestaat op premievrije voortzetting gedurende een deel van een kalenderjaar, wordt de volgens het tweede lid vastgestelde pensioengrondslag voor dat kalenderjaar eerst vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller gelijk is aan het aantal kalenderdagen waarover WAO-uitkering wordt verleend en waarvan de noemer gelijk is aan het aantal kalenderdagen in het desbetreffende kalenderjaar.
4. Wijzigingen in de mate van arbeidsongeschiktheid Indien een toeneming van de arbeidsongeschiktheid leidt tot een hogere pensioenopbouw overeenkomstig het derde lid, waarbij de verminderde arbeidsgeschiktheid plaatsvindt bij een aangesloten werkgever, wordt deze hogere pensioenopbouw - in afwijking van het tweede lid - gebaseerd op de pensioengrondslag, die verkregen wordt door de pensioengrondslag overeenkomend met het pensioengevend loon verdiend bij die werkgever in het kalenderjaar waarin de dag gelegen is waarop de WAO-uitkering wordt herzien, te herleiden tot een pensioengrondslag van een geheel kalenderjaar.
Indien de WAO-uitkering wordt herzien als gevolg van toeneming van de arbeidsongeschiktheid, waarbij de verminderde arbeidsgeschiktheid plaatsvindt bij een aangesloten werkgever, dan wel als gevolg van afneming van de arbeidsongeschiktheid, en deze toeneming of afneming tot een hogere of lagere pensioenopbouw overeenkomstig het derde lid leidt, wordt de premievrije pensioengrondslag aangepast met ingang van de dag waarop de WAO-uitkering wordt
pensioenreglement pagina 38 | 93
herzien. Indien de arbeidsongeschiktheid is geëindigd of is gedaald beneden 15%, wordt de premievrije voortzetting beëindigd met ingang van de dag waarop de WAO-uitkering wordt ingetrokken.
5. Premievrije voortzetting bij ZW-uitkering Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor de deelnemer die recht heeft op een premiebijdrage van het FVP, ziek wordt en vervolgens in aanmerking komt voor een WAO-uitkering naar een arbeidsongeschiktheid van 15% of meer, gedurende de periode waarin hij een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) ontvangt. Bij toepassing van dit lid wordt de pensioengrondslag voor bedoelde periode vastgesteld, door de pensioengrondslag die gold in het kalenderjaar waarin de eerste dag gelegen is waarover ZW-uitkering wordt verleend, te herleiden tot een pensioengrondslag van een geheel kalenderjaar en deze laatste pensioengrondslag te vermenigvuldigen met een breuk, waarvan de teller gelijk is aan het aantal kalenderdagen waarover ZW-uitkering wordt verleend en waarvan de noemer gelijk is aan het aantal kalenderdagen in het desbetreffende kalenderjaar.
6. Nadere voorwaarden Het bepaalde in de voorgaande leden is niet of niet meer van toepassing indien de deelnemer:
a. reeds arbeidsongeschikt in de zin van de WAO was op het tijdstip, waarop zijn deelneming laatstelijk aanving. Indien de deelnemer op dat tijdstip gedeeltelijk arbeidsongeschikt in de zin van de WAO was, wordt premievrije voortzetting verleend indien en voor zover de WAO-uitkering tijdens de deelneming wordt herzien als gevolg van toeneming van de arbeidsongeschiktheid, waarbij deze toeneming leidt tot een hogere pensioenopbouw volgens het derde en vierde lid;
b. niet binnen een jaar na ingang van de WAO-uitkering aan het fonds een verzoek doet tot toepassing van dit artikel;
c. niet de inlichtingen verstrekt, die het fonds voor de toepassing van dit artikel nodig oordeelt. In dit geval bepaalt het fonds het tijdstip waarop dit artikel niet meer toegepast wordt.
Het bestuur is bevoegd de premievrije pensioenopbouw met ingang van een door haar te bepalen datum toe te kennen, indien niet binnen de onder b genoemde termijn een verzoek tot toepassing van dit artikel is ontvangen.
Artikel 23 Voortzetting bij WIA-uitkering
1. Voortzetting van de pensioenopbouw Gedurende de periode waarin de deelnemer recht heeft op een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering) naar een arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, wordt de pensioenopbouw geheel of gedeeltelijk voortgezet, zonder dat premie aan het fonds verschuldigd is, voor:
a. ouderdomspensioen;
b. partnerpensioen; en
c. wezenpensioen.
2. Basis voor de premievrije voortzetting De rechten op pensioen over de in het eerste lid bedoelde periode worden vastgesteld op basis van de pensioengrondslag, die gold in het jaar voorafgaande aan de eerste dag van de wachttijd in de zin van WIA, vermeerderd met eventuele verhogingen als bedoeld in artikel 34 verleend in deze wachttijd. Indien de deelneming direct voorafgaande aan de eerste dag van bedoelde wachttijd korter dan een jaar heeft geduurd, wordt de pensioengrondslag die gold in die kortere periode herleid tot een pensioengrondslag op jaarbasis.
3. Hoogte van de pensioengrondslag De pensioengrondslag per kalenderjaar over de in het eerste lid bedoelde periode wordt vastgesteld, door de in het tweede lid bedoelde pensioengrondslag te vermenigvuldigen met:
a. 40% bij een arbeidsongeschiktheid van 35-45%;
b. 50% bij een arbeidsongeschiktheid van 45-55%;
c. 60% bij een arbeidsongeschiktheid van 55-65%;
d. 72,5% bij een arbeidsongeschiktheid van 65-80%;
e. 100% bij een arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
pensioenreglement pagina 39 | 93
Indien recht bestaat op premievrije voortzetting gedurende een deel van een kalenderjaar, wordt de volgens het tweede lid vastgestelde pensioengrondslag voor dat kalenderjaar eerst vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller gelijk is aan het aantal kalenderdagen waarover WIA-uitkering wordt verleend en waarvan de noemer gelijk is aan het aantal kalenderdagen in het desbetreffende kalenderjaar.
4. Wijzigingen in de mate van arbeidsongeschiktheid Indien een toeneming van de arbeidsongeschiktheid leidt tot een hogere pensioenopbouw overeenkomstig het derde lid, waarbij de verminderde arbeidsgeschiktheid plaatsvindt bij een aangesloten werkgever, wordt deze hogere pensioenopbouw - in afwijking van het tweede lid - gebaseerd op de pensioengrondslag, die gold in het jaar direct voorafgaande aan de eerste dag waarop de WIA-uitkering wordt herzien. Indien de WIA-uitkering wordt herzien als gevolg van toeneming van de arbeidsongeschiktheid, waarbij de verminderde arbeidsgeschiktheid plaatsvindt bij een aangesloten werkgever, dan wel als gevolg van afneming van de arbeidsongeschiktheid, en deze toeneming of afneming tot een hogere of lagere pensioenopbouw overeenkomstig het derde lid leidt, wordt de premievrije pensioengrondslag aangepast met ingang van de dag waarop de WIA-uitkering wordt herzien. Indien de arbeidsongeschiktheid is geëindigd of is gedaald beneden 35%, wordt de premievrije voortzetting beëindigd met ingang van de dag waarop de WIA-uitkering wordt ingetrokken.
5. Premievrije voortzetting bij ZW-uitkering Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor de deelnemer die recht heeft op een premiebijdrage van het FVP, ziek wordt en vervolgens in aanmerking komt voor een WIA-uitkering naar een arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, gedurende de periode waarin hij een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) ontvangt. Bij toepassing van dit lid wordt de pensioengrondslag voor bedoelde periode gelijk aan de pensioengrondslag, die gold in het jaar direct voorafgaande aan de eerste dag waarover ZW-uitkering wordt verleend.
6. Nadere voorwaarden Het bepaalde in de voorgaande leden is niet of niet meer van toepassing indien de deelnemer:
a. reeds arbeidsongeschikt in de zin van de WIA was op het tijdstip, waarop zijn deelneming laatstelijk aanving. Indien de deelnemer op dat tijdstip gedeeltelijk arbeidsongeschikt in de zin van de WIA was, wordt premievrije voortzetting verleend indien en voor zover de WIA-uitkering tijdens de deelneming wordt herzien als gevolg van toeneming van de arbeidsongeschiktheid, waarbij deze toeneming leidt tot een hogere pensioenopbouw volgens het derde en vierde lid;
b. niet binnen een jaar na ingang van de WIA-uitkering aan het fonds een verzoek doet tot toepassing van dit artikel;
c. niet de inlichtingen verstrekt, die het fonds voor de toepassing van dit artikel nodig oordeelt. In dit geval bepaalt het fonds het tijdstip waarop dit artikel niet meer toegepast wordt.
Het bestuur is bevoegd de premievrije pensioenopbouw met ingang van een door haar te bepalen datum toe te kennen, indien niet binnen de onder b genoemde termijn een verzoek tot toepassing van dit artikel is ontvangen.
Artikel 24 Voortzetting bij werkloosheid
1. Voortzetting van de pensioenopbouw Gedurende de periode waarin de deelnemer recht heeft op een loongerelateerde uitkering krachtens de Werkloosheidswet en hij op grond daarvan recht heeft op een premiebijdrage van het FVP, wordt de pensioenopbouw voortgezet voor:
- ouderdomspensioen;
- partnerpensioen; en
- wezenpensioen.
Het voorgaande geldt slechts, voor zover de premiebijdrage van het FVP door het fonds is ontvangen.
2. Pensioengrondslag De voortgezette pensioenopbouw wordt gebaseerd op een pensioengrondslag die verkregen wordt door toepassing van de volgende formule: pensioensalaris maal aantal dagen maal voortzettingspercentage, waarbij verstaan wordt onder:
a. pensioensalaris: het pensioengevend salaris, zoals dat door het fonds aan het FVP bekend gemaakt wordt;
pensioenreglement pagina 40 | 93
b. aantal dagen: het aantal dagen waarop in de betreffende periode recht bestaat op een premiebijdrage van het FVP;
c. voortzettingspercentage: het door het FVP vastgestelde percentage dat de verhouding tussen de loongerelateerde werkloosheidsuitkering en het pensioensalaris weergeeft.
Artikel 25 Voortzetting bij VUT
1. Voorwaarden Gedurende de periode waarin de deelnemer een uitkering ontvangt van de Stichting Vrijwillig Uittreden Schoonmaak- en Glazenwassersbranche (VUT), met uitzondering van een aanvulling op een uitkering van prepensioen, wordt de pensioenopbouw voortgezet voor:
- ouderdomspensioen;
- partnerpensioen; en
- wezenpensioen.
2. Pensioengrondslag Als pensioengrondslag over de in het eerste lid bedoelde periode geldt de voor de VUT-uitkering vastgestelde uitkeringsgrondslag, verminderd met de van toepassing zijnde franchise. De pensioengrondslag zal worden gewijzigd indien en voor zover de VUT-uitkering wordt verhoogd dan wel de franchise wordt gewijzigd.
HOOFDSTUK V WAARDEOVERDRACHT
Artikel 26 Plicht tot waardeoverdracht
1. Uitgaande individuele waardeoverdracht Het fonds is verplicht om na een verzoek van een gewezen deelnemer tot waardeoverdracht de overdrachtswaarde van zijn pensioenaanspraken over te dragen indien:
a. er sprake is van een individuele beëindiging van de deelneming; en
b. die waardeoverdracht ertoe strekt het de gewezen deelnemer mogelijk te maken pensioenaanspraken te verwerven bij de ontvangende pensioenuitvoerder van de nieuwe werkgever of de beroepspensioenregeling;
tenzij sprake is van een van de in artikel 27 omschreven situaties. Indien het verzoek van de gewezen deelnemer tot waardeoverdracht partnerpensioen betreft, is voor de waardeoverdracht van dit partnerpensioen tevens vereist dat de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen met de waardeoverdracht instemt.
2. Ingaande individuele waardeoverdracht Het fonds is verplicht om na een verzoek tot waardeoverdracht van een deelnemer de overdrachtswaarde aan te wenden ter verwerving van pensioenaanspraken voor die deelnemer.
3. Aanvraagtermijn De plicht van de overdragende pensioenuitvoerder om de waarde rechtstreeks over te dragen en de plicht van de ontvangende pensioenuitvoerder om de waarde aan te wenden ontstaat indien de deelnemer binnen zes maanden na aanvang van de verwerving van pensioenaanspraken in de door de ontvangende pensioenuitvoerder uitgevoerde pensioenregeling een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken aan de ontvangende pensioenuitvoerder en daarna het verzoek tot waardeoverdracht doet aan de ontvangende pensioenuitvoerder.
4. Nadere regels De artikelen 75, 76, 77, 78, 79, 85, 86, 87, 88, 91 en 92 van de Pensioenwet zijn eveneens van toepassing. Op de waardeoverdracht als hier bedoeld zijn de reken- en procedureregels, zoals vastgelegd in het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, van toepassing.
pensioenreglement pagina 41 | 93
Artikel 27 Uitzondering op plicht tot waardeoverdracht
1. Geen plicht tot waardeoverdracht De in artikel 26 genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt niet zolang:
a. de overdragende of ontvangende pensioenuitvoerder een pensioenfonds is waarbij de technische voorzieningen niet meer volledig door waarden worden gedekt;
b. de overdragende of ontvangende pensioenuitvoerder een verzekeraar is waarop de noodregeling, bedoeld in artikel 3:160 van de Wet op het financieel toezicht van toepassing is, of die failliet is; of
c. de overdragende pensioenuitvoerder een verzekeraar is en aanvullende bijdragen van de werkgever noodzakelijk zijn maar de financiële toestand van die werkgever blijkens een schriftelijke verklaring van een niet aan de onderneming van de werkgever verbonden accountant die aanvullende bijdragen niet toelaat.
2. Herleving plicht tot waardeoverdracht Indien de in het eerste lid genoemde omstandigheden niet meer van toepassing zijn:
a. herleven in artikel 26 genoemde plichten van de overdragende pensioenuitvoerder en de ontvangende pensioenuitvoerder;
b. wordt de in artikel 26, derde lid, omschreven verplichting van de deelnemer om binnen zes maanden een opgave te vragen en daarna een verzoek tot waardeoverdracht te doen verlengd tot zes maanden na ontvangst van de mededeling, bedoeld in het derde lid.
3. Informatieplicht overdragende pensioenuitvoerder
Een overdragende pensioenuitvoerder die in de periode waarin de in het eerste lid genoemde omstandigheden op hem van toepassing zijn verzoeken om waardeoverdracht heeft gekregen, informeert, wanneer deze omstandigheden niet meer van toepassing zijn, alle deelnemers die in die periode gewezen deelnemer zijn geworden en de betrokken ontvangende pensioenuitvoerders over de mogelijkheid alsnog waarde over te dragen.
4. Informatieplicht ontvangende pensioenuitvoerder
Een ontvangende pensioenuitvoerder die in de periode waarin de in het eerste lid genoemde omstandigheden op hem van toepassing zijn verzoeken om waardeoverdracht heeft gekregen, informeert, wanneer deze omstandigheden niet meer van toepassing zijn, alle deelnemers die in die periode een verzoek tot waardeoverdracht hebben gedaan en de betrokken overdragende pensioenuitvoerders over de mogelijkheid alsnog waarde over te dragen.
Artikel 28 Collectieve waardeoverdracht
1. Bevoegdheid Het fonds is op verzoek van een werkgever bevoegd tot collectieve waardeoverdracht indien:
a. de waardeoverdracht ertoe strekt in verband met beëindiging van de verplichte aansluiting van de werkgever bij het fonds, dan wel in verband met beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst tussen de werkgever en het fonds de waarde onder te brengen bij de ontvangende pensioenuitvoerder met wie de werkgever een uitvoeringsovereenkomst heeft gesloten;
b. de werkgever wordt overgenomen als gevolg van een overgang van een onderneming als bedoeld in artikel 7:662 BW, en de overnemende onderneming een uitvoeringsovereenkomst heeft gesloten of gaat sluiten met een andere pensioenuitvoerder of dezelfde pensioenuitvoerder; of
c. de waardeoverdracht ertoe strekt in verband met een collectieve wijziging van de pensioenovereenkomst de waarde van pensioenaanspraken of pensioenrechten aan te wenden bij het fonds overeenkomstig de gewijzigde pensioenovereenkomst.
2. Voorwaarden Bij een collectieve waardeoverdracht als bedoeld in het eerste lid wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
pensioenreglement pagina 42 | 93
a. de deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners of de pensioengerechtigden hebben geen bezwaren jegens het fonds kenbaar gemaakt tegen de waardeoverdracht nadat zij over het voornemen schriftelijk zijn geïnformeerd;
b. de overdrachtswaarde wordt door de overdragende pensioenuitvoerder zodanig vastgesteld dat de voor mannen en vrouwen te verwerven pensioenrechten gelijk zijn waarbij aan het vereiste van collectieve actuariële gelijkwaardigheid op basis van dezelfde grondslagen wordt voldaan; en
c. het voornemen tot waardeoverdracht aan een pensioenuitvoerder wordt door de overdragende pensioenuitvoerder uiterlijk drie maanden voor de beoogde datum van waardeoverdracht schriftelijk gemeld aan de toezichthouder en de toezichthouder heeft binnen die periode geen verbod tot waardeoverdracht opgelegd.
3. Nadere regels
De artikelen 84 en 90 van de Pensioenwet zijn eveneens van toepassing.
HOOFDSTUK VI SCHEIDING
Artikel 29 Bijzonder partnerpensioen
1. Bijzonder partnerpensioen bij deelneming vóór 1 januari 2003 Indien een (gewezen) deelnemer of gepensioneerde die reeds deelnemer was vóór 1 januari 2003, dan wel een gewezen deelnemer of gepensioneerde van wie een deel van het ouderdomspensioen is uitgeruild:
a. het huwelijk is geëindigd door echtscheiding of is ontbonden na scheiding van tafel en bed,
b. het geregistreerd partnerschap is geëindigd anders dan door dood, vermissing of omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk; óf
c. de gemeenschappelijke huishouding, anders dan door dood, vermissing of omzetting van de gemeenschappelijke huishouding in een huwelijk of geregistreerd partnerschap, is geëindigd, waarbij de datum van beëindiging van de gezamenlijke huishouding blijkt uit een door de (gewezen) deelnemer of de gepensioneerde of de de gewezen partner overgelegde notariële akte, dan wel een onderhandse overeenkomst of door beide gewezen partners ondertekende gelijkluidende verklaringen, waarbij de handtekeningen onder de overeenkomst of verklaringen door een notaris zijn gewaarmerkt, heeft de ex-partner aanspraak op bijzonder partnerpensioen.
2. Bijzonder partnerpensioen verworven na 31 december 2002
Indien van een gewezen deelnemer of gepensioneerde van wie een deel van het ouderdomspensioen is uitgeruild in partnerpensioen overeenkomstig artikel 36:
a. het huwelijk is geëindigd door echtscheiding of is ontbonden na scheiding van tafel en bed,
b. het geregistreerd partnerschap is geëindigd met wederzijds goedvinden dan wel is ontbonden, óf
c. de gemeenschappelijke huishouding is geëindigd, waarbij de datum van beëindiging van de gezamenlijke huishouding blijkt uit een door de gewezen deelnemer of de gepensioneerde of de gewezen partner overgelegde notariële akte, dan wel een onderhandse overeenkomst of door beide gewezen partners ondertekende gelijkluidende verklaringen, waarbij de handtekeningen onder de overeenkomst of verklaringen door een notaris zijn gewaarmerkt, heeft de ex-partner aanspraak op bijzonder partnerpensioen.
3. Uitkeringsperiode Het bijzonder partnerpensioen gaat in op
- de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde overlijdt
en eindigt op
- de laatste dag van de maand waarin de nabestaande overlijdt.
4. Hoogte van het bijzonder partnerpensioen Het bijzonder partnerpensioen is gelijk aan de aanspraak op partnerpensioen op de dag van inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van
pensioenreglement pagina 43 | 93
- het vonnis van echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, óf
- de verklaring dan wel de rechterlijke uitspraak van het met wederzijds goedvinden eindigen respectievelijk van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap;
dan wel op de dag van beëindiging van de gezamenlijke huishouding.
In geval aanspraak op een bijzonder partnerpensioen bestaat voor twee of meer gewezen partners, wordt het bijzonder partnerpensioen voor de tweede of volgende gewezen partner verminderd met de reeds toegekende aanspraak dan wel aanspraken op bijzonder partnerpensioen.
5. Afwijkende regeling Er bestaat geen aanspraak op bijzonder partnerpensioen, indien de man en de vrouw bij voorwaarden in verband met de partnerrelatie of een schriftelijk gesloten overeenkomst met betrekking tot de scheiding anders overeenkomen. Deze voorwaarden of overeenkomst zijn respectievelijk is slechts geldig indien het fonds zich bereid heeft verklaard hiermee in te stemmen en bereid is een uit de afwijking voortvloeiend risico te dekken dan wel het niveau van de uitkering aan te passen.
6. Vervreemding bij overlijden
Bij het overlijden van de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde kan de gewezen partner het recht op bijzonder partnerpensioen vervreemden aan een eerdere of latere partner van de overleden deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde, mits
a. het fonds bereid is een eventueel uit de overdracht voortvloeiende wijziging van het risico te dekken;
b. de vervreemding onherroepelijk is; en
c. dit wordt overeengekomen bij notarieel verleden akte.
7. Afkoop na scheiding
Indien de uitkering van het bijzonder partnerpensioen op jaarbasis op de ingangsdatum minder zal bedragen dan de afkoopgrens, wordt de aanspraak op bijzonder partnerpensioen afgekocht. Het fonds informeert de ex-partner over zijn besluit tot afkoop binnen zes maanden na de melding van de scheiding en gaat binnen die termijn over tot de uitbetaling van de afkoopwaarde aan de ex-partner.
8. Afkoop met instemming
Het fonds koopt na de in het zevende lid genoemde termijn af indien:
a. de ex-partner daarmee instemt; en
b. de hoogte van het bijzonder partnerpensioen op jaarbasis per 1 januari van dat jaar lager is dan de afkoopgrens.
9. Uitbetaling afkoopwaarde
Het fonds stelt de afkoopwaarde van de aanspraak op bijzonder partnerpensioen ter beschikking aan de ex-partner. Artikel 33 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 30 Verevening van pensioen
1. Pensioenverevening In geval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed dan wel beëindiging van het geregistreerd partnerschap anders dan door dood, vermissing of omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk, heeft de gewezen partner overeenkomstig dit artikel recht op pensioenverevening, tenzij de partners de toepasselijkheid van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding hebben uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding dan wel bij partnerschapsvoorwaarden. Op de pensioenverevening is het bepaalde bij of krachtens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding overigens onverminderd van toepassing.
2. Recht op uitbetaling van prepensioen en ouderdomspensioen De gewezen partner heeft jegens het fonds een recht op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen, mits binnen twee jaar na de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van
pensioenreglement pagina 44 | 93
a. het vonnis van echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed, óf,
b. de verklaring dan wel de rechterlijke uitspraak van het met wederzijds goedvinden eindigen respectievelijk van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap,
het fonds is geïnformeerd door een van beide partners door middel van een formulier, waarvan het model is vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en bekend is gemaakt in de Staatscourant. Een recht op uitbetaling jegens het fonds sluit een recht op uitbetaling jegens de tot verevening verplichte partner uit.
3. Uitbetaling Het deel van het pensioen dat uitbetaald moet worden aan de gewezen partner, bedraagt de helft van het pensioen dat zou moeten worden uitbetaald indien:
a. de tot verevening verplichte partner uitsluitend gedurende de deelnemingsjaren tussen de aanvang van het huwelijk dan wel het geregistreerd partnerschap en het tijdstip van scheiding dan wel beëindiging van het geregistreerd partnerschap zou hebben deelgenomen; én
b. hij op het tijdstip van scheiding dan wel beëindiging van het geregistreerd partnerschap de deelneming beëindigd zou hebben.
Indien het pensioen na ingang daarvan wordt verhoogd, wordt het bedrag dat uitbetaald moet worden aan de gewezen partner evenredig verhoogd. Een pensioen wordt niet verevend, indien op het tijdstip van scheiding dan wel beëindiging van het geregistreerd partnerschap het deel van dat pensioen, waarop recht op uitbetaling ontstaat, gelijk aan of lager is dan de afkoopgrens.
4. Afwijkende verdeling Bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding dan wel bij partnerschapsvoorwaarden kunnen de partners, in afwijking van het derde lid, aanhef en onder a, overeenkomen, dat het deel van het pensioen dat uitbetaald moet worden aan de gewezen partner, bepaald wordt op een door hen te kiezen vast percentage, dan wel dat de in het derde lid, onder a, bepaalde periode gewijzigd wordt. Het door de partners overeen te komen deel van het pensioen dat uitbetaald moet worden aan de gewezen partner, kan niet worden bepaald op een percentage dat op het tijdstip van scheiding dan wel beëindiging van het geregistreerd partnerschap resulteert in een pensioenaanspraak gelijk aan of lager dan de afkoopgrens.
5. Eigen recht op ouderdomspensioen Bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding dan wel bij partnerschapsvoorwaarden kunnen de partners in geval van echtscheiding dan wel beëindiging van het geregistreerd partnerschap met wederzijds goedvinden of door ontbinding overeenkomen, dat het tweede lid buiten toepassing blijft en dat de partner die anders een recht op uitbetaling van ouderdomspensioen zou hebben verkregen, in de plaats van dat recht én zijn eventuele aanspraak op partnerpensioen jegens het fonds een eigen recht op ouderdomspensioen verkrijgt. De overeenkomst is slechts geldig indien aan de overeenkomst een verklaring van het fonds is gehecht dat het instemt met bedoelde omzetting.
6. Nadere voorwaarden Indien jegens het fonds een recht op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen ontstaat krachtens het tweede en derde lid dan wel indien de partners een afwijkende verdeling zijn overeengekomen, zoals bedoeld in het vierde lid, wordt een bedrag van € 115,-- aan kosten in rekening gebracht. Indien de partners omzetting van een deel van de aanspraak op ouderdomspensioen én de eventuele aanspraak op partnerpensioen zijn overeengekomen, zoals bedoeld in het vijfde lid, wordt een bedrag van € 180,-- aan kosten in rekening gebracht. In dat geval wordt tevens een gezondheidsverklaring verlangd.
HOOFDSTUK VII AFKOOP
Artikel 31 Afkoop klein ouderdomspensioen bij beëindiging deelneming
1. Afkoop na einde van de deelneming
a. Het fonds heeft het recht op zijn vroegst twee jaar na beëindiging van de deelneming een aanspraak op ouderdomspensioen af te kopen, indien op basis van de premievrije aanspraak op ouderdomspensioen de uitkering van het ouderdomspensioen op jaarbasis op de pensioendatum minder zal bedragen dan de afkoopgrens, tenzij de gewezen deelnemer binnen twee jaar na beëindiging van de deelneming een procedure tot waardeoverdracht is gestart. Indien de gewezen deelnemer ouderdomspensioen heeft uitgeruild in partnerpensioen overeenkomstig artikel 36, kan de bij het ouderdomspensioen behorende aanspraak op partnerpensioen eveneens worden afgekocht.
b. Het bepaalde onder a geldt niet voor de deelnemers die zijn geboren in de jaren 1945 tot en met 1947, indien de uitkering van het ouderdomspensioen op de pensioendatum en de aanvulling daarop die ontvangen wordt van de Stichting Vrijwillig Uittreden Schoonmaak- en Glazenwassersbranche tesamen gelijk is aan de afkoopgrens of hoger.
c. Het fonds informeert de gewezen deelnemer over zijn besluit tot afkoop binnen zes maanden na afloop van de periode van twee jaar na beëindiging van de deelneming en gaat over tot de uitbetaling van de afkoopwaarde binnen die termijn van zes maanden.
d. Arbeidsongeschiktheidspensioen en ANW-gat-pensioen worden niet afgekocht.
2. Afkoop op de pensioneringsdatum
a. De aanspraak op ouderdomspensioen wordt op de pensioneringsdatum afgekocht, indien de pensioneringsdatum ligt voor het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn van twee jaar en de uitkering van het ouderdomspensioen op de pensioendatum minder bedraagt dan de afkoopgrens. Indien de gewezen deelnemer ouderdomspensioen heeft uitgeruild in partnerpensioen overeenkomstig artikel 36, wordt de bij het ouderdomspensioen behorende aanspraak op partnerpensioen eveneens afgekocht.
b. Het bepaalde onder a geldt niet voor de deelnemers die zijn geboren in de jaren 1945 tot en met 1947, indien de uitkering van het ouderdomspensioen op de pensioneringsdatum en de aanvulling daarop die ontvangen wordt van de Stichting Vrijwillig Uittreden Schoonmaak- en Glazenwassersbranche tesamen gelijk is aan de afkoopgrens of hoger.
c. Het fonds informeert de gepensioneerde over zijn besluit tot afkoop binnen zes maanden na de pensioneringsdatum en gaat over tot de uitbetaling van de afkoopwaarde binnen die termijn van zes maanden.
3. Afkoop met instemming
Het fonds koopt na de in het eerste lid bedoelde termijn van twee jaar en zes maanden af indien:
a. de gewezen deelnemer of de gepensioneerde daarmee instemt; en
b. de hoogte van het ouderdomspensioen op jaarbasis per 1 januari van dat jaar lager is dan de afkoopgrens.
4. Uitbetaling afkoopwaarde
Het fonds stelt de afkoopwaarde van de pensioenaanspraken ter beschikking aan de gewezen deelnemer dan wel de gepensioneerde, met uitzondering van de afkoopwaarde van een eventueel bijzonder partnerpensioen, die ter beschikking wordt gesteld aan de gewezen partner. Het fonds betaalt de uitkering op de dag dat de aanspraken vervallen in verband met de afkoop. De afkoopwaarde wordt verminderd met wettelijke inhoudingen.
5. Hoogte van de afkoopwaarde
De hoogte van de afkoopwaarde is afhankelijk van de leeftijd van degene wiens pensioenaanspraken worden afgekocht. De afkoopwaarde is voor mannen en vrouwen gelijk. De afkoopwaarde wordt vastgesteld door de af te kopen pensioenaanspraken te vermenigvuldigen met het percentage in de in de bijlage opgenomen tabel dat overeen komt met de leeftijd van de gewezen deelnemer dan wel de gepensioneerde wiens pensioenaanspraken worden afgekocht op de datum dat de afkoopwaarde wordt uitbetaald. De in genoemde tabel opgenomen afkoopvoeten gelden voor de jaren 2009 tot en met 2011. Het bestuur is bevoegd voor de jaren 2010 en 2011 uiterlijk een half jaar voor aanvang van het betreffende jaar in verband met de rentestand afwijkende afkoopvoeten vast te stellen.
pensioenreglement pagina 46 | 93
Artikel 32 Afkoop klein partnerpensioen of wezenpensioen bij ingang
1. Afkoop na overlijden
Het fonds koopt een recht op partnerpensioen of wezenpensioen af, indien de uitkering van het partnerpensioen respectievelijk het wezenpensioen op jaarbasis op de ingangsdatum minder bedraagt dan de afkoopgrens. Het fonds informeert de nabestaande over zijn besluit tot afkoop binnen zes maanden na de ingangsdatum en gaat binnen die termijn over tot de uitbetaling van de afkoopwaarde aan de nabestaande.
2. Afkoop met instemming
Het fonds koopt na de in het eerste lid genoemde termijn het partnerpensioen of wezenpensioen af indien:
a. de nabestaande daarmee instemt; en
b. de hoogte van het partnerpensioen respectievelijk het wezenpensioen op jaarbasis per 1 januari van dat jaar lager is dan de afkoopgrens.
3. Uitbetaling afkoopwaarde
Het fonds stelt de afkoopwaarde van het recht op partnerpensioen of wezenpensioen ter beschikking aan de partner, met dien verstande dat de afkoopwaarde van het recht op wezenpensioen ter beschikking wordt gesteld aan de wees indien deze meerderjarig is. Het fonds betaalt de uitkering op de dag dat de rechten vervallen in verband met de afkoop. De afkoopwaarde wordt verminderd met wettelijke inhoudingen.
4. Hoogte van de afkoopwaarde
De hoogte van de afkoopwaarde is afhankelijk van de leeftijd van degene wiens pensioenrecht wordt afgekocht. De afkoopwaarde is voor mannen en vrouwen gelijk. De afkoopwaarde wordt vastgesteld door het af te kopen pensioenrecht te vermenigvuldigen met het percentage in de in de bijlage opgenomen tabel dat overeen komt met de leeftijd van de partner dan wel de wees op de datum dat de afkoopwaarde wordt uitbetaald. In afwijking van het voorgaande wordt, indien een af te kopen wezenpensioen een kind betreft tussen de 18-jarige en de 27-jarige leeftijd, de afkoopwaarde van dat wezenpensioen vastgesteld door het af te kopen wezenpensioen te vermenigvuldigen met het percentage in de in de bijlage opgenomen tabel dat overeen komt met de verwachte resterende studieduur van de wees tot uiterlijk de 27-jarige leeftijd op de datum dat de afkoopwaarde wordt uitbetaald; de verwachte resterende studieduur wordt op ten hoogste vier jaar gesteld. De in genoemde tabel opgenomen afkoopvoeten gelden voor de jaren 2009 tot en met 2011. Het bestuur is bevoegd voor de jaren 2010 en 2011 uiterlijk een half jaar voor de aanvang van het betreffende jaar in verband met de rentestand afwijkende afkoopvoeten vast te stellen.
Artikel 33 Afkoop klein bijzonder partnerpensioen bij scheiding
1. Afkoop na scheiding
Het fonds koopt een aanspraak op bijzonder partnerpensioen af, indien de uitkering van het bijzonder partnerpensioen op jaarbasis op de ingangsdatum minder zal bedragen dan de afkoopgrens. Het fonds informeert de gewezen partner over zijn besluit tot afkoop binnen zes maanden na de melding van de scheiding en gaat binnen die termijn over tot de uitbetaling van de afkoopwaarde aan de gewezen partner.
2. Afkoop met instemming
Het fonds koopt na de in het eerste lid genoemde termijn een aanspraak op bijzonder partnerpensioen af indien:
a. de gewezen partner daarmee instemt; en
b. de hoogte van het bijzonder partnerpensioen op jaarbasis per 1 januari van dat jaar lager is dan de afkoopgrens.
3. Uitbetaling afkoopwaarde
Het fonds stelt de afkoopwaarde van de aanspraak op bijzonder partnerpensioen ter beschikking aan de gewezen partner. Het fonds betaalt de uitkering op de dag dat de aanspraak vervalt in verband met de afkoop. De afkoopwaarde wordt verminderd met wettelijke inhoudingen.
pensioenreglement pagina 47 | 93
4. Hoogte van de afkoopwaarde
De hoogte van de afkoopwaarde is afhankelijk van de leeftijd van degene wiens pensioenaanspraak wordt afgekocht. De afkoopwaarde is voor mannen en vrouwen gelijk. De afkoopwaarde wordt vastgesteld door de af te kopen pensioenaanspraak te vermenigvuldigen met het percentage in de in de bijlage opgenomen tabel dat overeen komt met de leeftijd van de gewezen partner op de datum dat de afkoopwaarde wordt uitbetaald. De in genoemde tabel opgenomen afkoopvoeten gelden voor de jaren 2009 tot en met 2011. Het bestuur is bevoegd voor de jaren 2010 en 2011 uiterlijk een half jaar voor aanvang van het betreffende jaar in verband met de rentestand afwijkende afkoopvoeten vast te stellen.
HOOFDSTUK VIII TOESLAGVERLENING
Artikel 34 Toeslagbeleid
1. Voorwaardelijke toeslagverlening
Het bestuur beslist jaarlijks of en in hoeverre de ingegane pensioenen, de opgebouwde pensioenaanspraken en de volgens de artikelen 11, derde lid in te kopen pensioenaanspraken verhoogd worden door middel van het verlenen van een toeslag. Een toeslag wordt alleen verleend voor zover de beschikbare financiële middelen van het fonds dit naar het oordeel van het bestuur toelaten. Deze beoordeling vindt mede plaats op basis van een schriftelijk advies van de actuaris.
2. Ambitieniveau
Het bestuur streeft ernaar jaarlijks per 1 januari een toeslag te verlenen, die maximaal gelijk is aan de stijging van het CBS-consumentenprijsindexcijfer, alle huishoudens afgeleid, over de periode van juli tot juli daaraan voorafgaand.
3. Financiering van de toeslagen
De voorwaardelijke toeslagen worden gefinancierd uit overrendementen. De premie bevat dus geen opslag voor toeslagen. Voor de voorwaardelijke toeslagen is geen bestemmingsreserve gevormd en wordt geen premie betaald.
4. Voorbehoud
Het bestuur is te allen tijde bevoegd het toeslagbeleid en de hierbij gehanteerde voorwaarden aan gewijzigde omstandigheden aan te passen, ook ten aanzien van gewezen deelnemers en gepensioneerden, met dien verstande dat eenmaal toegekende toeslagen in beginsel niet worden aangetast.
Artikel 35 Uitvoering
Indien het bestuur besloten heeft een toeslag te verlenen, wordt deze toeslag gegeven op:
a. de per 31 december van het laatste kalenderjaar opgebouwde pensioenaanspraken van de deelnemers;
b. de ingegane pensioenen en de pensioenaanspraken van de gewezen deelnemers;
c. de volgens artikel 11 derde lid in te kopen pensioenaanspraken.
Aanspraken op bijzonder partnerpensioen en verevend prepensioen en ouderdomspensioen worden op dezelfde wijze verhoogd. Toeslagen worden op gelijke wijze verleend op reeds eerder verleende toeslagen.
Artikel 36 Uitruil van ouderdomspensioen in partnerpensioen
1. Het keuzemoment
De (gewezen) deelnemer heeft het recht een deel van het ouderdomspensioen uit te ruilen in partnerpensioen:
a. bij beëindiging van de deelneming; en
b. op de pensioneringsdatum.
2. Standaard aanbod
Het fonds biedt de deelnemer bij beëindiging van de deelneming en in het laatste jaar voor ingang van het ouderdomspensioen standaard de mogelijkheid, genoemd in het eerste lid, aan.
3. Standaard uitruil
Indien de (gewezen) deelnemer niet binnen de door het fonds gestelde termijn reageert op de keuzemogelijkheid die hem ingevolge het tweede lid in het laatste jaar voor ingang van het ouderdomspensioen is aangeboden, gaat het fonds over tot het uitruilen van ouderdomspensioen in partnerpensioen als de deelnemer of gewezen deelnemer gehuwd is of een geregistreerde partnerrelatie heeft. Na uitruil als hier bedoeld bedraagt het partnerpensioen 70% van het ouderdomspensioen dat na de uitruil resteert.
4. Ruilvoet
Indien gekozen wordt een deel van het ouderdomspensioen uit te ruilen in een hoger partnerpensioen, wordt het partnerpensioen verhoogd met een bedrag dat gelijk is aan het uit te ruilen deel van het ouderdomspensioen vermenigvuldigd met het percentage in onderstaande tabel dat overeen komt met de leeftijd van de (gewezen) deelnemer op de datum van de uitruil.
Leeftijd
Ruilvoet
21 388%
36 399%
51 473%
22 388%
37 401%
52 483%
23 388%
38 403%
53 493%
24 388%
39 405%
54 503%
25 388%
40 407%
55 513%
26 388%
41 409%
56 524%
27 389%
42 411%
57 536%
28 390%
43 413%
58 549%
29 391%
44 415%
59 563%
30 392%
45 419%
60 579%
31 393%
46 425%
61 597%
32 394%
47 433%
62 617%
33 395%
48 443%
63 639%
34 396%
49 453%
64 664%
35 397%
50 463%
65 694%
5. Nadere voorwaarden
Na uitruil als hier bedoeld bedraagt het partnerpensioen maximaal 70% van het ouderdomspensioen dat na de uitruil resteert. Na uitruil van ouderdomspensioen is de uitgeruilde aanspraak op ouderdomspensioen vervangen door de aanspraak op (de verhoging van) partnerpensioen. De in het vierde lid genoemde ruilvoeten gelden voor de jaren 2009 tot en met 2011. Het bestuur is bevoegd voor de jaren 2010 en 2011 uiterlijk een half jaar voor aanvang van het betreffende jaar in verband met de rentestand afwijkende ruilvoeten vast te stellen.
6. Geen uitruil
Er vindt geen uitruil van een deel van het ouderdomspensioen plaats indien:
a. dit betrekking heeft op verevend ouderdomspensioen, als bedoeld in artikel 30;
b. het ouderdomspensioen op jaarbasis door de uitruil lager zou worden dan de afkoopgrens;
c. partnerpensioen wordt uitgeruild in ouderdomspensioen overeenkomstig artikel 37.
Artikel 37 Uitruil van partnerpensioen in ouderdomspensioen
1. Het keuzemoment Indien een (gewezen) deelnemer of gepensioneerde reeds deelnemer was vóór 1 januari 2003, dan wel een gewezen deelnemer een partnerpensioen heeft verworven als gevolg van uitruil van ouderdomspensioen, heeft de (gewezen) deelnemer het recht partnerpensioen op de pensioneringsdatum geheel of gedeeltelijk uit te ruilen in een hoger ouderdomspensioen.
2. Toestemming partner Bij de keuze om partnerpensioen uit te ruilen in een hoger ouderdomspensioen is, wanneer de (gewezen) deelnemer een partner heeft, de toestemming van deze partner vereist, die daarmee tevens afstand doet van het partnerpensioen voor zover dit wordt uitgeruild. De (gewezen) deelnemer en de partner dienen tevens te verklaren ermee bekend te zijn, dat als gevolg van de uitruil vanaf de pensioneringsdatum het partnerpensioen geheel of gedeeltelijk vervalt, alsmede dat deze uitruil, toestemming en afstandsverklaring niet herroepen kunnen worden.
3. Ruilvoet Indien gekozen wordt partnerpensioen geheel of gedeeltelijk uit te ruilen in een hoger ouderdomspensioen, wordt het op de pensioendatum geldende ouderdomspensioen verhoogd met 12% van het uitgeruilde partnerpensioen.
4. Nadere voorwaarden Door de uitruil als hier bedoeld kan het ouderdomspensioen meer bedragen dan 100% van het laatstelijk geldende pensioengevend loon. Na uitruil van het partnerpensioen is de uitgeruilde aanspraak op partnerpensioen vervangen door de aanspraak op de verhoging van ouderdomspensioen. De in het derde lid genoemde ruilvoet geldt voor de jaren 2009 tot en met 2011. Het bestuur is bevoegd voor de jaren 2010 en 2011 uiterlijk een half jaar voor aanvang van het betreffende jaar in verband met de rentestand een afwijkende ruilvoet vast te stellen.
5. Geen uitruil Partnerpensioen wordt niet uitgeruild indien:
a. het ouderdomspensioen op de pensioneringsdatum gelijk aan of lager is dan de afkoopgrens;
b. een deel van het ouderdomspensioen wordt uitgeruild in partnerpensioen.
Het wezenpensioen en een eventueel bijzonder partnerpensioen, als bedoeld in artikel 29, kunnen niet uitgeruild worden.
HOOFDSTUK IX HERSCHIKKEN
Artikel 38 Vervroegen van het ouderdomspensioen
1. Keuze om ouderdomspensioen te vervroegen
De (gewezen) deelnemer heeft het recht een deel van het ouderdomspensioen aan te wenden om het ouderdomspensioen eerder te laten ingaan dan op de pensioendatum.
2. Eerder ingaand ouderdomspensioen
Indien het ouderdomspensioen eerder ingaat dan op de pensioendatum, wordt het herrekend tot een lager ouderdomspensioen en vindt verdere opbouw van ouderdomspensioen en partnerpensioen plaats, voor zover en zolang in dienstbetrekking in het schoonmaak- respectievelijk glazenwassersbedrijf wordt doorgewerkt.
3. Ruilvoeten
Indien gekozen wordt een deel van het ouderdomspensioen aan te wenden om het ouderdomspensioen eerder te laten ingaan dan op de pensioendatum, wordt het ouderdomspensioen in de uitkeringsperiode tot de pensioendatum vastgesteld door het uit te ruilen deel van het ouderdomspensioen te vermenigvuldigen met het percentage in onderstaande tabel dat overeenkomt met de leeftijd van de (gewezen) deelnemer op de pensioneringsdatum. Indien de pensioneringsdatum niet valt in de maand waarin de desbetreffende leeftijd is bereikt, wordt als ruilvoet een van onderstaande tabel afwijkend percentage aangehouden dat overeenkomt met de leeftijd van betrokkene op de pensioneringsdatum in maanden nauwkeurig.
pensioenreglement pagina 50 | 93
Pensioneringsdatum
Ruilvoet
60 228%
61 292%
62 398%
63 612%
64 1252%
4. Nadere voorwaarden
Na vervroeging van het ouderdomspensioen bedraagt de laagste uitkering niet minder dan 75% van de hoogste uitkering. In de periode tussen de pensioneringsdatum en het bereiken van de 65-jarige leeftijd blijft bij de beoordeling van deze verhouding van de uitkering maximaal buiten aanmerking het gedeelte dat overeenkomt met twee maal het bedrag bedoeld in artikel 18a, achtste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. De in het derde lid genoemde ruilvoeten gelden voor de jaren 2009 tot en met 2011. Het bestuur is bevoegd voor de jaren 2010 en 2011 uiterlijk een half jaar voor de aanvang van het betreffende jaar in verband met de rentestand afwijkende ruilvoeten vast te stellen.
HOOFDSTUK X INFORMATIEVERSTREKKING DOOR HET FONDS
Artikel 39 Informatie over de pensioenregeling
1. Startbrief
Het fonds informeert de deelnemer binnen drie maanden na aanvang van de deelneming, door middel van een startbrief, over:
a. de inhoud van de basispensioenregeling;
b. de toeslagverlening;
c. het recht van de werknemer om bij het fonds het geldende pensioenreglement op te vragen;
d. het bestaan van de vrijwillige pensioenregeling;
e. omstandigheden die betrekking hebben op het functioneren van het fonds; en
f. het recht van de werknemer om bij het fonds een verzoek in te dienen voor een berekening van de effecten van uitruil op zijn pensioenaanspraak.
Er wordt geen startbrief verstrekt als de werknemer uiterlijk zes maanden vóór aanvang van de deelneming in dienst is getreden bij dezelfde werkgever, op grond waarvan de deelnemer de hiervoor bedoelde informatie heeft ontvangen. Informatie die sinds de vorige verstrekking is gewijzigd wordt wel verstrekt.
2. Informatie over de basispensioenregeling
De informatie over de inhoud van de basispensioenregeling, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval het volgende:
a. de datum van aanvang van de deelneming;
b. de pensioensoorten, waarbij aangegeven wordt of nabestaandenpensioen, al dan niet samen met ouderdomspensioen, deel uitmaakt van de basispensioenregeling;
c. het karakter van de pensioenovereenkomst;
d. de wijze waarop de pensioenaanspraken worden vastgesteld;
e. de ingangsdatum van het pensioen en de duur van de uitkering;
f. de gevolgen van beëindiging van de deelneming voor de hoogte van de pensioenaanspraken, waarbij aangegeven wordt welke pensioenaanspraken op risicobasis zijn;
g. de gevolgen van arbeidsongeschiktheid voor de verwerving van pensioenaanspraken;
h. de mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting; en
i. de informatieverplichtingen van de werknemer jegens de werkgever en het fonds.
pensioenreglement pagina 51 | 93
3. Verdere informatie
In de startbrief wordt ook informatie verstrekt over:
a. het wettelijk recht op waardeoverdracht of de mogelijkheid tot waardeoverdracht als niet voldaan is aan de voorwaarden voor het wettelijk recht op waardeoverdracht;
b. de keuzemogelijkheden die er zijn ten aanzien van uitruil;
c. de pensioensoorten waarop de vrijwillige pensioenregeling betrekking heeft;
d. welke informatie op verzoek wordt verstrekt;
e. het actueel zijn van een korte- of langetermijnherstelplan; en
f. de bij het fonds geldende klachtenregeling.
4. Wijziging pensioenreglement
Het fonds informeert de deelnemer binnen drie maanden na een wijziging in het pensioenreglement over die wijziging en de mogelijkheid om het gewijzigde pensioenreglement op te vragen.
Artikel 40 Jaarlijkse pensioenopgave
1. Jaarlijkse informatie
Het fonds verstrekt de deelnemer jaarlijks:
a. een opgave van de verworven pensioenaanspraken;
b. een opgave van de reglementair te bereiken pensioenaanspraken;
c. informatie over toeslagverlening; en
d. een opgave van de aan het voorafgaande kalenderjaar toe te rekenen waardeaangroei van pensioenaanspraken.
2. Te bereiken pensioenaanspraken
De reglementair te bereiken pensioenaanspraken bevat een opgave van de hoogte van het periodiek uit te keren pensioen vanaf de ingangsdatum van het pensioen. Bij deze opgave wordt ten aanzien van het nabestaandenpensioen aangegeven wat de gevolgen zijn van de gekozen wijze van financieren.
Artikel 41 Informatie aan gewezen deelnemers
1. Bij beëindiging van de deelneming
Het fonds verstrekt de deelnemer bij beëindiging van de deelneming:
a. een opgave van de opgebouwde pensioenaanspraken, die behouden blijven bij beëindiging van de deelneming;
b. informatie over toeslagverlening;
c. informatie die voor de deelnemer specifiek in het kader van de beëindiging relevant is;
d. informatie over omstandigheden die betrekking hebben op het functioneren van de pensioenuitvoerder;
e. informatie over de mogelijkheid van afkoop als de pensioenaanspraak onder de afkoopgrens ligt;
f. informatie over het recht op waardeoverdracht of de mogelijkheid tot waardeoverdracht als niet voldaan is aan de voorwaarden voor het wettelijk recht op waardeoverdracht;
g. informatie over de gevolgen van arbeidsongeschiktheid;
h. informatie over het actueel zijn van een korte- of langetermijnherstelplan; en
i. informatie over de mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting; en
j. informatie over het recht een deel van het ouderdomspensioen uit te ruilen in partnerpensioen.
2. Periodiek
Het fonds verstrekt de gewezen deelnemer een keer in de vijf jaar:
a. een opgave van zijn opgebouwde pensioenaanspraken; en
b. informatie over toeslagverlening.
pensioenreglement pagina 52 | 93
Artikel 42 Informatie aan gewezen partners
1. Bij scheiding
Het fonds verstrekt de gewezen partner van de (gewezen) deelnemer:
a. een opgave van de opgebouwde pensioenaanspraak op partnerpensioen;
b. informatie over toeslagverlening;
c. informatie die voor de gewezen partner specifiek van belang is; en
d. informatie over de mogelijkheid van afkoop als de pensioenaanspraak onder de afkoopgrens ligt.
2. Periodiek
Het fonds verstrekt de gewezen partner een keer in de vijf jaar:
a. een opgave van zijn opgebouwde aanspraak op partnerpensioen; en
b. informatie over toeslagverlening.
Artikel 43 Informatie aan pensioengerechtigden
1. Bij pensioeningang
Het fonds verstrekt degene die pensioengerechtigde wordt:
a. een opgave van zijn pensioenrecht;
b. een opgave van de opgebouwde aanspraken op nabestaandenpensioen wanneer de pensioenregeling daarin voorziet;
c. informatie over toeslagverlening;
d. het recht een deel van het ouderdomspensioen uit te ruilen in partnerpensioen; en
e. het recht partnerpensioen geheel of gedeeltelijk uit te ruilen in ouderdomspensioen.
2. Periodiek
Het fonds verstrekt de pensioengerechtigde jaarlijks:
a. een opgave van zijn pensioenrecht;
b. een opgave van de opgebouwde aanspraken op nabestaandenpensioen wanneer de pensioenregeling daarin voorziet; en
c. informatie over toeslagverlening.
Artikel 44 Informatie over toeslagverlening
1. Inhoudelijk
De in de artikelen 39 tot en met 43 bedoelde informatie over toeslagverlening heeft betrekking op:
a. het ambitieniveau en de voorwaarden die gelden bij de toeslagverlening;
b. de wijze van financiering van voorwaardelijke toeslagverlening en, indien daartoe technische voorzieningen worden gecreëerd, de hoogte van de voorziening in relatie tot de benodigde voorziening;
c. de verwachtingen ten aanzien van toekomstige toeslagverlening; en
d. de toeslagverlening over de afgelopen drie jaar waarbij wordt aangegeven of dit in overeenstemming met het gepresenteerde toeslagbeleid is geweest.
2. Wijziging toeslagbeleid
Het fonds informeert gewezen deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden binnen drie maanden na een wijziging van het toeslagbeleid over die wijziging.
Artikel 45 Informatie op verzoek
1. Algemene informatie
Het fonds verstrekt de deelnemer, de gewezen deelnemer, de gewezen partner en de pensioengerechtigde op verzoek:
a. het geldende pensioenreglement;
pensioenreglement pagina 53 | 93
b. het jaarverslag en de jaarrekening van het fonds;
c. het uitvoeringsreglement;
d. de verklaring inzake beleggingsbeginselen;
e. het korte- of langetermijnherstelplan als dat van toepassing is;
f. informatie over de hoogte van de dekkingsgraad;
g. informatie over het van toepassing zijn van een aanwijzing door de toezichthouder; en
h. informatie over de aanstelling van een bewindvoerder.
2. Specifieke informatie
Het fonds verstrekt de deelnemer, de gewezen deelnemer en de gewezen partner op verzoek informatie die specifiek voor hem relevant is, waaronder de mogelijkheden van uitruil.
3. Gewezen deelnemer
Het fonds verstrekt de gewezen deelnemer op verzoek een opgave van de hoogte van zijn opgebouwde pensioenaanspraken.
Artikel 46 Informatie bij vertrek naar een andere lidstaat
Het fonds verstrekt deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden die zich in een andere lidstaat vestigen informatie over hun pensioenaanspraken en pensioenrechten en over de mogelijkheden die hun op grond van de pensioenregeling worden geboden. Deze informatie is ten minste overeenkomstig de informatie die wordt verstrekt aan deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden die in Nederland blijven.
HOOFDSTUK XI AANVULLENDE PENSIOENVERZEKERINGEN
Artikel 47 Sluiten van aanvullende verzekeringen
1. Aanvullingen op de basisregeling Het fonds kan op verzoek van een aangesloten werkgever voor de deelnemers of een bepaalde groep van deelnemers, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, die in dienst zijn van deze werkgever, pensioenaanspraken verzekeren in aanvulling op de aanspraken welke voortvloeien uit de toepassing van hoofdstuk II, een en ander tegen betaling van periodieke premies of koopsommen en op door het bestuur vastgestelde overige voorwaarden.
2. Keuring Indien verzekeringen ingevolge dit hoofdstuk keuzemogelijkheden bieden voor een individuele deelnemer met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, die een wijziging wenst ten aanzien van een eerder gemaakte keuze, kan het honoreren van die wijziging afhankelijk gesteld worden van de gezondheidstoestand van de deelnemer. Deze wordt beoordeeld aan de hand van vragen daarover dan wel het verrichten van medisch onderzoek.
3. Overeenkomst De aanspraken die voor de betrokken deelnemers uit de verzekeringen ingevolge dit hoofdstuk voortvloeien, de verschuldigde premies of koopsommen alsmede de overige voorwaarden, zullen worden vastgelegd in een overeenkomst tussen de aangesloten werkgever en het fonds.
4. Tarief Het bestuur stelt, gehoord de actuaris, een tarief vast voor de in dit hoofdstuk bedoelde verzekeringen. Het bestuur is bevoegd, gehoord de actuaris, het tarief te wijzigen. Het gewijzigde tarief is ook van toepassing op de vóór de wijziging van het tarief ingevolge dit hoofdstuk afgesloten verzekeringen, doch niet eerder dan zes maanden na het tijdstip waarop het nieuwe tarief aan de aangesloten werkgever is meegedeeld.
pensioenreglement pagina 54 | 93
In individuele gevallen, waarin het tweede lid toegepast is, is het fonds bevoegd op grond van de gezondheidstoestand van de betrokken deelnemer van het tarief af te wijken.
5. Bewijsstukken Het fonds geeft ten behoeve van de betrokken deelnemers bewijsstukken af met betrekking tot de ingevolge dit hoofdstuk verzekerde pensioenen.
Artikel 48 Eindigen van aanvullende verzekeringen
1. Eindigen van de overeenkomst De in artikel 47, derde lid, bedoelde overeenkomst tussen de aangesloten werkgever en het fonds eindigt:
a. zodra de aangesloten werkgever deze hoedanigheid verliest;
b. door opzegging bij aangetekend schrijven door het fonds of de aangesloten werkgever, met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden tegen de eerste januari van enig jaar;
c. door opzegging door het fonds tegen een door het fonds te bepalen tijdstip, indien de verschuldigde premies of koopsommen gedurende een maand na de vervaldag onbetaald zijn gebleven.
2. Eindigen van de betalingsplicht De verplichting van de aangesloten werkgever om voor een deelnemer periodieke premies of koopsommen te betalen eindigt:
a. zodra de deelnemer niet meer behoort tot de groep werknemers waarop de overeenkomst met de aangesloten werkgever betrekking heeft;
b. zodra de overeenkomst met de aangesloten werkgever voor de groep werknemers, waartoe de deelnemer behoort, wordt beëindigd;
c. door het overlijden van de deelnemer;
d. door het bereiken van de pensioendatum.
In de gevallen bedoeld onder a en b, is de deelnemer bevoegd de verzekering voor eigen rekening op dezelfde voorwaarden voort te zetten, mits voldaan is aan de voorwaarden genoemd in artikel 21, eerste en tweede lid. Op deze voortzetting is artikel 21, derde lid, van overeenkomstige toepassing. De verplichting van de aangesloten werkgever om voor een deelnemer periodieke premies of koopsommen te betalen eindigt voorts in zoverre en zodra de aanspraken welke voortvloeien uit de toepassing van hoofdstuk II in die zin gewijzigd worden dat zij geheel of gedeeltelijk samenvallen met de aanvullende aanspraken welke verzekerd zijn ingevolge dit hoofdstuk.
3. Onjuiste gegevens Indien blijkt, dat als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens aan het fonds, bij het sluiten van de verzekering van een onjuiste leeftijd dan wel van een onjuist geslacht van de verzekerde of zijn partner is uitgegaan, waardoor een te lage premie of koopsom werd overeengekomen, wordt het verzekerde pensioen herberekend en vastgesteld op basis van de juiste gegevens, rekening houdend met de overeengekomen premies en koopsommen, dan wel wordt een aanvullende koopsom in rekening gebracht. Is er als gevolg van een onjuiste opgave een te hoge premie of koopsom betaald, dan wordt het te veel betaalde na aftrek van administratiekosten aan de aangesloten werkgever terugbetaald, tenzij het fonds in overleg met de aangesloten werkgever besluit tot een overeenkomstige herberekening als bedoeld in de vorige volzin.
4. Vervallen van de verzekering Het fonds is bevoegd de verzekering te doen vervallen, indien blijkt dat aan het fonds of de keurende arts, indien het tweede lid van artikel 47 toegepast is, onjuiste opgaven of mededelingen zijn gedaan omtrent onderwerpen, die voor de beoordeling van het risico van de verzekering van belang zijn. Indien het fonds van deze bevoegdheid gebruik maakt, betaalt het fonds aan de aangesloten werkgever terug een bedrag gelijk aan de betaalde premies of koopsommen, onder aftrek van de door het fonds gemaakte kosten.
HOOFDSTUK XII OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 49 Inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2003 en is laatstelijk gewijzigd per 1 januari 2009.
Artikel 50 Overgangsbepalingen
1. Aanspraken opgebouwd tot en met 31 december 2006 De tot en met 31 december 2006 opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen, partnerpensioen en wezenpensioen blijven per die datum vastgesteld overeenkomstig hetgeen in die periode bepaald was in het van toepassing zijnde pensioenreglement. Op deze aanspraken zijn de artikelen 34 en 35 van toepassing.
2. Premie verschuldigd tot en met 31 december 2006 De tot en met 31 december 2006 verschuldigde premies blijven verschuldigd overeenkomstig hetgeen in die periode bepaald was in het van toepassing zijnde pensioenreglement.
3. Vrijwillige voortzetting Indien een vrijwillige voortzetting is aangevangen vóór 1 juni 2003, is de in artikel 21, eerste lid, onder b, genoemde termijn van drie jaar niet van toepassing en eindigt de voortzetting op 1 juni 2006. Indien een vrijwillige voortzetting is aangevangen tussen 31 mei 2003 en 1 juni 2006, geldt de voortzetting voor een periode van maximaal drie jaar en eindigt derhalve uiterlijk op 1 juni 2009. Indien de deelneming op 31 december 2005 vrijwillig wordt voortgezet, en dit ook vanaf 1 januari 2006 wordt voortgezet overeenkomstig artikel 11, tweede lid, is het bepaalde in artikel 11, derde lid niet van toepassing.
4. Arbeidsongeschiktheid vóór 1 januari 2007 Indien de pensioenopbouw op 31 december 2006 wordt voortgezet wegens gedeeltelijk arbeidsongeschiktheid, dan wel wegens volledige arbeidsongeschiktheid die is aangevangen na 31 december 2002, wordt de pensioenopbouw met ingang van 1 januari 2007 voortgezet overeenkomstig artikel 11, tweede lid; daarbij is het bepaalde in artikel 11, derde lid, van toepassing op de premievrije opbouw. Indien de pensioenopbouw op 31 december 2006 wordt voortgezet wegens volledige arbeidsongeschiktheid die is aangevangen vóór 1 januari 2003, wordt de opbouw van ouderdomspensioen, partnerpensioen en wezenpensioen voortgezet overeenkomstig het pensioenreglement dat tot en met 31 december 2002 van toepassing was.
Vanaf het moment dat betrokkene geheel of gedeeltelijk reϊntegreert in het schoonmaak- respectievelijk glazenwassersbedrijf, wordt de pensioenopbouw voortgezet overeenkomstig artikel 11, tweede lid; daarbij is het bepaalde in artikel 11, derde lid, van toepassing op de premievrije opbouw.
5. Vutters
De in de periode 2003 tot en met 2006 geldende pensioenregeling wordt met ingang van 1 januari 2007 voortgezet voor de deelnemers voor wie op 31 december 2006 en vervolgens vanaf 1 januari 2007 de pensioenopbouw wordt voortgezet wegens vervroegd uittreden indien de VUT-uitkering is toegekend met ingang van 1 januari 2007 of eerder.
6. Uitruil van prepensioen
het vóór 2007 opgebouwde prepensioen wordt met inachtnemening van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen uitgeruild in ouderdomspensioen, tenzij de (gewezen) deelnemer daar bezwaar tegen maakt. Niet uitgeruild prepensioen gaat in op de eerste dag van de maand waarin de (gewezen) deelnemer 62 jaar wordt.
pensioenreglement pagina 56 | 93
Artikel 51 Hardheidsclausule
In incidentele, niet van algemene aard zijnde, gevallen, waarin dit reglement niet voorziet, alsmede in gevallen, waarin strikte toepassing van dit reglement tot onbillijkheden zou leiden, beslist het bestuur, met inachtneming van eventuele wettelijke bepalingen, mits daarbij niet in strijd wordt gehandeld met de statuten.
pensioenreglement pagina 57 | 93
Afkoopvoeten als bedoeld in de artikelen 31, vijfde lid, 32, vierde lid, en 33, vierde lid, van het pensioenreglement
Leeftijd - Uitgesteld OP - Uitgesteld PP - Ingegaan OP/PP
21 - 1,86 - 0,46 - 21,16
22 - 1,94 - 0,48 - 21,08
23 - 2,02 - 0,50 - 21,01
24 - 2,11 - 0,53 - 20,93
25 - 2,21 - 0,55 - 20,85
26 - 2,30 - 0,58 - 20,77
27 - 2,40 - 0,61 - 20,68
28 - 2,51 - 0,64 - 20,59
29 - 2,62 - 0,66 - 20,49
30 - 2,73 - 0,70 - 20,39
31 - 2,85 - 0,73 - 20,29
32 - 2,98 - 0,76 - 20,18
33 - 3,10 - 0,79 - 20,06
34 - 3,24 - 0,83 - 19,94
35 - 3,39 - 0,85 - 19,82
36 - 3,53 - 0,88 - 19,69
37 - 3,68 - 0,92 - 19,55
38 - 3,84 - 0,96 - 19,41
39 - 4,01 - 1,00 - 19,26
40 - 4,18 - 1,04 - 19,10
41 - 4,36 - 1,09 - 18,94
42 - 4,55 - 1,13 - 18,77
43 - 4,75 - 1,18 - 18,60
44 - 4,95 - 1,22 - 18,41
45 - 5,20 - 1,20 - 18,26
46 - 5,42 - 1,24 - 18,06
47 - 5,66 - 1,29 - 17,86
48 - 5,91 - 1,33 - 17,66
49 - 6,17 - 1,37 - 17,44
50 - 6,45 - 1,42 - 17,22
51 - 6,73 - 1,46 - 16,99
52 - 7,03 - 1,51 - 16,75
53 - 7,35 - 1,55 - 16,50
54 - 7,68 - 1,60 - 16,24
55 - 8,06 - 1,57 - 16,01
56 - 8,43 - 1,62 - 15,74
57 - 8,82 - 1,66 - 15,45
58 - 9,23 - 1,71 - 15,16
59 - 9,66 - 1,75 - 14,86
60 - 10,11 - 1,79 - 14,55
61 - 10,60 - 1,81 - 14,22
62 - 11,11 - 1,84 - 13,89
63 - 11,65 - 1,87 - 13,55
64 - 12,22 - 1,88 - 13,20
65 - 12,70 - 2,04 - 12,70
Afkoopvoeten als bedoeld in artikel 32, vierde lid, van het pensioenreglement
Leeftijd
Ingegaan PP
Leeftijd
Ingegaan PP
66
12,32
79
7,21
67
11,94
80
6,80
68
11,55
81
6,41
69
11,15
82
6,02
70
10,75
83
5,64
71
10,34
84
5,28
72
9,93
85
5,14
73
9,52
86
4,78
74
9,11
87
4,44
75
8,85
88
4,12
76
8,44
89
3,82
77
8,03
90
3,55
78
7,61
Leeftijd
WZP
Resterende duur
WZP
0
12,43
4
3,67
1
11,97
3
2,81
2
11,49
2
1,91
3
10,98
1
0,98
4
10,45
5
9,90
6
9,32
7
8,72
8
8,09
9
7,43
10
6,74
11
6,03
12
5,27
13
4,49
14
3,67
15
2,81
16
1,91
17
0,98
18
0,00
pensioenreglement pagina 58 | 93
4 uitvoeringsreglement
De door het fonds opgestelde regeling met betrekking tot de verhouding tussen fonds en deelnemer is vastgelegd in het pensioenreglement.
HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1 Definities
Voor dit reglement zijn de definities van toepassing zoals omschreven in de statuten en het pensioenreglement van het fonds, met uitzondering van de hieronder gedefinieerde begrippen.
1. het fonds:
de stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf;
2. CAO-partijen:
de werkgeversvereniging en de werknemersverenigingen die partij zijn bij de CAO in het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf;
3. CAO-aanspreekpunt:
Stichting Raad voor Arbeidsverhoudingen Schoonmaak- en Glazenwassersbranche (RAS), die als het aanspreekpunt van het pensioenfonds voor CAO-partijen fungeert;
4. pensioenovereenkomst:
hetgeen tussen CAO-partijen is overeengekomen met betrekking tot pensioen zoals kan blijken uit bijvoorbeeld de CAO, een CAO-protocol of het pensioenreglement van het fonds inzake de verplichte deelneming in het fonds op grond van de verplichtstelling;
5. werkgever:
de werkgever die werknemers in dienst heeft die onder de verplichtstelling van het fonds vallen en niet is vrijgesteld van deelneming in het fonds, dan wel de werkgever die op vrijwillige basis bij het fonds is aangesloten waarbij is overeengekomen dat het uitvoeringsreglement van toepassing is;
6. deelnemer:
deelnemer in de verplichtgestelde pensioenregeling van het fonds;
7. actieve deelnemer:
de deelnemer in dienst van een werkgever;
8. inactieve deelnemer:
de deelnemer die niet meer in dienst is van een werkgever maar zijn deelneming na beëindiging van de dienstbetrekking heeft voortgezet waarbij sprake kan zijn van arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, vervroegd uittreden dan wel vrijwillige voortzetting;
uitvoeringsreglement pagina 60 | 93
9. aansluitingsovereenkomst:
de uitvoeringsovereenkomst waarmee de vrijwillige aansluiting van een werkgever bij de verplichte
pensioenregeling van het fonds wordt gerealiseerd, dan wel waarmee een aanvullende pensioenregeling bij het fonds wordt ondergebracht.
Artikel 2 De verplichte pensioenregeling
De verplichte pensioenregeling van het fonds is vastgelegd in het pensioenreglement van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf. Werkgevers zijn gebonden aan de bepalingen in het pensioenreglement en tevens aan dit uitvoeringsreglement.
Artikel 3 Aanvullende pensioenregeling
Het fonds biedt werkgevers de mogelijkheid om naast de verplichte pensioenregeling van het fonds een aanvullende pensioenregeling bij het fonds onder te brengen. Deze regeling en de van toepassing zijnde voorwaarden en verplichtingen zijn nader omschreven in hoofdstuk XI van het pensioenreglement en de bijbehorende uitvoeringsovereenkomst. Dit uitvoeringsreglement is op de aanvullende pensioenregeling alleen van toepassing voor zover het in de betreffende uitvoeringsovereenkomst expliciet van toepassing is verklaard.
HOOFDSTUK II WIJZE VAN VASTSTELLING VAN DE VERSCHULDIGDE PREMIE
Artikel 4 Vaststelling van de premie voor de verplichte pensioenregeling
1. Dit artikel heeft betrekking op de premie voor de verplichte pensioenregeling van het fonds. De premie wordt door het bestuur, na overleg met CAO-partijen, vastgesteld en zonodig gewijzigd, met inachtneming van het bepaalde in dit artikel en in hoofdstuk 6.
2. Voor iedere deelnemer wordt jaarlijks premie geheven voor de financiering van de verplichte pensioenregeling. Deze premie is een doorsneepremie uitgedrukt in een percentage van (een gedeelte van) het pensioengevend loon van de deelnemer. De doorsneepremie is voor alle deelnemers gelijk. De premie is door de werkgever verschuldigd. De werkgever kan een gedeelte van de premie op het loon van de deelnemer inhouden.
3. De premie is per 1 januari 2007 vastgesteld op:
a. 17,7% van de pensioengrondslag. Hiervan kan de werkgever 9,4% op het loon van de deelnemer inhouden;
b. 1% van het pensioengevend loon.
4. Geen premie is verschuldigd over de periode waarover de pensioenopbouw wordt voortgezet wegens arbeidsongeschiktheid of werkloosheid.
5. De premie wordt niet lager vastgesteld dan de kostendekkende premie. De kostendekkende premie wordt door het fonds vastgesteld op de manier als omschreven in de actuariële en bedrijfstechnische nota van het fonds.
6. Een wijziging van de premie wordt doorgevoerd met ingang van de eerste januari van een kalenderjaar. Indien de kostendekkende premie hoger dreigt te worden dan de geldende vastgestelde premie, treedt het fonds tijdig in overleg met CAO-partijen.
7. Als de premie hoger is vastgesteld dan de kostendekkende premie, kan het fonds het surplus benutten voor extra buffervorming voor herstel, of als kapitaaldekkingsopslag voor toekomstige toeslagverlening of voor andere doelen als omschreven in de actuariële en bedrijfstechnische nota van het fonds.
uitvoeringsreglement pagina 61 | 93
8. Als de kostendekkende premie hoger is dan voor CAO-partijen acceptabel is, kunnen CAO-partijen de pensioen-overeenkomst aanpassen in die zin dat de hoogte van de op te bouwen aanspraken in de toekomst naar beneden wordt bijgesteld.
Artikel 5 Vaststelling van de premie voor de aanvullende pensioenregeling
1. Indien de werkgever met het fonds een aanvullende pensioenregeling is overeengekomen, wordt voor de desbetreffende deelnemers jaarlijks eveneens premie geheven voor de financiering van de aanvullende pensioenregeling. De werkgever kan een gedeelte van deze premie op het loon van de deelnemer inhouden overeenkomstig de daarover gemaakte afspraak.
2. Op de premie voor de aanvullende pensioenregeling is het bepaalde in de leden 4 tot en met 8 van artikel 4 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6 Verschuldigdheid van de premie
1. De verschuldigde premie voor een deelnemer aan de pensioenregeling wordt berekend aan de hand van het pensioengevend loon van de werknemer zoals omschreven in het pensioenreglement. In het pensioenreglement is ook opgenomen wat de premiebijdrage van de deelnemer aan de betreffende regeling is.
2. De premie voor de actieve deelnemers is door de werkgever verschuldigd aan het fonds. De werkgever houdt de premiebijdrage van de werknemer in op het loon van de deelnemer.
3. Voor zover de premie voor voortzetting van de deelneming van een inactieve deelnemer niet voor rekening van het fonds komt, is de premie verschuldigd door de inactieve deelnemer zelf en wordt deze tijdens de periode van voortzetting bij hem in rekening gebracht.
HOOFDSTUK III WIJZE VAN BETALING VAN DE PREMIE IN TERMIJNEN
Artikel 7 Betaling van de premie in termijnen
1. Het fonds maakt voorafgaand aan ieder kalenderjaar een schatting van de verschuldigde jaarpremie voor elke werkgever en informeert de werkgever daarover door middel van een voorschotnota. De premie wordt gebaseerd op door de werkgever voor iedere deelnemer verstrekte loonopgaven. Na verwerking van de loonopgaven en het vaststellen van de eindafrekening over het voorgaande kalenderjaar stelt het fonds per werkgever de bij wijze van voorschot voor het lopende kalenderjaar verschuldigde premie vast. Het fonds informeert de werkgever over het bepaalde voorschot. De werkgever kan binnen drie weken nadat hij is geïnformeerd over het voorschot bezwaar tegen de hoogte daarvan maken en verzoeken om wijziging van het voorschot. Het voorschot wordt gewijzigd als de loonsom voor het desbetreffende kalenderjaar meer dan 10% afwijkt van de loonsom waarover het voorschot is berekend. Het fonds deelt het te betalen bedrag van de voorschotpremie en de termijn waarbinnen de betaling dient te geschieden, schriftelijk aan de werkgever mee.
2. De werkgever betaalt de voorschotnota in vier gelijke kwartaaltermijnen aan het fonds, waarbij het vervallen bedrag steeds op de eerste van het desbetreffende kwartaal in het bezit van de administrateur dient te zijn. In afwijking van het voorgaande wordt een vordering in haar geheel opeisbaar, indien de werkgever ten aanzien van de betaling van een van de termijnen in gebreke is. Op verzoek van de werkgever kan betaling van de premies ook plaatsvinden in gelijke maandtermijnen, die steeds vervallen per de eerste van de maand, mits die werkgever de administrateur machtigt tot maandelijkse afschrijving van de vervallen termijnen van hun rekening over te gaan.
uitvoeringsreglement pagina 62 | 93
Het in de vorige volzin bepaalde vervalt, indien op de rekening van de werkgever niet voldoende saldo aanwezig is om de afschrijving te realiseren, zodat het bepaalde in de eerste en tweede volzin van dit lid ten aanzien van die werkgever weer van toepassing is. De werkgever ontvangt tijdig een nota van het fonds.
3. Voor veranderingen in het werknemersbestand gedurende het jaar wordt de werkgever aanvullend gedebiteerd of gecrediteerd.
4. Na verwerking van de loonopgaven over het kalenderjaar stelt het fonds per deelnemer de definitieve premie over dat kalenderjaar vast. Per werkgever wordt de eindafrekening opgemaakt. De bij wijze van voorschot betaalde premies worden verrekend met de totaal verschuldigde definitieve premies.
5. Binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar vindt de definitieve afrekening over het afgelopen kalenderjaar plaats.
6. Over het verschil tussen de bij wijze van voorschot betaalde premies en de definitief verschuldigde premies wordt rente verrekend over de periode tussen het eind van het desbetreffende kalenderjaar en de datum van de eindafrekening. Deze rente is gelijk aan de depositorente Euribor voor zes maanden, zoals die geldt op 1 januari na het kalenderjaar waarover afgerekend wordt.
Artikel 8 Overschrijding betalingstermijn
Bij niet tijdige betaling van de verschuldigde premie of het van hem te vorderen voorschot is de werkgever door het enkele verloop van de termijn in verzuim. Het fonds is dan bevoegd te vorderen:
a. de verschuldigde premie zoals bij de werkgever in rekening is gebracht; alsmede
b. rente over de verschuldigde premie vanaf de dag volgende op de dag dat de premie betaald had moeten zijn, waarbij de rente wordt berekend naar het percentage van de wettelijke rente als bedoeld in de artikelen 6:119a en 6:120, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat geldt op de datum waarop de rente door het fonds wordt gevorderd; alsmede
c. vergoeding van de buitengerechtelijke invorderingskosten zoals bedoeld in artikel 6:96, lid 2 sub c van het Burgerlijk Wetboek, onverminderd de overige kosten van vervolging verschuldigd volgens de wet, waarbij de buitengerechtelijke invorderingskosten worden gesteld op 15% van het verschuldigde bedrag, met een minimum van € 50,=; alsmede
d. vergoeding van de kosten van het vergaren en verstrekken van de door het fonds benodigde gegevens voor de vaststelling van de in te vorderen premie of het gevorderde voorschot; alsmede
e. een boete van een door het bestuur vast te stellen percentage van de verschuldigde premies met een door het bestuur vast te stellen maximum bedrag per jaar.
HOOFDSTUK IV VERPLICHTING VAN DE WERKGEVER OM INFORMATIE TE VERSTREKKEN
Artikel 9 Informatieplicht van de werkgever
1. De werkgever is verplicht om alle werknemers die aan de verplichte pensioenregeling deel moeten nemen bij het fonds aan te melden. Daarbij dient de werkgever ervoor zorg te dragen dat het fonds de beschikking krijgt over alle door het bestuur nodig geoordeelde gegevens. Deze gegevens dienen zoveel mogelijk in uniform formaat elektronisch of schriftelijk te worden aangeleverd op de wijze die door het fonds wordt verlangd.
2. Indien de werkgever met het fonds een aanvullende pensioenregeling is overeengekomen, is hij verplicht om alle deelnemers die deelnemen in de aanvullende pensioenregeling bij het fonds aan te melden. De tweede en derde volzin van het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing.
uitvoeringsreglement pagina 63 | 93
3. De werkgever is verplicht aan een door het fonds aan te wijzen persoon inzage te verlenen in de administratie van de werkgever met betrekking tot de zakelijke gegevens en bescheiden, waarvan de inzage door het fonds nodig wordt geoordeeld voor een goede uitvoering van de pensioenregeling.
4. De werkgever dient ervoor te zorgen dat alle vereiste gegevens volledig, juist en tijdig worden verstrekt.
5. Er is sprake van tijdige verstrekking indien de hierna omschreven omstandigheden binnen één maand, nadat deze zich hebben voorgedaan, bij het fonds zijn gemeld:
a. indiensttreding of het bereiken van de voor de verplichte pensioenregeling gelden toetredingsleeftijd van 21 jaar door werknemers, onder opgave van de benodigde personele gegevens;
b. uitdiensttreding van werknemers die deelnemer in het fonds zijn;
c. wijzigingen in de persoonlijke gegevens van deelnemers zoals verandering van de mate van arbeidsongeschiktheid, verandering van deeltijdpercentage, het opnemen van onbetaald verlof, overlijden, (deeltijd)pensionering en vervroegen of uitstellen van de pensioneringsdatum.
6. De bij indiensttreding van een werknemer aan het fonds te verstrekken personele gegevens betreffen in ieder geval:
a. de naam van de deelnemer;
b. het adres van de deelnemer;
c. de geboortedatum van de deelnemer,
d. het burgerservicenummer van de deelnemer;
e. de salarisgegevens van de deelnemer;
f. de datum van indiensttreding van de deelnemer; alsmede
g. overige gegevens waar het fonds om verzoekt voor zover deze gegevens nodig zijn om de juiste pensioenaanspraken van een deelnemer te kunnen vaststellen.
7. De kosten die de werkgever maakt voor het vergaren en aanleveren van de door het fonds benodigde gegevens op de door het fonds voorgeschreven wijze komen voor rekening van de werkgever zelf.
Artikel 10 Niet nakomen van informatieplicht door de werkgever
1. Bij niet voldoening aan het bepaalde in het voorgaande artikel is het fonds bevoegd de nodige gegevens naar beste weten vast te stellen en te hanteren bij het vaststellen van de voorschotnota en de definitieve afrekening. De werkgever is aan deze vaststelling gebonden.
2. Het fonds is bevoegd in deze situatie een door het bestuur vast te stellen boete op te leggen.
3. De werkgever is aansprakelijk voor schade die het fonds lijdt als gevolg van het aanleveren van onvolledige, onjuiste of niet tijdige informatie door de werkgever. Daarbij wordt tevens als schade aangemerkt de uitkeringen die het fonds onvoorzien moet doen aan personen met betrekking tot wie de werkgever onvolledige, onjuiste of niet tijdige informatie heeft aangeleverd. Het fonds doet alleen een beroep op deze bepaling voor zover het feit dat het fonds de verplichting tot het doen van een uitkering niet kon voorzien een gevolg is van het feit dat de werkgever onvoldoende, onjuiste of niet tijdige informatie heeft aangeleverd.
Artikel 11 Informatieverstrekking door het fonds
Het fonds draagt er voor zorg dat de deelnemers in dienst van de werkgever worden geïnformeerd overeenkomstig de eisen in artikel 21 van de Pensioenwet. Deelnemers ontvangen van het fonds tijdig een startbrief en informatie over wijzigingen in de pensioenregeling van het fonds.
HOOFDSTUK V PROCEDURES BIJ NIET NAKOMEN VAN PREMIEBETALINGSVERPLICHTINGEN
Artikel 12 Melding premieachterstand
1. Het fonds informeert elk kwartaal schriftelijk de deelnemersraad wanneer sprake is van een premieachterstand ter grootte van 5% van de totale door het fonds te ontvangen jaarpremie en tevens niet voldaan wordt aan de bij of krachtens artikel 131 Pensioenwet geldende eisen inzake het minimaal vereist eigen vermogen.
2. Gedurende de in het eerste lid bedoelde situatie informeert het fonds tevens elk kwartaal de ondernemingsraad van alle werkgevers die nog premie aan het fonds verschuldigd zijn.
Artikel 13 Uitoefening rechtsmiddelen ter incasso
Indien de werkgever in gebreke blijft wat betreft het voldoen van de premie maakt het fonds gebruik van de rechtsmiddelen die het ter beschikking heeft. Dat houdt onder meer in
- dat zonodig een dwangbevel zal worden uitgebracht;
- dat beslag kan worden gelegd op goederen van de werkgever;
- dat uiteindelijk faillissement van de werkgever kan worden aangevraagd; en
- dat bestuurders van de werkgever hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld.
Artikel 14 Informeren van deelnemers over betalingsachterstand
Het fonds is bevoegd de actieve deelnemers te informeren over een eventuele betalingsachterstand van de werkgever ook als geen sprake is van dekkingstekort als bedoeld in artikel 12.
HOOFDSTUK VI PROCEDURES BIJ WIJZIGING VAN DE PENSIOENOVEREENKOMST EN HET PENSIOENREGLEMENT
Artikel 15 Aanpassing van het pensioenreglement aan de pensioenovereenkomst
1. Het fonds stelt het pensioenreglement voor de verplichte pensioenregeling vast in overeenstemming met de pensioenovereenkomst en dit uitvoeringsreglement.
2. Voor de tenuitvoerlegging van dit hoofdstuk fungeert de RAS voor het fonds als aanspreekpunt van de CAO-partijen.
3. Het fonds adviseert de RAS over aan te brengen wijzigingen in de pensioenovereenkomst indien het fonds overeenkomstige wijziging van het pensioenreglement wenselijk vindt.
4. De RAS informeert het fonds zo spoedig mogelijk over iedere wijziging in de pensioenovereenkomst. De wijziging van de pensioenovereenkomst wordt in hoofdlijnen aangegeven. Het fonds is alsdan verplicht om het pensioenreglement aan te passen overeenkomstig de wijziging en heeft daarbij de bevoegdheid om de details van de wijziging uit te werken. Het fonds past binnen drie maanden na wijziging van de pensioenovereenkomst het pensioenreglement aan.
5. Het fonds is bevoegd, en daartoe door de RAS gemachtigd, het pensioenreglement te wijzigen zonder voorafgaande afstemming met de RAS indien de wijzigingen worden genoodzaakt door wetgeving of worden opgedragen door de toezichthouder en de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden, andere aanspraakgerechtigden en de werkgevers niet benadeeld worden door de wijziging.
uitvoeringsreglement pagina 65 | 93
6. Na elke wijziging van het pensioenreglement legt het fonds het pensioenreglement voor aan de RAS om zeker te stellen dat het pensioenreglement overeenstemt met de pensioenovereenkomst. Na positieve constatering daarvan door de RAS is de tekst van het pensioenreglement bepalend voor de inhoud van de pensioenovereenkomst.
HOOFDSTUK VII DE VOORWAARDEN WAARONDER TOESLAGVERLENING PLAATSVINDT
Artikel 16 Voorwaarden voor toeslagverlening
1. De toeslagverlening op pensioenaanspraken en pensioenrechten is voorwaardelijk.
2. Het fonds beslist jaarlijks of en in hoeverre een toeslag op pensioenaanspraken en pensioenrechten kan worden toegekend. Alleen als en voor zover de middelen van het fonds toereikend zijn voor een toeslag, wordt deze verleend.
3. De voorwaardelijke toeslagverlening wordt gefinancierd uit overrendementen. De premie bevat dus geen opslag voor toeslagverlening. Voor de toeslagverlening is geen bestemmingsreserve gevormd en wordt geen premie betaald.
4. Het fonds is bevoegd bij het vaststellen van het toeslagbeleid onderscheid te maken tussen verschillende soorten pensioenaanspraken en pensioenrechten, voor zover dat onderscheid wettelijk is toegestaan. Het toeslagbeleid is vastgelegd in het pensioenreglement.
5. Toeslagverlening vindt altijd plaats per 1 januari van enig jaar en wordt verleend op de pensioenaanspraken en pensioenrechten met inbegrip van eerder verleende toeslagen.
6. Nadat een toeslag is verleend maakt de toeslag deel uit van de pensioenaanspraak of het pensioenrecht .
HOOFDSTUK VIII UITGANGSPUNTEN EN PROCEDURES BIJ BESLUITVORMING OVER VERMOGENSTEKORTEN, VERMOGENSOVERSCHOTTEN EN WINSTDELING
Artikel 17 Herstelplannen
Bij een onderdekking respectievelijk reservetekort meldt het fonds dit terstond aan de toezichthouder. Het fonds stelt in dat geval binnen een termijn van twee respectievelijk drie maanden, of zoveel eerder als de toezichthouder bepaalt, een plan van aanpak op waaruit blijkt op welke wijze en op welke termijn de onderdekking of het reservetekort teniet zal worden gedaan.
Artikel 18 Sturingsmiddelen
Het fonds hanteert als financiële sturingsmiddelen het premiebeleid, het toeslagbeleid en het beleggingsbeleid. Tevens kan het fonds de RAS adviseren de pensioenovereenkomst aan te passen waar het de opbouw van toekomstige aanspraken betreft en kan het fonds als laatste middel de pensioenaanspraken en pensioenrechten verminderen.
Artikel 19 Korting van pensioenaanspraken en pensioenrechten
1. Het fonds kan verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten uitsluitend verminderen indien:
a. de technische voorzieningen en het minimaal vereist eigen vermogen niet meer volledig door waarden zijn gedekt;
b. het fonds niet in staat is binnen een redelijke termijn de technische voorzieningen en het minimaal vereist eigen vermogen door waarden te dekken zonder dat de belangen van actieve deelnemers, inactieve deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden, andere aanspraakgerechtigden of de werkgevers onevenredig worden geschaad; en
c. alle overige beschikbare sturingsmiddelen, met uitzondering van het beleggingsbeleid, zijn ingezet zoals uitgewerkt in het kortetermijnherstelplan.
2. Het fonds informeert de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en de werkgevers schriftelijk over het besluit tot vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten.
3. De vermindering kan op zijn vroegst een maand nadat de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden, werkgevers en toezichthouder hierover geïnformeerd zijn, worden gerealiseerd.
HOOFDSTUK IX MOGELIJKHEID OM PREMIEKORTING TE VERLENEN
Artikel 20 Premiekorting
Het fonds maakt geen gebruik van de wettelijke mogelijkheid om premiekorting te verlenen.
Artikel 21 Terugstorting
Het fonds maakt geen gebruik van de wettelijke mogelijkheden tot terugstorting.
HOOFDSTUK X MOGELIJKHEID TOT VRIJWILLIGE VOORTZETTING VAN DE PENSIOENREGELING NA BEËINDIGING VAN DE DIENSTBETREKKING
Artikel 22 Voortzetting deelneming door inactieve deelnemers
1. In geval van beëindiging van de verplichte deelneming bestaan er mogelijkheden om de deelneming voor eigen rekening voort te zetten. Dan is er sprake van inactieve deelneming.
2. De voorwaarden waaronder vrijwillige voortzetting mogelijk is zijn vastgelegd in het pensioenreglement.
3. In principe is bij vrijwillige voortzetting de volledige premie verschuldigd door de inactieve deelnemer zelf. Het fonds kan bepalen dat indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan de premie, of een gedeelte van de premie, voor rekening komt van het fonds.
Artikel 23 Wettelijke voorwaarden bij vrijwillige voortzetting
1. De vrijwillige voortzetting van de pensioenregeling duurt ten hoogste drie jaar vanaf de beëindiging van de dienstbetrekking.
2. Van de in het eerste lid genoemde termijn kan worden afgeweken indien:
a. de ex-werknemer ten tijde van de beëindiging van de dienstbetrekking arbeidsongeschikt is. De periode waarin sprake kan zijn van vrijwillige voortzetting is dan ten hoogste drie jaar of de duur van de arbeidsongeschiktheid indien deze langer is; of
b. de ex-werknemer na de beëindiging van de dienstbetrekking een periodieke uitkering ontvangt ter vervanging van in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking gederfde inkomsten op grond van een tussen één of meer werkgevers en één of meer werknemers afgesproken regeling. De periode waarin sprake kan zijn van vrijwillige voortzetting is dan ten hoogste drie jaar of de periode waarin de uitkering wordt ontvangen indien deze langer is.
uitvoeringsreglement pagina 67 | 93
3. De ex-werknemer die vrijwillig wil voortzetten doet binnen drie maanden vanaf de beëindiging van de dienstbetrekking het verzoek daartoe bij het fonds.
HOOFDSTUK XI VRIJSTELLING VAN VERPLICHTE DEELNEMING IN HET FONDS
Artikel 24 Voorwaarden voor vrijstelling
Een werkgever kan voor zijn werknemers, of voor een deel van zijn werknemers, bij het fonds een verzoek indienen om vrijstelling van de verplichte deelneming in het fonds. Bij het beslissen omtrent het verzoek is het fonds gebonden aan het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000. Het fonds kan aan het verlenen van vrijstelling voorschriften verbinden.
Artikel 25 Redenen voor vrijstelling
Vrijstelling kan worden verleend:
a. in verband met een bestaande pensioenvoorziening (artikel 2 Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000);
b. in verband met concernvorming (artikel 3 Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000);
c. in verband met eigen CAO (artikel 4 Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000);
d. in verband met onvoldoende beleggingsrendement (artikel 5 Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000); of
e. om andere redenen (artikel 6 Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000).
Artikel 26 Procedure inzake verzoek tot vrijstelling
Een verzoek tot vrijstelling dient schriftelijk en met redenen omkleed bij het fonds te worden ingediend. Daarbij dient te worden aangegeven wat de reden voor de verzochte vrijstelling is. Bij het behandelen van het verzoek en het nemen van een besluit naar aanleiding van het verzoek handelt het fonds overeenkomstig de voorschriften van de Algemene Wet Bestuursrecht.
Artikel 27 Intrekking van de vrijstelling
Een vrijstelling kan door het fonds worden ingetrokken, indien niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor vrijstelling, bedoeld in artikel 25, onder a, b of c, indien niet meer wordt voldaan aan de reden tot vrijstelling, bedoeld in artikel 25, onder e, of indien wordt gehandeld in strijd met een of meer aan de vrijstelling verbonden voorschriften. De vrijstelling, bedoeld in artikel 25, onder d, wordt uitsluitend op verzoek van de werkgever voor wiens werknemers vrijstelling is verleend ingetrokken; in afwijking hiervan kan deze vrijstelling door het fonds worden ingetrokken indien wordt gehandeld in strijd met de voorschriften die aan de vrijstelling verbonden zijn.
Artikel 28 Nadere regelgeving
Op vrijstellingsverzoeken is het bepaalde bij of krachtens het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 onverkort van toepassing, met dien verstande dat op vrijstellingen die zijn verleend vóór 26 april 1998, de beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 29 december 1952, betreffende de vaststelling van richtlijnen voor vrijstelling van deelneming in een bedrijfspensioenfonds wegens bijzondere pensioenvoorzieningen, zoals deze luidde op 25 april 1998, van toepassing blijft.
HOOFDSTUK XII GEMOEDSBEZWAARDE WERKGEVERS
Artikel 29 Aanvraag van vrijstelling
De werkgever die gemoedsbezwaren heeft tegen iedere vorm van verzekering, kan vrijstelling verkrijgen van premiebetaling aan het fonds. De werkgever dient zijn gemoedsbezwaren aan het bestuur aannemelijk te maken. Dit gebeurt door invulling en ondertekening van een hiervoor door het fonds opgestelde modelverklaring. Het fonds kan aan de vrijstelling voorwaarden verbinden.
Artikel 30 Vervangende spaarbijdrage
De vrijgestelde werkgever is een spaarbijdrage aan het fonds verschuldigd. Deze spaarbijdrage is gelijk aan de premie die bij de werkgever in rekening zou zijn gebracht als er geen vrijstelling was verleend. De werkgever houdt een deel van de spaarbijdrage op het salaris van zijn werknemers in. De verschuldigde spaarbijdrage en het in te houden deel daarvan zijn gelijk aan de pensioenpremies zoals genoemd in artikel 4, derde lid.
Artikel 31 Vrijstelling geldt voor vijf jaar
De aan een rechtspersoon verleende vrijstelling wegens gemoedsbezwaren vervalt na een periode van vijf jaar. Hierna kan een nieuwe vrijstelling worden verleend.
Artikel 32 Beëindiging vrijstelling
Een vrijstelling wordt door het fonds ingetrokken:
a. op verzoek van de vrijgestelde werkgever; of
b. als naar oordeel van het bestuur de gemoedsbezwaren niet meer aanwezig zijn.
De vrijstelling kan door het fonds worden ingetrokken als de door het fonds gestelde voorschriften niet door de vrijgestelde werkgever worden nageleefd.
Na het intrekken of het vervallen van de vrijstelling wordt voor de werknemers van de vrijgestelde werkgever alsnog de pensioenregeling volledig van kracht. De voor en door hen betaalde spaarbijdragen worden dan als betaalde pensioenpremies beschouwd.
HOOFDSTUK XIII KLACHTEN EN GESCHILLEN
Artikel 33 Klachten
1. Een werkgever heeft het recht bij de administrateur een klacht in te dienen over de uitvoering van dit reglement. De klacht kan zowel mondeling als schriftelijk als per e-mail worden ingediend. De klacht bevat zo duidelijk mogelijk een omschrijving van de wijze van uitvoering van de werkzaamheden waarover geklaagd wordt.
2. De klacht wordt als volgt afgehandeld.
a. De administrateur stuurt binnen twee werkdagen na de dag van ontvangst van de klacht aan klager een schriftelijke ontvangstbevestiging, tenzij de klacht binnen twee werkdagen kan worden afgehandeld. De ontvangstbevestiging bevat informatie over de verwachte termijn van afhandeling en geeft aan tot wie de klager zich kan wenden bij vragen.
b. De klacht wordt in beginsel binnen tien werkdagen na de dag van ontvangst afgehandeld. Indien de klacht niet binnen deze termijn kan worden afgehandeld, deelt de administrateur dit vóór het einde van die termijn schriftelijk aan klager mee, waarbij een nieuwe afhandelingstermijn wordt vermeld.
uitvoeringsreglement pagina 69 | 93
c. Klager kan zich ter behartiging van zijn belangen laten vertegenwoordigen door een gemachtigde.
d. Klager wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt nader toe te lichten, indien dit noodzakelijk is voor de goede afhandeling van zijn klacht.
e. Klager heeft recht op inzage in het klachtdossier.
f. Het oordeel over de klacht dient gebaseerd te zijn op een toereikend onderzoek en op voor klager kenbare feiten en stukken.
g. De beslissing dient te berusten op een deugdelijke motivering en dient op alle onderdelen van de klacht in te gaan. De beslissing bevat een oordeel over de vraag of de wijze van uitvoering van de werkzaamheden waarover geklaagd wordt voldoende zorgvuldig jegens klager is geweest.
h. Indien na een gedegen onderzoek wordt vastgesteld dat het niet mogelijk is de ware toedracht met zodanige zekerheid te achterhalen dat daarop een oordeel gebaseerd kan worden, kan het geven van een oordeel achterwege blijven.
i. De beslissing op de klacht wordt schriftelijk aan klager meegedeeld, tenzij klager heeft aangegeven daarop geen prijs te stellen.
3. Indien klager het niet eens is met de beslissing van de administrateur, heeft klager het recht in beroep te gaan bij het bestuur. Dit wordt bij de beslissing op de klacht aan klager meegedeeld. Klager kan binnen veertien dagen nadat hij over de beslissing op de klacht is geïnformeerd, schriftelijk, mondeling of per e-mail verzoeken de klacht aan het bestuur voor te leggen. Dit verzoek bevat zo duidelijk mogelijk een omschrijving van de redenen waarom naar het oordeel van klager de beslissing op de klacht niet in stand kan blijven. Binnen vier weken na ontvangst van het verzoek geeft het bestuur een oordeel over de vraag of de beslissing op de klacht in redelijkheid genomen had kunnen worden.
Artikel 34 Geschillen
1. Een werkgever die een geschil heeft met het fonds inzake een besluit van het bestuur, niet zijnde een besluit van algemene strekking of een besluit als bedoeld in het tweede en derde lid, kan dit geschil voorleggen aan de geschillencommissie bedoeld in artikel 27 van de statuten. De geschillencommissie brengt in een voorgelegd geschil een bindend advies uit of bevordert een schikking tussen partijen. De werkwijze van de geschillencommissie is vastgelegd in het Reglement van de geschillencommissie.
2. Een geschil dat betrekking heeft op:
c. toepassing van de regels voor de meting van de beleggingsperformance, bedoeld in bijlage 1 bij het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000;
d. toepassing van de rekenregels voor de berekening van de financiële bijdrage ter vergoeding van het verzekeringstechnisch nadeel dat het fonds bij de vrijstelling lijdt, bedoeld in bijlage 2 bij het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000;
e. toepassing van de rekenregels voor het toetsen van de actuariële en financiële gelijkwaardigheid, bedoeld in bijlage 3 bij het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000;
kan via een daartoe strekkend, bij voorkeur gezamenlijk, schriftelijk verzoek van de bij het geschil betrokken werkgever en het fonds ter bemiddeling worden voorgelegd aan de bemiddelaar, bedoeld in het Besluit bemiddelaar Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000. Aanvaarding van een voorstel van de bemiddelaar door beide partijen verplicht hen af te zien van een beroep op de ter zake van hun geschil bevoegde rechter.
3. Degenen wiens belang rechtstreeks bij een besluit over vrijstelling als bedoeld in de artikelen 24 tot en met 32 is betrokken, kan tegen een besluit om vrijstelling te verlenen of te weigeren of in te trekken, dan wel tegen de daaraan verbonden voorschriften, bezwaar maken bij het bestuur. Het bezwaarschrift wordt door belanghebbende ingediend binnen zes weken na de dag waarop het besluit bekend is gemaakt. Het bezwaarschrift wordt ondertekend en bevat ten minste de naam en het adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van het bestreden besluit en de gronden van het bezwaar. Bij het nemen van een besluit op het bezwaarschrift wordt het bestuur geadviseerd door de Adviescommissie Bezwaarschriften vrijstellingsbesluiten.
uitvoeringsreglement pagina 70 | 93
4. De belanghebbende bedoeld in het derde lid kan tegen een besluit op het bezwaarschrift beroep instellen bij de rechtbank te Rotterdam, sector bestuursrecht. Het beroepschrift wordt ingediend binnen zes weken na de dag waarop het besluit op het bezwaarschrift bekend is gemaakt. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste de naam en het adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van het bestreden besluit en de gronden van het beroep. Tevens wordt een afschrift van het bestreden besluit bijgevoegd.
HOOFDSTUK XIV SLOTBEPALING
Artikel 35 Inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2008.
5 reglement van de deelnemersraad
HOOFDSTUK I BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 1
In dit reglement wordt verstaan onder:
1. fonds: de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf;
2. bestuur: het bestuur van het fonds;
3. statuten: de statuten van het fonds;
4. reglementen: de reglementen van het fonds;
5. deelnemersraad: de deelnemersraad van het fonds;
6. deelnemers: de personen die in de statuten en het pensioenreglement van het fonds als deelnemer worden aangeduid, met uitzondering van degenen die de deelneming voortzetten op basis van artikel 21 van het pensioenreglement van het fonds;
7. pensioengerechtigden: de personen die een ouderdomspensioen of partnerpensioen van het fonds ontvangen;
8. werknemersverenigingen: verenigingen van werknemers die vertegenwoordigd zijn in het bestuur;
9. verenigingen van pensioengerechtigden: verenigingen van pensioengerechtigden, die ten minste 1% van de pensioengerechtigden, dan wel, indien dat aantal meer is dan 25.000, ten minste 250 pensioengerechtigden tot lid hebben;
10. secretariaat: de instelling dan wel de personen die in opdracht van het bestuur het secretariaat voor de deelnemersraad voeren.
HOOFDSTUK II SAMENSTELLING EN ZITTINGSDUUR
Artikel 2 Samenstelling
1. De deelnemersraad bestaat uit vijf leden.
2. De zetelverdeling vindt plaats volgens het principe van evenredige vertegenwoordiging. Daartoe worden het aantal deelnemers en het aantal pensioengerechtigden binnen het fonds uitgedrukt in twee percentages die gezamenlijk honderd procent bedragen. Deze percentages worden evenredig verdeeld in vijf eenheden, waarbij voor iedere eenheid een zetel wordt toegekend. In zoverre in afwijking van het hiervoor bepaalde, bezet iedere geleding in de deelnemersraad ten minste één zetel.
reglement van de deelnemersraad pagina 72 | 93
3. De leden van de deelnemersraad worden benoemd door de werknemersverenigingen en de verenigingen van pensioengerechtigden. Deze verenigingen zijn evenredig aan hun ledentallen binnen hun geleding binnen het fonds vertegenwoordigd in de deelnemersraad, onverminderd het tweede lid.
4. De deelnemersraad kiest jaarlijks uit zijn midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.
5. De voorzitter en bij zijn afwezigheid de plaatsvervangend voorzitter vertegenwoordigt de deelnemersraad in en buiten rechte.
Artikel 3 Zittingsduur
1. De leden van de deelnemersraad treden eens in de drie jaar tegelijk af.
2. De aftredende leden van de deelnemersraad zijn terstond herbenoembaar.
3. Het lidmaatschap van de deelnemersraad eindigt voorts:
a. door opzeggen door het betreffende lid;
b. door overlijden;
c. indien een in de deelnemersraad benoemde deelnemer ophoudt deelnemer te zijn;
d. indien een lid naar het oordeel van de meerderheid van de leden ernstig in gebreke blijft in de uitoefening van zijn functie en in verband hiermee door de deelnemersraad wordt ontslagen;
e. indien een lid zijn lidmaatschap van de werknemersvereniging of vereniging van pensioengerechtigden die hem heeft benoemd, beëindigt.
Artikel 4 Tussentijdse vacature
In geval van een tussentijdse vacature wordt de werknemersvereniging of vereniging van pensioengerechtigden die het afgetreden lid heeft benoemd, door het bestuur verzocht zo spoedig mogelijk een opvolger te benoemen.
HOOFDSTUK III BEVOEGDHEDEN VAN DE DEELNEMERSRAAD
Artikel 5 Adviesrecht
1. De deelnemersraad adviseert het bestuur desgevraagd of uit eigen beweging over aangelegenheden die het fonds betreffen.
2. Het bestuur stelt de deelnemersraad in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit van het bestuur tot:
a. het nemen van maatregelen van algemene strekking;
b. wijziging van de statuten en reglementen van het fonds;
c. vaststelling van het jaarverslag, de begroting, de jaarrekening, de actuariële en bedrijfstechnische nota en een langetermijnherstelplan;
d. vermindering van de verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten;
e. het vaststellen en wijzigen van het toeslagbeleid, dan wel het verlenen van toeslagen;
f. gehele of gedeeltelijke overdracht van de verplichtingen van het fonds of de overname van verplichtingen door het fonds;
g. liquidatie van het fonds;
h. het sluiten, wijzigen of beëindigen van een uitvoeringsovereenkomst;
i. het terugstorten van premie of geven van premiekorting.
reglement van de deelnemersraad pagina 73 | 93
3. Het advies van de deelnemersraad wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de in het tweede lid bedoelde voorgenomen besluiten.
4. Het bestuur stelt de deelnemersraad na de in artikel 7 bedoelde mededeling over het kortetermijnherstelplan in de gelegenheid advies uit te brengen over dit kortetermijnherstelplan.
5. Bij het vragen van advies wordt aan de deelnemersraad een overzicht verstrekt van de beweegredenen voor het besluit en van de gevolgen die het besluit naar verwachting voor de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden zal hebben.
6. De deelnemersraad is verplicht binnen een redelijke termijn een advies uit te brengen.
7. Het dagelijks bestuur van het fonds en de deelnemersraad komen ten minste tweemaal per kalenderjaar in vergadering bijeen. Tijdens deze vergaderingen worden de aangelegenheden aan de orde gesteld waarover het dagelijks bestuur of de deelnemersraad overleg wenselijk acht. Deze gezamenlijke vergaderingen worden op een zodanig tijdstip vastgesteld dat de besluitvorming door het bestuur over de geagendeerde onderwerpen zoveel mogelijk op de daarvoor gebruikelijke tijdstippen kan plaatsvinden.
8. De gezamenlijke vergaderingen worden om beurten voorgezeten door de voorzitter van het bestuur, dan wel door de voorzitter van de deelnemersraad.
9. Het bestuur verstrekt desgevraagd aan de deelnemersraad tijdig alle inlichtingen en gegevens, die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft. De inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk verstrekt.
Artikel 6 Informatie omtrent advies
Het bestuur deelt de deelnemersraad binnen een maand nadat het desbetreffende besluit is genomen, schriftelijk mee in hoeverre het advies is gevolgd. Als van het advies of van een daarin vervat minderheidsadvies is afgeweken, worden de redenen daarvan meegedeeld.
Artikel 7 Informatie aan deelnemersraad
Het bestuur informeert de deelnemersraad onverwijld schriftelijk over:
a. de verplichting tot opstelling van een kortetermijnherstelplan;
b. de verplichting tot opstelling van een langetermijnherstelplan;
c. de aanstelling van een bewindvoerder; en
d. de beëindiging van de situatie, waarin de bevoegdheidsuitoefening van alle of bepaalde organen van het fonds is gebonden aan toestemming van een of meer door de toezichthouder aangewezen personen.
Artikel 8 Beroep deelnemersraad bij ondernemingskamer
1. De deelnemersraad kan bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam beroep instellen tegen een besluit betreffende een aangelegenheid als bedoeld in artikel 5, eerste lid, indien:
a. de deelnemersraad met betrekking tot dat besluit niet voorafgaand in de gelegenheid is gesteld advies uit te brengen;
b. dat besluit niet in overeenstemming is met het advies van de deelnemersraad; of
c. feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die, waren zij aan de deelnemersraad bekend geweest ten tijde van het uitbrengen van zijn advies, aanleiding zouden kunnen zijn geweest om dat advies niet uit te brengen zoals het is uitgebracht.
reglement van de deelnemersraad pagina 74 | 93
2. Het beroep kan uitsluitend worden ingesteld omdat het fonds bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit had kunnen komen.
3. De kosten van het voeren van rechtsgedingen door de deelnemersraad komen ten laste van het fonds, indien zij redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de deelnemersraad en het fonds van de te maken kosten vooraf in kennis is gesteld. In rechtsgedingen tussen het fonds en de deelnemersraad kan de deelnemersraad niet in de proceskosten worden veroordeeld.
4. Op het beroep is artikel 217, tweede, derde, vierde, zesde, zevende, achtste, negende en tiende lid van de Pensioenwet van toepassing.
Artikel 9 Beroep geleding deelnemersraad bij ondernemingskamer
1. Een geleding binnen de deelnemersraad kan bij de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam beroep instellen tegen een besluit als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder f of g, van het fonds, wanneer dat besluit niet in overeenstemming is met het advies van de deelnemersraad.
2. Op het beroep is artikel 8, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10 Geheimhoudingsplicht
1. De leden van de deelnemersraad verplichten zich door de aanvaarding van hun benoeming tot geheimhouding van hetgeen hen in deze functie omtrent een bedrijf, beroep of persoon is bekend geworden en voorts van alle aangelegenheden, ten aanzien waarvan het bestuur geheimhouding heeft opgelegd of waarvan zij het vertrouwelijk karakter moeten begrijpen.
2. Hij die de uit het vorige lid voortvloeiende geheimhoudingsplicht schendt, kan bij besluit van het bestuur, gehoord de vereniging die hem heeft benoemd, van zijn functie worden ontheven.
HOOFDSTUK IV VOORZIENINGEN EN SECRETARIËLE ONDERSTEUNING VOOR DE DEELNEMERSRAAD
Artikel 11 Voorzieningen deelnemersraad
1. Het fonds staat de leden van de deelnemersraad het gebruik toe van de voorzieningen waarover het kan beschikken, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taken nodig is.
2. Het fonds draagt zorg voor een adequate secretariële ondersteuning van de deelnemersraad inclusief vergaderfaciliteiten.
3. In overleg met het bestuur kan de deelnemersraad in aanmerking komen voor scholings- en andere faciliteiten. Deskundigheidsbevordering van de leden van de deelnemersraad maakt deel uit van een eigen deskundigheidsplan van de deelnemersraad, binnen een door het bestuur beschikbaar gesteld budget.
4. De deelnemersraad kan een of meer deskundigen uitnodigen tot het bijwonen van een vergadering van de raad, met het oog op de behandeling van een bepaald onderwerp. De raad kan zo’n uitnodiging ook doen aan een of meer bestuursleden. De leden van de deelnemersraad kunnen in de vergadering aan de hiervoor bedoelde personen inlichtingen en adviezen vragen. Een deskundige kan worden uitgenodigd een schriftelijk advies uit te brengen.
reglement van de deelnemersraad pagina 75 | 93
5. Het fonds stelt de deelnemersraad in staat de in de bedrijfstak werkzame personen te raadplegen en stelt deze personen in de gelegenheid hieraan hun medewerking te verlenen, een en ander voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de vervulling van de taak van de deelnemersraad.
6. De deelnemersraad vergadert zoveel mogelijk tijdens de normale werktijd.
7. De leden van de deelnemersraad ontvangen voor de tijd die besteed wordt aan het voorbereiden en bijwonen van vergaderingen van de deelnemersraad, een vacatiegeld en een vergoeding voor reis- en verblijfkosten.
8. Het fonds is verplicht de leden van de deelnemersraad die de deelnemers vertegenwoordigen, gedurende een door het fonds en de deelnemersraad gezamenlijk vast te stellen aantal uren per jaar, in werktijd de gelegenheid te bieden voor onderling beraad en overleg met andere personen over aangelegenheden waarbij zij in de uitoefening van hun taak zijn betrokken. Hiervoor ontvangen zij een vacatiegeld en een vergoeding voor reis- en verblijfkosten.
9. Het fonds is verplicht de leden van de deelnemersraad gedurende een door het fonds en de deelnemersraad gezamenlijk vast te stellen aantal dagen per jaar, in werktijd de gelegenheid te bieden de scholing en vorming te ontvangen welke zij in verband met de vervulling van hun taak nodig oordelen. Hiervoor ontvangen zij een vacatiegeld en een vergoeding voor reis- en verblijfkosten.
10. De kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de deelnemersraad, komen ten laste van het fonds. Met inachtneming van het voorgaande, komen de kosten van het raadplegen van een deskundige door de deelnemersraad slechts ten laste van het fonds, indien het fonds van de te maken kosten vooraf in kennis is gesteld.
Artikel 12 Secretariaat
1. Het secretariaat is onder meer belast met het bijeenroepen van de deelnemersraad, het opmaken van de agenda en het opstellen van het verslag van de vergaderingen, alsmede het voeren van briefwisseling en het beheren van de voor de deelnemersraad bestemde en van de deelnemersraad uitgaande stukken.
2. Ieder lid van de deelnemersraad kan een onderwerp op de agenda doen plaatsen. Behoudens spoedeisende gevallen, wordt de agenda met de bijbehorende stukken ten minste tien kalenderdagen vóór de vergadering aan de deelnemersraad toegestuurd.
3. Het secretariaat maakt van iedere vergadering van de deelnemersraad een verslag. Dit wordt binnen drie weken na de vergadering toegezonden aan de leden van de deelnemersraad.
4. Dit artikel is ook van toepassing op de gezamenlijke vergaderingen met het bestuur, met dien verstande dat ook het bestuur een onderwerp op de agenda kan plaatsen en dat een verslag van de vergadering ook wordt toegestuurd aan het bestuur.
HOOFDSTUK V WERKWIJZE VAN DE DEELNEMERSRAAD
Artikel 13 Besluitvorming
1. De deelnemersraad kan alleen besluiten nemen, indien de meerderheid van de leden aanwezig is. Vacante zetels worden daarbij niet meegeteld.
2. Indien er geen meerderheid aanwezig is op een vergadering, zullen de voorgenomen besluiten schriftelijk worden voorgelegd aan alle leden. Het voorgenomen besluit wordt een besluit, als een meerderheid van de raadsleden daarmee instemt. Het eerste lid is daarbij van overeenkomstige toepassing.
reglement van de deelnemersraad pagina 76 | 93
3. De deelnemersraad beslist bij gewone meerderheid van stemmen van het aantal aanwezige leden. Voor de berekening van het aantal uitgebrachte stemmen tellen onthoudingen en blanco stemmen niet mee.
4. Over zaken wordt mondeling en over personen wordt schriftelijk gestemd, tenzij de deelnemersraad in een bepaald geval anders besluit. Bij staking van stemmen vindt er een herstemming plaats. Als bij herstemming de stemmen opnieuw staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.
HOOFDSTUK VI SLOTBEPALING EN INWERKINGTREDING
Artikel 14
1. Dit reglement kan worden gewijzigd bij besluit van het bestuur.
2. Dit reglement is in werking getreden op 1 juli 2004 en is laatstelijk gewijzigd per 1 januari 2008.
6 reglement van het verantwoordingsorgaan
HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1 Begripsbepalingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
1. fonds: Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf;
2. bestuur: het bestuur van het fonds;
3. statuten: de statuten van het fonds;
4. pensioenreglement: de krachtens de statuten vastgestelde pensioenreglementen;
5. deelnemersraad: de deelnemersraad als bedoeld in artikel 12 van de statuten;
6. verantwoordingsorgaan: het verantwoordingsorgaan als omschreven in dit reglement;
7. deelnemers: de personen die in de statuten en het pensioenreglement van het fonds als deelnemer worden aangeduid, met uitzondering van degenen die de deelneming voortzetten op basis van artikel 21 van het pensioenreglement;
8. pensioengerechtigden: de personen die een ouderdomspensioen of partnerpensioen van het fonds ontvangen;
9. werkgevers: de werkgevers die in de statuten en het pensioenreglement van het fonds als werkgever worden aangeduid;
10. intern toezicht: het intern toezicht van hef fonds;
11. secretariaat: de instelling dan wel de personen die in opdracht van het bestuur het secretariaat voor het verantwoordingsorgaan.
Artikel 2 Samenstelling
1. Het verantwoordingsorgaan bestaat uit drie leden.
2. Het verantwoordingsorgaan kent drie geledingen: vertegenwoordigers van deelnemers, pensioengerechtigden en werkgevers. Iedere geleding heeft een zetel.
3. De in artikel 9, eerste lid, van de statuten genoemde werkgeversvereniging benoemt en ontslaat het lid van het verantwoordingsorgaan, dat de aangesloten werkgevers vertegenwoordigt. De in artikel 9, eerste lid, genoemde werknemersverenigingen van de statuten benoemen en ontslaan de leden van het verantwoordingsorgaan, die de deelnemers en de pensioengerechtigden vertegenwoordigen.
reglement van het verantwoordingsorgaan pagina 78 | 93
4. Het verantwoordingsorgaan kiest uit zijn midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.
5. De voorzitter en bij zijn afwezigheid de plaatsvervangend voorzitter vertegenwoordigen het verantwoordingsorgaan in en buiten rechte.
Artikel 3 Zittingsduur
1. De leden van het verantwoordingsorgaan treden eens in de drie jaar tegelijk af.
2. De aftredende leden van het verantwoordingsorgaan zijn terstond herbenoembaar.
3. Het lidmaatschap van het verantwoordingsorgaan eindigt voorts:
a. door opzeggen door het betreffende lid;
b. door overlijden;
c. indien een in het verantwoordingsorgaan benoemde deelnemer ophoudt deelnemer te zijn;
d. indien een in het verantwoordingsorgaan benoemde werkgever ophoudt werkgever te zijn;
e. indien een lid naar het oordeel van de meerderheid van de leden ernstig in gebreke blijft in de uitoefening van zijn functie en in verband hiermee door het verantwoordingsorgaan wordt ontslagen;
f. indien een lid zijn lidmaatschap van de werkgevers- of werknemersvereniging die hem heeft benoemd, beëindigt.
Artikel 4 Tussentijdse vacature
In geval van een tussentijdse vacature wordt de werkgevers- of werknemersvereniging die het afgetreden lid heeft benoemd, door het bestuur verzocht zo spoedig mogelijk een opvolger te benoemen.
HOOFDSTUK II TAKEN EN BEVOEGDHEDEN VAN HET VERANTWOORDINGSORGAAN
Artikel 5 Oordeel van het verantwoordingsorgaan
1. Het bestuur legt verantwoording af aan het verantwoordingsorgaan over het beleid en de wijze waarop het is uitgevoerd. Tevens legt het bestuur verantwoording af over de naleving van de Principes voor goed pensioenfondsbestuur zoals vastgesteld door de Stichting van de Arbeid op 16 december 2005.
2. Het verantwoordingsorgaan heeft de bevoegdheid een oordeel te geven over het handelen van het bestuur, over het door het bestuur uitgevoerde beleid, alsmede over beleidskeuzes voor de toekomst.
3. Het verantwoordingsorgaan baseert zijn oordeel op het jaarverslag van het fonds, de jaarrekening, de bevindingen van het intern toezicht en overige informatie.
Artikel 6 Publicatie van het oordeel
1. Het verantwoordingsorgaan legt zijn oordeel ten minste één maal per jaar schriftelijk vast, kort na vaststelling van het jaarverslag door het bestuur.
2. Het oordeel van het verantwoordingsorgaan wordt ter kennis gesteld aan het bestuur. Het bestuur is gehouden zo spoedig mogelijk te reageren op het oordeel van het verantwoordingsorgaan. De reactie van het bestuur dient schriftelijk en beargumenteerd te zijn.
reglement van het verantwoordingsorgaan pagina 79 | 93
3. Het bestuur draagt er zorg voor dat het oordeel van het verantwoordingsorgaan, samen met de reactie van het bestuur daarop, wordt opgenomen in het jaarverslag waar dat oordeel betrekking op heeft en op korte termijn wordt geplaatst op de website van het fonds.
Artikel 7 Overleg met het bestuur
1. Het verantwoordingsorgaan heeft recht op overleg met bestuur.
2. Het bestuur bespreekt ten minste één maal per jaar het gevoerde beleid en de resultaten daarvan met het verantwoordingsorgaan.
3. Indien het verantwoordingsorgaan behoefte heeft aan een aanvullend overleg, dient het bestuur in redelijkheid gevolg te geven aan een daartoe strekkend verzoek.
Artikel 8 Recht op informatie en overleg externe deskundigen en toezichthouders
1. Het bestuur verstrekt desgevraagd aan het verantwoordingsorgaan tijdig alle inlichtingen en gegevens, die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft. De inlichtingen en gegevens worden desgevraagd schriftelijk verstrekt.
2. Het verantwoordingsorgaan heeft recht op overleg met de externe actuaris en de externe accountant, met de compliance officer, alsmede met het intern toezicht over diens bevindingen. Het bestuur dient er voor zorg te dragen dat de actuaris, de accountant, compliance officer en het intern toezicht meewerken aan dit overleg.
Artikel 9 Adviesrecht
1. Het bestuur is verplicht het advies van het verantwoordingsorgaan te vragen alvorens een besluit te nemen op de hiernavolgende onderwerpen:
- het vaststellen en wijzigen van de vergoedingsregeling voor bestuursleden:
- het wijzigen van het beleid ten aanzien van het verantwoordingsorgaan;
- de vorm, inrichting en samenstelling van het interne toezicht;
- het vaststellen en wijzigen van een interne klachten- en geschillenprocedure;
- het vaststellen en wijzigen van het communicatie- en voorlichtingsbeleid.
2. Het advies van het verantwoordingsorgaan wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op de in het eerste lid bedoelde besluiten. In de adviesaanvraag wordt het voorgenomen besluit met redenen omkleed.
3. Het bestuur informeert het verantwoordingsorgaan binnen een maand nadat een in lid 1 bedoeld besluit is genomen, schriftelijk en met redenen omkleed, in hoeverre het advies is gevolgd.
Artikel 10 Enquêterecht
1. Het verantwoordingsorgaan kan, als het van oordeel is dat het bestuur niet naar behoren functioneert, zich wenden tot de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam met het verzoek:
- een onderzoek door een of meer onafhankelijke onderzoekers te bevelen naar het beleid van en de gang van zaken van het fonds;
- het functioneren van het bestuur als zodanig te toetsen.
2. Het verantwoordingsorgaan kan het in lid 1 bedoelde verzoek slechts indienen bij de ondernemingskamer indien:
- voorafgaand aan de indiening van het verzoek, het intern toezicht zich daarover heeft uitgesproken; en
- het besluit tot indiening van het verzoek unaniem genomen is.
reglement van het verantwoordingsorgaan pagina 80 | 93
3. Voordat een verzoek als bedoeld in lid 1 wordt ingediend, meldt het verantwoordingsorgaan dit voornemen schriftelijk en met redenen omkleed aan het bestuur en wordt het bestuur in de gelegenheid gesteld op dit voornemen te reageren.
4. De kosten die verband houden met het indienen van het in lid 1 bedoelde verzoek komen ten laste van het fonds indien zij redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van het verantwoordingsorgaan en het fonds van de te maken kosten vooraf in kennis is gesteld.
Artikel 11 Geheimhoudingsplicht
1. De leden van het verantwoordingsorgaan verplichten zich door de aanvaarding van hun benoeming tot geheimhouding van hetgeen hen in deze functie omtrent een bedrijf, beroep of persoon is bekend geworden en voorts van alle aangelegenheden, ten aanzien waarvan het bestuur geheimhouding heeft opgelegd of waarvan zij het vertrouwelijk karakter moeten begrijpen.
2. Hij die de uit het vorige lid voortvloeiende geheimhoudingsplicht schendt, kan bij besluit van het bestuur, gehoord de vereniging die hem heeft benoemd, van zijn functie worden ontheven.
3. Indien het verantwoordingsorgaan van mening is dat op de in lid 1 genoemde geheimhoudingsplicht in een bepaalde situatie een uitzondering moet worden gemaakt, zal de voorzitter van het verantwoordingsorgaan hierover vooraf overleg voeren met de voorzitter van het bestuur.
HOOFDSTUK III WERKWIJZE VAN HET VERANTWOORDINGSORGAAN
Artikel 12 Vergaderingen
1. Het verantwoordingsorgaan komt ten behoeve van de uitoefening van zijn taak bijeen in de volgende gevallen:
a. op verzoek van de voorzitter;
b. op verzoek van ten minste twee leden.
2. De voorzitter bepaalt in overleg met het secretariaat tijd en plaats van de vergadering. Een vergadering op verzoek van leden van het verantwoordingsorgaan wordt gehouden binnen zes weken nadat het verzoek bij de voorzitter is aangekomen.
3. De bijeenroeping geschiedt door het secretariaat door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de leden. Behoudens spoedeisende gevallen geschiedt de bijeenroeping ten minste tien kalenderdagen voor de te houden vergadering.
4. Het secretariaat is belast met het opmaken van de agenda, het opstellen van het verslag van de vergaderingen van het verantwoordingsorgaan, alsmede met het voeren en beheren van de correspondentie voor het verantwoordingsorgaan.
5. Het secretariaat maakt voor iedere vergadering een agenda op. Het plaatst op de agenda de door de voorzitter en door de leden opgegeven onderwerpen. Ieder lid van het verantwoordingsorgaan kan een onderwerp op de agenda doen plaatsen.
6. Het secretariaat maakt de agenda bekend aan de leden van het verantwoordingsorgaan en aan de leden van het bestuur. Tegelijk met het bekendmaken van de agenda worden de bij de agenda behorende stukken aan de leden van het verantwoordingsorgaan toegezonden.
Artikel 13 Besluitvorming in vergadering
1. Het verantwoordingsorgaan kan alleen besluiten nemen indien alle leden aanwezig zijn.
reglement van het verantwoordingsorgaan pagina 81 | 93
2. Ieder lid van het verantwoordingsorgaan heeft een stem.
3. Besluiten worden genomen bij gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen, tenzij het gaat om een besluit als bedoeld in artikel 10.
4. Bij staking van stemmen vindt er een herstemming plaats. Als bij herstemming de stemmen opnieuw staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.
5. Van iedere vergadering van het verantwoordingsorgaan wordt een verslag gemaakt.
6. Het secretariaat zendt dit verslag binnen drie weken toe aan de leden van het verantwoordingsorgaan. Tenzij een lid van het verantwoordingsorgaan binnen tien dagen na de datering van het verslag een met redenen toegelicht bezwaar heeft gemaakt tegen de inhoud hiervan, maakt het secretariaat het verslag bekend aan het bestuur.
7. Indien een bezwaar als bedoeld in het vorige lid is gemaakt, maakt het secretariaat het verslag eerst bekend nadat het verantwoordingsorgaan over dit bezwaar heeft beslist.
Artikel 14 Schriftelijke besluitvorming
1. Indien in een vergadering geen besluiten kunnen worden genomen omdat niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 13, lid 1, zullen voorstellen schriftelijk aan alle leden van het verantwoordingsorgaan worden voorgelegd. Een voorstel wordt alleen schriftelijk ter besluitvorming voorgelegd als het geen aanleiding vormt voor discussie binnen de leden van het verantwoordingsorgaan, dit ter beoordeling van de voorzitter. Een besluit van het verantwoordingsorgaan komt tot stand als alle leden reageren op de voorlegger; artikel 13, lid 2 tot en met 4, is van overeenkomstige toepassing.
2. Als het een advies betreft als omschreven in artikel 9, is schriftelijke voorlegging ook mogelijk zonder dat het verzoek om een advies op de agenda van een vergadering heeft gestaan. De voorzitter bepaalt of een verzoek om een advies zich leent voor schriftelijke voorlegging of dat het in een vergadering behandeld moet worden.
3. Schriftelijke besluitvorming is niet mogelijk over een besluit inzake het enquêterecht als omschreven in artikel 10; daarover moet ter vergadering worden beslist.
Artikel 15 Voorzieningen verantwoordingsorgaan
1. Het fonds staat de leden van het verantwoordingsorgaan het gebruik toe van de voorzieningen waarover het kan beschikken, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taken nodig is.
2. Het fonds draagt zorg voor een adequate secretariële ondersteuning van het verantwoordingsorgaan inclusief vergaderfaciliteiten.
3. In overleg met het bestuur kan het verantwoordingsorgaan in aanmerking komen voor scholings- en andere faciliteiten. Deskundigheidsbevordering van de leden van het verantwoordingsorgaan maakt deel uit van een eigen deskundigheidsplan van het verantwoordingsorgaan, binnen een door het bestuur beschikbaar gesteld budget.
4. Het verantwoordingsorgaan kan een of meer deskundigen uitnodigen tot het bijwonen van een vergadering van de raad, met het oog op de behandeling van een bepaald onderwerp. De raad kan zo’n uitnodiging ook doen aan een of meer bestuursleden. De leden van het verantwoordingsorgaan kunnen in de vergadering aan de hiervoor bedoelde personen inlichtingen en adviezen vragen. Een deskundige kan worden uitgenodigd een schriftelijk advies uit te brengen.
reglement van het verantwoordingsorgaan pagina 82 | 93
5. De kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van het verantwoordingsorgaan, komen ten laste van het fonds. Met inachtneming van het voorgaande, komen de kosten van het raadplegen van een deskundige door het verantwoordingsorgaan slechts ten laste van het fonds, indien het fonds van de te maken kosten vooraf in kennis is gesteld.
HOOFDSTUK IV SLOTBEPALING EN INWERKINGTREDING
Artikel 16 Inwerkingtreding
1. Dit reglement kan worden gewijzigd bij besluit van het bestuur nadat het verantwoordingsorgaan advies heeft uitgebracht over het voorstel tot wijziging.
2. Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2008.
7 reglement van de visitatiecommissie
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Voor dit reglement zijn de begripsomschrijvingen zoals opgenomen in de statuten van de stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf van toepassing. In aanvulling op de statuten gelden de volgende begripsomschrijvingen:
1. bestuur: het bestuur van het fonds;
2. verantwoordingsorgaan: het verantwoordingsorgaan van het fonds;
3. visitatiecommissie: de visitatiecommissie van het fonds.
Artikel 2 Samenstelling
1. De visitatiecommissie bestaat uit drie onafhankelijke, deskundige en gezaghebbende personen. De leden zijn op geen enkele wijze, anders dan uit hoofde van de visitatiecommissie, betrokken bij het functioneren van het fonds.
2. De leden worden benoemd door het bestuur, nadat het verantwoordingsorgaan advies over de beoogde samenstelling heeft uitgebracht.
Artikel 3 Organisatie, taken en bevoegdheden
1. Het bestuur geeft de visitatiecommissie schriftelijk de opdracht om eens per drie jaar het functioneren van (het bestuur van) het fonds kritisch te bezien.
2. De visitatiecommissie vervult ten minste de volgende taken:
a. het beoordelen van beleids- en bestuursprocedures, bestuursprocessen en de checks and balances binnen het fonds;
b. het beoordelen van de wijze waarop het fonds wordt aangestuurd;
c. het beoordelen van de wijze waarop door het bestuur wordt omgegaan met de risico’s op de langere termijn.
3. De visitatiecommissie heeft recht op alle informatie die zij in redelijkheid nodig acht om haar taken te kunnen uitvoeren. Het bestuur verstrekt deze informatie uit eigen beweging dan wel op verzoek van de visitatiecommissie.
4. De visitatiecommissie heeft voor de uitvoering van haar taken recht op overleg met het bestuur, de deelnemersraad, het verantwoordingsorgaan, de (interne dan wel externe) accountant, de certificerend actuaris en de compliance officer van het fonds.
Artikel 4 Werkwijze en rapportage
1. Het bestuur en de visitatiecommissie bepalen in overleg in welke periode de visitatiecommissie haar werkzaamheden uitvoert.
2. De visitatiecommissie maakt een plan van aanpak en stemt de bijbehorende planning af met het bestuur.
reglement van de visitatiecommissie pagina 84 | 93
3. De visitatiecommissie rapporteert haar bevindingen schriftelijk aan het bestuur.
4. Het bestuur bespreekt de rapportage als bedoeld in lid 3, met de visitatiecommissie.
5. De bevindingen van de visitatiecommissie alsmede de reactie van het bestuur en het verantwoordingsorgaan worden opgenomen in het jaarverslag.
Artikel 5 Voorzieningen en vergoedingen
1. Het bestuur en de visitatiecommissie bepalen in overleg op welke wijze de visitatiecommissie kan worden ondersteund bij haar werkzaamheden.
2. Het bestuur stelt in overleg met de visitatiecommissie het honorarium vast voor de leden van de visitatiecommissie.
Artikel 6 Geheimhouding
De leden van de visitatiecommissie verplichten zich ertoe om, zowel tijdens de uitvoering van de werkzaamheden als na beëindiging daarvan, geheimhouding te bewaren betreffende alle gegevens van het fonds waarvan het vertrouwelijke karakter hen bekend is of redelijkerwijs bekend had moeten zijn.
Artikel 7 Vaststelling en wijziging van het reglement
1. Het reglement van de visitatiecommissie wordt vastgesteld door het bestuur, nadat het verantwoordingsorgaan zijn advies over het beoogde reglement heeft uitgebracht.
2. Het reglement kan worden gewijzigd nadat het verantwoordingsorgaan advies heeft uitgebracht over het voorstel tot wijziging.
Artikel 8 Inwerkingtreding
Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2008.
8 reglement van de geschillencommissie
Artikel 1 Begripsbepalingen
De in de statuten en het pensioenreglement gebruikte begripsbepalingen worden geacht deel uit te maken van dit reglement. Voorts wordt in dit reglement verstaan onder:
- fonds: Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf;
- commissie: de geschillencommissie als bedoeld in artikel 2.
Artikel 2 Samenstelling en benoeming van de commissie
1. Het bestuur benoemt telkens voor vier jaar de voorzitter van de commissie en de beide overige leden van de commissie. Zij kunnen na afloop van hun eerste zittingsperiode eenmaal worden herbenoemd voor een nieuwe zittingsperiode van vier jaar. Het bestuur is bevoegd op grond van gewichtige redenen af te wijken van de maximale zittingsperiode van acht jaar.
2. De voorzitter dient bij voorkeur de hoedanigheid van meester in de rechten te hebben. Tot voorzitter kan niet worden benoemd een persoon, die werkgever of werknemer is in het schoonmaak- en glazenwassersbedrijf. Tot lid van de commissie kan niet worden benoemd een persoon die lid is van het bestuur, de deelnemersraad, het verantwoordingsorgaan of het intern toezicht.
3. Gedurende hun zittingsperiode kunnen de leden van de commissie, anders dan op eigen verzoek, door het bestuur van hun functie ontheven worden wegens dwingende reden. Een dergelijk besluit moet met redenen omkleed zijn. Een dwingende reden is aanwezig, wanneer een lid van de commissie of een plaatsvervanger:
a. uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend ongeschikt is zijn functie te vervullen;
b. een ambt of betrekking aanvaardt waardoor naar het oordeel van het bestuur de onafhankelijkheid, vereist voor de vervulling van de functie, in gevaar komt;
c. bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf is veroordeeld, dan wel bij een dergelijke uitspraak een maatregel is opgelegd die vrijheidsbeneming tot gevolg heeft;
d. bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld, in staat van faillissement is verklaard, surséance van betaling heeft verkregen of wegens schulden is gegijzeld;
e. het Nederlanderschap of het actief en passief kiesrecht verliest.
4. Een nieuw benoemd lid heeft zitting voor de tijd die degene die hij vervangt nog had te vervullen en is na afloop van deze periode opnieuw benoembaar.
Artikel 3 Secretaris
1. Aan de commissie wordt een secretaris toegevoegd, die door het bestuur wordt benoemd en ontslagen.
2. De secretaris is geen lid van de commissie. De secretaris dient bij voorkeur de hoedanigheid van meester in de rechten te hebben.
reglement van de geschillencommissie pagina 86 | 93
3. Tot secretaris kan niet worden benoemd een persoon, die werkgever of werknemer is in het schoonmaak- en glazenwassersbedrijf, dan wel lid is van het bestuur, de deelnemersraad, het verantwoordingsorgaan of het intern toezicht.
Artikel 4 Geheimhoudingsplicht en vergoedingen
1. De leden van de commissie en de secretaris zijn verplicht hetgeen hen in deze functie ter kennis is gekomen niet verder bekend te maken dan voor de behandeling van het geschil noodzakelijk is.
2. De leden van de commissie ontvangen reis- en verblijfskosten en eventueel andere vergoedingen volgens door het bestuur vastgestelde regels. Het bestuur stelt de vergoeding voor de secretaris vast.
Artikel 5 Taak en bevoegdheid van de commissie
1. De commissie heeft tot taak geschillen tussen deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, pensioengerechtigden of werkgevers en het fonds te beslechten inzake besluiten van het bestuur, niet zijnde besluiten van algemene strekking.
2. De commissie is niet bevoegd van geschillen kennis te nemen als bedoeld in hoofdstuk 11 en 12 van het uitvoeringsreglement en artikel 4 van het pensioenreglement.
3. De commissie brengt in een voorgelegd geschil een bindend advies uit of bevordert een schikking tussen partijen.
4. De commissie is bevoegd een geschil te behandelen, indien en voor zover partijen zijn overeengekomen zich aan het bindend advies van de commissie te onderwerpen.
5. Het fonds is bereid zich te onderwerpen aan het bindend advies van de commissie.
Artikel 6 Aanhangig maken van een geschil
1. De partij die het geschil aanhangig wil maken dient een door of namens hem ondertekend beroepschrift in bij de secretaris, die ter zake van het geschil domicilie kiest ten kantore van het fonds.
2. Het beroepschrift moet bevatten:
a. de naam en het adres van de partij die het geschil aanhangig maakt en eventueel van zijn vertegenwoordiger;
b. een dagtekening;
c. een zo volledig mogelijke aanduiding van het bestuursbesluit waarover het geschil gaat;
d. de motieven op grond waarvan het bestuursbesluit door de partij die het geschil aanhangig maakt onjuist wordt geacht;
e. de bereidheid om zich te onderwerpen aan het bindend advies van de commissie.
3. Het beroepschrift moet worden ingediend binnen twee maanden nadat het betreffende bestuursbesluit schriftelijk ter kennis is gebracht van de partij die het geschil aanhangig maakt. De commissie is bevoegd in bijzondere gevallen, ter beoordeling van de commissie, deze termijn te verlengen.
Artikel 7 Behandeling van het geschil
1. De secretaris zendt zo spoedig mogelijk een afschrift van het beroepschrift aan de leden van de commissie en aan het fonds.
reglement van de geschillencommissie pagina 87 | 93
2. Het fonds is verplicht een afschrift van het bestuursbesluit waartegen het beroepschrift is gericht en eventueel daarbij behorende stukken aan de secretaris te zenden, hetgeen kan geschieden bij de toezending van het verweerschrift als bedoeld in het derde lid. De in dit lid bedoelde stukken worden door de secretaris zo spoedig mogelijk gezonden aan de leden van de commissie.
3. Het fonds is bevoegd binnen twee maanden na ontvangst van het beroepschrift een verweerschrift in te dienen bij de secretaris. De voorzitter is bevoegd deze termijn te verlengen. De secretaris zendt het verweerschrift zo spoedig mogelijk aan de leden van de commissie en aan de partij die het geschil aanhangig maakte.
4. De partij die het geschil aanhangig maakte en het fonds zijn bevoegd schriftelijk te verklaren van schriftelijke toelichting of verweer af te zien.
Artikel 8 Oproeping van partijen
1. Na ontvangst van het verweerschrift of van de schriftelijke verklaring dat van schriftelijk verweer wordt afgezien, maar uiterlijk na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een verweerschrift bepaalt de voorzitter het tijdstip en de plaats van de vergadering waarin het geschil behandeld zal worden, behoudens het bepaalde in het vierde lid van dit artikel.
2. De partij die het geschil aanhangig maakte en het fonds worden per aangetekend schrijven opgeroepen om op de vergadering te verschijnen. De oproepingen worden ten minste veertien dagen vóór de vergadering ter post bezorgd.
3. Een in dit artikel bedoelde vergadering is niet openbaar.
4. De commissie is bevoegd om in naar haar eenparig oordeel eenvoudige geschillen uitspraak te doen op basis van de overgelegde stukken zonder dat een mondelinge behandeling plaatsvindt.
Artikel 9 Vergadering
1. De commissie bepaalt de wijze waarop met inachtneming van de bepalingen van dit reglement het geschil wordt behandeld.
2. De commissie hoort de partijen die ter vergadering verschenen zijn, tenzij het bepaalde in het vierde lid van artikel 8 van toepassing is.
3. Partijen zijn verplicht de commissie alle inlichtingen te verschaffen, die de commissie voor de behandeling van het geschil nodig acht.
4. Partijen kunnen ter vergadering zich door een schriftelijk gemachtigde doen vertegenwoordigen of door raadslieden doen bijstaan en – voor zover de commissie dit gewenst acht voor de beslissing van het geschil – getuigen en/of deskundigen doen verschijnen.
5. Partijen zijn verplicht ten minste drie dagen vóór de vergadering aan de secretaris en aan de tegenpartij schriftelijk mededeling te doen van de naam, de woonplaats en de hoedanigheid van de getuigen en/of deskundigen die zij willen doen horen. De commissie is bevoegd in bijzondere gevallen, ter beoordeling van de commissie, deze termijn te bekorten.
6. De commissie is bevoegd andere getuigen en/of deskundigen dan bedoeld in het vorige lid op te roepen en te horen.
7. Getuigen en deskundigen worden afzonderlijk gehoord in tegenwoordigheid van partijen of hun vertegenwoordigers en de raadslieden, die ter vergadering verschenen zijn.
reglement van de geschillencommissie pagina 88 | 93
Artikel 10 Beslissing van de commissie
1. De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid, met inachtneming van de bepalingen van de statuten, het pensioenreglement, het uitvoeringsreglement en dit reglement.
2. De commissie kan slechts een besluit nemen in een vergadering waarin alle leden van de commissie aanwezig zijn.
3. De commissie neemt haar beslissingen bij meerderheid van stemmen. De beslissing moet met redenen omkleed zijn en door de voorzitter en de secretaris worden ondertekend.
4. De secretaris zendt een gewaarmerkt exemplaar van de beslissing aan de partijen in het geschil.
5. De beslissing van de commissie is voor partijen bindend.
Artikel 11 Inhoud van de beslissing
1. De beslissing van de commissie kan inhouden:
a. dat de commissie zich onbevoegd verklaart;
b. dat de commissie de partij die het geschil aanhangig maakte niet ontvankelijk verklaart;
c. dat het bestuursbesluit al dan niet op dezelfde gronden wordt bevestigd;
d. dat het bestuursbesluit wordt vernietigd.
2. Indien het bestuursbesluit wordt vernietigd, kan de commissie van scheidslieden:
a. in haar beslissing doen, wat naar haar mening het bestuur had behoren te doen, in welk geval de beslissing geldt als een bestuursbesluit;
b. een beslissing nemen over bepaalde in geschil zijnde punten en het bestuur opdragen om zo spoedig mogelijk, met inachtneming van deze beslissing, de zaak opnieuw te behandelen en af te doen.
3. Het bindend advies bevat, naast de beslissing, in elk geval:
a. de namen van de leden van de commissie;
b. de namen en adressen van partijen;
c. de dagtekening van het bindend advies;
d. de motivering van het bindend advies.
4. Indien de partijen bij de mondelinge behandeling tot een schikking komen, kan de commissie de inhoud daarvan in de vorm van een bindend advies vastleggen.
Artikel 12 Kosten
1. De commissie bepaalt bij haar beslissing tevens wie de kosten van het geding zal moeten betalen. De commissie is bevoegd de kosten over beide partijen te verdelen.
2. Door het fonds zullen steeds de volgende kosten worden gedragen:
a. de administratie- en vergaderkosten van het geding;
b. de reis- en verblijfskosten en de vergoedingen, bedoeld in het tweede lid van artikel 4;
c. de kosten van door de commissie opgeroepen getuigen en deskundigen;
d. indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de commissie aanleiding is, de door de partij die het geschil aanhangig maakte ter gelegenheid van de in artikel 9 bedoelde vergadering gemaakte reis- en verblijfkosten, alsmede een eventueel door de commissie aan hem in verband daarmee toe te kennen vergoeding voor tijdverzuim.
reglement van de geschillencommissie pagina 89 | 93
Artikel 13 Wraking en verschoning
1. Een lid van de commissie kan door een of door beide partijen in het geschil worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden die het vormen van een onpartijdig oordeel over het geschil zouden kunnen bemoeilijken. Wraking kan worden gedaan uiterlijk binnen een week na de vergadering waarop het geschil is behandeld.
2. De overige leden van de commissie beslissen of de wraking terecht is gedaan. Bij staking van stemmen wordt dit geacht het geval te zijn.
3. Op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in lid 1 kan een lid van de commissie zich ter zake van de behandeling van een geschil verschonen. Hij is verplicht dit te doen, indien de beide overige leden van de commissie van oordeel zijn dat de bedoelde feiten of omstandigheden zich voordoen.
4. In geval van terechte wraking of verschoning wordt het betrokken lid vervangen door een ander.
5. De beslissing als bedoeld in lid 2 wordt aan partijen medegedeeld.
Artikel 14 Toetsing van het bindend advies
Vernietiging van het bindend advies van de commissie kan uitsluitend plaatsvinden door het ter toetsing voor te leggen aan de rechter binnen twee maanden na de verzending van de beslissing aan partijen. De rechter zal het bindend advies vernietigen, indien de uitspraak in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Door niet binnen genoemde termijn de beslissing aan de rechter ter toetsing voor te leggen, wordt de beslissing onaantastbaar.
Artikel 15 Inwerkingtreding
1. Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2008.
2. Dit reglement kan worden gewijzigd bij besluit van het bestuur.
9 reglement van de adviescommissie bezwaarschriften vrijstellingsbesluiten
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
1. fonds: Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf;
2. bestuur: het bestuur van het fonds;
3. besluit: een schriftelijke beslissing van het fonds, dan wel van degene die daartoe door het bestuur is gemandateerd, op een verzoek van een werkgever tot vrijstelling van de verplichting tot deelneming in het fonds, dan wel tot vrijstelling in verband met gemoedsbezwaren, met inbegrip van het niet in behandeling nemen, het niet tijdig beslissen op, of de schriftelijke afwijzing van een verzoek daartoe;
4. belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken;
5. adviescommissie: de Adviescommissie Bezwaarschriften vrijstellingsbesluiten;
6. Awb: Algemene wet bestuursrecht;
7. bezwaarschrift: het schriftelijke bezwaar van een belanghebbende tegen een besluit;
8. mandataris: degene die van het bestuur mandaat heeft gekregen namens het bestuur een besluit te nemen.
Artikel 2 Samenstelling en benoeming van de adviescommissie
1. De adviescommissie bestaat uit een voorzitter en twee leden, waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuur.
2. Het bestuur benoemt de voorzitter en de leden van de adviescommissie, alsmede een plaatsvervanger voor ieder van de leden.
3. De voorzitter, de leden van de adviescommissie en hun plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van vier jaar en kunnen na afloop van hun eerste zittingsperiode eenmaal worden herbenoemd. Het bestuur is bevoegd om op grond van gewichtige redenen een langere zittingsperiode toe te staan.
4. Het lidmaatschap wordt tussentijds beëindigd, indien naar het oordeel van het bestuur een lid niet meer voldoet aan de door haar gevraagde kwalificaties voor het lidmaatschap. Het bestuur benoemt dan een nieuw lid.
5. Het bestuur benoemt een secretaris, die geen zitting heeft in de adviescommissie.
reglement van de adviescommissie bezwaarschriften vrijstellingsbesluiten pagina 91 | 93
Artikel 3 Bevoegdheid van de adviescommissie
Met inachtneming van dit reglement is de adviescommissie bevoegd tot het adviseren van het bestuur bij het nemen van een beslissing over een door belanghebbende ingediend bezwaarschrift tegen een besluit.
Artikel 4 Indiening bezwaarschrift
Het bezwaarschrift wordt ingediend door belanghebbende binnen zes weken na de dag waarop het besluit door het bestuur op de in de Awb voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Artikel 5 Vormvereisten bezwaarschrift
Het bezwaarschrift wordt ondertekend, en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht;
d. de gronden van het bezwaar.
Artikel 6 Niet-ontvankelijk verklaring
Indien niet is voldaan aan de artikelen 4 en 5, kan de adviescommissie het bestuur onmiddellijk adviseren het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, mits de indiener van het bezwaarschrift in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Artikel 7 Tijdstip indiening
1. Het bezwaarschrift is tijdig ingediend, wanneer het voor het einde van de in artikel 4 genoemde termijn is ontvangen.
2. Bij verzending per post is het bezwaarschrift tijdig ingediend, indien het voor het einde van de in artikel 4 genoemde termijn ter post is bezorgd.
3. Ten aanzien van een na afloop van de in artikel 4 genoemde termijn ingediend bezwaarschrift blijft niet-ontvankelijk verklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijze niet kan worden geoordeeld dat de indiener ervan in verzuim is geweest.
Artikel 8 Hoorprocedure
1. De adviescommissie stelt de indiener van het bezwaarschrift, alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht, in de gelegenheid te worden gehoord.
2. De adviescommissie stelt desgewenst tevens het bestuur, dan wel de mandataris in de gelegenheid te worden gehoord.
3. De zittingen van de adviescommissie zijn besloten.
reglement van de adviescommissie bezwaarschriften vrijstellingsbesluiten pagina 92 | 93
Artikel 9 Afzien van het horen
Van het horen van belanghebbenden kan worden afgezien, indien naar het oordeel van de adviescommissie:
a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is;
b. het bezwaar kennelijk ongegrond is;
c. de belanghebbenden hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, of
d. door het bestuur dan wel de mandataris aan het bezwaarschrift volledig is tegemoet gekomen en belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
Artikel 10 Wraking
1. Voor de behandeling ter zitting kunnen de voorzitter en elk ander lid van de adviescommissie door belanghebbenden worden gewraakt, op grond van feiten en omstandigheden die het vormen van een onpartijdig oordeel door het desbetreffende lid zouden kunnen bemoeilijken. Ook kan op grond van zodanige feiten en omstandigheden een lid zich verschonen.
2. De andere leden van de adviescommissie beslissen zo spoedig mogelijk of de wraking dan wel de verschoning wordt toegestaan. Bij staking van de stemmen is het verzoek toegestaan.
Artikel 11 Mogelijkheid van machtiging
De indiener van het bezwaarschrift die wordt gehoord, kan zich laten bijstaan door een raadsman. De indiener van het bezwaarschrift kan zich ter zitting laten vertegenwoordigen door een schriftelijk gemachtigde.
Artikel 12 De inhoud van het advies van de adviescommissie
1. Het advies van de adviescommissie aan het bestuur kan inhouden:
a. dat het bestuur zich onbevoegd verklaart;
b. dat het bestuur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaart;
c. dat het besluit al dan niet op dezelfde gronden wordt bevestigd;
d. dat het besluit wordt vernietigd.
2. Indien de adviescommissie het bestuur adviseert het besluit te vernietigen, kan de adviescommissie het bestuur adviseren:
a. te besluiten, wat naar haar oordeel het bestuur, dan wel de mandataris had behoren te doen;
b. een besluit te nemen over bepaalde in geschil zijnde punten en het bestuur, dan wel de mandataris adviseren om zo spoedig mogelijk, met inachtneming van dit besluit, de zaak opnieuw te behandelen en af te doen;
c. met inachtneming van een door de adviescommissie gegeven advies over bepaalde in geschil zijnde punten, zo spoedig mogelijk de zaak opnieuw te behandelen en af te doen.
Artikel 13 Vormvereisten advies adviescommissie en besluit bestuur
1. Het door de adviescommissie aan het bestuur geadviseerde besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van het besluit wordt vermeld. Daarbij dient, indien van het horen van belanghebbenden is afgezien, tevens te worden aangegeven op welke grond dat is geschied.
reglement van de adviescommissie bezwaarschriften vrijstellingsbesluiten pagina 93 | 93
2. De adviescommissie geeft haar advies aan het bestuur binnen een termijn van zes weken, waarna het bestuur binnen vier weken een beslissing naar aanleiding van het advies neemt. Het bestuur kan de adviescommissie toestaan de door de adviescommissie te hanteren termijn met ten hoogste vier weken te verlengen, waardoor de door het bestuur te hanteren termijn met dezelfde termijn wordt verdaagd. Het bestuursbesluit naar aanleiding van het advies van de adviescommissie en een eventuele verdaging hiervan worden schriftelijk aan belanghebbenden meegedeeld.
3. De termijn waarbinnen de adviescommissie een advies dient te geven, wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de indiener verzocht is een verzuim te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
4. Verder uitstel is mogelijk voor zover de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad of ermee instemmen.
5. Het advies van de adviescommissie wordt schriftelijk uitgebracht en bevat een verslag van de in artikel 8 bedoelde hoorzitting.
Artikel 14 Geheimhoudingsplicht
De voorzitter, de leden van de adviescommissie en hun plaatsvervangers zijn verplicht hetgeen
hun in deze functie ter kennis is gekomen, niet verder bekend te maken dan voor de behandeling van het geschil noodzakelijk is.
Artikel 15 Kosten
De adviescommissie stelt bij haar besluit een regeling vast over het dragen van de kosten van het geding, met dien verstande dat door het fonds in ieder geval de navolgende kosten worden gedragen:
- de administratie- en vergaderkosten van de adviescommissie;
- de eventuele reis- en verblijfkosten van de voorzitter en de leden van de adviescommissie en hun plaatsvervangers volgens door het bestuur vastgestelde regels.
Artikel 16 Algemene wet bestuursrecht
De adviescommissie neemt ook voor het overige de bepalingen van de Awb in acht.
Artikel 17 Niet voorziene gevallen
In gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslist de voorzitter met inachtneming van de bepalingen van de Awb.
Artikel 18 Inwerkingtreding
Dit reglement is in werking getreden op 14 april 2004.




