Salarisnieuws

Maandag, 06 Sep

Laatste update02:24:19 PM GMT

35 Gezondheid, geestelijke en maatschappelijke bel
U bevindt zich op 35 Gezondheid, geestelijke en maatschappelijke bel

35 Gezondheid, geestelijke en maatschappelijke bel

Sector 35 - Vrijgevestigde fysiotherapiepraktijk 1-1-2009 tm 30-6-2010

E-mailadres Afdrukken PDF
Versie 22 oktober 2008

COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST
voor de Vrijgevestigde Fysiotherapiepraktijk
De ondergetekenden:
de organisatie voor werkgevers:
Vereniging van Fysiotherapeuten Werkgevers in een Vrijgevestigde praktijk, statutair
gevestigd te Amersfoort (“FWV”), ten deze handelend voor haar leden als partij ter ene zijde
en
de organisatie voor werknemers:
Vereniging van Fysiotherapeuten in Dienstverband in een vrijgevestigde praktijk, statutair gevestigd te Amersfoort (“FDV”), ten deze handelend voor haar leden als partij ter andere zijde
hierna gezamenlijk te noemen “partijen” en ieder afzonderlijk “partij”, verklaren hierbij dat zij een collectieve arbeidsovereenkomst (“CAO”) zijn aangegaan,
waarvan de tekst luidt als hierna opgenomen.

Inhoudsopgave

Considerans

A Algemeen deel
Artikel 1 definities
Artikel 2 duur en aard van de CAO
Artikel 3 algemene verplichtingen van partijen
Artikel 4 algemene verplichtingen van werkgever en werknemer

B Arbeidsovereenkomst
Artikel 5 aanstelling en ontslag
Artikel 6 arbeidsduur
Artikel 7 salariëring
Artikel 8 arbeidsongeschiktheid
Artikel 9 vergoedingen
Artikel 10 vakantie en verlof

C Diverse Regelingen
Artikel 11 aansprakelijkheidsverzekering
Artikel 12 overeenkomst fysiotherapeut en zorgverzekeraar

D Overgangsregeling
Artikel 13 interpretatiecommissie
Artikel 14 ontwikkelpunten

E Bijlagen
Bijlage 1 professioneel statuut
Bijlage 2 salarisschalen voor werknemer met een vast salaris
Bijlage 3 salarisschaal voor werknemer met een variabel salaris

CONSIDERANS
Algemeen
Het CAO overleg dat in 2007 is gevoerd, heeft destijds geleid tot een voorstel voor een CAO met een vaste beloningsvariant (concept CAO van 16 mei 2007). Dat voorstel heeft het toen niet gehaald.
Hierop heeft FWV de wens te kennen gegeven een variabele beloningsvariant te willen behouden ter vergroting van het draagvlak onder haar leden. Deze wens werd ondersteund door het besluit van de algemene ledenvergadering FWV in november 2007.
Na een enquête onder haar leden in juni 2008 gaf FDV te kennen dat er ook onder haar leden veel behoefte bestaat aan behoud van de variabele beloningsvariant.
De nieuwe onderhandelingsdelegaties van FWV en FDV hebben als opdracht meegekregen een CAO te ontwerpen waarin ruimte is voor een vaste en een variabele beloningsvariant.
De onderhandelingsdelegaties realiseren zich dat dit onderwerp bij de achterbannen van de respectieve verenigingen van groot belang wordt geacht en dat voor de verschillende benaderingen tal van argumenten zijn aan te voeren. De onderhandelingsdelegaties zouden het toejuichen indien de achterbannen van de verenigingen het grote belang van uniformiteit en duidelijkheid zouden willen onderschrijven en bij beoordeling van het voorstel voor een nieuwe CAO de nodige welwillendheid betrachten.
De overwegingen die hebben geleid tot de concept CAO van 16 mei 2007 gelden nog onverkort en hoeven hier niet herhaald te worden. In juni 2008 is een functiewaarderingsrapport uitgebracht. Hierbij wordt opgemerkt dat het rapport nog niet is vastgesteld door de besturen van partijen. In het hierna volgende is zoveel mogelijk rekening gehouden met de concept CAO van mei 2007 en het vermelde rapport. Dit is in overeenstemming met de gedachten van beide verenigingen en het bestuurlijk akkoord met
betrekking tot de huidige (nieuwe) CAO.
Bij deze CAO zijn onder meer de volgende overwegingen meegenomen.
Partijen willen met deze CAO:
a. Bevorderen dat op praktijkniveau arbeidsvoorwaarden eenduidig en duidelijk geregeld zijn waardoor de aandacht in praktijken zo veel mogelijk gericht kan zijn op het leveren van de beste kwaliteit van zorg.
b. Bevorderen dat voorwaarden gecreëerd worden die ondernemerschap ondersteunen en stimuleren.
c. Bevorderen van behoud en toename van werkgelegenheid voor fysiotherapeuten, en het bieden van een loopbaanperspectief voor zowel nieuwe instromers als ook zittende werknemers.
d. Het bieden van duidelijke en eenduidige secundaire arbeidvoorwaarden, die voor werknemers met een vast salaris en een variabel salaris gelijk zijn.
e. Impulsen geven aan HRM beleid op praktijkniveau. Partijen stimuleren daarbij het gebruik van de door het KNGF ontwikkelde PZ toolkit.

Verder hebben de volgende uitgangspunten een rol gespeeld:
Algemeen:
a. Voor zover niet onverenigbaar met de hierboven omschreven opdracht, is zo min mogelijk “gemorreld” aan de bedoelingen en de tekst van de concept CAO van 16 mei 2007. De tekst is beter leesbaar gemaakt door wetteksten te verwijderen. De wetteksten
worden toegelicht in de PZ toolkit. Waar teksten mogelijk multi-interpretabel waren, zijn deze juridisch getoetst en zijn deze (slechts) gewijzigd om een eenduidige uitleg te bevorderen.
b. De concept CAO van 16 mei 2007 alleen de vaste salarisvariant. Dit uitgangspunt geldt ook voor deze CAO, zij het dat de variabele salarisvariant als uitdoofconstructie is ingebracht.
c. Partijen hebben een regeling getroffen voor een generieke verhoging per 1 januari 2009, voor zover deze niet reeds op praktijkniveau is doorgevoerd.
Vast salaris:
d. Degene die nieuw toetreedt op de arbeidsmarkt in de vrije praktijk of degene die een nieuw loondienstverband aangaat en bij zijn oude dienstverband een vast salaris had, krijgt van zijn nieuwe werkgever bij indiensttreding uitsluitend een vaste beloningsvariant
aangeboden conform de bij deze CAO opgenomen schalen.
e. Op basis van het thans beschikbare functiewaarderingssysteem is een salarisgebouw gemaakt dat schalen en periodieken kent. De toekenning van periodieken geschiedt aan de hand van een systeem van beoordelinggesprekken.
Variabel salaris:
f. Werknemers met een variabel salaris krijgen eenmalig de mogelijkheid met hun werkgever een arbeidsovereenkomst met een vast salaris aan te gaan op basis van het beginsel van een horizontale, neutrale overgang. Dat wil zeggen dat zowel werkgever als
werknemer er niet op achteruit gaan bij een gelijke arbeidsinspanning. Gedurende de periode 1 januari tot en met 31 december 2009 krijgen werknemers de tijd tot deze keuze te komen. Werkgevers zijn verplicht de keuze van de werknemer te honoreren.
g. Werknemers die nu een variabel hebben en dit wensen te behouden, gaan horizontaal over in de schaal voor het variabel salaris, met dien verstande dat er een bodem is ingebouwd. Als minimum loonkostenbedrag voor de werkgever geldt 60,9% van € 23,20
per zitting en/of het huidig toegepast tarief, zo ook bij verbijzonderde zittingen. Als maximum loonkostenbedrag voor de werkgever geldt 66,7% van € 23,20 per zitting en/of het huidig toegepaste tarief, zo ook voor verbijzonderde zittingen.
Vast en variabel salaris:
h. Zowel werknemers met een vast salaris, als werknemers met een variabel salaris zullen voorafgaand aan het toekennen van een periodiek beoordeeld worden op basis van een systeem van beoordelingsgesprekken, met dien verstande dat bij het bereiken van de
bovengrens van de schaal waarin de werknemer is ingedeeld, het salaris voor de toekenning van periodieken bevroren wordt op het hoogste schaalsalaris.
i. Vallen werknemers bij horizontale overgang buiten de schaal (dit geldt voor vast en variabel salaris), dan wordt hun salaris bevroren op het niveau van voor de overgang.
Alleen generieke verhogingen zullen dan nog van toepassing zijn op het brutosalaris bij het vast salaris systeem en op de toegepaste tariefbedragen bij het variabel salaris systeem.

Kwaliteitsbeleid beroepsorganisatie
Het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) heeft in nauwe samenspraak met FWV en FDV kwaliteitsbeleid vastgesteld. De beroepsorganisaties rekenen het tot hun taak dit kwaliteitsbeleid te implementeren. Hiervoor hebben zowel de
werkgever(spartij) als de werknemer(spartij) een verantwoordelijkheid, waarbij rekening gehouden dient te worden met de financiële mogelijkheden van de werkgever. De activiteiten in dit werkgebied zijn niet vrijblijvend en moeten met zorg worden uitgevoerd.

A ALGEMEEN DEEL

Artikel 1 Definities
In deze CAO wordt verstaan onder:
Arbeidsduur: het overeengekomen aantal uren dat een werknemer gemiddeld per week werkt
Arbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek gesloten tussen een
werkgever en een werknemer als bedoeld in deze CAO
Arbeidstijd: de reguliere tijden waarbinnen de werknemer in het algemeen zijn werkzaamheden dient te verrichten en wel van maandag tot en met vrijdag van 07.00 uur tot 21.00 uur en op zaterdag van 08.00 uur tot 12.00 uur
FDV: Vereniging van Fysiotherapeuten in Dienstverband in een vrijgevestigde praktijk, de contracterende partij
anderzijds
FWV: Vereniging van Fysiotherapeuten Werkgevers in een vrijgevestigde praktijk, de contracterende partij enerzijds
KNGF: Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie
Nieuw intredende werknemer: de werknemer die op of na 1 januari 2009 voor het eerst, of na een onderbreking opnieuw bij een
werkgever in dienst treedt
Salaris: het bruto salaris per maand exclusief vakantietoeslag en exclusief pensioenpremie
Uurloon: 1/164,67e deel van het salaris op voltijd basis (1976 uur per jaar bij gemiddeld 38 uur per week)
Waarnemer: de fysiotherapeut die op basis van een arbeidsovereenkomst met een werkgever in de zin van deze CAO een afwezige fysiotherapeut vervangt.
Werkgever: de rechtspersoon of natuurlijk persoon die een in Nederland gevestigde praktijk/instelling/organisatie beheert in de eerste lijn, waar fysiotherapie in de zin van artikel 29 van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) bedreven
wordt, niet zijnde een verpleeginrichting of een instelling voor multidisciplinaire eerstelijns gezondheidszorg waarvoor een eigen CAO geldt
Werknemer: de fysiotherapeut die een arbeidsovereenkomst is aangegaan met een werkgever als bedoeld in deze CAO
Werktijd: de tussen werkgever en werknemer overeengekomen uren waarop de werknemer gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht
Zittende werknemer: de werknemer die direct voorafgaand aan 1 januari 2009 al werknemer in de zin van deze CAO was

Waar in deze CAO de mannelijke vorm hij/zijn wordt gebruikt, is tevens de vrouwelijke vorm
zij/haar bedoeld.

Artikel 2 Duur en aard van de CAO
2.1 Duur
Deze CAO treedt in werking op 1 januari 2009 en loopt tot en met 30 juni 2010. De CAO eindigt zonder dat enige opzegging vereist zal zijn.

2.2 Minimum CAO
Van de bepalingen van de CAO mag slechts in voor de werknemer gunstige zin worden afgeweken, tenzij elders in deze CAO anders is bepaald.

2.3 Werkingssfeer
2.3.1 Deze CAO is van toepassing op de arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd, aangegaan tussen een werkgever en werknemer in de zin van deze CAO.
2.3.2 De CAO is onverkort van toepassing op waarnemers, indien de waarneming gedurende ten minste drie maanden onafgebroken bij dezelfde werkgever plaatsvindt.
2.3.3 Op waarnemers die minder dan drie maanden onafgebroken bij dezelfde werkgever werkzaam zijn, is de CAO van toepassing met uitzondering van het bepaalde over:
- lidmaatschapskosten als bedoeld in artikel 9.1.3
- registratiekosten als bedoeld in artikel 9.1.4
- scholing als bedoeld in artikel 9.2.

Artikel 3 Algemene verplichtingen van partijen
3.1 Algemeen
Partijen verplichten zich deze CAO te goeder trouw naar letter en geest na te komen en geen actie direct of indirect te zullen voeren of steunen, die tot doel heeft deze CAO gedurende de looptijd te wijzigen of te beëindigen op een andere wijze dan is overeengekomen.
Partijen staan er voor in dat zij met alle hun ten dienst staande middelen nakoming van deze CAO door hun leden zullen bevorderen, waaronder door het indienen van een aanvraag voor het verkrijgen van een algemeen verbindend verklaring.

3.2 Geschillen
Een geschil is aanwezig indien één van de partijen dat aan de andere partij schriftelijk kenbaar heeft gemaakt. Partijen zullen bij een geschil een minnelijke oplossing nastreven.
Wanneer een geschil, verbandhoudend met (een tekortkoming in) de uitvoering of inhoud van deze overeenkomst, niet door middel van overleg tussen partijen kan worden geregeld, zullen partijen alvorens zich tot de bevoegde rechter te wenden zich inspannen het geschil op te lossen door middel van mediation.
De meest gerede partij zal schriftelijk of elektronisch zijn voornemen om over te gaan tot mediation aan de wederpartij kenbaar maken. Zolang deze kennisgeving niet heeft plaatsgevonden en/of de mediation niet is beëindigd, zal geen der partijen zich tot de rechter wenden tenzij uitsluitend tot het nemen van conservatoire of spoedeisende maatregelen.
Indien het binnen 14 dagen, althans binnen een door partijen nader overeen te komen termijn na ontvangst van de hierboven bedoelde kennisgeving onmogelijk gebleken is het geschil op te lossen met behulp van mediation, zal het geschil worden beslecht door de
bevoegde rechter.

Artikel 4 Algemene verplichtingen van werkgever en werknemer
4.1 Werkzaamheden en werkomstandigheden
4.1.1 De werknemer is persoonlijk verantwoordelijk voor zijn fysiotherapeutisch handelen. De werknemer en de werkgever zijn gebonden aan het Professioneel Statuut Fysiotherapeuten in dienstverband in de vrijgevestigde praktijk, zoals neergelegd in
bijlage 1.
De werkgever waarborgt de vrijheid van fysiotherapeutisch handelen van de werknemer binnen het kader van diens specifieke deskundigheid.
De werknemer zal slechts op gronden ontleend aan algemeen aanvaarde normen betreffende de verantwoordelijkheid als fysiotherapeut mogen weigeren de behandeling of medebehandeling van een patiënt op zich te nemen of voort te zetten.
Zodanige beslissing zal de werknemer bovendien slechts mogen nemen na mededeling van het voornemen daartoe aan de werkgever.
Zowel werkgever als werknemer zullen zich houden aan de Beroepsethiek en Gedragsregels voor de Fysiotherapeut en aan de Modelregeling Fysiotherapeut-Patiënt, zoals deze zijn vastgesteld door het KNGF.
4.1.2 De werknemer is gehouden naar beste vermogen bij te dragen aan een efficiënte bedrijfsvoering. Hij is verplicht de in verband daarmee door de werkgever te geven aanwijzingen op te volgen, een en ander met inachtneming van het bepaalde in artikel 4.1.1.
De werknemer draagt er zorg voor dat de tijd die hij per behandeling besteedt, overeenkomt met het vigerende beleid van de werkgever op dit punt, een en ander met inachtneming van het bepaalde in artikel 4.1.1.
4.1.3 Het verrichten van administratieve handelingen door de werknemer en het voeren van overleg met verwijzend geneeskundigen en/of andere bij de behandeling van patiënt betrokken behandelaars geschiedt tijdens werktijd.
4.1.4 Het werkoverleg, evenals functionering- en beoordelingsgesprekken vinden plaats tijdens werktijd.

4.2 Collectieve Arbeidsovereenkomst
De werkgever is verplicht zowel aan de werknemer als tijdens de sollicitatieprocedure aan gerede kandidaten (voordat tot ondertekening van de arbeidsovereenkomst wordt overgegaan) de CAO tijdig op welke wijze of in welke vorm dan ook aan de werknemer of kandidaat ter inzage te verstrekken, of de werknemer of kandidaat te wijzen op de mogelijkheden van de CAO kennis te kunnen nemen.

4.3 Individuele arbeidsovereenkomst
De werkgever zal met elke werknemer op individuele basis een schriftelijke arbeidsovereenkomst aangaan, waarin de CAO, alsmede het Professioneel Statuut Fysiotherapeuten in dienstverband in de vrijgevestigde praktijk van toepassing worden verklaard.

4.4 (Neven)werkzaamheden
4.4.1 De werknemer behoeft voor het verrichten van al dan niet gehonoreerde (neven)werkzaamheden, als fysiotherapeut of anderszins, in loondienst bij een andere werkgever of als zelfstandige, de voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever.
4.4.2 De werkgever zal de toestemming als bedoeld in lid 1 niet onthouden, tenzij de (neven)werkzaamheden op enigerlei wijze nadelig kunnen zijn voor of onverenigbaar zijn met de uitoefening van de functie van de werknemer bij de werkgever of anderszins de belangen van de werkgever kunnen schaden.
In voorkomende gevallen kan de werkgever voorwaarden stellen teneinde de werknemer de toestemming voor het verrichten van de (neven)werkzaamheden te kunnen geven.
4.4.3 De werknemer met een deeltijd arbeidsduur heeft het recht nevenwerkzaamheden te verrichten, indien en voor zover de arbeidsduur van de werkzaamheden voor de werkgever en de nevenwerkzaamheden tezamen de omvang van een voltijd arbeidsduur niet overschrijdt. De werknemer behoeft voor deze nevenwerkzaamheden eveneens de voorafgaande toestemming van de werkgever als bedoeld in artikel 4.4.1.
4.4.4 De werknemer die met de werkgever een concurrentiebeding is aangegaan, is ook in het in dit artikel bedoelde geval onverkort aan dat concurrentiebeding gebonden en behoeft voor het verrichten van nevenwerkzaamheden die in strijd zijn met het concurrentiebeding de voorafgaande toestemming van de werkgever.

4.5 Geheimhouding
4.5.1 Het is de werknemer niet toegestaan, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever, gedurende de arbeidsovereenkomst of na beëindiging daarvan aan derden mededeling te doen op welke wijze dan ook van tot zijn kennis gekomen
gegevens betreffende of verband houdende met praktijkaangelegenheden van de werkgever waarvan hij weet of behoort te weten dat ze ten opzichte van die derden geheim zijn.
4.5.2 De werknemer is gehouden de fysiotherapeutische gegevens vast te leggen en bij te houden conform de KNGF Richtlijn Fysiotherapeutische Verslaglegging. De werkgever treft de nodige maatregelen om de werknemer in staat te stellen de medische gegevens op zorgvuldige wijze te bewaren, zodat de geheimhouding daarvan verzekerd blijft.
4.5.3 Kennisgeving van de gehele of gedeeltelijke inhoud van medische gegevens aan derden door de werknemer kan – zowel gedurende de arbeidsovereenkomst als na beëindiging daarvan - slechts plaatsvinden met toestemming van de patiënt of met
diens uitdrukkelijke machtiging.
4.5.4 Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst is de werknemer verplicht de fysiotherapeutische gegevens - ook indien deze op papier of informatiedragers zijn vastgelegd, die aan de werknemer toebehoren of aan de werknemer persoonlijk zijn geadresseerd - over te dragen aan zijn werkgever, dan wel aan zijn opvolger, respectievelijk de fysiotherapeut, die de behandeling van de patiënten overneemt, tenzij de patiënt daartegen bezwaar maakt.

4.6 Goed werkgeverschap
De werkgever komt alle verplichtingen die voortvloeien uit of samenhangen met de arbeidsovereenkomst te goeder trouw na. De werkgever heeft de verplichting om de werknemer in staat te stellen de overeengekomen werkzaamheden naar beste vermogen te
verrichten en kan de werknemer hierbij aanwijzingen en instructies geven met inachtneming van de eisen van het beroep. Daarnaast zal de werkgever al datgene doen en nalaten wat een goed werkgever in gelijke omstandigheden behoort te doen en na te laten.

4.7 Goed werknemerschap
De werknemer is verplicht al datgene te doen en na te laten wat een goed werknemer in gelijke omstandigheden behoort te doen of na te laten. Hij komt alle uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende of daarmee samenhangende verplichtingen te goeder trouw na. De werknemer verricht naar beste kunnen alle tot de functie behorende werkzaamheden, behartigt de belangen van de werkgever zo goed mogelijk, en houdt zich aan alle door de werkgever te geven aanwijzingen en instructies. Voor zover dit redelijkerwijs van hem verlangd kan worden, verricht de werknemer, indien noodzakelijk, andere werkzaamheden dan die welke direct verband houden met de functie.

B. ARBEIDSOVEREENKOMST
Artikel 5 Aanstelling en ontslag
5.1 Proeftijd
De wettelijke regeling van de proeftijd, zoals geregeld in de artikelen 7:652 en 7:676 van het Burgerlijk Wetboek, is van toepassing. Er wordt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om bij CAO af te wijken van de wettelijke regeling.

5.2 Aard van de arbeidsovereenkomst
Indien in de individuele arbeidsovereenkomst over de duur van de arbeidsovereenkomst niets is bepaald, wordt deze geacht te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd.

5.3 Opzegtermijn
Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst door opzegging geldt de wettelijke opzegtermijn zoals neergelegd in artikel 7:672 het Burgerlijk Wetboek. Er wordt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om bij CAO af te wijken van de wettelijke regeling.

5.4 Beëindiging arbeidsovereenkomst op pensioendatum
In alle gevallen eindigt de arbeidsovereenkomst van rechtswege zonder dat opzegging vereist is, op de laatste dag van de maand voorafgaand aan die waarin de werknemer de leeftijd van 65 jaar bereikt.

Artikel 6 Arbeidsduur
6.1 Arbeidsduur
6.1.1 De arbeidsduur bedraagt voor de werknemer bij een voltijd dienstverband 38 uur per week.
6.1.2 Het is de werkgever en de werknemer toegestaan een langere dan de voltijd arbeidsduur overeen te komen.

6.2 Werktijden
6.2.1 Bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst worden de werktijden van de werknemer in de individuele arbeidsovereenkomst vastgelegd.
6.2.2 Wijziging van afspraken over werktijden door de werkgever respectievelijk werknemer vindt bij voorkeur alleen plaats met instemming van de werkgever respectievelijk de werknemer, waarbij een afweging plaatsvindt tussen sociaal-economische en
organisatorische belangen van de werkgever enerzijds en de wensen van de werknemer anderzijds.
Indien en voor zover tussen werkgever en werknemer geen overeenstemming kan worden bereikt over een wijziging van afspraken over werktijden zal de reeds bestaande afspraak blijven bestaan, tenzij het bedrijfsbelang van de werkgever zich hiertegen verzet, dit ter beoordeling aan de werkgever.

6.3 Werken op zon- en feestdagen
Als feestdagen worden aangemerkt: Nieuwjaarsdag, Tweede Paasdag, Koninginnedag (of de dag die voor de viering daarvan is aangewezen), Hemelvaartsdag, Tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en bevrijdingsdag in een lustrumjaar (elke vijf jaar).
Een werknemer kan niet verplicht worden tot het werken op zondagen en bovengenoemde feestdagen.

6.4 Wekelijkse rusttijd, minimum- en maximum arbeidstijd
Bij het toepassen van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit dienen werkgever en werknemer uit te gaan van een ruime interpretatie.

Artikel 7 Salariëring
7.1 Schalen werknemers met een vast salaris
Met ingang van 1 januari 2009 wordt voor werknemers met een arbeidsovereenkomst met een vast salaris een salarissysteem met drie salarisschalen ingevoerd dat als bijlage 2 aan deze CAO is gehecht. Elke salarisschaal kent een aantal periodieken.
De in de salarisschalen vermelde bedragen zijn gebaseerd op een voltijd arbeidsduur. Voor de werknemer met een deeltijd arbeidsduur, of een meer dan voltijd arbeidsduur, wordt het salaris naar evenredigheid van de arbeidsduur vastgesteld.

7.2 Nieuw intredende werknemers
7.2.1 Met ingang van 1 januari 2009 zullen nieuw intredende werknemers uitsluitend op basis van een arbeidsovereenkomst met een vast salaris in dienst treden. Bij indiensttreding zullen zij ingedeeld worden in één van de drie schalen als bedoeld in artikel 7.1.
7.2.2 Indeling van de nieuw intredende werknemer geschiedt aan de hand van het FUWAV systeem dat uiterlijk per 1 juli 2009 zal worden ingevoerd. Het FUWA-V systeem zal alsdan deel uitmaken van deze CAO en worden neergelegd in een addendum, zijnde
bijlage 4. Werkgever en werknemer zijn verplicht zich aan dat systeem te houden.
Het FUWA-V systeem wordt periodiek geactualiseerd. Partijen bepalen welke systeemversie van kracht is.
7.2.3 Zo lang het FUWA-V systeem nog niet is ingevoerd, vindt een voorlopige indeling van de nieuw intredende werknemer plaats op basis van het salaris dat werkgever en werknemer zijn overeengekomen. Definitieve indeling conform het FUWA-V systeem vindt plaats zo spoedig mogelijk nadat het FUWA-V systeem is ingevoerd.

7.3 Zittende werknemers met een vast salaris
7.3.1 Zittende werknemers met een arbeidsovereenkomst op basis van een vast salaris zullen met ingang van 1 januari 2009 worden ingedeeld in één van de schalen en periodieken als bedoeld in artikel 7.1 op basis van “horizontaal overgaan”.
7.3.2 Horizontaal overgaan houdt in dat het salaris van de werknemer per 1 januari 2009 na inschaling gelijk is aan het salaris per 31 december 2008, mits de generieke verhoging als bedoeld in artikel 7.8 is doorgevoerd. Indien de generieke verhoging als bedoeld in artikel 7.8 voor 1 januari 2009 nog niet (volledig) was doorgevoerd, vindt de inschaling plaats na verwerking van de generieke verhoging en vindt de horizontale overgang plaats op basis van het aldus verhoogde salaris. Het salaris bedraagt voor een werknemer met een voltijd dienstverband (en bij 23 vakantiedagen zonder ADV dagen) per 1 januari 2009 tenminste € 2.089 bruto per maand.
7.3.3 Wanneer het bedrag van het salaris van de werknemer per 1 januari 2009 niet voorkomt in de nieuwe periodieken, wordt de werknemer met behoud van salaris ingedeeld in de naast gelegen lagere periodiek van de schaal.

7.4 Zittende werknemers met een variabel salaris
7.4.1 Voor zittende werknemers die op 1 januari 2009 een arbeidsovereenkomst met een variabel salaris hebben en dat willen behouden, geldt één schaal die als bijlage 3 aan deze CAO is gehecht. Deze schaal kent een aantal periodieken.
7.4.2 De werknemer wordt op basis van het overeengekomen percentage ingedeeld in de schaal met bijbehorende periodieken. Indeling vindt plaats op basis van “horizontaal overgaan”, hetgeen inhoudt dat de werknemers gehonoreerd blijven conform het door
hen met hun werkgever overeengekomen percentage maal het overeengekomen tarief met een minimum van 60,9% van € 23,20 per zitting. Wanneer het overeengekomen percentage niet voorkomt in de nieuwe periodieken, wordt de werknemer met behoud van het overeengekomen percentage ingedeeld in de naast gelegen lagere periodiek van de schaal.

7.5 Periodieke verhoging
7.5.1 In de loop van 2009 zal een beoordelingssysteem worden ingevoerd, aan de hand waarvan de werkgever de werknemer jaarlijks beoordeelt. Het beoordelingssysteem (en de bijbehorende reglementen/uitvoeringsregelingen) zullen alsdan deel uitmaken van deze CAO. Werkgever en werknemer zijn verplicht zich daaraan te houden.
7.5.2 Onderdeel van het beoordelingssysteem is een systeem van periodieke verhogingen. Aan de hand van de beoordeling zal worden vastgesteld of de werknemer in aanmerking komt voor een periodieke verhoging.
7.5.3 De eerste beoordeling vindt plaats over het kalenderjaar 2009. Voor werknemers die horizontaal zijn overgegaan, is de periodiek waarin de werknemer is ingedeeld uitgangspunt voor toepassing van een eventuele periodieke verhoging per januari 2010 - en niet het daadwerkelijke salaris (voor werknemers met een vast salaris) of percentage (voor werknemers met een variabel salaris) dat de werknemer in 2009 geniet.
7.5.4 Indien de werknemer voor een periodieke verhoging in aanmerking komt, gaat deze in per de maand januari, volgend op het jaar waarop de beoordeling betrekking heeft.
7.5.5 Bij het achterwege blijven van beoordelingsgesprekken zal de werknemer automatisch een periodieke verhoging ontvangen per de maand januari volgend op het jaar met betrekking waarop geen beoordelingsgesprek heeft plaatsgehad.

7.6 Overgang van variabel salaris naar vast salaris
Zittende werknemers met een variabel salaris kunnen hun werkgever in de periode 1 januari tot en met 31 december 2009 eenmalig verzoeken hun arbeidsovereenkomst om te zetten naar een arbeidsovereenkomst met een vast salaris, waarbij de arbeidsduur en het bijbehorende salaris worden vastgelegd als het gemiddelde over het refertejaar 2008, mits representatief. Indien en voor zover het refertejaar niet representatief is, zullen werkgever en werknemer in overleg treden. De werkgever zal een verzoek tot omzetting moeten inwilligen, waarbij als uitgangspunt geldt dat de overgang van variabel naar vast salaris niet kostenverhogend voor de werkgever en de werknemer werkt. De arbeidsovereenkomst wordt met ingang van 1 januari 2010 omgezet in een arbeidsovereenkomst met een vast salaris, tenzij werkgever en werknemer in onderling overleg een eerdere ingangsdatum
overeenkomen.

7.7 Overgang van variabel naar variabel salaris
Een zittende werknemer met een variabel salaris, die een arbeidsovereenkomst met een nieuwe werkgever aangaat, kan zijn nieuwe werkgever verzoeken met hem een arbeidsovereenkomst met een variabel salaris aan te gaan. De nieuwe werkgever is niet verplicht dat verzoek te honoreren. De werknemer moet desgevraagd aan de nieuwe werkgever aantonen dat hij voordien ook een arbeidsovereenkomst met een variabel salaris had.

7.8 Generieke verhoging 2009
7.8.1 Voor werknemers met een vast salaris geldt dat de in 2008 betaalde vaste salarissen met ingang van 1 januari 2009 met 3,2% zullen worden verhoogd, indien en voor zover de werkgever die verhogingen niet al geheel of gedeeltelijk na 1 januari 2007 heeft doorgevoerd en de betrokken werknemer binnen de bandbreedte van de voor hem toepasselijke schaal valt.
7.8.2 Indien een werknemer met een vast salaris, die na voorlopige inschaling aanvankelijk buiten de bandbreedte van de voor hem toepasselijke schaal viel, na definitieve inschaling alsnog binnen de bandbreedte van de voor hem toepasselijke schaal valt, zal het salaris van deze werknemer alsnog met terugwerkende kracht tot 1 januari 2009 met 3,2% worden verhoogd indien en voor zover de werkgever die verhogingen niet al geheel of gedeeltelijk na 1 januari 2007 heeft doorgevoerd.
7.8.3 Voor werknemers met een variabel salaris geldt dat met ingang van 1 januari 2009 het basistarief voor de honorering van de werknemer € 23,20 per zitting fysiotherapie bedraagt.

7.9 Uitbetaling
Het salaris wordt maandelijks uitgekeerd onder aftrek van de inhoudingen waartoe de werkgever wettelijk verplicht is en na aftrek van de bedragen waartoe de werknemer hem machtigt. De betaling geschiedt op een zodanig tijdstip, dat de werknemer uiterlijk op de
laatste dag van de maand over het salaris kan beschikken.

7.10 Specificatie
7.10.1 De werknemer ontvangt, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:626 lid 1 Burgerlijk Wetboek, maandelijks een schriftelijke opgave van het salaris met daarin vermeldt alle componenten die in artikel 7:626 Burgerlijk Wetboek staan genoemd.
7.10.2 Jaaropgave
De werkgever is gehouden om na afloop van het kalenderjaar, uiterlijk op 1 maart, aan de werknemer een schriftelijke jaaropgave te verstrekken overeenkomstig het bepaalde in artikel 28 sub d van de Wet op de Loonbelasting 1964.

7.11 Toeslagen
7.11.1 Pensioentoeslag
Het overeengekomen salaris wordt maandelijks verhoogd met de door de werknemer af te dragen pensioenpremie. De hoogte daarvan wordt bepaald aan de hand van de door werknemer overlegde premienota’s van de pensioenverzekeraar (in de regel zal dat de Stichting Pensioenfonds voor Fysiotherapeuten zijn).
In het geval de werknemer andere inkomsten heeft uit verschillende dienstbetrekkingen, is de werkgever gehouden naar evenredigheid van de arbeidsduur bij te dragen in de pensioenpremie.
7.11.2 Vakantietoeslag
De werknemer ontvangt jaarlijks in de maand mei een vakantietoeslag van 8% van het salaris dat hij in de 12 maanden, voorafgaande aan 1 juni van het betreffende kalenderjaar van de werkgever heeft ontvangen, exclusief de in artikel 7.11.1 genoemde pensioentoeslag, met dien verstande dat:
- de werknemer die geen volledig kalenderjaar in dienst is geweest, dan wel waarmee gedurende het kalenderjaar een wijziging van de arbeidsduur wordt overeengekomen, de toeslag naar evenredigheid ontvangt;
- de werknemer die uit dienst treedt, de vakantietoeslag ontvangt tegelijkertijd met de eindafrekening.
7.11.3 Overwerktoeslag
Indien het gemiddelde aantal feitelijk gewerkte uren gedurende een kwartaal in enig kalenderjaar hoger is dan 41 uur per week, heeft de werknemer recht op de volgende toeslagen:
- na het 41e uur: 10%;
- na het 42e uur: 15%;
- na het 43e uur: 25%.
Ter toelichting:
Na het 41e uur houdt in dat meer dan 39 overuren per kwartaal zijn gewerkt. Na het 42e uur houdt in dat meer dan 52 overuren per kwartaal zijn gewerkt. Na het 43e uur houdt in dat meer dan 65 overuren per kwartaal zijn gewerkt.
Indien werkgever en werknemer in de individuele arbeidsovereenkomst een meer dan voltijd arbeidsduur zijn overeengekomen, worden de in dit artikel genoemde urenaantallen met het verschil tussen de voltijd arbeidsduur en de overeengekomen arbeidsduur verhoogd. Indien werkgever en werknemer in de individuele arbeidsovereenkomst een deeltijd arbeidsduur zijn overeengekomen, blijven de in dit artikel genoemde urenaantallen ongewijzigd.
7.11.4 Meeruren
Indien het gemiddelde aantal feitelijk gewerkte uren in een kwartaal meer is dan de overeengekomen arbeidsduur, worden deze meeruren tot de overuren, als bedoeld in artikel 7.11.3, vergoed tegen het gebruikelijke uurloon, tenzij de werkgever en de werknemer
afspraken maken over het compenseren van deze meeruren in vrije tijd.
7.11.5 Toeslag buiten arbeidstijd
De werknemer, die op verzoek van de werkgever werkzaamheden verricht op tijden die vallen buiten de arbeidstijd, ontvangt naast het gebruikelijke uurloon, de volgende toeslag voor de buiten de arbeidstijd gewerkte uren:
- op zon- en feestdagen: een toeslag van 100% per gewerkt uur;
- op zaterdag na 12.00 uur: een toeslag van 75% per gewerkt uur;
- op maandag tot en met vrijdag tussen 21.00 uur en 07.00 uur: een toeslag van 50% per gewerkt uur.
Voor zittende werknemers geldt dat de toeslag niet verschuldigd is wanneer van de tussen werkgever en werknemer overeengekomen werktijd uren buiten de arbeidstijd vallen en deze uren aldus behoren tot de reguliere arbeidstijd van de werknemer. Deze regeling geldt zo lang de arbeidsovereenkomst met de werkgever ongewijzigd voortduurt.
7.11.6 Resultaatsafhankelijke Toeslag
Werkgever en werknemer kunnen een resultaatsafhankelijke toeslag overeenkomen, die wordt uitgekeerd wanneer de werknemer van te voren vastgelegde en objectief te bepalen resultaten heeft behaald.

Artikel 8 Arbeidsongeschiktheid
8.1 Salarisbetaling bij arbeidsongeschiktheid
8.1.1 De werknemer heeft bij arbeidsongeschiktheid gedurende de eerste 52 weken en na twee (2) wachtdagen recht op doorbetaling van 100% van het salaris inclusief pensioentoeslag en vakantietoeslag. Over een tweede tijdvak van maximaal 52 weken heeft de werknemer aanspraak op 70% van zijn salaris inclusief pensioentoeslag en vakantietoeslag.
8.1.2 De verplichting tot loondoorbetaling vervalt in elk geval op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.
8.1.3 De werknemer kan slechts aanspraak maken op doorbetaling van salaris indien hij zich houdt aan de wettelijke voorschriften en alle voorschriften van de werkgever of de Arbo-dienst, waaronder voorschriften omtrent ziekmelding en controle.

Artikel 9 Vergoedingen
9.1 Kostenvergoedingen
9.1.1 Reiskostenvergoeding
In het geval dat de werknemer ter vervulling van zijn werkzaamheden in opdracht van de werkgever reiskosten heeft moeten maken, worden deze op declaratiebasis vergoed. De vergoeding bedraagt € 0,28 per kilometer. Daarvan wordt het gedeelte, dat conform de
geldende fiscale regelgeving onbelast mag worden uitgekeerd, onbelast uitgekeerd en het resterende deel wordt als belaste vergoeding aan de werknemer voldaan.
De werkgever en werknemer kunnen tevens binnen de geldende fiscale regelgeving afspraken maken over het vergoeden van reiskosten voor woon-werkverkeer.
De reiskostenvergoeding wordt uitgekeerd tegelijkertijd met de uitbetaling van het eerst volgend salaris nadat de declaratie door de werknemer bij de werkgever is ingediend.
9.1.2 Telefoonkosten
De door de werknemer gemaakte telefoonkosten worden op declaratiebasis vergoed voor zover deze voor de uitoefening van de werkzaamheden nodig zijn, dit ter beoordeling aan de werkgever.
9.1.3 Lidmaatschapskosten
Indien en voor zover de werknemer lid is, vergoedt de werkgever de lidmaatschapskosten van het KNGF (RGF) alsmede van één beroepsinhoudelijke vereniging, mits de verbijzondering wordt uitgevoerd in de praktijk van de werkgever. Voor de werknemer die in deeltijd werkt geldt dat de lidmaatschapskosten naar evenredigheid van de arbeidsduur worden vergoed. In het geval de werknemer bij één werkgever werkzaam is, zal ten minste 50% van de lidmaatschapskosten worden vergoed.
9.1.4 Registratiekosten Centraal Kwaliteitsregister
De werkgever vergoedt 75% van de kosten van inschrijving in het Centraal Kwaliteitsregister alsmede de registratiekosten van één beroepsinhoudelijke vereniging van het KNGF, mits de verbijzondering wordt uitgevoerd in de praktijk van de werkgever.
9.1.5 Dienstkleding
Indien de werkgever aan de werknemer het dragen van dienstkleding voorschrijft, komen de daaraan verbonden kosten van aanschaf en onderhoud voor zijn rekening.

9.2 Scholing
9.2.1 Scholing op verzoek van de werkgever
Indien scholing op verzoek van de werkgever plaatsvindt, worden de kosten in tijd en geld hiervan volledig door de werkgever gedragen.
9.2.2 Scholing in het kader van kwaliteit
Scholing die de werknemer in het kader van algemene kwaliteitseisen alsmede ten behoeve van één verbijzondering volgt, wordt voor 75% door de werkgever vergoed, mits de verbijzondering wordt uitgevoerd in de praktijk van de werkgever. Het vergoeden van tijd kan
door werkgever en werknemer op praktijkniveau worden afgesproken.
9.2.3 Scholing op verzoek van de werknemer
Scholing op verzoek van de werknemer kan geheel of gedeeltelijk door de werkgever betaald worden. Voor cursussen/opleiding gevolgd door de werknemer met toestemming van de werkgever geldt dat, indien de werknemer binnen drie jaar na afloop van de desbetreffende cursus/opleiding uit dienst treedt, omdat de werknemer opzegt of de werknemer aanleiding geeft aan de werkgever het dienstverband op te zeggen of te laten ontbinden, de werkgever het recht heeft dat deel van de door de werkgever betaalde kosten, zoals cursus- of lesgelden en de kosten voor het aanschaffen van lesmateriaal, overeenkomend met de tijd die de werknemer minder dan drie jaar gerekend vanaf het einde van de cursus respectievelijk de einddatum in dienst heeft doorgebracht, naar rato en wel conform onderstaande terugbetalingsregeling, terug te vorderen.
De terugbetalingsregeling is als volgt opgebouwd. Bij vertrek binnen één jaar na afronding van de cursus/opleiding wordt 75% teruggevorderd, bij vertrek binnen twee jaar wordt 50% teruggevorderd en bij vertrek binnen drie jaar 25%. Deze terugbetaling wordt verrekend met de laatste salarisafrekening.
Indien de werknemer tussentijds met de cursus/opleiding stopt, dan wel de cursus/opleiding niet met goed gevolg heeft afgerond binnen de vooraf afgesproken termijn, heeft de werkgever het recht de kosten daarvan van de werknemer terug te vorderen.
Wanneer een werknemer uit dienst treedt gedurende het volgen van de cursus/opleiding, heeft de werkgever het recht de kosten daarvan van de werknemer terug te vorderen.

Artikel 10 Vakantie en verlof
Algemeen:
Het vakantiejaar is gelijk aan het kalenderjaar.
10.1 Vakantiedagen
10.1.1 De werknemer heeft bij een voltijd arbeidsduur met behoud van salaris recht op 23 vakantiedagen per kalenderjaar.
10.1.2 Voor de werknemer met een deeltijd of meer dan voltijd arbeidsduur, wordt de aanspraak op vakantiedagen naar evenredigheid van de arbeidsduur vastgesteld.
10.1.3 Bij aanvang of beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de loop van het kalenderjaar is artikel 7:634 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
10.1.4 Bij het opnemen van vakantiedagen is artikel 7:638 Burgerlijk Wetboek van toepassing.

10.2 Verlof
Algemeen:
Naast vakantiedagen overeenkomstig het bepaalde in artikel 10.1, bestaat een aantal verlofrechten overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 10.3 en 10.4. Het verlofjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Voor de toepassing van het bepaalde in de artikelen 10.3 en 10.4 wordt onder gehuwden c.q. echtgenoten mede verstaan de partner waarmee de werknemer ongehuwd samenwoont, dat wil zeggen een gezamenlijke huishouding voert. Hiervan is sprake indien
de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding danwel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

10.3 Calamiteiten- en zorgverlof
De werknemer heeft in de bij wet voorziene gevallen recht op calamiteiten- en kortdurend zorgverlof; in afwijking van de wettelijke regeling betreft dit onbetaald verlof.

10.4 Bijzonder en buitengewoon verlof
In de hierna genoemde niet-voorzienbare gevallen kan de werknemer betaald verlof opnemen, mits hij zo mogelijk de werkgever van de gebeurtenis en het verzuim in kennis stelt en de gebeurtenis in het desbetreffende geval bijwoont:
a. vanaf de dag van overlijden tot en met de dag der begrafenis of crematie van de echtgenote of echtgenoot van de werknemer, van een van zijn kinderen, pleegkinderen, ouders of schoonouders.
b. gedurende de dag van de begrafenis of crematie van grootouders, grootouders van de echtgenote of echtgenoot, kleinkinderen, broers, zusters, schoonzoons, schoondochters, zwagers en schoonzusters.

In de hierna genoemde voorzienbare gevallen kan de werknemer betaald verlof opnemen, mits hij zo mogelijk minstens een dag tevoren de werkgever hiervan in kennis stelt:
c. voor de daarvoor benodigde tijd bij huwelijksaangifte van de werknemer, mits dit onder werktijd geschiedt.
d. voor in totaal twee aaneengesloten dagen bij zijn huwelijk, ongeacht de omvang van de arbeidsduur zoals vastgelegd in de individuele arbeidsovereenkomst.
e. voor de dag van het huwelijk van een van de leden van zijn gezin en van bloed- en aanverwanten in de eerste en tweede graad, indien het huwelijk plaatsvindt op een werkdag.
f. voor twee dagen bij bevalling van zijn echtgenote.
g. voor de noodzakelijke tijd bij ernstige ziekte van de echtgeno(o)t(e), van inwonende kinderen, ouders of schoonouders, pleegouders of pleegkinderen, mits de noodzaak van dit verlof blijkt uit een geneeskundige verklaring.
h. maximaal eenmaal per twee jaar voor twee dagen bij verhuizing van de werknemer die een eigen huishouding voert.
i. in andere gevallen waarin de werkgever bijzondere omstandigheden aanwezig acht.

Buitengewoon onbetaald verlof wordt verleend:
j. voor één dag bij het 25 jarig huwelijk van de werknemer.
k. voor een dag bij het 40 jarig huwelijk van de werknemer.
l. voor één dag bij het 25 jarig dienstjubileum van de werknemer.
m. voor één dag bij het 40-jarig dienstjubileum van de werknemer.
n. voor maximaal 12 dagen per jaar voor het bijwonen van statutaire vergaderingen van werknemersorganisaties, voor zover de werknemer als bestuurslid en/of afgevaardigde is aangewezen.
o. voor maximaal 12 dagen per jaar voor het deelnemen c.q. medewerken aan conferenties, landelijke en regionale vergaderingen en werkgroepen, voor zover de werknemer daartoe als deskundige of afgevaardigde door zijn werknemersorganisatie is uitgenodigd en hij zulks/dat kan aantonen.
p. voor maximaal 12 dagen per jaar voor bestuurlijke activiteiten die betrekking hebben op vergadering van het KNGF- de FDV- de RGF voor zover de werknemer als bestuurslid en/of afgevaardigde is aangewezen; voor deelname aan bestuurlijke en ministeriële
commissies en onderwijsactiviteiten in het kader van de gezondheidszorg.
q. en in andere gevallen waarin de werkgever bijzondere omstandigheden aanwezig acht.

 

C DIVERSE REGELINGEN

Artikel 11 Aansprakelijkheidsverzekering
De werkgever verplicht zich jegens de werknemer op kosten van de werkgever een verzekering te sluiten voor zowel zichzelf als de werknemer tegen beroepsaansprakelijkheid van de werknemer, voor handelen of nalaten door de werknemer bij de uitoefening van zijn beroep.

Artikel 12 Overeenkomst fysiotherapeut en zorgverzekeraar
De werkgever zorgt ervoor dat de werknemer kennis neemt van voor de uitoefening van zijn functie relevante met de zorgverzekeraar gemaakte afspraken en daaruit voortvloeiende verplichtingen. De werknemer zorgt vervolgens voor een stipte naleving van deze afspraken.

D OVERGANGSREGELING

Artikel 13 Interpretatiecommissie
Partijen kunnen een interpretatiecommissie instellen die zaken in behandeling neemt betreffende de uitleg en de interpretatie van bepalingen van deze CAO.

Artikel 14 Ontwikkelpunten
Gedurende de looptijd van de CAO zullen partijen de volgende aspecten ontwikkelen of laten ontwikkelen:
a. cafetariasysteem;
b. professioneel statuut;
c. pensioen;
d. reiskosten;
e. verlof voor vakbondswerk;
f. gedurende het jaar 2009 zal een systeem van functionerings- en beoordelingsgesprekken worden ingevoerd;
g. uiterlijk 1 juli 2009 zal het FUWA-V systeem worden ingevoerd.

 

Colofon

Bijlage 1
Ter toelichting:
Deze bijlage zal conform artikel 14 sub b CAO gedurende de looptijd van de CAO worden aangepast c.q. vernieuwd. Daar waar bepalingen uit het Professioneel Statuut op gespannen voet met de Directe Toegankelijkheid Fysiotherapie staan zal laatstgenoemde prevaleren.

PROFESSIONEEL STATUUT FYSIOTHERAPEUTEN IN DIENSTVERBAND IN DE VRIJGEVESTIGDE PRAKTIJK
Overwegende
- dat overeenkomstig artikel 4.3 van de CAO de werknemer zijn werkzaamheden zal verrichten met inachtneming van een professioneel statuut;
- dat het professioneel statuut een bekrachtigd geheel is, met daarin rechten en plichten gericht op een optimale beroepsuitoefening van de individuele beroepsbeoefenaar binnen de praktijk. Daarmee wordt beoogd een optimale kwaliteit van de zorg die de beroepsbeoefenaar verleent te bevorderen, waar nodig in samenhang met de zorg die andere beroepsbeoefenaren verlenen;
- dat een regeling van professionele aangelegenheden ten aanzien van een fysiotherapeut, werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst, noodzakelijk is;
- dat er geen verschil in het beroepsmatig functioneren mag zijn tussen een op arbeidsovereenkomst werkzame fysiotherapeut en diens collega die op basis van een andere overeenkomst in de praktijk werkzaam is;
- dat de fysiotherapeut persoonlijke verantwoordelijkheid heeft voor behandeling van de patiënt aan wie hij verantwoording verschuldigd is voor zijn beroepsmatig handelen;
- dat de werkgever een algemene verantwoordelijkheid draagt voor de zorgverlening in de praktijk en de totstandkoming van de benodigde regelingen;
- dat de door de werkgever krachtens arbeidsovereenkomst aangestelde leidinggevende fysiotherapeut organisatorische verantwoordelijkheid draagt voor de zorgverlening in de praktijk;
- dat de fysiotherapeut meewerkt aan het tot stand komen van regelingen die strekken tot bevordering van het collectieve verantwoordelijkheidsbesef, tot bevordering van toetsing van de kwaliteit en doelmatigheid van het beroepsmatig handelen en het bewaken van de normen van de beroepsethiek;

is het navolgende statuut voor de beroepsgroep fysiotherapeuten bekrachtigd:

Artikel 1
In dit statuut wordt verstaan onder:
Praktijk: het organisatorisch geheel waar (vanwaar uit) de fysiotherapeut zijn werk verricht
Werkgever: de werkgever als bedoeld in de CAO
Fysiotherapeut: de werknemer die staat ingeschreven in het BIG-register en werkzaam is in de praktijk
Patiënt: degene op wie de zorg zich richt

Artikel 2
1. De fysiotherapeut verbindt zich de patiënten die aan zijn zorg zijn toevertrouwd te behandelen, waar nodig in teamverband met andere beroepsbeoefenaren.
2. Onder de behandeling zijn mede begrepen fysiotherapeutisch onderzoek, diagnose, begeleiding en advisering.
3. Indien de fysiotherapeut gegronde redenen meent te hebben om een behandeling van een patiënt niet op zich te kunnen nemen, of een aangevangen behandeling af te moeten breken doet hij hiervan mededeling aan de werkgever en treft hij, na overleg met de verwijzend arts, de patiënt en de eventuele fysiotherapeut, die hem als zodanig vervangt, maatregelen teneinde de behandeling te doen aanvangen of de continuïteit van de behandeling te verzekeren.
4. Indien de fysiotherapeut twijfelt aan de juistheid of de volledigheid van de verwijzing van de arts kan hij op grond van zijn professionele verantwoordelijkheid weigeren een patiënt in behandeling te nemen. Hij treedt hiervoor onverwijld in overleg met de verwijzend arts, en stelt de werkgever of leidinggevende fysiotherapeut hiervan op de hoogte.
5. Indien naar de mening van de fysiotherapeut de ruimte, het personeel en de outillage niet (meer) voldoen aan tenminste de wettelijke eisen of erkende nadere richtlijnen zal de fysiotherapeut hierover in overleg treden met de werkgever. Indien dit overleg niet leidt tot verbetering van de situatie, neemt de fysiotherapeut hieromtrent contact op met de Inspectie voor de Volksgezondheid. Op advies van de Inspectie voor de Volksgezondheid kan de fysiotherapeut de behandeling weigeren c.q. tussentijds beëindigen.
6. Indien bij de behandeling en verzorging van de patiënt andere professionele medewerkers in de gezondheidszorg zijn betrokken geeft de fysiotherapeut aan hen, na vooraf toestemming van de patiënt te hebben verkregen, die informatie, welke zij voor een goede beroepsuitoefening nodig hebben.

Artikel 3
1. De fysiotherapeut heeft in zijn professioneel handelen persoonlijke verantwoordelijkheid.
2. Waar sprake is van een interdisciplinair behandelplan, deelt de fysiotherapeut naast zijn persoonlijke verantwoordelijkheid in de collectieve verantwoordelijkheid voor de opstelling en de uitvoering van het behandelplan.
3. Met inachtneming van de onzekerheden die de uitoefening van zijn beroep met zich meebrengt, zal de fysiotherapeut de patiënt op voor hem begrijpelijke wijze informeren omtrent het onderzoek, de diagnose, het behandelplan en de behandeldoelen. Dit met het oog op de verantwoordelijkheid van de patiënt en mede gericht op het bevorderen van zelfzorg, waarbij rekening wordt gehouden met de
specifiek voor de patiënt geldende relevante persoonlijke en sociale omstandigheden. Bij kinderen, zwakbegaafde en demente patiënten wordt in voorkomende gevallen zorgvuldig overleg gevoerd met ouders, naaste familie of wettelijke vertegenwoordigers.
4. Tot de verantwoordelijkheden van de fysiotherapeut worden voorts gerekend:
a. het op de hoogte houden van de verwijzende geneeskundige van het verloop van de behandeling en het in voorkomende gevallen voeren van tussentijds overleg met hem en eventuele andere beroepsbeoefenaren;
b. het zich beschikbaar houden voor het geven van deskundige adviezen en informatie aan andere beroepsbeoefenaren;
c. het ter beschikking stellen van zijn deskundigheid bij de keuze en inkoop van apparatuur, inventaris en andere benodigde middelen.

Artikel 4
De fysiotherapeut verplicht zich in een praktijk waar meerdere fysiotherapeuten werkzaam zijn mee te werken aan intercollegiale toetsing.

Artikel 5
1. De fysiotherapeut is verplicht zich bij de uitoefening van zijn werkzaamheden te gedragen naar de aanwijzingen, welke door of namens de werkgever worden gegeven. Mochten de hierboven genoemde aanwijzingen door de fysiotherapeut als een ernstige belemmering van zijn professionele handelen worden ervaren, dan zal hij zorgvuldig gebruik maken van de in de praktijk bestaande
overlegprocedures.
2. Met de relevante wettelijke en anderszins erkende normen en richtlijnen als minimum verschaft de werkgever indien nodig en binnen de grenzen van het economisch mogelijke aan de fysiotherapeut de benodigde personele, instrumentele en ruimtelijke voorzieningen. De werkgever zal deze voorzieningen in een zodanige staat houden dat voldaan blijft worden aan de eisen van technische behoeften, bedrijfszekerheid en -efficiency, alsmede aan het medisch wetenschappelijk peil.

Artikel 6
Indien de werkgever plaats heeft geboden aan stagiaires die de opleiding fysiotherapie volgen, zal het begeleiden van deze stagiaire(s) een onderdeel vormen van de taak van de daarvoor aangewezen fysiotherapeut(en). De werkgever dient zorg te dragen voor de nodige faciliteiten. De als stagebegeleider aangewezen fysiotherapeut draagt de professionele verantwoordelijkheid voor het
fysiotherapeutisch handelen van de stagiaire en hij dient zich te houden aan de voor de praktijkleerperiode geldende normen.

Artikel 7
1. De fysiotherapeut is gehouden van iedere door hem te behandelen patiënt op de in de praktijk gebruikelijke wijze een fysiotherapeutisch dossier te maken en bij te houden conform de KNGF richtlijn Fysiotherapeutische Verslaglegging.
2. De werkgever is verplicht ervoor zorg te dragen dat de dossiers betreffende de patiënt op behoorlijke wijze kunnen worden opgeborgen en wel zodanig dat geheimhouding van de inhoud verzekerd is. De dossiers zullen zowel tijdens de duur van de overeenkomst als ook na het einde daarvan overeenkomstig daartoe vastgestelde normen in het archief van de praktijk berusten en ter beschikking staan van de behandelende fysiotherapeut(en) van de patiënten.
3. Inzage van een dossier door anderen dan de behandelend fysiotherapeut kan slechts geschieden met toestemming van die fysiotherapeut of diens opvolger waarbij er zorg voor wordt gedragen dat de belangen van de patiënt niet worden geschaad en met inachtneming van de geldende richtlijnen op het gebied van de bescherming van de privacy van de patiënt.
4. Inzage in zijn dossier door de patiënt of diens wettelijke vertegenwoordiger(s) geschiedt op verzoek van de patiënt.
5. Publicatie van gegevens uit een dossier geschiedt niet dan met toestemming van de betrokken fysiotherapeut respectievelijk diens opvolger, waarbij de anonimiteit van de patiënt gewaarborgd moet blijven en er zorg voor wordt gedragen dat de belangen van de patiënt c.q. zijn wettelijke vertegenwoordiger(s) c.q. zijn rechtsopvolger(s) niet worden geschaad met inachtneming van de
geldende richtlijnen op het gebied van de bescherming van de privacy van de patiënt. Publicatie geschiedt indien de betrokken fysiotherapeut dit wenst, met vermelding van de bron.

Artikel 8
1. De fysiotherapeut is verplicht mee te werken aan maatregelen die ertoe strekken fouten en ongevallen te voorkomen.
2. De fysiotherapeut is verplicht te handelen overeenkomstig de in de praktijk geldende richtlijnen met betrekking tot de melding en verdere procedure rond fouten en (bijna) ongevallen.

Artikel 9
Door of namens de werkgever worden na overleg met de fysiotherapeut zodanige maatregelen genomen dat bij afwezigheid van de fysiotherapeut wegens vakantie, buitengewoon verlof of ziekte de continuïteit van de behandelingen wordt gewaarborgd.

Artikel 10
Het is in het belang van de kwaliteit van de zorgverlening dat de fysiotherapeut regelmatig zijn kennis en vaardigheden op peil houdt, dan wel uitbreidt tot het niveau dat voor een goed professioneel functioneren gewenst is en dat hij daartoe in de gelegenheid wordt gesteld binnen het raam van de mogelijkheden van de praktijk.

Bijlage 2

IT    FT 1     

1 2089

3 2195

5 2365

7 2424

9 2548

11 2677

13 2813
IT    FT 2
14 2884
14 2884
15 2955
15 2955
16 3027
16 3027 IT   
FT 3
17 3101
17 3101 17
3101
18 3177
18 3177 18
3177
19 3255
19 3255 19
3255

20 3335 20
3335

21 3416 21
3416

22 3500 22
3500

23 3586 23
3586

24
3674

25
3764
26 3856

 

Bijlage 3

PV %      
GV %      
tarief
2,30 %
3,20 %
22,48

% tarief     
1             60,9 23,20
2 62,3
3 63,7
4 65,2
5 66,7

 

Sector 35 - GGZ 1-4-2009 tm 28-2-2011

E-mailadres Afdrukken PDF

C o l l e c t i e v e A r b e i d s o v e r e e n k o m s t G G Z
2 0 0 9 - 2 0 1 1
(1 april 2009 tot 1 maart 2011)

Uitgave en copyright
De uitgave CAO GGZ 2009-2011 is een uitgave van:
GGZ Nederland
Postbus 830
3800 AV Amersfoort
Fax: 033 - 0 4608999
E-mail: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

© copyright 2009 GGZ Nederland, Amersfoort
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand of openbaar gemaakt in enige vorm
of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de
partijen bij deze CAO. Het gebruik van tekst als toelichting of ondersteuning bij artikelen, boeken en scripties is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld.

Voor het verkrijgen van toestemming kunt u zich richten tot GGZ Nederland, Postbus 830, 3800 AV Amersfoort.
Deze uitgave is met uiterste zorgvuldigheid samengesteld. Redactie noch uitgever kan echter aansprakelijkheid aanvaarden voor eventuele schade die zou kunnen
voortvloeien uit onvolledig of onjuist opgenomen informatie. Voor verbeteringen van de opgenomen gegevens houden zij zich gaarne aanbevolen.

Leeswijzer
De tekst die voor u ligt geeft alleen die afspraken weer die tussen werkgevers- en werknemerspartijen zijn gemaakt.
Waar naar artikelen uit andere hoofdstukken van de CAO wordt verwezen, gebeurt dat op de volgende wijze. De verwijzing naar bijvoorbeeld artikel 3 van de
overwerkregeling vindt als volgt plaats: “...als bedoeld in H10 (dit is hoofdstuk 10) A Overwerk (dit is de paragraaf overwerk uit dit hoofdstuk Bijzondere diensten)
artikel 3, lid 1....” Waar een hoofdstuk uit paragrafen bestaat heeft iedere paragraaf zijn eigen artikelnummering.
Lezers die nadere informatie of uitleg van CAO-teksten of over wettelijke bepalingen willen, kunnen terecht bij de CAO partijen - werknemers bij hun werknemersorganisatie
en werkgevers bij hun werkgeversorganisatie GGZ Nederland (zie voor telefoonnummers bladzijde 81 van deze CAO) - en bij de overheid, die
verantwoordelijk is voor de verstrekking van informatie over wettelijke bepalingen (0800 - 8051).

 

Inhoudsopgave

CAO preambule 5

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen, werkingssfeer en looptijd 7
A Begripsbepalingen en werkingssfeer 7
B Toepassing en ontheffing 8

Hoofdstuk 2 Arbeidsovereenkomst 10
Bijlage A: Model individuele arbeidsovereenkomst 11

Hoofdstuk 3 Verplichtingen van de werkgever 13
A Tegenover de individuele werknemer 13
B Algemene verplichtingen werkgever 13

Hoofdstuk 4 Verplichtingen van de werknemer 15

Hoofdstuk 5 Maatregelen en geschillen 16

Hoofdstuk 6 Arbeidsduur en werktijden 17
Bijlage A: Regelgeving arbeidstijdenwet (ATW) en arbeidstijdenbesluit (ATB) verpleging en verzorging 20
Bijlage B: Regelgeving arbeidstijdenwet (ATW) en arbeidstijdenbesluit (ATB) geneeskundigen 23

Hoofdstuk 7 Functiewaardering en salariëring 26
A Functiewaardering 26
B Salariëring 26
Bijlage A: FWG-reglement 29
A Procedure voor toepassing van het FWG functiewaarderingssysteem 29
B Reglement interne bezwaren commissie (IBC) 31
C Reglement landelijke bezwaren commissie (LBC) 32
D Kwaliteitseisen te stellen aan functiebeschrijvingen en de wijze van het beschrijven van functies 33
E Model functiebeschrijving 33
Bijlage B: salarisschalen per functiegroep en salarisschaal medisch specialisten 36
Bijlage C: inpassingstabel 42
Bijlage D: Functieprofielen en complementaire bijdragen 43

Hoofdstuk 8 Leerlingen en werknemers die een opleiding volgen 44
A Salariëring van werknemers die een opleiding volgen 44
B Toepassing CAO op AIOS 45
Bijlage A: Model leerovereenkomst beroepsvoorbereidende periode 47
Bijlage B: Model leer-/arbeidsovereenkomst 49
Bijlage C: Model opleidingsreglement voor inservice-opleidingen 50
Bijlage D: Opleidingsovereenkomst 51

Hoofdstuk 9 Arbeid en gezondheid 53
A Algemene maatregelen in het kader van arbeid en gezondheid 53
B Maatregelen bij ziekteverzuim 53
C Maatregelen inzake re-integratie van arbeidsongeschikte werknemers 53
D Overige rechten en verplichtingen bij arbeidsongeschiktheid 54

Hoofdstuk 10 Bijzondere diensten 56
A Overwerk 56
B Onregelmatige dienst 57
C Bereikbaarheids-, aanwezigheids- en consignatiedienst 58
D Crisisdienst 60
E Slaapdienst en begeleiding van cliënten in hun vakantie 61

Hoofdstuk 11 Kostenvergoedingen 62
A Woon- /werkverkeer en reis- en verblijfkosten 62
B Verhuiskosten 62
C Voorgeschreven kleding 63
D Studiekosten en -verlof 64
E Budget persoonlijke kosten medisch specialist 64
F Beroepskosten 64
G Ziektekosten/IZZ 64


Hoofdstuk 12 Vakantie(bijslag), LFB en verlof 65
A Vakantiebijslag 65
B Vakantie 65
C Levensfasebudget (LFB) 66
D Verlof 67

Hoofdstuk 13 Meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden 70

Hoofdstuk 14 Wachtgeld en pensioen 73
A Wachtgeld 73
B Pensioen 75
Hoofdstuk 15 Medezeggenschap 76
A Faciliteiten ondernemingsraad 76
B (Extra) bevoegdheden ondernemingsraad 76
C Mogelijkheden tot decentrale afspraken tussen ondernemingsraad en werkgever 76
D Werknemersorganisaties 77
Hoofdstuk 16 Sociaal beleid 78
A Sociaal beleid dat gericht is op de individuele werknemer 78
B Collectief sociaal beleid 80
Adressen van de partijen bij het cao-overleg 81
Trefwoordenregister 82
Colofon 86

 

CAO preambule

Collectieve Arbeidsovereenkomst Geestelijke Gezondheidszorg (van 01-04-2009 tot 01-03-2011)
Tussen de ondergetekenden,
I. de Vereniging GGZ Nederland
en
II. de volgende organisaties van werknemers:
ABVAKABO FNV
CNV Publieke Zaak
FBZ: Federatie van Beroepsorganisaties in de Zorg en daaraan gerelateerd onderwijs en onderzoek te weten:
Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband (LAD)
Nederlands Instituut van Psychologen (NIP)
Vereniging van Geestelijk Verzorgers in Zorginstellingen (VGVZ)
Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO)
Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde (NVKC)
Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF)
Nederlandse Vereniging voor Psychomotorische Therapie (NVPMT)
Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie, sectie Gezondheidszorg (NVLF)
Ergotherapie Nederland (EN)
Nederlandse Vereniging van Diëtisten (NVD)
NU ‘91, Beroepsorganisatie van de Verpleging en Verzorging
hierna te noemen partijen bij deze CAO, is een collectieve arbeidsovereenkomst, hierna te noemen CAO, aangegaan.

Partijen zijn het navolgende overeengekomen:
* per 01-10-2009 worden de schaalbedragen verhoogd met 1%. Tot 01-10-2009 gelden de schaalbedragen zoals vermeld in de CAO 2008-2009.
Per 01-08-2010 worden de schaalbedragen nogmaals verhoogd met 1%;
* In 2009 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,75% naar 5,25%.
In 2010 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5% naar 5,75%;
* in oktober 2009 wordt een eenmalige uitkering toegekend van 0,65% van twaalf maal het op 1 oktober geldende salaris, aan de werknemer
die op 01-10-2009 in dienst is van de werkgever. Voor de werknemer die in de periode vanaf 1 januari tot 01-10-2009 in deeltijd heeft
gewerkt, of een deel van die periode in dienst is geweest, en/of onbetaald verlof heeft genoten, vindt een berekening naar evenredigheid
plaats;
* per 01-08-2010 wordt de werkgeversbijdrage in de levensloopregeling met 0,5% verlaagd naar 0,5%;
* verdeling pensioenpremie: de pensioenpremieverdeling wordt met ingang van 01-08-2010 gewijzigd in de verdeling: 50% werkgever/ 50%
werknemer. (Tot 01-08-2010: 48% werkgever/52% werknemer);
* invoering levensfasebudget (LFB): partijen komen overeen om per 01-01-2010 een levensfasebudget (LFB) in tijd te realiseren voor alle
werknemers vallend onder de CAO GGZ. Dit LFB kan in twee vormen gespaard worden; via de levensloopregeling of via tijdsparen. Dit LFB
kan aangewend worden voor bestedingsdoelen in tijd. Het LFB wordt als een reëel alternatief voor het huidige systeem van leeftijdsgebonden
regelingen en rechten gezien en komt tegemoet aan het uitgangspunt van gelijke behandeling van werknemers, ongeacht hun leeftijd.
Om de administratieve lasten bij het invoeren van een LFB zo veel mogelijk te beperken, wordt een invoering en overgangsregeling in een
keer gerealiseerd op basis van een zo eenvoudig en inzichtelijk mogelijk systeem.
Met de invoering van het LFB komen de huidige leeftijdsafhankelijke verlofregelingen en de ontziebepalingen in de CAO GGZ te vervallen.
Het gaat daarbij om de jeugduren, vergrijzingsuren, 55+-uren en de ontziebepalingen voor 55-plussers voor het verrichten van overwerk,
onregelmatige, bereikbaarheids-, consignatie-, crisis-, slaap- en aanwezigheidsdiensten, behoudens bepaalde diensten in de nacht;
* via het O&O-fonds wordt een onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om de nachtdiensten zoveel mogelijk te beperken. In dit onderzoek
worden de bac-diensten in de nacht betrokken;
* HRM-convenant: in een werkgroep het HRM-convenant invulling te gegeven vóór 01-01-2010. Middels het HRM-convenant willen partijen
het verder versterken en professionaliseren van HRM-beleid op instellingsniveau stimuleren;
* reiskosten woon-werkverkeer: de eigen bijdrage voor woon-werkverkeer wordt per 01-01-2010 met € 10 per maand verlaagd;
* stagevergoeding: per 01-08-2009 wordt de stagevergoeding verhoogd naar € 300 bij een voltijd stage. Het artikel wordt verplaatst naar
Hoofdstuk 8 in een nieuw artikel 5a en daarin wordt de maatschappelijke stage uitgesloten van een vergoeding;
* verklaring omtrent gedrag (VOG): de werkgever betaalt de door de werknemer aan te vragen verklaring omtrent gedrag, indien de
werkgever deze verklaring van de werknemer verlangt;
* artsen in opleiding tot medisch specialist: afgesproken is om invulling te geven aan de salarisschaal voor AIOS (H 8 B lid 1);
* opt-out: er wordt geen gebruik gemaakt van de opt-out regeling, met uitzondering van:
- werknemers die slaapdiensten verrichten;
- tot uiterlijk 01-07-2010 kan de opt-out regeling voor A(N)IO’S in aanwezigheidsdienst gehanteerd worden.
* leerarbeids-/opleidingsovereenkomst en opvolgende contracten: een betere benutting van de mogelijkheden van de Wet Flexibiliteit en
Zekerheid en heldere spelregels over hoe flexibel om te gaan met de combinatie opleidings- en arbeidsovereenkomsten. Doel hiervan is
de kansen voor werknemers te verbeteren en werkgevers minder terughoudend te laten zijn bij het aanbieden van opleidingsovereenkomsten.
Dit is opgenomen in H 2 artikel 2 lid 3;
* FWG herbeschrijving: de procedure van herbeschrijving wordt in de CAO opgenomen;
* instellingsregeling vergoeding bereikbaarheids-, aanwezigheids- en consignatiedienst is in H 10 C Bereikbaarheidsdienst opgenomen.
* door de wetswijziging is de afspraak uit de CAO over ouderschapsverlof overbodig geworden. Hoofdstuk 13 artikel 7 sub e CAO GGZ
2008-2009 komt daarmee te vervallen;
* een aanvraag tot algemeen verbindend verklaring bij het ministerie van SZW te doen.
De indeling van de hoofdstukken in de CAO GGZ is vanaf Hoofdstuk 12 gewijzigd door invoering van het LFB. In Hoofdstuk 12 is het LFB en het
oude Hoofdstuk 13 Verlofregelingen opgenomen en de bijlage over de WAZO is komen te vervallen. Hierdoor is de nummering van de hoofdstukken
14 t/m 17 uit de CAO GGZ 2008-2009 omgenummerd naar de hoofdstukken 13 t/m 16.

 

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen, werkingssfeer en looptijd

A Begripsbepalingen en werkingssfeer

In deze CAO wordt verstaan onder:
1. De werkgever
1. De rechtspersoon die – al dan niet samen met een of meer
andere rechtspersonen – een of meer organisaties in stand
houdt met als doel het bieden van zorg, begeleiding en
dienstverlening op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg
en/of de verslavingszorg dan wel het ontwikkelen van
kennis en/of methodieken op dit gebied.
2. De Regionale Instellingen voor Nascholing en Opleiding.
3. De rechtspersoon die – al dan niet gezamenlijk met een
werkgever vallend onder een andere CAO op het gebied van de
zorg en/of welzijn – is opgericht door een of meer rechtspersonen
als bedoeld onder 1 en uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
diensten verleent aan deze rechtsperso(o)n(en), welke diensten
bestaan uit werkzaamheden die gebruikelijk in de desbetreffende
instellingen worden of werden verricht.
4. De rechtspersoon die is opgericht door een of meer van de
rechtspersonen als bedoeld onder 1 dan wel de rechtspersoon
waarin een of meer rechtspersonen als bedoeld onder 1 een
meerderheidsbelang of een overwegende mate van zeggenschap
heeft (hebben) en die onder meer activiteiten verricht op
het gebied van de geestelijke gezondheidszorg en/of de
verslavingszorg.

2. De werknemer
De persoon die een arbeidsovereenkomst is aangegaan met een
onder 1 genoemde werkgever, tenzij betrokkene:
1. de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;
2. overheidswerknemer is in de zin van de Wet Privatisering ABP;
3. directeur is, waarbij onder directeur wordt verstaan: degene
die als zodanig voltijd belast is met de beleidsvoorbereiding en
het totale beheer van de instelling en daarvoor rechtstreeks
verantwoording verschuldigd is aan het bestuur. De werkgever,
genoemd onder 1, bepaalt wie volgens deze begripsbepaling
directeur van de instelling is;
4. incidenteel gedurende de schoolvakanties werkzaam is voor
een periode van maximaal zes weken achtereen;
5. incidenteel op afroep werkzaamheden verricht;
6. uurdocent is;
7. in de instelling werkzaam is uitsluitend ter vervulling van een
stage;
8. is aangesteld voor het op projectbasis verrichten van tijdelijke,
niet reguliere activiteiten.

3. Relatiepartner
1. De geregistreerde partner
of
2. degene met wie de werknemer ongehuwd samenleeft. Van
ongehuwd samenleven is sprake als 2 ongehuwde personen
een gezamenlijke huishouding voeren, met uitzondering van
bloedverwanten in de eerste graad.

4. Salaris
Het voor de werknemer geldende bedrag uit zijn salarisschaal
(exclusief toeslagen) voor zover in de bepalingen van de CAO niet
uitdrukkelijk anders is vermeld.

5. Uurloon
Onder uurloon wordt verstaan 1/156e deel van het salaris dat
gebaseerd is op een volledige, 36-urige werkweek.

6. CAO-bedragen
De in de CAO vermelde bedragen zijn bruto bedragen tenzij
uitdrukkelijk anders vermeld.

7. Zakgeld
De tegemoetkoming per maand die de werkgever maandelijks
toekent aan de leerling, als bijdrage in de kosten tijdens de landelijk
gestructureerde beroepsvoorbereidende periode, behorend bij de
bbl-opleiding tot verpleegkundige niveau 4, en de bbl-opleiding tot
verzorgende (IG) niveau 3.

8. Leerling
De persoon die op basis van een leerovereenkomst c.q. leer-/
arbeidsovereenkomst deelneemt aan een beroepsvoorbereidende
periode (10) c.q. een beroepsbegeleidende leerweg (12) of een duale
hbo-opleiding (13).

9. Opleiding
Het geheel van activiteiten gericht op het verwerven van cognitieve,
agogische en instrumentele vaardigheden en de beroepshouding
nodig voor het verkrijgen van een diploma of certificaat.

10. Beroepsvoorbereidende periode (BVP)
De als zodanig in de BBL-opleiding tot verpleegkundige op niveau 4
en de BBL-opleiding tot verzorgende (IG) niveau 3 aangeduide
periode, waarin geen arbeid wordt verricht. Gedurende die periode
wordt met de leerling een leerovereenkomst aangegaan.

11. Inservice-opleiding
Een vorm van onderwijs waarbij de leerling tevens werknemer is en
de eindverantwoordelijkheid voor de opleiding berust bij de
werkgever.

12. Beroepsbegeleidende leerweg (BBL)
Een vorm van onderwijs waarbij de leerling, na een beroepsvoorbereidende
periode in het middelbaar beroepsonderwijs, tevens
werknemer is en de eindverantwoordelijkheid voor de opleiding
berust bij een onderwijsinstelling.

13. Duale HBO-opleiding
Een vorm van onderwijs waarbij de leerling na een propedeuse in
het hoger beroepsonderwijs, tevens werknemer is en de eindverantwoordelijkheid
berust bij een onderwijsinstelling.

14. Praktijkleerjaar
Een periode van twaalf maanden, gerekend vanaf het ingaan van de
leer-/arbeidsovereenkomst na afsluiting van de voorbereidende of
voltijdse periode van een duale opleiding. Het praktijkleerjaar valt
dus niet samen met het OC&W-schooljaar.

15. Stage
Periode waarin een leerling op basis van een schriftelijke (stage)
overeenkomst onder begeleiding leerdoelen in een instelling moet
realiseren in het kader van zijn opleiding.

16. Stagiair
De leerling die volgens het curriculum verplicht is om onder
begeleiding in de praktijk leerdoelen in een instelling te realiseren.

17. Medisch specialist
De specialist die als medisch specialist ingeschreven staat in het
register van de MSRC van het KNMG, waaronder: psychiater,
kinderarts, klinisch geriater, internist en neuroloog.

18. Feestdagen
Nieuwjaarsdag, Paaszondag en -maandag, Koninginnedag, 5 mei,
Hemelvaartsdag, Pinksterzondag en -maandag, eerste en tweede
Kerstdag, de als zodanig door de overheid erkende nationale
feest- en gedenkdagen en de bijzondere feest- en gedenkdagen die
de werkgever in overleg met de ondernemingsraad heeft vastgesteld.
Desgewenst kan de werknemer feest- en gedenkdagen
inwisselen voor de voor zijn levensovertuiging geldende feesten
gedenkdagen.

19. Instelling
De onder 1, 1 tot en met 4 genoemde instellingen.

20. GGZ Nederland
De Vereniging GGZ Nederland.

B Toepassing en ontheffing

1. Deze CAO is van toepassing op werkgever en
werknemer als hierboven omschreven
1. Samenloop CAO’s
Beheert de werkgever tevens een andere voorziening die onder een
andere CAO valt? Dan is de CAO GGZ uitsluitend van toepassing op
de werknemers die in die andere voorziening werken als daartoe
ontheffing en toestemming is verleend als hierna aangegeven.
2. Ontheffingsverzoek
Partijen bij deze CAO kunnen op verzoek van de werkgever die onder
de werkingssfeer van meer CAO’s valt, besluiten de bepalingen van
de CAO GGZ niet van toepassing te verklaren. Deze ontheffing kan
uitsluitend worden verleend als de werknemers voor wie ontheffing
wordt gevraagd met instemming van partijen bij die andere CAO
onder de werkingssfeer van die CAO worden gebracht.
3. Toepassingsverzoek
De werkgever die voor alle of een deel van zijn werknemers niet
onder de werkingssfeer van de CAO GGZ valt, kan aan CAO-partijen
instemming vragen om deze CAO toe te passen op zijn werknemers
die voor dit verzoek niet onder de CAO GGZ vielen.
4. Strijdigheid werkingssferen
Als de werkingssfeer van deze CAO strijdig is met een andere CAO of
bindende regeling van arbeidsvoorwaarden, kunnen partijen bij deze
CAO in overleg met partijen bij die andere CAO of die andere
bindende regeling een oplossing zoeken.
5. Sociaal Overleg GGZ
Worden in de CAO-bepalingen aan GGZ Nederland tegenover
werknemerspartijen, ieder voor zich of gezamenlijk, of aan de
werknemerspartijen, ieder voor zich of gezamenlijk, tegenover
GGZ Nederland rechten toegekend? Dan zijn daarbij van toepassing
de afspraken in de overeenkomst tussen partijen inzake karakter
van, deelname aan en procedures ten aanzien van het Sociaal
Overleg GGZ.
6. Afwijkingsmogelijkheden
Voor zover daarin niet anders is bepaald, is het de werkgever niet
toegestaan om af te wijken van de bepalingen van deze CAO of
arbeidsvoorwaarden met de werknemer overeen te komen die in
deze CAO niet geregeld zijn, met uitzondering van:
* een kredietverstrekkingsregeling;
* een regeling op het gebied van collectieve verzekering (voor
zover niet bij wet of CAO geregeld);
* een regeling met betrekking tot een sociaal/bedrijfsfonds;
* een meerij-regeling.

2. Over de nadere toepassing van de CAO
1. Nadere uitvoeringsregeling
Als één van de CAO-partijen vindt dat toepassing van de CAObepalingen
binnen een instelling of categorieën van instellingen
of ten aanzien van een bepaalde categorie werknemers in die
instelling(en) leidt tot onbedoelde effecten, kunnen partijen nadere
uitvoeringsregelingen
vaststellen die van toepassing zijn op de
instellingen of op categorieën werknemers.
2. Nadere toepassingsregeling
In sommige instellingen voor de behandeling, verzorging en/of
opvoeding van jeugdigen, zijn de jongeren gedurende weekends en
gebruikelijke schoolvakanties afwezig. Daardoor moeten de werk-
nemers feitelijk langere perioden afwezig zijn. Voor die werknemers
geldt de nadere door partijen bij deze CAO vastgestelde toepassingsregeling;
zij ontvangen de specifieke instellingsregeling (die ge-
baseerd
is op die nadere toepassingsregeling) tegelijk met de CAO.

3. Interpretatie van de CAO
De CAO-partijen mogen zich tot het Sociaal Overleg GGZ wenden
voor uitleg van een of meer CAO-bepalingen. Partijen stellen in dit
overleg in gezamenlijkheid de uitleg vast en doen dat tegen de
achtergrond van de door hen gevoerde onderhandelingen en de
daarbij gebleken bedoelingen.

4. Overgangsbepalingen
De overgangsbepalingen van artikel 51 en 52 van de CAO GGZ
1999/2001 én de overgangsbepalingen voor werknemers van
instellingen voor verslavingszorg blijven (overeenkomstig die
bepalingen) voor hen van kracht zolang zij bij de werkgever in
dienst zijn, voor zover zij niet door CAO-partijen worden gewijzigd.

5. Duur, wijziging en opzegging van de CAO
1. Deze CAO treedt in werking per 01-04-2009. Bepalingen waarbij
een ander tijdstip is vermeld, treden uiteraard op het
desbetreffende tijdstip in werking.
2. Deze CAO eindigt op 28-02-2011. Tot het onder 1, tweede volzin
bedoelde tijdstip gelden desbetreffende bepalingen van de
vorige CAO, die op 31-03-2009 gold.
3. Met instemming van partijen kan deze CAO tussentijds worden
gewijzigd als zich in Nederland wijzigingen met betrekking tot
het loonniveau voordoen of als de CAO-partijen vinden dat zich
daartoe zwaarwegende omstandigheden voordoen.
4. Als geen der partijen uiterlijk een maand van de datum waarop
deze CAO eindigt, bij aangetekend schrijven aan de andere
partij de CAO opzegt, wordt de duur van de CAO geacht
stilzwijgend telkens voor een jaar te zijn verlengd.

 

Hoofdstuk 2 Arbeidsovereenkomst

Artikel 1 Aangaan van de arbeidsovereenkomst
De arbeidsovereenkomst wordt conform de in de CAO opgenomen
modelovereenkomsten schriftelijk aangegaan en gewijzigd en wordt
in tweevoud opgemaakt; de werkgever zorgt dat de werknemer een
door beide partijen ondertekend exemplaar ontvangt van deze
overeenkomst of de wijziging daarvan. Voordat de werknemer de
arbeidsovereenkomst ondertekent, ontvangt hij tijdig en uiterlijk
een week voor indiensttreding een door de werkgever ondertekend
exemplaar, samen met een digitaal exemplaar van de CAO. De
werknemer ontvangt de gewijzigde CAO ook digitaal. De werknemer
zal op verzoek een papieren exemplaar van de CAO ontvangen.

Artikel 2 Duur van de arbeidsovereenkomst
1. De arbeidsovereenkomst wordt in de regel aangegaan voor
onbepaalde tijd. Bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde
tijd dient de reden of de tijdsduur te worden opgenomen in de
arbeidsovereenkomst.
2. Op een reeks arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd is
artikel 7:668a BW van toepassing.
3. Anders dan bepaald in artikel 7:668a BW mag de werkgever in
de navolgende (limitatief genoemde) drie gevallen afwijken
van het bepaalde in artikel 668a lid 3 BW, dan wel -als de
eerste arbeidsovereenkomst korter heeft geduurd dan 36
maanden- van het bepaalde in artikel 668a lid 1 onder a BW:
* als een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan
met betrekking tot het verrichten van onderzoek eindigt,
kan een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd,
met betrekking tot het verrichten van onderzoek, met een
maximumduur van twee jaar, worden aangegaan;
* als een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in het kader
van een opleiding eindigt, kan een arbeidsovereenkomst
voor bepaalde tijd aangegaan worden voor de duur van
maximaal twee jaar;
* als een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt, kan
een arbeidsovereenkomst in het kader van een opleiding
voor bepaalde tijd aangegaan worden voor de duur van
maximaal twee jaar of zoveel langer als de standaard
opleidingsduur vereist.

Artikel 3 Geneeskundig en psychologisch onderzoek
1. Een keuring in verband met het aangaan of wijzigen van een
arbeidsovereenkomst als bedoeld in de Wet op de medische
keuringen vindt alleen plaats als aan de vervulling van de
functie waarop die arbeidsovereenkomst betrekking heeft,
bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid
moeten worden gesteld. Onder medische geschiktheid
voor de functie worden begrepen: de bescherming van de
gezondheid en veiligheid van de aspirant-werknemer en van
derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid.
2. De werkgever wijst de geneeskundige aan die de keuring
verricht; hij mag geen familie zijn van de aspirant-werknemer.
3. De werkgever vergoedt de kosten die verbonden zijn aan de
keuring, inclusief reis- en verblijfkosten van de aspirantwerknemer.
Deze worden vergoed conform de geldende reisen
verblijfkostenregeling.
4. Wanneer aan de aanstelling een psychologisch onderzoek
voorafgaat, geschiedt dit door een psycholoog van wie
vaststaat dat hij zich gebonden acht aan de regels van de code
vervat in de beroepsethiek voor Psychologen geformuleerd
door het Nederlands Instituut van Psychologen. Het bepaalde
in de leden 2 en 3 is van overeenkomstige toepassing met dien
verstande dat de arbeids- of organisatiepsycholoog die
uitsluitend binnen een personeels- c.q. organisatie-afdeling is
aangesteld, mede voor het verrichten van selectiewerkzaamheden,
het psychologisch onderzoek mag uitvoeren.

Artikel 4 Einde van de arbeidsovereenkomst bij ouderdoms-pensioen
en OBU
1. Wanneer de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd heeft
bereikt, eindigt de arbeidsovereenkomst met ingang van de
eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin de
werknemer 65 jaar wordt.
2. De arbeidsovereenkomst eindigt ook bij gebruikmaking van de
overbruggingsuitkering (OBU) volgens de pensioenregeling van
het Pensioenfonds Zorg en Welzijn. Overweegt de werknemer
van de overbruggingsregeling gebruik te maken, dan neemt hij
tijdig contact op met de werkgever om te overleggen over de
mogelijke voortzetting van de arbeidsovereenkomst.

Artikel 5 Opzegging
1. Opzegging van de arbeidsovereenkomst geschiedt steeds tegen
het einde van de maand.
2. De wettelijke opzegtermijn voor de werknemer kan worden
verlengd, mits de termijn van opzegging niet langer is dan drie
maanden. In afwijking van artikel 7:672 lid 6 BW kan de
werkgeverstermijn gelijk worden gesteld aan de werknemerstermijn
bij verlenging van de werknemerstermijn tot en met
drie maanden.

Artikel 6 Beëindiging na bevalling en herintreding
1. Als de werknemer in verband met haar bevalling de arbeidsovereenkomst
wil beëindigen, gebeurt dat schriftelijk en
uiterlijk tien kalenderdagen na de bevalling. Het ontslag gaat
in dit geval in op de eerste dag van de volgende kalendermaand.
2. De werknemer die in verband met een bevalling of in verband
met de verzorging van zijn/haar kind(eren) de arbeidsovereenkomst
heeft opgezegd, heeft tot maximaal twee jaar na zijn/
haar ontslag recht op een voorkeursbehandeling in een
sollicitatieprocedure bij de instelling waar dit ontslag heeft
plaatsgevonden.

Bijlage A: Model Individuele Arbeidsovereenkomst
Ondergetekenden,
De Stichting/Vereniging, (1)
gevestigd te
verder te noemen werkgever, ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd
door (2)
en
wonende te
(adres)
geboren
te
nationaliteit
verder te noemen werknemer verklaren hierbij een arbeidsovereenkomst
te hebben aangegaan onder de navolgende voorwaarden:

Artikel 1 Dienstverband
De werknemer treedt met ingang van in dienst
van de werkgever in de functie van ,
waarvoor de volgende hoofdlijnen als omschrijving gelden:
(3)
Aanduiding van de plaats van de functie in de organisatiestructuur
(kan achterwege blijven als dit in een introductieprogramma
gebeurt).

Artikel 2 Aard van de arbeidsovereenkomst
De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd (4)
voor bepaalde tijd tot of
op grond van

Artikel 3 Proeftijd
De eerste maand/eerste twee maand(en) na indiensttreding zal/
zullen gelden als de wettelijke proeftijd als bedoeld in artikel 7:652
van het Burgerlijk Wetboek (5)

Artikel 4 Arbeidsduur
De arbeidsduur is die behorend bij een volledige werkweek als
bedoeld in H6 Arbeidsduur en werktijden, artikel 1, lid 1.
of
De arbeidsduur bedraagt uren gemiddeld per week, te meten
per kwartaal/jaar (in geval van een niet volledige werkweek).

Artikel 5 Salaris
Het salaris bij indiensttreding bedraagt op het niveau van (6)
bruto per maand volgens de aanloop/
functionele* salarisschaal, behorende bij FWG functiegroep
Dit salaris zal overeenkomstig H7 Salariëring artikel 6 van de CAO
worden gewijzigd. De eerste periodieke verhoging kan mede
afhankelijk van een beoordeling plaatsvinden op
* doorhalen wat niet van toepassing is.

Artikel 6 Vakantie-uren
Het aantal vakantie-uren waarop de werknemer recht heeft, is
(7) en bedraagt voor het lopende kalenderjaar (8)

Artikel 7 Pensioen
De werkgever draagt zorg voor aanmelding bij het Pensioenfonds
Zorg en Welzijn. (9)

Artikel 8 Deelname ziektekostenregeling
De werknemer neemt wel/niet deel aan de collectieve ziektekostenregeling
als bedoeld in H11 G Ziektekosten/IZZ, artikel 1 van de CAO.

Artikel 9 Opzegging/tussentijdse opzegging
De opzegtermijn bedraagt voor de werkgever maand(en) en
voor de werknemer maand(en). (10)

Artikel 10 Standplaats(en) (ex art. 7:655 BW)
De werknemer verricht zijn werkzaamheden vanuit

Artikel 11 Woongebied
De werknemer zal wel/niet verhuizen naar het voor de instelling
geldende woongebied. (11)
of
De werknemer is verplicht te verhuizen naar het woongebied.
of
De werknemer is verplicht te verhuizen naar het woongebied en
wel naar een zodanige plaats als voor vervulling van de functie
vereist is.

Artikel 12 Professionele aangelegenheden
Op deze overeenkomst is van toepassing de regeling van professionele
aangelegenheden als vervat in de bijlagen. (12)

Artikel 13 CAO
De collectieve arbeidsovereenkomst, zoals deze luidt of zal komen te
luiden en de krachtens die CAO vastgestelde arbeidsvoorwaarden,
vormen met deze arbeidsovereenkomst één geheel.

Artikel 14 Uitgereikte documenten
De werknemer verklaart van de werkgever te hebben ontvangen:
1. een digitale versie van de in artikel 13 bedoelde collectieve
arbeidsovereenkomst;
2. een exemplaar van het Reglement Ziektekostenregeling als
bedoeld in H11 G Ziektekosten/IZZ;
3. de brochure over het PFZW.

Artikel 15 Overige
Regeling van aangelegenheden, waarvoor de collectieve arbeidsovereenkomst
geen bepalingen geeft en die werkgever en werknemer
toch wensen te regelen. (13)

Artikel 16 Scheidsgerecht Gezondheidszorg
DIT ARTIKEL GEBRUIKEN ALS WERKGEVER EN WERKNEMER OVEREENGEKOMEN
ZIJN OM HET SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG
BEVOEGD TE VERKLAREN. (14)
Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt en ondertekend
te de 20
(werkgever) (werknemer)
(wettelijk vertegenwoordiger)
Toelichting op de cijfers
(1.) Naam van de rechtspersoon, zoals deze luidt volgens de
statuten.
(2.) Naam en functie van de betrokkene(n).
(3.) Invullen de voornaamste werkzaamheden, aan het uitoefenen
van de functie verbonden.
(4.) Invullen naar gelang er sprake is van een arbeidsovereenkomst
voor onbepaalde tijd dan wel voor bepaalde tijd.
(5.) De aandacht wordt er op gevestigd, dat de hier bedoelde
proeftijd facultatief is. Indien deze wordt overeengekomen
mag de duur niet langer zijn dan maximaal een of twee
maanden conform het bepaalde in artikel 7:652 BW.
(6.) Invullen de datum van de laatste salarismutatie.
(7.) Invullen het aantal vakantie-uren waarop de werknemer per
kalenderjaar recht heeft.
(8.) Bij indiensttreding in de loop van het kalenderjaar vermelden
op hoeveel uren de werknemer nog aanspraak kan maken.
(9.) Deze aanmelding vindt uiteraard eerst dan plaats wanneer de
werknemer daarvoor in de termen valt.
(10.) Alleen als het afwijkt van het wettelijke aantal
(zie ook H2 Arbeidsovereenkomst, artikel 6 van de CAO).
(11.) Zie H11 B Verhuiskosten, artikel 2 van de CAO.
(12.) In de bijlagen kunnen alle kwesties worden geregeld die de
beroepsorganisaties noodzakelijk achten voor de uniforme
regeling van het professioneel functioneren van een bepaalde
beroepsgroep of ook de relatie tussen bepaalde beroepsgroepen.
Hierbij moet de procedure volgens H4 Verplichtingen van
de werknemer artikel 1, lid 1 van de CAO worden gevolgd.
Zolang de bekrachtiging als daar bedoeld nog niet heeft
plaatsgevonden, kunnen bestaande regelingen worden
opgenomen in artikel 15 van de arbeidsovereenkomst.
(13.) Bedoeld is dat eventueel in de instelling van toepassing zijnde
regelingen of tussen werkgever en werknemer getroffen
regelingen op deze plaats kunnen worden opgenomen. Ook
kunnen hier, bij deeltijdwerkers, de tussen werkgever en
werknemer gemaakte afspraken over de mate van flexibiliteit
van de werktijden worden vermeld.
(14.) Volgens het Reglement van het Scheidsgerecht is de kring van
diegenen wier geschillen door dit Scheidsgerecht beslecht
kunnen worden, beperkt.

 

Hoofdstuk 3 Verplichtingen van de werkgever

A Tegenover de individuele werknemer
Artikel 1 Aansprakelijkheid van de werknemer voor schade
De werkgever verplicht zich een verzekeringsovereenkomst te sluiten
die de persoonlijke burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de
werknemer dekt wegens dood, lichamelijk letsel en/of zaakschade
aan derden toegebracht in de uitoefening van zijn functie. Onder de
verzekering valt tevens schade toegebracht aan derden door degene
die door de werknemer in opdracht van de werkgever in de
werksituatie wordt begeleid. De werkgever vrijwaart de werknemer
voor aansprakelijkheid ter zake en ziet af van de eventuele
mogelijkheid van regres op de werknemer. Dat geldt niet als de
schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de
werknemer.

Artikel 2 Rechtsbijstand
1. De werkgever voorziet in adequate rechtsbijstand als de
werknemer wordt betrokken in een in- of externe klachtenprocedure,
inclusief tuchtrechtprocedures, tenzij sprake is van
nalatigheid of bewuste roekeloosheid.
2. Indien de nalatigheid of bewuste roekeloosheid niet vaststaat,
voorziet de werkgever in adequate rechtsbijstand. Blijkt na de
(klachten-/tuchtrecht-)procedure dat er sprake is geweest van
nalatigheid of bewuste roekeloosheid, dan kan de werkgever
besluiten de kosten van de verleende rechtsbijstand
alsnog te
verhalen op de werknemer.
3. Dit artikel heeft geen betrekking op strafrechtelijke procedures.

Artikel 3 Vergoeding materiële schade
1. Materiële schade die een cliënt aan de werknemer heeft
toegebracht en die redelijkerwijs niet voorkomen kon worden,
wordt door de werkgever onverminderd zijn wettelijke
aansprakelijkheid vergoed op voet van het onderstaande.
2. Onder materiële schade wordt hier uitsluitend verstaan:
a. schade aan goederen van de werknemer;
b. schade t.g.v. verwonding, voor zover het gaat om herstelkosten
en kosten wegens blijvende invaliditeit, een en
ander voor ten hoogste 24 maanden te rekenen vanaf de
dag waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvond;
c. de onder a en b genoemde schaden worden tezamen
vergoed vergoed tot een maximum van € 5591. (per
01-01-2009). Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast met de
consumentenprijsindex.
3. Om voor vergoeding in aanmerking te komen, dient de
werknemer aan te tonen dat:
a. een cliënt de schade heeft toegebracht;
b. hij op geen andere wijze schadeloos gesteld kan worden;
c. de schade is toegebracht in de uitoefening van zijn functie;
d. hij zich overigens naar het oordeel van de werkgever
genoegzaam heeft verzekerd voor risico’s waarvan dat
gebruikelijk is.
4. Door de werknemer op grond van dit artikel schadeloos te
stellen, treedt de werkgever tot een maximum van € 5591
(01-01-2009) in de rechten van de werknemer die deze mocht
hebben tegenover degene die schade heeft veroorzaakt.

Artikel 4 Belangenbehartiging van werknemer
De werkgever stelt de vertegenwoordiger(s) van de werknemer
op een daartoe strekkend verzoek van de werknemer of zijn
vertegenwoordiger(s), op korte termijn in de gelegenheid mondeling
of schriftelijk de belangen van de werknemer bij de werkgever te
bepleiten. De werknemer heeft te allen tijde het recht hierbij
aanwezig te zijn.

B Algemene verplichtingen werkgever
Artikel 1 Algemeen
De werkgever is verplicht het beleid 1. bekend te maken ten
aanzien van zorg-ethische kwesties, voor zover dit voor de
functievervulling van de werknemer(s) noodzakelijk is.
2. De werkgever verschaft de werknemer, na overleg met
betrokkene c.q. groep of afdeling en binnen het raam van de
mogelijkheden van de instelling, de benodigde personele,
instrumentele en ruimtelijke voorzieningen en voorziet in
toegang tot de noodzakelijke vakliteratuur.
3. De werkgever zal een actief diversiteitsbeleid voeren ten
aanzien van een evenwichtige verdeling van alle functies over
mannen, vrouwen, allochtonen en autochtonen. Daartoe wordt
een beleidsplan opgesteld waarin onder meer aandacht wordt
besteed aan:
* functies waarin sprake is van ondervertegenwoordiging;
* afspraken met betrekking tot het opheffen van ondervertegenwoordiging;
* werving;
* loopbaanbegeleiding en scholing.
4. Voor de werknemer van 45 jaar en ouder die in wisselende
diensten werkt en aangeeft die diensten niet langer te kunnen
vervullen, zoekt de werkgever in overleg met de werknemer
naar een passende oplossing. (vervalt per 01-01-2010)
5. De werkgever zorgt voor een adequate opvang van medewerkers
die in het kader van de uitoefening van hun functie een
traumatische ervaring hebben gehad. De werkgever ontwerpt
daarvoor een regeling, in overleg met de ondernemingsraad.
6. Indien de werkgever van de werknemer een Verklaring omtrent
verdrag (VOG) verlangt, dan betaalt de werkgever deze
verklaring.

Artikel 2 Ter beschikking gestelde woonruimte
Wanneer de werkgever woonruimte ter beschikking stelt en hij
huisregels wenselijk acht, worden die in overleg met de ondernemingsraad
vastgesteld.

Artikel 3 Afroepmedewerkers
Voor het inschakelen van personen die incidenteel op afroep
werkzaamheden verrichten in de instelling gelden de volgende
bepalingen:
a. de totale werktijd van personen die incidenteel op afroep
werkzaamheden verrichten, mag per jaar maximaal 4%
bedragen van het totaal aantal arbeidsuren dat volgens de
formatie in de instelling beschikbaar is;
b. een persoon die incidenteel op afroep werkzaamheden
verricht, mag wekelijks gemiddeld maximaal 16 uren, gemeten
op kwartaalbasis, worden ingezet;
c. bij overschrijding van het onder b genoemde aantal uren van
16 gemiddeld per week, gemeten op kwartaalbasis, wordt op
zijn verzoek aan de hiervoor genoemde persoon een arbeidsovereenkomst
volgens de CAO aangeboden. Dit verzoek kan tot
uiterlijk twee maanden na de overschrijding schriftelijk worden
ingediend bij de werkgever. De arbeidsovereenkomst wordt
voor bepaalde dan wel onbepaalde tijd aangegaan; de
arbeidsduur wordt na overleg vastgesteld.

Artikel 4 Uitzendkrachten
De werkgever komt met de uitlener overeen dat de uitlener
uitzendkrachten die bij de instelling werkzaam zijn dezelfde
arbeidsduur, lonen en overige vergoedingen toekent als aan
werknemers die vallen onder deze CAO.

 

Artikel 1 Algemeen
1. De werknemer is verplicht de overeengekomen werkzaamheden
naar beste vermogen te verrichten en zich te gedragen
naar de aanwijzingen van zijn werkgever. Dit met inachtneming
van een professioneel statuut/beroepscode, per beroepsgroep
geformuleerd en in deze CAO bekrachtigd. De werknemer heeft
het recht op grond van ernstige gewetensbezwaren het
uitvoeren van bepaalde opdrachten te weigeren. De directie
zorgt ervoor dat binnen de afdeling van betrokken werknemers
zodanige maatregelen worden getroffen dat dit recht
effectueerbaar is en dat alle betrokkenen binnen de afdeling
juist geïnformeerd zijn.
2. Binnen redelijke grenzen en voor zover dat direct of indirect
voortvloeit uit het belang van het werk of de instelling of als
zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat
voorafgaand overleg niet mogelijk is, is de werknemer verplicht
in te stemmen met:
a. wijziging voor korte tijd en ten hoogste een maand van de
aan zijn functie verbonden werkzaamheden;
b. wijziging voor korte tijd en ten hoogste een maand in de
regeling van zijn arbeidstijd;
c. deelneming aan vormen van aanvullende opleiding en
bijscholing voor zover vereist voor het vervullen van de
overeengekomen functie.
3. In geval van het in lid 2, sub c gestelde is altijd voorafgaand
overleg met de werknemer nodig.

Artikel 2 Aanwijzen woongebied
Als de werkgever dat in verband met het belang van de instelling
noodzakelijk acht, kan hij bij wijziging van de functie van de
werknemer of van de omstandigheden waarbinnen de functie wordt
uitgeoefend een woongebied aanwijzen waar de werknemer zich
dient te vestigen.

Artikel 3 Geheimhoudingsplicht
1. De werknemer is verplicht tot geheimhouding van gegevens
die hem uit hoofde van zijn functie ter kennis komen, voor
zover die verplichting volgt uit de aard der zaak of hem
uitdrukkelijk is opgelegd. Deze verplichting geldt ook na
beëindiging van het dienstverband.
2. De in lid 1 bedoelde verplichting bestaat niet tegenover
werknemers die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering
van de behandelingsovereenkomst (WGBO), het behandelingsplan
(BOPZ) of het onderzoeksprotocol (WMO) en degene die
optreedt als vervanger van de hulpverlener, voor zover de
verstrekking noodzakelijk is voor de door hen in dat kader te
verrichten werkzaamheden.
3. De werkgever is verplicht tot geheimhouding van wat hem over
de persoon van de werknemer uit hoofde van diens functie
bekend is, tenzij de werknemer toestemming geeft voor het
verstrekken van gegevens die betrekking hebben op zijn
persoon.

Artikel 4 Verhindering
Als de werknemer verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, is
hij verplicht daarvan onder opgave van redenen zo spoedig mogelijk
mededeling te doen of te laten doen aan de werkgever.

Artikel 5 Nevenfuncties
De werknemer mag geen (on)betaalde nevenfuncties vervullen of
(on)betaalde nevenwerkzaamheden verrichten die redelijkerwijs niet
verenigd kunnen worden met zijn functie of met de belangen of het
aanzien van de instelling.

Artikel 6 Geschenken, beloningen, erfenissen
1. Het is de werknemer verboden:
a. direct of indirect deel te nemen aan voor de werkgever uit
te voeren aannemingen en leveringen;
b. direct of indirect geschenken, beloningen of provisie aan te
nemen of te vorderen van:
* instanties of personen die werken voor de werkgever;
* leveranciers van de werkgever;
* instanties of personen met wie hij uit hoofde van zijn
functie in aanraking komt.
2. De werknemer zal zonder toestemming van de werkgever geen
erfenis of legaat aanvaarden van een persoon die voor of ten
tijde van overlijden cliënt was van de instelling en geen
bloed- of aanverwant tot en met de vierde graad, echtgenoot of
relatiepartner van de werknemer is.

Artikel 7 Beheren goederen
1. De werknemer is verplicht tot een zorgvuldig beheer van de
goederen die de werkgever aan hem heeft toevertrouwd.
2. De werknemer kan slechts worden verplicht tot gehele of
gedeeltelijke vergoeding van door de werkgever geleden
schade, voor zover deze is ontstaan door opzet of bewuste
roekeloosheid.

Artikel 8 Medisch onderzoek
De werknemer is verplicht zich te onderwerpen aan een medisch
onderzoek dat de werkgever met redenen omkleedt en noodzakelijk
acht, zolang het gaat om een onderzoek met een preventieve
werking ten opzichte van de gezondheidssituatie in de instelling.

 

Hoofdstuk 5 Maatregelen en geschillen

Artikel 1 Op non-actiefstelling
1. De werkgever kan de werknemer voor een periode van ten
hoogste drie weken op non-actief stellen, als de werkgever
vindt dat de voortgang van de werkzaamheden - door welke
oorzaak dan ook - ernstig wordt belemmerd. De werkgever kan
de werknemer na ingang van een rechtsgeldige opzegtermijn
voor de verdere duur van deze opzegtermijn op non-actief
stellen als zwaarwegende belangen dat naar het oordeel van
de werkgever noodzakelijk maken.
2. De werkgever kan de in lid 1 genoemde periode met maximaal
drie weken verlengen. Met toestemming van de werknemer of
diens vertegenwoordiger kan nogmaals een verlenging van
maximaal drie weken worden overeengekomen.
3. De werkgever maakt het besluit tot op non-actiefstelling en het
besluit tot verlenging ervan zo spoedig mogelijk schriftelijk
kenbaar aan de werknemer, onder vermelding van de redenen
waarom deze maatregel is vereist.
4. Op non-actiefstelling geschiedt steeds met behoud van alle
overige rechten die voortvloeien uit de arbeidsovereen-
komst/CAO.
5. De werkgever moet gedurende de periode van op non-actiefstelling
bevorderen dat de werknemer zijn werkzaamheden
kan hervatten.
6. Na het verstrijken van de periode van op non-actiefstelling is
de werknemer gerechtigd zijn werkzaamheden te hervatten.
7. De op non-actiefstelling kan niet bij wijze van strafmaatregel
worden gebruikt.

Artikel 2 Schorsing
1. De werkgever kan de werknemer voor ten hoogste een week
met behoud van salaris schorsen om zodanig ernstige redenen
dat de werkgever voortzetting van de werkzaamheden niet
langer verantwoord vindt. De schorsing wordt onverwijld,
gemotiveerd en bij aangetekend schrijven aan de werknemer
ter kennis gebracht of bevestigd.
2. De werknemer wordt binnen vier dagen na dagtekening van
het aangetekend schrijven (zater-, zon- en feestdagen niet
meegerekend) in de gelegenheid gesteld zich tegenover de
werkgever te verantwoorden. Hij kan zich daarbij door een
raadsman laten bijstaan.
3. De werkgever kan de schorsing éénmaal met ten hoogste een
week verlengen. De werkgever kan de schorsing niet gelijktijdig
met het uitspreken van de eerste schorsing verlengen.
4. Als de werkgever inmiddels een ontslagprocedure bij het
Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) in gang heeft gezet of
een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij de
rechter of het Scheidsgerecht heeft ingediend, kan de
schorsing worden verlengd tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst
eindigt.
5. Bij verlenging van de schorsing behoudt de werknemer zijn
salaris.
6. De werkgever is bevoegd de werknemer gedurende de periode
van schorsing de toegang tot de gebouwen en terreinen van de
instelling te ontzeggen, behalve tot de eventuele leefruimte
van de werknemer.
7. Mocht blijken dat de werknemer kennelijk ten onrechte door
de werkgever werd geschorst, dan zal de werkgever hem op
verzoek van de werknemer openlijk rehabiliteren en hem de
aantoonbare schade vergoeden.

Artikel 3 Geschillen
1. Er is sprake van een geschil als werkgever of werknemer
schriftelijk en gemotiveerd aan de ander te kennen geeft dat
een - duidelijk omschreven - geschil aanwezig is.
2. De gewone rechter beslecht geschillen. Als dat uitdrukkelijk in
de arbeidsovereenkomst staat, ligt de beslechting van
geschillen - bij uitsluiting van de gewone rechter - in handen
van de relevante kamer van het Scheidsgerecht Gezondheidszorg.
De aanwijzing van genoemd Scheidsgerecht in de
arbeidsovereenkomst met een werknemer, in strijd met de
bevoegdheidsbepalingen in het Reglement voor het Scheidsgerecht,
is nietig.
3. Geschillen over de opleiding worden, voor zover niet geregeld
in de opleidingsregeling, beslecht in overeenstemming met
wat daarover is bepaald in de model leer-/arbeidsovereenkomst
c.q. opleidingsovereenkomst.

 

Hoofdstuk 6 Arbeidsduur en werktijden

Begripsbepalingen
Begripsbepalingen voor toepassing van met name het hoofdstuk
arbeidsduur en werktijden, begrippen die ook verder verspreid in de
CAO voorkomen:
a. werktijdenregeling: een definitieve regeling van de betaalde
uren tussen 07.00 en 20.00 uur op maandag tot en met vrijdag
en tussen 08.00 en 12.00 uur op zaterdag;
b. rooster: een definitieve regeling van de betaalde uren die
geheel of gedeeltelijk liggen buiten de uren tussen 07.00 en
20.00 uur op maandag tot en met vrijdag en tussen 08.00 en
12.00 uur op zaterdag;
c. rooster met wisselende diensten: een rooster waarbij
gedurende de roosterperiode de werkdagen of -uren wisselen.
Bij een combinatie van beide is ook sprake van een rooster met
wisselende diensten;
d. een halve vrije dag: een periode van 18 uren vrij van dienst;
e. een vrije dag: een periode van 32 uren vrij van dienst;
f. anderhalve aaneengesloten vrije dag: een periode van 46 uren
vrij van dienst;
g. twee aaneengesloten vrije dagen: een periode van 56 uren vrij
van dienst;
h. tweeënhalve aaneengesloten vrije dag: een periode van 66
uren vrij van dienst;
i. drie aaneengesloten vrije dagen: een periode van 72 uren vrij
van dienst;
j. méér dan drie aaneengesloten vrije dagen: een periode vrij van
dienst waarvan het aantal uren bedraagt: het aantal halve vrije
dagen x 12 uur en dit totaal vermeerderd met zes uren;
k. een vrij weekeinde: een periode van 56 uren vrij van dienst,
vallend op zaterdag en zondag;
l. vrij van dienst: vrij van diensten, zolang het niet gaat om
bijzondere diensten als bedoeld in H10 Bijzondere diensten
(m.u.v. onregelmatige dienst);
m. verschoven dienst: verplaatsing van een aantal aaneengesloten
uren waarop de werknemer volgens werktijdenregeling of
rooster arbeid zou moeten verrichten, naar enig ander moment
waarop de werknemer volgens werktijdenregeling of rooster
géén arbeid zou hoeven te verrichten;
n. werktijden: uren waarop gewerkt moet worden;
o. arbeidsduur: de som van de feitelijk gewerkte uren en van die
in de werktijdenregeling c.q. het rooster vastgelegde uren
waarop niet is gewerkt wegens ziekte, feestdagen, vakantie,
betaald verlof en/of compensatie in vrije tijd op basis van één
van de regelingen in deze CAO;
p. volledige werkweek: als de in de geldende werktijdenregeling
of het rooster opgenomen arbeidsduur 36 uur gemiddeld per
week bedraagt. In afwijking hiervan geldt conform onderstaand
artikel 1 lid 2 voor sommige categorieën werknemers
een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week;
q. contractuele arbeidsduur: de voor een werknemer geldende
arbeidsduur zoals vastgesteld in de arbeidsovereenkomst;
r. deeltijdwerker: de werknemer die contractueel voor minder
dan 36 uur gemiddeld per week is opgenomen in de werktijdenregeling
of het rooster.
NB: Voor zover niet anders bepaald in deze CAO, zijn de afwijkende
en aanvullende normen op de Arbeidstijdenwet en uit het
Arbeidstijdenbesluit (zoals opgenomen in Bijlage A en B)
van toepassing.

Artikel 1 Arbeidsduur
1. Het aantal uren waarop arbeid wordt verricht, bedraagt bij een
volledig dienstverband 1878 uur per jaar (gemiddeld 36 uur per
week).
2. In afwijking van lid 1 geldt voor de arts in opleiding tot
specialist en, indien overeengekomen, ten aanzien van de
werknemer in een solistische functie of werkzaam op een
kleine afdeling, een arbeidsduur van 1983 uur per jaar
(gemiddeld 38 uur per week).
3. In overleg tussen werkgever en werknemer kan een arbeidsduur
worden overeengekomen van maximaal 2087 uur per jaar
(gemiddeld 40 uur per week). Een keer per jaar kan de
werknemer deze arbeidsduur terugbrengen tot zijn oorspronkelijke
contractsduur van gemiddeld 36 uur of hoger.
4. Voor de BBL-leerling die een voltijd opleiding volgt, geldt dat
de arbeidsduur niet meer mag bedragen dan 1878 uur per jaar
(maximaal gemiddeld 36 uur per week). Bij deze arbeidsduur is
de lestijd inbegrepen. Voor de BBL-leerling helpende geldt dit
met ingang van het nieuwe praktijkleerjaar voor zover dit op of
na 01-07-2003 aanvangt.
5. Met de HBO-V-leerling die een duale leerweg volgt, wordt na
het eerste studiejaar een leerarbeidsovereenkomst aangegaan
met een arbeidsduur van maximaal 1670 uur per jaar
(gemiddeld 32 uur per week). Voor de HBO-V-leerling die geen
beurs in de zin van de Wet op de studiefinanciering ontvangt,
mag geen hogere arbeidsduur worden overeengekomen dan
bepaald in lid 1. Gedurende een praktijkleerjaar mag laatst-
genoemde met een voltijds arbeidsduur (gemiddeld 36 uur per
week), maximaal 1670 uur (gemiddeld 32 uur per week) voor
arbeid worden ingezet.
6. De indeling van de werktijden is zodanig, dat de leerlingwerknemer
in staat wordt gesteld het theoretische deel van
de opleiding te volgen.
7. De voltijds arbeidsduur van de medisch specialist is gemiddeld
36 uur per week; in overleg tussen werkgever en werknemer
kan een naar boven afwijkende arbeidsduur tot maximaal
gemiddeld 45 uur per week worden overeengekomen. De
medisch specialist die een gemiddelde werkweek van meer dan
36 uur is overeengekomen, heeft een keer per jaar het recht de
arbeidsduur terug te brengen tot 36 uur of hoger.

Artikel 2 Jaarurensystematiek
1. De werknemer werkt jaarlijks het aantal uren dat vermeld staat
in zijn arbeidsovereenkomst. Het aantal te werken uren kan
uitsluitend worden ingeroosterd op (contractueel) overeengekomen
dagen.
2. De indeling van het jaarlijks arbeidspatroon wordt in overleg
met de werknemer bepaald. Zowel het werkpatroon als de
geclusterde vrije tijd moeten herkenbaar tot uiting komen in
het arbeidspatroon dat wordt afgesproken.
3. Het overleg over het arbeidspatroon vindt ten minste jaarlijks
plaats en is gericht op het bereiken van overeenstemming.
Als de individuele wensen niet in overeenstemming zijn met
het instellingsbelang, prevaleert het instellingsbelang.
4. Spreiding van het aantal te werken uren door het jaar heen
zal niet gepaard gaan met invoering van onevenwichtige
werkpatronen voor de individuele medewerker. Roosters en
werktijden worden afgestemd op de in het jaargesprek
gemaakte afspraken.
5. Uitsluitend op verzoek van de werknemer kan worden
overgegaan tot een vijfdaagse werkweek van 7,2 uur per dag.
6. Indien de werknemer ziek wordt en er is voor hem al een
werktijdenregeling of rooster vastgesteld, dan blijft deze
werktijdenregeling of dit rooster gedurende de gehele periode
van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd. Na afloop van de
periode waarvoor de werktijdenregeling of het rooster geldt
en indien er nog geen definitieve afspraken gemaakt zijn over
de werktijdenregeling of het rooster, wordt de werknemer
geacht ziek te zijn voor zijn gemiddelde contractsomvang.
7. In onderling overleg kan het arbeidspatroon tussentijds
worden aangepast.
8. Bij het einde van het dienstverband worden te veel of te
weinig gewerkte uren zoveel mogelijk gecorrigeerd binnen
de opzegtermijn. Het resterende deel wordt uitbetaald
of verrekend met vakantie-uren dan wel ingehouden op
het salaris.

Artikel 3 Werktijden
1a. Voor iedere werknemer geldt een werktijdenregeling of
een rooster.
1b. De werkgever brengt de werktijdenregeling en het rooster zo
spoedig mogelijk en ten minste 21 (maar streeft naar ten
minste 28) etmalen voor aanvang van de betreffende periode
ter kennis van de werknemer.
1c. De werktijden liggen bij voorkeur tussen 07.00 en 20.00 uur
op maandag tot en met vrijdag en tussen 08.00 en 12.00 uur
op zaterdag.
2. In een rooster met wisselende diensten moeten deze diensten
zoveel mogelijk voorwaarts roteren.
3. De diensten worden aaneengesloten verricht, tenzij de aard
van de werkzaamheden die aan de functie verbonden zijn zich
hiertegen verzet. Meent de werkgever dat dat het geval is, dan
legt hij dit gemotiveerd ter bespreking voor aan de werknemer
alvorens over te gaan tot vaststelling van de niet-aaneengesloten
diensten.
4. De werkgever komt met de deeltijdwerker overeen in welke
mate de in de werktijdenregeling of het rooster op te nemen
werktijden kunnen variëren.

Artikel 4 Maximaal aantal nachtdiensten
1. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 5:8 lid 8 van de
Arbeidstijdenwet mag de werknemer maximaal 36 nachtdiensten
per 16 achtereenvolgende weken verrichten.
2. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 5:8 lid 8 en 9 van de
Arbeidstijdenwet, te weten: ‘indien de aard van de arbeid of de
bedrijfsomstandigheden dit met zich brengen’, mag de
werknemer maximaal 43 nachtdiensten verrichten per 16
weken, hetzij 140 nachtdiensten per 52 weken om de vaste
nachtdienst te continueren.
3. De werknemer mag maximaal vijf achtereenvolgende
nachtdiensten verrichten.
4. Op zijn verzoek en met inachtneming van het in lid 1 en 2
bepaalde mag de werknemer zeven achtereenvolgende
nachtdiensten verrichten.
5. De voorgaande leden van dit artikel zijn niet van toepassing op
werknemers die reeds enkele jaren “permanent nachtarbeid”
verrichtten direct voorafgaand aan de oorspronkelijke ATW
(1996) conform artikel 8.1:1 van het Arbeidstijdenbesluit.

Artikel 5 Uitbreiding arbeidsduur ten behoeve van spaarverlof
1. Werkgever en werknemer kunnen overeenkomen dat de
werknemer zijn in de arbeidsovereenkomst vastgelegde
arbeidsduur uitbreidt met maximaal vier uren, die hij spaart
voor het spaarverlof als bedoeld in H13 Meerkeuzesysteem
Arbeidsvoorwaarden, artikel 3. Deze bepaling geldt niet voor
de werknemer die gebruik maakt van artikel 11 of 12 onderstaand
tot 01-01-2010, daarna geldt dit voor de werknemers in
de leeftijdscategorie van 55 jaar of ouder in de overgangsregeling
LFB.
2. De uitbreiding van de arbeidsduur als bedoeld in lid 1 wordt
beëindigd vanaf het tijdstip dat de werknemer langer dan zes
maanden arbeidsongeschikt is.
3. Zolang de werknemer uren spaart als bedoeld in lid 1, kan hij
geen verzoek doen tot uitbreiding van de arbeidsduur als
bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet aanpassing arbeidsduur.

Artikel 6 Roostervrije dagen/vrije weekends
1. Als de werktijden bij rooster worden geregeld, geniet de
werknemer acht vrije dagen per 28 dagen. De werknemer
geniet in ieder geval 22 vrije weekends per jaar.
2. Kunnen - uitsluitend in het geval van dienstwisseling - de in de
begripsbepalingen bedoelde perioden vrij van dienst niet
worden gehaald, dan mag hiervan hoogstens twee maal in een
periode van 28 dagen worden afgeweken.

Artikel 7 Verschoven diensten
1. De werkgever kan, als bijzondere omstandigheden met een
incidenteel karakter dit noodzakelijk maken en na het horen
van de werknemer:
* afwijken van het bepaalde in artikel 3, lid 1, sub b;
* afwijken van het bepaalde in artikel 6, lid 1;
* een eerder vastgesteld(e) werktijdenregeling of rooster
wijzigen.
2. Past de werkgever het in lid 1 bepaalde toe en wijzigt hij
daarmee een eerder vastgesteld(e) werktijdenregeling of
rooster, dan ontvangt de werknemer schadeloosstelling als hij
al uitgaven voor vrijetijdsbesteding heeft gedaan.
3. Past de werkgever het in lid 1 bepaalde toe en verschuift
daardoor een vastgestelde dienst in de werktijdenregeling of
het rooster binnen 24 uur tussen melding door de werkgever
en aanvang van de nieuwe dienst, dan deelt de werkgever dat
mee aan de werknemer en ontvangt de werknemer - onverkort
het bepaalde in lid 2 van dit artikel - naast het uurloon over de
uren van die verschoven dienst uitsluitend een vergoeding als
bedoeld in H10 A Overwerk, artikel 3, lid 2.

Artikel 8 Overdracht
Overdracht van dienst vindt plaats binnen werktijd.

Artikel 9 Compensatie feestdagen
1. Het aantal uren waarop jaarlijks arbeid moet worden verricht,
wordt voor de werknemer met een volledig dienstverband
verminderd met 7,2 uur voor elke feestdag niet vallend op
zaterdag en zondag.
2. Voor werknemers die in de loop van het kalenderjaar in dienst
treden, geldt de vermindering op grond van de in het lopend
kalenderjaar nog voorkomende feestdagen.
3. Voor werknemers met een deeltijdarbeidsduur geldt het naar
rato beginsel met betrekking tot de inzetbaarheid op feestdagen
en met betrekking tot het aantal toegekende uren op
grond van lid 1.
4. De werkgever kan in overleg met de ondernemingsraad een
afwijkende regeling treffen. Deze regeling treedt dan in de
plaats van het bepaalde in dit artikel.

Artikel 10 Pauzes
1. Binnen elke dagelijkse diensttijd wordt gelegenheid voor twee
koffie-/theepauzes gegeven, te weten per ochtend, middag,
avond of nacht eenmaal.
2. Pauzes korter dan een kwartier gelden als werktijd.

Artikel 11 55+-regeling (vervalt per 01-1-2010)
1. Met zijn instemming wordt voor de werknemer, die op
30-04-2003 in dienst is bij de werkgever, op dat moment 55 jaar
of ouder is en een arbeidsovereenkomst heeft van meer dan 32
uur per week, het aantal arbeidsuren - in afwijking van artikel
1, lid 1 - op gemiddeld 32 uur per week vastgesteld. Voor deze
werknemer geldt het verschil tussen de contractuele arbeidsduur
en de arbeidsduur van gemiddeld 32 uur per week als
doorbetaalde vrije tijd, met een maximum van vier uur
doorbetaalde vrije tijd. Dit maximum geldt voor degene die na
30-04-2003 gebruik gaat maken van de regeling. Tijdens deze
vrije uren is de werknemer vrij van iedere dienst. Deze vrije
uren kunnen bij arbeidsongeschiktheid niet op een later tijdstip
gecompenseerd worden.
2. Voor de voltijder die in aanmerking komt voor lid 1 van dit
artikel kan geen afwijkende regeling op grond van artikel 5
worden vastgesteld.
3. In overleg met de werknemer kan de vermindering van de
arbeidsduur als genoemd in lid 1 over kortere en langere
perioden dan een week worden gerealiseerd. De werknemer en
de werkgever kunnen overeenkomen dat de vermindering van
de arbeidsduur geheel direct voorafgaand aan de beëindiging
van het dienstverband wordt opgenomen.
4. Als het belang van de instelling of de dienst dat verlangt, kan
de werkgever ten aanzien van de werknemer, die gebruik
maakt van de regeling als bedoeld in lid 1 van dit artikel,
afwijken van de volgende bepalingen:
* H10 A Overwerk, artikel 2, lid 4;
* H10 B Onregelmatige dienst, artikel 2, lid 2;
* H10 C Bereikbaarheids-, aanwezigheids- en consignatiedienst,
artikel 4;
* H10 D Crisisdienst, artikel 3;
* H10 E Slaapdienst, artikel 4.
5. De werknemer die gebruik maakt van de overbruggingsuitkering
(OBU) van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn en die een
dienstverband met de werkgever aangaat, kan geen aanspraak
maken op het bepaalde in dit artikel. De werknemer die
gebruik maakt van de deeltijd-OBU van het Pensioenfonds Zorg
en Welzijn en die een dienstverband met de werkgever
voortzet, kan geen aanspraak maken op het bepaalde in dit
artikel.
6. De werknemer die aanspraak maakt op dit artikel en/of op de
extra vakantie-uren als bedoeld in H12 B, artikel 3, kan geen
verzoek doen tot uitbreiding van de arbeidsduur als bedoeld in
artikel 2 lid 1 van de Wet aanpassing arbeidsduur.

Artikel 12 55+-regeling (vervalt per 01-1-2010)
1. De werknemer van 55 jaar en ouder, die geen gebruik maakt
van de regeling uit artikel 11, wordt jaarlijks 108 uur betaald
verlof toegekend. Deze uren worden naar rato per kalendermaand
opgebouwd.
2. Voor de voltijder die in aanmerking komt voor het betaald
verlof van dit artikel kan geen afwijkende regeling op grond
van artikel 5 worden vastgesteld.
3. Voor de werknemer die bereikbaarheids-, aanwezigheids-,
consignatie-, of crisisdienst of structureel avond- en nachtdiensten
verricht, geldt dat de in lid 1 genoemde uren worden
verhoogd met 42 uur.
4. Indien het salaris van de werknemer inpassingsnummer 48
overschrijdt en de vergoeding in tijd voor het doen van
bereikbaarheids-, aanwezigheids-, consignatiedienst de norm
als bedoeld in H10 A Overwerk, artikel 3, lid 3, sub b te boven
gaat, zal tussen werkgever en werknemer een afspraak worden
gemaakt over de ophoging van de in lid 3 genoemde uren.
5. De in het kader van bereikbaarheids-, aanwezigheids-,
consignatiedienst toegekende uren moeten worden opgenomen
binnen een tijdvak van twee maanden na het verrichten
van de dienst.
6. Het bepaalde in H10 C Bereikbaarheids-, aanwezigheids-,
consignatiedienst, artikel 8 is van toepassing met dien
verstande dat in plaats van zes uur acht uur dient te worden
gelezen.
7. In overleg met de werknemer kan de vermindering van de
arbeidsduur als genoemd in lid 1 over kortere of langere
perioden dan een week worden gerealiseerd. De werknemer en
de werkgever kunnen overeenkomen dat de vermindering van
de arbeidsduur geheel direct voorafgaand aan de beëindiging
van het dienstverband wordt opgenomen.
8. De werknemer die ten gevolge van (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid
zijn werkzaamheden niet heeft verricht, verliest
naar rato aanspraak op de in lid 1 toegekende extra uren.
9. Voor de werknemer met een van de voltijdnorm afwijkende
arbeidsduur wordt het naar rato beginsel toegepast.
10. De werknemer die gebruik maakt van de overbruggingsuitkering
(OBU) van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn en die een
dienstverband met de werkgever aangaat, kan geen aanspraak
maken op het bepaalde in dit artikel. De werknemer die
gebruik maakt van de deeltijd-OBU van het Pensioenfonds
Zorg en Welzijn en die een dienstverband met de werkgever
voortzet, kan geen aanspraak maken op het bepaalde in dit
artikel.
11. De werknemer die aanspraak maakt op dit artikel en/of op de
extra vakantie-uren als bedoeld in H12 B, artikel 3 kan geen
verzoek doen tot uitbreiding van de arbeidsduur als bedoeld in
artikel 2 lid 1 van de Wet aanpassing arbeidsduur.
Normen: werknemers van 18 jaar of ouder Arbeidstijdenwet Afwijkingen en aanvullingen op de wettelijke
regeling uit het Arbeidstijdenbesluit of bij CAO
Minimum rusttijden
* wekelijkse rust (aantal aaneengesloten uren) hetzij 36 uur per periode van 7 x 24 uur,
hetzij 72 uur per periode van 14 x 24 uur
(op te splitsen in rustperioden van elk ten
minste 32 uur)
72 uur per periode van 14 x 24 uur (op te
splitsen in rustperioden van elk ten minste
32 uur, waarvan per periode van 9 x 24 uur ten
minste een rustperiode dient te zijn genoten)
* dagelijkse rust (aantal aaneengesloten uren) 11 uur per 24 uur (1 x per periode van 7 x 24 uur
in te korten tot 8 uur #)
11 uur per 24 uur (1 x per periode van 7 x 24 uur
in te korten tot 10 uur #)
Zondagsarbeid
* arbeidsverbod op zondag wordt geen arbeid verricht, tenzij ...
* uitzondering 1 arbeidsverbod tenzij het tegendeel is bedongen en uit de aard
van de arbeid voortvloeit
* uitzondering 2 arbeidsverbod tenzij de bedrijfsomstandigheden dit nood-
zakelijk maken en het medezeggenschapsorgaan,
of bij het ontbreken daarvan de
belanghebbende werknemer, daarmee instemt.
En de werknemer er voor dat geval mee instemt.
* zondagsbepaling in geval van arbeid op zondag ten minste
13 vrije zondagen per 52 weken
in geval van arbeid op zondag ten minste
22 vrije zondagen per 52 weken
Maximum arbeidstijden (structureel)
* arbeidstijd per dienst 12 uur 10 uur
* arbeidstijd per week 60 uur
* arbeidstijd per 4 weken gemiddeld 55 uur per week (220 uur) gemiddeld 50 uur per week (200 uur)
* arbeidstijd per 16 weken gemiddeld 48 uur per week (768 uur) gemiddeld 45 uur per week (720 uur)
Aanvullende regels indien er sprake is van
nachtdiensten (een dienst waarin meer dan
1 uur arbeid wordt verricht tussen 00:00 uur
en 06:00 uur)
* minimum rust na een nachtdienst die eindigt
na 02.00 uur
14 uur (1 x per periode van 7 x 24 uur in te
korten tot 8 uur #)
* minimum rust na een reeks (3 of meer)
nachtdiensten
46 uur 48 uur

Bijlage A: Regelgeving Arbeidstijdenwet (ATW) en Arbeidstijdenbesluit (ATB)
Verpleging en Verzorging
Ingangsdatum uiterlijk 01-10-2007. De rechterkolom is van toepassing, tenzij in deze kolom geen norm staat dan geldt de linkerkolom. In de
ATW gelden voor werknemers jonger dan 18 jaar afwijkende regels. Onderstaande normen gelden voor alle werknemers, per 01-04-2007 ook
voor leidinggevenden, die minder dan drie maal het minimumloon verdienen.

Normen: werknemers van 18 jaar of ouder Arbeidstijdenwet Afwijkingen en aanvulling op de wettelijk regeling uit het Arbeidstijdenbesluit of bij CAO
Minimum rustijden
>Wekelijkse rust (aantal aaneengesloten uren) Hetzij 36 uur per periode van 7 x 24 uur, hetzij 72 uur per periode van 14 x 24 uur (op te splitsen in rustperioden van elk tenministe 32 uur) 72 uur per periode van 14 x 24 uur (op te splitsen in rustperioden van elk ten minste 32 uur, waarvan per periode van 9 x 24 uur ten minste een rustperiode dient te zijn genoten
>Dagelijkse rust (aantal aaneengesloten uren 11 uur per 24 uur (1x per periode van 7 x 24 uur in te korten tot 8 uur) 11 uur per 24 uur (1 x per periode van 7 x 24 uur in te korten tot 10 uur)
Zondagsarbeid
>Arbeidsverbod Op zondag wordt geen arbeid verricht, tenzij…
>Uitzondering 1 arbeidsverbod Tenzij het tegeldeel is bedongen en uit de aard van de arbeid voortvloeit
>Uitzondering 2 arbeidsverbod Tenzij de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken en het medezeggenschapsorgaan, of bij het ontbreken daarvan de belanghebbende werknemer, daarmee instemt. En de werknemer er voor dat geval mee instemt.
>Zondagbepaling In geval van arbeid op zondag ten minste 13 vrije zondagen per 52 weken In geval van arbeid op zondag ten minste 22 vrije zondagen per 52 weken
Maximum arbeidstijden (structureel)
>Arbeidstijd per dienst 12 uur 10 uur
>Arbeidstijd per week 60 uur
>Arbeidstijd per 4 weken Gemiddeld 55 uur per week (220 uur) Gemiddeld 50 uur per week (200 uur)
>Arbeidstijd per 16 weken Gemiddeld 48 uur per week (768 uur) Gemiddeld 45 uur per week (720 uur)
Aanvullende regels indien er sprake is van nachtdiensten (een dienst waarin meer dan 1 uur arbeid wordt verricht tussen 00:00 uur en 06:00 uur)
>Minimum rust na een nachtdienst die eindigt na 02:00 uur 14 uur (1 x per periode van 7 x 24 uur in te korten tot 8 uur)
>Minimum rust na een reeks (3 of meer) nachtdiensten 46 uur 48 uur
>Maximum arbeidstijd per nachtdienst 10 uur (met een uitbreidingsmogelijkheid onder voorwaarden tot 12 uur) 9 uur
>Maximum arbeidstijd per 16 weken 40 uur per 16 weken, als sprake is van 16 of meer nachtdiensten in die periode (640 uur) Gemiddeld 40 uur per week (640 uur)
>Maximum aantal nachtdiensten (nachtdiensten die eindigen na 02:00 uur) per 16 weken Maximaal 36 nachtdiensten die eindigen na 02:00 uur Maximaal 36. Hetzij 43, hetzij 140 per 52 weken voor het continueren van de vaste nachtdienst en voor werknemers die voor 1996 al in vaste nachtdienst waren zie artikel 4,lid 5 H 6 van deze CAO (64 per 16 weken indien de nachtdiensten voor of op 02:00 uur eindigen)
>Maximum aantal achtereenvolgende diensten in een reeks met nachtdiensten 7
Maximum arbeidstijden bij overwerk (incidenteel)
>Arbeidstijd per dienst 12 uur
>Arbeidstijd per week 60 uur
>Arbeidstijd per 16 weken Gemiddeld 48 uur per week (768 uur)
Aanvullende regels bij overwerk indien er sprake is van nachtdiensten
>Maximum arbeidstijd per nachtdienst 10 uur (met een uitbreidingsmogelijkheid onder voorwaarden tot 12 uur) 10 uur
Pauze (tijdruimte van minimaal 1/4 uur)
>Arbeidstijd per dienst > 5,5 uur 1/2 uur (op te splitsen in 2 x 1/4 uur) Afwijking pauzeregeling (artikel 4,6:1 ATB). Afwijking consignatie bij pauze (artikel 4,6:2 ATB)
>Arbeidstijd per dienst > 10 uur 3/4 uur (op te splitsen in 3 x 1/4 uur) 1/2 uur (op te splitsen in 2 x 1/4 uur) Afwijking pauzeregeling (artikel 4.6:1 ATB). Afwijking consignatie bij pauze (artikel 4.6:2 ATB)
Consignatie (afwijking rusttijd en pauze
>Periode zonder consignatie per 4 weken 14 perioden van minimaal 24 uur, waarin tweemaal 48 uur geen arbeid 2 tijdruimten van elk minimaal 7 x 24 uur (waarin tweemaal 48 uur noch arbeid noch consignatie wordt opgelegd
>Consignatie voor en na een nachtdienst 11 uur voor en 14 uur na een nachtdienst niet toegestaan
>Maximum arbeidstijd per 24 uur 13 uur
>Maximum arbeidstijd per week 60 uur
>Maximum arbeidstijd per 16 weken Gemiddeld 48 uur per week (768 uur) Gemiddeld 45 uur per week (720 uur)
>Maximum arbeidstijd per 16 weken indien de consignatie geheel of gedeeltelijk de periode van 00.00 uur en 06.00 uur omvat Gemiddeld 48 uur per week (als er sprake is van 16 of meer keer consignatie tussen 00:00 uur en 06:00 uur, gemiddeld 40 uur per week) Gemiddeld 40 uur per week (640 uur)
Minimum arbeidstijd bij oproep in consignatie  1/2 uur
Aanwezigheidsdienst: aaneengesloten tijdruimte van maximaal 24 uur
>Maximum aantal aanwezigheidsdiensten per 26 weken 52
>Maximum aan korte (maximaal 12 uur) aanwezigheidsdiensten per 7 x 24 uur) 5
>Maximum aantal lange (maximaal 24 uur) aanwezigheidsdiensten per 7 x 24 uur 3
>Minimum rust aansluitend voor en na een aanwezigheidsdienst Ten minste 11 uren, in elk tijdvak van 7 x 24 uren eenmaal in te korten tot 10 uren alsmede eenmaal tot 8 uren onder gelijke verlenging van de volgende rustperiode
>Minimum rust per periode van 7 x 24 uur (tenzij een collectieve regeling geldt) 90 uur (verdeeld over 1 x 24 uur en 6 x 11 uur; mogen aaneengesloten zijn)
>Maximum van tevoren in te roosteren uren waarop daadwerkelijk arbeid wordt verricht 13 uur
>Maximum arbeidstijd in elke periode van 7 x 24 uur 78 uur
>Maximum arbeidstijd gemiddeld in elke periode van 26 weken Gemiddeld 48 uur per week (opt-out: gemiddeld 60 uur per week kan worden gehanteerd (schriftelijk overeen komen), bij slaapdiensten)
Bereikbaarheidsdienst
> Maximum aantal bereikbaarheidsdiensten per periode van 7 x 24 uur 3
>Maximum aantal bereikbaarheidsdiensten per 16 weken 32
>Bereikbaarbheidsdienst voor en na een nachtdienst 11 uur voor en 14 uur na een nachtdienst niet toegestaan
>Maximum arbeidstijd per 24 uur 13 uur
>Maximum arbeidstijd per week 60 uur
>Maximum arbeidstijd per 16 weken Gemiddeld 45 uur per week (720 uur)
>Maximum arbeidstijd per 16 weken (indien de bereikbaarheidsdienst geheel of gedeeltelijk de periode van 00.00 en 06.00 uur omvat) Gemiddeld 40 uur per week (640 uur)
>Minimum arbeidstijd bij oproep 1/2 uur
Cumulatie bijzondere diensten (consignatie-, + aanwezigheid-, + bereikbaarheidsdiensten)
>Maximum aantal bijzondere diensten per periode van 7 x 24 uur 3
>Maximum aantal bijzondere diensten per 16 weken 32

Bijlage B: Regelgeving Arbeidstijdenwet (ATW) en Arbeidstijdenbesluit (ATB)

Geneeskundigen
Ingangsdatum uiterlijk 01-10-2007. De rechterkolom is van toepassing, tenzij in deze kolom geen norm staat dan geldt de linkerkolom. In de
ATW gelden voor werknemers jonger dan 18 jaar afwijkende regels. Onderstaande normen gelden voor alle werknemers, per 01-04-2007 ook
voor leidinggevenden, die minder dan drie maal het minimumloon verdienen.

Normen: werknemers van 18 jaar of ouder Arbeidstijdenwet Afwijkingen en aanvulling op de wettelijk regeling uit het Arbeidstijdenbesluit of bij CAO
Minimum rustijden
>Wekelijkse rust (aantal aaneengesloten uren) Hetzij 36 uur per periode van 7 x 24 uur, hetzij 72 uur per periode van 14 x 24 uur (op te splitsen in rustperioden van elk tenministe 32 uur) 72 uur per periode van 14 x 24 uur (op te splitsen in rustperioden van elk ten minste 32 uur, waarvan per periode van 9 x 24 uur ten minste een rustperiode dient te zijn genoten
>Dagelijkse rust (aantal aaneengesloten uren 11 uur per 24 uur (1x per periode van 7 x 24 uur in te korten tot 8 uur)
Zondagsarbeid
>Arbeidsverbod Op zondag wordt geen arbeid verricht, tenzij…
>Uitzondering 1 arbeidsverbod Tenzij het tegeldeel is bedongen en uit de aard van de arbeid voortvloeit
>Uitzondering 2 arbeidsverbod Tenzij de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken en het medezeggenschapsorgaan, of bij het ontbreken daarvan de belanghebbende werknemer, daarmee instemt. En de werknemer er voor dat geval mee instemt.
>Zondagbepaling In geval van arbeid op zondag ten minste 13 vrije zondagen per 52 weken In geval van arbeid op zondag ten minste 22 vrije zondagen per 52 weken
Maximum arbeidstijden (structureel)
>Arbeidstijd per dienst 12 uur 10 uur
>Arbeidstijd per week 60 uur
>Arbeidstijd per 4 weken Gemiddeld 55 uur per week (220 uur) Gemiddeld 50 uur per week (200 uur)
>Arbeidstijd per 16 weken Gemiddeld 48 uur per week (768 uur) Gemiddeld 48 uur per week (768 uur)
Aanvullende regels indien er sprake is van nachtdiensten (een dienst waarin meer dan 1 uur arbeid wordt verricht tussen 00:00 uur en 06:00 uur)
>Minimum rust na een nachtdienst die eindigt na 02:00 uur 14 uur (1 x per periode van 7 x 24 uur in te korten tot 8 uur)
>Minimum rust na een reeks (3 of meer) nachtdiensten 46 uur 48 uur
>Maximum arbeidstijd per nachtdienst 10 uur (met een uitbreidingsmogelijkheid onder voorwaarden tot 12 uur) 9 uur
>Maximum arbeidstijd per 16 weken 40 uur per 16 weken, als sprake is van 16 of meer nachtdiensten in die periode Gemiddeld 40 uur per week (640 uur)
>Maximum aantal nachtdiensten (nachtdiensten die eindigen na 02:00 uur) per 16 weken Maximaal 36 nachtdiensten die eindigen na 02:00 uur Maximaal 36. Hetzij 43, hetzij 140 per 52 weken voor het continueren van de vaste nachtdienst en voor werknemers die voor 1996 al in vaste nachtdienst waren zie artikel 4,lid 5 H 6 van deze CAO (64 per 16 weken indien de nachtdiensten voor of op 02:00 uur eindigen)
>Maximum aantal achtereenvolgende diensten in een reeks met nachtdiensten 7
Maximum arbeidstijden bij overwerk (incidenteel)
>Arbeidstijd per dienst 12 uur
>Arbeidstijd per week 60 uur
>Arbeidstijd per 16 weken Gemiddeld 48 uur per week (768 uur)
Aanvullende regels bij overwerk indien er sprake is van nachtdiensten
>Maximum arbeidstijd per nachtdienst 10 uur
>Maximum arbeidstijd per 16 weken Gemiddeld 40 uur per week (640 uur)
Pauze (tijdruimte van minimaal 1/4 uur)
>Arbeidstijd per dienst > 5,5 uur 1/2 uur (op te splitsen in 2 x 1/4 uur) Afwijking pauzeregeling (artikel 4,6:1 ATB). Afwijking consignatie bij pauze (artikel 4,6:2 ATB)
>Arbeidstijd per dienst > 10 uur 3/4 uur (op te splitsen in 3 x 1/4 uur) 1/2 uur (op te splitsen in 2 x 1/4 uur) Afwijking pauzeregeling (artikel 4.6:1 ATB). Afwijking consignatie bij pauze (artikel 4.6:2 ATB)
Consignatie (afwijking rusttijd en pauze
>Periode zonder consignatie per 4 weken 14 perioden van minimaal 24 uur, waarin tweemaal 48 uur geen arbeid 2 tijdruimten van elk minimaal 7 x 24 uur (waarin tweemaal 48 uur noch arbeid noch consignatie wordt opgelegd
>Consignatie voor en na een nachtdienst Niet toegestaan
>Maximum arbeidstijd per 24 uur 13 uur
>Maximum arbeidstijd per week 60 uur
>Maximum arbeidstijd per 16 weken Gemiddeld 48 uur per week (als er sprake is van 16 of meer keer consignatie tussen 00:00 uur en 06:00 uur, gemiddeld 40 uur per week) Gemiddeld 45 uur per week (720 uur)
>Maximum arbeidstijd per 16 weken indien de consignatie geheel of gedeeltelijk de periode van 00.00 uur en 06.00 uur omvat Gemiddeld 48 uur per week (als er sprake is van 16 of meer keer consignatie tussen 00:00 uur en 06:00 uur, gemiddeld 40 uur per week) Gemiddeld 48 uur per week (768 uur)
Minimum arbeidstijd bij oproep in consignatie  1/2 uur
Aanwezigheidsdienst: aaneengesloten tijdruimte van maximaal 24 uur
>Maximum aantal aanwezigheidsdiensten per 26 weken 52
>Minimum rust aansluitend voor en na een aanwezigheidsdienst Ten minste 11 uren, in elk tijdvak van 7 x 24 uren eenmaal in te korten tot 10 uren alsmede eenmaal tot 8 uren onder gelijke verlenging van de volgende rustperiode
>Minimum rust per periode van 7 x 24 uur (tenzij een collectieve regeling geldt) 90 uur (verdeeld over 1 x 24 uur en 6 x 11 uur; mogen aaneengesloten zijn)
>Maximum arbeidstijd in elke periode van 7 x 24 uur 78 uur
>Maximum arbeidstijd per 26 weken Gemiddeld 48 uur per week (opt-out: gemiddeld 60 uur per week kan worden gehanteerd (schriftelijk overeen komen), bij slaapdiensten)
>Maximum arbeidstijd per 26 weken voor aios Tot 1-8-2009 gemiddeld 56 uren. Tot uiterlijk 01-07-2010 kan de opt-out regeling voor A(N)IOS in aanwezigheidsdienst gehanteerd worden
Bereikbaarheidsdienst
> Maximum aantal bereikbaarheidsdiensten per periode van 7 x 24 uur 5
>Maximum aantal bereikbaarheidsdiensten per 16 weken 32
>Bereikbaarbheidsdienst voor en na een nachtdienst 11 uur voor en 14 uur na een nachtdienst niet toegestaan
>Maximum arbeidstijd per 24 uur 13 uur
>Maximum arbeidstijd per 16 weken Gemiddeld 45 uur per week (720 uur)
>Minimum arbeidstijd bij oproep 1/2 uur
Cumulatie bijzondere diensten (consignatie-, + aanwezigheid-, + bereikbaarheidsdiensten)
>Maximum aantal bijzondere diensten per periode van 7 x 24 uur 5
>Maximum aantal bijzondere diensten per 16 weken 32

 

Hoofdstuk 7 Functiewaardering en salariëring

A Functiewaardering

Artikel 1 Algemeen
De functie van de werknemer is met toepassing 1. van het actuele
computerondersteunde FWG-systeem door de werkgever
ingedeeld in een van de functiegroepen: 10, 15, 20, 25, 30, 35,
40, 45, 50, 55, 60, 65, 70, 75, 80. Deze indeling op basis van het
FWG-systeem geldt niet voor:
* werknemers in opleiding als bedoeld in A en B van H8,
behoudens werknemers genoemd in H8 A, artikel 4;
* de medisch specialist.
Voornoemd FWG-systeem maakt deel uit van de FWGovereenkomst,
onderdeel van deze CAO.
2. De werknemer wordt niet in het bezit gesteld van het
FWG-systeem, maar kan bij de werkgever wel inzage krijgen in
het systeem.
3. Het in lid 1 bepaalde geldt niet als en zolang:
* voor de werknemer die vóór 01-01-1985 in dienst is getreden
volgens artikel 13 van de Wet minimumloon en minimum
vakantiebijslag, vóór 01-01-1985 ontheffing van deze Wet is
gekregen of aangevraagd;
* voor de werknemer die na 31-12-1984 in dienst is getreden
volgens artikel 13 van de Wet minimumloon en minimum
vakantiebijslag of - na 30-06-1986 - volgens artikel 8 van de
Wet arbeid gehandicapte werknemers respectievelijk artikel
7 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten
ontheffing is aangevraagd en gekregen. De werking van
deze bepaling is beperkt tot de periode waarvoor ontheffing
is verkregen.

Artikel 2 Wijze van (her)indelen en herbeschrijven
De wijze van (her)indelen en herbeschrijven van de functie van een
werknemer en de daarbij te volgen procedure zijn vastgelegd in de
bij deze CAO behorende Bijlage A over FWG.

Artikel 3 Informatieplicht werkgever
De werkgever is verplicht de werknemer ten aanzien van het in dit
artikel bepaalde tijdig te informeren over:
* de wijze waarop de beschrijving van de functie van de werknemer
tot stand komt;
* de instellingsregeling inzake bezwaar van de werknemer tegen
de functiebeschrijving;
* de wijze waarop de (her)indeling van de functie tot stand komt;
* de instellingsregeling inzake bezwaar van de werknemer tegen
de indeling;
* de wijze waarop de werknemer bezwaar kan maken tegen de
indeling bij de Landelijke Bezwarencommissie.

Artikel 4 Adviezen Gezamenlijk Overleg (GO)
In het kader van FWG zullen zwaarwegende adviezen van het
Gezamenlijk Overleg (GO) inzake FWG kunnen leiden tot tussentijdse
wijzigingen in de CAO-bepalingen over FWG.

B Salariëring
Artikel 1 Algemeen
1. De salarisschalen zijn opgenomen in Bijlage B van dit
hoofdstuk. Er zijn aanloopschalen en functionele schalen A
en B. De in de salarisschalen opgenomen bedragen gelden
bij een volledige dagtaak (gemiddeld 36 uur per week). Het
salaris wordt gebaseerd op het gemiddeld te werken aantal
uren per maand.
2. Het salaris van werknemers met een afwijkende arbeidsduur
wordt naar rato vastgesteld.
3. Het salaris van leerlingen en werknemers die een opleiding
volgen, wordt vastgesteld overeenkomstig het in H8 bepaalde.
4. De salarisschaal voor de medisch specialist is opgenomen in
Bijlage B van dit hoofdstuk. De in de salarisschaal opgenomen
bedragen gelden bij een volledige dagtaak (gemiddeld 36 uur
per week). Het salaris wordt gebaseerd op het gemiddeld te
werken aantal uren per maand.

Artikel 2 Indeling in functionele schaal
De werkgever bepaalt op grond van de functie-indeling volgens
artikel 1 A Functiewaardering welke functionele salarisschaal voor
de werknemer van toepassing is. Het nummer van de functionele
salarisschaal correspondeert met het nummer van de functiegroep
waarin de functie van de werknemer is ingedeeld.
Voor de medisch specialist is de salarisschaal medisch specialisten
van toepassing.

Artikel 3 Toepassing salarisschalen
1. De werknemer voor wie een van de functionele schalen 10 t/m
80 geldt, dient voor de toepassing hiervan over het hieronder
genoemde aantal functiejaren te beschikken:
* bij de functionele salarisschalen 10 t/m 40:
één functiejaar;
* bij de salarisschalen 45 t/m 60: twee functiejaren;
* bij de salarisschalen 65 t/m 80: drie functiejaren.
De werkgever kan met de werknemer overeenkomen dat
voor de toepassing van de functionele schaal het aantal
benodigde functiejaren lager is dan in dit lid bepaald.
2. Beschikt de werknemer niet over het in lid 1 bij zijn functionele
salarisschaal genoemde aantal functiejaren, dan geldt voor
hem de bij die schaal behorende aanloopsalarisschaal en wel
het bij nul functiejaren vermelde bedrag. Als de ervaring van
de werknemer daartoe aanleiding geeft, geldt een hoger
bedrag uit die schaal. De werkgever is bevoegd
om voor de werknemer de aanloopsalarisschaal langer toe
te passen dan het in lid 1 genoemde aantal jaren, als de
functievervulling van de werknemer aanleiding geeft om
nog niet de functionele salarisschaal toe te passen. De
werkgever maakt dat schriftelijk en gemotiveerd kenbaar
aan de werknemer.
3. De werknemer voor wie de functionele schaal geldt, wordt
ingeschaald op het bij nul functiejaren vermelde bedrag uit
die schaal of, als zijn ervaring daartoe aanleiding geeft, op een
hoger bedrag uit die schaal.
De werknemer voor wie de salarisschaal medisch specialisten
geldt, wordt bij nul functiejaren ingeschaald op trede 0 van
deze schaal, of als zijn ervaring daartoe aanleiding geeft op
een hogere trede van deze schaal
4. De overgang van functionele salarisschaal A naar functionele
salarisschaal B is afhankelijk van een voldoende beoordeling op
basis van het beoordelingssysteem, zoals opgenomen in H16.
Heeft geen beoordelingsgesprek plaatsgevonden voor de
periodiekmaand, dan gaat de werknemer over naar de
functionele schaal B. Zie ook artikel 6 Periodieke verhogingen
en uitloopperiodieken.
5. In afwijking van het bepaalde in lid 4 behouden werknemers
die voor 01-01-2002 bij de werkgever in dienst zijn getreden de
mogelijkheid op doorloop in de salarisschaal zoals deze voor
hen van toepassing was op 31-12-2001.

Artikel 4 Salarisgarantieregelingen en herindeling FWG
1. Oude salarisgaranties
Voor de desbetreffende werknemer blijft de salarisgarantieregeling
volgens artikel 4 van de uitvoeringsregeling salariëring
van de CAO 1999/2001 en volgens H7 B, artikel 17 van de CAO
2003 - 2004 gelden zolang hij bij de werkgever in dienst is.
2. Salarisgarantie bij invoering FWG 3.0 per 01-01-2000 dan wel
per 01-01-2001 (instellingen verslavingszorg)
a. Wordt door de (her-)indeling bij invoering van FWG 3.0 als
bedoeld in H7 A Functiewaardering, artikel 1 van deze CAO
een lagere functiegroep en bijbehorende schaal van kracht
dan voor de werknemer geldt, dan houdt de werknemer zijn
aanspraak op salariëring volgens de salarisschaal die in zijn
arbeidsovereenkomst vastligt en zoals deze salarisschaal op
31-12-2001 geldt.
b. Wordt door de invoering van FWG 3.0 van deze CAO een
hogere functiegroep en bijbehorende schaal van toepassing
dan de geldende, dan is het in lid 3 1a tot en met d van dit
artikel bepaalde van overeenkomstige toepassing met
terugwerkende kracht vanaf 01-01-2000 dan wel vanaf
01-01-2001 (instellingen verslavingszorg).
3. Herindeling na invoering van FWG 3.0
1. Wordt door herindeling na invoering van FWG 3.0 een
hogere functiegroep van kracht, dan geldt per de eerste van
de kalendermaand die volgt op het indelingsbesluit, het
volgende:
a. de salarisschalen die horen bij de hogere functiegroep
worden van toepassing;
b. bij de vaststelling van het salaris uit de nieuwe salarisschaal
geldt ten minste het bedrag dat overeenkomt met het
salaris dat gold per de eerste van de kalendermaand die
volgt op het indelingsbesluit. Wanneer dit bedrag niet in de
nieuwe salarisschaal voorkomt, dan geldt het naast hogere
bedrag van die salarisschaal;
c. bij de toepassing van dit artikel geldt ten minste het eerste
bedrag van de functionele of aanloopsalarisschaal die voor
de werknemer geldt;
d. artikel 9, lid 1 en 2 (bevorderingsartikel) zijn hierop niet van
toepassing.
2. Wordt door herindeling na invoering van FWG 3.0 een lagere
functiegroep van kracht, dan behoudt de werknemer zijn
aanspraak op salariëring volgens de salarisschaal die in zijn
arbeidsovereenkomst vastligt.

Artikel 5 Salarisgarantie bij indiensttreding
* De werknemer die bij indiensttreding direct voorafgaand aan
het dienstverband op basis van een arbeidsovereenkomst
werkzaam was bij een instelling die valt onder de werkingssfeer
van deze CAO
en
* in genoemde instelling een functie vervulde waarop artikel 4A,
lid 1 of lid 2 van de uitvoeringsregeling salariëring van de CAO
1999/2001 of artikel 4, lid 2, onder a van dit hoofdstuk van
toepassing was, behoudt bij aanvaarding van een ten opzichte
van zijn vorige functie ten minste gelijk functieniveau
aanspraak op toepassing van de in deze volzin genoemde
bepalingen. Deze aanspraak wordt bij indiensttreding door
de werknemer meegedeeld en in de arbeidsovereenkomst
vastgelegd.

Artikel 6 Periodieke verhogingen en uitloopperiodieken
Tenzij hierover in de arbeidsovereenkomst 1. anders is bepaald,
wordt eenmaal per jaar een salarisverhoging binnen de
aanloop- of functionele schaal toegekend, of, indien van
toepassing, binnen de salarisschaal medisch specialisten.
De doorloop in de functionele salarisschaal B is afhankelijk van
een voldoende beoordeling op basis van het door CAO-partijen
vastgestelde beoordelingssysteem. Heeft geen beoordelingsgesprek
plaatsgevonden voor de periodiekdatum,
dan krijgt de
werknemer automatisch de volgende periodieke verhoging in
de schaal. De periodieke verhoging wordt voor de eerste maal
toegekend een jaar na indiensttreding
of bevordering tot een
functie die is ingedeeld in een hogere functiegroep. De eerste
periodieke verhoging na diplomering van de leerling en zijn
aanstelling in de desbetreffende functie vindt plaats per de
eerste van de maand volgend op die waarin het diploma is
behaald of de eerste van de maand waarin de werknemer is
ingedeeld in de bij de nieuwe functie behorende schaal.
2. Het is de werkgever toegestaan in enig jaar de werknemer
geen dan wel meer periodieke verhogingen toe te kennen
op basis van het beoordelingssysteem als bedoeld in H16 A,
artikel 2.
3. Dit artikel is met betrekking tot beoordeling en het toepassen
van periodieke verhogingen van overeenkomstige toepassing
op de medisch specialist.

Artikel 7 Bijzondere toeslagen
1. De werkgever kan een gratificatie toekennen.
2. Als voor één of meer specifieke functie(s) sprake is van
een arbeidsmarktknelpunt kan de werknemer in bijzondere
gevallen een tijdelijke toeslag krijgen van maximaal 10%
van het voor de werknemer geldende salaris.
3. Zolang de werkgever vindt dat voor de functievervulling sprake
is van bijzondere omstandigheden, kan de werknemer een
toeslag worden toegekend. Bij toekenning van deze toeslag
wordt samen met het salaris ten hoogste het maximum van
de naast hogere functionele salarisschaal betaald, met als
maximum acht opeenvolgende regelnummers van de
inpassingstabel vanaf zijn salaris.
4. De in lid 2 en 3 bedoelde toeslagen worden zolang de
aanspraak bestaat per maand uitbetaald.
5. Complementaire toeslag voor de medisch specialist.
Aan de medisch specialist wordt in het kader van het vervullen
van een aan de functie gerelateerde complementaire bijdrage,
een maandelijkse toeslag toegekend voor maximaal de duur
van het vervullen van deze complementaire bijdrage.
De complementaire bijdragetoeslag die wordt toegekend,
bedraagt voor:
- medisch specialist Manager I (divisiedirecteur): 10%;
- medisch specialist Manager II (cluster- afdelingshoofd): 5%;
- medisch specialist Opleidingsverantwoordelijke: 10%.
De toeslag wordt berekend over het voor de medisch specialist
geldende salaris, overeenkomstig de overeengekomen
arbeidsduur.
Om te bepalen of de medisch specialist in aanmerking komt
voor een complementaire toeslag zijn in deze CAO algemene
organieke functieprofielen met een hoog abstractieniveau
opgenomen die binnen de instelling verbijzonderd kunnen
worden.
Deze functieprofielen zijn opgenomen in Bijlage D van dit
hoofdstuk.
Er is geen cumulatie van de verschillende bijdragetoeslagen
mogelijk. De complementaire toeslag behoort tot het salaris
als bedoeld in H1 A, 4 van deze CAO.

Artikel 8 Minimum salaris 55+’er (vervallen per 01-01-2006)

Artikel 9 Bevordering
1. Bij bevordering tot een functie die is ingedeeld in een hogere
functiegroep, wordt het salaris ontleend aan de functionele
schaal van de nieuwe functie. Het tot dan toe genoten salaris
moet echter met twee periodieken worden verhoogd en het
nieuwe salaris moet ten minste gelijk zijn aan het minimum
van de functionele schaal van de functie waarnaar de
werknemer werd bevorderd. Tegelijk mag het nieuwe salaris
nooit hoger zijn dan het maximum van de bij deze hogere
functie behorende schaal. Indien de werknemer reeds het
maximum van de oude schaal had bereikt, worden bij
bevordering twee periodieken bij het oude salaris in de nieuwe
schaal geteld.
2. Voldoet de werknemer bij een bevordering als bedoeld in het
vorige lid nog niet aan het bepaalde in artikel 3, lid 1 dan geldt
- overeenkomstig het in artikel 3, lid 2 bepaalde - de aanloopschaal.
3. Van het in de leden 1 en 2 bepaalde kan de werkgever met
instemming van de ondernemingsraad afwijken. Het in de
vorige volzin bedoelde besluit van de werkgever heeft dezelfde
rechtskracht als de bepalingen van deze CAO.

Artikel 10 Waarneming
1. De werknemer die - anders dan in het geval van vervanging
wegens vakantie - langer dan een maand aaneengesloten een
in een hogere functiegroep ingedeelde functie geheel of
nagenoeg geheel waarneemt, ontvangt voor elke maand van
de waarneming een vergoeding. Die vergoeding is gelijk aan
het verschil tussen zijn huidige salaris en het aanvangssalaris
van de functie in een hogere functiegroep, met een minimum
van twee periodieken. Het op deze wijze vermeerderde salaris
bedraagt hoogstens het maximum van de schaal van de hoger
ingedeelde functie die wordt waargenomen.
2. De werknemer die - anders dan in het geval van vervanging
wegens vakantie - langer dan een maand aaneengesloten een
hoger ingedeelde functie in een hogere functiegroep voor ten
minste de helft van de dagelijkse arbeidsduur waarneemt,
ontvangt voor elke maand van de waarneming een vergoeding.
Die vergoeding is gelijk aan het gestelde in lid 1 en wordt
berekend naar het gedeelte van zijn waarneming.
3. Van het in de leden 1 en 2 bepaalde kan de werkgever met
instemming van de ondernemingsraad afwijken. Het in de
vorige volzin bedoelde besluit van de werkgever heeft dezelfde
rechtskracht als de bepalingen van deze CAO.

Artikel 11 Gratificatie
1. De werknemer die onafgebroken in dienst van de werkgever is
geweest, heeft recht op een eenmalige gratificatie ten bedrage
van bruto een kwart van het salaris bij 12,5 jaar, netto de helft
van het salaris bij 25 jaar, en netto een heel salaris bij 40 jaar
dienst. Bij toekenning van ouderdomspensioen
of volledige
overbruggingsuitkering heeft de werknemer recht op een
gratificatie ten bedrage van bruto de helft van het salaris.
Heeft de contractuele arbeidsduur in de relevante dienstjaren
wijziging(en) ondergaan, dan wordt het maandsalaris naar
evenredigheid van die contractuele arbeidsduur verhoogd
of verlaagd.
2. Bij (ruil-)OBU of flexpensioen wordt de gratificatie toegekend
op het moment dat de werknemer een volledige OBU of
flexpensioen ontvangt en het dienstverband met de werkgever
niet voortzet. De berekening van de uitkering wordt gebaseerd
op de arbeidsduur op de dag voordat de werknemer gebruik
heeft gemaakt van de (ruil-)OBU c.q. van het flexpensioen.

Artikel 12 Salariëring werknemers in een instroom- en
doorstroombaan
1. Het salaris van een werknemer in een instroombaan bedraagt
vanaf het moment van indiensttreding achtereenvolgens en
met een interval van een jaar 100, 110, 115, 120, 125, 130%
van het voor hem geldend minimumloon.
Het salaris van een werknemer met een doorstroombaan
bedraagt vanaf het moment van indiensttreding of benoeming
daarin, achtereenvolgens en met een interval van een jaar 130,
135, 140, 145, 150% van het voor hem geldend minimumloon.
2. Een werknemer die vanuit een instroombaan doorstroomt en in
de oude functie een salaris ontving van 130% van het
minimumloon, wordt ten minste ingeschaald op 135%.
3. Behoudens het bepaalde in het Besluit in- en doorstroombanen
is artikel 6 van overeenkomstige toepassing. Artikel 2 is niet
van toepassing.
4. De werkgever zal zich inspannen om de werknemer bij
voldoende functioneren en bij aanwezigheid van een geschikte
functie binnen de instelling door te laten stromen naar een
reguliere arbeidsplaats.

Artikel 13 Eindejaarsuitkering
1. De werknemer die op 1 december van het betreffende
berekeningsjaar in dienst is van de werkgever heeft aanspraak
op een uitkering van 5,25% (per 01-12-2010 5,75%) van zijn
jaarsalaris. Onder jaarsalaris wordt verstaan 12 maal het op
1 december geldende salaris. De uitkering wordt in de maand
december aan de werknemer betaald en wordt minimaal
berekend over het salaris behorend bij inpassingstabelnummer
12. Voor de werknemer die in het desbetreffende kalenderjaar
in deeltijd heeft gewerkt en/of een deel van het kalenderjaar in
dienst is geweest en/of onbetaald verlof heeft genoten vindt
een berekening naar evenredigheid plaats.
2. Opleidelingen, die tijdens hun opleiding een arbeidsovereenkomst
met een andere werkgever in de ggz moeten aangaan,
bij het einde van het dienstverband een eindejaarsuitkering
van hun oude werkgever. De hoogte van deze eindejaaruitkering
wordt vastgesteld naar rato van het dienstverband over
het aantal gewerkte maanden met als peildatum de 1e van de
laatste maand dat de opleideling in dienst was.

Artikel 14 Bijdragen kost en inwoning
1. Zonodig maakt de werkgever in overleg met de ondernemingsraad
een regeling voor kost en inwoning.
2. De werknemer die in het kader van de uitoefening van zijn
functie in opdracht van de werkgever deelneemt aan een
maaltijd met patiënten, wordt daarvoor geen bijdrage
gevraagd.

Artikel 15 Geen salaris
Over de tijd waarin de werknemer in strijd met zijn verplichtingen
opzettelijk nalaat zijn werkzaamheden te verrichten, is de werkgever
hem geen salaris verschuldigd.

Artikel 16 Uitbetaling salaris
1. De werknemer moet uiterlijk twee dagen -zon- en feestdagen
niet meegerekend - voor het einde van de kalendermaand over
zijn salaris over die maand kunnen beschikken.
2. De vergoedingen als bedoeld in H10 Bijzondere diensten
worden uiterlijk aan het einde van de kalendermaand,
volgende op die waarin de aanspraken zijn ontstaan, aan de
werknemer uitbetaald.
3. Van wijzigingen in het salaris en in de salarisberekening
ontvangt de werknemer telkens schriftelijk, door middel van
een specificatie, mededeling.

Artikel 17 Levensloopbijdrage
De werknemer heeft aanspraak op een werkgeversbijdrage aan de
levensloopregeling van 1% (per 01-08-2010 0,5%) van zijn salaris.

Bijlage A: FWG-reglement
A Procedure voor toepassing van het
FWG functiewaarderingssysteem
Algemeen
De bij de indelings- en herindelingsprocedures genoemde termijnen
kunnen met instemming van de ondernemingsraad dan wel
werknemersvertegenwoordiging worden aangepast. Bestaande
afspraken over afwijkende termijnen binnen een instelling blijven
gehandhaafd indien de ondernemingsraad dan wel de werknemersvertegenwoordiging
daarmee instemt.
Afwijkende afspraken ten aanzien van de termijn waarbinnen een
werknemer zich tot de Landelijke Bezwaren Commissie (LBC) kan
wenden zijn niet mogelijk.

1. Indeling
De functies worden ingedeeld volgens onderstaande procedures met
behulp van het FWG functiewaarderingssysteem, hierna te noemen:
systeem.
Deze indeling geldt niet voor de functie van medisch specialist.
1.1 Invoering FWG 3.0 en voorbereiding indeling
a. Invoering van FWG 3.0 geschiedt per 01-01-2000 met uitzondering
van de instellingen die tot en met 2000 vielen onder de
CAO Verslavingszorg; voor deze geldt de invoeringsdatum
01-01-2001.
b. Basis voor de indeling is de daadwerkelijk uitgeoefende
functie, vastgelegd in een desbetreffende functiebeschrijving
conform kwaliteitscriteria (zie onder D Kwaliteitseisen etc. en E
Model Functiebeschrijving FWG) die door FWG-partijen in hun
FWG-overeenkomst zijn vastgesteld.
c. Indeling van de functie op basis van het FWG functiewaarderingssysteem
vindt plaats na vaststelling van de functie
overeenkomstig de desbetreffende functiebeschrijving.
d. De werkgever geeft aan wie binnen de instelling bevoegd is tot
het beheer van de FWG-instellingsbestanden (systeemdeskundige)
en tot het maken van een indelingsvoorstel met het
systeem (indelers). De werkgever waarborgt een juiste
systeemtoepassing en draagt in dit verband zorg voor adequate
opleiding en training van FWG-deskundigen en indelers.
e. De werknemer heeft binnen de instelling de mogelijkheid
schriftelijk en met redenen omkleed bezwaar te maken tegen
de functiebeschrijving binnen een termijn van 30 dagen (hetzij
een binnen de instelling met instemming van de ondernemingsraad
nader bepaalde termijn) nadat de werkgever hem
heeft geïnformeerd over het voorlopig besluit tot vaststelling
van de functiebeschrijving.
f. De werkgever zendt het bezwaarschrift van de werknemer
binnen 30 dagen na ontvangst ter advisering door naar de
Interne Bezwaren Commissie FWG. Deze termijn kan met
instemming van de werknemer worden verlengd.
g. De Interne Bezwaren Commissie brengt binnen 30 dagen na
ontvangst van de adviesaanvraag advies uit aan de werkgever.
h. De werkgever beslist en informeert de werknemer schriftelijk
binnen een termijn van 30 dagen na ontvangst van het advies
van de Interne Bezwaren Commissie over de definitieve
vaststelling van de functiebeschrijving. De werkgever kan
gemotiveerd eenmalig de termijn van 30 dagen verlengen.
Wanneer de werkgever binnen de geldende termijn geen
besluit bekend maakt, dan wordt het bezwaar van de
werknemer geacht te zijn toegewezen.
1.2 FWG waardering en indeling van de functie
a. Met behulp van het systeem bepaalt de werkgever de
FWG-waardering en -indeling van de functie.
b. De werknemer heeft binnen de instelling de mogelijkheid
schriftelijk en met redenen omkleed bezwaar te maken tegen
de FWG-waardering en -indeling van de functie, binnen een
termijn van 30 dagen, nadat de werkgever hem/haar heeft
geïnformeerd over het voorlopig indelingsbesluit.
c. De werkgever zendt het bezwaarschrift van de werknemer
binnen 30 dagen na ontvangst ter advisering door naar de
Interne Bezwaren Commissie FWG. Deze termijn kan met
instemming van de werknemer worden verlengd.
d. De Interne Bezwarencommissie brengt binnen 30 dagen na
ontvangst van de adviesaanvraag advies uit aan de werkgever.
e. De werkgever beslist en informeert de werknemer schriftelijk
binnen een termijn van 30 dagen na ontvangst van het advies
van de Interne Bezwaren Commissie over de definitieve
waardering en indeling van de functie. De werkgever kan
gemotiveerd eenmalig de termijn van 30 dagen verlengen.
Wanneer de werkgever binnen de geldende termijn geen
besluit neemt dan wordt het bezwaar van de werknemer
geacht te zijn toegewezen.
f. Als de werknemer bezwaar houdt tegen het indelingsbesluit
dan kan hij zich vervolgens binnen 60 dagen tot de Landelijke
Bezwaren Commissie FWG wenden (zie C hierna).
1.3 Berichtgeving aan werknemers bij invoering FWG 3.0
over de functiebeschrijving en indeling
De werknemer wordt bij invoering van FWG 3.0 als volgt
geïnformeerd:
a. schriftelijk: in het geval sprake is van een ongewijzigde
indeling met FWG 3.0. De werknemer ontvangt een kopie van
de volgens de FWG-kwaliteitscriteria uitgewerkte functiebeschrijving
alsmede schriftelijke mededeling omtrent de
waardering en indeling van de functie;
b. schriftelijk, met de mogelijkheid tot een gesprek: in het geval
sprake is van een hogere indeling met FWG 3.0. De werknemer
ontvangt een kopie van de volgens de FWG kwaliteitscriteria
uitgewerkte vastgestelde functiebeschrijving alsmede
schriftelijke mededeling omtrent de waardering en indeling
van de functie;
c. schriftelijk en een gesprek: in het geval sprake is van een lagere
indeling met FWG 3.0. De werknemer ontvangt een kopie
volgens de FWG-kwaliteitscriteria uitgewerkte vast-
gestelde functiebeschrijving alsmede schriftelijke mededeling
omtrent de waardering en indeling van de functie.

2. Herindeling
Het gebruik van FWG na invoering van FWG 3.0.
Algemeen
Na de eenmalige indeling van functies volgens het nieuwe
functiewaarderingssysteem zullen zich regelmatig situaties
voordoen, waarin (indeling of) herindeling van functies moet
plaatsvinden.
De herindelingsprocedure kan niet eerder worden aangevangen dan
een jaar na de datum van het (her)indelingsbesluit waarbij de
functie laatstelijk is vastgesteld.
Voor herindeling bij een voorlopige functie-indeling zie onder 2.1.c.
2.1 Uitgangspunten bij de herindeling
a. Wijziging van en aanvullingen op het functiemateriaal
Wanneer partijen bij de CAO overeenkomen om het systeem of
de systeeminhoud aan te passen, dan dient de werkgever tot
heroverweging van (een) bestaande functie-indeling(en) over
te gaan, indien en voor zover de aanpassingen direct
betrekking hebben op die bestaande functie-indeling(en).
b. Wezenlijke verandering van de functie-inhoud
De werkgever dient tot toetsing c.q. heroverweging van (een)
functie-indeling(en) over te gaan, overeenkomstig de in dit
hoofdstuk opgenomen procedure, indien sprake is van
wezenlijke verandering van de inhoud van (een) functie(s).
Wanneer redelijkerwijs verondersteld mag worden dat de
functie-inhoud en/of functie-eisen niet meer aansluiten bij de
functie of het niveau, zoals deze laatstelijk is vastgesteld bij de
(her)indeling, is sprake van een wezenlijke verandering van een
functie.
Bij de beoordeling of sprake is van een wezenlijke verandering
van de functie-inhoud dient de inhoud van de functie van de
betrokken werknemer te worden geïnventariseerd.
c. Voorlopige functie-indeling
Indien de werkgever een nieuwe functie voorlopig heeft
ingedeeld kan de werknemer 6 maanden na deze voorlopige
indeling een schriftelijk en gemotiveerd verzoek tot herindeling
indienen. Vervolgens zal de werkgever binnen 90 dagen
overgaan tot het starten van de herindelingsprocedure.
2.2 Herindelingsprocedure
De herindelingsprocedure verloopt in twee fasen. Op basis van
de hiervoor onder 1 omschreven uitgangspunten kan zowel de
werkgever als de werknemer het initiatief nemen tot het starten van
een herindelingsprocedure.
a. De eerste fase bestaat uit:
* een toetsing door de werkgever (dan wel een door de
werkgever daartoe aangewezen functionaris) van het
initiatief tot herindeling;
* dan wel een nadere overweging door de werkgever of en zo
ja welke de gevolgen zijn van wijziging van en/of aanvullingen
op het systeem;
* dan wel een afwijzing door de werkgever van het door de
werknemer ingediende verzoek tot herindeling.
- De werknemer heeft de mogelijkheid schriftelijk en met
redenen omkleed bezwaar te maken tegen de afwijzing
van het door de werknemer ingediende verzoek tot
herindeling binnen een termijn van 30 dagen nadat
werkgever hem heeft geïnformeerd over de afwijzing van
het herindelingsverzoek.
- De werkgever zendt het bezwaarschrift van de werknemer
binnen 30 dagen ter advisering door naar de Interne
Bezwaren Commissie (IBC). Deze termijn kan met
instemming van de werknemer worden verlengd.
- De Interne Bezwaren Commissie (IBC) brengt binnen 30
dagen na ontvangst van de adviesaanvraag advies uit
aan de werkgever.
- De werkgever beslist en informeert de werknemer
schriftelijk binnen een termijn van 30 dagen na het
ontvangen van het advies van de Interne Bezwaren
Commissie (IBC) over het al dan niet starten van de
herindelingsprocedure. Indien de IBC de werkgever
adviseert de herindelingsprocedure te doen laten
aanvangen, dan is de werkgever daartoe gehouden.
b. In de tweede fase legt de werkgever de nieuwe functiebeschrijving
inclusief de (nieuwe) waardering en -indeling van de
functie voor aan de werknemer, als de voornoemde inventarisatie
daartoe aanleiding geeft.
- De werknemer heeft de mogelijkheid schriftelijk en met
redenen omkleed bezwaar te maken tegen de functiebeschrijving
en/of de functiewaardering en -indeling binnen
een termijn van 30 dagen nadat de werkgever hem heeft
geïnformeerd over het voorlopige besluit tot vaststelling
van de functiebeschrijving.
- De werkgever zendt het bezwaarschrift van de werknemer
binnen 30 dagen ter advisering door naar de Interne
Bezwaren Commissie (IBC). Deze termijn kan met instemming
van de werknemer worden verlengd.
- De Interne Bezwaren Commissie (IBC) brengt binnen
30 dagen na ontvangst van de adviesaanvraag advies uit
aan de werkgever.
- De werkgever beslist en informeert de werknemer
schriftelijk binnen een termijn van 30 dagen na het
ontvangen van het advies van de Interne Bezwaren
Commissie (IBC) over de definitieve vaststelling van de
functiebeschrijving en de functiewaardering en -indeling.
De werkgever kan gemotiveerd eenmalig de termijn van
30 dagen verlengen met maximaal 60 dagen. Wanneer de
werkgever binnen de geldende termijn geen besluit bekend
maakt dan wordt het bezwaar van de werknemer geacht te
zijn toegewezen.
- Als de werknemer bezwaar houdt tegen het indelingsbesluit
dan kan hij zich vervolgens binnen 60 dagen tot
de Landelijke Bezwaren Commissie FWG wenden
(zie C hierna).

3. Herbeschrijving
Deze paragraaf wordt momenteel geactualiseerd. Op
www.ggznederland.nl vindt u de juiste tekst in de digitale CAO GGZ.
B Reglement Interne Bezwaren
Commissie (IBC)

Artikel 1 Taak
De instelling heeft een door de werkgever
1. ingestelde Interne Bezwaren Commissie FWG, hierna te noemen IBC.
2. De IBC heeft tot taak de werkgever van advies te dienen:
* bij een bezwaar dat door een werknemer bij de werkgever is
ingediend tegen een besluit bij de invoering van FWG 3.0
inzake de voor de werknemer geldende functiebeschrijving
als bedoeld in Bijlage A, onder A.1.1;
* bij een bezwaar dat door een werknemer bij de werkgever is
ingediend tegen een besluit bij de invoering van FWG 3.0
inzake de waardering en indeling van de voor de werknemer
geldende functie als bedoeld in Bijlage A, onder A.1.2;
* bij een bezwaar dat door een werknemer bij de werkgever is
ingediend tegen een afwijzing van het door de werknemer
ingediende verzoek tot herindeling als bedoeld in Bijlage A
onder A.2.2.a;
* bij een bezwaar dat door een werknemer bij de werkgever is
ingediend tegen een herindelingsbesluit inzake de voor de
werknemer geldende functiebeschrijving en/of functiewaardering
en -indeling als bedoeld in Bijlage A onder A.2.2.b.

Artikel 2 Samenstelling
De IBC wordt gevormd door twee leden aan te wijzen door de
directie van de instelling en twee leden aan te wijzen door de
ondernemingsraad c.q. de werknemersvertegenwoordiging van
de instelling en een door hen gezamenlijk aan te wijzen voorzitter.
In de regel zullen de leden van de IBC werknemer zijn vanuit de
instelling; in overleg kan worden besloten niet-werknemers op
te nemen.

Artikel 3 Werkwijze
1. De IBC bevestigt terstond aan de werkgever de ontvangst van
de adviesaanvraag van de werkgever, het bezwaarschrift van
de werknemer en de daarop betrekking hebbende bescheiden.
Een afschrift van deze bevestiging gaat naar de werknemer.
Desgevraagd door de IBC leggen de werkgever,
2. respectievelijk de werknemer de overige door IBC terzake relevant geachte
bescheiden over. Deze bescheiden worden tevens aan de
wederpartij gezonden.
3. Vervolgens hoort de IBC de werknemer en de werkgever(
svertegenwoordiger). De werknemer kan zich tijdens dit
gesprek laten bijstaan door een derde. Dit gesprek vindt bij
voorkeur plaats in aanwezigheid van zowel de werkgever als
de werknemer.
4. Als de werknemer zich laat bijstaan door een derde komen de
eventuele kosten hiervan voor rekening van de werknemer.

Artikel 4 Advies
1. De IBC adviseert de werkgever, indien door de werknemer een
bezwaarschrift is ingediend in het kader van artikel 1, lid 2.
2. Binnen 30 dagen na ontvangst van de adviesaanvraag brengt
de IBC schriftelijk en gemotiveerd advies uit aan de werkgever
en zendt een afschrift van dit advies aan de werknemer. In het
advies worden ook de eventuele minderheidsstandpunten
vermeld.
3. Het advies van de IBC is “zwaarwegend”, indien de werkgever
besluit het advies niet over te nemen moet hij dit voor de
werknemer motiveren.
4. Indien de IBC de werkgever adviseert de herindelingsprocedure
te doen laten aanvangen, naar aanleiding van een bezwaar
van de werknemer tegen een afwijzing van het door de
werknemer ingediende verzoek tot herindeling, dan is de
werkgever daartoe gehouden.

Artikel 5 Rol ondernemingsraad
De instelling kan met instemming van de ondernemingsraad:
* van de in artikel 2 genoemde samenstelling van de IBC
afwijken;
* dit reglement wijzigen en/of aanvullen.

C Reglement Landelijke Bezwaren
Commissie (LBC)

Artikel 1 Taak
De Landelijke Bezwaren Commissie FWG, hierna te noemen LBC,
heeft tot taak een oordeel te geven over de waardering en/of de
indeling van een functie indien na het doorlopen van de procedure
binnen de instelling hierover nog een geschil blijft bestaan tussen
de werknemer en de werkgever. De LBC is alleen toegankelijk indien
de procedure binnen de instelling volledig is doorlopen en afgerond
en indien het bezwaar schriftelijk wordt ingediend door de werk-
nemer bij de LBC binnen 60 dagen nadat de werkgever het indelings-
besluit aan de werknemer schriftelijk heeft bekend gemaakt.

Artikel 2 Ontvankelijkheid
1. Een bezwaar is ontvankelijk, indien het bezwaar tot de
competentie van de LBC behoort als bedoeld in artikel 1 en
voldaan is aan het gestelde in lid 2 en artikel 3 lid 1.
2. Een bezwaarschrift dient onderbouwd te zijn met de volgende
documenten:
a. de vastgestelde functiebeschrijving;
b. het indelingsbesluit van de werkgever (waardering en
indeling);
c. het bezwaarschrift intern;
d. de uitgewisselde documenten van de IBC-procedure;
e. het advies van de IBC;
f. het voor bezwaar vatbare indelingsbesluit van de werkgever
na de IBC-procedure;
g. het bezwaarschrift voor de LBC.
3. Een ingediend voorlopig bezwaarschrift kan door de LBC
niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de
gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een
door de LBC gestelde termijn.

Artikel 3 Griffiekosten
1. De klager moet bij het indienen van het bezwaarschrift
griffiekosten
voldoen ad € 136.
2. De behandelkosten bedragen bij een standaardprocedure
€ 454.
3. In het geval de LBC besluit geschilpartijen te horen kan een
bedrag in rekening worden gebracht. In het geval de LBC
besluit extern advies of informatie te vragen, dan worden de
kosten daarvan in rekening gebracht.
4. Indien de LBC besluit tot afwijking van de standaardprocedure
worden de geschilpartijen hierover en over de met de
afwijkende behandeling samenhangende kosten vooraf
geïnformeerd.
5. De kosten worden na afloop van de behandeling van het
bezwaarschrift in rekening gebracht bij de in het ongelijk
gestelde partij. Indien de werknemer in het gelijk wordt
gesteld ontvangt hij de griffiekosten retour en worden deze
kosten bij de werkgever in rekening gebracht.
6. Indien een bezwaarschrift niet ontvankelijk wordt verklaard,
zendt de secretaris de ontvangen documenten retour. De
griffiekosten worden niet aan de klager gerestitueerd.

Artikel 4 Uitspraak
De LBC doet - zo mogelijk binnen 60 dagen nadat het bezwaar in
behandeling is genomen - een bindende uitspraak.
Artikel 5 Reglement
Samenstelling, werkwijze en financiering van de LBC is nader
geregeld in een tussen CAO-partijen geldend reglement. Een
exemplaar van dit reglement wordt bij indiening van het bezwaarschrift
aan de beide geschilpartijen toegezonden.

D Kwaliteitseisen te stellen aan
functiebeschrijvingen en de wijze
van het beschrijven van functies
1. Vooraf
Voor het toepassen van FWG 3.0 is het nodig dat de werkgever
de van toepassing zijnde functiebeschrijvingen vaststelt. De
werknemer
kan wanneer hij het niet eens is met zijn functiebeschrijving
bij de interne bezwarencommissie (IBC) bezwaar maken; deze
commissie adviseert vervolgens de werkgever. De functiebeschrijvingen
moeten een goed beeld geven van de op het moment
van beschrijven binnen de organisatie/binnen het organisatiedeel
uitgeoefende functies. Belangrijk daarbij is dat functies weliswaar
op zich staande samenvoegingen van taken en verantwoordelijkheden
zijn, maar doordat ze in organisatorisch verband worden
uitgeoefend sterk aan elkaar zijn gerelateerd/sterk van elkaar
afhankelijk zijn. Het is daarom zinvol de functies binnen een
organisatorische eenheid op soortgelijke wijze en in onderlinge
samenhang te beschrijven.
2. Inhoud
De functiebeschrijving moet informatie bevatten over:
a. plaats:
het is aanbevelenswaardig om uit te gaan van de doelstelling van
de instelling en de daarvan afgeleide doelstelling van de organisatorische
eenheid. Vandaar uit kan dan de functie gepositioneerd
worden. In de functiebeschrijving kan tevens de doelstelling van
de organisatorische eenheid en/of de functie worden geven.
Indien dit een toevoeging is aan/of indien dit wenselijk is voor het
beeld van de functie kan de aard, de frequentie en de doelstelling
van de contacten worden weergegeven.
Opsommingen hoeven
niet te worden gegeven.
b. functie-inhoud:
de functie-inhoud moet duidelijk en volledig omschreven
worden. Dit hoeft echter niet te leiden tot eindeloze opsommingen.
Nadrukkelijk moet worden vermeld dat
de beschrijving de actuele situatie (IST-situatie) moet
weergeven.
c. relevante toelichting ten aanzien van de waarderingsgezichtspunten:
FWG is gebaseerd op een analytische puntenmethode die een
veelheid van aspecten binnen een functie waardeert. De
aspecten zijn gegroepeerd in de volgende gezichtspunten:
* Kennis;
* Zelfstandigheid;
* Sociale Vaardigheden;
* Risico’s Verantwoordelijkheden en Invloed;
* Uitdrukkingsvaardigheid;
* Bewegingsvaardigheid;
* Oplettendheid;
* Overige functie-eisen;
* Inconveniënten.
3. Kwaliteitseisen
Een functiebeschrijving moet kort en helder de actuele lokale
situatie weergegeven. De set functiebeschrijvingen van de
organisatorische eenheid (team, unit, afdeling, dienst, sector etc.)
moet een volledig beeld geven van de activiteiten van de organisatorische
eenheid inclusief de werkverdeling daarbinnen.
4. Relatie functie - functionaris
Zeker in de gezondheidszorg is er bij zeer veel functies een grote
relatie tussen de functie en datgene wat de functionaris in zich
heeft. Meer dan wellicht buiten de zorgsector het geval is, kan de
functievervuller de functie en het resultaat van het functioneren
mede bepalen. Functiewaardering blijft gericht op het waarderen
van de functie in organisatorisch verband. Dit wil zeggen dat daar
waar de persoonlijke invloed op de functie groot wordt er een
spanningsveld gaat ontstaan tussen datgene wat de organisatie in
de functie onderbrengt en datgene wat de functionaris realiseert.
5. Wie stelt de functiebeschrijving op?
De werkgever laat de functiebeschrijving opstellen. De werkgever
kan dat laten doen door de leidinggevende, door een P&O-medewerker
of door de functievervuller.
Ook een combinatie is denkbaar; de leidinggevende van de
organisatorische eenheid kan bijvoorbeeld de plaats en de
doelstelling vaststellen, de functievervuller kan hetzij de aanzet
geven voor, hetzij het deel invullen van de taken/resultaten en de
afdeling P&O kan bijvoorbeeld de relevante functie-eisen formuleren.
De functiebeschrijving moet worden gedateerd en formeel worden
vastgesteld. Het formeel vaststellen vindt plaats door of namens de
directie waarbij het aanbevelenswaardig is dat de functievervuller(s)
akkoord gaat/gaan. Dit is echter geen vereiste.
E Model functiebeschrijving
Dit model geeft weer hoe de functiebeschrijving kan worden vormgegeven.
De werkgever is echter vrij dit naar eigen inzicht
aan te passen, waarbij hij zich houdt aan de door CAO-partijen
geformuleerde kwaliteitseisen.
Voorblad
Naam instelling
Eventueel adres LOGO instelling
Naam organisatorische eenheid
Functienaam
Naam functionaris
Naam opsteller
Datum
Akkoord werknemer ja/nee
Vastgesteld door/namens directie
(naam plus functie)
Datum
Codes, archiefnummers, functienummers etc. kunnen worden
toegevoegd.

A. Plaats in de organisatie
1. Doelstelling organisatorische eenheid
Indien deze eenheid deel uitmaakt van een groter geheel kan
ook daarvan de doelstelling worden weergegeven
2. Plaats van de functie binnen de organisatorische eenheid
Hierbij kan worden aangegeven van wie de functionaris
hiërarchisch en/of functioneel leiding ontvangt, aan wie de
functionaris hiërarchisch leiding geeft en/of aan wie de
functionaris functioneel leiding geeft.
3. Doelstelling van de functie.
4. Indien verhelderend/toegevoegd: de aard, de frequentie en
de doelstelling van de contacten.

B. Functie-inhoud
De werkgever bepaalt de indeling van de functiebeschrijving. Het is
daarbij aanbevelingswaardig de functies binnen een organisatorische
eenheid op identieke wijze te beschrijven.
De taken die verricht worden dienen te worden beschreven. Door
een logische weergave van de taken ontstaat een beeld van de
bereikte resultaten. Deze methode van beschrijven sluit het best
aan bij de in het FWG 3.0 systeem opgenomen ijkfuncties. Het
beschrijven van de resultaten is ook een mogelijkheid, zo ontstaat
een beeld van hoe de functionaris actief is en waarvoor hij/zij
verantwoordelijk is.
Een derde mogelijkheid is het beschrijven van de verantwoordelijkheden
die naar de functionaris zijn gedelegeerd. Bij deze variant is
het veelal moeilijker een beeld te vormen van de activiteiten en de
resultaten. Hierdoor is deze mogelijkheid waarschijnlijk alleen
toepasbaar in die situaties waarbij de wijze waarop de verantwoordelijkheden
worden gerealiseerd overduidelijk is of van zeer ondergeschikt
belang voor het bepalen van het niveau van de functie.
Mede afhankelijk van de keuze die de werkgever hier maakt, komt
er meer of minder nadruk op de toelichting.

C. Relevante toelichting t.a.v. waarderingsgezichtspunten
Het vernieuwde FWG-systeem is gebaseerd op een analytische
puntenmethode. Hoewel deze punten methode slechts door
specialisten van FWG CV wordt gehanteerd, is het voor de niveaubepaling
binnen de instelling noodzakelijk om de relevante zaken
ten aanzien van de waarderingsgezichtspunten toe te lichten.
Om uitputtende opsommingen te voorkomen kunnen de zeer voor
de hand liggende zaken, logischerwijs volgend uit de functienaam,
de doelstelling of de omschrijving van taken, resultaten of verantwoordelijkheden,
achterwege blijven.
1. Kennis
Kennis betreft de voor functie-uitoefening benodigde theoretische
en praktische kennis. De achtergrondkennis welke noodzakelijk is
voor het kennen en begrijpen van feiten en gegevens en/of om
verbanden te leggen daartussen is eveneens van belang. Uiteraard
spelen algemene kennis/ontwikkeling en vakkennis een rol.
Daarnaast is het van belang welke kennis noodzakelijk is van andere
vakwerkgebieden en in welke mate deze kennis zich ontwikkelen
moet. Diploma’s en opleidingen zijn in deze slechts indicatief
aangezien daarbij bezien moet worden welk deel van de daarbij
verworven kennis en kunde gebruikt wordt in de functie en wat
daaraan op andere wijze is toegevoegd.
2. Zelfstandigheid
Zelfstandigheid betreft de mate waarin in de functie problemen
moeten worden opgelost alsmede de wijze waarop dat gebeurt.
De aan een functionaris in de functie toegestane vrijheden en
bevoegdheden, de opgedragen verantwoordelijkheden, de
complexiteit van de problematiek, het aantal mogelijke oplossingen
en de wijze waarop het werk is georganiseerd spelen daarbij een rol.
Daarnaast wordt het vermogen tot probleemoplossing bepaald door
beoordelingsvermogen, organisatievermogen, vindingrijkheid,
creativiteit en besluitvaardigheid. De zelfstandigheid wordt beperkt
door de gebondenheid aan al dan niet expliciet geformuleerde
richtlijnen, voorschriften, procedures, handleidingen, routines,
protocollen etc. De mogelijke terugval op leidinggevenden
of
anderen en/of de mate van steun/toezicht en/of controle achteraf
werkt eveneens beperkend.
Het niet lijfelijk aanwezig zijn van een leidinggevende of vraagbaak
werkt slechts verhogend indien de terugval niet via communicatiemiddelen
en/of genoemde richtlijnen etc. gerealiseerd kan worden.
3. Sociale Vaardigheden
Sociale vaardigheden betreffen de eisen die vanuit de functie
worden gesteld in verband met de uit de functie voorkomende
interne en externe contacten gericht op het realiseren van de
zorgdoelstelling maar ook eisen die betrekking hebben op het
functioneren binnen de organisatie. In een aantal gevallen betreft
dit ook het laten functioneren van (een deel van) de organisatie.
Van belang zijn de voor de functie noodzakelijke vaardigheden om
effectieve en doelgerichte relaties tussen (groepen van) mensen op
te bouwen en te onderhouden alsmede de intensiteit en de
doelstelling van deze relaties. Daarnaast zijn de veelheid en de
verscheidenheid van de contacten/relaties van belang alsmede de
omstandigheden waaronder deze opgebouwd en/of onderhouden
moeten worden.
Kennis van intermenselijke verhoudingen scoort, indien van
toepassing binnen de functie, bij het gezichtspunt kennis. Het zich
vooraf of tijdens de relatie beraden om moeilijkheden te voorkomen
of op te lossen behoort tot zelfstandigheid.
4. Risico’s, Verantwoordelijkheden en Invloed
Risico’s betreft de materiële en/of immateriële schade die kan
ontstaan ondanks dat functionaris zich tot het uiterste inspant om
schade te voorkomen. Van belang zijn de hoogte van de schade en
de frequentie waarin onvermijdbare risico’s in relatie tot de
gevraagde kwaliteit voorkomen. Verantwoordelijkheid betreft de
formeel aan functionaris opgedragen verantwoordelijkheid met
betrekking tot de realisatie van de zorgdoelstelling en/of de
bedrijfsvoering van (een deel van) de instelling.
Invloed betreft de mate van invloed die functionaris vanuit de
functie, direct of indirect heeft op de zorgdoelstelling en/of de
bedrijfsvoering van (een deel van) de instelling.
5. Uitdrukkingsvaardigheid
Uitdrukkingsvaardigheid betreft de uit de functie voortvloeiende
vereisten ten aanzien van mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid
in de eigen en/of vreemde talen. Noodzakelijke
doelbewuste non-verbale communicatievaardigheid is van belang
indien mondeling en/of schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid
onvoldoende middelen zijn om communicatie tot stand te brengen.
6. Bewegingsvaardigheid
Bewegingsvaardigheid betreft de uit de functie voortvloeiende
vereisten om bewegingspatronen, die door training zijn te leren,
te beheersen. Zowel bewegingspatronen in technische zin (het
bedienen van machines) als in manuele zin (massage) en/of het
besturen van voertuigen zijn van belang indien dit frequent in de
functie voorkomt.
Het kennen van de bewegingspatronen scoort bij Kennis, de
mogelijke risico’s bij onjuist handelen scoren bij Risico’s,
Verantwoordelijkheden en Invloed.
7. Oplettendheid
Oplettendheid betreft de mate waarin aandacht en opmerkzaamheid
in het werk moeten worden opgebracht. Naast de duur en de
frequentie spelen daarbij ook de hoeveelheid gelijktijdig optredende
factoren, de aard en de snelheid van opeenvolging van deze factoren
een rol. Tevens is van belang de verlangde mate van zekerheid dat
niets over het hoofd wordt gezien, naast de oplettendheid bemoeilijkende
factoren zoals rust of onrust in de werkomgeving en/of de
monotonie c.q. de hectiek in de functie.
8. Overige functie-eisen
Specifieke eisen te stellen aan persoonlijke eigenschappen betreft de
uit de functie voortvloeiende eisen ten aanzien van zaken als
hygiëne, ordelijkheid, geduld, doorzettingsvermogen, eerlijkheid,
objectiviteit, geheimhouding etc.
9. Inconveniënten
Inconveniënten betreft de bezwarende werkomstandigheden,
de fysieke en/of de psychische belasting en de mate waarin de
functionaris als persoon risico’s op letsel loopt. Bezwarende
omstandigheden ontstaan door frequent of langdurig werken onder
slechte omstandigheden (stof, rook, lawaai) en/of met gevaarlijke
of onaangename materialen.
Fysieke belasting treedt op door het frequent of langdurig moeten
leveren van krachtsinspanning of door werken in een onnatuurlijke
houding.
Psychische belasting treedt op door het geconfronteerd worden met
lijden en leed en/of door het moeten realiseren van taken onder
extern opgelegde tijdsdruk of onder zakelijke spanning.
Persoonlijk risico betreft de frequentie en de mate waarin de
functionaris risico’s loopt op tijdelijk of blijvend letsel, hoewel hij/zij
risicomijdend werkt volgens voorschriften en gebruik maakt van
beschermende hulpmiddelen.

Bijlage B: Salarisschalen per functiegroep en salarisschaal medisch specialisten per 01-10-2009

 

Functiegroep 10

Aanloopschaal 09

 

Euro

Funct.schaal 10a

 

Euro

Funct.schaal 10b

 

Euro

0

B

1.329

0

4

1441

4

8

1603

1

3

1.387

1

5

1494

5

9

1645

 

 

 

2

6

1523

6

10

1690

 

 

 

3

7

1563

7

11

1742

 

 

 

 

 

 

8

12

1796

 

Functiegroep 15

Aanloopschaal 14

 

Euro

Funct.schaal 15a

 

Euro

Funct.schaal 15b

 

Euro

0

2

1362

0

5

1494

5

10

1690

1

3

1387

1

6

1523

6

11

1742

2

4

1441

2

7

1563

7

12

1796

 

 

 

3

8

1603

8

13

1857

 

 

 

4

9

1645

9

14

1918

 

Functiegroep 20

Aanloopschaal 19

 

Euro

Funct.schaal 20a

 

Euro

Funct.schaal 20b

 

Euro

0

3

1387

0

6

1523

5

11

1742

1

4

1441

1

7

1563

6

12

1796

2

5

1494

2

8

1603

7

13

1857

 

 

 

3

9

1645

8

14

1918

 

 

 

4

10

1690

9

15

1974

 

 

 

 

 

 

10

16

2038

 

Functiegroep 25

Aanloopschaal 24

 

Euro

Funct.schaal 25a

 

Euro

Funct.schaal 25b

 

Euro

0

4

1441

0

7

1563

5

13

1857

1

5

1494

1

9

1645

6

14

1918

2

6

1523

2

10

1690

7

15

1974

 

 

 

3

11

1742

8

16

2038

 

 

 

4

12

1796

9

17

2089

 

 

 

 

 

 

10

18

2151

 

Functiegroep 30

Aanloopschaal 29

 

Euro

Funct.schaal 30a

 

Euro

Funct.schaal 30b

 

Euro

0

6

1523

0

8

1603

5

15

1974

1

7

1563

1

10

1690

6

16

2038

 

 

 

2

12

1796

7

17

2089

 

 

 

3

13

1857

8

18

2151

 

 

 

4

14

1918

9

19

2208

 

 

 

 

 

 

10

20

2267

 

Functiegroep 35

Aanloopschaal 34

 

Euro

Funct.schaal 35a

 

Euro

Funct.schaal 35b

 

Euro

0

8

1603

0

10

1690

5

17

2089

1

9

1645

1

12

1796

6

18

2151

 

 

 

2

14

1918

7

19

2208

 

 

 

3

15

1974

8

20

2267

 

 

 

4

16

2038

9

21

2325

 

 

 

 

 

 

10

22

2383

 

Functiegroep 40

Aanloopschaal 39

 

Euro

Funct.schaal 40a

 

Euro

Funct.schaal 40b

 

Euro

0

10

1690

0

12

1796

6

20

2267

1

11

1742

1

14

1918

7

21

2325

 

 

 

2

16

2038

8

22

2383

 

 

 

3

17

2089

9

23

2442

 

 

 

4

18

2151

10

24

2502

 

 

 

5

19

2208

11

25

2562

 

 

 

 

 

 

12

26

2626

 

Functiegroep 45

Aanloopschaal 45

 

Euro

Funct.schaal 45a

 

Euro

Funct.schaal 45b

 

Euro

0

10

1690

0

16

2038

6

24

2502

1

12

1796

1

18

2151

7

25

2562

2

14

1918

2

20

2267

8

26

2626

 

 

 

3

21

2325

9

27

2691

 

 

 

4

22

2383

10

28

2748

 

 

 

5

23

2442

11

29

2812

 

 

 

 

 

 

12

30

2876

 

Functiegroep 50

Aanloopschaal 49

 

Euro

Funct.schaal 50a

 

Euro

Funct.schaal 50b

 

Euro

0

14

1918

0

21

2325

6

30

2876

1

16

2038

1

23

2442

7

31

2935

2

18

2151

2

25

2562

8

32

2996

3

20

2267

3

27

2691

9

33

3058

 

 

 

4

28

2748

10

34

3122

 

 

 

5

29

2812

11

35

3180

 

Functiegroep 55

Aanloopschaal 54

 

Euro

Funct.schaal 55a

 

Euro

Funct.schaal 55b

 

Euro

0

19

2208

0

26

2626

6

36

3240

1

21

2325

1

28

2748

7

37

3306

2

23

2442

2

30

2876

8

38

3375

3

25

2562

3

32

2996

9

39

3443

 

 

 

4

34

3122

10

40

3504

 

 

 

5

35

3180

11

41

3571

 

Functiegroep 60

Aanloopschaal 59

 

Euro

Funct.schaal 60a

 

Euro

Funct.schaal 60b

 

Euro

0

25

2562

0

32

2996

5

42

3637

1

27

2691

1

34

3122

6

44

3764

2

29

2812

2

36

3240

7

45

3820

3

31

2935

3

38

3375

8

46

3878

 

 

 

4

40

3504

9

47

3937

 

 

 

 

 

 

10

48

3995

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Functiegroep 65

Aanloopschaal 64

 

Euro

Funct.schaal 65a

 

Euro

Funct.schaal 65b

 

Euro

0

32

2996

0

40

3504

6

52

4231

1

34

3122

1

42

3637

7

54

4349

2

36

3240

2

44

3764

8

56

4467

3

38

3375

3

46

3878

9

57

4525

 

 

 

4

48

3995

10

58

4583

 

 

 

5

50

4113

11

59

4644

 

 

 

 

 

 

12

60

4702

 

Functiegroep 70

Aanloopschaal 69

 

Euro

Funct.schaal 70a

 

Euro

Funct.schaal 70b

 

Euro

0

42

3637

0

50

4113

6

66

5085

1

44

3764

1

53

4291

7

68

5233

2

46

3878

2

56

4467

8

70

5379

3

48

3995

3

59

4644

9

71

5453

 

 

 

4

62

4820

10

72

5528

 

 

 

5

64

4939

11

73

5602

 

 

 

 

 

 

12

74

5675

Functiegroep 75

Aanloopschaal 74

 

Euro

Funct.schaal 75a

 

Euro

Funct.schaal 75b

 

Euro

0

54

4349

0

62

4820

7

80

6143

1

56

4467

1

65

5011

8

82

6308

2

58

4583

2

68

5233

9

83

6390

3

60

4702

3

71

5453

10

84

6473

 

 

 

4

74

5675

11

85

6569

 

 

 

5

76

5823

12

86

6667

 

 

 

6

78

5978

13

87

6762

 

 

 

 

 

 

14

88

6859

 

Functiegroep 80

Aanloopschaal 69

 

Euro

Funct.schaal 70a

 

Euro

Funct.schaal 70b

 

Euro

0

66

5085

0

74

5675

7

92

7244

1

68

5233

1

77

5896

8

94

7439

2

70

5379

2

80

6143

9

95

7535

3

72

5528

3

83

6390

10

96

7633

 

 

 

4

86

6667

11

97

7730

 

 

 

5

88

6859

12

98

7826

 

 

 

6

90

7051

13

99

7924

 

 

 

 

 

 

14

100

8021

 

Salarisschaal Medisch specialisten per 01-08-2009

Trede

Euro

0

4598

1

5171

2

5744

3

6315

4

6890

5

7462

6

8035

CAO GGZ 2009-2011 Salarisschalen per functiegroep, niveau 01-08-2010

Functiegroep 10

Aanloopschaal 09

Euro Funct.schaal 10a Euro Funct.schaal 10b Euro
0 B 1.42 0 4 1455 4 8 1619
1 3 1401 1 5 1509 5 9 1661
2 6 1537 6 10 1707
3 7 1579 7 11 1759
8 12 1814

Functiegroep 15

Aanloopschaal 14

Euro Funct.schaal 15a

Euro Funct.schaal 15b
Euro
0 2
1376 0 5
1509
5
10
1707
1 3
1401 1 6
1538 6
11
1759
2
4
1455
2 7
1579 7
12
1814



3 8
1619 8
13 1875



4
9
1661
9
14 1937

Functiegroep 20

Aanloopschaal 19

Euro Funct.schaal 20a

Euro Funct.schaal 20b
Euro
0
3
1401
0
6
1538
5
11
1759
1
4
1455
1
7
1579
6
12
1814
2
5
1509
2
8
1619
7
13
1875



3
9
1661
8
14
1937



4
10
1707
9
15
1994






10
16
2058

Fucntiegroep 25

Aanloopschaal 25

Euro Funct.schaal 25a

Euro Funct.schaal 25b
Euro
0 2
1376 0 5
1509
5
10
1707
1 3
1401 1 6
1538 6
11
1759
2
4
1455
2 7
1579 7
12
1814



3 8
1619 8
13 1875



4
9
1661
9
14 1937

Functiegroep 30

Aanloopschaal 30

Euro Funct.schaal 30a

Euro Funct.schaal 30b
Euro
0 6
1538
0
8
1619
5
15
1994
1 7
1579
1
10
1707
6
16
2058



2
12
1814
7
17
2110



3
13
1875
8
18
2172



4
14
1937
9
19
2230






10
20
2289

Functiegroep 35

Aanloopschaal 35

Euro Funct.schaal 35a

Euro Funct.schaal 35b
Euro
0 8
1619
0
10
1707
5
17
2110
1 9
1661
1
12
1814
6
18
2172



2
14
1937
7
19
2230



43
15
1994
8
20
2289



4
16
2058
9
21
2348






10
22
2407

Functiegroep 40

Aanloopschaal 40

Euro Funct.schaal 40a

Euro Funct.schaal 40b
Euro
0 10
1707
0
12
1814
6
20
2289
1 11
1759
1
14
1937
7
21
2348



2
16
2058
8
22
2407



3
17
2110
9
23
2467



4
18
2172
10
24
2527



5
19
2230
11
25
2588






12
26
2652

Functiegroep 45

Aanloopschaal 45

Euro Funct.schaal 45a

Euro Funct.schaal 45b
Euro
0 10
1707
0
16
2058
6
24
2527
1 12
1814
1
18
2172
7
25
2588
2
14
1937
2
20
2289
8
26
2652



3
21
2348
9
27
2718



4
22
2407
10
28
2775



5
23
2467
11
29
2840






12
30
2904

Functiegroep 50

Aanloopschaal 49

Euro Funct.schaal 50a

Euro Funct.schaal 50b
Euro
0 14
1937
0
21
2348
6
30
2904
1 16
2058
1
23
2467
7
31
2965
2
18
2172
2
25
2588
8
32
3026
3
20
2289
3
27
2718
9
33
3089



4
28
2775
10
34
3153



5
29
2840
11
35
3212

Functiegroep 55

Aanloopschaal 54

Euro Funct.schaal 55a

Euro Funct.schaal 55b
Euro
0 19 2230 0 26 2652 6 36 3272
1 21 2348 1 28 2775 7 37 3340
2
23 2467 2 30 2904 8 38 3409
3
25 2588 3 32 3026 9 39 3478

4 34 3153 10 40 3539
5 35 3212 11 41 3607

Functiegroep 60

Aanloopschaal 59

Euro Funct.schaal 60a

Euro Funct.schaal 60b
Euro
0 25 2588 0 32 3026 5 42 3673
1 27 2718 1 34 3153 6 44 3801
2
29 2840 2 36 3272 7 45 3858
3
31 2965 3 38 3409 8 46 3917

4 40 3539 9 47 3977
10 48 4035

Functiegroep 65

Aanloopschaal 64

Euro Funct.schaal 65a

Euro Funct.schaal 65b
Euro
0 32 3026 0 40 3539 6 52 4273
1 34 3153 1 42 3673 7 54 4392
2
36 3272 2 44 3801 8 56 4512
3
38 3409 3 46 3917 9 57 4570

4 48 4035 10 58 4629
5 50 4154 11 59 4690
12 60 4749

Functiegroep 70

Aanloopschaal 69

Euro Funct.schaal 70a

Euro Funct.schaal 70b
Euro
0 42 3673 0 50 4154 6 66 5136
1 44 3801 1 53 4334 7 68 5285
2
46 3917 2 56 4512 8 70 5433
3
48 4035 3 59 4690 9 71 5508

4 62 4868 10 72 5583
5 64 4988 11 73 5658
12 74 5732

Functiegroep 75

Aanloopschaal 74

Euro Funct.schaal 75a

Euro Funct.schaal 75b
Euro
0 54 4392 0 62 4868 7 80 6204
1 56 4512 1 65 5061 8 82 6371
2
58 4629 3 68 5285 9 83 6453
3
60 4749 4 71 5508 10 84 6537

5 74 5732 11 85 6635
6 76 5882 12 86 6734
78 6038 13 87 6830
14 88 6928

Functiegroep 80

Aanloopschaal 69

Euro Funct.schaal 70a

Euro 7Funct.schaal 780b
Euro
0 66 5136 0 74 5732 7 92 7317
1 68 5285 1 77 5955 8 94 7513
2
70 5433 2 80 6204 9 95 7611
3
72 5583 3 83 6453 10 96 7709

4 86 6734 11 97 7807
5 88 6928 12 98 7904
6 90 7122 13 99 8004
14 100 8101

Salarisschaal Medisch specialistenb per 1-8-2010

Trede Euro
0 4644
1 5223
2 5801
3 6379
4 6959
5 7537
6 8115

Bijlage C: Inpassingstabel per 01-10-2009

CAO GGZ 2009-2011, inpassingstabel niveau 01-10-2009

Euro Euro
1 1337 51 4173
2 1362 52 4231
3 1387 53 4291
4 1441 54 4349
5 1494 55 4407
6 1523 56 4467
7 1563 57 4525
8 1603 58 4583
9 1645 59 4644
10 1690 60 4702
11 1742 61 4760
12 1796 62 4820
13 1857 63 4878
14 1918 64 4939
15 1974 65 5011
16 2038 66 5085
17 2089 67 5158
18 2151 68 5233
19 2208 69 5306
20 2267 70 5379
21 2325 71 5453
22 2383 72 5528
23 2442 73 5602
24 2502 74 5675
25 2562 75 5749
26 2626 76 5823
27 2691 77 5896
28 2748 78 5978
29 2812 79 6062
30 2876 80 6143
31 2935 81 6226
32 2996 82 6308
33 3058 83 6390
34 3122 84 6473
35 3180 85 6569
36 3240 86 6667
37 3306 87 6762
38 3375 88 6859
39 3443 89 6955
40 3504 90 7051
41 3571 91 7147
42 3637 92 7244
43 3702 93 7341
44 3764 94 7439
45 3820 95 7535
46 3878 96 7633
47 3937 97 7730
48 3995 98 7826
49 4054 99 7924
50 4113 100 8021

CAO GGZ 2009-2011, inpassingstabel niveau 01-08-2010

Euro Euro
1 1350
51 4214
2 1376 52 4273
3 1401 53 4334
4 1455 54 4392
5 1509 55 4451
6 1538 56 4512
7 1579 57 4570
8 1619 58 4629
9 1661 59 4690
10 1707 60 4749
11 1759 61 4808
12 1814 62 4868
13 1875 63 4927
14 1937 64 4988
15 1994 65 5061
16 2058 66 5136
17 2110 67 5210
18 2172 68 5285
19 2230 69 5359
20 2289 70 5433
21 2348 71 5508
22 2407 72 5583
23 2467 73 5658
24 2527 74 5732
25 2588 75 5807
26 2652 76 5882
27 2718 77 5955
28 2775 78 6038
29 2840 79 6123
30 2904 80 6204
31 2965 81 6288
32 3026 82 6371
33 3089 83 6453
34 3153 84 6537
35 3212 85 6635
36 3272 86 6734
37 3340 87 6830
38 3409 88 6928
39 3478 89 7025
40 3539 90 7122
41 3607 91 7219
42 3673 92 7317
43 3739 93 7414
44 3801 94 7513
45 3858 95 7611
46 3917 96 7709
47 3977 97 7807
48 4035 98 7904
49 4095 99 8004
50 4154 100 8101

Bijlage D: Functieprofielen en
complementaire bijdragen
Functieprofiel medisch specialist
Het functieprofiel medisch specialist is een algemene omschrijving
van de functie medisch specialist, die op instellingsniveau kan
worden uitgewerkt in een functiebeschrijving.
Functiekenmerken
De medisch specialist is werkzaam binnen de kaders door de Raad
van Bestuur/directie gesteld met inachtneming van de eigen
professionele verantwoordelijkheid voor het medisch specialistisch
handelen. Het omvat onder andere het diagnosticeren, behandelen
en adviseren over de behandeling en/of alle andere verrichtingen
ten behoeve van patiënten. Daarnaast het toezien op het (laten)
verrichten van onderzoek, diagnostiek en behandeling.
Afstemmen
van (multidisciplinaire)
vormen van zorg die door andere beroepsbeoefenaren
in de gezondheidszorg worden verstrekt en complementair
zijn aan de gegeven en/of te geven behandeling(
en). Binnen de
vigerende afspraken binnen de instelling en binnen de vigerende
professionele standaard dient een doeltreffende, doelmatige en
patiëntgerichte (multidisciplinaire) zorg te worden verleend.
Complementaire bijdrage medisch specialist Manager I,
Manager II en Opleidingsverantwoordelijke
Teneinde te bepalen of een medisch specialist voor een complementaire
toeslag voor managementtaken of opleidingstaken in
aanmerking komt, zijn algemene organieke functieprofielen
opgesteld. Deze functieprofielen kunnen op instellingsniveau op
basis van de plaatselijke situatie worden verfijnd.
Uitgangspunt vormen de werkzaamheden vanuit het voor de
medisch specialist geldende functieprofiel en de geldende
functiebeschrijving.
Differentiatie functieprofiel medisch specialist
Een onderscheid wordt gemaakt tussen 2 typen van de medisch
specialist manager: de medisch specialist Manager I en de medisch
specialist Manager II, en de medisch specialist Opleidings-
verantwoordelijke.
Medisch specialist Manager I
De functie medisch specialist Manager I komt alleen voor in grote
instellingen in de vorm van divisiemanager of divisiedirecteur.
Hierbij is sprake van leidinggeven over meerdere afdelingen of
clusters. De medisch specialist Manager I participeert in het
strategische
planningsproces van de organisatie, integreert de
zorgdoelstellingen
en de eisen/behoeften inzake allocatie en
benutting van middelen
en is verantwoordelijk
voor maximalisatie
van middelengebruik
en de realisatie van zorgdoelstellingen
onder
verantwoordelijkheid van de Raad van Bestuur.
Impact van de functie: heeft ten aanzien van de divisie een
essentiële invloed op de vaststelling
van zorg- en bedrijfseconomische
doelen.
2. Medisch specialist Manager II
De functie medisch specialist Manager II komt vooral voor in de
vorm van cluster- of afdelingshoofd.
De medisch specialist Manager II formuleert de aard, omvang en
kwaliteit van zorg voor een cluster of afdeling van de organisatie.
Stuurt op optimale zorgverlening
binnen de gegeven budgettaire
kaders.
Impact van de functie: bewaakt de vastgestelde eisen
inzake zorgkwaliteit
en rapporteert
ter zake aan de directie, Raad van Bestuur,
de divisiedirecteur of divisiemanager. Wordt aangesproken op de
realisatie
van zorgdoelstellingen
alsmede
op de kwaliteit
van zorg.
3. Opleidingsverantwoordelijke
De functie medisch specialist Opleidingsverantwoordelijke komt
voor in de vorm van opleider in de zin van het inrichten en geven
van opleiding binnen het medische specialisme om, uitgaande van
de opleidingseisen van het Centraal College Medische Specialismen
(CCMS) met betrekking tot dit medische specialisme, de (AIOS) de
vereiste kwalificaties te doen behalen die noodzakelijk zijn voor de
erkenning als medisch specialist. De werkzaamheden kunnen tevens
betrekking hebben op het inrichten en leiding geven ten aanzien
van de assistent in opleiding (AIO), een en ander conform daartoe
gestelde (universitaire) vereisten.
In het kader van de opleiding psychiatrie komen met ingang van
01-01-2005 alleen de opleiders in aanmerking, als bedoeld in het
Besluit psychiatrie van het CCMS onder hoofdstuk C onder C1,
derhalve niet de stageopleiders als bedoeld onder C3.
Functiekenmerken
1. Opleidingsbeleid
Het vertalen van de eisen die het Centraal College Medische
Specialismen (CCMS) stelt aan een opleidingsprogramma voor
het medische specialisme dat de inhoud van de opleiding
vastlegt alsmede de condities waaronder
de opleiding wordt
gegeven. Het zorg dragen voor coördinatie en afstemming van
andere relevante onderdelen van de opleiding dan wel de
ondersteuning. Daartoe overleggen en afstemmen met de Raad
van Bestuur/directie en de medisch specialisten van het (de)
betreffende medische specialisme(n) en het Centraal College
Medische Specialismen (CCMS) omtrent programmering en
kwaliteit van de opleiding.
2. Uitvoering opleiding
Het vaststellen, vormgeven en geven van het patiënt- en
niet-direct patiëntgebonden onderwijs, binnen de eisen van het
Centraal College Medische Specialismen (CCMS), teneinde te
waarborgen dat de noodzakelijke kennis wordt overgedragen en
vaardigheden worden ontwikkeld. Het in het kader van de
opleiding bewaken van de kwaliteit van de activiteiten van de
in opleiding tot specialist zijnde artsen. Het maken van
opleidingsafspraken
met, het voeren van voortgangsgesprekken
met en het toetsen van kennis en vaardigheden
van de AIOS.
Ten aanzien van de assistent in opleiding (AIO) kunnen mutatis
mutandis vergelijkbare aspecten gelden.

 

Hoofdstuk 8 Leerlingen en werknemers die een opleiding volgen

A Salariëring van werknemers die een
opleiding volgen

Artikel 1 Opleiding tot verpleegkundige (niveau 4),
verzorgende(-IG) (niveau 3) en helpende (niveau 2)
Beroepsbegeleidende Leerweg (BBL)
1. Voorafgaand aan het eerste praktijkjaar van de opleiding tot
verpleegkundige en van de opleiding tot verzorgende kent de
opleiding een beroepsvoorbereidende periode (BVP).
2. Gedurende de BVP wordt met de leerling een leerovereenkomst
aangegaan (Bijlage A).
3. De BBL-leerling ontvangt tijdens de BVP zakgeld. Dit geldt niet
als de leerling gedurende de periode een WW-uitkering geniet
die hoger is dan of gelijk is aan dit zakgeld.
Deze zakgeldbedragen worden aangepast gelijktijdig met het
bruto minimum (jeugd)loon. Het zakgeldbedrag wordt na
01-07-2009 bij wijziging van dit minimumloon vastgesteld op
97% van dit loon. Het bruto zakgeld bedraagt in euro’s:
Leeftijd Per 01-07-2009
23        1310
22        1125
21          976
20          841
19          733
18          635
17          551
16          482
4. Leermiddelen worden tijdens de BVP in bruikleen verstrekt.
5. Nadat de leerling met succes de BVP heeft afgerond, wordt de
leerling toegelaten tot het eerste praktijkleerjaar en wordt met
de leerling een leerarbeidsovereenkomst aangegaan (Bijlage
B). De te betalen les-/collegegelden komen voor rekening van
de werkgever.
6. Gedurende de opleiding ontvangt de leerling-verpleegkundige
en de leerling-verzorgende (IG), na indiensttreding het volgende
bij het praktijkleerjaar vermelde salaris, voor zover het
minimum(jeugd)loon niet hoger ligt:
                              Per 01-10-2009 Per 01-08-2010
1e praktijkleerjaar 1102                   1113
2e praktijkleerjaar 1299                   1312
3e praktijkleerjaar 1680                   1696
4e praktijkleerjaar 1680                   1696
De leerling-verzorgende die voor 01-07-2003 in dienst is
getreden gaat met ingang van het eerstvolgende praktijkleerjaar
voor zover dit op of na 01-07-2003 begint over naar het bij
het praktijkleerjaar behorende salaris zoals in dit lid vermeld.
7. Gedurende de opleiding ontvangt de leerling-helpende, na
indiensttreding het volgende bij het praktijkleerjaar vermelde
salaris, voor zover het minimum(jeugd)loon niet hoger ligt:
                             Per 01-10-2009 Per 01-08-2010
1e praktijkleerjaar 971                    981
2e praktijkleerjaar 1109                  1121
8. De werkgever kan voor bepaalde groepen van leerlingen, voor
de duur van de opleidingsperiode, een hogere salariëring
overeenkomen als er sprake is van een arbeidsmarktknelpunt
voor de betreffende functie.
9. De leerling-verpleegkundige die in het bezit is van een diploma
ziekenverzorging, verzorgende IG, verzorgende AG of diploma
verpleegkundige, wordt gedurende de periode van de nieuwe
leer-/arbeidsovereenkomst gesalarieerd:
- bij het bezit van het diploma ziekenverzorging, verzorgende
IG of verzorgende AG: volgens een van de inpassingstabelnummers
behorende bij de salarisschalen van
functiegroep 35;
- bij het bezit van het diploma verpleegkundige: volgens
een van de inpassingstabelnummers behorende bij de
salarisschalen van functiegroep 40.
Vindt de werkgever het behalen van het diploma in het belang
van de instelling, dan kan hij met betrokkenen bij individuele
arbeidsovereenkomst voor de duur van de gehele nieuwe
opleidingsperiode een hogere salariëring overeenkomen.
10. De leerling-verpleegkundige die in het bezit is van een diploma
MDGO, BOL-3 of BBL-3 en ten minste over een jaar functionele
werkervaring beschikt, wordt gedurende de periode van de
nieuwe leer-/arbeidsovereenkomst gesalarieerd volgens een
van de inpassingstabelnummers behorende bij de salarisschalen
van functiegroep 30. De leerling-ziekenverzorgende/-
verzorgende-IG in het bezit van een diploma MDGO-VZ, die een
verkorte duale opleiding verzorgende-IG volgt en ten minste
over een jaar functionele werkervaring beschikt, wordt
gedurende de periode van de nieuwe leer-/arbeidsovereenkomst
gesalarieerd volgens een van de inpassingstabelnummers
behorende bij de salarisschalen van functiegroep 25.

Artikel 2 Opleiding tot verpleegkundige (niveau 5; duale HBO-V)
1. Voorafgaand aan het eerste praktijkleerjaar kent de opleiding
een propedeutisch jaar, tijdens dit jaar wordt geen leerovereenkomst
met de leerling aangegaan.
2. Met de leerling die de duale leerweg van de HBO-V volgt,
wordt na het met succes afgerond propedeutisch leerjaar, een
leerarbeidsovereenkomst aangegaan (Bijlage B).
3. Gedurende de opleiding ontvangt de leerling-verpleegkundige
het onder artikel 1 lid 6 vermelde salaris, voor zover het
minimum(jeugd)loon niet hoger ligt.
4. Zolang het tweede jaar van de duale opleiding in het verlengde
van het propedeutisch jaar overwegend uit theorie bestaat,
kan met de leerling voor die periode van het tweede leerjaar
een leerovereenkomst worden aangegaan (Bijlage A).
Gedurende de leerovereenkomst ontvangt de leerling zakgeld.
Daarna wordt een leerarbeidsovereenkomst aangegaan. Vangt
de leerarbeidsovereenkomst nog in het tweede opleidingsjaar
aan, dan ontvangt de leerling een salaris behorende bij het
eerste praktijkleerjaar.

Artikel 3 Aspirant-leerlingen
Wordt een arbeidsovereenkomst aangegaan voorafgaand aan en ter
overbrugging naar een te ontvangen opleiding dan geldt het salaris
behorende bij het eerste praktijkleerjaar zoals genoemd
in het artikel 1 lid 6 of 7.

Artikel 4 Overige opleidingen
1. Indien een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan met het
oog op een opleiding in het kader waarvan het een vereiste
is praktisch werkzaam te zijn en waarvoor de eindverantwoordelijkheid
niet bij de werkgever berust, geldt voor de
vaststelling van het salaris H7 Functiewaardering en
salariëring.
2. Voor de salarisvaststelling worden de uren in aanmerking
genomen waarop daadwerkelijk arbeid wordt verricht.
3. Werkgever en werknemer kunnen overeenkomen dat de
lesuren geheel of gedeeltelijk als werktijd worden aangemerkt.

Artikel 5 Vaststelling salarisschalen van werknemers die
een vervolgopleiding volgen
1. Onder vervolgopleidingen wordt verstaan: inserviceopleidingen
in aanvulling op de in de artikelen 1 en 2
genoemde opleidingen of daarmee door de werkgever
gelijkgestelde vervolgopleidingen. Op de inserviceopleidingen
is het Model Opleidingsreglement (Bijlage C)
van toepassing.
2. Voor de werknemer die de vervolgopleiding volgt, geldt ten
minste de aanloopschaal van de laagste functiegroep die
binnen de instelling geldt voor de functie waarvoor de
betreffende opleiding wordt gevolgd.
3. Als de werknemer voor aanvang van de opleiding al in dienst
was van de werkgever en als na de opleiding voor werknemer
dezelfde functiegroep van toepassing is als voor de opleiding,
dan behoudt werknemer ten minste aanspraak op:
* hetzelfde salaris als hij genoot voordat hij aan de
opleiding begon;
* periodieke verhoging van dit salaris op hetzelfde tijdstip
als voor de opleiding gold.

Artikel 5a Stagevergoeding
Een stagiair heeft recht op een stagevergoeding, als het een stage
betreft die volgens het curriculum van de opleiding verplicht is
(niet zijnde een maatschappelijke stage) en een aaneengesloten
periode van ten minste een maand duurt. De hoogte van de
stagevergoeding bedraagt € 260 (per 01-08-2009 € 300)
bruto per maand inclusief onkosten waaronder reiskosten woonwerkverkeer,
waarbij op termijn gestreefd wordt naar een voor
de gehele zorgsector gelijke stagevergoeding. De werkgever
betaalt de kosten verbonden aan noodzakelijke inentingen. De
stagevergoeding wordt niet verleend indien de stagiair als
werknemer (elders) een dienstbetrekking heeft, die recht geeft
op loondoorbetaling gedurende de stageperiode. Voor deeltijd
stagiairs geldt een vergoeding naar rato.

Artikel 6 Opleiding tot gezondheidszorg psycholoog
(artikel 3 Wet BIG)
1. Voor de werknemer die de opleiding tot GZ-psycholoog volgt,
geldt, voor zover niet een andere regeling is getroffen inzake
salariëring en opleidingskosten, indeling in ten minste
salarisschaal 59/60.
2. Voor de salarisvaststelling worden de uren in aanmerking
genomen waarop daadwerkelijk arbeid wordt verricht.
Werkgever en werknemer kunnen overeenkomen dat de
lesuren, geheel of gedeeltelijk, als werktijd worden
aangemerkt.

Artikel 7 Opleiding tot verpleegkundig specialist in de ggz
(beoogd artikel 14, Wet BIG)
1. Voor de werknemer die de opleiding tot verpleegkundig
specialist in de ggz volgt, geldt, voor zover niet een andere
regeling is getroffen inzake salariëring en opleidingskosten,
indeling in ten minste salarisschaal 49/50.
2. Voor de salarisvaststelling worden de uren in aanmerking
genomen waarop daadwerkelijk arbeid wordt verricht. Werkgever
en werknemer kunnen overeenkomen dat de lesuren,
geheel of gedeeltelijk, als werktijd worden aangemerkt.

Bijlagen
* Bijlage A: Model Leerovereenkomst Beroepsvoorbereidende
Periode
* Bijlage B: Model Leer-/Arbeidsovereenkomst
* Bijlage C: Model Opleidingsreglement voor inservice-opleidingen
* Bijlage D: Opleidingsovereenkomst

B Toepassing CAO op AIOS
Toepassing CAO op de arts in opleiding tot specialist
(tot psychiater).

1. Salariëring
1. De werknemer die na 01-07-2009 in opleiding is gegaan als
specialist (AIOS), ontvangt gedurende de opleiding salariëring
conform de bepalingen in deze paragraaf. Werknemers op of
voor 01-07-2009 in opleiding behouden gedurende hun
opleiding hun oude afspraken inclusief doorloop in salaris.
2. Bij de inschaling van de werknemer genoemd in lid 1 wordt
rekening gehouden met relevante ervaring. Per relevant
ervaringsjaar wordt het eerste schaalbedrag met een periodiek
verhoogd. Voor het meetellen van een ervaringsjaar moet
twaalf maanden relevante ervaring zijn opgedaan.
3. Ervaring die volledig meetelt voor de inschaling van de arts
in opleiding:
* werkzaam als arts-assistent in een vergelijkbare
(ggz)functie;
* werkzaam als basisarts in de patiëntenzorg in een
vergelijkbare (ggz)functie;
* werkzaam als arts-onderzoeker in een geneeskundig
wetenschappelijk onderzoek;
* werkzaam als arts-projectmedewerker voor een
geneeskundig project in een ggz-instelling;
* werkzaam als basisarts in onderwijs of onderzoek in een
ggz-instelling.
4. Als op de datum van indiensttreding het vereiste aantal
maanden voor een ervaringsjaar niet is voltooid, wordt de
periodiekdatum zodanig vastgesteld, dat bij goed functioneren
de eerstvolgende periodiek wordt toegekend op het moment
dat het ervaringsjaar voltooid is.
5. De werknemer die voorafgaand aan de opleiding meer verdient
dan het salarisbedrag voortvloeiend uit de bepalingen van dit
artikel, ontvangt gedurende de opleiding een salarisgarantie
ter hoogte van het laatstverdiende salaris met als maximum
het maximum van de AIOS-salarisschaal. Deze garantie geldt
tot het moment waarop de periodieke salarisverhoging con-
form lid 5 leidt tot een hoger salaris dan het garantiesalaris.
6. De werknemer ontvangt jaarlijks een periodieke verhoging.
Bijlage Salarisschaal AIOS in euro’s
          Ipnr. per 1-10-2009 per 1-08-2010
0 jaar 32    2996                3026
1 jaar 34    3122                3153
2 jaar 36    3240                3272
3 jaar 38    3375                3409
4 jaar 40    3504                3539
5 jaar 42    3637                3673
6 jaar 44    3764                3801
7 jaar 46    3878                3917
De salarisbedragen in deze bijlage zijn gebaseerd op een
voltijd arbeidsduur van 1878 uur per jaar (gemiddeld 36 uur
per week).

2. Algemeen
a. De CAO hanteert als uitgangspunt dat het aantal uren waarop
arbeid wordt verricht bij een volledige werkweek gemiddeld
36 uur per week bedraagt. Voor artsen in opleiding tot
specialist overeenkomstig de regelingen als vastgesteld door
het Centraal College en de Specialisten Registratie Commissie,
geldt een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week.
b. Voor zover niet anders is bepaald in deze CAO, zijn voor artsen
in opleiding de normen uit het Arbeidstijdenbesluit geneeskundigen
van toepassing (zie bijlage bij H6).
c. De arts in opleiding ontvangt zijn opleiding voor het overgrote
deel tijdens en door middel van het vervullen van zijn
werkzaamheden in de instelling. Omdat deze beroepsopleiding
niet door of namens de instelling wordt gegeven maar door de
opleider-specialist die erkend is door de Medisch Specialisten
Registratie Commissie, en omdat de arts in opleiding tot
specialist in enige mate zelfstandig inhoud kan geven aan zijn
opleiding - wat niet of minder het geval is bij andere beroepsopleidingen
- is de opleiding tot specialist niet een inserviceopleiding
als gedefinieerd in de CAO. Dit betekent dat de
werkgever (degene die het aantal arbeidsuren
bepaalt) en de
opleider (degene die het aantal opleidingsuren bepaalt) niet
dezelfde zijn. Door deze splitsing tussen werkgever en opleider
komt het probleem naar voren: de werkgever is primair
verantwoordelijk voor de vaststelling van de werktijden en
daarbij gebonden aan vastgestelde CAO-urennormen; de
opleider-specialist is primair verantwoordelijk voor de
opleidingsactiviteiten en gebonden aan de vigerende
opleidingseisen, vastgesteld door het Centraal College, die niet
uitgaan van urenaantallen (normatief noch limitatief).

3. Arbeidsduur
a. Normatieve werkweek
Opleidingsmomenten en arbeidsuren zijn niet altijd te
scheiden. Het is daarom moeilijk om tot een concrete verdeling
te komen van het aantal uren per dag/week waarin de arts zijn
opleiding ontvangt en het aantal uren dat hij uitsluitend arbeid
verricht. Gelet op het bovenstaande en gelet op de aard van de
functie van de arts in opleiding tot specialist, heeft de
normatieve werkweek van de arts in opleiding in beperkte
mate een flexibel karakter. In verband met de opleidingsactiviteiten
die in de dagelijkse werkzaamheden zijn verweven,
kunnen de dagelijkse werkzaamheden voor de arts in opleiding
daarom meer dan 7,6 uur per dag omvatten en uitlopen tot
een werkweek van maximaal 48 uur gemiddeld. In het
algemeen zullen de opleidingsmomenten vooral opgesloten
liggen in de dagelijkse werkzaamheden (tijdens de normale
dagdienst). Het is echter niet uitgesloten dat deze opleidingsmomenten
ook liggen in uren waarop tijdens bereikbaarheids-,
aanwezigheids-, consignatie- en crisisdiensten effectief wordt
gewerkt. De werkweek van maximaal 48 uur gemiddeld kan
zich daarom uitstrekken tot zowel de dagdiensten als de
bereikbaarheids-, aanwezigheids-, consignatie- en crisisdiensten.
Per instelling en eventueel per specialisme zal in goed
overleg tussen werkgever, opleider-specialist en arts(en) in
opleiding vastgesteld moeten worden waar de opleidingsmomenten
liggen en bij de opstelling van roosters moet hier
rekening mee worden gehouden.
b. Begripsbepalingen werktijd
Onder het begrip ‘werktijd’ worden ook verstaan: alle
opleidingsmomenten die gericht zijn op directe patiëntenzorg
en alle organisatorische activiteiten die de werkgever in het
belang van de instelling acht. Hieronder vallen ook:
* lidmaatschap van de ondernemingsraad;
* het participeren in teambesprekingen;
* besprekingen met huisartsen en andere disciplines;
* het meewerken aan de opleiding voor verpleegkundigen,
ziekenverzorgenden en andere medewerkers van het
ziekenhuis, als de werkgever geen aparte honorering geeft;
* het meewerken aan de opleiding van co-assistenten. Deze
begripsomschrijving houdt dus in dat niet binnen deze
werktijd van 38 à 48 uur per week zijn inbegrepen:
- (on)verplichte refereeravonden;
- het bijwonen van vergaderingen van de medische staf;
- het bijwonen van (wetenschappelijke) vergaderingen;
- (thuis)studie, zoals literatuur- en tijdschriftenstudie;
- meewerken aan de opleiding voor verpleegkundigen,
ziekenverzorgenden en andere medewerkers van het
ziekenhuis, als de werkgever hier apart voor betaalt.

4. Overwerk
a. Begripsomschrijving en begrenzing
Uit de begrenzing van het aantal werkuren volgt eveneens
dat een arts in opleiding die langer dan 48 uur gemiddeld per
week werkt, in aanmerking komt voor een vergoeding van
overwerk of een vergoeding of toelage voor de crisisdienst,
overeenkomstig deze CAO. Artikel 1 lid 2 van H10 A Overwerk
(‘opdracht tot overwerk’, anders dan in het kader van
bereikbaarheids-, aanwezigheids- of consignatiedienst) houdt
tevens in dat, als de directe patiëntenzorg dat vereist, ervan
uit wordt gegaan dat de arts bereid en verplicht is incidenteel
overwerk te verrichten. Een voorafgaande opdracht daartoe
van de werkgever wordt in die gevallen verondersteld.
Anderzijds wordt van de arts in opleiding verwacht dat hij
desgevraagd een omschrijving geeft van de tijdens de
gemaakte overuren verrichte werkzaamheden.
b. Werkbelasting
Om de werkbelasting van de arts in opleiding binnen redelijke
grenzen te houden, moet de werkgever ervoor zorgen dat het
overwerk incidenteel van aard is en dat de gestelde grens van
10% niet wordt overschreden. Blijkt dat wegens bijzondere
omstandigheden niet mogelijk, bijvoorbeeld doordat op korte
termijn geen geschikte kandidaat voor een vacature voorhanden
is, dan ontheft dat de werkgever niet van zijn verplichtingen
om ook de vergoeding voor overwerk boven de 10% te
geven. Voorkeur verdient het, als het overwerk ‘structurele’
aspecten zou gaan vertonen, die uren te vervangen door
roosterdiensten.
c. Berekening
Bij de berekening van de overwerkvergoedingen moeten alle
uren betrokken worden waarop de arts in opleiding tot
specialist heeft gewerkt en die vallen onder het geformuleerde
begrip ‘werktijd’. De onderstaande voorbeelden dienen ter
verduidelijking:
I. Gemiddelde werktijd in dagdienst
(incl. opleidingsmomenten)
48
Werk in het kader van bereikbaarheidsdienst- en
aanwezigheidsdienst
6
Totaal 54 uur: 48-urengrens van waaraf overwerkvergoeding wordt
toegekend. Overige 6 uren worden vergoed volgens H10 A Overwerk.
II. Gemiddelde werktijd in dagdienst (arbeidsduur incl.
opleidingsmomenten)
40
Werk (incl. opleidingsmomenten) in het kader van bereikbaarheidsdienst-
en aanwezigheidsdienst
17
Totaal 57 uur: 48-urengrens van waaraf overwerkvergoeding wordt
toegekend. Overige 9 uren worden vergoed volgens H10 A Overwerk.
Wat moet de hoogte zijn van de toeslag overeenkomstig H10 A
Overwerk artikel 3? Geadviseerd wordt hiervoor te nemen: het
gewogen rekenkundig gemiddelde van de percentages van het
totaal aantal uren, gemaakt vanaf het 48e uur.

5. Bereikbaarheids-, aanwezigheids-, consignatie- en
crisisdienst
Bij de berekening van het aantal effectief gewerkte uren tijdens de
bereikbaarheids-, aanwezigheids-, consignatie- en crisisdiensten is
het toegestaan het aantal gewerkte uren tijdens genoemde
diensten te bepalen op basis van een gemiddelde dat berekend is
aan de hand van ervaringsgegevens. Blijkt tijdens bereikbaarheids-,
aanwezigheids-, consignatie- en crisisdiensten voor meer dan circa
60% effectief te worden gewerkt, dan verdient het overweging om
deze diensten om te zetten in een normale roosterdienst.

Bijlage A: Model Leerovereenkomst
Beroepsvoorbereidende Periode (1)
Ondergetekenden,
De Stichting/Vereniging
gevestigd te
(adres)
verder te noemen ‘de instelling’, ten deze rechtsgeldig vertegenwoordigd
door
en
wonende te
(adres)
geboren te
nationalieit
verder te noemen ‘de leerling’ verklaren een leerovereenkomst te
hebben aangegaan onder de navolgende voorwaarden:

Artikel 1
De leerling wordt toegelaten tot de opleiding
met ingang van

Artikel 2
De leerovereenkomst wordt geacht te zijn aangegaan voor de duur
van de beroepsvoorbereidende periode. De duur van deze periode is
weken/maanden. (2)

Artikel 3
De leerling verbindt zich de opleiding gedurende deze periode te
volgen, terwijl de instelling zich verplicht deze opleiding te geven of
te doen geven met inachtneming van het bepaalde in de regeling
met betrekking tot

Artikel 4
Gedurende de beroepsvoorbereidende periode zal geen betaling,
vergoeding of verstrekking om niet worden gegeven. Leermiddelen
worden in bruikleen verstrekt.
of
Gedurende de voorbereidende periode ontvangt de leerling conform
CAO GGZ H 8 Leerlingen en werknemers die een opleiding volgen
maandelijks een zakgeld. De aan het opleidingsinstituut te betalen
lesgelden tijdens deze periode komen voor rekening van de
instelling. Leermiddelen worden in bruikleen verstrekt. (3)

Artikel 5
Voldoet de leerling aan de door de instelling en/of het opleidingsinstituut
gestelde opleidingseisen in de in artikel 2 genoemde
voorbereidende periode, dan wordt een leer-/arbeidsovereenkomst
aangegaan. (4)

Artikel 6
Geschillen over de opleiding worden - nadat eerst binnen 30 dagen
na het optreden van een geschil volgens H5 Maatregelen en
Geschillen, artikel 3, lid 1 kennis is gegeven dat er een geschil is -
binnen 30 dagen na die kennisgeving schriftelijk voorgelegd aan een
commissie van 3 personen, voorzover de opleidingsregelingen een
dergelijke toetsing toelaten. Instelling en leerling wijzen binnen 30
dagen ieder een deskundige aan in deze commissie, waarna in
onderling overleg door deze 2 deskundigen een derde persoon als
voorzitter wordt aangewezen. De aldus aangewezen commissie doet
zo mogelijk binnen 30 dagen een uitspraak die bindend is voor
partijen. (5)
of
Ten aanzien van de regeling van geschillen terzake van de BBL-opleiding
tot verpleegkundige (niveau 4) en de BBL-opleiding tot verzorgende
(IG) en van de duale opleiding tot verpleegkundige (niveau 5)
is het bepaalde in de onderwijsovereenkomst/opleidingsovereenkomst
tussen onderwijsinstelling en leerling van toepassing.

Artikel 7
De leerling verklaart te hebben ontvangen:
* een door beide partijen ondertekend afschrift van deze
leerovereenkomst;
* van het opleidingsinstituut een ondertekende onderwijsovereenkomst/
opleidingsovereenkomst; (6)
* een beroepspraktijkvorming overeenkomst ten behoeve van de
praktijkvorming in de voorbereidende periode. (7)

Artikel 8
De leerovereenkomst wordt beëindigd:
* door opzegging door de leerling;
* bij blijvende arbeidsongeschiktheid van de leerling;
* bij gebleken ongeschiktheid voor het beroep van
Regeling van bijzondere bedingen
Aldus overeengekomen en in drievoud opgemaakt en ondertekend
te de 20
(namens het opleidingsinstituut) (de leerling)
(namens de praktijkinstelling)
Op grond van artikel 1:234 van het Burgerlijk Wetboek dient voor het
aangaan van een leerovereenkomst met een minderjarige (jonger
dan achttien jaar) leerling, zijn of haar wettelijke vertegenwoordiger
schriftelijk toestemming te geven.
Toelichting op de cijfers
(1) Als het tweede jaar van de duale opleiding tot verpleegkundige
(niveau 5), in het verlengde van het eerste jaar,
een overwegend theoretisch karakter draagt en er zijn stages
in opgenomen, dan kan voor die periode een leerovereenkomst
met de leerling worden aangegaan. Bovengenoemde periode
kan in dit model aangemerkt worden als een voorbereidende
periode conform H1 A Begripsbepalingen en werkingssfeer, 10
van deze CAO.
(2) De BBL-opleidingen tot verpleegkundige (niveau 4) en tot
verzorgende-IG starten met een voorbereidende periode van
een aantal maanden (duur is afhankelijk van afspraken tussen
instelling en opleidingsinstituut).
(3) Onder leermiddelen wordt verstaan: hulpmiddelen bij de
studie, zoals boeken, schriften, schrijfmateriaal, e.d., die
dienen ter ondersteuning van de opleiding. Over de vraag hoe
lesgeld betaald wordt, moet geregeld worden of een vergoeding
aan de leerling plaatsvindt of de instelling direct aan het
opleidingsinstituut betaalt.
(4) De instellingen kunnen na de beroepsvoorbereidende periode
met de leerlingen een leer-/arbeidsovereenkomst voor
bepaalde of onbepaalde tijd aangaan.
(5) Onder de woorden ‘geschillen terzake van de opleiding’ worden
verstaan: geschillen over de vraag of de leerling aan de
opleidingseisen voldoet, waarbij de beoordeling van de
praktische werkzaamheden geacht wordt deel uit te maken van
de opleidingsbeoordeling.
(6) Voor BBL-opleidingen vallend onder de werkingssfeer van de
Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) geldt dat leerlingen
bij een opleidingsinstituut zijn ingeschreven op grondslag van
een onderwijsovereenkomst, waarin de rechten en plichten van
beide partijen worden geregeld.
(7) Voor BBL-opleidingen vallend onder de werkingssfeer van de
WEB geldt dat de perioden ten behoeve van de beroepspraktijkvorming
deel uitmaken van een overeenkomst tussen het
onderwijsinstituut, de leerling en de zorginstelling. Deze
overeenkomst wordt mede ondertekend door het landelijk
orgaan (Calibris) vanwege de opleidingserkenning van de
instelling.

Bijlage B:
Model Leer-/Arbeidsovereenkomst
Ondergetekenden,
De Stichting/Vereniging
gevestigd te
verder te noemen ‘de werkgever’, ten deze rechtsgeldig
vertegenwoordigd door
en
wonende te
(adres)
geboren te
nationaliteit
verder te noemen werknemer
verklaren hierbij een leer-/arbeidsovereenkomst onder de volgende
voorwaarden te hebben aangegaan:

Artikel 1 Dienstverband
De werknemer treedt met ingang van in dienst
van de werkgever.

Artikel 2 Verplichting werkgever en werknemer
Werkgever verplicht zich werknemer op te leiden of te doen opleiden
tot
terwijl werknemer zich verplicht om de in het kader van de opleiding
gegeven opdrachten uit te voeren, met inachtneming van de
eigen verantwoordelijkheid. Een en ander met inachtneming van de
bepalingen van het opleidingsreglement of de opleidingsovereenkomst
voor de opleiding
zoals dit/die luidt of zal komen te luiden, en dat met deze arbeidsovereenkomst
één geheel vormt.

Artikel 3 Aard van de overeenkomst
De overeenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd (1)/voor
bepaalde tijd.

Artikel 4 Proeftijd
De eerste maand/eerste twee maand(en) na indiensttreding zal/
zullen gelden als de wettelijke proeftijd als bedoeld in artikel 7:652
van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 5 Arbeidsduur
De arbeidsduur bedraagt maximaal gemiddeld 36 uur per week, te
meten per praktijkleerjaar.

Artikel 6 Salaris
1. Het salaris bij indiensttreding bedraagt € bruto
per maand volgens de schaal voor (2) volgens de
regeling van
Dit salaris zal overeenkomstig H7 B Salariëring, artikel 6 van de
CAO worden gewijzigd (als een schaal van toepassing is). De
eerste periodieke verhoging zal plaatsvinden op
Het salaris bij indiensttreding bedraagt op het niveau van
€ bruto per maand, volgens:
a. De schaal voor opgenomen in H8 Leerlingen
en werknemers die een opleiding volgen onder A van de
CAO. Dit salaris zal op de in deze schaal aangegeven
tijdstippen worden verhoogd;
of
b. De aanloop- of de functionele schaal behorende bij FWG
functiegroep , overeenkomstig het bepaalde in
H8 Leerlingen/Werknemers die een opleiding volgen. Dit
salaris zal na ieder jaar dat de opleiding heeft geduurd
worden verhoogd.
De eerste periodieke verhoging zal plaatsvinden op het
gebruikelijke moment dan wel één jaar na de aanvang van de
opleiding en wel op (3)

Artikel 7 Vakantie-uren
Het aantal vakantie-uren waarop de werknemer recht heeft, is
en bedraagt voor het lopende kalenderjaar

Artikel 8 Pensioen
De werkgever draagt zorg voor aanmelding bij het Pensioenfonds
Zorg en Welzijn (4).

Artikel 9 Deelname ziektekostenregeling
De werknemer neemt wel/niet deel aan de Collectieve Ziektekostenregeling
als bedoeld in H11 G Ziektekosten/IZZ van de CAO.

Artikel 10 Opzegging/tussentijdse opzegging
De opzegtermijn bedraagt voor de werkgever maand(en)
en voor de werknemer maand(en). (5)

Artikel 11 Geschillen
Geschillen terzake van de opleiding worden - nadat eerst binnen
30 dagen na het optreden van een geschil er kennis van is gegeven
dat er een geschil bestaat (zie H5 Maatregelen en Geschillen artikel
3 lid 1) - binnen 30 dagen na die kennisgeving schriftelijk voorgelegd
aan een commissie van drie personen, voor zover de opleidingsregelingen
een dergelijke toetsing toelaten. Instelling en leerling wijzen
binnen 30 dagen ieder een deskundige aan in deze commissie
waarna in onderling overleg door deze twee deskundigen een derde
persoon als voorzitter
wordt aangewezen. De aldus aangewezen
commissie doet zo mogelijk binnen 30 dagen een voor partijen
bindende uitspraak. (6)
of
Voor de regeling van geschillen over de duale opleiding tot
verpleegkundige (niveau 4 en 5) en de BBL-opleiding tot verzorgende
(IG) en de BBL-opleiding tot helpende is het bepaalde in de
onderwijsovereenkomst/opleidingsovereenkomst tussen het
onderwijsinstituut en de leerling van toepassing.

Artikel 12 De opleidingskosten
De tijdens de opleidingsduur te betalen les-/collegegelden komen
voor rekening van de werkgever.
of
Voor de werknemer die de duale opleiding tot verpleegkundige
(niveau 4 en 5) of de BBL-opleiding tot verzorgende (IG) of de
BBL-opleiding tot helpende volgt, komt het door hem te betalen les-/
collegegeld voor rekening van de werkgever. (7)

Artikel 13 Verhuizing
De werknemer zal wel/niet verhuizen naar het voor de instelling
geldende woongebied.
of
De werknemer is verplicht te verhuizen naar het woongebied.
of
De werknemer is verplicht te verhuizen naar het woongebied en wel
naar een zodanige plaats als voor vervulling van de functie vereist is.

Artikel 14 Slotbepalingen
De collectieve arbeidsovereenkomst zoals deze luidt of zal komen te
luiden en de krachtens die CAO vastgestelde arbeidsvoorwaarden,
vormen met deze leer-/arbeidsovereenkomst één geheel.

Artikel 15 Uitgereikte reglementen
De werknemer verklaart van de werkgever te hebben ontvangen:
1. een digitale versie van de collectieve arbeidsovereenkomst;
2. een exemplaar van het reglement Ziektekostenregeling als
bedoeld in H11 G Ziektekosten/IZZ van de CAO;
3. een opleidingsovereenkomst of een exemplaar van het
Opleidingsreglement
inservice-opleidingen en verklaart
akkoord te gaan met de inhoud van bovenvermelde regelingen
zoals zij luiden of zullen komen te luiden, voor zover op hem
van toepassing.

Artikel 16 Overig
Regeling van aangelegenheden, waarvoor de collectieve arbeidsovereenkomst
geen bepalingen kent en die werkgever en werknemer
toch wensen te regelen.
Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt en ondertekend
te de 20
(werkgever) (werknemer)
Toelichting op de cijfers
(1) Invullen naar gelang er sprake is van een overeenkomst voor
onbepaalde of bepaalde tijd.
(2) In dit artikel vindt onder B verwijzing plaats naar de schalen die
in de H8 onder salariëring zijn vermeld.
(3) De mogelijkheid bestaat dat een praktijkleerjaar niet samenvalt
met het ‘schooljaar’ van het opleidingsinstituut. In dat geval zal
het tijdstip van de verhoging van het salaris nader aangegeven
moeten worden.
(4) Deze bepaling opnemen wanneer werknemer krachtens het
reglement van dit pensioenfonds aangemeld dient te worden.
(5) In de arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd moet slechts
dan een bepaling over opzegging worden opgenomen, als men
deze overeenkomst tussentijds wenst te kunnen beëindigen.
(6) Onder de woorden ‘geschillen terzake van de opleiding’
worden verstaan: geschillen over de vraag of de leerling aan
de opleidingseisen voldoet; de beoordeling van de praktische
werkzaamheden maken deel uit van de opleidingsbeoordeling.
(7) Voor werknemers die de BBL-opleiding tot verpleegkundige
(niveau 4) of de BBL-opleiding tot verzorgende (IG) of de BBL
opleiding tot helpende of de duale opleiding tot verpleegkundige
(niveau 5) volgen geldt dat, met uitzondering van
de door de werkgever te betalen les-/collegegelden tijdens de
opleidingsduur, een tegemoetkoming in reiskosten en kosten
van leermiddelen afhankelijk is van het instellingsbeleid
(Regeling studiekosten en verlof). Afhankelijk van dit beleid zal
hierover een aanvullende bepaling moeten worden opgenomen.

Bijlage C: Model opleidingsreglement
voor inservice-opleidingen

Artikel 1 Doel van de opleiding
Het doel van de opleiding is leerlingen die cognitieve, agogische en
instrumentele vaardigheden en beroepshouding bij te brengen
respectievelijk te ontwikkelen, waardoor zij in staat zijn na de
normale opleidingsperiode het examen ter verkrijgen van het
diploma met gunstig gevolg af te leggen,
zodat ze tot een optimale beroepsuitoefening kunnen komen.

Artikel 2 Inhoud van de opleiding
De opleiding is gebaseerd op de opleidingsregeling
en kent een theoretisch en praktisch gedeelte. Aan het theoretische
gedeelte liggen de leerstofomschrijving en lessentabel ten grondslag
van de opleiding ... zoals vermeld in de opleidingsregeling.
Ten aanzien
van de praktijkopleiding gelden de bepalingen die zijn opgenomen
in genoemde opleidingsregeling inzake:
1. de aard en de duur van de praktijkperioden;
2. de onderdelen die (per leerperiode) uit het praktijkopleidingsboek
moeten kunnen worden afgetekend.

Artikel 3 Voorschriften
Voor de (wettelijke) voorschriften wordt verwezen naar de
opleidingsregeling.

Artikel 4 Organisatorische plaats van de opleiding
in de instelling
Het mondeling-theoretische deel van de opleiding vindt plaats in
de instelling of in een regionaal samenwerkingsverband of aan een
opleidingsinstituut of een school waaraan de instelling dit deel van
de opleiding heeft gedelegeerd. De praktijkopleiding vindt plaats op
de daarvoor krachtens de opleidingsregeling verplichte afdelingen
en de overige afdelingen die een ruime oriëntatie bieden in de
instelling of daarbuiten.

Artikel 5 De formele en materiële verantwoordelijkheden
en de daarbij behorende bevoegdheden van de bij de
opleiding betrokken personen
De instelling is verantwoordelijk voor de opleiding. De instelling
heeft de uitvoering voor de opleiding opgedragen:
* inzake het geheel van de opleiding aan
* inzake de theoretische opleiding aan
* inzake de praktijkopleiding aan

Artikel 6 Structuur van de opleiding
De opleiding voor het diploma
is te onderscheiden in:
a. voorbereidende of introductie- respectievelijk pre-klinische
periode;
b. theoretische opleiding, te onderscheiden in:
* mondeling-theoretisch gedeelte en/of;
* schriftelijk-theoretisch gedeelte;
c. praktijkopleiding.
Ad a
De introductieperiode van ... weken waarin opgenomen ... uren
theoretisch onderwijs.
Ad b
De mondeling-theoretische opleiding na beëindiging van de
introductieperiode, verdeeld over leerperioden/leerjaren,
waarin per leerperiode/leerjaar ... lesuren theoretisch onderwijs
wordt gegeven.
Ad c
De praktijkopleiding vindt plaats zoals aangegeven in artikel 4.

Artikel 7 Leerkrachten
De mondeling-theoretische opleiding wordt verzorgd door bevoegde
leerkrachten zoals vastgelegd in de opleidingsregeling. De
schriftelijk-theoretische opleiding wordt gegeven door t.b.v.
deze opleiding erkend door

Artikel 8 Begeleiding van de leerling
a. Theoretische opleiding
De begeleiding van de leerling in de theoretische opleiding ligt
in handen van een persoon die wordt aangewezen door de
instantie die verantwoordelijk is voor het mondeling-theoretische
gedeelte van de opleiding. De betreffende persoon moet
één van de in artikel .…. van de opleidingsregeling vastgestelde
bevoegdheden bezitten.
b. Betreffende de praktijkopleiding
De begeleiding van de leerling in de praktijkopleiding ligt in
handen van een persoon of van personen die wordt/worden
aangewezen door de instantie die verantwoordelijk is voor de
praktijkopleiding.
c. De hierboven bedoelde personen bespreken zowel de
theoretische als de praktische vorderingen met de leerling en
leggen die vorderingen systematisch vast. De daartoe
aangewezen persoon tekent de praktische vorderingen af in
het praktijkopleidingsboek.

Artikel 9 Wijze van beoordeling van leerlingen
a. Theoretische opleiding
De beoordeling van de theoretische resultaten geschiedt
conform het daartoe gestelde in de opleidingsregeling als
bedoeld in artikel 2.
b. Praktijkopleiding
De beoordeling van de praktijkresultaten, waarbij ook de
attitude van de leerling hoort, vindt ten minste éénmaal
per jaar plaats door de in artikel 8, sub b. bedoelde persoon
respectievelijk personen.

Artikel 10 Opzegging bij theoretische en/of praktische
ongeschiktheid
De werkgever kan de leer-/arbeidsovereenkomst door opzegging
beëindigen, als blijkt dat de leerling theoretisch en/of praktisch
niet geschikt is voor de functie waarvoor hij wordt opgeleid. Als
een leer-/arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan,
eindigt deze bij ongeschiktheid. De ongeschiktheid voor de
betreffende functie wordt vastgesteld op grond van de bepalingen
in de van toepassing zijnde opleidingsregeling en/of wet en zoals
bedoeld in artikel 9.

Artikel 11 Leer-/arbeidsovereenkomst; verbod van nawerkperiode
na (inservice-)opleiding
De werkgever mag met de werknemer - voor bepaalde of
onbepaalde tijd in dienst - die een inservice-opleiding volgt
onder welke benaming ook geen overeenkomst aangaan die
de werknemer verplicht om na beëindiging van de opleiding nog
een bepaalde tijd, gerelateerd aan de duur van de opleiding, in
dienst van de werkgever te blijven en bij eerder vertrek een
schadevergoeding
te betalen. Deze verbodsbepaling is niet van
toepassing op de vervolgopleidingen als genoemd in H 8 A, artikel 5
van de CAO GGZ, voorzover de hierin bedoelde overeenkomst
bij het begin van deze vervolgopleiding is aangegaan.
Bijlage D: Opleidingsovereenkomst
In die gevallen waarin de opleider of het opleidingsinstituut geen
verplichtingen krachtens de CAO kunnen worden opgelegd, verplicht
de instelling zich te bevorderen dat tussen de instelling, de leerling
en bedoelde opleider of het opleidingsinstituut een opleidingsovereenkomst
tot stand komt. Als zodanig worden aangemerkt:
* de beroepspraktijkvormingsovereenkomst in het kader van de
duale opleidingen tot verpleegkundige, BBL verzorgende (IG)
en helpende, met inachtneming van de bepalingen in de Wet
Educatie en Beroepsonderwijs en/of landelijke afspraken in de
vorm van een modelregeling ten aanzien van de duale HBO
opleiding;
* de modelregeling betreffende de relaties tussen de artsen in
opleiding tot specialist, de specialist-opleider en de instelling
in het kader van de opleiding tot specialist.
In deze overeenkomst dienen bepalingen omtrent de navolgende
onderwerpen te zijn opgenomen:
a. de verplichting van de opleider dan wel de instelling om de
leerling op te leiden en te begeleiden;
b. de verplichting van de leerling om de - in het kader van de
opleiding gegeven - opdrachten uit te voeren, met inachtneming
van de eigen verantwoordelijkheid;
c. het begin en einde van de opleidingsovereenkomst;
d. de gronden en de wijze waarop de opleidingsovereenkomst kan
worden beëindigd;
e. de geschillenregeling ter zake van de opleiding;
f. de bepaling, dat de opleidingsovereenkomst niet in strijd kan
zijn met de arbeidsovereenkomst;
g. de relatie tussen het beëindigen van de opleidingsovereenkomst
en de arbeidsovereenkomst;
h. de regeling van de verantwoordelijkheid en de aansprakelijkheid
van de leerling, zowel als van de opleider c.q. de
instelling;
i. voor zover niet elders geregeld, de verhouding tussen arbeid
en studie;
j. regeling van de kosten van de opleiding;
k. de bepaling dat wanneer een opleidingsovereenkomst is
vastgesteld deze een integraal onderdeel uitmaakt van de
arbeidsovereenkomst.

 

 Hoofdstuk 9 Arbeid en gezondheid

A Algemene maatregelen in het kader van
arbeid en gezondheid

1. De werkgever dient een samenhangend beleid tot stand te
brengen met betrekking tot het voorkomen van arbeidsongeschiktheid,
de reductie van het ziekteverzuim en de spoedige
re-integratie van arbeidsongeschikte medewerkers.
2. De werkgever dient een samenhangend beleid te ontwikkelen
en te implementeren met betrekking tot veilig en gezond
werken.
Dit beleid omvat onder andere het aangiftebeleid bij de politie,
de veiligheid in en rondom het gebouw en de opvang na een
agressie-incident.
3. De werkgever neemt maatregelen om de lichamelijke en
geestelijke integriteit van de werknemer te waarborgen. Het
gaat om alle mogelijke vormen van bedreiging en intimidatie die
deze integriteit kunnen aantasten en waarmee de werknemer in
het werk - van welke zijde ook - geconfronteerd kan worden. Het
voorkomen staat centraal, waarbij ook voor de werknemer een
rol is weggelegd. Het is de werknemer duidelijk met wie hij
dergelijke problemen kan bespreken, zodat ieder concreet geval
tot een oplossing of een maatregel leidt.
4. De ondernemingsraad heeft het recht van instemming met
betrekking tot de maatregelen in het kader van arbeid en
gezondheid.
5. Ter evaluatie van de maatregelen in het kader van arbeid en
gezondheid heeft de ondernemingsraad de bevoegdheid om
jaarlijks een schriftelijk verslag uit te brengen. Aansluiting
hiervan bij de wettelijke verplichting tot verslaglegging van de
werkgever verdient hierbij de voorkeur. De ondernemingsraad
bespreekt zijn jaarverslag tevoren met de werkgever. De daarbij
blijkende opvatting van de werkgever zal in het te publiceren
verslag van de ondernemingsraad worden opgenomen.

B Maatregelen bij ziekteverzuim

De werkgever stelt, in overleg met de ondernemingsraad, een verzuim-
en herstelprotocol vast, waarin ten minste bepaald wordt:
a. wanneer de werknemer zich in geval van arbeidsongeschiktheid,
ook tijdens vakantie, uiterlijk bij de werkgever en/of
arbodienst dient ziek te melden;
b. op welke wijze en in welke gevallen de werkgever contact
onderhoudt met de zieke werknemer, de arbodienst en/of het
re-integratiebedrijf;
c. aan welke voorschriften de werknemer zich bij arbeidsongeschiktheid
dient te houden;
d. welke controle- en re-integratieactiviteiten door de werkgever
worden uitgevoerd en op welke wijze het verzuimdossier van
zieke werknemers wordt bijgehouden.

C Maatregelen inzake re-integratie van
arbeidsongeschikte werknemers

1. Met het oog op een duurzame re-integratie in de eigen of een
passende functie geeft de bedrijfsarts aan welke medische
beperkingen voor de werknemer gelden. Op grond daarvan
en met inachtneming van de criteria van de UWV geeft de
werkgever, na overleg met de bedrijfsarts en de werknemer,
invulling aan het precieze karakter en omvang van de te
verrichten arbeid.
2. De werkgever is verplicht de werknemer passend werk aan
te bieden voor het aantal uren dat de werknemer arbeidsgeschikt
is. Indien hiervoor geen mogelijkheden zijn binnen de
instelling spant de werkgever zich in om passende werkzaamheden
buiten de instelling te realiseren.
3. De re-integratie-activiteiten worden na twee jaar voortgezet
als de werknemer beschikt over voldoende restcapaciteit en
zich actief opstelt in het re-integratietraject.
4. Om te komen tot optimale re-integratie kan de werknemer in
overleg met de werkgever een beroep doen op alle bestaande
re-integratie-instrumenten, zoals toegang tot mobiliteitscentra
en opleidings- of stagemogelijkheden binnen de instelling.
5. Indien re-integratie alleen mogelijk is door het volgen van
om- en/of bijscholing en/of het volgen van een stage in dat
verband, dan komen de kosten daarvan voor rekening van
de werkgever voor maximaal de hiervoor benodigde periode,
zoals vermeld in het re-integratieplan. Indien werknemer de
afspraken in het re-integratieplan niet nakomt, dan beëindigt
de werkgever de vergoeding van de kosten zoals bedoeld in
dit lid.
6. De werknemer heeft - in geval re-integratie in de eigen functie
duurzaam niet meer mogelijk is - een voorrangspositie bij
intern te vervullen vacatures, zolang werknemer niet eerder
in- of extern is herplaatst en op voorwaarde dat werknemer
beschikt over de voor de vacature benodigde kwalificaties
dan wel op korte termijn over deze kwalificaties beschikt.
7. De werknemer is verplicht mee te werken aan de aangeboden
re-integratie-activiteiten en een passende functie te aanvaarden.
Hij kan daartoe ook zelf initiatieven nemen en aan de
werkgever voorleggen.
8. Als en zolang de werkgever volgens de bevoegde instantie
tekort is geschoten in de re-integratieverplichting en de werknemer
daardoor geen recht heeft op een uitkering krachtens
WAO/WIA dan wordt het dienstverband in beginsel gehandhaafd
en zal de arbeidsongeschiktheid op zich geen reden
zijn voor ontslag. De werkgever betaalt in dat geval 70%
van het naar tijdsruimte vastgestelde loon, overeenkomstig
artikel 629 BW.
9. Voor de werknemer die minder dan 35% arbeidsongeschikt
is, wordt het dienstverband - indien de werknemer zelf actief
meewerkt aan zijn re-integratie, al dan niet in een aangepaste
functie - in principe gehandhaafd en zal de op zich geen reden
zijn voor ontslag.
10. Twee jaar na het moment van ziekmelden wordt door de
werkgever beoordeeld of verdere re-integratie- activiteiten
binnen zes maanden daadwerkelijk zullen kunnen leiden tot
plaatsing in een passende functie; hierbij wordt ook de werknemer
gehoord. Indien dat het geval is, dan wordt vooralsnog
geen ontslagvergunning aangevraagd en wordt de uitvoering
van de re-integratie-activiteiten voortgezet.

D Overige rechten en verplichtingen bij
Arbeidsongeschiktheid

Artikel 1 Werkingssfeer
Deze paragraaf is van toepassing op de werknemer die arbeidsongeschikt
is in de zin van artikel 7:629 BW. Voor zover in deze
paragraaf niet anders is bepaald, gelden de bepalingen van het
Burgerlijk Wetboek.

Artikel 2 Loondoorbetaling bij arbeidsongeschiktheid
1. De werknemer die wegens arbeidsongeschiktheid verhinderd is
zijn werkzaamheden te verrichten en de werkgever hiervan
direct op de hoogte heeft gesteld, heeft op grond van artikel
7:629 BW gedurende een tijdvak van maximaal 104 weken
recht op 70% van het naar tijdsruimte vastgestelde loon.
2. Het loon van de werknemer als bedoeld in lid 1 wordt
gedurende de eerste 52 weken van zijn arbeidsongeschiktheid
aangevuld tot 100% en vervolgens gedurende 52 weken tot
70% van het naar tijdsruimte vastgestelde loon, maar ten
minste tot het voor hem geldende wettelijk minimumloon. Op
dit verhoogde loon zijn de artikelen 7: 629 en 629a BW eveneens
van toepassing; het bepaalde in artikel 7: 629,
lid 1 BW over het maximum dagloon is niet van toepassing.
3. In dit artikel wordt onder loon verstaan het salaris als
bedoeld in H1 A, 4 (inclusief een eventuele waarnemingstoelage
van de werknemer op het moment dat de arbeidsongeschiktheid
ontstaat) vermeerderd met de structurele
loonbestanddelen, zoals de onregelmatigheidstoeslag en
de bereikbaarheidsdienstvergoeding. De hoogte van deze
bestanddelen wordt op maandbasis gemeten over een tijdvak
van zes maanden voorafgaand aan de maand waarin
de arbeidsongeschiktheid is ingetreden. De hoogte van het
loon wordt vastgesteld op de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid.
4. Het op grond van lid 3 vastgestelde loon wordt aangepast aan:
* de algemene salarisverhogingen die ingevolge de CAO
plaatsvinden gedurende het tijdvak van arbeidsongeschiktheid;
* de wijzigingen van de arbeidsduur die voor de aanvang
van de arbeidsongeschiktheid zijn overeengekomen
indien de periode tussen de eerste dag van arbeidsongeschiktheid
en de ingangsdatum van deze wijziging
korter is dan drie maanden. Aanpassing vindt plaats
met ingang van de dag waarop de contractwijziging in
werking treedt;
* de jaarlijkse periodieke salarisverhoging zoals bedoeld in
H7 B, artikel 6 zolang de werknemer nog geen 52 weken
arbeidsongeschikt is. Na 52 weken arbeidsongeschiktheid
wordt de periodieke verhoging vanaf de periodiekdatum
toegekend over de uren waarop de werknemer
arbeidsgeschikt is, indien en voor zover hij in die uren
zijn oorspronkelijke dan wel een andere passende functie
vervult.
Indien de periodieke verhoging afhankelijk is van een
beoordeling voor de overgang van functionele schaal A
naar schaal B zoals bedoeld in H16 A, artikel 2 dan wel
wanneer op de werknemer een beoordelingssysteem van
toepassing is zoals vermeld in H16 A, artikel 2, lid 13,
wordt gedurende de periode van volledige arbeidsongeschiktheid
geen periodieke verhoging toegekend.
Uiterlijk zes maanden nadat de werknemer zijn werkzaamheden
geheel of gedeeltelijk heeft hervat ontvangt
de werknemer bij voldoende beoordeling alsnog zijn
periodieke verhoging(en) met terugwerkende kracht
vanaf het eerste ziektejaar.
5. Het loon wordt verminderd met het bedrag van de uitkering
dat de werknemer ontvangt op grond van enige bij of krachtens
de wet geldende regeling of een daarmee gelijk te stellen
regeling.
6. In het tweede ziektejaar vindt pensioenopbouw plaats op basis
van 100% van het loon, waarbij werkgever en werknemer
elk
hun premiedeel betalen, tenzij de werknemer kiest voor een
pensioenopbouw op basis van het loon dat hij ontvangt in het
tweede ziektejaar.
7. Indien de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een erkende
beroepsziekte of een bedrijfsongeval of voortkomt uit een
omstandigheid, waarvoor de werkgever aansprakelijk is, zoals
bedoeld in artikel 7:658, lid 2 BW, dan wordt tijdens arbeidsongeschiktheid
gedurende 104 weken 100% loon doorbetaald.
8. De werkgever kan in individuele situaties, indien daarvoor
naar zijn oordeel goede gronden aanwezig zijn, besluiten in
het tweede ziektejaar meer dan 70% van het loon te betalen.
9. De werkgever kan het recht op aanvulling als bedoeld in dit
artikel geheel of gedeeltelijk laten vervallen indien:
* blijkt dat de werknemer de verplichtingen zoals
geformuleerd in het verzuim- en herstelprotocol van
de instelling (H9 B) niet is nagekomen;
* de werknemer de aanspraak op uitkering ingevolge de
ZW, WAO/WIA, of WW geheel of gedeeltelijk verliest,
tenzij dit aan de werkgever te wijten is.

Artikel 3 Arbeidsongeschiktheid door derden
Is de arbeidsongeschiktheid van de werknemer het gevolg van een
gebeurtenis waarvoor de werkgever rechten tegenover derden kan
doen gelden, dan zal de werkgever - als de werknemer dat wenst
- de rechten van de werknemer waarnemen. Dit artikel heeft vooral
betrekking op persoonlijke vorderingen jegens de wettelijk aansprakelijke
derde die de werknemer mogelijk toekomen. De werkgever
kan die gelijktijdig met zijn eigen vordering tegenover deze
derde geldend maken.

Artikel 4 Verlagen of vervallen van loondoorbetaling
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 7:629, lid 3 en lid 5 BW,
kan de werkgever de doorbetaling van het loon als
bedoeld in artikel 2 verlagen tot het in artikel 7:629, lid 1
BW voorgeschreven niveau als blijkt dat de werknemer de
verplichtingen volgens de wet en het verzuim- en herstelprotocol
niet is nagekomen.
2. De werkgever kan het recht op loondoorbetaling als bedoeld in
artikel 2 geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren,
wanneer de aanspraak op uitkering in het kader van de ZW, de
WAO/WIA of de WW geheel of gedeeltelijk komt te vervallen,
tenzij dat aan de werkgever te wijten is.
3. Het recht op loondoorbetaling als bedoeld in artikel 2 vervalt
als de werknemer weigert een WW-uitkering aan te vragen
voor dat deel dat de werknemer arbeidsgeschikt is verklaard
voor een andere dan zijn huidige functie en nadat is gebleken
dat de werkgever geen vervangende functie beschikbaar heeft
en de werkgever aan alle wettelijke verplichtingen ter zake
heeft voldaan.

Artikel 5 Uitkering bij overlijden
1. Bij overlijden van de werknemer verstrekt de werkgever een
uitkering op basis van diens laatstgenoten salaris of - indien de
werknemer tijdens arbeidsongeschiktheid overlijdt - op basis
van het salaris dat hij genoot direct voorafgaand aan de eerste
dag van arbeidsongeschiktheid. De uitkering wordt berekend
over de periode vanaf de dag na het overlijden tot en met de
laatste dag van de derde maand na die waarin het overlijden
plaatsvond. De uitkering wordt verstrekt aan:
a. de echtgeno(o)t(e) of relatiepartner van wie de werknemer
niet duurzaam gescheiden leefde, en bij ontstentenis
van deze aan;
b. diens minderjarige kinderen, en bij ontstentenis van
deze aan;
c. degene voor wie de werknemer grotendeels in de kosten
van het bestaan voorzag en met wie hij in
gezinsverband leefde.
2. De overlijdensuitkering wordt belasting- en premievrij
uitbetaald met uitzondering van het salaris over de maand
van overlijden.
3. Laat de overledene geen betrekkingen na als hierboven genoemd,
dan kan de werkgever de uitkering of een gedeelte
daarvan doen toekomen aan de persoon of de personen die
daarvoor naar het oordeel van de werkgever op grond van
billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt/komen.
4. De overlijdensuitkering als bedoeld in het eerste lid wordt
verminderd met de overlijdensuitkering krachtens de sociale
verzekeringswetten.

 

Hoofdstuk 10 Bijzondere diensten

A Overwerk

Artikel 1 Definities
Onder overwerk wordt verstaan: arbeid die 1. incidenteel wordt
verricht boven de bij werktijdenregeling of rooster vastgestelde
arbeidsduur; onder arbeidsduur wordt tevens begrepen de in
werktijdenregeling of rooster opgenomen tijdcompensaties,
vakantie-uren en verlof.
2. Vergoeding voor overwerk wordt gegeven als de werknemer
opdracht tot overwerk heeft gekregen of redelijkerwijs mocht
aannemen dat hij opdracht tot overwerk zou hebben gekregen.

Artikel 2 Bepaling aantal overwerkuren en vrijgestelde
werknemers
1. Wordt het overwerk verricht gedurende een periode van een
half uur of korter voorafgaande aan of aansluitend op de bij
werktijdenregeling of rooster vastgestelde werktijd, dan komt
deze periode niet voor vergoeding in aanmerking.
2. Wordt het overwerk verricht gedurende een periode langer dan
een half uur, dan wordt deze periode afgerond op een heel uur.
3. Wordt het overwerk verricht gedurende een periode langer dan
een uur, dan wordt deze periode naar boven afgerond op halve
respectievelijk hele uren.
4. Aan de werknemer van 55 jaar of ouder en de zwangere
werknemer na de derde maand van de zwangerschap zal geen
overwerk worden opgedragen, tenzij de werknemer ermee
instemt om overwerk te verrichten. Vervalt per 01-1-2010 voor
zover het de 55+-er betreft.

Artikel 3 Vergoedingsregeling voor werknemers met een
volledige werkweek
1. De vergoeding voor overwerk wordt - voor zover lid 3 van dit
artikel niet anders bepaalt - verstrekt in de vorm van vrije tijd,
gelijk aan het aantal uren dat het overwerk heeft geduurd en
daarenboven in de vorm van een geldelijke beloning als
bedoeld onder lid 2 van dit artikel.
2. De onder 1 genoemde geldelijke beloning bestaat uit een
percentage van het uurloon, en wel:
* 25% voor overwerk verricht tussen 06.00 - 22.00 uur op
maandag tot en met vrijdag, zodat in een periode van zeven
achtereenvolgende doordeweekse dagen het aantal aldus te
belonen uren maximaal vijf bedraagt; de overige uren
worden beloond met 50%;
* 50% voor overwerk verricht tussen 22.00 - 06.00 uur op
maandag tot en met vrijdag;
* 75% voor overwerk verricht op zaterdag tot 18.00 uur en op
vrije dagen;
* 100% voor overwerk verricht op zaterdag vanaf 18.00 uur,
op zon- en feestdagen tussen 00.00 - 24.00 uur en op 24 en
31 december tussen 18.00 - 24.00 uur.
Onder vrije dagen worden voor de toepassing van dit artikel
verstaan: de dagen die niet samenvallen met een zon- of
feestdag en waarop de werknemer volgens zijn werktijdenregeling
of rooster niet hoeft te werken.
3. Het recht op vergoeding van overwerk als genoemd onder
lid 1 wordt toegekend in de volgende gevallen:
a. als het salaris van de werknemer nr. 48 van de inpassingstabel
niet overschrijdt;
b. als het salaris van de werknemer nr. 48 van de inpassingstabel
te boven gaat: indien en voor zover het aantal
gewerkte uren boven de in de werktijdenregeling of rooster
opgenomen arbeidsduur méér dan vier gemiddeld per week
bedraagt, te meten over de periode waarvoor de werktijdenregeling
of het rooster geldt;
c. de geldelijke beloning per uur voor de onder b. bedoelde
werknemer is de berekende gemiddelde vergoeding over
alle overgewerkte uren tijdens de werktijdenregeling of het
rooster.
4. In afwijking van het gestelde in lid 3 onder a en b kunnen
partijen bij deze CAO voor bepaalde categorieën van werknemers
een andere urennorm voor het overwerk vaststellen.
Ten aanzien van artsen in opleiding tot specialist geldt het
bepaalde in lid 3 sub b, zij het dat daarin voor vier gelezen
wordt tien.

Artikel 4 Vergoedingsregeling voor de deeltijdwerker
1. Als het aantal overuren gemiddeld per week niet uitkomt
boven het verschil tussen de arbeidsduur volgens het contract
van de werknemer en de arbeidsduur bij een volledige
werkweek, krijgt de werknemer voor die uren het geldende
uurloon vergoed. Het aantal overuren wordt gemeten over de
periode waarvoor de werktijdenregeling of het rooster geldt.
2. Bovendien wordt een vergoeding als genoemd in artikel 3
toegekend indien en voorzover het aantal overuren gemiddeld
per week uitstijgt boven het verschil tussen de contractuele
arbeidsduur en de arbeidsduur bij een volledige werkweek. Het
aantal overuren wordt gemeten over een periode waarvoor de
werktijdenregeling of het rooster geldt.
3. De geldelijke beloning als bedoeld in de vorige volzin is de
berekende gemiddelde vergoeding over alle overgewerkte uren
tijdens de werktijdenregeling of het rooster.

Artikel 5 Maximaal aantal uren overwerk, vacaturestelling
1a. Het aantal overuren mag voor de werknemer met minimaal
een volledig dienstverband gemiddeld per week, te meten
per kwartaal, niet meer bedragen dan 10% van de overeengekomen
arbeidsduur.
1b. Het onder a. genoemde percentage wordt voor een werknemer
met een salaris boven nummer 48 van de inpassingstabel
berekend over de gemiddelde arbeidsduur verhoogd met
zes uur.
2. Wordt het percentage van tien in het eerste lid overschreden,
dan wordt op verzoek van de betrokken werknemer overgegaan
tot het verlenen van assistentie of het stellen van een
vacature.
3. De ondernemingsraad ontvangt op zijn verzoek met betrekking
tot de in het 1e lid vermelde salariscategorieën een overzicht
van de binnen een afdeling of groep per werknemer per
kalenderkwartaal gemaakte overuren. De raad kan zich zo een
oordeel vormen omtrent het gevoerde beleid ten aanzien van
vacaturestelling of assistentieverlening.
4. Werkt een deeltijdwerker over enig kwartaal meer dan 10%
van zijn contractuele arbeidsduur extra, dan wordt hem op
eigen verzoek een contract voor de meerdere uren aangeboden.
Vraagt hij daar niet om, dan wordt overgegaan tot het
verlenen van assistentie of het stellen van een vacature.

Artikel 6 Opnemen vergoeding overwerk
De in artikel 3 bedoelde vrije tijd moet, 1. na overleg met de
betrokken werknemer, uiterlijk in het kwartaal dat volgt op het
kwartaal waarin het overwerk is verricht worden verleend en
opgenomen, tenzij werkgever en werknemer uitdrukkelijk
anders zijn overeengekomen.
2. Verzet het belang van de werkzaamheden zich volgens de
werkgever tegen het geven van vrije tijd, dan wordt de vrije tijd
omgezet in een geldbedrag dat bestaat uit het evenredige deel
van het salaris.
3. De ondernemingsraad ontvangt op haar verzoek inzicht in de
toepassing van het bepaalde in de vorige volzin.

B Onregelmatige dienst

Artikel 1 Definities
Onder onregelmatige dienst wordt verstaan: arbeid die volgens
rooster wordt verricht op de uren als vermeld in artikel 4. Onder
onregelmatige dienst wordt mede verstaan: arbeid die:
* een deeltijdwerker niet volgens rooster verricht op de uren als
vermeld in artikel 4, boven het bij zijn arbeidsovereenkomst
overeengekomen aantal uren, voor zover zij de 36 uren niet te
boven gaan;
* een werknemer volgens werktijdenregeling verricht op een
zaterdagochtend die samenvalt met een feestdag.

Artikel 2 Werkingssfeer onregelmatige dienst
1. Werknemers die zijn ingedeeld in functiegroep 65 of lager,
hebben recht op vergoeding voor het verrichten van onregelmatige
dienst.
2. Aan de werknemer van 55 jaar of ouder en de zwangere
werknemer na de derde maand van de zwangerschap wordt
geen onregelmatige dienst opgedragen, tenzij de werknemer
hiertegen geen bezwaar maakt. Vervalt per 01-01-2010 voor
zover het de 55+-er betreft, behoudens nachtdiensten voor de
57+-er en de werknemer van 55 jaar of ouder op 31-12-2009 die
in 2009 geen nachtdiensten verrichtte.
3. Indien na 01-01-2010 de 57+-er (of de werknemer van 55 of 56
jaar zoals hiervoor genoemd) er voor kiest structureel
ingeroosterd te worden in nachtdiensten dan hoeft hij op
jaarbasis 40 uur (naar rato) minder te werken. Deze 40 uur
(naar rato) worden eenmalig toegekend. Er vindt geen
cumulatie van de 40 uur (naar rato) plaats op basis van H 10 C
artikel 4 en H 10 D artikel 3.

Artikel 3 Vergoeding onregelmatige dienst
1. De vergoeding voor onregelmatige dienst wordt verstrekt in de
vorm van een geldelijke beloning of, als de werknemer daarom
vraagt, in de vorm van vrije tijd. De vrije tijd wordt bepaald
door de in artikel 4 berekende geldelijke vergoeding te delen
door het geldende uurloon van de werknemer.
2. Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt, tenzij de
belangen van de instelling zich hiertegen verzetten, door de
werkgever ingewilligd.
3. Het in het eerste lid bedoelde verzoek dient in de eerste helft
van enig kalenderjaar te worden gedaan. Bij inwilliging van het
verzoek gaat de vergoeding in de vorm van vrije tijd in op 1
januari daaropvolgend en blijft ten minste voor een kalenderjaar
gehandhaafd.
4. Op uiterlijk 30 juni van enig kalenderjaar kunnen werkgever en
werknemer mededelen dat de vergoeding niet meer in de vorm
van vrije tijd maar in de vorm van een geldelijke beloning als
bedoeld in lid 1 moet plaatsvinden. Deze wijziging gaat in dat
geval in op 1 januari daaropvolgend. De werkgever hoeft aan
de mededeling van de werknemer als bedoeld in dit lid geen
gevolg te geven als de belangen van de instelling zich
hiertegen verzetten.

Artikel 4 Berekening vergoeding onregelmatige dienst
De in artikel 3 genoemde geldelijke beloning wordt berekend
uitgaande van het geldende uurloon. Als maximum geldt het
uurloon afgeleid van nummer 19 van de inpassingstabel op basis van
de volgende percentages:
* 22% voor onregelmatige dienst op uren tussen 06.00 - 07.00 uur
en tussen 20.00 - 22.00 uur op maandag tot en met vrijdag;
* 38% op uren tussen 06.00 - 08.00 uur en tussen 12.00 - 22.00
uur op zaterdag;
* 44% op uren tussen 00.00 - 06.00 uur en tussen 22.00 - 24.00
uur op maandag tot en met vrijdag;
* 49% op uren tussen 00.00 - 06.00 uur en tussen 22.00 - 24.00
uur op zaterdag;
* 60% op uren tussen 00.00 - 24.00 uur op zon- en feestdagen en
op uren tussen 18.00 - 24.00 uur op 24 en 31 december.

Artikel 5 Afbouwregeling ORT
1a. Beëindigt of vermindert de werkgever de onregelmatige dienst
van de werknemer of vindt de beëindiging of vermindering
plaats op medisch advies en is die niet te wijten aan eigen
schuld of toedoen van de werknemer, dan heeft hij aanspraak
op een tegemoetkoming. Onder beëindiging of vermindering
van de onregelmatige dienst wordt tevens verstaan bevordering
als bedoeld in H7 B Salariëring, artikel 9.
1b. Deze aanspraak geldt niet bij een kennelijk tijdelijke beëindiging
of vermindering.
2. Voorwaarden voor de in het eerste lid genoemde tegemoetkoming
zijn dat:
a. de werknemer in dezelfde instelling op het moment van
de beëindiging of vermindering ten minste drie jaren
onafgebroken onregelmatige dienst heeft verricht.
Onderbrekingen buiten eigen schuld of toedoen van de
werknemer worden niet in aanmerking genomen;
b. het verschil tussen: I. enerzijds het salaris verhoogd met
de gemiddeld per maand in de voorgaande 12 maanden
genoten vergoeding voor onregelmatige dienst en II.
anderzijds het - al dan niet nieuwe - salaris verhoogd met
de eventueel nog te genieten gemiddelde vergoeding voor
onregelmatige dienst (over een periode van drie maanden
na de in het eerste lid bedoelde beëindiging of vermindering
te meten) meer bedraagt dan 2% van het sub bI
genoemde bedrag én het onder sub b II berekende bedrag
lager is dan het onder sub bI berekende bedrag. Het in
dit lid genoemde salaris is het bedrag dat geldt bij een
gelijkblijvende arbeidsduur.
De tegemoetkoming bedraagt gedurende het eerste jaar
75%, gedurende het tweede jaar 50% en gedurende het
derde jaar 25% van het in het tweede lid genoemde
verschil. De berekeningsgrondslag voor de tegemoetkoming
blijft gedurende de hiervoor genoemde periode ongewijzigd.
Verricht de werknemer gedurende de afbouwperiode
weer of meer onregelmatige dienst, dan wordt de
tegemoetkoming slechts uitbetaald voor zover deze de
toeslag voor onregelmatige dienst overschrijdt.

C Bereikbaarheids-, Aanwezigheids- en
Consignatiedienst

Artikel 1 Definities
Onder bereikbaarheidsdienst wordt verstaan 1. dat de werknemer
buiten de vastgestelde werktijd op oproep beschikbaar moet
zijn om zo spoedig mogelijk arbeid te verrichten.
2. Onder dagaanwezigheidsdienst wordt verstaan dat de
werknemer buiten de vastgestelde werktijd tussen 06.00 -
24.00 uur in de instelling aanwezig en beschikbaar moet zijn
om op oproep onverwijld arbeid te verrichten.
3. Onder nachtaanwezigheidsdienst wordt verstaan dat een
werknemer buiten de vastgestelde werktijd tussen 24.00 -
06.00 uur in de instelling aanwezig en beschikbaar moet zijn
om op oproep onverwijld arbeid te verrichten.
4. Onder consignatiediensten wordt verstaan een tijdruimte
tussen twee elkaar opeenvolgende diensten of tijdens een
pauze waarin de werknemer uitsluitend verplicht is om
bereikbaar te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden
op oproep de bedongen arbeid zo spoedig mogelijk
te verrichten.

Artikel 2 Werkingssfeer
De normen van de ATW met betrekking tot consignatie zijn van
toepassing op alle werknemers. De maxima genoemd in de normen
van ATW/ATB gelden voor de deeltijdwerker naar rato, tenzij hij geen
bezwaar heeft tegen hantering van deze maxima. Voor werknemers
in de verpleging en de verzorging in de zin van het ATB en voor
geneeskundigen zijn de voor deze werknemers geldende normen
uit het ATB van toepassing. Er wordt geen gebruik gemaakt voor
opt-out, met uitzondering van slaapdiensten en tot 01-07-2010 voor
A(N)IOS in aanwezigheidsdienst.

Artikel 3 Vrije weekends
De werknemer is ten minste twee weekends dan wel twee maal
twee achtereenvolgende roostervrije dagen per 28 achtereenvolgende
dagen vrij van de in artikel 1 genoemde diensten.

Artikel 4 Vrijgestelde werknemers
Aan de werknemer van 55 jaar of ouder en de zwangere werknemer
na de derde maand van de zwangerschap wordt geen bereikbaarheids-,
aanwezigheids- of consignatiedienst opgedragen, tenzij de
werknemer daar geen bezwaar tegen maakt. Vervalt per 01-01-2010
voor de 55+-er, per die datum geldt voor de 57 +-er een vrijstelling
voor deze diensten in de nacht, tenzij de werknemer daar geen
bezwaar tegen maakt.
Indien na 01-01-2010 de 57+-er er voor kiest structureel ingeroosterd
te worden in deze diensten in de nacht dan hoeft hij op jaarbasis 40
uur (naar rato) minder te werken. Deze 40 uur (naar rato) worden
eenmalig toegekend. Er vindt geen cumulatie van de 40 uur (naar
rato) plaats op basis van H10 B artikel 2 en H10D artikel 3.

Artikel 5 Vergoeding van arbeid tijdens bereikbaarheids-,
aanwezigheids- en consignatiedienst
Wanneer tijdens de in artikel 1 genoemde diensten arbeid wordt
verricht, zijn - onverminderd de in artikel 9 vermelde compensaties
- artikel 2, 3, 5 en 6 van H10 A Overwerk van toepassing. Wordt de
werknemer tijdens de dag- en nachtaanwezigheidsdienst opgeroepen,
dan wordt voor de berekening van de overwerkvergoeding
uitgegaan van een periode van ten minste een half uur; vindt deze
oproep plaats tijdens de bereikbaarheids- of consignatiedienst, dan
wordt voor genoemde berekening uitgegaan van een periode van
ten minste een half uur, te vermeerderen met de werkelijke reistijd.

Artikel 6 Vergoeding van arbeid tijdens bereikbaarheids-,
aanwezigheids- en consignatiedienst voor de
deeltijdwerker
1. De vergoeding voor arbeid verricht tijdens de in artikel 1
genoemde diensten wordt verstrekt in de vorm van vrije tijd,
gelijk aan het aantal uren dat de arbeid heeft geduurd en
daarenboven in de vorm van een geldelijke beloning als
bedoeld onder lid 2 van dit artikel.
2. De onder 1 genoemde geldelijke beloning bestaat uit een
percentage van het uurloon en wel:
* 25% voor arbeid tussen 06.00 - 22.00 uur op maandag tot en
met vrijdag, zij het dat in een periode van zeven achtereenvolgende
doordeweekse dagen het aantal aldus te belonen
uren maximaal vijf bedraagt; de overige uren worden
beloond met 50%;
* 50% voor arbeid tussen 22.00 - 06.00 uur op maandag
tot en met vrijdag;
* 75% voor arbeid op zaterdag tot 18.00 uur en op vrije
dagen;
* 100% voor arbeid op zaterdag vanaf 18.00 uur, op zonen
feestdagen tussen 00.00 - 24.00 uur en op 24 en 31
december tussen 18.00 - 24.00 uur.
Onder vrije dagen worden voor de toepassing van dit artikel
verstaan: de dagen die niet samenvallen met een zon- of
feestdag en waarop de werknemer volgens zijn werktijdenregeling
of rooster niet zou hoeven te werken.
3. Wordt de werknemer tijdens de dag- en nachtaanwezigheidsdienst
opgeroepen, dan wordt voor de berekening van de
vergoeding uitgegaan van een periode van ten minste een half
uur; vindt deze oproep plaats tijdens de bereikbaarheids- of
consignatiedienst, dan wordt voor genoemde berekening
uitgegaan van een periode van ten minste een half uur, te
vermeerderen met de werkelijke reistijd.

Artikel 7 Spoedeisende arbeid
Tijdens de in artikel 1 genoemde diensten mag slechts arbeid
worden verricht voor zover die geen uitstel toelaat.

Artikel 8 Minimale rusttijd na oproep
Wanneer tijdens de in artikel 1 genoemde diensten tussen 00.00 -
06.00 uur gedurende meer dan twee uren arbeid is verricht of
wanneer meer dan twee maal aan een oproep gevolg is gegeven,
wordt de werknemer tijdens de eerstkomende nacht niet voor
enige dienst ingezet, tenzij hij - aansluitend aan de laatste periode
waarin hij gedurende voormelde uren daadwerkelijk arbeid heeft
verricht - ten minste zes uren rust kan hebben genoten. Uren van
deze rustperiode die samenvallen met de op de dienst volgende
werktijd volgens werktijdenregeling of rooster, gelden als werktijd.

Artikel 9 Vergoedingsregeling bereikbaarheids-, aanwezig
heids- en consignatiedienst
1. De werknemer van wie het salaris niet meer bedraagt dan
het onder nummer 88 van de inpassingstabel aangegeven
bedrag, ontvangt voor de uren die hij heeft doorgebracht in
bereikbaarheids- en consignatiedienst, dag- en nachtaanwezigheidsdienst
een compensatie in vrije tijd. Voor de
werknemer die aanspraak heeft op toepassing van H7 B
Salariëring, artikel 4, lid 1 (garantiebepaling) geldt in plaats
van voornoemd nummer 88 het nummer 48 van de inpassingstabel.
2. De in het vorige lid bedoelde compensatie bedraagt per uur
in het geval van:
a. bereikbaarheidsdienst/consignatiedienst:
* op feestdagen: 3/18;
* op zaterdagen/zondagen#: 2/18;
* op overige dagen: 1/18.
b. dagaanwezigheidsdienst:
* op feestdagen: 5/18;
* op zaterdagen/zondagen#: 4/18;
* op overige dagen: 2/18.
c. nachtaanwezigheidsdienst:
* op feestdagen: 7/18;
* op zaterdagen/zondagen#: 6/18;
* op overige dagen: 3/18.
# niet zijnde een feestdag
3. Verricht de werknemer in een tijdvak van drie achtereenvolgende
perioden van 28 dagen met inachtneming van het
bepaalde in artikel 2, gedurende meer dan acht weekenddagen
bereikbaarheids- of aanwezigheids- en/of consignatiedienst,
dan ontvangt hij boven de in lid 2 genoemde compensatie voor
de meerdere bereikbaarheids-, aanwezigheids- en consignatiediensten
op weekenddagen een toeslag van 50% van deze
compensatie. De beperking vermeld in de tweede volzin van
artikel 10, lid 1 is op deze toeslag niet van toepassing.

Artikel 10 Vergoeding bereikbaarheids-, aanwezigheids- en
consignatiedienst
1. De in artikel 6 en artikel 9 genoemde vrije tijd moet verleend
en opgenomen worden binnen twee maanden na het
verrichten van de bereikbaarheids-, aanwezigheids- of
consignatiedienst, tenzij werkgever en werknemer anders zijn
overeengekomen. Vindt de werkgever dat het belang van de
instelling zich verzet tegen het geven van vrije tijd, dan wordt
de vrije tijd tot ten hoogste de helft omgezet in een geldbedrag,
bestaande uit het evenredige deel van het salaris.
2. Wordt de bereikbaarheids-, aanwezigheids- of consignatiedienst
uitgevoerd op een door de werkgever aangewezen
vakantiedag als bedoeld in H12 B Vakantie, artikel 1, lid 3, dan
blijft de aanspraak van de werknemer op die dag behouden.

Artikel 11 Maaltijdverstrekking en telefoonkostenvergoeding
1. De werkgever verstrekt gratis maaltijden tijdens het verrichten
van aanwezigheidsdienst.
2. De werkgever voorziet de werknemer tijdens bereikbaarheids-,
aanwezigheids- of consignatiedienst van een adequate
telefoonvoorziening.

Artikel 12 Afwijkende regeling
De werkgever kan in overleg met de ondernemingsraad een
afwijkende regeling treffen met betrekking tot de vorm van de
vergoeding, voor de compensatie voor het verrichten van een van
de in deze paragraaf genoemde diensten. De regeling dient
tenminste op hetzelfde vergoedingsniveau te blijven.

D Crisisdienst

Artikel 1 Definitie
Onder crisisdienst wordt verstaan: de omstandigheid dat een
werknemer - buiten de vastgestelde werktijd - beschikbaar moet zijn
om op afroep zo spoedig mogelijk te interveniëren in een crisissituatie.
Deze arbeid wordt in de regel verricht buiten de plaats waar de
werknemer gewoonlijk de arbeid verricht.

Artikel 2 Werkingssfeer en vrije weekends
Voor werknemers in de verpleging en de verzorging 1. in de zin
van het Arbeidstijdenbesluit en voor geneeskundigen, zijn
de voor deze werknemers geldende normen uit het Arbeidstijdenbesluit
van toepassing. Voor deeltijdwerkenden moeten
deze normen naar evenredigheid worden toegepast, tenzij de
werknemer tegen het hanteren van de genoemde normen
geen bezwaar heeft.
2. De werknemer is ten minste twee weekends per 28 achtereenvolgende
dagen vrij van de in artikel 1 genoemde dienst.

Artikel 3 Vrijgestelde werknemers
Aan de werknemer van 55 jaar of ouder en de zwangere werknemer
na de derde maand van de zwangerschap wordt geen crisisdienst
opgedragen, tenzij de werknemer hiertegen geen bezwaar maakt.
Vervalt per 01-01-2010 voor de 55+-er, dan geldt voor de 57+-er een
vrijstelling voor deze diensten in de nacht, tenzij de werknemer daar
geen bezwaar tegen maakt.
Indien na 01-01-2010 de 57+-er er voor kiest structureel ingeroosterd
te worden in deze diensten in de nacht dan hoeft hij op jaarbasis
40 uur (naar rato) minder te werken. Deze 40 uur (naar rato) worden
eenmalig toegekend. Er vindt geen cumulatie van de 40 uur (naar
rato) plaats op basis van H10 B artikel 2 en H10 C artikel 4.
Artikel 4 Vergoedingsregeling crisisdienst
De werknemer ontvangt voor de uren waarin hij beschikbaar moet
zijn een compensatie in vrije tijd. Deze compensatie bedraagt per
uur in het geval van crisisdienst:
* op feestdagen : 3/18;
* op zaterdagen/zondagen# : 2/18;
* op overige dagen : 1/18.
# niet zijnde een feestdag (zie eventueel H10 C, artikel 9, lid 2)

Artikel 5 Toelage crisisdienst
1. De werknemer die crisisdienst verricht, heeft aanspraak op een
toelage in verband met de bijzondere aard van de crisisdienst
en de omstandigheden waaronder deze moet worden verricht.
Wanneer de werknemer volgens regeling als eerste (zogeheten
voorwacht) alleen uitrukt, bedraagt de hoogte van de toelage:
* € 83,39 per maand per 01-10-2009 (€ 84,22 per 01-08-2010)
als de werknemer 4 tot en met 13 diensten in een kwartaal
is ingeroosterd voor crisisdienst;
* € 165,69 per maand per 01-10-2009 (€ 167,35 per 01-08-2010)
als de werknemer 14 of meer diensten in een kwartaal is
ingeroosterd voor crisisdienst.
Rukt de werknemer volgens regeling tezamen en gelijktijdig
met een collega uit, dan bedraagt de hoogte van de toelage:
* € 41,15 per maand per 01-10-2009 (€ 41,56 per 01-08-2010)
als de werknemer 4 tot en met 13 diensten in een kwartaal
is ingeroosterd voor crisisdienst;
* € 83,39 per maand per 01-10-2009 (€ 84,22 per 01-08-2010 als
de werknemer 14 of meer diensten in een kwartaal is
ingeroosterd voor crisisdienst. Voor de toepassing van het
vorenstaande wordt het weekend aangemerkt als drie
diensten (als regel vrijdag 17.00 uur tot zaterdag 08.00 uur,
zaterdag 08.00 uur tot zondag 08.00 uur en zondag 08.00
uur tot maandag 08.00 uur; begin- en eindtijden op de
desbetreffende dagen kunnen per instelling verschillen).
2. Als de werkgever de crisisdienst van de werknemer beëindigt of
vermindert of als de beëindiging of vermindering plaatsvindt op
medisch advies en niet te wijten is aan eigen schuld of toedoen
van de werknemer, dan heeft de werknemer aanspraak op een
tegemoetkoming volgens de volgende leden.
3. Voorwaarden voor de in lid 2 genoemde tegemoetkoming zijn,
dat:
a. de werknemer ten minste drie jaar onafgebroken dienst
heeft verricht in dezelfde instelling op het moment van de
in het eerste lid bedoelde beëindiging of vermindering;
b. het verschil tussen: I. enerzijds het salaris verhoogd met de
gemiddeld per maand in de voorgaande 12 maanden
genoten toelage voor crisisdienst en II. anderzijds het - al
dan niet nieuwe - salaris verhoogd met de eventueel nog
te genieten gemiddelde toelage voor crisisdienst (te meten
over een periode van drie maanden na de in het eerste lid
bedoelde beëindiging of vermindering) meer bedraagt dan
2% van het onder bI. genoemde bedrag en het onder lid
bII. berekende bedrag lager is dan het onder bI. berekende
bedrag.
4. De tegemoetkoming bedraagt gedurende het eerste jaar 75%,
gedurende het tweede jaar 50% en gedurende het derde jaar
25% van het in het derde lid genoemde verschil, voor zover dat
verschil groter is dan het in het derde lid genoemde percentage.
De berekeningsgrondslag voor de tegemoetkoming blijft
gedurende de hiervoor genoemde periode ongewijzigd.

Artikel 6 Vergoedingsregeling van arbeid tijdens crisisdienst
De werknemer ontvangt voor de uren waarin tijdens crisisdienst
daadwerkelijk arbeid wordt verricht een compensatie in vrije tijd,
gelijk aan de tijd waarin arbeid werd verricht, met een minimum van
een half uur. De werkelijke reistijd wordt hierbij als gewerkte tijd
aangemerkt. Daar bovenop ontvangt de werknemer voor elk gewerkt
uur een toeslag in geld als percentage van het uurloon en wel:
* 50% voor de gewerkte tijd tussen 06.00 - 22.00 uur op
maandag tot en met vrijdag;
* 100% voor alle overige uren en op vrije dagen. Onder vrije
dagen worden voor de toepassing van dit artikel verstaan: de
dagen waarop de werknemer volgens zijn werktijdenregeling
of rooster niet zou hoeven te werken.

Artikel 7 Opnemen vrije tijd crisisdienst
De in artikel 4 en 6 genoemde vrije tijd moet verleend en opgenomen
worden binnen een tijdvak van twee maanden na het
verrichten van de crisisdienst, tenzij werkgever en werknemer
anders zijn overeengekomen. Op verzoek van de werknemer kan de
vrije tijd als bedoeld in de artikelen 4 en 6 worden omgezet in een
geldbedrag, bestaande uit een evenredig deel van het salaris. De in
artikel 5 genoemde toelage kan op verzoek van de werknemer
naar
evenredigheid worden omgezet in vrije tijd. Wordt
de crisisdienst verricht op een door de werkgever aangewezen
vakantiedag als bedoeld in H12 B Vakantie, artikel 1, lid 3 van
de CAO, dan behoudt de werknemer aanspraak op die dag.

Artikel 8 Telefoonvoorziening
De werkgever voorziet de werknemer tijdens crisisdienst van een
adequate telefoonvoorziening.

Artikel 9 Afwijkende regeling
De werkgever kan in overleg met de ondernemingsraad een
afwijkende regeling treffen voor de compensatie voor het verrichten
van crisisdienst.

E Slaapdienst en begeleiding van cliënten
in hun vakantie

Artikel 1 Definities
Onder slaapdienst wordt verstaan: de omstandigheid dat een
werknemer - buiten de vastgestelde werktijd - tussen 23.00 - 07.00
uur in de directe omgeving van patiënten moet slapen en zonder
tussenkomst van een derde direct hulp biedt als de situatie van de
cliënt dat vereist.

Artikel 2 Werkingssfeer
Voor werknemers werkzaam in de verpleging en de verzorging zijn
de voor deze werknemers geldende normen van de ATW en de
normen voor de aanwezigheidsdienst uit het Arbeidstijdenbesluit
van toepassing (zie voor de opt-out H6 Bijlage A).

Artikel 3 Vrije weekends
De werknemer is ten minste twee weekends per 28 achtereenvolgende
dagen vrij van de in artikel 1 genoemde dienst.

Artikel 4 Vrijgestelde werknemers (vervalt per 01-01-2010)
Aan de werknemer van 55 jaar of ouder wordt geen slaapdienst
opgedragen, tenzij de werknemer hiertegen geen bezwaar maakt.

Artikel 5 Vergoeding slaapdienst
De werknemer van wie het salaris niet meer 1. bedraagt dan het
bedrag onder nummer 48 van de inpassingstabel ontvangt als
vergoeding:
a. een bedrag van € 29,23 per 01-10-2009 (€ 29,52 per
01-08-2010) voor elke slaapdienst, ongeacht het aantal
uren dat deze dienst bedraagt, en;
b. een vergoeding in vrije tijd van 1/4 van de uren doorgebracht
in slaapdienst.
2. In het belang van de afdeling/dienst kan de werkgever, na
overleg met de ondernemingsraad, in afwijking van de in lid 1
genoemde vergoedingsregeling een vergoeding toekennen in
uitsluitend vrije tijd. Deze vergoeding bedraagt de helft van de
tijd doorgebracht in slaapdienst.

Artikel 6 Opnemen vrije tijd slaapdienst
1. De in artikel 5 genoemde vrije tijd moet verleend en opgenomen
worden binnen een tijdvak van twee maanden
na het verrichten van de slaapdienst, tenzij werkgever en
werknemer anders zijn overeengekomen. Vindt de werkgever
dat het belang van de instelling zich verzet tegen het geven
van vrije tijd, dan wordt de vrije tijd tot ten hoogste de helft
omgezet in een geldbedrag, bestaande uit het evenredige deel
van het salaris.
2. Wordt slaapdienst verricht op een door de werkgever
aangewezen vakantiedag als bedoeld in H12 B Vakantie, artikel
1, lid 3 dan behoudt de werknemer zijn aanspraak op die dag.

Artikel 7 Begeleiding tijdens vakantie van cliënten
1. Voor het gedurende aaneengesloten tijdvak(ken) van 24 uur
begeleiden van cliënten tijdens een vakantieperiode van ten
minste een etmaal, worden de werknemer vier uren per etmaal
vergoed. Het voor de overige bijzondere diensten in dit
hoofdstuk bepaalde is niet van toepassing.
2. De vergoeding wordt voor tweevijfde in vrije tijd gegeven en
voor het overige omgezet in een geldbedrag bestaande uit een
evenredig deel van het salaris.
3. Gedurende de in lid 1 bedoelde tijdvakken is de werknemer
geen bijdrage in de kosten verschuldigd.
4. De werkgever kan in overleg met de ondernemingsraad een
regeling treffen die afwijkt van lid 1 en 2 van dit artikel. Deze
regeling treedt in de plaats van het bepaalde in lid 1 en 2.

 

Hoofdstuk 11 Kostenvergoedingen

A Woon- /werkverkeer en reis- en Verblijfkosten

Artikel 1 Vergoedingen voor woon-werkverkeer en reis- en
verblijfkosten.
De werknemer krijgt een vergoeding van 1. de kosten verbonden
aan het eenmaal dagelijks heen en weer reizen van zijn woning
naar zijn werk (of opleidingsschool). De maximale vergoeding
voor woonwerkverkeer bedraagt € 123,50 (per 01-01-2009,
per 01-01-2010 € 125,48) per maand. Op dit bedrag komt een
eigen bijdrage in mindering van € 51,86 (per 01-01-2009, per
01-01-2010 € 42,69). Voor de werknemer die op minder dan 5
dagen werkzaam is, worden de bedragen van de (maximale)
vergoeding en de eigen bijdrage naar rato van het aantal
werkdagen berekend. Deze bedragen worden gelijktijdig met
de wijziging van de vervoerstarieven van de NS aangepast.
2. De werknemer krijgt daarnaast een vergoeding van de kosten,
conform lid 3 van dit artikel, verbonden aan het heen en weer
reizen van zijn woning naar zijn werk voor:
* gebroken diensten met een onderbreking langer dan 2 uren;
* een oproep in het kader van de bereikbaarheids-, crisisen
consignatiedienst;
* overwerk op uren die niet aansluiten op de normale arbeidstijd;
* aanwezigheidsdienst op uren die niet aansluiten op de
normale arbeidstijd.
3. Werknemers die in opdracht van de werkgever incidenteel reisen
verblijfkosten moeten maken voor dienstreizen, krijgen deze
kosten vergoed. Voor de verblijfkosten gelden
de noodzakelijk gemaakte kosten. Voor de dienstreizen geldt
een vergoeding gebaseerd op de laagste klasse van het
openbaar vervoer, dan wel bij gebruik van een eigen auto een
vergoeding van € 0,34 per kilometer.
4. Daarnaast worden de kosten die in verband met woon-werkverkeer
en dienstreizen voortvloeien uit het gebruik van brug,
tunnel of veer vergoed.
5. Op verzoek van de werkgever moet de werknemer de
bewijsstukken indienen waaruit het bedrag van de tegemoetkoming
kan worden afgeleid.
6. De werkgever kan in overleg met de ondernemingsraad een
afwijkende regeling treffen. Deze regeling treedt dan in de
plaats van deze regeling in de CAO.

Artikel 2 (Reis)kostenvergoeding ambulante werknemer
1. De werkgever stelt, indien noodzakelijk, een vervoermiddel aan
de ambulante werknemer ter beschikking.
2. Indien de werknemer volgens de arbeidsovereenkomst
verplicht is met de eigen auto te reizen bedraagt de vergoeding
voor dienstreizen minimaal € 0,34 per kilometer.
3. De werkgever moet in overleg met de ondernemingsraad een
regeling treffen.
4. De werkgever voorziet alle ambulante werknemers van een
adequate telefoonvoorziening.

B Verhuiskosten

Artikel 1 Definities
In deze uitvoeringsregeling wordt verstaan onder:
a. gezinsleden: de echtgeno(o)t(e), de relatiepartner, de eigen,
stief- en pleegkinderen van de werknemer, die deel uitmaken
van zijn gezin;
b. eigen huishouding voeren: het bewonen van woonruimte,
bestaande uit ten minste twee vertrekken, met een eigen
inboedel en eigen keukenuitrusting; onder vertrekken worden
verstaan: woonkamers, slaapkamers en/of keuken;
c. jaarsalaris:
* 12 maal het salaris van de maand waarin de verhuizing
plaatsvindt inclusief vakantietoeslag; als minimum geldt
het salaris conform nummer 16 van de inpassingstabel en
als maximum geldt een vergoeding van € 5445 (voor
deeltijders naar rato van deze bedragen);
* wanneer de verhuizing voor de indiensttreding plaatsvindt,
12 maal het salaris zoals overeengekomen als aanvangssalaris
in de arbeidsovereenkomst met inachtneming
van
voornoemd minimum en maximum.

Artikel 2 Werkingssfeer
1. Een verhuiskostenvergoeding wordt toegekend aan:
a. de werknemer die in verband met het aangaan van de
arbeidsovereenkomst door de werkgever verplicht wordt
zich te vestigen in het woongebied dat de werkgever na
overleg met de ondernemingsraad heeft vastgesteld;
b. de werknemer die tijdens het dienstverband verplicht wordt
zich te vestigen in een woongebied dat de werkgever
na
overleg met de ondernemingsraad aanwijst.
2. De verhuiskostenvergoeding wordt niet toegekend als of voor
zover de werknemer aanspraak heeft op een andere regeling
voor tegemoetkoming in de verhuiskosten.
3. Kan de echtgeno(o)t(e) of relatiepartner van de werknemer
gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig bij dezelfde werkgever een
beroep doen op de vergoeding als bepaald in artikel 4, dan
wordt de vergoeding slechts aan één belanghebbende
uitbetaald. Voor de berekening wordt uitgegaan van het
hoogste salaris.

Artikel 3 Verhuiskostenvergoeding en dienstwoning
1. Ook bestaat aanspraak op verhuiskostenvergoeding bij het
betrekken van een dienstwoning of bij het verlaten daarvan,
als dit verlaten:
a. samenhangt met het beëindigen van de arbeidsovereenkomst
wegens het bereiken van de pensioengerechtigde
leeftijd of wegens het ontvangen van een overbruggingsuitkering
als bedoeld in het reglement van het PFZW of
wegens het blijvend ongeschikt zijn voor het vervullen van
de betrokken functie;
b. berust op een daartoe door de werkgever opgelegde
verplichting anders dan op grond van dringende, door de
werknemer veroorzaakte en hem te verwijten redenen.
Indien het verlaten van de dienstwoning 2. verband houdt met
het overlijden van de werknemer, dan hebben zijn gezinsleden
recht op verhuiskostenvergoeding.

Artikel 4 Hoogte van de verhuiskostenvergoeding
1. De verhuiskostenvergoeding bestaat voor degene die een eigen
huishouding voert uit:
a. de kosten van het overbrengen van de inboedel naar de
nieuwe woning (inclusief de kosten van het in- en
uitpakken), ongeacht het bedrag van de kosten;
b. de overige kosten, inclusief herinrichtingskosten, worden
belasting- en premievrij vergoed tot ten hoogste het bedrag
dat overeenkomt met 12% van het jaarloon, met een
maximum van e 5445.
2. De verhuiskostenvergoeding bestaat voor degene die geen
eigen huishouding voert uit:
a. vergoeding van de kosten van vervoer van de bagage en de
inboedel naar de nieuwe woning, inclusief de kosten van
het in- en uitpakken;
b. vergoeding van de ten laste van de werknemer komende
huurkosten van de oude woning tot een maximum van
twee maanden, als tegelijkertijd de huur voor de nieuwe
woning moet worden betaald;
c. vergoeding van overige uit de verhuizing voortvloeiende
kosten tot een maximum van 4% van het jaarsalaris,
tenzij de werkgever een gestoffeerde woonruimte ter
beschikking stelt.
3. In bijzondere gevallen kan de werkgever, als de werknemer
geen gebruik maakt van de hem aangeboden gestoffeerde
woonruimte, de vergoeding als genoemd in het tweede lid
onder c toekennen.
4. Voor de beantwoording van de vraag of betrokkene al dan niet
een eigen huishouding voert, geldt de situatie op de dag van
indiensttreding als uitgangspunt.
5. Voor de werknemer met wie een arbeidsovereenkomst voor
bepaalde tijd is aangegaan, wordt - onverminderd het bepaalde
in artikel 6 - de onder de leden 1 en 2 sub c van dit artikel
vermelde verhuiskostenvergoeding verminderd met 1/24e voor
iedere maand dat het dienstverband korter duurt dan twee jaar
na de datum van verhuizing.

Artikel 5 Overige te vergoeden kosten
1. Aan de werknemer die:
a. een eigen huishouding voert, en;
b. bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst zich verplicht
vestigt of tijdens het dienstverband door de werkgever
verplicht wordt zich te vestigen in het door hem aangewezen
woongebied, en;
c. ondanks redelijke en aantoonbare pogingen niet onmiddellijk
slaagt in het vinden van een hem passende woongelegenheid
in het nieuwe woongebied worden vergoed:
- gedurende één jaar de kosten op basis van openbaar
vervoer van het dagelijks heen en weer reizen tussen
woning en werk;
- de pensionkosten in de gemeente waar de werkgever
gevestigd is en de reiskosten naar de oude woning
éénmaal per week, wanneer de belangen van de
instelling of de werknemer het dagelijks heen en weer
reizen niet gedogen, één en ander in overleg met de
werkgever.
2. Werkgever en werknemer kunnen overeenkomen dat bij het
betrekken van tijdelijke huisvesting in afwachting van de definitieve
huisvesting de kosten van de laatste verhuizing worden
vergoed (overeenkomstig de situatie bij indiensttreding).

Artikel 6 Terugbetaling verhuiskosten
1. De in artikel 4, 1e en 2e lid onder c omschreven vergoeding
moet worden terugbetaald als de arbeidsovereenkomst door of
op verzoek van de werknemer of als gevolg van dringende,
door de werknemer veroorzaakte en hem verwijtbare redenen
binnen twee jaar na de verhuizing als hier bedoeld wordt
beëindigd.
2. De terugbetaling als bedoeld in lid 1 vindt niet plaats als de
arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer op
medische grond wordt beëindigd en de werkgever zich kan
vinden in die beëindiging.
3. De terugbetaling als bedoeld in het eerste lid heeft betrekking
op het bedrag van de vergoeding als bedoeld in artikel 4, 1e en
2e lid onder c, verminderd met 1/24e voor elke volle maand
dat de arbeidsovereenkomst na de dag van de verhuizing heeft
voortgeduurd.

Artikel 7 Afwijkende regeling
De werkgever kan in overleg met de ondernemingsraad een
afwijkende regeling voor verhuiskostenvergoeding treffen voor
de werknemer(s). Deze regeling treedt dan in de plaats van deze
uitvoeringsregeling.

C Voorgeschreven kleding

Artikel 1 Toepassing en aansprakelijkheid
1. De werkgever verstrekt kleding in bruikleen aan de werknemer
die, gezien de aard van zijn functie, voorgeschreven kleding
moet dragen.
2. De werknemer is aansprakelijk voor een goed gebruik van en
klein onderhoud aan de voorgeschreven kleding.
Artikel 2 Kosten onderhoud
De kosten verbonden aan het onderhoud van de voorgeschreven
kleding komen ten laste van de werkgever.
Artikel 3 Afwijkende regeling
De werkgever kan over de voorgeschreven kleding in overleg met de
ondernemingsraad een afwijkende regeling treffen. Deze regeling
treedt dan in de plaats van deze paragraaf.

D Studiekosten en –verlof

1. De werknemer heeft recht op en plicht tot scholing. Aan het
verzoek van de werknemer zal worden tegemoetgekomen, voor
zover dit past binnen het opleidingsbudget/opleidingsplan als
genoemd in lid 5.
2. De werknemer krijgt op diens verzoek een tegemoetkoming in
de kosten van een studie en verlof, voor zover die studie voor
de uitoefening van de functie of voor het vervullen van een
andere functie naar het oordeel van de werkgever van belang
is voor de instelling.
3. De werkgever stelt ter uitvoering van dit artikel een regeling
studiekosten en studieverlof op. Voor vaststelling en wijziging
van die regeling is instemming van de ondernemingsraad
nodig.
4. In deze regeling wordt ten minste aandacht besteed aan:
* studies die in opdracht van de werkgever gevolgd worden;
* de kosten die voor vergoeding in aanmerking komen en
in welke mate, met dien verstande dat van studies die in
opdracht van de werkgever worden gevolgd de kosten
volledig worden vergoed;
* de tijd waarvoor studieverlof wordt verleend en in welke
mate, met dien verstande dat van studies die in opdracht
van de werkgever worden gevolgd, de voor het volgen van
de lessen en het afleggen van examens benodigde tijd als
werktijd wordt aangemerkt;
* de terugbetaling van reeds verstrekte vergoedingen.
5. De uitvoering van deze regeling zal plaatsvinden op basis
van een jaarlijks door de werkgever na overleg met de
ondernemingsraad op te stellen scholingsplan en vast te
stellen budget. De werkgever maakt dit scholingsplan bekend
in de instelling.
6. Voor de medisch specialist geldt dat de benodigde tijd voor het
volgen van bij- en nascholing in het kader van herregistratie en
voor het bezoeken van congressen en symposia in het kader
van accreditatie wordt aangemerkt als werktijd.

E Budget persoonlijke kosten medisch specialist

Artikel 1 Budget persoonlijke kosten
1. Aan de medisch specialist met een arbeidsovereenkomst wordt
jaarlijks een maximum budget persoonlijke kosten toegekend.
De kosten worden vergoed op declaratiebasis en bevatten in
elk geval: alle kosten in het kader van bij- en nascholing ten
behoeve van de herregistratie in het register van de MSRC
(Medisch Specialisten Registratie Commissie) als voorgeschreven
door de betreffende wetenschappelijke vereniging dan wel
het CCMS (Centraal College Medisch Specialismen), alsmede
de kosten van het bezoeken van congressen, cursussen en
symposia in het kader van accreditatie. Op basis van nadere
afspraken binnen de instelling wordt bepaald welke andere
persoonlijke kosten op basis van dit budget kunnen worden
gedeclareerd.
2. De hoogte van het maximum budget is € 3901 (per 01-01-2009)
per volledig kalenderjaar bij een voltijds dienstverband.
Dit bedrag wordt jaarlijks in januari aangepast met de
consumentenprijsindex. Voor de medisch specialist met een
dienstverband van minder dan gemiddeld 24 uur per week
wordt het bedrag naar rato van het dienstverband toegekend.
Voor de medisch specialist met een dienstverband boven
36 uur per week wordt het bedrag naar rato verhoogd.
3. Indien in enig jaar het toegekende budget vanwege de
individuele accreditatie dan wel het bij- en nascholingsprogramma
niet volledig wordt gedeclareerd, kan in overleg
met de werkgever het restant met een maximum van 50%
van het jaarbudget worden toegevoegd aan het budget voor
het volgende kalenderjaar.
F Beroepskosten

Artikel 1 Verplichte (her)registratiekosten
Aan de werknemer worden vergoed de kosten die voortvloeien uit
de verplichte (her)registratie in het kader van de Wet BIG. Hiertoe
worden tevens gerekend de kosten van inschakeling van de
Wegingscommissie van de Raad voor de Overgangsregeling
Gezondheidszorgpsychologen. De kosten van verplichte herregistratie
in het kader van de Wet BIG worden eens in de vijf jaar vergoed.

G Ziektekosten/IZZ

Artikel 1 Ziektekostenregeling IZZ
1. De (voormalige) werknemer kan deelnemen aan de (aanvullende)
ziektekostenregeling(en) van het IZZ. De voorwaarden
voor deelneming voor hem en zijn eventuele mededeelnemer(
s) en de omvang van de verstrekkingen zijn geregeld in
het Reglement Ziektekostenregeling van de Stichting IZZ. De
werkgever verstrekt aan de werknemer een bijdrage in de door
hem verschuldigde premie voor de basisaanvullende ziektekostenregeling
IZZ (voor zichzelf, zijn echtgeno(o)t(e) of
relatiepartner). De hoogte van deze bijdrage is tweederde van
de verschuldigde premie voor de basisaanvullende regeling.
2. De werkgever is geen bijdrage verschuldigd aan de werknemer
die arbeidsongeschikt is en geen aanspraak meer heeft op
salaris of op loondoorbetaling als bedoeld in H9 D Arbeidsongeschiktheid,
artikel 2, lid 1 en 2.
Het is de werkgever uitsluitend toegestaan een bijdrage in de
premie als bedoeld in lid 1 te verstrekken aan de werknemer
bij deelname aan de collectieve ziektekostenregeling IZZ.
3. De in lid 1 genoemde regelingen worden uitgevoerd door de
Stichting IZZ. In het bestuur van deze stichting zijn partijen bij
deze CAO vertegenwoordigd. De stichting kan zijn werkzaamheden
geheel of gedeeltelijk doen uitvoeren door één of meer
non-profit ziektekostenverzekeraars.
4. De Stichting IZZ stelt, na overleg met partijen bij deze CAO, de
premie als bedoeld in lid 1 vast voor de deelname van de
(voormalige) werknemer aan de (aanvullende) ziektekostenregeling(
en) IZZ.

 

Hoofdstuk 12 Vakantie(bijslag), LFB en verlof

A Vakantiebijslag

Artikel 1 Uitbetaling en hoogte van de vakantiebijslag
De vakantiebijslag wordt éénmaal per jaar in de maand mei
uitgekeerd over een periode van 12 maanden, beginnende met
de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar.

Artikel 2 Hoogte van de vakantiebijslag
a. De vakantiebijslag bedraagt voor de werknemer die op 31 mei
een vol jaar in dienst is geweest 8% van het jaarsalaris. Voor de
toepassing hiervan wordt verstaan onder jaarsalaris:
12 maal het op 1 mei geldende salaris.
b. Voor werknemers van 22 jaar of ouder wordt de vakantiebijslag
minimaal berekend over het salaris behorend bij inpassingsnummer
12 van de inpassingstabel.
c. Is de werknemer slechts een deel van de periode waarover
vakantiebijslag wordt berekend in dienst geweest of heeft hij in
die periode of een deel ervan in deeltijd gewerkt en/of
onbetaald verlof genoten, dan heeft hij naar evenredigheid
recht op vakantiebijslag. Bij de berekening van de deeltijdfactor
worden de uren betrokken als bedoeld in H10 A
Overwerk, artikel 4, lid 1.
d. Verlaat de werknemer de dienst vóór de uitkeringsdatum,
dan wordt de vakantiebijslag naar evenredigheid uitgekeerd op
basis van het maandsalaris dat geldt ten tijde van de
beëindiging van het dienstverband.

B Vakantie

Artikel 1 Aantal vakantie-uren
1. De werknemer met een dienstverband van gemiddeld 36 uur
per week heeft met behoud van salaris recht op 166 vakantieuren
per kalenderjaar.
2. De werknemer met een van lid 1 afwijkend dienstverband heeft
recht op vakantie-uren naar rato.
3. De werkgever kan bepalen dat de werknemer op 2 door de
werkgever aan te wijzen werkdagen vakantie geniet. Bedoelde
vakantie is begrepen in het aantal uren genoemd
in lid 1. Deze aanwijzing vindt plaats:
* in overleg met de ondernemingsraad;
* uiterlijk aan het einde van de maand januari;
* voor één of meer groepen van werknemers (de werkgever
kan hiervan een of meer werknemers uitzonderen).
4. Voor de werknemer die gebruik maakt van H6 Arbeidsduur en
werktijden artikel 11 (55+-regeling en na 01-01-2010 van het
overgangsrecht LFB voor deze categorie) bedragen de in lid 1
bedoelde uren 184.
5. Voor de berekening van het aantal vakantie-uren van de
deeltijdwerker worden de overuren als bedoeld in H10 A
Overwerk, artikel 4, lid 1 in aanmerking genomen.
Artikel 2 Leeftijdsuren voor werknemers tot 21 jaar
(vervalt per 01-01-2010)
1. De werknemer die in een kalenderjaar de leeftijd van 21 jaar
nog niet heeft bereikt, heeft recht op 14,4 uren extra vakantie
met behoud van salaris.
2. De werknemer met een van artikel 1, lid 1 afwijkend dienstverband
heeft recht op deze jeugduren naar rato.

Artikel 3 Leeftijdsuren voor werknemers vanaf 45 jaar
(vervalt per 01-01-2010)
1. Onverminderd het in artikel 1 bepaalde geniet de werknemer
met behoud van salaris in het jaar waarin hij de 45-jarige
leeftijd bereikt en de daarop volgende vier jaren 14,4 uren
extra vakantie; in het jaar waarin de werknemer de 50-jarige
leeftijd bereikt en de daarop volgende vier jaren 28,8 uren
extra vakantie; in het jaar waarin de werknemer de 55-jarige
leeftijd bereikt en de daarop volgende vier jaren 57,6 uren
extra vakantie; in het jaar waarin de werknemer de 60-jarige
leeftijd bereikt en de daarop volgende vier jaren 72 uren extra
vakantie.
2. Voor de werknemer met een dienstverband dat afwijkt van
gemiddeld 36 uur per week geldt het aantal als bedoeld in lid 1
naar rato.
3. Het in lid 1 bepaalde geldt:
* niet voor de voltijder die gebruik maakt van artikel 11 van
H6 Arbeidsduur en werktijden (55+-regeling) en;
* voor de deeltijder (33, 34 of 35 uren gemiddeld per week)
die hiervan gebruik maakt voor respectievelijk 3/4, 1/2 en
1/4 van het geldende aantal uren.

Artikel 4 Opbouw van vakantie-uren
1. Voor elke kalendermaand waarin de werknemer in dienst is of
zal zijn, bedraagt het aantal vakantie-uren 1/12e deel van het
voor hem geldende aantal uren per kalenderjaar. Een maand
waarin het dienstverband vóór de 16e is ingegaan of na de 15e
is geëindigd, wordt als een volle kalendermaand beschouwd.
2. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid heeft de werknemer in
afwijking van artikel 7:635 BW eveneens aanspraak op
vakantie-uren over het tijdvak van de laatste zes maanden van
zijn arbeidsongeschiktheid.
3. De uitkomst van de berekening van het in enig jaar voor de
werknemer geldende aantal vakantie-uren (inclusief leeftijdsuren)
wordt op hele uren naar boven afgerond.

Artikel 5 Opnemen van vakantie-uren
1. De vakantie-uren moeten worden opgenomen in het kalenderjaar
waarin de aanspraak is ontstaan. Als de vakantie in het
belang van de instelling niet volgens die regel wordt opgenomen,
gaan de vakantie-uren over naar het volgende kalenderjaar.
Van dit artikel kan in zeer bijzondere gevallen worden
afgeweken.
2. Werkgever en werknemer kunnen schriftelijk overeenkomen
dat de bovenwettelijke vakantiedagen worden afgekocht.
3. De werknemer kan ten minste aanspraak maken op een
vakantie van drie weken aaneengesloten met inbegrip van
de vier weekends.

Artikel 6 Inleveren van vakantie-uren bij arbeids-
ongeschiktheid
De werkgever kan een regeling treffen die ertoe leidt dat maximaal
drie ziektedagen worden aangemerkt als vakantieverlof als de
werknemer tijdens de arbeidsongeschiktheidsperiode met toestemming
van de controlerend geneeskundige vakantie geniet, met dien
verstande dat de werknemer recht houdt op ten minste het in
artikel 7:634 BW genoemde aantal vakantiedagen.

Artikel 7 Wijziging vakantieperiode
De werkgever kan het door hem vastgestelde tijdvak van de vakantie
wijzigen, als zich omstandigheden voordoen die hij op het moment
van vaststelling van het tijdvak van de vakantie niet kon voorzien
en ten gevolge waarvan het functioneren van de instelling of de
dienst of afdeling ernstig in gevaar komt. Het nieuwe tijdvak van
de vakantie stelt de werkgever in overleg met de werknemer vast.
De werkgever vergoedt de schade die de werknemer door die
wijziging lijdt.

Artikel 8 Arbeidsongeschiktheid tijdens vakantie
Wordt de werknemer tijdens zijn vakantie arbeidsongeschikt, dan
gelden de dagen vanaf de dag dat de werknemer de werkgever
overeenkomstig het reglement ziekmelding op de hoogte heeft
gesteld van zijn arbeidsongeschiktheid niet als vakantie.

C Levensfasebudget (LFB)

Artikel 1 Levensfasebudget (LFB)
1. Met ingang van 01-01-2010 ontvangt de werknemer naast
vakantie-uren het volgend aantal verlofuren per kalenderjaar,
in de vorm van een levensfasebudget (LFB): in 2010, 20 uur, in
2011, 30 uur en vanaf 2012 (jaarlijks) 35 uur.
2. Deze uren worden naar rato per kalendermaand opgebouwd.
3. Voor de werknemer met een van de voltijdnorm afwijkend
dienstverband wordt het naar rato beginsel toegepast.
4. Voornoemde uren kunnen door de werknemer (deels) jaarlijks
als verlof worden opgenomen dan wel (deels), in het
Levensfasebudget (LFB), worden gespaard in de vorm van
Tijdsparen bij de werkgever (maximaal 5 jaar waardevast), of
(deels) op basis van de uurloonwaarde worden gestort op de
Levenslooprekening van de werknemer. De werknemer maakt
tijdig voor komend jaar zijn keuze bekend.
5. Opname van levensfasebudget kan naar eigen inzicht en
wensen van de werknemer, waarbij het volgende geldt:
* indien sprake is van een substantiële opname uit het
budget, dan wordt hierom ten minste 4 maanden voor het
tijdstip van de ingang van het verlof schriftelijk verzocht;
* indien geen sprake is van een substantiële opname, dan
dient de werknemer zijn verzoek op een redelijke termijn in;
* de werkgever willigt het verzoek om verlof in, tenzij een
zwaarwegend bedrijfsbelang zich tegen het opnemen van
verlof verzet waardoor het belang van de werknemer
daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
moet wijken.

Artikel 2 Uitgangspunten Levensfasebudget systeem
1. De werkgever voert de administratie van het LFB voor zover het
tijdsparen betreft. De werknemer ontvangt één maal per jaar
van de werkgever een overzicht van het opgebouwde LFB.
2. Het LFB wordt in geval van ziekte/arbeidsongeschiktheid
opgebouwd over het laatste half jaar van de ziekte/arbeidsongeschiktheid.
Eenmaal opgebouwd verlof vervalt niet tijdens
ziekte/arbeidsongeschiktheid. Ziekte/arbeidsongeschiktheid
langer dan zeven werkdagen zorgt in geval van LFB-verlof voor
opschorting van het restant aan verlof. Over het restant van
het verlof wordt tussen partijen een nieuwe afspraak gemaakt.
3. Het LFB kan niet tussentijds worden verzilverd. Uitsluitend bij
einde dienstverband of overlijden vindt uitbetaling plaats van
de opgebouwde rechten of storting op een levenslooprekening.
Hiertoe verstrekt de werkgever een overzicht van het
opgebouwde LFB.
4. Daarnaast wordt op verzoek van de werknemer het LFB, op
basis van de geldwaarde die op het moment van afkoop van
toepassing is, bij einde dienstverband overgedragen aan een
nieuwe ggz-werkgever.
5. Het LFB kent geen verjaringstermijn.
6. In het meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden kan het LFB
alleen worden ingezet voor de levensloopregeling en het
aanvullend pensioen.

Artikel 3 Tijdsparen
1. Het geheel of gedeeltelijk sparen van het opgebouwde LFB
in tijd in enig jaar, is waardevast (op basis van het actuele
uurloon) voor een maximumduur van 5 jaar. Deze termijn
begint aan het eind van het jaar te lopen, wanneer het hele
tegoed is opgebouwd. Na deze periode kan dit tijdsparen door
de werknemer geheel of gedeeltelijk worden voortgezet bij
de werkgever, doch niet langer waardevast (geen uurloon
indexatie).
2. Bij opname, op basis van first in first out, neemt de werknemer
uren op tegen zijn actuele uurloonwaarde.
3. De werknemer kan er in enig jaar ook voor kiezen de waarde
van het gespaarde budget geheel of gedeeltelijk te storten op
de levenslooprekening.

Artikel 4 Levensloopregeling (geldsparen)
1. De werknemer kan het, in een of meerdere jaren, opgebouwde
LFB in geld sparen door middel van storting op een aparte
levenslooprekening. Jaarlijks maakt de werknemer de keuze
of hij dit maandelijks wil doen of een storting ineens.
2. Bij opname van LFB via de levensloopregeling continueert de
werkgever:
* de bijdrage in de premie voor de basisaanvullende
ziektekostenregeling
IZZ;
* de opbouw van vakantiebijslag;
* de opbouw van eindejaarsuitkering;
* de werkgeversbijdrage levensloop H 7 B artikel 17;
* de opbouw van nieuw LFB.
Deze worden berekend naar rato van het opgenomen
LFB-bedrag ten opzichte van zijn actuele salaris.
3. Indien de werknemer tijdens levensloopverlof een inkomen van
ten minste 70% van het laatstgenoten salaris heeft, betalen bij
voortzetting van de pensioenopbouw werkgever en werknemer
elk hun deel van de pensioenpremie, tenzij werknemer ervoor
kiest de pensioenopbouw niet te continueren

Artikel 5 Overgangsregelingen 45 jaar en ouder
1. De overgangsregeling is uitsluitend van toepassing op de
werknemer die op 01-01-2009 in dienst was bij een werkgever
die de CAO GGZ toepaste. De datum voor de leeftijdsbepaling,
ten behoeve van de overgangsregeling, wordt vastgesteld op
31-12-2009.
2. Categorie A
50 t/m 54 jaar op 31-12-2009
In afwijking van H 12 C artikel 1, lid 1 ontvangt de werknemer
die op 31-12-2009:
* 54 jaar is, vanaf de eerste van de maand waarin hij 55 jaar
wordt jaarlijks een LFB van 150 uur;
* 53 jaar is, vanaf de eerste van de maand waarin hij 55 jaar
wordt jaarlijks een LFB van 135 uur;
* 52 jaar is, vanaf de eerste van de maand waarin hij 55 jaar
wordt jaarlijks een LFB van 120 uur;
* 51 jaar is, vanaf de eerste van de maand waarin hij 55 jaar
wordt jaarlijks een LFB van 100 uur;
* 50 jaar is, vanaf de eerste van de maand waarin hij 55 jaar
wordt jaarlijks een LFB van 80 uur;
3. In afwijking van H 12 C artikel 1, lid 1 ontvangt de werknemer
die op 31-12-2009 50 jaar, maar nog geen 55 jaar is, in 2010 en
2011 een LFB van 30 uur, en in 2012 t/m 2014 een LFB van 35
uur. Deze bepaling geldt tot het moment dat de werknemer
55 jaar wordt, vanaf dat moment valt de werknemer onder lid 2
van dit artikel.
4. In afwijking van H 12 C artikel 1, lid 1, voor zover het 2010
betreft, ontvangt de werknemer die op 31-12-2009 50 jaar of
ouder is en na 01-01-2009 in dienst is getreden, in 2010 een LFB
van 30 uur. De overige leden van dit artikel zijn niet op hem
van toepassing.
5. Categorie B
55 t/m 59 jaar op 31-12-2009
In afwijking van H 12 C artikel 1, lid 1 ontvangt de werknemer
die op 31-12-2009: 55 jaar of ouder is, maar nog geen 60 jaar is,
jaarlijks een LFB van 165 uur.
6. Categorie C
60 jaar of ouder op 31-12-2009
In afwijking van H 12 C artikel 1, lid 1 ontvangt de werknemer
die op 31-12-2009: 60 jaar of ouder is, jaarlijks een LFB van
180 uur.
Voor de werknemer die gebruik maakt van de (ruil-)OBU en
daarnaast een dienstverband met de werkgever heeft, geldt in
afwijking van H 12 C artikel 1, jaarlijks een LFB van 72 uur.
7. D Categorie D
45 t/m 49 jaar op 31-12-2009
In aanvulling op H 12 C artikel 1 ontvangt de werknemer die
op 31-12-2009 45 jaar is, maar nog geen 50 jaar, en 10 jaar in
dienst is binnen de zorgsector (werkingssfeer PFZW), in de
maand waarin hij 55 jaar wordt, een eenmalige storting in het
LFB van 200 uur naar rato van zijn dienstverband (uitgaande
van het dienstverband op 55-jarige leeftijd). Voor een beroep
op de storting meldt deze werknemer, na een oproep door de
werkgever, zich voor 01-01-2010 bij de werkgever teneinde het
dienstjarencriterium te kunnen verifiëren.
8. De LFB-uren voor de werknemer van 50 jaar en ouder die onder
het overgangsrecht valt zijn bij Tijdsparen waardevast en
worden geïndexeerd op basis van de loonontwikkeling.
Artikel 6a Overgangsregeling H 6 artikel 11 CAO GGZ 2008-2009
(oude 55+-regeling)
In afwijking van H 12 C artikel 1 van dit hoofdstuk ontvangt de
werknemer die op 31-12-2009 gebruik maakt van H 6 artikel 11
CAO GGZ 2008-2009, per 01-01-2010, jaarlijks een LFB van:
* bij een dienstverband van 36 uur (100%) = 208 uur
* bij een dienstverband van 35 uur (97,2%) = 172 uur
* bij een dienstverband van 34 uur (94,4%) = 136 uur
* bij een dienstverband van 33 uur (91,7%) = 100 uur
Artikel 6b Overgangsrecht CAO AGGZ en CAO-V
De LFB-uren tellen mee voor de vergelijking in aanspraken op
vakantieverlof uit de CAO GGZ in het overgangsrecht CAO AGGZ en
CAO-Verslavingszorg.

D Verlof

Artikel 1 Definities
1a. In deze regeling wordt verstaan onder betaald verlof: het in
een werktijdenregeling of rooster door de werknemer op
grond van deze regeling op te nemen aantal uren waarop geen
arbeid hoeft te worden verricht. Deze uren tellen mee bij de
vaststelling
van de totale arbeidsduur.
1b. In deze regeling wordt verstaan onder onbetaald verlof: het
recht op vrij van iedere dienst en/of aanwezigheids-, bereikbaarheids-,
consignatie-, crisis- en/of slaapdienst. Het op
grond van deze regeling verleende onbetaalde verlof wordt
bij de vaststelling van de totale arbeidsduur buiten beschouwing
gelaten.
2. De in het gezin van de werknemer verblijvende kinderen
voor wie een adoptie-aanvraag is ingediend, worden voor
de toepassing van deze verlofregelingen als kind van de
werknemer aangemerkt.
3. Voor de toepassing van deze verlofregelingen geldt voor
deeltijdwerkers het naar-rato-beginsel.

Artikel 2 Onbetaald verlof i.v.m. bijzondere gebeurtenissen
De werkgever geeft de werknemer voor de hierna genoemde
gebeurtenissen onbetaald verlof:
a. verhuizing van de werknemer;
b. huwelijksaangifte van de werknemer;
c. het doen van aangifte van geregistreerd partnerschap;
d. het verlijden van een notariële akte waarmee een ongehuwd
samenlevingsverband wordt vastgelegd;
e. het als lid bijwonen van vergaderingen van Provinciale Staten,
Gemeenteraad, Gewestraad of Waterschap;
f. het voorbereiden van een in het opleidingsreglement of de
opleidingsregeling aangegeven examen van een inserviceopleiding
of van een aangegeven examen in de opleidingsovereenkomst
voor een duale opleiding als genoemd in H8
Leerlingen en werknemers die een opleiding volgen onder A.1:
maximaal vier halve vrije dagen of twee vrije dagen per jaar
direct voorafgaand aan het examen.

Artikel 3 Vrije dagen i.v.m. bijzondere gebeurtenissen
De werkgever stelt de werknemer in de gelegenheid 1. om deel te
nemen aan de hierna vermelde gebeurtenissen gedurende de
bij die gebeurtenissen vermelde periode. Voor zover de
gebeurtenis samenvalt met een werkdag verleent de werkgever
betaald verlof:
a. verhuizing van de werknemer in opdracht van de werkgever:
twee vrije dagen;
b. huwelijk of registratie van partnerschap van één van de
leden van het gezin van de werknemer: één vrije dag;
c. huwelijk of registratie van partnerschap van bloedverwanten
in de eerste en tweede graad van de werknemer, van
de echtgeno(o)t(e) of relatiepartner: één vrije dag;
d. 25- en 40-jarig huwelijksfeest van de werknemer: één vrije
dag;
e. 25-, 40-, 50-, 60-jarig huwelijksfeest van (pleeg)ouders van
de werknemer, van de echtgeno(o)t(e) of relatiepartner:
één vrije dag;
f. 25-en 40-jarig dienstjubileum van de werknemer: één
vrije dag;
g. 25- en 40-jarig priesterjubileum van de werknemer die
lid is van een religieuze communiteit: één vrije dag;
h. overlijden van de echtgeno(o)t(e) of relatiepartner, (pleeg)
kinderen, (pleeg)ouders van de werknemer dan wel de
echtgeno(o)t(e) of relatiepartner: de dag van overlijden tot
en met de dag van de begrafenis of crematie;
i. overlijden van of het bijwonen van de begrafenis of
crematie, voorzover niet reeds uit hoofde van sub h recht
op betaald verlof bestaat, van bloed- en aanverwanten
in de tweede graad van de werknemer, van de echt-geno(
o)t(e) of relatiepartner: één vrije dag.
2. Voor de gebeurtenissen genoemd in lid 1 sub a tot en met g
moet de werknemer 14 etmalen tevoren aan de werkgever
melden dat hij van de regeling gebruik wenst te maken.
Voor de gebeurtenissen genoemd in lid 1 wordt in afwijking
van artikel 1, lid 3 voor deeltijders het naar-rato-beginsel
niet toegepast.

Artikel 4 Extra vakantie-uren
a. De werknemer die een huwelijk of op andere wijze een
samenlevingsverband
aangaat, bij notariële akte of gemeentelijke
of kerkelijke registratie, heeft recht op twee extra
vakantiedagen (= 14,4 uur). De werkgever hoeft slechts
éénmaal de extra vakantiedagen toe te kennen, zolang het
hetzelfde samenlevingsverband betreft.
b. Voor werknemers die een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur
hebben, gelden in plaats van de onder a genoemde uren:
16 uren.

Artikel 5 Extra verlof
a. De werkgever stelt de werknemer in de gelegenheid deel
te nemen aan bestuurlijke en ministeriële commissies en
tuchtrechtcolleges in het kader van de gezondheidszorg. De
werknemer krijgt betaald verlof als die deelneming leidt tot
verzuim van in de werktijdenregeling of rooster opgenomen
arbeidsuren.
b. De werkgever stelt de werknemer in de gelegenheid deel te
nemen aan vergaderingen en zittingen van publiekrechtelijke
colleges waarin de werknemer is verkozen en benoemd. Dit
geldt eveneens voor commissies waarin de werknemer is
benoemd uit hoofde van zijn lidmaatschap van deze publiekrechtelijke
colleges. De werknemer kan betaald of onbetaald
verlof krijgen als deelname aan de in dit lid bedoelde
activiteiten leidt tot verzuim van de in de werktijdenregeling
of rooster opgenomen arbeidsuren. Kiest de werknemer voor
betaald verlof, dan maakt de werkgever aanspraak op de
vergoeding die een werknemer ontvangt uit de functie
waarvoor hem het bedoelde verlof wordt verleend. De keuze
voor onbetaald of betaald verlof wordt jaarlijks in overleg met
de werkgever vastgesteld.

Artikel 6 Overige verlofmogelijkheden
De werkgever kan aan de werknemer betaald of onbetaald verlof
verlenen.

Artikel 7 Bovenwettelijk verlof
Boven de wettelijke verlofvormen in de Wet arbeid en zorg (WAZO)
zijn er voor de werknemers in deze CAO verdere afspraken gemaakt;
a. Zwangerschaps- en bevallingsverlof
Aansluitend aan het bevallingsverlof verleent de werkgever
desgewenst aan de vrouwelijke werknemer onbetaald verlof
voor een periode van maximaal vier weken. Werkgever en
werknemer maken daarover uiterlijk drie maanden voor de
vermoedelijke datum van de bevalling een afspraak. De
vrouwelijke werknemer maakt haar wens daartoe tijdig
kenbaar.
b. Kraamverlof
De werknemer heeft - in aanvulling op het wettelijk recht van
twee dagen waarop hij arbeid verricht - na de bevalling van zijn
echtgenote of relatiepartner recht op verlof van 14,4 uur.
c. Kortdurend zorgverlof
Gedurende het kortdurende zorgverlof wordt het salaris
volledig doorbetaald.
d. Langdurend zorgverlof
Het langdurend zorgverlof wordt in afwijking van artikel 5:10
van de WAZO toegekend voor thuisverpleging en/of verzorging
van maximaal drie maanden aaneengesloten en wordt volledig
doorbetaald. In het tijdvak van dit verlof worden begrepen:
* de eerste twee weken die gelden voor het kortdurend
zorgverlof;
* de in dat tijdvak opgebouwde vakantierechten;
* alsmede voor werknemers van 55 jaar en ouder de uren als
bedoeld in de artikelen 11 respectievelijk 12 van H6 van
deze CAO. Per 01-01-2010 worden de 55+-rechten vervangen
door de werknemers die onder de 55+-categorie van het
overgangsrecht LFB vallen (berekend over het tijdvak van
het verlof).
De werknemer legt een verklaring over van de arts/behandelaar
over de noodzaak van de verpleging en/of verzorging.
e. Aanspraken op een uitkering krachtens de WAZO worden door
de werknemer aan de werkgever gecedeerd.

Artikel 8 Premies tijdens onbetaald verlof
1. De over de periode van onbetaald verlof als bedoeld in artikel 6
verschuldigde premies ten laste van de werkgever kunnen op
de werknemer worden verhaald.
2. Als de werknemer tijdens de periodes van onbetaald verlof als
bedoeld in artikel 7 onder a en in geval van ouderschapsverlof,
de pensioenverzekering vrijwillig voortzet en/of de ziektekostenverzekering
voortzet of een ziektekostenverzekering afsluit,
neemt de werkgever een deel van de daarvoor aan het
Pensioenfonds Zorg en Welzijn, het IZZ, of een andere
ziektekostenverzekeraar verschuldigde premies voor zijn
rekening. Het deel van de premies dat voor rekening komt van
de werkgever, is gelijk aan het bedrag van de werkgeversbijdrage
pensioenpremie, ziektekostenpremie zoals de werkgever
dat direct voorafgaande aan het onbetaald verlof verschuldigd
was. Dat deel van de premies bedraagt echter niet meer dan de
volledige premies die gedurende de periode van onbetaald
verlof aan het Pensioenfonds Zorg en Welzijn, het IZZ, of de
andere ziektekostenverzekeraar verschuldigd zijn. De
werknemer moet na het onbetaalde verlof zijn dienstverband
wel ten minste gedurende zes maanden voortzetten. Als de
werkgever zorgt voor afdracht van de volledige premie,
verhaalt hij het deel dat niet voor zijn rekening komt op de
werknemer.
3. Het in het tweede lid bedoelde, voor rekening van de
werkgever komende deel van de premies moet de werknemer
terugbetalen als het dienstverband na het onbetaald verlof
niet wordt voortgezet met het in lid 2 genoemde tijdvak.
Werkgever en werknemer treffen hiertoe een regeling.
Artikel 9 Afwijzing verlof
Kan uit een oogpunt van instellings- of cliëntenbelang in redelijkheid
niet van de werkgever verlangd worden dat hij op een bepaald
tijdstip verzuim toestaat of verlof verleent, dan neemt de werkgever
na overleg met de werknemer een (gedeeltelijk) afwijzend besluit.

 

 Hoofdstuk 13 Meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden

Artikel 1 Inwisselen van arbeidsvoorwaarden
1. De werkgever heeft een meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden,
hierna te noemen meerkeuzesysteem. Het meerkeuzesysteem
biedt de werknemer de mogelijkheid keuzes te
maken in de samenstelling van zijn arbeidsvoorwaardenpakket
door uitruil van arbeidsvoorwaarden (bronnen) voor bepaalde
doelen. Wordt een bron ingewisseld voor een doel, dan moeten
de waarde van de bron en van het doel gelijk zijn.
2. Wenst de werknemer gebruik te maken van (een of meer van
de regelingen uit) het meerkeuzesysteem, dan dient hij voor
1 september van ieder kalenderjaar aan de werkgever kenbaar
te maken welke bronnen hij voor welke doelen wil uitruilen. De
werkgever kan in overleg met de ondernemingsraad van de
datum 1 september afwijken.
3. De keuze die de werknemer maakt, geldt - tenzij schriftelijk
anders wordt overeengekomen en voor zover niet in strijd
met het bij of krachtens wet bepaalde - voor de duur van een
kalenderjaar. Gedurende deze periode kan de keuze door de
werknemer noch door de werkgever worden gewijzigd.
4. De werkgever is verplicht de werknemer tijdig te wijzen op
de (fiscale) gevolgen van de door de werknemer te maken
keuze(n).

Artikel 2 Regelingen
De werkgever heeft in het kader van het meerkeuzesysteem een
regeling voor:
a. spaarverlof;
b. aanvullende pensioenaanspraken;
c. kopen en verkopen van maximaal 21,6 vakantie-uren;
d. spaarloon;
e. levensloop;
f. fietsenplan;
g. contributie vakbondslidmaatschap;
h. contributie beroepsorganisaties;
i. studiekosten;
j. reiskosten woon-werkverkeer.

Artikel 3 Bronnen en doelen
1. Doel: spaarverlof
De werknemer heeft, met inachtneming van het bepaalde in dit
artikel, het recht om gedurende een met de werkgever overeen te
komen periode verlofuren voortvloeiende uit de hierna opgenomen
bronnen te sparen en in een aaneengesloten periode op te nemen.
1.1 Navolgende bronnen kunnen hiervoor worden uitgeruild:
a. de vakantie-uren boven het wettelijk minimum aantal van
vier maal de bedongen arbeidsduur per week conform H12
B Vakantie, artikel 1, 2, 3;
b. de 55+-rechten conform H6 Arbeidsduur en werktijden,
artikel 11 en 12 (vervalt per 01-01-2010);
c. extra gewerkte uren conform H6 Arbeidsduur en werktijden,
artikel 5 (hiervan kan werknemer geen gebruik maken
als hij reeds gebruik maakt van zijn 55+-rechten onder b,
per 01-01-2010 worden de 55+-rechten vervangen door de
werknemers die onder de 55+-categorie van het overgangsrecht
LFB vallen);
d. de overwerkuren conform H10 A Overwerk, artikel 3,
lid 1 (compensatie-uren);
e. de door onregelmatige diensten opgebouwde vrije tijd
conform H10 B Onregelmatige dienst, artikel 3 lid 1.
Indien uit tijdbronnen gespaard wordt voor levensloop (artikel
3 lid 6) kan niet gespaard worden voor het hier bedoelde
spaarverlof.
1.2 De werkgever stelt in overleg met de ondernemingsraad een
regeling op waarin ten minste nader wordt geregeld:
a. het sparen van bovenwettelijke vakantie-uren in afwijking
van H12 B Vakantie, artikel 5 (opnemen van vakantie);
b. het minimum en maximum van de periode waarbinnen
uren gespaard kunnen worden;
c. de minimum respectievelijk de maximum duur van het
verlof;
d. de in acht te nemen afspraken bij het opnemen van verlof;
e. de wijze waarop voor de beëindiging van het dienstverband
de niet-opgenomen gespaarde uren worden genoten.
1.3 Indien de werknemer de gespaarde uren opneemt ten behoeve
van een oriëntatie op zijn beroep/loopbaan dan worden deze
uren vermeerderd met 20%.
1.4 De werknemer kan met de werkgever overeenkomen dat (een
deel van) de afgesproken periode van verlof wordt aangewend
voor ouderschapsverlof.
1.5 De werknemer kan met de werkgever overeenkomen dat de
afgesproken periode van verlof wordt verlengd met een periode
van onbetaald verlof van maximaal een half jaar.
1.6 Als zich omstandigheden voordoen die de werkgever bij de
vaststelling van het verlof niet kon voorzien en als gevolg
waarvan het functioneren van de instelling, de dienst of
afdeling ernstig in gevaar komt, kan hij in overleg met de
werknemer een nieuwe periode voor het verlof vaststellen.
De werkgever vergoedt de aantoonbare schade die de
werknemer als gevolg van deze wijziging lijdt.
1.7 Als het niet mogelijk is om alle opgespaarde uren voor de
beëindiging van het dienstverband op te nemen, worden de
resterende uren uitbetaald tegen het dan geldende uurloon.
Dit is eveneens van toepassing bij beëindiging van de
dienstbetrekking na langdurige ziekte gedurende de periode
waarin wordt gespaard.
1.8 De werknemer heeft op grond van de bovenstaande bepalingen
nimmer recht op een andere compensatie dan in tijd, behalve
als dit uitdrukkelijk anders in deze CAO en in het vorige lid is
bepaald.
1.9 Bouwt de werknemer meer vrije uren op dan het wettelijk
toegestane aantal van 250 dagen (à 7,2 uur) bij een volledige
arbeidsduur dan is hij over het meerdere loonbelasting en
premies verschuldigd. Het hiervoor genoemde aantal dagen
is inclusief de eventuele vermeerdering van het aantal uren
met 20% (in geval van sparen van uren voor oriëntatie op
beroep/loopbaan).
Voornoemd aantal uren geldt voor een deeltijder naar rato.

2. Doel: aanvullend pensioen
De werknemer kan ervoor kiezen om de hierna opgenomen bronnen
geheel of gedeeltelijk aan te wenden voor de opbouw van aanvullend
pensioen.
2.1 Navolgende bronnen kunnen worden aangewend:
a. het bruto salaris met inachtneming van het minimum
als bedoeld in de Wet minimumloon en minimum
vakantiebijslag;
b. de bruto vakantiebijslag met inachtneming van het
minimum als bedoeld in artikel 16, lid 2, van de Wet
minimumloon en minimum vakantiebijslag;
c. de eindejaarsuitkering;
d. de bijzondere toeslagen en de waarnemingstoeslag
conform H7 B Salariëring, artikel 7 en 10;
e. de vakantie-uren boven het wettelijk minimum aantal van
vier maal de bedongen arbeidsduur per week conform H12 B
Vakantie, artikel 1, 2, 3. Dit geldt met inachtneming van het
ingevolge artikel 3 lid 1.2.a bepaalde en de bevoegdheid van
de werkgever om aanwending van bovenwettelijke vakantieuren
geheel of gedeeltelijk te weigeren;
f. de 55+-rechten conform H6 Arbeidsduur en werktijden,
artikel 11 en 12 (vervalt per 01-01-2010);
g. extra gewerkte uren conform H6 Arbeidsduur en werktijden,
artikel 5 (hiervan kan werknemer geen gebruik
maken als hij reeds gebruik maakt van zijn 55+-rechten
onder f per 01-01-2010 worden de 55+-rechten vervangen
door de werknemers die onder de 55+-categorie van het
overgangsrecht LFB vallen);
h. de overwerkuren conform H10 A Overwerk, artikel 3, lid 1
(compensatie-uren);
i de door onregelmatige diensten opgebouwde vrije tijd
conform H 10 B Onregelmatige dienst, artikel 3, lid 1;
j. de LFB-uren uit H 12 C.
2.2 Bij het aanwenden van de in het vorige artikel genoemde
bronnen voor aanvullend pensioen wordt de bruto geldwaarde
als volgt vastgesteld:
a. aanwenden geldbronnen. Het geldbedrag wordt door
de werkgever opgehoogd met 15%;
b. aanwenden tijdbronnen. Het aantal uren wordt vermenigvuldigd
met het actuele uurloon + 15%.
2.3 De werkgever verstrekt aan de werknemer - ter aanvulling op
de pensioenrechten die voortvloeien uit de door het PFZW
uitgevoerde verplichte pensioenregeling - een pensioentoezegging
met inachtneming van de wettelijke bepalingen en
grenzen voor de bovenmatige pensioenopbouw.
Eventuele kosten van deze pensioenrechten komen geheel voor
rekening van de werknemer.

3 Doel: kopen extra vakantie-uren
3.1 De werknemer mag jaarlijks maximaal 21,6 uren kopen bij een
volledig dienstverband. De navolgende bronnen kunnen
hiervoor worden uitgeruild:
a. het bruto salaris met inachtneming van het minimum als
bedoeld in de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag;
b. de vakantiebijslag met inachtneming van het minimum als
bedoeld in artikel 16, lid 2, van de Wet minimumloon en
minimum vakantiebijslag;
c. de eindejaarsuitkering;
d. de bijzondere toeslagen en de waarnemingstoeslag
conform H7 B Salariëring, artikel 7 en 10.
3.2 Voor de toepassing van dit artikel wordt de waarde van een
vakantie-uur gelijk gesteld aan het actuele bruto uurloon op
het moment van uitruil.
3.3 De werknemer moet het verzoek om vakantie-uren te kopen
uiterlijk vier maanden voor het einde van het kalenderjaar bij
de werkgever indienen.
3.4 De werkgever deelt de beslissing binnen drie maanden
schriftelijk mee aan de werknemer. Als de werkgever het
verzoek niet inwilligt, doet hij dat onder schriftelijke opgave
van redenen.
3.5 De werkgever kan in overleg met de ondernemingsraad een
van lid 3.3 en/of 3.4 afwijkende termijn overeenkomen.
3.6 De werkgever honoreert het verzoek geheel of gedeeltelijk als
het past binnen de organisatorische mogelijkheden en de
daaraan verbonden kosten.

4. Doel: verkopen van vakantie-uren
4.1 De werknemer mag maximaal 21,6 vakantie-uren verkopen bij
een volledig dienstverband. Als bron kan hiervoor worden
uitgeruild de vakantie-uren boven het wettelijk minimum
aantal van vier maal de bedongen arbeidsduur per week
conform H12 B Vakantie, artikel 1, 2, en 3.
4.2 Voor de toepassing van dit artikel wordt de waarde van een
vakantie-uur gelijk gesteld aan het actuele bruto uurloon op
het moment van uitruil.
4.3 De werknemer moet het verzoek om vakantie-uren te verkopen
uiterlijk vier maanden voor het einde van het kalenderjaar bij
de werkgever indienen.
4.4 De werkgever deelt de beslissing binnen drie maanden
schriftelijk mee aan de werknemer. Als de werkgever het
verzoek niet inwilligt, doet hij dat onder schriftelijke opgave
van redenen.
4.5 De werkgever kan in overleg met de ondernemingsraad een
van lid 4.3 en/of 4.4 afwijkende termijn overeenkomen.
4.6 De werkgever honoreert het verzoek geheel of gedeeltelijk als
het past binnen de organisatorische mogelijkheden en
de daaraan verbonden kosten.

5. Doel: spaarloon
De navolgende bronnen kunnen hiervoor worden aangewend:
a. het bruto salaris met inachtneming van het minimum als
bedoeld in de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag;
b. de bruto vakantiebijslag met inachtneming van het minimum
als bedoeld in artikel 16, lid 2 van de Wet minimumloon en
minimum vakantiebijslag;
c. de eindejaarsuitkering;
d. de bijzondere toeslagen en de waarnemingstoeslag conform
H7 B Salariëring, artikel 7 en 10;
e. de eerder gekochte vakantie-uren conform artikel 3.3 van dit
hoofdstuk.

6. Doel: levensloop
6.1 De navolgende bronnen kunnen hiervoor worden aangewend:
a. het bruto salaris;
b. de bruto vakantiebijslag;
c. de eindejaarsuitkering;
d. de bijzondere toeslagen en de waarnemingstoeslag conform
H7 B Salariëring, artikel 7 en 10;
e. de eerder gekochte vakantie-uren conform artikel 3.3 van dit
hoofdstuk;
f. de tijdbronnen zoals genoemd onder artikel 3 lid 1,
spaarverlof. Indien gespaard wordt voor spaarverlof kunnen
deze bronnen niet aangewend worden voor levensloop.
g. per 01-01-2010 LFB-uren en LFB-overgangsuren uit H 12 C.
Voor storting van deze uren dient de werknemer een aparte
levenslooprekening te openen.
6.2 De werknemer die verlof op wil nemen in het kader van
levensloop dient dit vier maanden voor de eerste verlofdag
schriftelijk bij de werkgever aan te vragen, onder opgave van
de gewenste periode van verlof en het aantal verlofuren per
week. Kan uit een oogpunt van instellingsbelang in redelijkheid
niet van de werkgever verlangd worden dat hij op een
bepaald tijdstip verzuim toestaat of verlof verleent dan neemt
de werkgever na overleg met de werknemer een (gedeeltelijk)
afwijzend besluit.
6.3 Indien de werknemer tijdens levensloopverlof een inkomen van
ten minste 70% van het laatstgenoten salaris heeft, betalen bij
voortzetting van de pensioenopbouw werkgever en werknemer
elk hun deel van de pensioenpremie, tenzij werknemer ervoor
kiest de pensioenopbouw niet te continueren.

7. Doelen
* fiets als onderdeel van de fiscaal goedgekeurde
fietsenplanregeling;
* vakbondslidmaatschap;
* contributie beroepsorganisaties;
* studiekosten;
* reiskosten woon-werkverkeer.
7.1 De navolgende bronnen kunnen hiervoor worden uitgeruild:
a. het bruto salaris met inachtneming van het minimum als
bedoeld in de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag;
b. de bruto vakantiebijslag met inachtneming van het
minimum als bedoeld in artikel 16, lid 2, van de Wet
minimumloon en minimum vakantiebijslag;
c. de eindejaarsuitkering;
d. de bijzondere toeslagen en de bruto waarnemingstoeslag
conform H7 B Salariëring, artikel 7 en 10;
e. de eerder gekochte vakantie-uren conform artikel 3.3 van
dit hoofdstuk.
7.2 De waarde van een vakantie-uur is gelijk aan het actuele bruto
uurloon op het moment van uitruil.
7.3 Gebruikt de werknemer als bron het salaris dan wordt, voor
zover van toepassing, het uurloon voor de berekening van
toeslagen als bedoeld in H 10 A Overwerk en B Onregelmatige
dienst niet verlaagd.
7.4 Voor de berekening van de hoogte van een eventuele
verhuiskostenvergoeding als bedoeld in H11 B Verhuiskosten,
artikel 4, lid 1, sub c en de gratificatie in H7 B Salariëring,
artikel 11 (jubileumgratificatie) wordt uitgegaan van het
verlaagde bruto salaris.
7.5 Studiekosten en reiskosten woon-werkverkeer kunnen worden
uitgeruild voor zover er geen samenloop is met andere
regelingen.
7.6 Nader uitgewerkte regelingen van de onder dit artikel
genoemde doelen behoeven de instemming van de
ondernemingsraad.

 

 Hoofdstuk 14 Wachtgeld en pensioen

A Wachtgeld
Artikel 1 Werkingssfeer
1. Wachtgeld wordt met ingang van de dag na de dag waarop de
dienstbetrekking eindigt toegekend aan de werknemer wiens
arbeidsovereenkomst niet op eigen verzoek eindigt, als deze
beëindiging het gevolg is van:
a. gehele of gedeeltelijke opheffing van zijn functie of
formatieplaats;
b. reorganisatie waardoor zijn werkzaamheden geheel of
gedeeltelijk overbodig zijn geworden;
c. fusie, liquidatie, gehele of gedeeltelijke sluiting van de
instelling;
d. onbekwaamheid die niet aan de schuld of het toedoen van
de werknemer is te wijten. De werknemer dient in dit geval
ten minste de leeftijd van 50 jaar te hebben bereikt en 15
jaar of langer bij de werkgever of diens rechtsvoorganger
in dienst te zijn.
2a Het wachtgeld wordt toegekend als:
* de werknemer een uitkering in het kader van de Werkloosheidswet
ontvangt en;
* hij vervolgens in voorkomende gevallen al datgene doet
wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van de in lid 4,
sub a genoemde uitkeringen.
2b Het ondanks de vereiste inspanning van de wachtgeldgerechtigde
niet toekennen van de in lid 4, sub a genoemde
andere dan WW-uitkeringen laat de aanspraak op wachtgeld
onverlet.
2c Geniet de wachtgeldgerechtigde op de dag dat het wachtgeld
zou ingaan een Ziektewetuitkering, loondoorbetaling op grond
van H9 D van deze CAO, een WAO- of WIA-uitkering, dan wordt
deze aangevuld tot de hoogte en voor de duur van het
wachtgeld. Wordt binnen een tijdvak van twee jaar na de
hiervoor genoemde dag geen WW-uitkering toegekend, dan
eindigt het wachtgeld uiterlijk na die twee jaar.
3. De werknemer aan wie de werkgever schriftelijk meedeelt
dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd op een van de
gronden die genoemd zijn in het eerste lid, krijgt als hij voor
de dag van het ontslag een andere dienstbetrekking aanvaardt
waaraan een lager salaris is verbonden, met ingang van de dag
van indiensttreding een aanvulling op dat salaris tot de hoogte
van het wachtgeld toegekend voor de duur overeenkomstig
artikel 2.
4. Onder wachtgeld wordt verstaan de som van enerzijds:
a. de uitkering in het kader van de Werkloosheidswet,
de Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers en een eventuele uitkering in het kader van de
Ziektewet en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering
c.q. de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
en de uitkering in het kader van een loonsuppletieregeling
en de overbruggingsuitkering van
het PFZW;
b. inkomsten uit arbeid of bedrijf met inachtneming van
lid 3 en artikel 5 en anderzijds de aanvulling daarop van
de werkgever.

Artikel 2 Duur van het wachtgeld
1. Het wachtgeld wordt toegekend gedurende drie maanden,
vermeerderd met drie maanden voor elk vol dienstjaar, zij
het dat bij toepassing van deze bepaling ten hoogste 20
dienstjaren in aanmerking worden genomen.
2. Voor de werknemer die binnen vijf jaren na de datum van het
ontslag de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en bovendien
op de datum van het ontslag ten minste tien dienstjaren bij
de instelling heeft volbracht, wordt de duur van het wachtgeld
verlengd tot het bereiken van die leeftijd.
3. Voor de werknemer die binnen vijf jaar na de datum van het
ontslag in aanmerking komt voor de volledige overbruggingsuitkering
als bedoeld in het Reglement van het PFZW, wordt op
de volgende voorwaarden de duur van het wachtgeld tot dit
tijdstip verlengd:
a. op de datum van het ontslag moeten ten minste tien
dienstjaren bij de instelling zijn volbracht;
b. in bovengenoemde periode van maximaal vijf jaren moet
het deelnemerschap volgens het Reglement van het PFZW
op vrijwillige basis zijn voortgezet.
4. Tijdens de in de leden 2 en 3 van dit artikel vermelde verlengde
wachtgeldperiode is het bepaalde van artikel 3,
lid 1 met betrekking tot de hoogte van het wachtgeld van
toepassing.
5. Voor de bepaling van het aantal dienstjaren als bedoeld in het
eerste lid van dit artikel, gelden alle volle maanden tezamen
die aaneengesloten waren/zijn doorgebracht in dienst van
instellingen die zijn aangesloten bij de Nederlandse Zorgfederatie
of GGZ Nederland of hun rechtsvoorgangers. Als
dienstjaren, doorgebracht in voornoemde instellingen,
onderbroken zijn maar de werknemer heeft gedurende de
onderbrekingen wachtgeld genoten krachtens deze CAO of
de CAO voor het Ziekenhuiswezen, dan gelden die dienstjaren
voor de toepassing van deze bepaling als aaneengesloten.
6. Is de aanspraak op wachtgeld beëindigd wegens inkomsten uit
dienstbetrekking en wordt die dienstbetrekking door ontslag
en niet op eigen verzoek beëindigd, dan herleeft de aanspraak
op wachtgeld. De duur van de dienstbetrekking wordt in
mindering gebracht op de totale duur van de aanspraak op
wachtgeld.
7. Deze herleving van wachtgeld geldt niet als en voor zolang bij
die nieuwe werkgever aanspraak op wachtgeld bestaat.

Artikel 3 Hoogte van het wachtgeld
1. Het wachtgeld is gedurende de eerste zes maanden gelijk aan
het laatstgenoten salaris en bedraagt gedurende de volgende
drie maanden 80%, gedurende de daaropvolgende twee jaren
75% en vervolgens 70% van het salaris. Onder salaris wordt
verstaan: het netto inkomen dat wordt afgeleid van de som
van het salaris, de vakantiebijslag daarover en de overige
bestanddelen die als loon worden aangemerkt in de dagloonregelen
Werkloosheidswet. Bij niet-voortzetting van deelname
aan het PFZW wordt het netto inkomen herberekend. Gedurende
de wachtgeldperiode bedraagt het wachtgeld nooit
minder dan 80% van het minimumloon als bedoeld in de Wet
minimumloon en minimum vakantiebijslag.
2. Geniet de wachtgeldgerechtigde een overbruggingsuitkering
als bedoeld in het reglement van het PFZW, dan wordt deze
uitkering aangevuld tot de hoogte van het wachtgeld als
omschreven in dit artikel.
3. Zou de wachtgeldgerechtigde algemene loonaanpassingen
zoals van toepassing voor de CAO GGZ hebben genoten als hij
in dienst was gebleven, dan worden die bij de berekening van
het wachtgeld in aanmerking genomen. In dat geval worden
voor de berekening van het netto inkomen de op dat moment
geldende premiehoogten in acht genomen.
4. Mocht door de al dan niet geleidelijke vermindering van de
individuele werkzaamheden de toepassing van de bepalingen
in voorafgaande leden leiden tot resultaten die ongunstig zijn
voor de wachtgeldgerechtigde, dan wordt in zijn voordeel van
die bepalingen afgeweken.

Artikel 4 Wachtgeld en pensioen
1. Wil de wachtgeldgerechtigde het deelnemerschap aan
vorengenoemd Pensioenfonds gedurende de wachtgeldperiode
voortzetten, dan blijven de pensioenaanspraken gerelateerd
aan het salaris dat volgens artikel 5 van het reglement van het
PFZW de bijdragegrondslag vormt. De werkgever zorgt voor
afdracht van de verschuldigde premie. Het werknemersaandeel
van de wachtgeldgerechtigde is gerelateerd aan de hoogte van
het wachtgeld, verminderd met de in het wachtgeld begrepen
toeslagen die onder de bijdragegrondslag niet worden
begrepen.
2. Als en voor zolang de ‘Regeling pensioenopbouw tijdens
werkloosheid’ (FVP) van toepassing is op de wachtgeldgerechtigde,
zijn de bepalingen in het vorige lid over de
verschuldigde premie niet op hem van toepassing.
3. Het in lid 1 bepaalde geldt niet als de wachtgeldgerechtigde
die jonger is dan 50 jaar kan deelnemen aan de pensioenregeling
die aan zijn eventuele nieuwe dienstbetrekking
is verbonden.
4. Is de werkgeversaanvulling niet voldoende om daaruit de door
de wachtgeldgerechtigde verschuldigde premie te voldoen,
dan dient betrokkene het ontbrekende gedeelte uit de
wettelijke uitkering te voldoen.
5. De premie die verschuldigd is over het inkomen(-sgedeelte)
boven de in de Regeling pensioenopbouw tijdens werkloosheid
genoemde bijdragegrens, komt - onder aftrek van het door
partijen bij deze CAO bepaalde procentuele werknemersdeel
ten laste van de werkgever

Artikel 5 Verplichtingen van de werknemer/
wachtgeldgerechtigde
1. De werknemer moet er na aanzegging van het ontslag
onverwijld voor zorgen dat hij als werkzoekende wordt
ingeschreven bij het UWV WERKbedrijf.
2. De werknemer/wachtgeldgerechtigde moet gebruik maken van
een hem geboden mogelijkheid om inkomsten uit arbeid of
bedrijf te krijgen, tenzij hij aantoont dat het nakomen van deze
verplichting redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
3. De werknemer/wachtgeldgerechtigde moet de werkgever
terstond opgave doen van het bedrag der inkomsten uit arbeid
of bedrijf én van het bedrag dat hij geniet aan uitkering
krachtens een wettelijke regeling. Desgevraagd dient hij alle
gewenste inlichtingen en bewijsstukken te verschaffen.
4. De werknemer/wachtgeldgerechtigde die in aanmerking komt
voor de Regeling pensioenopbouw tijdens werkloosheid, is
verplicht tot medewerking aan voortzetting van de pensioenopbouw
zoals neergelegd in voornoemde Regeling.

Artikel 6 Vermindering van het wachtgeld
1. De wachtgeldgerechtigde mag met inkomsten uit arbeid of
bedrijf zijn wachtgeld aanvullen tot zijn laatstgenoten salaris;
het meerdere van die inkomsten wordt op het wachtgeld in
mindering gebracht. Inkomsten uit arbeid of bedrijf die de
werknemer voor de ingangsdatum van het wachtgeld elders
genoot, worden buiten beschouwing gelaten.
2. Wordt op de WW-uitkering van een werknemer een strafkorting
toegepast, dan zal de verplichting van de werkgever tot
aanvulling als bedoeld in artikel 3 overeenkomstig worden
aangepast en kan de werknemer geen beroep doen op
loonbetaling ex artikel 7:629 BW.
3. Leiden de inkomsten uit bedrijf of arbeid als bedoeld in lid 1 tot
een (gedeeltelijke) korting op de wettelijke uitkering,
dan gaat het gedeelte van de inkomsten dat in mindering
wordt gebracht op de wettelijke uitkering tot het begrip
wachtgeld behoren.

Artikel 7 Vervallen van het wachtgeld
1. Het wachtgeld vervalt:
a. met ingang van de dag die volgt op de dag waarop de
werknemer is overleden;
b. met ingang van de dag waarop de werknemer aanspraak
gaat maken op ouderdomspensioen of arbeidsongeschiktheidspensioen
volgens het reglement van het PFZW, uit
hoofde van de betrekking waaruit hij met wachtgeld is
ontslagen;
c. als de wachtgeldgerechtigde weigert te voldoen aan de
hem in artikel 5 opgelegde verplichtingen;
d. als één van de in artikel 1, lid 4 genoemde uitkeringen
wordt stopgezet, omdat de wachtgeldgerechtigde niet al
datgene doet wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van
een van deze uitkeringen.
2. De uitkering van wachtgeld wordt opgeschort hangende een
beroepsprocedure krachtens genoemde wettelijke regelingen.
3. De werkgever kan het wachtgeld vervallen verklaren:
a. als de wachtgeldgerechtigde onvoldoende meewerkt
aan een geneeskundig onderzoek dat strekt tot het
aanvragen van arbeidsongeschiktheidspensioen of
van een wettelijke uitkering wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid;
b. als de wachtgeldgerechtigde geacht kan worden zich
duurzaam in het buitenland te hebben gevestigd.

Artikel 8 Wachtgelduitkering bij overlijden
1. Als de wachtgeldgerechtigde overlijdt, verstrekt de werkgever
een uitkering ter grootte van het wachtgeld dat zou zijn
uitgekeerd over de eerste drie maanden volgend op de maand
van overlijden aan:
a. de echtgeno(o)te of relatiepartner van wie de wachtgeldgerechtigde
niet duurzaam gescheiden leefde en bij
ontstentenis van deze aan;
b. diens minderjarige kinderen en bij ontstentenis van
deze aan;
c. degene ten aanzien van wie de wachtgeldgerechtigde
grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met
wie hij in gezinsverband leefde.
2. Laat de overledene geen betrekkingen na als hierboven
genoemd, dan kan de werkgever de uitkering of een gedeelte
daarvan doen toekomen aan de persoon of de personen die
daarvoor naar het oordeel van de werkgever op grond van
billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt/komen.
3. De overlijdensuitkering als bedoeld in het eerste lid vervalt als
en voor zover er overlijdensuitkeringen worden verstrekt
krachtens de sociale verzekeringswetten.

Artikel 9 Uitbetaling van het wachtgeld
De uitkering van wachtgeld geschiedt maandelijks, met inachtneming
van de voor de salarisbetaling geldende regelingen.

Artikel 10 Bijzondere regelingen
1. Wanneer bij de nieuwe werkgever geen regeling voor
verhuiskostenvergoedingen van kracht is, dan zal aan hen
die een eigen huishouding voeren bij verhuizing binnen één
jaar na beëindiging van het dienstverband éénmaal een
tegemoetkoming worden gegeven ten bedrage van eenmaal
het maandsalaris - zie H11 B Verhuiskosten - met een minimum
van twee maal het voor de werknemer geldende minimumloon
per maand. Deze bepaling geldt als de afstand van de
woonplaats naar de nieuwe werkplaats zo groot is dat de
werknemer redelijkerwijs dient te verhuizen.
2. Bestaande toezeggingen aan de wachtgeldgerechtigde voor
vergoedingen van studiekosten blijven gedurende de
wachtgeldperiode gehandhaafd.
3. Vergoeding van studiekosten geschiedt voor 100% als de
opleiding het gevolg is van herplaatsing binnen de instelling
wegens reorganisatie of opheffing van de dienst waar de
werknemer werkzaam is.
4. Was de wachtgeldgerechtigde voor de ontslagdatum
deelnemer van IZZ, dan blijft het deelnemerschap gedurende
de wachtgeldperiode bestaan op voet van het bepaalde in H11
G Ziektekosten/IZZ.

Artikel 11 Waarborg financiering wachtgeld
De werkgever is bij sluiting van de instelling verplicht tijdig
maatregelen te nemen die financiering van de wachtgeldverplichting
waarborgen.

B Pensioen
In de bepalingen van het pensioenreglement van de Stichting
‘Pensioenfonds voor Zorg en Welzijn’ of in een in het kader van dit
pensioenfonds goedgekeurde regeling, worden de rechten en de
verplichtingen van werkgever en werknemer geregeld, die
betrekking hebben op de voor de werknemer geldende pensioenregeling,
inclusief de regeling inzake de vaststelling van de hoogte
van de jaarlijkse premie. De verdeling van de pensioenpremie wordt
door CAO-partijen bepaald. De verdeling van de PFZW-premie tussen
werkgever en werknemer is vastgesteld in de verhouding van
respectievelijk 48% versus 52% (per 01-08-2010 wordt dit respectievelijk
50% versus 50%). Deze verdeling kan op individueel niveau
iets verschillen. Bij indiensttreding ontvangt de werknemer op zijn
verzoek het pensioenreglement.

 

Hoofdstuk 15 Medezeggenschap

A Faciliteiten ondernemingsraad
1. Werkgevers met ten minste 35 werknemers zijn verplicht tot
het instellen van een ondernemingsraad.
2. De ondernemingsraad heeft aanspraak op ambtelijke
ondersteuning voor ten minste twee uur per week per
ondernemingsraadzetel.
3. De tijd dat het gekozen lid van de ondernemingsraad en van
de commissies van die raad deelneemt aan vergaderingen en
scholing, alsmede de daarmee gemoeide reistijd voorzover
deze niet samenvalt met het reguliere woon-werkverkeer,
wordt aangemerkt als arbeidsduur als bedoeld in H6 van deze
CAO. De vergaderingen van die raad moeten in de werktijdenregeling
of het rooster worden opgenomen.
4. De OR-leden werkzaam in roosterdiensten zullen ten behoeve
van het bijwonen van de OR-vergaderingen en overlegvergaderingen
worden vrijgeroosterd en indien nodig vervangen.
B (Extra) bevoegdheden ondernemingsraad
1. De werkgever stelt de ondernemingsraad in de gelegenheid om
advies uit te brengen over een door hem voorgenomen besluit
tot benoeming van een lid van het bestuur respectievelijk lid
van de Raad van Toezicht; hierbij wordt de procedure
overeenkomstig artikel 30 van de Wet op de ondernemingsraden
toegepast.
2. De ondernemingsraad heeft naast het in artikel 30 van de
Wet op de ondernemingsraden geregelde adviesrecht met
betrekking tot benoeming of ontslag van directieleden,
bovendien het recht van advies als het bestuur in een
directiefunctie of een functie in de Raad van Bestuur, anders
dan wegens kortdurende afwezigheid, een tijdelijke voorziening
tot waarneming treft.
3. De ondernemingsraad heeft recht van bespreking van de
conceptbegroting van de instelling.
4. De ondernemingsraad heeft bij de in H16 van de CAO genoemde
onderwerpen ten minste zijn in de wet en deze CAO
geregelde bevoegdheden. Over deze onderwerpen rapporteert
de werkgever regelmatig aan de ondernemingsraad, maar ten
minste een maal per jaar in het (sociaal) jaarverslag.

C Mogelijkheden tot decentrale afspraken
tussen ondernemingsraad en werkgever
De CAO GGZ heeft een standaardkarakter. 1. Dat houdt in dat
alleen van de CAO kan worden afgeweken indien dit nadrukkelijk
staat vermeld.
2. Indien een afwijkende decentrale instellingsregeling wordt
getroffen komen directie en ondernemingsraad schriftelijk het
volgende overeen: de decentrale instellingsregeling eindigt op
het moment dat de CAO-regeling waarvan is afgeweken, wordt
gewijzigd. Vanaf dat tijdstip wordt de CAO-regeling weer van
toepassing, tenzij de werkgever en de ondernemingsraad of
personeelsvertegenwoordiging opnieuw een afwijkende
instellingsregeling overeenkomen.
3. Instellingsregelingen worden in ieder geval getroffen voor:
* adequate opvang van medewerkers die in het kader van
uitoefening van hun functie een traumatische ervaring
hebben gehad (H3 B, artikel 1, lid 5);
* huisregels voor de door de werkgever ter beschikking
gestelde woonruimte (H3 B, artikel 2) (indien daar sprake
van is);
* kost en inwoning (H7 B, artikel 14, lid 1) (zonodig);
* maatregelen in het kader van Arbeid en Gezondheid
(H9 A);
* verzuim- en herstelprotocol (H9 B);
* reiskostenvergoeding ambulante werknemer
(H11 A, artikel 2, lid 3);
* vaststellen van verplicht woongebied (H11 B, artikel 2);
* studiekosten en studieverlof (H11 D, artikel 3);
* jaarlijks op te stellen scholingsplan (H11 D, artikel 5);
* nader uitwerken van regeling voor het sparen en opnemen
van verlof (H13, artikel 1.2.);
* nader uitgewerkte regelingen van de genoemde doelen
onder H13, artikel 3.7.6.
4. De CAO heeft een aantal kan-bepalingen opgenomen. Deze
bepalingen bieden de werkgever de mogelijkheid om in of na
overleg met de ondernemingsraad een andere regeling te
treffen dan in de CAO staat. Deze regeling treedt dan in de
plaats van de regeling in de CAO. Wordt er geen afwijkende
regeling getroffen, dan blijft de CAO regeling van kracht.
Afwijkende regelingen zijn mogelijk ten aanzien van:
* compensatie feestdagen (H6, artikel 9, lid 4);
* bevordering (H7 B, artikel, 9, lid 3);
* waarneming (H7 B, artikel 10, lid 3);
* aanpassing termijn bij (her)indelingsprocedure
(H7, Bijlage A, Algemeen);
* herbeschrijvingsprocedure (H 7 Bijlage A 3.1 lid 1 en 5);
* samenstelling IBC (H7, Bijlage A en B, artikel 5);
* compensatie bac-dienst (H 10 C, artikel 12);
* compensatie crisisdienst (H10 D, artikel 9);
* vergoeding slaapdienst (H10 E, artikel 5, lid 2);
* begeleiding cliënten tijdens vakantie (H10 E, artikel 7, lid 4);
* vergoeding woon-werkverkeer (H11 A, artikel 1, lid 6);
* vergoeding reis- en verblijfkosten (H11 A, artikel 1, lid 6);
* verhuiskostenvergoeding (H 11 B, artikel 7);
* voorgeschreven kleding ( H 11 C, artikel 3);
* vaststellen van twee verplichte vakantiedagen
(H 12 B, artikel 1 lid 3);
* keuzedatum, termijnen voor kopen en verkopen van
vakantie-uren, in het kader van het meerkeuzesysteem
(H13, artikel 1.2, artikel 3.3.5 en artikel 3.4.5);
* uitvoering voor het jaargesprek (H16 A, artikel 1, lid 6);
* onderbrengen van bezwaren bij beoordeling werknemer bij
bestaande commissie (H16 A, artikel 2, lid 11);
* uitgebreider beoordelingssysteem dan in CAO
(H16 A, artikel 2, lid 13).

D Werknemersorganisaties

Artikel 1 Definitie werknemersorganisatie
Onder werknemersorganisatie wordt verstaan:
a. een vereniging van werknemers die partij is bij deze CAO;
b. een vakcentrale waarbij een vereniging als bedoeld onder a
is aangesloten;
c. Federatie beroepsorganisaties in de zorg, onderwijs en
onderzoek (FBZ), voor zover de werknemer op wie het in dit lid
bepaalde van toepassing is, lid is van een onder a bedoelde
vereniging of bestuurslid is van de FBZ en het bestuurlijke
activiteiten voor de FBZ betreft;
d. een vereniging van werknemers die een samenwerkingsovereenkomst
heeft met een onder a bedoelde vereniging; als
zodanig gelden bij inwerkingtreding van deze CAO:
* Nederlandse Vereniging van Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundigen
(NVSP);
* Nederlandse Vereniging van Creatief Therapeuten (NVCT);
* Vereniging voor Psychodiagnostisch werkenden (VVP).
Wanneer, gelet op het hiervoor bepaalde, dit aantal verenigingen
wordt uitgebreid, delen partijen bij deze CAO dit mee aan
de werkgever.

Artikel 2 Faciliteiten voor werknemersorganisaties
1. Partijen bij deze CAO willen bevorderen dat binnen de
instelling mogelijkheden worden geboden tot het geven van
faciliteiten aan leden, kaderleden en vakbondsconsulenten van
werknemersorganisaties.
2. Onder kaderleden worden verstaan: die leden die door
werknemersorganisaties zijn aangewezen en aan de directie
van de instelling als zodanig bekend zijn gemaakt.
3. Deze faciliteiten moeten ten minste de volgende zijn:
a. het toestaan van het gebruik van publicatieborden waarop
informatie wordt verstrekt en aankondigingen
van werknemersorganisaties kunnen worden bekend
gemaakt;
b. het beschikbaar stellen van ruimten van de instelling voor
bijeenkomsten van de werknemersorganisaties;
c. het gebruik van de telefoon voor het leggen van contacten
door kaderleden van de werknemersorganisaties;
d. kaderleden zullen in beperkte mate in staat worden
gesteld persoonlijke contacten te leggen met de leden
die in de instelling werken;
e. kaderleden kunnen ter bevordering van activiteiten voor
hun werknemersorganisatie, binnen de bestaande
afspraken in de instelling, gebruik maken van internet en
e-mail voor zover in de instelling aanwezig.

Artikel 3 Bijdrage GGZ Nederland aan de werknemersorganisaties
De bijdrage aan de werknemersorganisaties, partij bij deze
CAO, wordt tussen partijen bij deze CAO geregeld en door GGZ
Nederland uitgekeerd. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast met
de consumenten prijsindex.

Artikel 4 Verlof voor activiteiten werknemersorganisaties
De werkgever stelt de werknemer in de gelegenheid deel te nemen
aan activiteiten van de werknemersorganisaties waarvan hij lid is.
De werknemer krijgt daarvoor betaald verlof tot een totaal van 264
uur per jaar, als deelname aan deze activiteiten plaatsvindt op uren
waarop hij volgens arbeidsovereenkomst inzetbaar is. Onder
activiteiten van de werknemersorganisaties worden verstaan:
* statutaire vergaderingen voor zover de werknemer als
bestuurslid of afgevaardigde is aangewezen;
* conferenties, landelijke en regionale vergaderingen en
werkgroepen voor zover de werknemer daartoe door het
hoofdbestuur is uitgenodigd;
* cursussen voor zover de werknemer die geeft of eraan
deelneemt op verzoek van het hoofdbestuur.

Artikel 5 Vakbondsconsulenten
1. De werknemer die vakbondsconsulent is in een instelling met
ten minste 500 werknemers wordt vier uur per week vrijgesteld
voor de taken van de consulent.
2. De werknemer die vakbondsconsulent is in een instelling met
meer dan 1500 werknemers wordt ten minste acht uur per
week vrijgesteld voor de taken van de consulent.
3. Per instelling kunnen ten minste twee vakbondsconsulenten
worden vrijgesteld, en niet meer dan een per werknemersorganisatie.
4. De werknemer die vakbondsconsulent is, zal uit hoofde hiervan
niet benadeeld worden in zijn positie in de instelling en heeft
inzake zijn arbeidsovereenkomst een vergelijkbare rechtsbescherming
als geldt voor leden van de ondernemingsraad
op grond van de Wet op de ondernemingsraden.
Algemeen
Sociaal beleid is een geïntegreerd onderdeel van het totale beleid
van de instelling, waardoor:
a. gestalte wordt gegeven aan een zodanige organisatie en
zodanige gezagsverhoudingen, dat de medewerkers hun
bijdrage aan het goed functioneren van de instelling willen en
kunnen geven;
b. medewerkers door middel van goede informatie en communicatie
worden betrokken bij het bepalen van het beleid binnen
de instelling en bij het inrichten van de eigen werksituatie;
c. het werk zodanig wordt georganiseerd dat er sprake is van
zinvolle arbeid met een zo groot mogelijke eigen bevoegdheid,
verantwoordelijkheid en ontplooiingsmogelijkheden aangepast
aan aanleg, capaciteit en ambities van medewerkers. Bij de
vormgeving en uitvoering van het sociaal beleid dient de medezeggenschap
van de medewerkers bevorderd te worden, opdat
de medewerkers invloed kunnen uitoefenen op het uitwerken
en realiseren van de doelstellingen van het totale beleid.

 

 

 


Hoofdstuk 16 Sociaal beleid

A Sociaal beleid dat gericht is op de
individuele werknemer

Artikel 1 Jaargesprek
De werkgever voert jaarlijks een gesprek met 1. de werknemer. De
onderwerpen die in dit gesprek in ieder geval aan de orde
komen zijn:
* het functioneren van de werknemer;
* het moment waarop een beoordelingsgesprek zal gaan
plaatsvinden met de werknemer;
* de wensen van de werknemer betreffende de gebruikmaking
van het meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden;
* de individuele werktijdenregeling in het kader van de
jaarurensystematiek;
* de loopbaanontwikkeling en de opleidingswensen hetgeen
kan leiden tot een persoonlijk opleidingsplan (POP);
* de arbeidsomstandigheden en de werklastbeheersing.
2. Zowel werkgever als werknemer kunnen naast deze gespreksonderwerpen
andere onderwerpen ter bespreking toevoegen.
3. De werkgever houdt bij de uitvoering van het jaargesprek
rekening met de volgende voorwaarden:
* de werkgever nodigt de werknemer ten minste drie weken
voor aanvang van het gesprek schriftelijk uit en maakt
daarbij aan de werknemer de gespreksonderwerpen
kenbaar;
* de werkgever draagt, eventueel op verzoek van de
werknemer, zorg voor schriftelijke informatie en stelt deze
informatie zo nodig ter beschikking aan werknemer opdat
deze zich voldoende kan voorbereiden;
* de werkgever stelt een verslag op van het jaargesprek.
Per onderwerp wordt aangegeven welke afspraken er zijn
gemaakt, welke conclusies er zijn getrokken en de uitkomst
van evaluatie van eerder gemaakte afspraken. De werknemer
en werkgever tekenen het verslag voor akkoord in
geval van overeenstemming of voor gezien in geval er geen
overeenstemming is;
* de werkgever regelt de mogelijkheid dat werknemer de
uitvoering van afspraken kan volgen en melding kan maken
van het niet nakomen van afspraken.
4. De werknemer maakt de eigen gespreksonderwerpen ten
minste twee weken voor aanvang van het jaargesprek kenbaar
aan de werkgever.
5. Werkgever en werknemer spannen zich in voor de adequate
uitvoering van de gemaakte afspraken en zijn daarop beiden
aanspreekbaar.
6. De werkgever kan in overleg met de ondernemingsraad een
nadere uitvoeringsregeling treffen voor het jaargesprek.
Daarbij dienen de bepalingen en voorwaarden zoals vermeld in
dit artikel te worden opgenomen.
Toelichting
Ten minste een maal per jaar wordt een gesprek tussen de
werknemer en zijn werkgever gehouden, hierna aan te duiden als
het jaargesprek. Het gaat in dit jaargesprek om onderwerpen als de
ontwikkeling en de loopbaan van de werknemer, zijn functioneren
en de beoordeling daarvan, maar ook zijn individuele arbeidspatroon
en arbeidsvoorwaarden, alsmede de arbeidsomstandigheden en de
werklast. In het jaargesprek is ruimte voor een terugblik, voor de
evaluatie van gemaakte afspraken en voor het maken van nieuwe
afspraken; ook worden wederzijdse wensen en eisen op elkaar
afgestemd.
De werkgever neemt het initiatief tot het jaargesprek en nodigt de
werknemer uit tot het aanreiken van gespreksonderwerpen. De
werkgever maakt vooraf aan werknemer zijn gespreksonderwerpen
bekend. De precieze betekenis en wijze van invulling van het
jaargesprek krijgt vorm in de context van het personeelsmanagement
van de instelling. Elke instelling geeft immers zijn eigen
invulling aan het personeelsmanagement en heeft al of niet
beleidsinstrumenten beschikbaar voor de onderwerpen die in het
jaargesprek aan de orde komen, bijvoorbeeld het opleiden en het
beoordelen van het functioneren.
Als regel heeft iedere instelling voor zijn personeelsaangelegenheden
een eigen beleid met eigen instrumenten en een eigen
tijdscyclus. Per onderwerp zal de werkgever dan aangeven of het al
dan niet samenvalt met het jaargesprek; het kan dus zijn dat een
onderwerp dat genoemd wordt in onderstaand CAO-artikel al op een
ander tijdstip aan de orde komt.
Ook noemt de CAO zelf een vaste datum - 1 september - voor de
eventuele keuze binnen het meerkeuzesysteem van de CAO. Het
jaargesprek als bedoeld door de CAO kan dus plaatsvinden in een of
meer gesprekken per jaar.

Artikel 2 Beoordeling van de werknemer
Aan de overgang van de functionele 1. schaal A naar de
functionele schaal B is de voorwaarde verbonden van een
voldoende beoordeling van het functioneren van de werknemer
(zie ook H7 B Salariëring, artikel 3, lid 5).
2. Voor het vaststellen daarvan draagt de werkgever zorg voor het
opstellen van een beoordeling van het functioneren. Het op
een evenwichtige wijze vastgestelde beoordelingsresultaat
wordt uitgedrukt in de kwalificaties onvoldoende, voldoende
en goed.
3. De werkgever kan besluiten naast het bepaalde in lid 1
van dit artikel de toekenning van de periodieke verhoging
afhankelijk te stellen van een voldoende beoordeling van
het functioneren van de werknemer als bedoeld in lid 2.
4. In geval het conform lid 2 vastgestelde beoordelingsresultaat
met goed is gekwalificeerd, kan de werkgever besluiten
meerdere periodieken toe te kennen.
5. De werknemer kan de werkgever verzoeken een beoordeling op
te stellen en het resultaat daarvan kenbaar te maken aan de
werknemer op een wijze zoals is bepaald in dit artikel.
6. In geval het beoordelingsresultaat als onvoldoende is
gekwalificeerd kan de werkgever de werknemer tot een
verbetertraject verplichten dat is gericht op het bewerkstelligen
van een voldoende functioneren van de werknemer in
de functie. De werkgever legt activiteiten, vorderingen en het
overleg met de werknemer schriftelijk vast.
7. De werknemer heeft het recht bezwaar aan te tekenen tegen
de uitgebrachte beoordeling.
8. De werknemer maakt zijn bezwaar schriftelijk kenbaar aan de
werkgever met vermelding van de reden(en) van het bezwaar.
De werkgever beoordeelt het ingediende bezwaar en nodigt de
werknemer uit voor een gesprek waarin werknemer en
werkgever toelichting geven en informatie uitwisselen over de
opgestelde beoordeling. De werkgever doet schriftelijk
mededeling aan de werknemer over zijn besluit naar aanleiding
van het overleg.
9. Indien de werknemer van oordeel is dat er onvoldoende
tegemoet gekomen is aan het geuite bezwaar kan het bezwaar
worden voorgelegd aan een door de werkgever ingestelde
bezwarencommissie.
10. De samenstelling van deze commissie dient te bestaan uit een
lid aangewezen door werkgever, een lid aangewezen door de
ondernemingsraad en een voorzitter die gezamenlijk door
werkgever en ondernemingsraad is aangewezen.
11. Met instemming van de ondernemingsraad kan een andere
voorziening worden getroffen voor het op een evenwichtige
wijze behandelen van een bezwaar, bijvoorbeeld door de
procedure onder te brengen bij een bestaande commissie met
een overeenkomstige samenstelling.
12. De bezwaarprocedure omvat de volgende stappen:
* de omstandigheid dient te worden vastgesteld of de
uitgevoerde beoordeling en het beoordelingsresultaat berust
op een voldoende feitelijke grondslag. Daarvoor is het vereist
dat er afdoende schriftelijke informatie aanwezig is die het
uitgebrachte beoordelingsresultaat staven;
* de omstandigheid dient te worden vastgesteld of er door de
werkgever voldoende inspanningen geleverd zijn om
de werknemer te wijzen op tekortkomingen in het
functioneren, het scheppen van voorwaarden om deze
tekortkomingen weg te nemen en het voldoende ondersteunen
bij en tijd geven voor het bewerkstelligen van een
voldoende functioneren. Ook op dit punt dient
de werkgever over afdoende schriftelijke informatie te
beschikken, bijvoorbeeld in het kader van de cyclus van
de jaargesprekken, waaruit de geleverde inspanningen
kunnen worden afgeleid;
* de uitgebrachte beoordeling en het beoordelingsresultaat
kan alleen in stand blijven als deze beide omstandigheden
bevestigend worden beantwoord;
* de bezwarencommissie doet schriftelijk uitspraak van het
oordeel aan de werkgever;
* de werkgever brengt vervolgens het oordeel schriftelijk
ter kennisname aan de werknemer;
* zowel werknemer als werkgever kunnen geen beroep
aantekenen tegen de uitspraak;
* indien de uitspraak de werknemer tegemoet komt in het
ingestelde bezwaar dient de werkgever uitvoering te geven
aan de daaruit voortvloeiende gevolgen.
13. De werkgever kan met inachtneming van artikel 27 van de Wet
op de ondernemingsraden en met de waarborgen van deze
regeling een ander systeem overeenkomen voor het beoordelen
van het voldoende functioneren als bedoeld in
lid 2 van deze regeling.

Toelichting
De overgang van de functionele schaal A naar de functionele schaal
B is afhankelijk van een voldoende beoordeling. Daartoe voert de
werkgever een beoordeling uit en drukt het beoordelingsresultaat
uit in de kwalificaties onvoldoende, voldoende of goed. De
werkgever kan ook aan de periodieke verhoging de voorwaarde
verbinden van een voldoende functioneren. Bij de kwalificatie
goed kan de werkgever meer periodieken toekennen. De werknemer
kan bezwaar aantekenen tegen een uitgebrachte beoordeling,
eerst bij de werkgever en daarna eventueel bij een door de
werkgever ingestelde bezwarencommissie. De uitspraak door
deze commissie is bindend.
De werkgever kan besluiten een meer uitgewerkt beoordelingssysteem
met de ondernemingsraad over een te komen. Zo niet
dan wordt de beoordeling conform artikel 2 van dit hoofdstuk
vastgesteld.

Artikel 3 Loopbaanadvies
De werknemer heeft een keer per vijf jaar recht op een loopbaanadvies.

Artikel 4 Veiligheid van de werknemer
De werkgever neemt maatregelen om de lichamelijke en geestelijke
integriteit van de werknemer te waarborgen. Het gaat om alle
mogelijke vormen van bedreiging en intimidatie die deze integriteit
kunnen aantasten en waarmee de werknemer in het werk - van
welke zijde ook - geconfronteerd kan worden. Het voorkómen staat
centraal, waarbij ook voor de werknemer een rol is weggelegd. Het
is de werknemer duidelijk met wie hij dergelijke problemen kan
bespreken zodat ieder concreet geval tot een oplossing of een
maatregel leidt.

Artikel 5 Klachten van de werknemer
De werkgever voorziet in een regeling volgens welke klachten van de
werknemer over bejegening - van welke zijde ook - tijdens het werk
behandeld kunnen worden. Het kan ook gaan om in zijn ogen
ongerechtvaardigde besluiten ten aanzien van hem. Deze regeling,
of een andere die daartoe is opgesteld, voorziet ook in de
klachtmogelijkheid voor andere in de instelling werkzame personen.
De klachtenregeling geldt ook ingeval de opleider of het opleidingsinstituut
waar de werknemer in opleiding is niet door deze CAO
gebonden wordt.

B Collectief sociaal beleid

Artikel 1 Kinderopvang (vervallen per 01-01-2007)

Artikel 2 Vervoersmanagement
Als de omstandigheden voor de bereikbaarheid van de instelling
daartoe aanleiding geven, stelt de werkgever een plan op dat alle
facetten van de bereikbaarheid omvat. Hij kan daar de bestaande
vergoedingsregelingen - uit de CAO of van de instelling zelf - bij
betrekken.

Artikel 3 Sociaal plan organisatieontwikkeling
1. De werkgever is verplicht een doorlopend sociaal plan
organisatieontwikkeling overeen te komen met de werknemersorganisaties,
partij bij deze CAO. Dit sociaal plan
dient maatregelen en voorzieningen te bevatten die de
nadelige gevolgen van organisatiewijzigingen voor werknemers
opvangen. In het sociaal plan worden ten minste regelingen
opgenomen met betrekking tot:
* het waarborgen van de werkgelegenheid;
* een plaatsings- en herplaatsingsprocedure, alsmede de (her)
plaatsingscriteria;
* voor zover dat bij het inwerkingtreden van deze CAO niet
reeds is vastgelegd: de wijze waarop het salarisperspectief
van de werknemer behouden blijft;
* de wijze waarop de extra kosten, derving van compensatieen
vergoedingsregeling worden gecompenseerd;
* mobiliteitsbevorderende maatregelen;
* een bezwarenprocedure;
* in welke specifieke gevallen overleg plaatsvindt en zo nodig
aanvullende regelingen worden overeengekomen tussen de
werkgever en de werknemersorganisaties.
2. Het sociaal plan organisatieontwikkeling dient uiterlijk op
01-01-2003 tussen de werkgever en de werknemersorganisaties,
partij bij deze CAO, overeengekomen te zijn. Tot het moment
van inwerkingtreding van het sociaal plan organisatieontwikkeling
is de CAO Sociale Begeleiding van kracht voor de werkgever.
Bestaande doorlopende sociaal plannen worden -
bijvoorbeeld als zij naar de CAO Sociale Begeleiding verwijzen
- zonodig op verzoek van werknemersorganisaties of werkgever
bijgesteld.

Artikel 4 Rouwprotocol
De werkgever voorziet zo mogelijk in een rouwprotocol dat in
voorkomende gevallen van toepassing is op werknemers.

 

Adressen van de partijen bij het CAO-overleg

Werkgeversorganisatie
Vereniging GGZ Nederland
Postbus 830
3800 AV Amersfoort
tel. 033 - 4608900
www.ggznederland.nl

Werknemersorganisaties, te weten:
ABVAKABO FNV
Postbus 3010
2700 KT Zoetermeer
tel. 0900 - 2282522
www.ABVAKABO.nl

CNV Publieke Zaak
Postbus 84500
2508 AM ‘s-Gravenhage
tel. 070 - 4160600
www.mijnvakbond.nl

NU’91, Beroepsorganisatie van de Verpleging en Verzorging
Postbus 6001
3503 PA Utrecht
tel. 030 - 2964144
www.NU91.nl

ADRESSEN
VAN DE PARTIJEN BIJ HET CAO-OVERLEG
FBZ: Federatie van Beroepsorganisaties in de Zorg en daaraan gerelateerd onderwijs en onderzoek
Postbus 20058
3502 LB Utrecht
tel. 030 - 6702708

- Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband (LAD)
Postbus 20058
3502 LB Utrecht
tel. 030 - 6702701

- Nederlands Instituut van Psychologen (NIP)
Postbus 9921
1006 AP Amsterdam
tel. 020 - 4106222

- Vereniging van Geestelijk Verzorgers in
Zorginstellingen (VGVZ)
Neckardreef 6
3562 CN Utrecht
tel. 030 - 2628618

- Nederlandse vereniging van pedagogen
en onderwijskundigen
(NVO)
Korte Elisabethstraat 11
3511 JG Utrecht
tel. 030 - 2322407

- Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie
en Laboratoriumgeneeskunde (NVKC)
Kantoorgebouw Trindeborch, niveau 1
Catharijnesingel 49A
3511 GC Utrecht
tel. 030 - 2328623

- Koninklijk Nederlands Genootschap
voor Fysiotherapie (KNGF)
Postbus 248
3800 AE Amersfoort
tel. 033 - 4672900

- Nederlandse Vereniging voor Psychomotorische
Therapie (NVPMT)
Fivelingo 253
3524 BN Utrecht
tel. 030 - 2800432 (woensdag)

- Nederlandse Vereniging voor Logopedie
en Foniatrie sectie Gezondheidszorg (NVLF/G)
Postbus 75
3440 AB Woerden
tel. 0348 - 457070

- Ergotherapie Nederland (EN)
Kaap Hoorndreef 56b
3563 AV Utrecht
tel. 030 - 2628356

- Nederlandse Vereniging van Diëtisten (NVD)
Postbus 526
3990 GH Houten
tel. 030 - 634622282

Euro Euro
1 1337 51 4173
2 1362 52 4231
3 1387 53 4291
4 1441 54 4349
5 1494 55 4407
6 1523 56 4467
7 1563 57 4525
8 1603 58 4583
9 1645 59 4644
10 1690 60 4702
11 1742 61 4760
12 1796 62 4820
13 1857 63 4878
14 1918 64 4939
15 1974 65 5011
16 2038 66 5085
17 2089 67 5158
18 2151 68 5233
19 2208 69 5306
20 2267 70 5379
21 2325 71 5453
22 2383 72 5528
23 2442 73 5602
24 2502 74 5675
25 2562 75 5749
26 2626 76 5823
27 2691 77 5896
28 2748 78 5978
29 2812 79 6062
30 2876 80 6143
31 2935 81 6226
32 2996 82 6308
33 3058 83 6390
34 3122 84 6473
35 3180 85 6569
36 3240 86 6667
37 3306 87 6762
38 3375 88 6859
39 3443 89 6955
40 3504 90 7051
41 3571 91 7147
42 3637 92 7244
43 3702 93 7341
44 3764 94 7439
45 3820 95 7535
46 3878 96 7633
47 3937 97 7730
48 3995 98 7826
49 4054 99 7924
50 4113 100 8021

Sector 35 - Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg 1-1-2008 tm 1-3-2010

E-mailadres Afdrukken PDF

Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg 2008-2010

Publicatie onder auspiciën van het Sociaal Overleg Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (SOVVT)

© SOVVT. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een
geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar worden gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij
elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, microfilm, opnamen, of op enige andere manier, zonder
voorafgaande schriftelijke toestemming van de partijen bij deze cao. Het gebruik van de tekst als toelichting of
ondersteuning bij artikelen en scripties is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld.

Inhoudsopgave

Protocol 8

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen 11
Artikel 1.1 Definities 11
Artikel 1.2 Werkingssfeer, toepassing en ontheffingen 13
Artikel 1.3 Karakter cao 13

Hoofdstuk 2 Arbeidsrelatie 13
Artikel 2.1 De arbeidsovereenkomst 13
Artikel 2.2 Duur van de arbeidsovereenkomst 13
Artikel 2.3 Opzegging 14
Artikel 2.4 Einde van de arbeidsovereenkomst 14

Hoofdstuk 3 Beloning 14
Artikel 3.1.1 Algemeen 14
Artikel 3.1.2 Functiewaarderingssysteem 15
Artikel 3.1.3 Combinatiefunctie 15
Artikel 3.1.4 Toepassing salarisschalen 15
Artikel 3.1.5 Salarisgarantieregeling 15
Artikel 3.1.6 Werknemers aangesteld in het kader van de Wet werk en inkomen 15
Artikel 3.1.7 Periodieke verhogingen 15
Artikel 3.1.8 Uitbetaling salaris 16
Artikel 3.1.9 Bevordering 16
Artikel 3.1.10 Bijzondere beloningen 16
Artikel 3.1.11 Structurele eindejaarsuitkering 16
Artikel 3.1.11A Eenmalige uitkering verpleeg- en verzorgingshuizen 2009 16
Artikel 3.1.12 Levensloopbijdrage verpleeg- en verzorgingshuizen 16
Artikel 3.1.13 Vakantiebijslag 17
Artikel 3.1.14 Pensioen 17
Artikel 3.1.15 Gratificatie 17
Artikel 3.1.16 Spaarloonregeling 18
Artikel 3.1.17 Loondoorbetaling inval-/oproepkrachten en min/max-contracten kraamzorg 18
Artikel 3.2.1 Beroepsopleidingen 18
Artikel 3.2.2 Salarisgarantie leerling-werknemer 18
Artikel 3.2.3 Aspirant leerlingen 19
Artikel 3.2.4 Faciliteitenregeling leerlingen 19
Artikel 3.2.5 Opleiding tot verpleeghuisarts 19
Artikel 3.2.6 Opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog 19
Artikel 3.2.7 Overige BBL opleidingen in het kader van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) 19
Artikel 3.2.8 Overige opleidingen 19
Artikel 3.2.9 Leerlingsalarissen verkorte opleiding tot kraamverzorgende 20
Tabel 1 Salarisschalen verpleeg- en verzorgingshuizen per 1 maart 2009 21
Tabel 2 Inpassingstabel verpleeg- en verzorgingshuizen per 1 maart 2009 23
Tabel 3 Salarisschalen thuiszorgorganisaties per 1 maart 2009 24
Tabel 4 Salarisreeks thuiszorgorganisaties per 1 maart 2009 27
Tabel 5 Salarisschalen VVT per 1 juli 2009 28
Tabel 6 Salarisreeks VVT 1 juli 2009 31

Hoofdstuk 4 Arbeidsduur 32
Artikel 4.1 Arbeidsduur 32
Artikel 4.2 Min/max contracten 32

Hoofdstuk 5 Werktijden 32
Artikel 5.1 Werk- en rusttijden algemeen 32
Artikel 5.1.1 Maximum arbeidstijd per dienst 33
Artikel 5.1.2 Nachtdiensten 33
Artikel 5.1.3 Vrije weekeinden 33
Artikel 5.1.4 Pauzes 33
Artikel 5.2 Definities consignatiediensten, bereikbaarheidsdiensten, aanwezigheidsdiensten 33
Artikel 5.3 Wachtdiensten Kraamverzorgenden 33
Artikel 5.3.1 Vergoeding wachtdiensten 34
Artikel 5.3.2 Oproep tijdens wachtdienst 34
Artikel 5.3.3 Maximum aantal oproepen tijdens wachtdienst 34
Artikel 5.4.1 Gebroken diensten 34
Artikel 5.4.2 Verschoven diensten 34
Artikel 5.5 Overwerk 34
Artikel 5.5.1 Bepaling aantal overwerkuren en vrijgestelde werknemers 35
Artikel 5.5.2 Maximaal aantal uren overwerk vacaturestelling 35
Artikel 5.5.3 Vergoedingsregeling voor werknemer met een volletijd arbeidsduur 35
Artikel 5.5.4 Vergoedingsregeling voor de werknemer met een deeltijd arbeidsduur 35
Artikel 5.5.5 Opnemen vergoeding 35
Artikel 5.6 Structureel meerwerk 36
Artikel 5.7 Onregelmatige dienst 36
Artikel 5.7.1 Werkingssfeer 36
Artikel 5.7.2 Vergoedingsregeling 36
Artikel 5.7.3 Berekening vergoeding 36
Artikel 5.7.4 Afbouwregeling 36
Artikel 5.8 Vergoedingsregeling 37
Artikel 5.8.1 Vergoeding voor arbeid van de werknemer met een volletijd arbeidsduur 37
Artikel 5.8.2 Vergoeding voor arbeid van de werknemer met een deeltijd arbeidsduur 37
Artikel 5.8.3 Opnemen vergoeding 38
Artikel 5.9 Slaapdienst 38
Artikel 5.9.1 Vergoeding slaapdienst 38
Artikel 5.9.2 Opnemen vergoeding slaapdienst 38
Artikel 5.10 Gebroken dienst 38
Artikel 5.11 Overwerk 38
Artikel 5.11.1 Uitzonderingen overwerkvergoeding 39
Artikel 5.11.2 Overwerkvergoeding deeltijdwerker 39
Artikel 5.11.3 Overwerkvergoeding 39
Artikel 5.11.4 Opnemen overwerkvergoeding 39
Artikel 5.11.5 Maximaal aantal uren overwerk 39
Artikel 5.12 Inconveniënte uren 39
Artikel 5.12.1 Vergoeding inconveniënte uren 39
Artikel 5.13 Bereikbaarheidsdienst 39
Artikel 5.14 Slaapdienst 40

Hoofdstuk 6 Werk en privé 40
Artikel 6.1 (Vakantie)verlof 40
Artikel 6.1.2 Garantieregeling verlof werknemers 55 jaar en ouder in verpleeg- en verzorgingshuizen
(met ingang van 1 januari 2009): 40
Artikel 6.1.3 Opbouw (vakantie)verlof 40
Artikel 6.1.4 Opnemen van (vakantie)verlof 40
Artikel 6.2 Verlof 41
Artikel 6.2.1 Betaald verlof in verband met bijzondere persoonlijke omstandigheden 41
Artikel 6.2.2 Bezoek (tand)arts/specialist 41
Artikel 6.2.3 Calamiteitenverlof 41
Artikel 6.2.4 Zorgverlof bij zeer ernstige ziekte 41
Artikel 6.2.5 Verlenging bevallingsverlof 41
Artikel 6.2.6 Verlenging ouderschapsverlof 42
Artikel 6.2.7 Wet Arbeid en Zorg 42
Artikel 6.2.8 (Gedeeltelijk) afwijzen verlof 42
Artikel 6.2.9 Premies tijdens onbetaald verlof 42

Hoofdstuk 7 Meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden 42
Artikel 7.1 Meerkeuzesysteem 42
Artikel 7.2 Randvoorwaarden Meerkeuzesysteem 42
Artikel 7.3 Inrichting Meerkeuzesysteem 42

Hoofdstuk 8 Arbeid en gezondheid 43
Artikel 8.1 Loondoorbetaling bij ziekte en arbeidsongeschiktheid 43
Artikel 8.1.1 Loondoorbetaling bij ziekte en arbeidsongeschiktheid bij min-maxcontract 43
Artikel 8.1.2 Productieve arbeid en reïntegratie-activiteiten tijdens ziekte 43
Artikel 8.1.3 Loonaanvulling vervroegde IVA-uitkering 43
Artikel 8.1.4 WIA 0-35% 44
Artikel 8.1.5 Verlagen of vervallen van loondoorbetaling 44
Artikel 8.1.6 Regeling positieve/negatieve stimulansen vermindering ziekteverzuim 44
Artikel 8.2.1 Plan van aanpak arbeidsomstandigheden 44
Artikel 8.2.2 Risico inventarisatie en evaluatie 44
Artikel 8.2.3 Ziekteverzuim 44
Artikel 8.2.4 Arbozorgsysteem 44
Artikel 8.2.5 Kwaliteit van de arbeid 44
Artikel 8.3.1 Preventiebeleid fysieke belasting 45
Artikel 8.3.2 Preventiebeleid psychische belasting 45
Artikel 8.3.3 Seksuele intimidatie 45
Artikel 8.3.4 Agressie en geweld 46

Hoofdstuk 9 Bijdragen en uitkeringen 46
Artikel 9.1 Vergoedingen voor reiskosten 46
Artikel 9.2 Vergoeding kosten woon- werkverkeer 46
Artikel 9.3.1 Vergoeding reiskosten van huis naar cliënten in de wijk 47
Artikel 9.3.2 Vergoedingsnormen per vervoermiddel 47
Artikel 9.4.1 Vergoeding extra kosten woon-werkverkeer 48
Artikel 9.4.2 Vergoeding reis- en verblijfkosten incidentele dienstreizen 48
Artikel 9.5 Uitkering bij overlijden 48
Artikel 9.6 Herregistratie sociaal-geneeskundigen 48
Artikel 9.7 Herregistratie verpleeghuisartsen 49
Artikel 9.8.1 Wachtgeld 49
Artikel 9.8.2 Duur van het wachtgeld 49
Artikel 9.8.3 Hoogte van het wachtgeld 49
Artikel 9.8.4 Pensioenbijdrage 50
Artikel 9.8.5 Verplichtingen van de werknemer / wachtgeldgerechtigde 50
Artikel 9.8.6 Vermindering van het wachtgeld 50
Artikel 9.8.7 Verval van het wachtgeld 51
Artikel 9.8.8 Uitkering bij overlijden 51
Artikel 9.8.9 Bijzondere regelingen 51
Artikel 9.8.10 Positieve afwijking wachtgeldregeling 51
Artikel 9.9 Ziektekostenregeling IZZ verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 51
Artikel 9.9.1 Ziektekostenregeling IZZ 52
Artikel 9.9.2 Aanspraak (voormalige) werknemer 52
Artikel 9.9.3 Vergoeding premiekosten basisaanvullende regeling 52
Artikel 9.9.4 Voorkoming dubbele vergoeding 52
Artikel 9.9.5 Garantieregeling IZZ 52

Hoofdstuk 10 Faciliteiten werknemersorganisaties en extra bevoegdheden
ondernemingsraad 52
Artikel 10.1 Extra bevoegdheden ondernemingsraad 52
Artikel 10.2 Verlof in verband met lidmaatschap werknemersorganisatie 52
Artikel 10.3 Rechtsbescherming vakbondsconsulenten 53

Hoofdstuk 11 Functiewaardering 53
Artikel 11.1 Uitgangspunten FWG 53
Artikel 11.2.1 Herindeling 53
Artikel 11.2.2 Herindelingsprocedure 53
Artikel 11.2.3 Vaststellen functiebeschrijving 54
Artikel 11.2.4 Waardering en indeling van de functie 54

Hoofdstuk 12 Fusie en reorganisatie 54
Artikel 12.1 Toepasselijkheid Fusiegedragsregels 54
Artikel 12.2 Bepalingen bij reorganisatie/gedwongen ontslagen 54

Hoofdstuk 13 Invoeringsbepalingen Basis-cao 55
Artikel 13.1 Invoeringsbepaling 55
Artikel 13.2 Randvoorwaarden decentraal overleg werkgever en de OR 55
Artikel 13.3 Decentrale regelingen 56
Artikel 13.4 Decentraal overleg werknemersorganisaties over medezeggenschap 57

Hoofdstuk 14 Slotbepalingen 57
Artikel 14.1 Uitzendkrachten 57
Artikel 14.2 Commissie van Interpretatie 57
Artikel 14.3 Op non-actief stelling en schorsing 57
Artikel 14.4 Bijdrage werknemersorganisaties 57
Artikel 14.5 Duur, wijziging en opzegging van de cao

Bijlage A Overgangsbepalingen verpleeg- en verzorgingshuizen
Hoofdstuk A1 Beloning Verpleeg- en Verzorgingshuizen 58
Artikel A1.1 Algemeen 58
Artikel A1.2 Toepassing salarisschalen 58
Artikel A1.3 Salariëring na diplomering 58
Artikel A1.4 Periodieke verhogingen en uitloopperiodieken 58
Artikel A1.5 Structurele eindejaarsuitkering V&V 2008 58
Artikel A1.6 Vakantiebijslag V&V tot 1 juni 2008 59
Artikel A1.7 Beroepsopleidingen 59
Artikel A1.8 Salarisgarantie leerling-werknemer 59
Artikel A1.9 Aspirant leerlingen 60
Artikel A1.10 Opleiding tot verpleeghuisarts 60
Artikel A1.11 Opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog 60
Artikel A1.12 Overige BBL opleidingen in het kader van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) 60
Artikel A1.13 Overige opleidingen 60
Artikel A1.14 Bevordering 60
Tabel A1 Salarisschalen V&V per 1 januari 2007 61
Tabel A2 Salarisschalen CAO V&V per 1 januari 2008 63
Tabel A3 Inpassingstabel V&V 65

Hoofdstuk A2 Arbeidsduur 66
Artikel A2.1 Arbeidsduur 66
Artikel A2.2 Vormgeving arbeidsduur 66
Artikel A2.3 Afwijkende arbeidsduur 66
Artikel A2.4 Extra uren werken boven de contractuele basisarbeidsduur 67

Hoofdstuk A3 Werktijden 67
Artikel A3.1 Werktijdenregeling 67
Artikel A3.1.1 Nachtdiensten 68
Artikel A3.1.2 Roostervrije dagen / vrije weekends 68
Artikel A3.1.3 Verschoven diensten 68
Artikel A3.1.4 Pauzes 68
Artikel A3.2 Overwerk 69
Artikel A3.2.1 Bepaling aantal overwerkuren en vrijgestelde werknemers 69
Artikel A3.2.2 Maximaal aantal uren overwerk vacaturestelling 69
Artikel A3.2.3 Vergoedingsregeling voor werknemer met een volletijd arbeidsduur 69
Artikel A3.2.4 Vergoedingsregeling voor de werknemer met een deeltijd arbeidsduur 69
Artikel A3.2.5 Opnemen vergoeding 70
Artikel A3.2.6 Structureel meerwerk 70
Artikel A3.3 Onregelmatige dienst 70
Artikel A3.3.1 Werkingssfeer 70
Artikel A3.3.2 Vergoedingsregeling 70
Artikel A3.3.3 Berekening vergoeding 70
Artikel A3.3.4 Afbouwregeling 70
Artikel A3.4 Bereikbaarheids-, aanwezigheids- en consignatiedienst 71
Artikel A3.4.1 Werkingssfeer 71
Artikel A3.4.2 Vrijgestelde werknemers 71
Artikel A3.4.3 Vrije weekends 71
Artikel A3.4.4 Minimale rusttijd na oproep 71
Artikel A3.4.5 Vergoedingsregeling 71
Artikel A3.4.6 Vergoeding voor arbeid van de werknemer met een volletijd arbeidsduur 72
Artikel A3.4.7 Vergoeding voor arbeid van de werknemer met een deeltijd arbeidsduur 72
Artikel A3.4.8 Opnemen vergoeding 72
Artikel A3.5 Slaapdienst 73
Artikel A3.5.1 Werkingssfeer 73
Artikel A3.5.2 Vrije weekends 73
Artikel A3.5.3 Vergoeding 73
Artikel A3.5.4 Opnemen vergoeding 73

Hoofdstuk A4 Werk en privé 73
Artikel A4.1 Vakantie 73
Artikel A4.1.1 Extra vakantie -uren 74
Artikel A4.2 Verlof 74
Artikel A4.2.1 Betaald verlof 74
Artikel A4.2.2 Extra verlof 75
Artikel A4.2.3 Feestdagenverlof 75
Artikel A4.2.4 Compensatie feestdagen en onregelmatigheidstoeslag 75
Artikel A4.2.9 Onbetaald verlof 75

Bijlage B Overgangsbepalingen thuiszorgorganisaties

Hoofdstuk B1 Beloning Thuiszorg 77
Artikel B1.1 Functiewaardering 77
Artikel B1.2 Salaris 77
Artikel B1.3 Structurele eindejaarsuitkering Thuiszorg 2008 77
Artikel B1.4 Vakantiebijslag thuiszorg tot 1 juni 2008 77

Uitvoeringsregeling A Salariëring 78
Tabel B1 Salarisschalen met ingang van 1 januari 2007 dan wel periode 1 van 2007 80
Tabel B2 Salarisschalen met ingang van 1 januari 2008 dan wel periode 1 van 2008 83
Tabel B3 Inpassingstabel thuiszorg met ingang van 1 januari 2007 dan wel periode 1 van 2007 86
Tabel B4 Inpassingstabel thuiszorg met ingang van 1 januari 2008 dan wel periode 1 van 2008 87

Hoofdstuk B2 Arbeidsduur 89
Artikel B2.1 Definitie arbeidsduur 89
Artikel B2.2 Arbeidsduur 89

Hoofdstuk B3 Werktijden 90
Artikel B3.1 Werktijden algemeen 90
Artikel B3.1.1 Randvoorwaarden bij de inrichting van de werktijden 90
Artikel B3.2 Overwerk 91
Artikel B3.3 Inconveniënte uren 92
Artikel B3.4 Bereikbaarheidsdienst 92
Artikel B3.4.1 Compensatie bereikbaarheidsdienst 92
Artikel B3.5 Slaapdienst 92
Artikel B3.6 Inrichting van werktijden kraamverzorgenden 92

Bijlage C Garantieregelingen verpleeg- en verzorgingshuizen en thuiszorgorganisaties 94
Artikel 1 Garantiebepalingen verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 94
Artikel 2 Garantiebepalingen thuiszorgorganisaties ex artikel 1.1 lid 17 sub 2 94

Bijlage D Professioneel statuut voor een arts werkzaam in een thuiszorginstelling 95

Model individuele arbeidsovereenkomst van de CAO VVT 97
Adressen van de partijen bij het cao-overleg 99

 

COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST VOOR DE VERPLEEG-, VERZORGINGSHUIZEN EN
THUISZORG (CAO VVT)
(van 01-01-2008 tot 1-3-2010)

Tussen de ondergetekenden:

a. de volgende organisatie van werkgevers:
ActiZ
partij ter ene zijde, hierna ook te noemen ‘werkgeversorganisatie’ en
b. de volgende organisaties van werknemers:

1. ABVAKABO FNV
FBZ, Federatie van Beroepsorganisaties in de Zorg en daaraan gerelateerd onderwijs en onderzoek, te weten:
2. Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband
3. Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie
4. Nederlandse Vereniging voor Ergotherapie
5. Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie, sectie Gezondheidszorg
6. Nederlandse Vereniging voor Psychomotorische Therapie
7. Nederlands Instituut van Psychologen
8. Vereniging van Geestelijk Verzorgers in Zorginstellingen
9. Vereniging voor Hygiëne en Infectiepreventie in de Gezondheidszorg
10. Nederlandse Vereniging van Diëtisten
11. NU’91, Beroepsorganisatie van de Verpleging
De Unie Zorg en Welzijn, te weten:
12. VHP-Zorg, belangenorganisatie voor middelbaar en hoger personeel in de zorg- en welzijnssector
13. Agora, Landelijke Beroepsvereniging Vrijwilligerswerk
14. Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland
15. Nederlandse Beroepsvereniging voor Kraamverzorgenden
partijen ter andere zijde, hierna ook te noemen ‘werknemersorganisaties’,
is de volgende collectieve arbeidsovereenkomst, hierna te noemen: cao, aangegaan.

Studieafspraken
CAO-partijen zullen de volgende studies starten:
-Beloningsverhoudingen aan de onderkant van het loongebouw van de CAO Verpleeg-, Verzorgingshuizen en
Thuiszorg (CAO VVT): In dit onderzoek worden de gevolgen van de trend tot outsourcing van relatief
eenvoudige taken, de gewijzigde wetgeving, waaronder de beperking van de AWBZ en de invoering van de
WMO, en in breder verband, de verschuiving van zorg naar welzijn, in relatie tot de beloningen in andere,
concurrerende branches in het licht van de arbeidsmarkt- en concurrentiepositie van de branche VVT op
deelsegmenten van de dienstverlening en de uitzendarbeid betrokken.
-Resultaatgericht belonen: CAO-partijen zullen een pilot starten inzake de introductie van het resultaatgericht
belonen in relatie tot het huidige beginsel van het automatische periodiekensysteem van de CAO VVT. Doel is
ervaring op te doen en de relevante voorwaarden te bepalen op grond waarvan een dergelijk beloningsstelsel
geïntroduceerd kan worden. Als onderdeel van het onderzoek wordt bezien voor welke categorie werknemers
een resultaatgerichte beloning als eerste geïntroduceerd kan worden.
-FWG: CAO-partijen zullen onderzoek doen naar de mogelijkheid van de totstandkoming van resultaatgerichte
functiebeschrijvingen en een vereenvoudigde toepassing van FWG 3.0. Voor dit onderzoek zal een gezamenlijke
stuurgroep worden opgericht. Onderdeel van het onderzoek vormt de intentie om te komen tot een
branchespecifieke geschillencommissie.
-Onderzoek naar de flexibiliteit en zekerheid voor kraamzorgmedewerkers. Daarbij gaat het om het totaal van
wensen voor versterking van de rechtspositie van werknemers, indeling van werktijden, de balans werk-privé.
Dit onderzoek start uiterlijk 1 februari 2008. De resultaten zullen nog tijdens de looptijd van de CAO
beschikbaar zijn, om in de volgende CAO-ronde in de besprekingen te kunnen worden betrokken. Bij het
onderzoek wordt onder andere gebruik gemaakt van de uitkomsten van de Kraamzorgmonitoren.
-Een studie rond de thematiek van een evenwichtige balans voor werknemers en bedrijfsvoering bij de inrichting
van arbeidsduur en werktijden; deze studie wordt uitgevoerd door een onafhankelijke organisatie, zoals bijv. een
universiteit.
-Partijen zullen in 2008 over mogelijke strijdigheid van bepalingen van de CAO VVT met de wet WGB overleg
voeren. Doel van het overleg is strijdigheid op te heffen, mede rekening houdend met de actuele inzichten van
onder meer de Commissie gelijke behandeling.
Kwaliteit van zorg in de Thuiszorg
In de stichting FAOT zal nader gesproken worden en onderzoek worden gedaan naar het thema kwaliteit van zorg in
samenhang met de resultaten van de medewerkerraadpleging. Ondernemingsraden worden bij dit onderzoek
betrokken.

Meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden
Partijen zijn overeengekomen het gebruik van het meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden van de CAO te
bevorderen.
VVAR
Partijen bevelen de instelling van een verzorgende en verpleegkundige Adviesraad (VVAR) aan.
Voorbeeldreglement IBC
CAO-partijen stellen een voorbeeldreglement IBC beschikbaar.
Ziektekostenverzekering
In 2008 wordt onderhandeld met IZZ over een aantrekkelijk mantelcontract.
Partijen maken een resultaatgerichte protocollaire afspraak om in 2009/2010 te komen tot een regeling met
betrekking tot ziektekostenvergoeding, die overeenkomt met de koers rond IZZ, onder andere inhoudende het
vervallen van de verplichte aansluiting bij IZZ.

Facilitering en evaluatie invoering basis-cao
Ter facilitering van de invoering zullen partijen in gezamenlijkheid -en met inachtneming van de verschillende rollen
die OR en bestuurder in deze modernisering vervullen- een ondersteuningsaanbod ontwikkelen. Daarin wordt in elk
geval aandacht besteed aan inhoudelijke voorlichting en mogelijkheden van deskundigheidsbevordering. Een
onderdeel van de voorlichting zal in elk geval zijn de noodzaak van achterbanraadplegingen door de
ondernemingsraad bij totstandkoming van decentrale afspraken.
De werkgeverspartij stelt ter ondersteuning van de werknemersorganisaties voor de invoering van de basiscao een
eenmalig bedrag in 2007 beschikbaar. In aanvulling hierop, maken partijen in het arbeidsmarktfonds afspraken over
adequate financiering van verdergaande ondersteuning door partijen.
CAO partijen zullen een standaard model ondernemingsovereenkomst opstellen.
In de gezamenlijke informatievoorziening van sociale partners over de invoering van de basis-CAO, zal tevens
aandacht worden besteed aan de volgende punten:
-de mogelijkheid van indexering van eigen regelingen.
dat alvorens een regeling tussen werkgever en OR wordt vastgesteld, gewijzigd of ingetrokken, de OR hierover
een achterbanraadpleging onder het personeel dient te houden.
Partijen vinden het gewenst om de ervaringen met de basis-cao te evalueren. Daartoe laten zij een gezamenlijk
onderzoek uitvoeren door een extern bureau. Dit onderzoek is in elk geval gericht op:
-de ervaringen met het decentrale overleg
-de mate waarin van de decentralisatie gebruik wordt gemaakt
-de rollen van decentrale partijen en de balans daarin.

Arbocatalogus
In de loop van 2008 sluiten partijen een arbocatalogus af waarin in elk geval de volgende prioritaire arbeidsrisico’s
worden opgenomen:
-Fysieke belasting
-Psychosociale arbeidsbelasting
-Biologische agentia
CAO partijen besluiten naar aanleiding van het tot stand komen van de arbocatalogus of het nog noodzakelijk is om
huidige CAO-bepalingen rond dit thema te laten bestaan. Daarbij wordt het uitgangspunt betrokken dat hetgeen de
wet al bepaalt niet in CAO hoeft te worden opgenomen.

Meerjarige aanpak arbeidsmarktbeleid
De organisaties in de VVT-branche krijgen in de komende jaren te maken met een toenemende ontgroening en
vergrijzing van de interne en externe arbeidsmarkt. Tegelijkertijd met deze ontwikkeling zal de vraag naar zorg zoals
die door de organisaties wordt geboden toenemen en zullen cliënten hogere eisen gaan stellen aan de kwaliteit van de
zorg-en dienstverlening. Daarnaast zal de bekostiging op een andere leest worden geschoeid. Bekostiging op basis
van zorgzwaarte, verhoging arbeidsproductiviteit en “best practices” stelt andere eisen aan de organisaties en hun
werknemers.
Een gezamenlijke meerjarige aanpak van sociale partners van de vraagstukken en veranderingen waarvoor de branche
zich de komende jaren gesteld ziet is voor zowel werkgevers als werknemers van belang. Uitgangspunt voor deze
aanpak is hun gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de arbeidsmarktproblematiek en sociale innovatie in de
branche.
Sociale partners zijn van mening dat zij naast de onderwerpen die in de CAO worden geregeld hun gezamenlijke
verantwoordelijkheid vorm en inhoud kunnen geven via de arbeidsmarktfondsen. Dit kan door het ontwikkelen van
maatregelen gericht op behoud, instroom en doorstroom van personeel.
Daarnaast kunnen sociale partners een gezamenlijk beleid ontwikkelen gericht op sociale innovatie. Innovatie is een
belangrijk instrument om een bijdrage te leveren aan de beheersing van onder meer de arbeidsmarktproblematiek en
de veranderingen waarmee de branche te maken heeft, respectievelijk te maken gaat krijgen. Algemeen wordt erkend
dat voor innovatie een samenhangend beleid noodzakelijk is waarin nadrukkelijk een plaats wordt ingeruimd voor de
vernieuwing van de kwaliteit van de arbeid. Werknemers zijn immers enerzijds een bron voor innovatie en anderzijds
degenen die innovaties moeten toepassen. De inbreng en de medewerking van de werknemers is hierbij cruciaal. De
aspecten die direct te maken hebben met (vernieuwing van) de kwaliteit van de arbeid en sociale innovatie behoren,
zoals ook de SER stelt, tot het domein van sociale partners (te denken valt onder meer aan arbeidsomstandighedenen
gezondheidsbeleid, arbeidsparticipatie en leeftijdbeleid, opleidingen, werkinhoud en ruimte voor de professional).
De overheid kan hierbij een faciliterende rol spelen. In dit kader verwijzen sociale partners kortheidshalve naar de
extra middelen die de overheid in 2008 voor het thema sociale innovatie ter beschikking wil stellen.
Om arbeidsmarktbeleid effectief en doelmatig vorm te kunnen geven is het tot stand brengen van één (CAO-) fonds
voor de VVT een strikte noodzaak. Om de arbeidsmarktproblematiek adequaat aan te pakken stellen sociale partners
in het arbeidsmarkt– en opleidingsfonds een plan op voor het te voeren beleid.
Daarbij zullen sociale partners zich gezamenlijk inzetten op onderdelen van sociale innovatie, met name daar waar
het de kwaliteit en de vernieuwing van de arbeid betreft.

WMO
CAO partijen hebben geconstateerd dat de invoering van de WMO voor werknemers, voorheen in dienst van
thuiszorg en thans werkzaam in de huishoudelijke verzorging in het kader van de WMO, evenals voor de
arbeidsmarkt in de VVT branche, ernstige negatieve gevolgen heeft.Tegen deze achtergrond menen partijen dat alles
moet worden ondernomen om in de richting van verantwoordelijke bewindslieden er voor te zorgen dat de genoemde
gevolgen zo spoedig mogelijk teniet worden gedaan. Deze arbeid dient uitsluitend te worden verricht door caowerknemers.
Hiermee wordt aan de werking van dit segment van de arbeidsmarkt, dat voornamelijk wordt
ingenomen door vrouwen, een positieve impuls gegeven.
CAO-partijen zullen zo spoedig mogelijk actie ondernemen richting Kabinet en gezamenlijk voorstellen doen om de
zwakke rechtspositie van deze werknemers aanzienlijk te verstevigen. CAO-partijen constateren tevens dat voor deze
groep tenminste het Wettelijk Minimum (Jeugd)loon geldt.
De werkingsfeer van de CAO VVT betreft tevens de WMO. Dit betekent dat de onderhavige arbeid door deze
werknemers dient te worden uitgevoerd op basis van de, al dan niet specifiek geldende, in de CAO VVT vastgelegde
arbeidsvoorwaarden.
Om dit doel te kunnen realiseren zullen partijen acties ondernemen om deze doelstellingen te realiseren. Doel van de
acties zijn de navolgende:
-de WMO regelgeving dient door VWS, met onderkenning van de verantwoordelijkheid van lokale partijen
betreffende de organisatie en de uitvoering van de WMO activiteiten, te worden aangevuld met bepalingen met
betrekking tot de aanbesteding die bepalen dat de huishoudelijke verzorging in het kader van de WMO, alleen
kan worden uitgevoerd door cao personeel. In casu betekent dit dat de bijzondere regeling betreffende
alfahulpen voor zover betrekking hebbend op de WMO dient te worden geschrapt.
-de bepalingen dienen zodanig te luiden dat gemeenten verplicht zijn deze bepalingen bij de aanbesteding als
uitgangspunten te hanteren.
Acties met genoemde doelstellingen zullen zo spoedig mogelijk door partijen worden besproken en ingezet.
Zodra voorwaarden zijn vervuld zullen partijen zonodig gedurende de looptijd van de cao uitvoering geven aan de
realisering van de doelstelling betreffende de rechtspositie van de onderhavige categorie werknemers.

Brochure alpha-hulpen
Vooruitlopend op de realisatie van genoemde doelstellingen zullen CAO-partijen een gezamenlijke brochure
opstellen betreffende de (rechts)positie van alpha-hulpen.
CAO-partijen zetten zich intussen in om gedwongen ontslagen zo veel mogelijk te voorkomen, mede door het creëren
van (nieuwe) loopbaan perspectieven door om- en bijscholing.

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Definities
(De definities gelden met ingang van 1-1-2008, tenzij anders vermeld).
In deze CAO voor de verpleeg-, verzorgingshuizen en thuiszorg (VVT) wordt verstaan onder:
1. Aanwezigheidsdienst:
(Per 1-1-2009. Voor 2008 voor Verpleeg- en Verzorgingshuizen (V&V) opgenomen in Bijlage A, Hoofdstuk
Arbeidsduur en werktijden)
een aaneengesloten periode van ten hoogste 24 uur waarin de werknemer, zo nodig naast het verrichten van de
bedongen arbeid, verplicht is op de arbeidsplaats aanwezig te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen
arbeid te verrichten.
2. Arbeidsduur:
(Per 1-1-2009; voor 2008 zijn definities opgenomen in aparte paragrafen V&V en Thuiszorg (TZ) bij hoofdstuk
arbeidsduur en werktijden)
het tussen werkgever en werknemer overeengekomen gemiddeld aantal uren per week voor het verrichten van
werkzaamheden, waarbij inbegrepen:
-alle verlofuren waarover loon wordt betaald;
-vergoedingen in vrije tijd volgens regelingen in deze CAO;
-verzuim tijdens vastgestelde werktijden wegens ziekte/arbeidsongeschiktheid.
Voor werknemers die ambulant zijn gelden daarenboven de volgende bepalingen:
-reis- en wachttijden als gevolg van door de werkgever opgedragen werkzaamheden, afgezien van gebroken
diensten, voor zover deze reistijden meer bedragen dan de voor de werknemer gebruikelijke reistijden voor het
woon- werkverkeer;
-bij thuiszorgwerkzaamheden (extramuraal): reistijden als gevolg van gebroken diensten.
3. Bereikbaarheidsdienst:
(Per 1-1-2009. Voor 2008 zijn definities opgenomen in Bijlage A (V&V) en Bijlage B (TZ) Hoofdstuk arbeidsduur en
werktijden)
een aaneengesloten periode van ten hoogste 24 uren waarin de werknemer, zo nodig naast het verrichten van de
bedongen arbeid, verplicht is om bereikbaar te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te
verrichten.
4. Beroepsbegeleidende leerweg (BBL):
onderwijs, waarbij de leerling gedurende de beroepspraktijkvorming tevens werknemer is en waarbij de
eindverantwoordelijkheid voor de opleiding berust bij de onderwijsinstelling. Voor kwalificatieniveau 5 wordt deze
leerweg aangeduid met de term duale leerweg.
5. Consignatiedienst:
(Per 1-1-2009. Voor 2008 voor de V&V opgenomen in Bijlage A, Hoofdstuk arbeidsduur en werktijden)
een periode tussen twee opeenvolgende diensten of tijdens pauze, waarin de werknemer uitsluitend verplicht is
bereikbaar te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid
te verrichten.
6. Feest- en gedenkdagen:
Nieuwjaarsdag, Eerste en Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, Eerste en Tweede Pinksterdag, Eerste en Tweede
Kerstdag, Koninginnedag en de als zodanig door de overheid erkende nationale feest- en gedenkdagen waaronder
Koninginnedag en 5 mei. De werknemer kan ervoor kiezen om in plaats van genoemde dagen verlof op te nemen op
andere bij de godsdienst of de levensbeschouwing van de werknemer passende dagen.
7. Leerling-werknemer:
de werknemer die in het kader van de Beroepsbegeleidende leerweg een (leer/)arbeidsovereenkomst met de
werkgever heeft.
8. Periode:
een aaneengesloten tijdvak van vier weken.
9. Periodiek:
het verschil tussen twee opeenvolgende bedragen in een salarisschaal.
10. Relatiepartner:
-de geregistreerde partner van de werknemer dan wel
-degene met wie de werknemer, met het oogmerk duurzaam samen te leven, een gemeenschappelijke
huishouding voert, hetgeen blijkt uit een aan de werkgever overgelegde notariële akte.
11. Salaris:
het voor de werknemer geldende bruto maand- of periodesalaris, exclusief de in de artikelen 3.1.13, 5.3.1, 5.5, 5.7,
5.8, 5,9, 9.1, 9.2, 9.3.1, 9.3.2, 9.4, 9.4.1, 9.7, 9.9.1 genoemde vergoedingen en exclusief de in de artikelen 3.1.11 en
3.1.11A vermelde eindejaarsuitkering en levensloopbijdrage in artikel 3.1.12.
12. Stagiair:
een leerling die een MBO- of een HBO-opleiding volgt ingevolge het OCW-opleidingsstelsel (beroepsopleidende
leerweg) en in die hoedanigheid een stage volgt.
13. Vakantiekracht:
de persoon die incidenteel tijdens de schoolvakanties werkzaam is voor een periode niet langer dan maximaal zes
weken achtereen.
14. Uurloon:
CAO VVT 2008-2010
CAO Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg
-voor de berekening van vergoedingen/toeslagen als bedoeld in de artikelen 5.5.3, 5.7.3, 5.8.1, 5.8.2, 5.9.1,
5.11.3, 5.13, 5.14, overgangsbepaling bijlage A artikelen A3.2.3, A3.2.4, A3.3.3., A3.4.5 en A3.5 wordt het
uurloon berekend als 12 maal het maandsalaris gedeeld door 1878*, dan wel het periodesalaris gedeeld door
144;
-voor overige uurloongerelateerde arbeidsvoorwaarden wordt het uurloon berekend door het maandsalaris te
delen door 156, en het periodesalaris te delen door 144.
* 1878 betreft een gemiddeld aantal uren op jaarbasis gemeten over een periode van 7 jaar.
15. Verschoven diensten:
(Per 1-1-2009. Voor 2008 voor V&V opgenomen in Bijlage A, Hoofdstuk arbeidsduur en werktijden) een verplaatsing van een aantal aaneengesloten uren waarop de werknemer volgens de vastgestelde werktijden arbeid
zou moeten verrichten naar een ander moment, waarop de werknemer volgens de vastgestelde werktijden géén arbeid
zou hoeven te verrichten.
16. Weekend:
(Per 1-1-2009 voor de VVT. Voor TZ ook in 2008. Definitie voor V&V in 2008 opgenomen in Bijlage A, Hoofdstuk
Arbeidsduur en werktijden)
een periode van 48 uur vrij van dienst, vallend op zaterdag en zondag.
17. Werkgever:
de organisatie, als bedoeld in sub 1 dan wel sub 2 dan wel een combinatie van sub 1 en sub 2:
1. Verpleeg- en/of verzorgingshuis
a. De privaatrechtelijke rechtspersoon die één of meer instellingen beheert of doet beheren, die tenminste zijn
toegelaten voor de in het Besluit Zorgaanspraken AWBZ (Stb. 2002, 527) genoemde functionele
zorgaanspraak verblijf, alsmede voor een of meer van de volgende zorgaanspraken, te weten: persoonlijke
verzorging en/of verpleging en/of ondersteunende begeleiding en/of activerende begeleiding en/of
behandeling, mits deze instellingen, al dan niet in combinatie, voornamelijk werkzaam zijn ten behoeve van
cliënten met een somatische en/of psychogeriatrische aandoening of beperking en/of psychosociale
problematiek en/of de op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning gefinancierde huishoudelijke
verzorging, waaronder wordt begrepen het ondersteunen bij of overnemen van activiteiten op het gebied
van het verzorgen van het huishouden van een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon
behoort.
b. De privaatrechtelijke rechtspersoon die een instelling beheert of doet beheren die is toegelaten voor een of
meer van de functionele zorgaanspraken van het Besluit Zorgaanspraken AWBZ behoudens de aanspraak
verblijf, voor zover deze instelling vóór 1 april 2003 viel onder artikel 14 respectievelijk 16 van het
gewijzigde Besluit Zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering (Stb. 2000, 221).
c. De door de in lid 1 en 2 bedoelde rechtspersoon beheerde voorziening die voornamelijk diensten verleent
ten behoeve van deze instellingen en/of hun cliënten alsmede de door de rechtspersoon geëxploiteerde
voorziening op het gebied van verzorging en/of huisvesting van ouderen.
d. Behoudens voor zover dit op grond van het Besluit Zorgaanspraken AWBZ is beperkt of uitgesloten,
kunnen de functionele zorgaanspraken zowel ten behoeve van intramuraal verblijvende en/of zelfstandig
wonende cliënten worden verricht.
e. Onder de in dit artikel genoemde rechtspersoon wordt verstaan zowel de rechtspersoon zonder
winstoogmerk als de rechtspersoon met winstoogmerk, mits de winst volledig ten goede komt aan de
zorg(instelling). Niet onder het begrip rechtspersoon valt de overheidswerkgever in de zin van de Wet
Privatisering ABP (Stb. 1995, 639).
2. Thuiszorgorganisatie
a. de privaatrechtelijke organisatie, dan wel een al of niet juridisch zelfstandig onderdeel hiervan, al of niet
met rechtspersoonlijkheid en al dan niet met winstoogmerk, waarvan de activiteiten hoofdzakelijk een
extramuraal karakter hebben en die zich voornamelijk richt op het verlenen van door de overheid op grond
van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en/of de Zorgverzekeringswet verzekerde en gefinancierde
zorg respectievelijk de op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning gefinancierde hulp,
bestaande uit één of meer van de volgende vormen:
-huishoudelijke verzorging, waaronder wordt begrepen het ondersteunen bij of overnemen van
activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van een persoon dan wel van de
leefeenheid waartoe een persoon behoort, en/of persoonlijke verzorging en/of verpleging al dan niet in
combinatie met ondersteunende begeleiding en/of activerende begeleiding en/of prenatale zorg en/of
het uitlenen van verpleegartikelen en/of jeugdgezondheidszorg en/of dieetadvisering en/of vaccinaties;
en/of
- kraamzorg: waaronder wordt verstaan het leveren van de volgende activiteiten: partusassistentie,
verzorging en controle van kraamvrouw en pasgeborene, voorlichting en instructie, waarborgen van
hygiëne tijdens partus en kraambed, huishoudelijke verzorging en/of opvang;
b. de privaatrechtelijke organisatie(s) die beheerd wordt (worden) door (een) organisatie(s) als genoemd in lid
2 sub a en die uitsluitend dan wel nagenoeg uitsluitend activiteiten verricht(en) ten behoeve van die
organisatie(s).
18. Werknemer:
de persoon die een arbeidsovereenkomst is aangegaan met de werkgever, tenzij hij:
-de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;
-directeur is, waaronder wordt verstaan degene die als eindverantwoordelijke is belast met de
beleidsvoorbereiding en het beheer van de organisatie en daarvoor rechtstreeks verantwoording verschuldigd is
aan het bestuur of de raad van toezicht;
-werkzaam is als vakantiekracht;
-uurdocent is, waarbij onder uurdocent wordt verstaan de werknemer die incidenteel doceerwerkzaamheden
verricht;
19 . Werktijden:
uren waarop arbeid dient te worden verricht.

Artikel 1.2 Werkingssfeer, toepassing en ontheffingen
1. Deze cao is van toepassing op de arbeidsverhouding tussen de werkgever als bedoeld in artikel 1.1 lid 17 en de
werknemer als bedoeld in artikel 1.1 lid 18.
2. Partijen bij deze cao kunnen, op verzoek van de werkgever, wanneer de arbeidsverhouding tussen die werkgever
en zijn werknemers valt onder de werkingssfeer van meerdere cao’s, dan wel wanneer sprake is van toepassing
van meerdere cao’s in concernverband, besluiten de bepalingen van de CAO VVT niet van toepassing te
verklaren op de arbeidsverhouding tussen deze werkgever en al zijn werknemers dan wel een gedeelte van zijn
werknemers. Aan een besluit als in deze bepaling bedoeld, kunnen nadere voorwaarden worden verbonden.
3. De werkgever die (gedeeltelijk) niet onder de werkingssfeer van deze cao valt, kan cao-partijen verzoeken
instemming te verlenen deze cao toe te passen op de arbeidsverhouding met de werknemers die voorafgaand aan
de toetreding tot deze cao onder de werkingssfeer van een andere cao vallen. Aan een toetreding als in deze
bepaling bedoeld, kunnen nadere voorwaarden worden verbonden.
4. Partijen bij deze cao kunnen een commissie instellen, die bevoegd is om bij strijdigheid van de werkingssfeer
van deze cao met een andere bindende regeling van arbeidsvoorwaarden, in overleg met partijen bij voornoemde
regeling een oplossing vast te stellen.
5. Indien één der partijen bij deze cao van oordeel is dat toepassing van de in deze cao genoemde bepalingen,
bijlagen of onderdelen daarvan in hun onderling verband bezien binnen de instelling of categorieën van
instellingen dan wel ten aanzien van een bepaalde categorie van werknemers binnen de instelling(en) zal leiden
tot niet door partijen bedoelde effecten van de cao, kunnen partijen nadere uitvoeringsregelingen vaststellen,
welke van toepassing zijn op de instellingen dan wel categorieën van werknemers.
6. Indien bij of ingevolge wettelijke bepalingen regelen zijn of mochten worden gesteld, waarvan afwijking niet
geoorloofd is, is deze cao slechts van toepassing voor zover zij niet in strijd is met de vorenbedoelde wettelijke
bepalingen.

Artikel 1.3 Karakter cao
Tenzij daarin anders is bepaald, is het de werkgever niet toegestaan af te wijken van de bepalingen van deze cao.

 

Hoofdstuk 2 Arbeidsrelatie

Artikel 2.1 De arbeidsovereenkomst
1. De arbeidsovereenkomst met de werknemer, niet zijnde de leerling-werknemer, wordt conform de in de cao
opgenomen modelovereenkomst schriftelijk aangegaan en gewijzigd en wordt in tweevoud opgemaakt. De
werkgever draagt zorg dat de werknemer een door beide partijen ondertekend exemplaar ontvangt van deze
overeenkomst of de wijziging daarvan. De werkgever is verplicht de werknemer bij zijn indiensttreding
schriftelijk te informeren over de plaats van zijn functie binnen de instelling.
2. Voordat tot ondertekening van de arbeidsovereenkomstdoor de werknemer wordt overgegaan ontvangt hij tijdig
en uiterlijk een week voor indiensttreding een door de werkgever ondertekend exemplaar benevens een
exemplaar van de cao en van de ondernemingsovereenkomst waarin de per 1 januari 2008 gedecentraliseerde
afspraken zijn opgenomen.
3. De werkgever stelt de werknemer op de hoogte van (tussentijdse) wijzigingen in deze CAO en de met de OR
overeengekomen wijzigingen van de ondernemingsovereenkomst.

Artikel 2.2 Duur van de arbeidsovereenkomst
(Artikel 2.2 lid 1 treedt voor werknemers in dienst van een thuiszorgorganisatie ex artikel 1.1 lid 17 sub 2 in werking
per 1 januari 2008 met inachtneming van de navolgende overgangsmaatregel. Ingevolge artikel 7: 668a lid 5 BW
wordt het aantal vóór 1 januari 2008 opgevolgde arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd niet meegeteld voor het
aantal tijdelijke arbeidsovereenkomsten als bedoeld in artikel 7:668a lid 1 sub b BW. De duur van elkaar opgevolgde
tijdelijke arbeidsovereenkomsten in de periode tot 1 januari 2008 wordt wel meegeteld voor de maximale duur van 36
maanden als bedoeld in artikel 7: 668a BW).
1. De arbeidsovereenkomst kan worden aangegaan en opgevolgd voor bepaalde tijd conform het bepaalde in artikel
7: 668a BW dan wel worden aangegaan voor onbepaalde tijd.
2. Voor het aangaan en opvolgen van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een kraamverzorgende
geldt, in afwijking van lid 1, het gestelde in de leden 3 t/m 10.
3. Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd mag niet langer dan voor maximaal één jaar worden aangegaan,
tenzij sprake is van:
a. tijdelijke vervanging wegens het volgen van een opleiding, door ziekte, militaire dienst of tewerkstelling als
gewetensbezwaarde militaire dienst dan wel wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof of adoptieverlof
van een andere werknemer;
b. werkzaamheden met een kennelijk tijdelijk karakter.
4. a. Wanneer de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt aangegaan in de in lid 3 van dit
artikel onder a genoemde gevallen, bedraagt de maximale duur – inclusief eventuele verlengingen –
2,5 jaar.
b. Wanneer de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt aangegaan in de in lid 3 van dit artikel onder b
genoemde gevallen, is de duur gelijk aan de duur van de overeengekomen werkzaamheden.
5. In afwijking van het bepaalde in lid 3 van dit artikel mag een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een
leerling-kraamverzorgende na het verstrijken van de termijn van één jaar worden verlengd met maximaal 12
maanden, indien de opleiding binnen de termijn van één jaar niet met goed gevolg is afgerond.
6. Indien een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd samenloopt met een leerovereenkomst bedraagt de duur, in
afwijking van het bepaalde in lid 3, maximaal de duur van de leerovereenkomst.
7. Indien een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt belast met de uitvoering van
een project, waarvan de financiering van tijdelijke aard is, kan ter vervanging van deze werknemer met een
andere werknemer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd worden aangegaan voor de duur van dit project,
zulks in afwijking van het bepaalde in lid 3.
8. Indien een arbeidsovereenkomst, die voor bepaalde tijd is aangegaan door werkgever en werknemer na het
verstrijken van deze bepaalde tijd stilzwijgend wordt voortgezet, wordt zij geacht vanaf dat tijdstip voor
onbepaalde tijd te zijn aangegaan.
9. Indien een arbeidsovereenkomst, die voor bepaalde tijd is aangegaan na het verstrijken van deze bepaalde tijd
door partijen voor bepaalde tijd wordt voortgezet, dienen ten aanzien van deze voortzetting(en) de
maximumtermijnen als bedoeld in dit artikel onverkort in acht te worden genomen en wel met dien verstande dat
voortzetting van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd slechts mogelijk is indien en voor zover de
gezamenlijke duur van het tijdvak waarover de arbeidsovereenkomst aanvankelijk is aangegaan en de
termijn(en) waarmee zij is voortgezet geen overschrijding inhoudt van de van toepassing zijnde
maximumtermijn.
10. Wanneer meer dan drie voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met
tussenpozen van niet meer dan 31 dagen, waarbij door samentelling van die opeenvolgende
arbeidsovereenkomsten de van toepassing zijnde maximumtermijn niet wordt overschreden, dan worden de
vierde en de daarop volgende arbeidsovereenkomst(en) eveneens geacht te zijn aangegaan voor bepaalde tijd.

Artikel 2.3 Opzegging
1. Ingeval van opzegging of, indien in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd een bepaling over tussentijdse
opzegging is opgenomen, zijn de wettelijke bepalingen omtrent opzegtermijnen van toepassing, tenzij in deze
cao uitdrukkelijk anders wordt bepaald. Opzegging dient schriftelijk te gebeuren.
2. Op grond van artikel 7: 672 lid 8 BW is bij verlenging van de opzegtermijn voor de werknemer, de opzegtermijn
voor de werknemer en de werkgever gelijk indien de opzegtermijn niet langer is dan 3 maanden. Bij een langere
opzegtermijn dan 3 maanden geldt voor de werkgever een dubbele opzegtermijn dan die voor de werknemer.
3. De datum van ingang van het ontslag als in dit artikel bedoeld is de eerste van de kalendermaand.
4. Opzegging door de werkgever op grond van arbeidsongeschiktheid kan slechts geschieden nadat de
ziekte/arbeidsongeschiktheid twee jaren heeft geduurd.
Artikel 2.4 Einde van de arbeidsovereenkomst
(Lid 1 treedt voor werknemers in dienst van een verpleeg- en/of verzorgingshuis ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 in werking
per 1 april 2008)
Naast hetgeen in Boek 7 BW inzake het einde van de arbeidsovereenkomst is aangegeven eindigt de
arbeidsovereenkomst:
1. wanneer de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, met ingang van de eerste dag van de
kalendermaand waarin de werknemer de leeftijd van 65 jaar bereikt.
2. zonder opzegging, op de datum waarop de werknemer van het recht op de volledige overbruggingsuitkering
(OBU) ingevolge het pensioenreglement van PGGM gebruik maakt. Het gestelde in de vorige zin geldt niet,
indien de werkgever en de werknemer voorafgaand aan de datum van gebruikmaking van de volledige
overbruggingsuitkering, schriftelijk anders overeenkomen.

 

Hoofdstuk 3 Beloning
De bepalingen van Hoofdstuk 3 gelden per 1 juli 2009, tenzij per bepaling een andere inwerkingtredingsdatum is
aangegeven. Tot 1 juli 2009 respectievelijk tot de aangegeven datum dienen de bepalingen in Bijlage A
overgangsbepalingen verpleeg- en verzorgingshuizen, Hoofdstuk A1, respectievelijk Bijlage B overgangsbepalingen
Thuiszorg, Hoofdstuk B,1 te worden toegepast.

Artikel 3.1.1 Algemeen
1. Het salaris van de werknemer, voor zover niet vallend onder artikel 3.1.2 lid 1 sub d, bestaat uit een geldelijke
beloning als vermeld in de salarisschalen opgenomen in de tabellen 1, 3 en 5 van dit hoofdstuk. De in de
salarisschalen opgenomen bedragen gelden bij een voltijd arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week.
2. Het salaris van werknemers met een arbeidsduur van gemiddeld maximaal 40 uur per week als bedoeld in
artikel 4.1 lid 4, wordt vastgesteld door de in de tabellen 1, 3 en 5 genoemde bedragen naar rato te verhogen.
Het salaris van werknemers die een opleiding volgen, wordt met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.2.1
tot en met 3.2.9 vastgesteld.

Artikel 3.1.2 Functiewaarderingssysteem
1. a. De functie van de werknemer is met inachtneming van het onderstaande door de werkgever ingedeeld in
één van de functiegroepen 5, 10, 15, 20, 25, 30, 35, 40, 45, 50, 55, 60, 65, 70, 75 en 80.
b. De indeling als voornoemd volgt uit de toepassing van het actuele computerondersteunde systeem FWG.
c. Het computerondersteunde systeem FWG wordt voor toepassing van dit artikel tevens aangemerkt als
behorend tot dit artikel. De werknemer wordt niet in het bezit gesteld van het systeem, maar heeft de
mogelijkheid inzage te krijgen in het functiewaarderingssysteem.
d. Het in sub a. bepaalde vindt geen toepassing:
-voor de leerling-werknemer die een opleiding volgt als bedoeld in de artikelen 3.2.1 t/m 3.2.9,
behoudens het gestelde in artikel 3.2.8;
-voor de werknemer die is aangesteld in het kader van artikel 3.1.6 (Wet werk en bijstand);
-3.1.2 lid d: indien en zolang ingevolge artikel 59a van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor
jonggehandicapten (Wajong), Stb. 1997, 391) of ingevolge artikel 7 van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet REA, Stb. 1998,290) ontheffing is verkregen.
2. De wijze van (her)indelen van de functie van een werknemer en de daarbij te volgen procedure zijn vastgelegd in
het Hoofdstuk functiewaardering (FWG) van de cao. Lid 1 sub a t/m c is hierbij van overeenkomstige
toepassing.

Artikel 3.1.3 Combinatiefunctie
(Geldt per 1 januari 2008 voor thuiszorgorganisatie ex artikel 1.1 lid 17 sub 2. Is conform de vóór 1 januari 2008
geldende bepaling van de CAO V&V)
De combinatiefunctie wordt volgens onderstaande procedure bepaald:
a. bepaling deelfunctie;
b. indeling deelfunctie;
c. inschaling;
d. bepaling tijdbeslag deelfunctie;
e. naar rato vaststellen van het salaris.

Artikel 3.1.4 Toepassing salarisschalen
1. De werkgever bepaalt op grond van de functie-indeling ingevolge artikel 3.1.2 dan wel artikel 3.1.3, welke
salarisschaal voor de werknemer van toepassing is. Het nummer van de salarisschaal correspondeert met het
nummer van de functiegroep, waarin de functie van de werknemer is ingedeeld.
2. Voor de werknemer die de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt, gelden de bij zijn salarisschaal behorende
jeugdsalarissen en het hierin bij zijn leeftijd vermelde salaris.
Voor werknemers werkzaam bij een verpleeg- en verzorgingshuis ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 geldt:
3. De werknemer wordt op het bij diens leeftijd behorende bedragdan wel op het bij 0 functiejaren vermelde
bedrag uit die schaal, dan wel, indien zijn al dan niet elders verkregen ervaring daartoe aanleiding geeft, op een
hoger bedrag uit die schaal ingeschaald.
Voor werknemers werkzaam bij een thuiszorgorganisatie ex artikel 1.1 lid 17 sub 2 geldt:
4. Indien een werknemer, direct voorafgaand aan zijn indiensttreding reeds in een andere onder de werkingssfeer
van deze CAO vallende instelling in een zelfde, volgens dezelfde salarisschaal gehonoreerde functie werkzaam
is geweest, wordt ten minste de in deze functie verworven salarisanciënniteit in de nieuwe functie gehandhaafd.

Artikel 3.1.5 Salarisgarantieregeling
1. De werknemer die vóór 1 juli 2009 in dienst is van een verpleeg- en verzorgingshuis ex artikel 1.1 lid 17 sub 1
en die als gevolg van de invoering van de per 1 juli 2009 geharmoniseerde salarisschalen als bedoeld in tabel 5
van dit hoofdstuk een teruggang van salaris of salarisuitloop zou ondervinden, behoudt een integrale garantie op
het salaris en de salarisuitloop, zoals dat gold tot 1 juli 2009 volgens tabel 1.
2. De in lid 1 bedoelde salarisbedragen worden aangepast aan de algemene salarisaanpassingen van deze cao.

Artikel 3.1.6 Werknemers aangesteld in het kader van de Wet werk en inkomen
1. Voor de werknemer wiens aanstelling (mede) gesubsidieerd wordt in het kader van de Wet werk en bijstand
(Stb. 2003,375), gelden de navolgende bepalingen.
2. De werknemer wordt met inachtneming van artikel 3.1.2 lid 1 sub d ingedeeld in functiegroep 05. De werkgever
kan met de werknemer overeenkomen dat van het voorgaande in positieve zin kan worden afgeweken.
3. De werkgever draagt zorg voor adequate begeleiding en zal zich inspannen om de werknemer, bij gebleken
geschiktheid alsmede bij aanwezigheid van een geschikte vacante functie binnen de instelling, door te laten
stromen naar een reguliere arbeidsplaats.
4. Voor werknemers die vóór 1 januari 2008 in dienst waren en vielen onder artikel 3.4 van de CAO-Verpleeg-, en
Verzorgingshuizen 2006-2007, geldt een integrale salarisgarantie inclusief uitloop van dat artikel. De salarissen
worden aangepast aan de algemene loonaanpassingen van de CAO.

Artikel 3.1.7 Periodieke verhogingen
(Treedt in werking per 1augustus 2008)
1. Tenzij hierover in de arbeidsovereenkomst anders is bepaald, wordt éénmaal per jaar een salarisverhoging
binnen de schaal toegekend.
De periodieke verhoging wordt voor de eerste maal toegekend
a. één jaar na indiensttreding;
b. bij bevordering tot een functie welke is ingedeeld in een hogere functiegroep;
c. bij het bereiken van de genoemde leeftijd bij de betreffende leeftijdschaal
2. Indien de toepassing van een systeem van personeelsbeoordeling naar het oordeel van de werkgever daartoe
aanleiding geeft, kan de werkgever besluiten in enig jaar géén dan wel op meerdere momenten in dat jaar een
salarisverhoging binnen de schaal toe te kennen.
3. Indien de werkgever toepassing geeft aan een systeem van personeelsbeoordeling zoals bedoeld in lid 2 worden
de in de vorige volzin bedoelde salarisbedragen op basis hiervan toegekend.

Artikel 3.1.8 Uitbetaling salaris
1. De werknemer dient uiterlijk twee dagen, zon- en feestdagen niet meegerekend, voor het einde van de
kalendermaand over zijn salaris over die maand te kunnen beschikken.
2. De vergoedingen als bedoeld in artikel 3.1.13, 5.3.1, 5.5.3, 5.9.1, 9.1, 9.2, 9.3.1, 9.4.1, 9.4.2, 9.6, 9.7 en 9.9.1
worden uiterlijk aan het einde van de kalendermaand, volgende op die waarin de aanspraken zijn ontstaan, aan
de werknemer uitbetaald.
3. Van wijzigingen in het salaris en in de salarisberekening, ontvangt de werknemer telkens schriftelijk, door
middel van een specificatie, mededeling.

Artikel 3.1.9 Bevordering
1. Bij bevordering tot een functie welke is ingedeeld in een hogere functiegroep, wordt het salaris ontleend aan de
salarisschaal van de nieuwe functie, met dien verstande dat het tot dan toe genoten salaris met 2 periodieken
wordt verhoogd en het nieuwe salaris tenminste gelijk moet zijn aan het minimum van de schaal van de functie,
waarnaar de werknemer werd bevorderd, doch nimmer meer mag bedragen dan het maximum van de bij deze
hogere functie behorende schaal.
2. Van het in de leden 1 en 2 bepaalde kan door de werkgever worden afgeweken. Wanneer de werkgever,
overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van de WOR, zijn voorgenomen besluit tot afwijking als in de vorige
volzin bedoeld aan de OR voorlegt, kan hiertegen niet als bezwaar worden ingebracht dat de cao een dergelijke
regeling uitsluit. Het in de vorige volzin bedoelde besluit van de werkgever heeft dezelfde rechtskracht als de
bepalingen van deze cao.

Artikel 3.1.10 Bijzondere beloningen
(Geldt per 1 januari 2008)
De werkgever kan eenmalige of tijdelijke extra beloningselementen toekennen.
Toepassing hiervan kan ertoe leiden dat het maximum van de van toepassing zijnde salarisschaal wordt overschreden.

Artikel 3.1.11 Structurele eindejaarsuitkering
De leden 1 t/m 3 van dit artikel treden in werking voor thuiszorgorganisaties ex artikel 1.1 lid 17 sub 2 per 1 juli
2009. Tot 1 juli 2009 geldt voor de verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 het gestelde in Bijlage
A, Hoofdstuk Beloning en voor thuiszorgorganisaties het gestelde in Bijlage B, artikel 1.3 Hoofdstuk Beloning)
1. De werknemer ontvangt in december een eindejaarsuitkering van 4% van het door hem in een kalenderjaar
verdiende salaris inclusief de vakantiebijslag en eventueel meerwerk maar exclusief alle overige toeslagen
vergoedingen als bedoeld in de cao.
2. Lid 1 geldt met inachtneming van het recht van de werknemer die op 1 januari 2008 in dienst was van een
thuiszorgorganisatie ex artikel 1.1 lid 17 sub 2 en er voor gekozen heeft, 1,5%-punt van de eindejaarsuitkering
als bedoeld in lid 1 te behouden in de vorm van 25 uren (vakantie)verlof als bedoeld in artikel 6.1 van de cao.
3. De werknemer, die een gedeelte van het jaar in dienst is (geweest), ontvangt de eindejaarsuitkering naar rato van
het aantal maanden dat hij in dienst is (geweest).
(Lid 4 treedt voor werknemers in de thuiszorgorganisaties ex artikel 1.1 lid 17 sub 2 in werking per 1 januari
2010)
4. De eindejaarsuitkering wordt voor werknemers van 22 jaar of ouder tenminste berekend over
inpassingstabelnummer 12 van tabel 6 van dit hoofdstuk, verhoogd met 8% vakantiebijslag

Artikel 3.1.11A Eenmalige uitkering verpleeg- en verzorgingshuizen 2009
1. Werknemers in dienst van een verpleeg- en/of verzorgingshuis ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 krijgen in 2009 een
eenmalige uitkering van 0,5% van het jaarsalaris 2009, inclusief vakantiebijslagen eventueel meerwerk, maar
exclusief alle overige toeslagen of vergoedingen, uit te betalen in december 2009 conform opbouwsystematiek
van de structurele eindejaarsuitkering.
2. De werknemer, die een gedeelte van het jaar in dienst is (geweest), ontvangt de eenmalige uitkering naar rato
van het aantal maanden dat hij in dienst is (geweest).
3. De eenmalige uitkering wordt voor werknemers van 22 jaar of ouder tenminste berekend over
inpassingstabelnummer 12 van tabel 6 van dit hoofdstuk, verhoogd met 8% vakantiebijslag.

Artikel 3.1.12 Levensloopbijdrage verpleeg- en verzorgingshuizen
1. De werknemer in dienst van een verpleeg- of verzorgingshuis ex artikel 1.1 lid 17 sub 1, die deel neemt aan de
levensloopregeling zoals bedoeld in de “Wet aanpassing fiscale behandeling Vut/prepensioen en introductie
levensloopregeling (Stb.2005, 115) heeft recht op een bijdrage van 0,5% van het voor hem geldende salaris.
2. De werknemer die niet deelneemt aan de levensloopregeling als bedoeld in lid 1, heeft recht op een toeslag van
0,5% van het voor hem geldende salaris.

Artikel 3.1.13 Vakantiebijslag
(Deze bepaling geldt per 1 juni 2008. Tot 1 juni 2008 geldt voor de verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid
17 sub 1 het bepaalde in Bijlage A, artikel 1.6 Hoofdstuk Beloning en voor thuiszorgorganisaties ex artikel 1.1 lid 17
sub 2 het gestelde in Bijlage B, artikel 1.4 Hoofdstuk Beloning)
1. De werknemer heeft recht op een vakantiebijslag voor iedere maand of deel van een maand waarin hij salaris
heeft genoten.
2. De vakantiebijslag bedraagt 8% van het per maand uitgekeerde salaris.
3. De vakantiebijslag wordt éénmaal per jaar in de maand mei dan wel periode 5 uitgekeerd over een periode van
12 maanden dan wel 13 periodes, aanvangende met de maand juni dan wel periode 6 van het voorafgaande
kalenderjaar. De vakantiebijslag wordt eerder uitgekeerd bij einde dienstverband.
4. In afwijking van lid 3 kan de vakantiebijslag ten hoogste 2 maal per jaar worden uitgekeerd doch in elk geval
uiterlijk in mei dan wel periode 6 van het desbetreffende jaar.
(Lid 5 geldt voor werknemers in dienst van een verpleeg- of verzorgingshuis ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 en per 1 juni
2010 tevens voor werknemers in dienst van een thuiszorgorganisatie ex artikel 1.1 lid 17 sub 2)
5. Voor werknemers van 22 jaar of ouder bedraagt in enig jaar de vakantiebijslag bij een vol jaar dienstverband
minimaal € 1673,81 per jaar* (€ 1724,02 per jaar**). Het minimumbedrag wordt in de maand mei van het
uitkeringsjaar verhoogd met:
a de eventuele algemene loonaanpassingen die in het kader van deze cao hebben plaatsgevonden;
b het effect van de eventuele verhoging in het afgelopen jaar van het vakantiebijslagpercentage;
* per 1 mei 2008
** per 1 mei 2009
(Lid 6 geldt tot 1 juni 2010 voor werknemers in dienst van een thuiszorgorganisatie ex artikel 1.1 lid 17 sub 2)
6. De vakantiebijslag bedraagt voor de werknemer van 21 jaar of ouder met een volledig dienstverband minimaal
€ 114,97 per maand. Dit bedrag wordt naar evenredigheid verminderd indien de werknemer slechts een deel van
de periode waarover vakantiebijslag wordt berekend in dienst is geweest dan wel in die periode of een deel
daarvan in deeltijd heeft gewerkt. Het in dit lid bedoelde minimumbedrag wordt niet toegepast op de werknemer
die bij de instelling werkzaam is op basis van gesubsidieerde arbeid.

Artikel 3.1.14 Pensioen
Tekst per 1 januari 2008. Is samenvoeging van bestaande bepalingen uit de CAO T en de CAO V&V
1. De rechten en de verplichtingen van de werkgever en de werknemer, betrekking hebbend op de voor de
werknemer geldende pensioenregeling, daaronder begrepen de regeling inzake de vaststelling van de hoogte van
de jaarlijkse premie, worden geregeld in de bepalingen van het pensioenreglement van het Pensioenfonds Zorg
en Welzijn, c.q. in een in het kader van dit pensioenfonds goedgekeurde regeling.
2. De werkgever verhaalt een deel van de aan het Pensioenfonds Zorg en Welzijn af te dragen premie op de
werknemers door toepassing van een jaarlijks door partijen bij deze cao vast te stellen berekeningsformule. Deze
formule wordt zodanig vastgesteld, dat, gebaseerd op een jaarlijkse opgave van het Pensioenfonds Zorg en
Welzijn van de totale premielasten verbonden aan de deelnemers in het Pensioenfonds Zorg en Welzijn van de
branche verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1, 50% van deze aan het Pensioenfonds Zorg en
Welzijn af te dragen premies op de werknemers wordt verhaald.

Artikel 3.1.15 Gratificatie

Voor werknemers in dienst van een thuiszorgorganisatie ex artikel 1.1 lid 17 sub 2 geldt:
1. De werknemer die al of niet met onderbreking in dienst is geweest van een of meer werkgevers, die onder de
werkingssfeer van deze CAO vallen, heeft recht op een jubileumgratificatie bij het volbrengen van een diensttijd
van 25, 40 of 50 jaar, volgens de normen van het tweede lid van dit artikel. Onder diensttijd wordt voor de
toepassing van dit artikel tevens begrepen de diensttijd in de sector gezinsverzorging bij een werkgever die
onder de werkingssfeer van de CAO Welzijn viel, toen de gezinsverzorging nog bij die CAO was ondergebracht.
2. De in het eerste lid bedoelde jubileumgratificatie bedraagt bij:
– 25 dienstjaren een bruto half maandsalaris;
– 40 dienstjaren een bruto heel maandsalaris;
– 50 dienstjaren een bruto heel maandsalaris.
3. Onder maandsalaris wordt begrepen:
a. het bruto maandsalaris, vermeerderd met
b. vakantiebijslag over een maand, een en ander afgerond op (een veelvoud van) € 2,50.
Voor werknemers in dienst van een verpleeg en/ of verzorgingshuis ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 geldt:
1. De werknemer, die onafgebroken in dienst van de werkgever is geweest, heeft recht op een éénmalige
gratificatie ten bedrage van een kwart van het maandsalaris bij 12,5 jaar, de helft van het maandsalaris bij 25
jaar, en een vol maandsalaris bij 40 jaar dienst. Indien de contractuele arbeidsduur in de relevante dienstjaren
wijziging(en) heeft ondergaan, wordt het maandsalaris naar evenredigheid van die contractuele arbeidsduur
verhoogd of verlaagd.
Bij toekenning van hetzij ouderdomspensioen hetzij volledige overbruggingsuitkering, heeft de werknemer recht
op een gratificatie ten bedrage van de helft van het maandsalaris.
Ingeval de werknemer gebruik maakt van ruil-OBU wordt de gratificatie toegekend op het moment dat de
werknemer met volledige OBU gaat; de berekening dient echter gebaseerd te worden op het voltijd salaris.
2. Het gestelde in lid 1 geldt voor de werknemer die voor 1 januari 2001 viel onder § IIB CAO 1999-2000 met
inachtneming van het gestelde in Bijlage B van de CAO V&V 2006.

Artikel 3.1.16 Spaarloonregeling
Tekst per 1 januari 2008. Is conform de bepalingen uit de CAO T en de CAO V&V zoals die golden tot 1 januari
De werkgever stelt de werknemer in de gelegenheid deel te nemen aan een spaarloonregeling, zoals bedoeld in de
Wet van 1 november 1993 betreffende winstdelings- en spaarregelingen voor werknemers (Stb. 573).

Artikel 3.1.17 Loondoorbetaling inval-/oproepkrachten en min/max-contracten kraamzorg
Deze bepaling geldt per 1 januari 2008 specifiek voor de kraamzorg. De tekst is conform artikel 23 lid 4 van de CAO
T zoals die gold tot 1 januari 2008.
1. De inval-/oproepkracht werkzaam bij een kraamzorginstelling waarmee een nul-urencontract is
overeengekomen, heeft, na verloop van de eerste zes maanden van een dergelijk contract, geen recht op
loondoorbetaling tijdens de perioden waarin hij door de werkgever niet is opgeroepen om werkzaamheden te
verrichten, zulks conform het bepaalde in artikel 7:628, lid 7, van het Burgerlijk Wetboek.
2. Recht op loondoorbetaling bestaat evenmin in het geval de werknemer in de kraamzorg werkzaam is op basis
van een min-maxcontract, waarbij het eventueel bovenminimale aantal te werken uren naar analogie van een
nul-urencontract wordt toegepast en de werknemer niet is opgeroepen om tijdens de bovenminimale uren
werkzaamheden te verrichten.
3. Indien zich voorafgaand aan of tijdens een periode waarvoor de werknemer al is opgeroepen een buiten de
werknemer gelegen onvoorziene omstandigheid voordoet, waardoor de werknemer geen werkzaamheden kan
verrichten, is de hiervoor bedoelde uitsluiting van loondoorbetaling niet van toepassing. Deze bepaling laat
onverlet hetgeen ter zake voor de eerste zes maanden van de arbeidsovereenkomst al dan niet is bepaald in de
individuele arbeidsovereenkomst, zulks conform het bepaalde in artikel 7:628, lid 5, van het Burgerlijk
Wetboek.

Artikel 3.2.1 Beroepsopleidingen
a. Salaris leerling-verpleegkundige (kwalificatieniveau 4 en de duale opleiding van kwalificatieniveau 5), leerlingverzorgende
en leerling-verzorgende-IG (kwalificatieniveau 3/3-IG) per 1/3/2009*
Per maand Per periode Per uur
1e praktijkleerjaar 1123,91 1033,92 7,18
2e praktijkleerjaar 1325,89 1219,68 8,47
3e praktijkleerjaar 1712,27 1575,36 10,94
4e praktijkleerjaar 1712,27 1575,36 10,94
Voor leerling-verpleegkundigen (kwalificatieniveau 5) kan afgeweken worden van het voorgaande indien het tweede
jaar, in het verlengde van het eerste jaar, een overwegend theoretisch karakter draagt en waarin stages zijn
opgenomen. Voor een periode van 12 maanden kan in dit jaar een leerovereenkomst met de leerling worden
aangegaan. In het derde jaar, wanneer met de leerling een leer/arbeidsovereenkomst is aangegaan, begint de leerling
met een salaris behorende bij het tweede praktijkleerjaar.
b. Salaris leerling-helpende (kwalificatieniveau 2) per 1/3/2009*
Per maand Per periode Per uur
1e praktijkleerjaar 990,01 911,52 6,33
2e praktijkleerjaar 1132,13 1041,12 7,23
c. Salaris leerling zorghulp (kwalificatieniveau 1)
De leerling-werknemer ontvangt tijdens de opleiding tot zorghulp een salaris conform het Wettelijk
minimum(jeugd)loon*.
* Voor zover het minimumloon niet hoger ligt. Deze salarissen zijn voltijd salarissen, gebaseerd op 36 uur, te
meten per praktijkleerjaar. Het voltijd salaris is inclusief maximaal (4 x 52) 208 uren lestijd voor binnenschools
leren, te meten per praktijkleerjaar. Voor werknemers met een deeltijd arbeidsduur gelden de bedragen naar rato.

Artikel 3.2.2 Sal arisgarantie leerling-werknemer
1. Indien een werknemer, die reeds in dienst is anders dan als aspirant leerling, de opleiding verzorgende
respectievelijk verzorgende-IG gaat volgen, dan behoudt deze leerling-werknemer het salaris behorende bij de
salarisschaal van de laatstelijk uitgeoefende functie, tenzij het salaris bij de voor de opleiding geldende schaal
hoger is.
2. De werkgever kan de salarisgarantie als bedoeld in lid 1 uitbreiden met een of meer van de overige
basisopleidingen als bedoeld in artikel 3.2.1.
3. De werkgever kan ten positieve afwijken van het leerling-salaris van een van de basisopleidingen als bedoeld in
artikel 3.2.1, indien de leerling-werknemer, voorafgaand aan de indiensttreding, elders op grond van betaalde
arbeid een hoger salaris verdiende dan het betreffende leerling-salaris.
4. De leerling-verpleegkundige, die in het bezit is van een diploma ziekenverzorging of diploma verpleegkundige
wordt, onverminderd de bevoegdheid als bedoeld in lid 2, gedurende de periode van de nieuwe
leer/arbeidsovereenkomst gesalarieerd:
-bij het bezit van het diploma ziekenverzorging: volgens de jeugdschaal dan wel volgens een van de
inpassingstabelnummers, behorende bij de salarisschalen van functiegroep 30;
- bij het bezit van het diploma verpleegkundige: volgens de jeugdschaal dan wel volgens een van de
inpassingstabelnummers, behorende bij de salarisschalen van functiegroep 35.
De leerling-verpleegkundige die in het bezit is van een diploma MDGO en tenminste over één jaar functionele
werkervaring beschikt, wordt gedurende de periode van de nieuwe leer/arbeidsovereenkomst gesalarieerd
volgens de jeugdschaal dan wel volgens een van de inpassingstabelnummers behorende bij de salarisschalen van
functiegroep 30.

Artikel 3.2.3 Aspirant leerlingen
Voor de werknemer die in dienst treedt voorafgaand aan de opleiding als bedoeld in artikel 3.2.1 sub a respectievelijk
sub b, geldt het salaris behorende bij het 1e praktijkleerjaar zoals bedoeld in artikel 3.2.1 sub a respectievelijk sub b.
Voor de werknemer die in dienst treedt voorafgaand aan de opleiding als bedoeld in artikel 3.2.1 sub c, geldt het
salaris overeenkomstig het Wettelijk minimum(jeugd)loon.

Artikel 3.2.4 Faciliteitenregeling leerlingen
(Per 1 januari 2008)
1. Voor de leerling verpleegkundige (kwalificatieniveau 4) en de leerling verzorgende-IG geldt als uit gangspunt
dat er sprake is van een voorbereidende periode van 9 maanden respectievelijk 7 maanden. Voor de leerlingverzorgende
kan sprake zijn van een voorbereidende periode.
Gedurende deze voorbereidende periode wordt een zakgeld van € 347,- bruto per maand toegekend. Bij
toepassing van periodebedragen bedraagt het zakgeld € 319,- per periode. Indien in het tweede jaar van de duale
opleiding tot verpleegkundige (kwalificatieniveau 5) met de leerling een leerovereenkomst wordt aangegaan,
wordt eveneens een zakgeld van € 347,- bruto per maand resp. 319,- per periode toegekend. Geen zakgeld wordt
toegekend indien en voor zolang de leerling een uitkering ontvangt, die gelijk is aan of hoger is dan € 347,- per
maand resp. 319,- per periode.
2. Leerlingen in de verzorgende, verpleegkundige en sociaal agogisch werk opleidingen (MBO/HBO), die in het
kader van de beroepsopleidende leerweg (BOL) een stage volgen, ontvangen een stagevergoeding van € 275,bruto
per maand. De vergoeding wordt toegekend indien er per beroepspraktijkvormingsjaar tenminste 144 uren
stage wordt gelopen bij de werkgever. De stagevergoeding wordt toegekend op basis van een voltijdstage van
gemiddeld 4 dagen per week. In geval er minder stage wordt gevolgd, wordt de vergoeding naar rato van het
aantal dagen toegekend.
3. De stagevergoeding als bedoeld in lid 2 wordt jaarlijks geïndexeerd met de Consumenten Prijs Index (CPI).

Artikel 3.2.5 Opleiding tot verpleeghuisarts
(Geldt voor werknemers in opleiding tot verpleeghuisarts die vóór 1 september 2007 in dienst zijn getreden)
1. Voor de werknemer die de opleiding tot verpleeghuisarts volgt, geldt tenminste het bij nul dienstjaren vermelde
bedrag van de laagste voorkomende functiegroep voor de artsenfunctie.
2. Voor de salarisvaststelling worden de uren in aanmerking genomen waarop daadwerkelijk arbeid wordt verricht.
3. In overleg tussen werkgever en werknemer kan in afwijking van lid 2 worden overeengekomen dat de lesuren
geheel dan wel gedeeltelijk als werktijd worden aangemerkt.

Artikel 3.2.6 Opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog
1. Voor de werknemer die de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog volgt, geldt tenminste het bij nul
dienstjaren vermelde bedrag van de laagste voorkomende functiegroep voor de psychologenfunctie.
2. Voor de salarisvaststelling worden de uren in aanmerking genomen waarop daadwerkelijk arbeid wordt verricht.
3. In overleg tussen werkgever en werknemer kan in afwijking van lid 2 worden overeengekomen dat de lesuren
geheel dan wel gedeeltelijk als werktijd worden aangemerkt.

Artikel 3.2.7 Overige BBL opleidingen in het kader van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB)
1. Bij indiensttreding geldt voor de werknemer die in opleiding is in het kader van een van de overige BBL
opleidingen van de WEB, niet zijnde de opleiding als bedoeld in artikel 3.2.1, de jeugdbedragen (bij leeftijd van
21 jaar of ouder: de salarisschaal van de functiegroep) behorende bij een door de werkgever vastgestelde schaal
die ligt onder de salarisschaal van de laagst voorkomende schaal voor de functie waarvoor wordt opgeleid.
2. Het onder 1 bedoelde salaris wordt aangepast aan de omvang van het dienstverband. Deze omvang wordt
bepaald door het aantal uren arbeid dat gegeven de organisatie van het onderwijs kan worden verricht.

Artikel 3.2.8 Overige opleidingen
Indien een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan met het oog op een opleiding, anders dan genoemd in artikel 3.2.1,
3.2.5, 3.2.6 of 3.2.7 in het kader waarvan het een vereiste is praktisch werkzaam te zijn en waarvoor de
eindverantwoordelijkheid niet bij de werkgever berust, geldt het volgende:
1. voor de vaststelling van het salaris zijn van toepassing de artikelen 3.1.2 en 3.1.4;
2. voor de salarisvaststelling worden de uren in aanmerking genomen waarop daadwerkelijk arbeid wordt verricht.
Bij hoge uitzondering kan in overleg tussen werkgever en werknemer worden overeengekomen dat de lesuren
geheel dan wel gedeeltelijk als werktijd worden aangemerkt.

Artikel 3.2.9 Leerlingsalarissen verkorte opleiding tot kraamverzorgende
1. Voor leerling-werknemers die een verkorte opleiding tot kraamverzorgende volgen, gelden de navolgende
salarisbedragen waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen:
a. de verkorte opleiding voor anders opgeleiden: zij die al een andere zorgopleiding hebben genoten;
b. de verkorte opleiding voor niet-opgeleiden: zij die nog geen relevante opleiding voor de zorg hebben
genoten.
2. De salarisbedragen zijn vermeld op basis van een arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week. Bij een geringere
gemiddelde arbeidsduur worden de bedragen naar rato daarvan toegepast. Indien het wettelijk minimum(
jeugd)loon hoger ligt dan de vermelde bedragen, geldt het wettelijk minimum(jeugd)loon.
3. Voorts geldt voor reeds bij de werkgever in een andere functie in dienst zijnde werknemers die de verkorte
opleiding gaan volgen dat de bestaande salarisaanspraak wordt gehandhaafd.
4. Als uitgangspunt geldt dat een arbeidsduur van gemiddeld 32 uur per week wordt afgesproken. Daarbij wordt de
opleidingstijd, zijnde de op school doorgebrachte tijd, gerekend tot de arbeidsduur. Werkgever en leerlingwerknemer
kunnen in overleg afwijken van het uitgangspunt van de gemiddelde 32-urige arbeidsduur.
5. Na het behalen van het certificaat van de opleiding wordt de werknemer bij totstandkoming van de
arbeidsovereenkomst ingeschaald in de bij de functie kraamverzorgende behorende salarisschaal. Inschaling
geschiedt in beginsel in aanloopperiodiek 1, met dien verstande, dat de werkgever op basis van artikelen 3.1.4 en
3.1.9 een hoger volgnummer kan toepassen
Salarisbedragen met ingang van 1 maart 2009 dan wel periode 3 van 2009 bij verkorte opleiding voor anders
opgeleiden
Per maand Per periode Per uur
Eerste maand € 1.369,58 € 1.260,00 € 8,75
Vanaf de tweede maand
Bedrag van salarisschaal FWG 20,
aanloopperiodiek 0
Bedrag van salarisschaal FWG
20, aanloopperiodiek 0
Bedrag van salarisschaal FWG
20, aanloopperiodiek 0
Salarisbedragen met ingang van 1 maart 2009 dan wel periode 3 van 2009 bij verkorte opleiding voor nietopgeleiden
Per maand Per periode Per uur
Eerste leerjaar € 1.174,26 € 1.080,00 € 7,50
Vanaf de dertiende maand
Bedrag van salarisschaal FWG
20, aanloopperiodiek 0
Bedrag van salarisschaal
FWG 20, aanloopperiodiek 0
Bedrag van salarisschaal FWG 20,
aanloopperiodiek 0

Tabel 1 Salarisschalen verpleeg- en verzorgingshuizen1 per 1 maart 2009
salarisschalen functiegroep 5 salarisschalen functiegroep 25 salarisschalen functiegroep 45
jeugdschaal aanloopschaal functionele schaal jeugdschaal aanloopschaal functionele schaal aanloopschaal functionele schaal
3 4 5 23 24 25 44 45
17 851,44 0 1 1367,02 0 3 1418,66 17 958,31 0 4 1473,88 0 7 1598,35 0 10 1728,71 0 16 2083,38
18 992,37 1 2 1392,85 1 4 1473,88 18 1119,21 1 5 1527,89 1 9 1681,74 1 12 1836,77 1 18 2199,65
19 1134,47 2 3 1418,66 2 5 1527,89 19 1278,92 2 6 1557,26 2 10 1728,71 2 14 1961,24 2 20 2318,27
20 1276,57 3 4 1473,88 3 6 1557,26 20 1438,64 3 7 1598,35 3 11 1781,56 3 16 2083,38 3 21 2378,17
4 7 1598,35 4 8 1638,30 4 12 1836,77 4 17 2136,23 4 22 2436,88
5 8 1638,30 5 9 1681,74 5 13 1899,01 5 18 2199,65 5 23 2496,77
11 9 1681,74 6 14 1961,24 6 19 2257,19 6 24 2557,85
13 10 1728,71 7 15 2018,81 7 25 2620,08
8 16 2083,38 8 26 2684,67
14 17 2136,23 9 27 2751,63
16 18 2199,65 10 28 2810,33
salarisschalen functiegroep 10 salarisschalen functiegroep 30 salarisschalen functiegroep 50
jeugdschaal aanloopschaal functionele schaal jeugdschaal aanloopschaal functionele schaal aanloopschaal functionele schaal
8 9 10 28 29 30 49 50
17 884,34 0 1 1367,02 0 4 1473,88 17 984,15 0 6 1557,26 0 8 1638,30 0 14 1961,24 0 21 2378,17
18 1032,30 1 2 1392,85 1 5 1527,89 18 1147,38 1 7 1598,35 1 10 1728,71 1 16 2083,38 1 23 2496,77
19 1179,09 2 3 1418,66 2 6 1557,26 19 1311,81 2 8 1638,30 2 12 1836,77 2 18 2199,65 2 25 2620,08
20 1327,08 3 4 1473,88 3 7 1598,35 20 1475,05 3 9 1681,74 3 13 1899,01 3 20 2318,27 3 27 2751,63
4 5 1527,89 4 8 1638,30 4 10 1728,71 4 14 1961,24 4 21 2378,17 4 28 2810,33
5 9 1681,74 5 11 1781,56 5 15 2018,81 5 22 2436,88 5 29 2876,10
6 10 1728,71 6 16 2083,38 6 23 2496,77 6 30 2940,71
12 11 1781,56 7 17 2136,23 7 31 3001,76
14 12 1836,77 8 18 2199,65 8 32 3062,83
14 19 2257,19 9 33 3127,42
16 20 2318,27 10 34 3192,02
salarisschalen functiegroep 15 salarisschalen functiegroep 35 salarisschalen functiegroep 55
jeugdschaal aanloopschaal functionele schaal jeugdschaal aanloopschaal functionele schaal aanloopschaal functionele schaal
13 14 15 33 34 35 54 55
17 917,22 0 2 1392,85 0 5 1527,89 17 1038,18 0 8 1638,30 0 10 1728,71 0 19 2257,19 0 26 2684,67
18 1069,88 1 3 1418,66 1 6 1557,26 18 1210,81 1 9 1681,74 1 12 1836,77 1 21 2378,17 1 28 2810,33
19 1222,56 2 4 1473,88 2 7 1598,35 19 1383,45 2 10 1728,71 2 14 1961,24 2 23 2496,77 2 30 2940,71
20 1374,04 3 5 1527,89 3 8 1638,30 20 1556,08 3 11 1781,56 3 15 2018,81 3 25 2620,08 3 32 3062,83
4 6 1557,26 4 9 1681,74 4 12 1836,77 4 16 2083,38 4 26 2684,67 4 34 3192,02
5 10 1728,71 5 13 1899,01 5 17 2136,23 5 27 2751,63 5 35 3251,93
6 11 1781,56 6 18 2199,65 6 28 2810,33 6 36 3311,81
7 12 1836,77 7 19 2257,19 7 37 3381,10
13 13 1899,01 8 20 2318,27 8 38 3451,57
15 14 1961,24 9 21 2378,17 9 39 3520,86
10 40 3583,11
salarisschalen functiegroep 20 salarisschalen functiegroep 40 salarisschalen functiegroep 60
jeugdschaal aanloopschaal functionele schaal jeugdschaal aanloopschaal functionele schaal aanloopschaal functionele schaal
18 19 20 39 40 59 60
17 934,82 0 3 1418,66 0 6 1557,26 0 10 1728,71 0 12 1836,77 0 25 2620,08 0 32 3062,83
18 1091,02 1 4 1473,88 1 7 1598,35 1 11 1781,56 1 14 1961,24 1 27 2751,63 1 34 3192,02
19 1246,03 2 5 1527,89 2 8 1638,30 2 12 1836,77 2 16 2083,38 2 29 2876,10 2 36 3311,81
20 1401,06 3 6 1557,26 3 9 1681,74 3 13 1899,01 3 17 2136,23 3 31 3001,76 3 38 3451,57
4 7 1598,35 4 10 1728,71 4 14 1961,24 4 18 2199,65 4 32 3062,83 4 40 3583,11
5 11 1781,56 5 15 2018,81 5 19 2257,19 5 33 3127,42 5 42 3718,16
6 12 1836,77 6 20 2318,27 6 34 3192,02 6 44 3848,50
7 13 1899,01 7 21 2378,17 7 45 3906,07
8 14 1961,24 8 22 2436,88 8 46 3964,78
14 15 2018,81 9 23 2496,77 9 47 4025,85
16 16 2083,38 10 24 2557,85 10 48 4084,58

salarisschalen functiegroep 65
aanloopschaal functionele schaal
64 65
salarisschalen functiegroep 75
aanloopschaal functionele schaal
74 75
0 32 3.062,83 0 40 3583,11
1 34 3192,02 1 42 3718,16
2 36 3311,81 2 44 3848,50
3 38 3451,57 3 46 3964,78
4 40 3583,11 4 48 4084,58
5 41 3652,39 5 50 4205,53
6 42 3718,16 6 52 4325,31
7 43 3.785,10 7 54 4446,28
8 56 4567,25
9 57 4625,97
10 58 4685,85
11 59 4748,10
12 60 4807,99
0 54 4446,28 0 62
1 56 4567,25 1 65
2 58 4685,85 2 68
3 60 4807,99 3 71
4 62 4928,96 4 74
5 63 4987,68 5 76
6 64 5049,93 6 78
7 65 5123,91 7 80
8 82
9 83
10 84
11 85
12 86
13 87
14 88
4928,96
5123,91
5350,56
5574,89
5802,72
5954,21
6111,59
6279,51
6449,83
6532,02
6617,76
6716,40
6816,23
6913,69
7013,52
salarisschalen functiegroep 70
aanloopschaal functionele schaal
69 70
salarisschalen functiegroep 80
aanloopschaal functionele schaal
79 80
0 42 3.718,16 0 50 4205,53
1 44 3.848,50 1 53 4387,56
2 46 3964,78 2 56 4567,25
3 48 4084,58 3 59 4748,10
4 50 4.205,53 4 62 4928,96
5 51 4.266,60 5 64 5049,93
6 52 4325,31 6 66 5199,09
7 53 4387,56 7 68 5350,56
8 70 5500,90
9 71 5574,89
10 72 5652,39
11 73 5727,56
12 74 5802,72
0 66 5199,09 0 74
1 68 5350,56 1 77
2 70 5500,90 2 80
3 72 5652,39 3 83
4 74 5802,72 4 86
5 75 5877,88 5 88
6 76 5954,21 6 90
7 77 6028,20 7 92
8 94
9 95
10 96
11 97
12 98
13 99
5802,72
6028,20
6279,51
6532,02
6816,23
7013,52
7208,47
7405,77
7605,43
7704,08
7803,90
7902,55
8001,19
8102,19

Tabel 2 Inpassingstabel verpleeg- en verzorgingshuizen1 per 1 maart 2009

ip reeks ip reeks
1.367,02 51 4.266,60
1.392,85
1.418,66
52 4.325,31
53 4.387,56
1.473,88
1.527,89
54 4.446,28
55 4.506,18
1.557,26
1.598,35
56 4.567,25
57 4.625,97
1.638,30
1.681,74
1.728,71
58 4.685,85
59 4.748,10
60 4.807,99
1.781,56
1.836,77
61 4.866,73
62 4.928,96
1.899,01
1.961,24
63 4.987,68
64 5.049,93
2.018,81
2.083,38
65 5.123,91
66 5.199,09
2.136,23
2.199,65
67 5.274,24
68 5.350,56
2.257,19
2.318,27
69 5.424,57
70 5.500,90
2.378,17
2.436,88
71 5.574,89
72 5.652,39
2.496,77
2.557,85
73 5.727,56
74 5.802,72
2.620,08
2.684,67
75 5.877,88
76 5.954,21
2.751,63
2.810,33
77 6.028,20
78 6.111,59
2.876,10
2.940,71
79 6.198,50
80 6.279,51
3.001,76
3.062,83
81 6.365,26
82 6.449,83
3.127,42
3.192,02
83 6.532,02
84 6.617,76
3.251,93
3.311,81
85 6.716,40
86 6.816,23
3.381,10
3.451,57
87 6.913,69
88 7.013,52
3.520,86
3.583,11
3.652,39
89 7.111,00
90 7.208,47
91 7.307,13
3.718,16
3.785,10
92 7.405,77
93 7.505,59
3.848,50
3.906,07
94 7.605,43
95 7.704,08
3.964,78
4.025,85
96 7.803,90
97 7.902,55
4.084,58
4.145,64
98 8.001,19
99 8.102,19
4.205,53 100 8.200,84

Tabel 3 Salarisschalen thuiszorgorganisaties1 per 1 maart 2009

Salarisschalen FWG 5 tot en met FWG 80 per 1 maart 2009 bij toepassing van periodesalaris per periode 3 2009 waarbij de maand en
periodesalarissen gelden bij een arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week

Leeftijd Maandsalaris* Periodesalaris* Uurloon* Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
16 jaar (WML*) NNB NNB NNB 17 jaar 884,34 813,60 5,65
17 jaar (WML*) NNB NNB NNB 18 jaar 1.032,30 950,40 6,60
18 jaar (WML*) NNB NNB NNB 19 jaar 1.179,09 1.084,32 7,53
19 jaar (WML*) NNB NNB NNB 20 jaar 1.327,08 1.221,12 8,48
20 jaar (WML*) NNB NNB NNB Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
21 jaar (WML*) NNB NNB NNB 0 1 1.367,02 1.257,12 8,73
22 jaar (WML*) NNB NNB NNB 1 2 1.392,85 1.281,60 8,90
23 jaar e.o. (WML*) NNB NNB NNB 2 3 1.418,66 1.304,64 9,06
NNB = nog niet bekend. Bedragen zijn het wettelijk min. loon 3 4 1.473,88 1.356,48 9,42
per 1 jan. en1 juli 2009 en 1 jan. 2010 4 5 1.527,89 1.405,44 9,76
Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
17 jaar 917,22 843,84 5,86 17 jaar 934,82 859,68 5,97
18 jaar 1.069,88 984,96 6,84 18 jaar 1.091,02 1.003,68 6,97
19 jaar 1.222,56 1.124,64 7,81 19 jaar 1.246,03 1.146,24 7,96
20 jaar 1.374,04 1.264,32 8,78 20 jaar 1.401,06 1.288,80 8,95
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 3 1.418,66 1.304,64 9,06 Aanloopperiodiek 0 5 1.527,89 1.405,44 9,76
Aanloopperiodiek 1 4 1.473,88 1.356,48 9,42 Aanloopperiodiek 1 6 1.557,26 1.432,80 9,95
0 5 1.527,89 1.405,44 9,76 0 7 1.598,35 1.470,24 10,21
1 6 1.557,26 1.432,80 9,95 1 8 1.638,30 1.507,68 10,47
2 7 1.598,35 1.470,24 10,21 2 9 1.681,74 1.548,00 10,75
3 8 1.638,30 1.507,68 10,47 3 10 1.728,71 1.591,20 11,05
4 9 1.681,74 1.548,00 10,75 4 11 1.781,56 1.638,72 11,38
5 10 1.728,71 1.591,20 11,05 5 12 1.836,77 1.690,56 11,74
6 11 1.781,56 1.638,72 11,38 6 13 1.899,01 1.746,72 12,13
7 12 1.836,77 1.690,56 11,74 7 14 1.961,24 1.804,32 12,53
8 13 1.899,01 1.746,72 12,13 8 15 2.018,81 1.857,60 12,90
FWG 15 FWG 20
FWG 10FWG 5
FWG 25
Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
17 jaar 958,31 881,28 6,12
18 jaar 1.119,21 1.029,60 7,15
19 jaar 1.278,92 1.176,48 8,17
20 jaar 1.438,64 1.323,36 9,19
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 6 1.557,26 1.432,80 9,95
Aanloopperiodiek 1 7 1.598,35 1.470,24 10,21
0 8 1.638,30 1.507,68 10,47
1 9 1.681,74 1.548,00 10,75
2 10 1.728,71 1.591,20 11,05
3 11 1.781,56 1.638,72 11,38
4 12 1.836,77 1.690,56 11,74
5 13 1.899,01 1.746,72 12,13
6 14 1.961,24 1.804,32 12,53
7 15 2.018,81 1.857,60 12,90
8 16 2.083,38 1.916,64 13,31
9 17 2.136,23 1.965,60 13,65

FWG 30
Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
17 jaar 984,15 905,76 6,29
18 jaar 1.147,38 1.055,52 7,33
19 jaar 1.311,81 1.206,72 8,38
20 jaar 1.475,05 1.357,92 9,43
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 6 1.557,26 1.432,80 9,95
Aanloopperiodiek 1 7 1.598,35 1.470,24 10,21
0 8 1.638,30 1.507,68 10,47
1 9 1.681,74 1.548,00 10,75
2 10 1.728,71 1.591,20 11,05
3 11 1.781,56 1.638,72 11,38
4 12 1.836,77 1.690,56 11,74
5 13 1.899,01 1.746,72 12,13
6 14 1.961,24 1.804,32 12,53
7 15 2.018,81 1.857,60 12,90
8 16 2.083,38 1.916,64 13,31
9 17 2.136,23 1.965,60 13,65
10 18 2.199,65 2.024,64 14,06

FWG 35
Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
17 jaar 1.038,18 954,72 6,63
18 jaar 1.210,81 1.114,56 7,74
19 jaar 1.383,45 1.272,96 8,84
20 jaar 1.556,08 1.431,36 9,94
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0
Aanloopperiodiek 1
8 1.638,30 1.507,68 10,47
9 1.681,74 1.548,00 10,75
0 10 1.728,71 1.591,20 11,05
1 11 1.781,56 1.638,72 11,38
2 12 1.836,77 1.690,56 11,74
3 13 1.899,01 1.746,72 12,13
4 14 1.961,24 1.804,32 12,53
5 15 2.018,81 1.857,60 12,90
6 16 2.083,38 1.916,64 13,31
7 17 2.136,23 1.965,60 13,65
8 18 2.199,65 2.024,64 14,06
9 19 2.257,19 2.076,48 14,42
10 20 2.318,27 2.132,64 14,81

FWG 40
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 10 1.728,71 1.591,20 11,05
Aanloopperiodiek 1 11 1.781,56 1.638,72 11,38
0 12 1.836,77 1.690,56 11,74
1 14 1.961,24 1.804,32 12,53
2 16 2.083,38 1.916,64 13,31
3 17 2.136,23 1.965,60 13,65
4 18 2.199,65 2.024,64 14,06
5 19 2.257,19 2.076,48 14,42
6 20 2.318,27 2.132,64 14,81
7 21 2.378,17 2.188,80 15,20
8 22 2.436,88 2.242,08 15,57
9 23 2.496,77 2.296,80 15,95
10 24 2.557,85 2.352,96 16,34

FWG 45
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0
Aanloopperiodiek 1
16 2.083,38 1.916,64 13,31
18 2.199,65 2.024,64 14,06
0 20 2.318,27 2.132,64 14,81
1 21 2.378,17 2.188,80 15,20
2 22 2.436,88 2.242,08 15,57
3 23 2.496,77 2.296,80 15,95
4 24 2.557,85 2.352,96 16,34
5 25 2.620,08 2.410,56 16,74
6 26 2.684,67 2.469,60 17,15
7 27 2.751,63 2.531,52 17,58
8 28 2.810,33 2.586,24 17,96

FWG 50
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0
Aanloopperiodiek 1
18 2.199,65 2.024,64 14,06
20 2.318,27 2.132,64 14,81
0 21 2.378,17 2.188,80 15,20
1 23 2.496,77 2.296,80 15,95
2 25 2.620,08 2.410,56 16,74
3 27 2.751,63 2.531,52 17,58
4 28 2.810,33 2.586,24 17,96
5 29 2.876,10 2.646,72 18,38
6 30 2.940,71 2.705,76 18,79
7 31 3.001,76 2.761,92 19,18
8 32 3.062,83 2.818,08 19,57
9 33 3.127,42 2.877,12 19,98
10 34 3.192,02 2.937,60 20,40

FWG 55
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 19 2.257,19 2.076,48 14,42
Aanloopperiodiek 1 21 2.378,17 2.188,80 15,20
0 23 2.496,77 2.296,80 15,95
1 26 2.684,67 2.469,60 17,15
2 28 2.810,33 2.586,24 17,96
3 30 2.940,71 2.705,76 18,79
4 32 3.062,83 2.818,08 19,57
5 34 3.192,02 2.937,60 20,40
6 35 3.251,93 2.992,32 20,78
7 36 3.311,81 3.047,04 21,16
8 37 3.381,10 3.110,40 21,60
9 38 3.451,57 3.175,20 22,05
10 39 3.520,86 3.240,00 22,50
11 40 3.583,11 3.297,60 22,90

FWG 60
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 27 2.751,63 2.531,52 17,58
Aanloopperiodiek 1 29 2.876,10 2.646,72 18,38
0 32 3.062,83 2.818,08 19,57
1 34 3.192,02 2.937,60 20,40
2 36 3.311,81 3.047,04 21,16
3 38 3.451,57 3.175,20 22,05
4 40 3.583,11 3.297,60 22,90
5 42 3.718,16 3.421,44 23,76
6 44 3.848,50 3.540,96 24,59
7 45 3.906,07 3.594,24 24,96
8 46 3.964,78 3.647,52 25,33
9 47 4.025,85 3.703,68 25,72
10 48 4.084,58 3.758,40 26,10

FWG 65
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 34 3.192,02 2.937,60 20,40
Aanloopperiodiek 1 36 3.311,81 3.047,04 21,16
0 38 3.451,57 3.175,20 22,05
1 40 3.583,11 3.297,60 22,90
2 41 3.652,39 3.360,96 23,34
3 42 3.718,16 3.421,44 23,76
4 43 3.785,10 3.483,36 24,19
5 44 3.848,50 3.540,96 24,59
6 46 3.964,78 3.647,52 25,33
7 48 4.084,58 3.758,40 26,10
8 50 4.205,53 3.869,28 26,87
9 52 4.325,31 3.980,16 27,64
10 54 4.446,28 4.091,04 28,41

FWG 70
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 44 3.848,50 3.540,96 24,59
Aanloopperiodiek 1 46 3.964,78 3.647,52 25,33
0 48 4.084,58 3.758,40 26,10
1 50 4.205,53 3.869,28 26,87
2 51 4.266,60 3.925,44 27,26
3 52 4.325,31 3.980,16 27,64
4 53 4.387,56 4.037,76 28,04
5 56 4.567,25 4.201,92 29,18
6 59 4.748,10 4.368,96 30,34
7 62 4.928,96 4.534,56 31,49
8 64 5.049,93 4.646,88 32,27
9 66 5.199,09 4.783,68 33,22

FWG 75
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 54 4.446,28 4.091,04 28,41
Aanloopperiodiek 1 56 4.567,25 4.201,92 29,18
0 58 4.685,85 4.311,36 29,94
1 60 4.807,99 4.423,68 30,72
2 62 4.928,96 4.534,56 31,49
3 63 4.987,68 4.589,28 31,87
4 64 5.049,93 4.646,88 32,27
5 65 5.123,91 4.714,56 32,74
6 68 5.350,56 4.923,36 34,19

FWG 80
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 66 5.199,09 4.783,68 33,22
Aanloopperiodiek 1 68 5.350,56 4.923,36 34,19
0 70 5.500,90 5.061,60 35,15
1 72 5.652,39 5.201,28 36,12
2 74 5.802,72 5.339,52 37,08
3 75 5.877,88 5.408,64 37,56
4 76 5.954,21 5.479,20 38,05

Tabel 4 Salarisreeks thuiszorgorganisaties1 per 1 maart 2009

ip maandsalaris periodesalaris uurloon

1.367,02 1.257,12 8,73 41 3.652,39 3.360,96 23,34
1.392,85 1.281,60 8,90 42 3.718,16 3.421,44 23,76
1.418,66 1.304,64 9,06 43 3.785,10 3.483,36 24,19
1.473,88 1.356,48 9,42 44 3.848,50 3.540,96 24,59
1.527,89 1.405,44 9,76 45 3.906,07 3.594,24 24,96
1.557,26 1.432,80 9,95 46 3.964,78 3.647,52 25,33
1.598,35 1.470,24 10,21 47 4.025,85 3.703,68 25,72
1.638,30 1.507,68 10,47 48 4.084,58 3.758,40 26,10
1.681,74 1.548,00 10,75 49
1.728,71 1.591,20 11,05 50 4.205,53 3.869,28 26,87
1.781,56 1.638,72 11,38 51 4.266,60 3.925,44 27,26
1.836,77 1.690,56 11,74 52 4.325,31 3.980,16 27,64
1.899,01 1.746,72 12,13 53 4.387,56 4.037,76 28,04
1.961,24 1.804,32 12,53 54 4.446,28 4.091,04 28,41
2.018,81 1.857,60 12,90 55
2.083,38 1.916,64 13,31 56 4.567,25 4.201,92 29,18
2.136,23 1.965,60 13,65 57 4.625,97 4.256,64 29,56
2.199,65 2.024,64 14,06 58 4.685,85 4.311,36 29,94
2.257,19 2.076,48 14,42 59 4.748,10 4.368,96 30,34
2.318,27 2.132,64 14,81 60 4.807,99 4.423,68 30,72
2.378,17 2.188,80 15,20 61
2.436,88 2.242,08 15,57 62 4.928,96 4.534,56 31,49
2.496,77 2.296,80 15,95 63 4.987,68 4.589,28 31,87
2.557,85 2.352,96 16,34 64 5.049,93 4.646,88 32,27
2.620,08 2.410,56 16,74 65 5.123,91 4.714,56 32,74
2.684,67 2.469,60 17,15 66 5.199,09 4.783,68 33,22
2.751,63 2.531,52 17,58 67
2.810,33 2.586,24 17,96 68 5.350,56 4.923,36 34,19
2.876,10 2.646,72 18,38 69
2.940,71 2.705,76 18,79 70 5.500,90 5.061,60 35,15
3.001,76 2.761,92 19,18 71 5.574,89 5.129,28 35,62
3.062,83 2.818,08 19,57 72 5.652,39 5.201,28 36,12
3.127,42 2.877,12 19,98 73
3.192,02 2.937,60 20,40 74 5.802,72 5.339,52 37,08
3.251,93 2.992,32 20,78 75 5.877,88 5.408,64 37,56
3.311,81 3.047,04 21,16 76 5.954,21 5.479,20 38,05
3.381,10 3.110,40 21,60 77
3.451,57 3.175,20 22,05 78 6.111,59 5.623,20 39,05
3.520,86 3.240,00 22,50 79
3.583,11 3.297,60 22,90 80 6.279,51 5.777,28 40,12

ip maandsalaris periodesalaris uurloon

Tabel 5 Salarisschalen VVT per 1 juli 2009

Salarisschalen FWG 5 tot en met FWG 80 per 1 juli 2009 en bij toepassing van periodesalarissen per periode 7 van
2009 waarbij de maand en periodesalarissen gelden bij een arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week

FWG 5
Leeftijd Maandsalaris* Periodesalaris* Uurloon*
16 jaar (WML*) NNB NNB NNB
17 jaar (WML*) NNB NNB NNB
18 jaar (WML*) NNB NNB NNB
19 jaar (WML*) NNB NNB NNB
20 jaar (WML*) NNB NNB NNB
21 jaar (WML*) NNB NNB NNB
22 jaar (WML*) NNB NNB NNB
23 jaar e.o. (WML*) NNB NNB NNB

FWG 10
Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
17 jaar 884,34 813,60 5,65
18 jaar 1.032,30 950,40 6,60
19 jaar 1.179,09 1.084,32 7,53
20 jaar 1.327,08 1.221,12 8,48
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
0 1 1.367,02 1.257,12 8,73
1 2 1.392,85 1.281,60 8,90
2 3 1.418,66 1.304,64 9,06
3 4 1.473,88 1.356,48 9,42
4 5 1.527,89 1.405,44 9,76

NNB = nog niet bekend. Bedragen zijn conform wettelijk min. loon p
per 1 jan. en 1 juli 2009 en 1 jan. 2010

FWG 15
Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
17 jaar 917,22 843,84 5,86
18 jaar 1.069,88 984,96 6,84
19 jaar 1.222,56 1.124,64 7,81
20 jaar 1.374,04 1.264,32 8,78
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 3 1.418,66 1.304,64 9,06
Aanloopperiodiek 1 4 1.473,88 1.356,48 9,42
0 5 1.527,89 1.405,44 9,76
1 6 1.557,26 1.432,80 9,95
2 7 1.598,35 1.470,24 10,21
3 8 1.638,30 1.507,68 10,47
4 9 1.681,74 1.548,00 10,75
5 10 1.728,71 1.591,20 11,05
6 11 1.781,56 1.638,72 11,38
7 12 1.836,77 1.690,56 11,74
8 13 1.899,01 1.746,72 12,13

FWG 20
Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
17 jaar 934,82 859,68 5,97
18 jaar 1.091,02 1.003,68 6,97
19 jaar 1.246,03 1.146,24 7,96
20 jaar 1.401,06 1.288,80 8,95
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 5 1.527,89 1.405,44 9,76
Aanloopperiodiek 1 6 1.557,26 1.432,80 9,95
0 7 1.598,35 1.470,24 10,21
1 8 1.638,30 1.507,68 10,47
2 9 1.681,74 1.548,00 10,75
3 10 1.728,71 1.591,20 11,05
4 11 1.781,56 1.638,72 11,38
5 12 1.836,77 1.690,56 11,74
6 13 1.899,01 1.746,72 12,13
7 14 1.961,24 1.804,32 12,53
8 15 2.018,81 1.857,60 12,90

FWG 25
Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
17 jaar 958,31 881,28 6,12
18 jaar 1.119,21 1.029,60 7,15
19 jaar 1.278,92 1.176,48 8,17
20 jaar 1.438,64 1.323,36 9,19
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 6 1.557,26 1.432,80 9,95
Aanloopperiodiek 1 7 1.598,35 1.470,24 10,21
0 8 1.638,30 1.507,68 10,47
1 9 1.681,74 1.548,00 10,75
2 10 1.728,71 1.591,20 11,05
3 11 1.781,56 1.638,72 11,38
4 12 1.836,77 1.690,56 11,74
5 13 1.899,01 1.746,72 12,13
6 14 1.961,24 1.804,32 12,53
7 15 2.018,81 1.857,60 12,90
8 16 2.083,38 1.916,64 13,31
9 17 2.136,23 1.965,60 13,65

FWG 30
Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
17 jaar 984,15 905,76 6,29
18 jaar 1.147,38 1.055,52 7,33
19 jaar 1.311,81 1.206,72 8,38
20 jaar 1.475,05 1.357,92 9,43
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 6 1.557,26 1.432,80 9,95
Aanloopperiodiek 1 7 1.598,35 1.470,24 10,21
0 8 1.638,30 1.507,68 10,47
1 9 1.681,74 1.548,00 10,75
2 10 1.728,71 1.591,20 11,05
3 11 1.781,56 1.638,72 11,38
4 12 1.836,77 1.690,56 11,74
5 13 1.899,01 1.746,72 12,13
6 14 1.961,24 1.804,32 12,53
7 15 2.018,81 1.857,60 12,90
8 16 2.083,38 1.916,64 13,31
9 17 2.136,23 1.965,60 13,65
10 18 2.199,65 2.024,64 14,06

FWG 35
Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
17 jaar 1.038,18 954,72 6,63
18 jaar 1.210,81 1.114,56 7,74
19 jaar 1.383,45 1.272,96 8,84
20 jaar 1.556,08 1.431,36 9,94
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 8 1.638,30 1.507,68 10,47
Aanloopperiodiek 1 9 1.681,74 1.548,00 10,75
0 10 1.728,71 1.591,20 11,05
1 11 1.781,56 1.638,72 11,38
2 12 1.836,77 1.690,56 11,74
3 13 1.899,01 1.746,72 12,13
4 14 1.961,24 1.804,32 12,53
5 15 2.018,81 1.857,60 12,90
6 16 2.083,38 1.916,64 13,31
7 17 2.136,23 1.965,60 13,65
8 18 2.199,65 2.024,64 14,06
9 19 2.257,19 2.076,48 14,42
10 20 2.318,27 2.132,64 14,81
11 21 2.378,17 2.188,80 15,20

FWG 40
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 10 1.728,71 1.591,20 11,05
Aanloopperiodiek 1 11 1.781,56 1.638,72 11,38
0 12 1.836,77 1.690,56 11,74
1 14 1.961,24 1.804,32 12,53
2 16 2.083,38 1.916,64 13,31
3 17 2.136,23 1.965,60 13,65
4 18 2.199,65 2.024,64 14,06
5 19 2.257,19 2.076,48 14,42
6 20 2.318,27 2.132,64 14,81
7 21 2.378,17 2.188,80 15,20
8 22 2.436,88 2.242,08 15,57
9 23 2.496,77 2.296,80 15,95
10 24 2.557,85 2.352,96 16,34

FWG 45
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 16 2.083,38 1.916,64 13,31
Aanloopperiodiek 1 18 2.199,65 2.024,64 14,06
0 20 2.318,27 2.132,64 14,81
1 21 2.378,17 2.188,80 15,20
2 22 2.436,88 2.242,08 15,57
3 23 2.496,77 2.296,80 15,95
4 24 2.557,85 2.352,96 16,34
5 25 2.620,08 2.410,56 16,74
6 26 2.684,67 2.469,60 17,15
7 27 2.751,63 2.531,52 17,58
8 28 2.810,33 2.586,24 17,96

FWG 50
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 18 2.199,65 2.024,64 14,06
Aanloopperiodiek 1 20 2.318,27 2.132,64 14,81
0 21 2.378,17 2.188,80 15,20
1 23 2.496,77 2.296,80 15,95
2 25 2.620,08 2.410,56 16,74
3 27 2.751,63 2.531,52 17,58
4 28 2.810,33 2.586,24 17,96
5 29 2.876,10 2.646,72 18,38
6 30 2.940,71 2.705,76 18,79
7 31 3.001,76 2.761,92 19,18
8 32 3.062,83 2.818,08 19,57
9 33 3.127,42 2.877,12 19,98
10 34 3.192,02 2.937,60 20,40

FWG 55
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 19 2.257,19 2.076,48 14,42
Aanloopperiodiek 1 21 2.378,17 2.188,80 15,20
0 23 2.496,77 2.296,80 15,95
1 26 2.684,67 2.469,60 17,15
2 28 2.810,33 2.586,24 17,96
3 30 2.940,71 2.705,76 18,79
4 32 3.062,83 2.818,08 19,57
5 34 3.192,02 2.937,60 20,40
6 35 3.251,93 2.992,32 20,78
7 36 3.311,81 3.047,04 21,16
8 37 3.381,10 3.110,40 21,60
9 38 3.451,57 3.175,20 22,05
10 39 3.520,86 3.240,00 22,50
11 40 3.583,11 3.297,60 22,90

FWG 60
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 27 2.751,63 2.531,52 17,58
Aanloopperiodiek 1 29 2.876,10 2.646,72 18,38
0 32 3.062,83 2.818,08 19,57
1 34 3.192,02 2.937,60 20,40
2 36 3.311,81 3.047,04 21,16
3 38 3.451,57 3.175,20 22,05
4 40 3.583,11 3.297,60 22,90
5 42 3.718,16 3.421,44 23,76
6 44 3.848,50 3.540,96 24,59
7 45 3.906,07 3.594,24 24,96
8 46 3.964,78 3.647,52 25,33
9 47 4.025,85 3.703,68 25,72
10 48 4.084,58 3.758,40 26,10

FWG 65
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 34 3.192,02 2.937,60 20,40
Aanloopperiodiek 1 36 3.311,81 3.047,04 21,16
0 38 3.451,57 3.175,20 22,05
1 40 3.583,11 3.297,60 22,90
2 41 3.652,39 3.360,96 23,34
3 42 3.718,16 3.421,44 23,76
4 43 3.785,10 3.483,36 24,19
5 44 3.848,50 3.540,96 24,59
6 46 3.964,78 3.647,52 25,33
7 48 4.084,58 3.758,40 26,10
8 50 4.205,53 3.869,28 26,87
9 52 4.325,31 3.980,16 27,64
10 54 4.446,28 4.091,04 28,41
11 56 4567,25 4.201,92 29,18
12 57 4625,97 4.256,64 29,56
13 58 4685,85 4.311,36 29,94
14 59 4748,10 4.368,96 30,34
15 60 4807,99 4.423,68 30,72

FWG 70
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 44 3.848,50 3.540,96 24,59
Aanloopperiodiek 1 46 3.964,78 3.647,52 25,33
0 48 4.084,58 3.758,40 26,10
1 50 4.205,53 3.869,28 26,87
2 51 4.266,60 3.925,44 27,26
3 52 4.325,31 3.980,16 27,64
4 53 4.387,56 4.037,76 28,04
5 56 4.567,25 4.201,92 29,18
6 59 4.748,10 4.368,96 30,34
7 62 4.928,96 4.534,56 31,49
8 64 5.049,93 4.646,88 32,27
9 66 5.199,09 4.783,68 33,22
10 68 5350,56 4.923,36 34,19
11 70 5500,90 5.061,60 35,15
12 71 5574,89 5.129,28 35,62
13 72 5652,39 5.201,28 36,12
14 73 5727,56 5.270,40 36,60
15 74 5802,72 5.339,52 37,08

FWG 75
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 54 4.446,28 4.091,04 28,41
Aanloopperiodiek 1 56 4.567,25 4.201,92 29,18
0 58 4.685,85 4.311,36 29,94
1 60 4.807,99 4.423,68 30,72
2 62 4.928,96 4.534,56 31,49
3 63 4.987,68 4.589,28 31,87
4 64 5.049,93 4.646,88 32,27
5 65 5.123,91 4.714,56 32,74
6 68 5.350,56 4.923,36 34,19
7 71 5.574,89 5.129,28 35,62
8 74 5802,72 5339,52 37,08
9 76 5954,21 5479,2 38,05
10 78 6111,59 5623,2 39,05
11 80 6279,51 5777,28 40,12
12 82 6449,83 5934,24 41,21
13 83 6532,02 6010,56 41,74
14 84 6617,76 6089,76 42,29
15 85 6716,40 6180,48 42,92
16 86 6816,23 6271,2 43,55
17 87 6913,69 6361,92 44,18
18 88 7013,52 6452,64 44,81

FWG 80
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 66 5.199,09 4.783,68 33,22
Aanloopperiodiek 1 68 5.350,56 4.923,36 34,19
0 70 5.500,90 5.061,60 35,15
1 72 5.652,39 5.201,28 36,12
2 74 5.802,72 5.339,52 37,08
3 75 5.877,88 5.408,64 37,56
4 76 5.954,21 5.479,20 38,05
5 77 6028,20 5.546,88 38,52
6 80 6279,51 5.777,28 40,12
7 83 6532,02 6.010,56 41,74
8 86 6816,23 6.271,20 43,55
9 88 7013,52 6.452,64 44,81
10 90 7208,47 6.632,64 46,06
11 92 7405,77 6.814,08 47,32
12 94 7605,43 6.998,40 48,60
13 95 7704,08 7.089,12 49,23
14 96 7803,90 7.181,28 49,87
15 97 7902,55 7.272,00 50,50
16 98 8001,19 7.362,72 51,13
17 99 8102,19 7.454,88 51,77
18 100 8200,84 7.545,60 52,40

Tabel 6 Salarisreeks VVT 1 juli 2009

ip maandsalaris periodesalaris uurloon (1878)

1.367,02 1.257,12 8,73 51 4.266,60 3.925,44 27,26
1.392,85 1.281,60 8,90 52 4.325,31 3.980,16 27,64
1.418,66 1.304,64 9,06 53 4.387,56 4.037,76 28,04
1.473,88 1.356,48 9,42 54 4.446,28 4.091,04 28,41
1.527,89 1.405,44 9,76 55 4.506,18 4.145,76 28,79
1.557,26 1.432,80 9,95 56 4.567,25 4.201,92 29,18
1.598,35 1.470,24 10,21 57 4.625,97 4.256,64 29,56
1.638,30 1.507,68 10,47 58 4.685,85 4.311,36 29,94
1.681,74 1.548,00 10,75 59 4.748,10 4.368,96 30,34
1.728,71 1.591,20 11,05 60 4.807,99 4.423,68 30,72
1.781,56 1.638,72 11,38 61 4.866,73 4.478,40 31,10
1.836,77 1.690,56 11,74 62 4.928,96 4.534,56 31,49
1.899,01 1.746,72 12,13 63 4.987,68 4.589,28 31,87
1.961,24 1.804,32 12,53 64 5.049,93 4.646,88 32,27
2.018,81 1.857,60 12,90 65 5.123,91 4.714,56 32,74
2.083,38 1.916,64 13,31 66 5.199,09 4.783,68 33,22
2.136,23 1.965,60 13,65 67 5.274,24 4.852,80 33,70
2.199,65 2.024,64 14,06 68 5.350,56 4.923,36 34,19
2.257,19 2.076,48 14,42 69 5.424,57 4.991,04 34,66
2.318,27 2.132,64 14,81 70 5.500,90 5.061,60 35,15
2.378,17 2.188,80 15,20 71 5.574,89 5.129,28 35,62
2.436,88 2.242,08 15,57 72 5.652,39 5.201,28 36,12
2.496,77 2.296,80 15,95 73 5.727,56 5.270,40 36,60
2.557,85 2.352,96 16,34 74 5.802,72 5.339,52 37,08
2.620,08 2.410,56 16,74 75 5.877,88 5.408,64 37,56
2.684,67 2.469,60 17,15 76 5.954,21 5.479,20 38,05
2.751,63 2.531,52 17,58 77 6.028,20 5.546,88 38,52
2.810,33 2.586,24 17,96 78 6.111,59 5.623,20 39,05
2.876,10 2.646,72 18,38 79 6.198,50 5.703,84 39,61
2.940,71 2.705,76 18,79 80 6.279,51 5.777,28 40,12
3.001,76 2.761,92 19,18 81 6.365,26 5.856,48 40,67
3.062,83 2.818,08 19,57 82 6.449,83 5.934,24 41,21
3.127,42 2.877,12 19,98 83 6.532,02 6.010,56 41,74
3.192,02 2.937,60 20,40 84 6.617,76 6.089,76 42,29
3.251,93 2.992,32 20,78 85 6.716,40 6.180,48 42,92
3.311,81 3.047,04 21,16 86 6.816,23 6.271,20 43,55
3.381,10 3.110,40 21,60 87 6.913,69 6.361,92 44,18
3.451,57 3.175,20 22,05 88 7.013,52 6.452,64 44,81
3.520,86 3.240,00 22,50 89 7.111,00 6.543,36 45,44
3.583,11 3.297,60 22,90 90 7.208,47 6.632,64 46,06
3.652,39 3.360,96 23,34 91 7.307,13 6.723,36 46,69
3.718,16 3.421,44 23,76 92 7.405,77 6.814,08 47,32
3.785,10 3.483,36 24,19 93 7.505,59 6.906,24 47,96
3.848,50 3.540,96 24,59 94 7.605,43 6.998,40 48,60
3.906,07 3.594,24 24,96 95 7.704,08 7.089,12 49,23
3.964,78 3.647,52 25,33 96 7.803,90 7.181,28 49,87
4.025,85 3.703,68 25,72 97 7.902,55 7.272,00 50,50
4.084,58 3.758,40 26,10 98 8.001,19 7.362,72 51,13
4.145,64 3.814,56 26,49 99 8.102,19 7.454,88 51,77
4.205,53 3.869,28 26,87 100 8.200,84 7.545,60 52,40

ip maandsalaris periodesalaris uurloon (1878)

 

Hoofdstuk 4 Arbeidsduur

Per 1 januari 2009 geldt dit hoofdstuk voor de VVT.
Bepalingen die in 2008 voor de verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 gelden, zijn opgenomen in
bijlage A overgangsbepalingen hoofdstuk A2.
Bepalingen die in 2008 voor thuiszorgorganisaties ex artikel 1.1 lid 17 sub 2 gelden, zijn opgenomen in bijlage B
overgangsbepalingen hoofdstuk B2.


Artikel 4.1 Arbeidsduur
1. De tussen werkgever en werknemer overeen te komen arbeidsduur wordt uitgedrukt in een gemiddeld aantal
uren per week.
2. Het aantal uren waarop arbeid wordt verricht bedraagt bij een volletijd-arbeidsduur gemiddeld 36 uur per week.
Deze gemiddeld 36-urige werkweek wordt gerealiseerd over een periode van zes maanden. Voor werknemers
met een deeltijd-arbeidsduur wordt de arbeidsduur gerealiseerd op jaarbasis.
3. In afwijking van lid 2 geldt voor kraamverzorgenden dat zowel bij een volletijd-arbeidsduur als ook bij een
deeltijd-arbeidsduur de arbeidsduur wordt gerealiseerd op jaarbasis
4. Werkgever en werknemer kunnen in afwijking van lid 2 een arbeidsduur overeenkomen die hoger ligt dan
gemiddeld 36 uur per week met een maximum van gemiddeld 40 uur per week.
5. Naast hetgeen is beschreven in lid 4 van dit artikel kunnen werknemer en werkgever overeenkomen, boven de
voor de werknemer geldende contractuele arbeidsduur, verder te noemen basisarbeidsduur, gedurende een nader
af te spreken periode ten hoogste 4 uur gemiddeld per week extra te werken. Dit geldt voor zowel werknemers
met een deeltijd-arbeidsduur als werknemers met een volletijd-arbeidsduur. Voor deze extra te werken uren
heeft de werknemer recht op compensatie in tijd. Alle arbeidsvoorwaarden genoemd in deze cao blijven, tenzij
in de cao anders is bepaald, gebaseerd op de basisarbeidsduur.
6. De leerling-werknemer met een arbeidsovereenkomst van gemiddeld 36 uur per week, te meten per
praktijkleerjaar heeft in het kader van de opleiding als bedoeld in artikel 3.2.1 van deze cao het recht om met
behoud van salaris de arbeid te onderbreken voor binnenschoolse lestijd met een maximum van (4x 52) 208 uur
per praktijkleerjaar. Voor de leerling-werknemer die een arbeidsduur heeft van minder dan 36 uur per week,
wordt de omvang van de hiervoor bedoelde lestijd ten minste naar rato vastgesteld.

Artikel 4.2 Min/max contracten
1. Indien sprake is van een arbeidsovereenkomst met een minimum en een maximum arbeidsduur, dan bedraagt de
maximale arbeidsduur ten hoogste 200% van de minimum arbeidsduur, tenzij de werknemer instemt met een
hogere maximum arbeidsduur.
2. De werknemer die heeft ingestemd met een hogere maximale arbeidsduur dan 200% van het minimum, heeft
jaarlijks het recht om de hogere maximale arbeidsduur terug te brengen tot ten hoogste 200%.
3. De werkgever dient op verzoek van de werknemer te bezien of de minimale contractuele arbeidsduur nog
aansluit bij de structurele inzet. Indien dit niet langer aansluit, dient de werkgever in overleg met de werknemer
de minimale contractuele arbeidsduur te verhogen.
4. De werknemer met een min/max-contract kan aangeven op welke dagen of tijden hij wel of niet inzetbaar is.

 

Hoofdstuk 5 Werktijden

Per 1 januari 2009 geldt dit hoofdstuk voor de VVT.
Specifieke bepalingen voor de verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 zijn opgenomen in § 5.4 t/m
5.9. Bepalingen die voor deze organisaties in 2008 gelden, zijn opgenomen in Bijlage A overgangsbepalingen
hoofdstuk 3.
Specifieke bepalingen voor thuiszorgorganisaties ex artikel 1.1 lid 17 sub 2 zijn opgenomen in § 5.10 t/m 5.14.
Bepalingen die voor deze organisaties in 2008 gelden, zijn opgenomen in Bijlage B overgangsbepalingen hoofdstuk
3.

Artikel 5.1 Werk-en rusttijden algemeen
1. Voor zover niet anders is bepaald in deze cao kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden die de
Arbeidstijdenwet en het daarop gebaseerde Arbeidstijdenbesluit biedt.
2. Met inachtneming van de tussen werkgever en werknemer overeengekomen arbeidsduur stelt de werkgever de
werktijden vast. Daarbij dient de werkgever rekening te houden met de belangen van de werknemer, waaronder
voldoende hersteltijd tijdens en na het werk.
3. De werkgever meldt de vastgestelde werktijden ten minste 14 etmalen van te voren aan de werknemer. Voor
kraamverzorgenden is deze termijn tenminste 10 etmalen en wordt hierbij uitgegaan van de te werken dagen in
plaats van werktijden.
4. In geval van bijzondere omstandigheden met een incidenteel karakter kan, na overleg tussen werkgever en
werknemer:
-afgeweken worden van het bepaalde in lid 3;
-afgeweken worden van de reeds vastgestelde werktijden.
5. Aan de werknemer van 55 jaar of ouder wordt geen nachtdienst, bereikbaarheids-, aanwezigheids-(waaronder
slaapdienst), of consignatiedienst opgedragen tussen 23.00 en 07.00 , tenzij de werknemer hiertegen geen
bezwaar maakt.
6. Bij de vaststelling van de werktijden dient een onafgebroken rusttijd in acht te worden genomen van ten minste
36 uur per elke aaneengesloten periode van 7 x 24 uur, of een onafgebroken rusttijd van ten minste 60 uur
aaneengesloten in elke aaneengesloten periode van 9 x 24 uur. Bij de tweede variant geldt de mogelijkheid van
bekorting tot 32 uur in elke periode van 5 achtereenvolgende weken. Voor kraamverzorgenden kan als
afwijkende rusttijd wordt gehanteerd: in een aaneengesloten tijdruimte van 11 maal 24 uur een onafgebroken
rusttijd van ten minste 72 uur. Aan kraamverzorgenden mag tijdens de voorgeschreven periodes van
onafgebroken rust geen wachtdienst worden opgedragen.

Artikel 5.1.1 Maximum arbeidstijd per dienst
1. De werkgever organiseert de arbeid zondanig dat de werknemer ten hoogste 10 uur arbeid verricht per dienst
2. Van het in het in vorige lid bepaalde kan uitsluitend worden afgeweken indien er sprake is van een incidentele,
onvoorziene wijziging van omstandigheden, met inachtneming van een maximum arbeidstijd per dienst van ten
hoogste 12 uur.

Artikel 5.1.2 Nachtdiensten
Indien de werknemer nachtdienst verricht zoals gedefinieerd in de Arbeidstijdenwet (een dienst waarin meer dan een
uur arbeid wordt verricht tussen 00.00 en 06.00 uur) gelden de volgende aanvullende regels:
1. De werknemer mag maximaal 5 achtereenvolgende nachtdiensten verrichten.
2. In afwijking van lid 1 kan tussen werkgever en werknemer worden overeengekomen dat de werknemer 7
aaneengesloten nachtdiensten verricht, waarbij het aantal nachtdiensten per 13 weken de 35 niet overschrijdt.
Voor de werknemer die arbeid verricht in de nachtdienst bedraagt de maximale arbeidstijd in elke periode van
13 achtereenvolgende weken gemiddeld 40 uren per week.
3. Voor de werknemer voor wie reeds een afbouwregeling conform het WBVV (Werktijdenbesluit voor
verplegings-en verzorgingsinrichtingen) of het Arbeidstijdenbesluit geldt, zijn de leden 1 en 2 van dit artikel
niet van toepassing.
4. Voor de werknemer die arbeid verricht in de nachtdienst bedraagt de maximale arbeidstijd per nachtdienst 9 uur.
Van het in de vorige volzin bepaalde kan uitsluitend worden afgeweken indien er sprake is van een incidentele,
onvoorziene wijziging van omstandigheden, met inachtneming van een maximale arbeidstijd per nacht van 10
uur

Artikel 5.1.3 Vrije weekeinden
1. De werknemer geniet in ieder geval 22 vrije weekends per jaar.
2. Op verzoek van de werknemer kan een lager aantal vrije weekenden dan het aantal genoemd in lid 1
overeengekomen worden, doch nooit minder dan 17 vrije weekenden per jaar.
3. Op verzoek van de werknemer, die uitsluitend in de weekenden werkzaam is, kan worden afgeweken van het
aantal vrije weekenden in de leden 1en 2

Artikel 5.1.4 Pauzes
1. Binnen elke dagelijkse diensttijd wordt gelegenheid voor twee koffie/theepauzes gegeven, te weten per ochtend,
middag, avond of nacht – eenmaal.
2. Met instemming van de OR kan afgeweken worden van lid 1 op grond van organisatorische
belangen/bedrijfsvoering.
3. Koffie- en theepauzes, welke minder dan een kwartier duren, worden als werktijd aangemerkt.
4. Indien en voor zover pauzes 15 minuten of langer duren en als eigen tijd worden aangemerkt, dient
onafgebroken rust te zijn gewaarborgd.

Artikel 5.2 Definities consignatiediensten, bereikbaarheidsdiensten, aanwezigheidsdiensten
1. Definities:
Consignatie: een periode tussen twee opeenvolgende diensten of tijdens een pauze, waarin de werknemer uitsluitend
verplicht is bereikbaar te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden op oproep zo spoedig mogelijk de
bedongen arbeid te verrichten
Aanwezigheidsdienst: een aaneengesloten periode van ten hoogste 24 uren waarin de werknemer , zo nodig naast het
verrichten van de bedongen arbeid,verplicht is op de arbeidsplaats aanwezig te zijn om op oproep zo spoedig
mogelijk de bedongen arbeid te verrichten
Bereikbaarheidsdienst: een aaneengesloten periode van ten hoogste 24 uren waarin de werknemer, zo nodig naast
het verrichten van de bedongen arbeid, verplicht is om bereikbaar te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de
bedongen arbeid te verrichten..
2. Werkingssfeer:
De normen van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit zijn van toepassing op alle werknemers. Voor
werknemers werkzaam in de verpleging en de verzorging, en voor geneeskundigen zijn de geldende normen uit het
Arbeidstijdenbesluit van toepassing.

Artikel 5.3 Wachtdienste n Kraamverzorgenden
1. De werkgever kan aan de kraamverzorgende wachtdiensten opdragen. Onder wachtdienst wordt verstaan: een
dienst die maximaal 24 uur duurt, waarbinnen de kraamverzorgende zich beschikbaar moet houden om op eerste
oproep een partusassistentie en/of verzorging te verrichten.
2. Aan de kraamverzorgende worden geen bereikbaarheidsdiensten opgedragen.
3. De werkgever kan in overleg met de ondernemingsraad voor werknemers die uitsluitend in partusdiensten
werken, afspraken maken die afwijkend zijn van de artikelen 5.3.1 t/m 5.3.3 betreffende de wachtdiensten voor
kraamverzorgenden.

Artikel 5.3.1 Vergoeding wachtdiensten
1. Als vergoeding voor een wachtdienst kent de werkgever aan de kraamverzorgende een bruto bedrag toe volgens
de navolgende normen:
– op maandag tot en met vrijdag:
• een vergoeding van bruto € 24,– bij een wachtdienst met een lengte van meer dan zestien uur en
maximaal vierentwintig uur;
• een vergoeding van bruto € 16,– bij een wachtdienst met een lengte van meer dan acht uur en
maximaal zestien uur;
• een vergoeding van bruto € 8,– bij een wachtdienst met een lengte van maximaal acht uur.
– op zaterdagen en zondagen alsook op feest- en gedenkdagen als bedoeld in artikel 1.1 lid 6 van de CAO:
• een vergoeding van bruto € 36,– bij een wachtdienst met een lengte van meer dan zestien uur en
maximaal vierentwintig uur;
• een vergoeding van bruto € 24,– bij een wachtdienst met een lengte van meer dan acht uur en
maximaal zestien uur;
• een vergoeding van bruto € 12,– bij een wachtdienst met een lengte van maximaal acht uur.
2. De werkgever kan, in afwijking van het gestelde in lid 1, met de ondernemingsraad afspraken maken om de in
lid 1 bedoelde geldelijke bedragen om te zetten in een vergoeding in tijd. Naar analogie van de in het vorige lid
genoemde normen bedragen de vergoedingen in dat geval:
– op maandag tot en met vrijdag: 120, 80 respectievelijk 40 minuten;
– op zaterdagen en zondagen alsook op feest- en gedenkdagen als bedoeld in artikel 1.1 lid 6 van de CAO:
180, 120 respectievelijk 60 minuten.

Artikel 5.3.2 Oproep tijdens wachtdienst
Bij een oproep tijdens de wachtdienst worden alle gewerkte uren als arbeidsduur aangemerkt. De wachtdienst wordt
bij een oproep als onderbroken dan wel als beëindigd beschouwd.

Artikel 5.3.3 Maximum aantal oproepen tijdens wachtdienst
Een kraamverzorgende kan als onderdeel van de wachtdienst ten hoogste tweemaal worden opgeroepen voor een
partusassistentie, waarvan slechts eenmaal voor een partusassistentie plus verzorging. Bovendien kan aan de
kraamverzorgende maximaal drie aaneengesloten dagen een wachtdienst worden opgedragen. Indien de
kraamverzorgende twee respectievelijk drie aaneengesloten dagen een wachtdienst wordt opgedragen en hierbij niet
wordt opgeroepen, wordt de tweede respectievelijk de tweede en de derde wachtdienst geacht niet te behoren tot de
wekelijkse onafgebroken rusttijd zoals bedoeld in artikel 5.1.van de CAO
Specifieke bepalingen werktijden voor verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 per 1 januari 2009

Artikel 5.4.1 Gebroken diensten
Het is de werkgever verboden, tenzij de werknemer hierom verzoekt, aan de werknemer een gebroken dienst op te
dragen. Onder gebroken dienst wordt verstaan, een dienst binnen welke de werktijd wordt onderbroken gedurende
tenminste een uur en ten hoogste drie uren.

Artikel 5.4.2 Verschoven diensten
1. Onder Verschoven diensten wordt verstaan: een verplaatsing van een aantal aaneengesloten uren waarop de
werknemer volgens de vastgestelde werktijden arbeid zou moeten verrichten naar een ander moment, waarop de
werknemer volgens de vastgestelde werktijden géén arbeid zou hoeven te verrichten.
2. Indien door bijzondere omstandigheden met een incidenteel karakter het dienstbelang dit vereist, kan de
werkgever, de werknemer gehoord:
- afwijken van artikel 5.1 lid 3 (werk- en rusttijden)
- afwijken van artikel 5.1.3 (vrije weekeinden)
- wijzigingen aanbrengen in reeds vastgestelde werktijden.
3. Indien de werkgever lid 2 toepast en daarmee wijziging aanbrengt in reeds vastgestelde werktijden ontvangt de
werknemer schadeloosstelling indien hij ter zake van vrijetijdsbesteding al uitgaven heeft gedaan.
4. Indien de werkgever lid 2 toepast en tengevolge daarvan in vastgestelde werktijden binnen 24 uur na zijn
mededeling hiervan aan de werknemer, een verschuiving optreedt, ontvangt de werknemer –onverkort het
bepaalde in lid 3 van dit artikel- naast het loon over de uren van die verschoven dienst uitsluitend een
vergoeding conform het onderdeel geldelijke beloning uit de vergoedingsregeling overwerk verpleeg- en
verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1.

Artikel 5.5 Overwerk
1. Onder overwerk wordt verstaan: arbeid die incidenteel wordt verricht boven de bij werktijdenregeling
vastgestelde arbeidsduur. De bepaling of sprake is van de in dit lid bedoelde overschrijding van de arbeidsduur
wordt gemeten op half jaarbasis.
Van overwerk is geen sprake voor zover sprake is van een verschoven dienst.
2. Vergoeding voor overwerk wordt gegeven, indien de werknemer opdracht tot overwerk heeft gekregen, dan wel
redelijkerwijs mocht aannemen, dat hij opdracht tot overwerk zou hebben gekregen. In een dergelijk geval stelt
de werkgever achteraf de noodzaak tot overwerk vast.

Artikel 5.5.1 Bepaling aantal overwerkuren en vrijgestelde werknemers
1. Indien het overwerk wordt verricht gedurende een periode van een half uur of korter voorafgaande aan of
aansluitend op de bij werktijdenregeling vastgestelde werktijd, komt deze periode niet voor vergoeding in
aanmerking.
2. Indien het overwerk wordt verricht gedurende een periode, langer dan een half uur, wordt deze periode afgerond
op een heel uur.
3. Indien het overwerk wordt verricht gedurende een periode, langer dan een uur, wordt deze periode naar boven
afgerond op halve respectievelijk hele uren.
4. Aan de zwangere werknemer na de derde maand van de zwangerschap zal geen overwerk worden opgedragen
tenzij de werknemer er mee instemt om overwerk te verrichten.

Artikel 5.5.2 Maximaal aantal uren overwerk vacaturestelling
1. Het aantal uren overwerk mag gemiddeld per week, te meten per aaneengesloten periode van zes maanden niet
méér bedragen dan 10%:
-van 36 uur, indien het salaris van de werknemer overeenkomt met nr. 48 van de inpassingstabel of
daaronder;
- van 42 uur, indien het salaris van de werknemer nr. 48 van de inpassingstabel te boven gaat.
Ten aanzien van de werknemer voor wie artikel A2.3 (Bijlage A overgangsbepalingen) van toepassing is en
die als gevolg hiervan al dan niet gedurende een bepaalde periode gemiddeld 38 uur per week arbeid
verricht, geldt het in dit lid bepaalde met dien verstande dat voor 36 resp. 42 gelezen wordt 38 resp. 44.
2. Indien het percentage van 10 in het eerste lid wordt overschreden, wordt op verzoek van de betrokken
werknemer overgegaan tot het verlenen van assistentie of het stellen van een vacature.

Artikel 5.5.3 Vergoedingsregeling voor werknemer met een volletijd arbeidsduur
1. De vergoeding voor overwerk wordt – voor zover lid 3 van dit artikel niet anders bepaalt – verstrekt in de vorm
van vrije tijd, gelijk aan het aantal uren dat het overwerk heeft geduurd en daarenboven in de vorm van een
geldelijke beloning als bedoeld onder lid 2 van dit artikel.
2. De onder 1 genoemde geldelijke beloning bestaat uit een percentage van het uurloon en wel:
-25% voor overwerk verricht tussen 06.00 uur en 22.00 uur op maandag tot en met vrijdag, met dien
verstande dat in een periode van zeven dagen het aantal aldus te belonen uren maximaal 5 bedraagt; de
overige uren worden beloond met 50%;
-50% voor overwerk verricht tussen 22.00 uur en 06.00 uur op maandag tot en met vrijdag;
-75% voor overwerk verricht op zaterdag tot 18.00 uur en op vrije dagen;
-100% voor overwerk verricht op zaterdag vanaf 18.00 uur, op zon- en feestdagen tussen 00.00 en 24.00 uur
en op 24 en 31 december tussen 18.00 en 24.00 uur;
Onder vrije dagen worden voor de toepassing van dit artikel verstaan: de dagen, niet zijnde zondag of feestdag,
waarop de werknemer volgens zijn werktijdenregeling niet zou behoeven te werken.
3. Het recht op vergoeding van overwerk als genoemd onder lid 1 wordt toegekend in de volgende gevallen:
-indien het salaris van de werknemer nr. 48 van de inpassingstabel niet overschrijdt;
-indien het salaris van de werknemer nr. 48 van de inpassingstabel te boven gaat: indien en voor zover het
aantal gewerkte uren boven de in de werktijdenregeling opgenomen arbeidsduur méér dan 6 gemiddeld per
week bedraagt, te meten over de periode waarvoor de werktijdenregeling geldt;
4. In afwijking van het gestelde in lid 3 onder a en b kunnen partijen bij deze cao voor bepaalde categorieën van
werknemers een andere urennorm voor het overwerk vaststellen.

Artikel 5.5.4 Vergoedingsregeling voor de werknemer met een deeltijd arbeidsduur
1. De vergoeding van overwerk bestaat uit het voor de werknemer geldende uurloon indien en voor zover het
aantal overuren, gemiddeld per week, te meten over een periode van een half jaar, niet méér bedraagt dan het
verschil tussen de voor de werknemer geldende contractuele arbeidsduur en de arbeidsduur bij een volletijd
arbeidsduur.
2. Daarenboven wordt een vergoeding als genoemd in artikel 5.5.3 toegekend, indien en voor zover het aantal
overuren, gemiddeld per week, te meten over een periode van een half jaar, méér bedraagt dan het verschil
tussen de voor de werknemer geldende contractuele arbeidsduur en de arbeidsduur bij een volletijd arbeidsduur.

Artikel 5.5.5 Opnemen vergoeding
1. De in artikel 5.5.3 bedoelde vrije tijd dient na overleg met de betrokken werknemer te worden verleend en
opgenomen uiterlijk in het kwartaal, volgend op het half jaar waarin het overwerk is verricht, tenzij tussen
werkgever en werknemer uitdrukkelijk anders is overeengekomen.
2. In afwijking van het gestelde in lid 1 kan de vergoeding in vrije tijd in overleg tussen werkgever en werknemer
geheel of gedeeltelijk in de vorm van een geldbedrag worden toegekend, bestaande uit het evenredige deel van
het salaris.
CAO VVT 2008-2010

Artikel 5.6 Structureel meerwerk
Indien een deeltijdwerker over een referteperiode van twee aaneengesloten kwartalen structureel meer dan 15%
boven zijn contractuele deeltijd arbeidsduur werkt, wordt op verzoek van de betrokken werknemer aan hem een
contract aangeboden waarin deze structureel meer gewerkte uren zijn verdisconteerd. Indien betrokkene hier niet om
verzoekt, wordt overgegaan tot het verlenen van assistentie of het stellen van een vacature.

Artikel 5.7 Onregelmatige dienst
Onder onregelmatige dienst wordt verstaan arbeid die, indien de werkgever het noodzakelijk oordeelt, aan de
werknemer wordt opgedragen volgens werktijdenregelingen wordt verricht op de uren als vermeld in artikel 5.7.3.
Onder onregelmatige dienst wordt mede verstaan, arbeid die door een deeltijdwerker niet volgens werktijdenregeling
wordt verricht op de uren als vermeld in artikel 5.7.3, boven het bij zijn arbeidsovereenkomst overeengekomen aantal
uren, voor zover zij de 36 uren niet te boven gaan.

Artikel 5.7.1 Werkingssfeer
1. Recht op vergoeding voor het verrichten van onregelmatige dienst hebben die werknemers, die zijn ingedeeld in
functiegroep 65 of lager.

Artikel 5.7.2 Vergoedingsregeling
1. De vergoeding voor onregelmatige dienst wordt verstrekt in de vorm van een geldelijke beloning dan wel, indien
de werknemer daarom verzoekt, in de vorm van vrije tijd.
De vrije tijd wordt bepaald door de ingevolge artikel 5.7.3 berekende geldelijke vergoeding te delen door het
geldende uurloon van de werknemer.
2. Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt, tenzij de belangen van de instelling zich hiertegen verzetten, door
de werkgever ingewilligd.
3. Het in het eerste lid bedoelde verzoek dient in de eerste helft van enig kalenderjaar te worden gedaan.
Bij inwilliging van het verzoek gaat de vergoeding in de vorm van vrije tijd in op 1 januari daaropvolgend en
blijft tenminste voor 1 kalenderjaar gehandhaafd.
4. Op uiterlijk 30 juni van enig kalenderjaar kunnen werkgever en werknemer mededelen dat de vergo eding niet
meer in de vorm van vrije tijd, doch in de vorm van een geldelijke beloning als bedoeld in lid 1 dient te
geschieden. Deze wijziging gaat alsdan in op 1 januari daarop volgend. De werkgever is bevoegd om aan de
mededeling van de werknemer als bedoeld in dit lid geen gevolg te geven, indien de belangen van de instelling
zich hiertegen verzetten.

Artikel 5.7.3 Berekening vergoeding
De in artikel 5.7.2 genoemde geldelijke beloning wordt berekend uitgaande van het geldende uurloon, waarbij echter
voor de berekening als maximum geldt het uurloon afgeleid van nummer 20 van de inpassingstabel, op basis van de
volgende percentages:
22%: voor onregelmatige dienst op uren vallende tussen 06.00 uur en 07.00 uur, en tussen 20.00 uur en 22.00 uur
op maandag tot en met vrijdag;
38%: op uren vallende tussen 06.00 uur en 08.00 uur en tussen 12.00 uur en 22.00 uur op zaterdag;
44%: op uren vallende tussen 00.00 uur en 06.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur op maandag tot en met vrijdag;
49%: op uren vallende tussen 00.00 uur en 06.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur op zaterdag;
60%: op uren vallende tussen 00.00 uur en 24.00 uur op zon- en feestdagen en op uren vallende tussen 18.00 uur en
24.00 uur op 24 en 31 december.

Artikel 5.7.4 Afbouwregeling
1. Indien de onregelmatige dienst van de werknemer door de werkgever wordt beëindigd of verminderd dan wel de
beëindiging of vermindering plaatsvindt op medisch advies en niet is te wijten aan eigen schuld of toedoen van
de werknemer heeft deze aanspraak op een tegemoetkoming op de voet van de volgende leden.
2. Voorwaarden voor de in het eerste lid genoemde tegemoetkoming zijn, dat:
a. de werknemer in dezelfde instelling op het moment van de in het eerste lid bedoelde beëindiging dan wel
vermindering tenminste 3 jaren onafgebroken onregelmatige dienst heeft verricht.
b. het verschil tussen:
1. enerzijds het salaris verhoogd met de gemiddeld per maand in de voorgaande 12 maanden genoten
vergoeding voor onregelmatige dienst;
2. anderzijds het – al dan niet nieuwe - salaris verhoogd met de eventueel nog te genieten gemiddelde
vergoeding voor onregelmatige dienst (over een periode van 3 maanden na de in het eerste lid bedoelde
beëindiging of vermindering te meten);
meer bedraagt dan 2% van het onder 1 genoemde bedrag én het onder 2 berekende bedrag lager is dan het
onder 1 berekende bedrag.

3. De tegemoetkoming bedraagt gedurende het eerste jaar 75%, gedurende het tweede jaar 50% en gedurende het
derde jaar 25% van het in het tweede lid genoemde verschil, voor zover dit meer bedraagt dan het in het tweede
lid genoemde percentage. De berekeningsgrondslag voor de tegemoetkoming blijft gedurende de hiervoor
genoemde periode ongewijzigd.
Toelichting
Indien kennelijk sprake is van een tijdelijke beëindiging of tijdelijke vermindering van de onregelmatige dienst dan
wordt de tegemoetkoming, vervat in artikel 5.7.4, niet gegeven.
De tijdelijke beëindiging of tijdelijke vermindering die het gevolg is van ziekte of arbeidsongeschiktheid volgens
artikel 8.1 van de cao wordt ondervangen door de in dit artikel gegeven garantie van het netto-inkomen, waarin de
vergoeding voor onregelmatigheidstoeslag over de afgelopen drie maanden is opgenomen. Wanneer in de periode
van tenminste 3 jaren, welke voorwaarde is voor een tegemoetkoming ingevolge artikel 5.7.4 lid 2 sub a., door
oorzaken buiten schuld of toedoen van de werknemer gedurende bepaalde periode(n) geen onregelmatige dienst is
verricht, wordt bedoelde periode van 3 jaren verlengd met de duur van de periode(n), waarin geen onregelmatige
dienst is verricht. Artikel 5.7.4 lid 3 bepaalt, dat de uitkomsten van de berekening gedurende de periode van 3 jaar
bevroren blijven. Als voorwaarde voor de tegemoetkoming geldt het bepaalde in de leden 1 en 2, dat gedurende drie
jaar in dezelfde instelling onafgebroken onregelmatige dienst is verricht. Onderbrekingen wegens vakantie en ziekte
worden hierbij buiten beschouwing gelaten.

Artikel 5.8 Vergoedingsregeling
Voor diensten als bedoeld in artikel 5.2 lid 1 van de CAO: consignatie-, aanwezigheids- en bereikbaarheidsdienst
1. Indien de werkgever het noodzakelijk oordeelt dat een werknemer een dienst verricht als bedoeld in artikel 5.2
lid 1 van de CAO, geldt de navolgende vergoeding. De werknemer van wie het salaris niet meer bedraagt dan
het onder nummer 88 van de inpassingstabel aangegeven bedrag, ontvangt voor de uren doorgebracht in
bereikbaarheids- en consignatiedienst dagaanwezigheidsdienst (gedurende de uren tussen 06.00-24.00) en
nachtaanwezigheidsdienst (gedurende de uren tussen 24.00 en 06.00) een compensatie in vrije tijd.
Voor de werknemer die aanspraak heeft op toepassing van artikel 4 (garantiebepaling) van de
uitvoeringsregeling salariëring (CAO Ziekenhuiswezen), geldt in plaats van voornoemd nummer 88 het nummer
48 van de inpassingstabel.
2. De in het vorige lid bedoelde compensatie bedraagt per uur in het geval van:
a. Bereikbaarheidsdienst / consignatiedienst
op erkende feestdagen : 3/18
op zaterdagen/zondagen : 2/18
op overige dagen : 1/18
b. Dagaanwezigheidsdienst (06.00-24.00)
op erkende feestdagen : 5/18
op zaterdagen/zondagen : 4/18
op overige dagen : 2/18
c. Nachtaanwezigheidsdienst (24.00-06.00)
op erkende feestdagen : 7/18
op zaterdagen/zondagen : 6/18
op overige dagen : 3/18
3. Indien de werknemer in een tijdvak van 3 achtereenvolgende perioden van 28 dagen met inachtneming van het
bepaalde in artikel 5.2 lid 2 : werkingssfeer, gedurende meer dan 8 weekenddagen bereikbaarheids- of
aanwezigheids- en/of consignatiedienst verricht, ontvangt hij boven de in lid 2 genoemde compensatie, voor de
meerdere bereikbaarheids-, aanwezigheids- en consignatiediensten op weekeindedagen een toeslag van 50% van
deze compensatie. De beperking vermeld in de tweede volzin van artikel 5.8.3 is op deze toeslag niet van
toepassing.

Artikel 5.8.1 Vergoeding voor arbeid van de werknemer met een volletijd arbeidsduur
Wanneer tijdens de in artikel 5.2 lid 1genoemde diensten arbeid wordt verricht zijn, onverminderd de in artikel 5.8
vermelde compensaties, artikel 5.5.1, 5.5.2, 5.5.3 en 5.5.5 (overwerk) van toepassing.
Ingeval de werknemer tijdens de dag- en nachtaanwezigheidsdienst wordt opgeroepen, wordt voor de berekening van
de overwerkvergoeding uitgegaan van een periode van tenminste een half uur; indien deze oproep geschiedt tijdens
de bereikbaarheidsdienst of consignatiedienst wordt voor genoemde berekening uitgegaan van een periode van
tenminste een half uur, te vermeerderen met de werkelijke reistijd.

Artikel 5.8.2 Vergoeding voor arbeid van de werknemer met een deeltijd arbeidsduur
1. De vergoeding voor arbeid verricht tijdens de in artikel 5.2 lid 1 genoemde diensten wordt verstrekt in de vorm
van vrije tijd, gelijk aan het aantal uren dat de arbeid heeft geduurd en daarenboven in de vorm van een
geldelijke beloning als bedoeld onder lid 2 van dit artikel.
2. De onder 1 genoemde geldelijke beloning bestaat uit een percentage van het uurloon en wel:
-25% voor arbeid verricht tussen 06.00 uur en 22.00 uur op maandag tot en met vrijdag, met dien verstande
dat in een periode van zeven dagen het aantal aldus te belonen uren maximaal 5 bedraagt; de overige uren
worden beloond met 50%;
- 50% voor arbeid verricht tussen 22.00 uur en 06.00 uur op maandag tot en met vrijdag;
- 75% voor arbeid verricht op zaterdag tot 18.00 uur en op vrije dagen;
- 100% voor arbeid verricht op zaterdag vanaf 18.00 uur, op zon- en feestdagen tussen 00.00 en 24.00 uur en
op 24 en 31 december tussen 18.00 en 24.00 uur.
Onder vrije dagen worden voor de toepassing van dit artikel verstaan: de dagen, niet zijnde zondag of feestdag,
waarop de werknemer volgens zijn werktijdenregelingniet zou behoeven te werken.
3. Ingeval de werknemer tijdens de dag- en nachtaanwezigheidsdienst wordt opgeroepen, wordt voor de
berekening van de vergoeding uitgegaan van een periode van tenminste een half uur; indien deze oproep
geschiedt tijdens de bereikbaarheidsdienst of consignatiedienst wordt voor genoemde berekening uitgegaan van
een periode van tenminste een half uur, te vermeerderen met de werkelijke reistijd.
CAO VVT 2008-2010

Artikel 5.8.3 Opnemen vergoeding
1. De in artikelen 5.8 en 5.8.2 genoemde vrije tijd dient te worden verleend en opgenomen binnen een tijdvak van
twee maanden na het verrichten van de bereikbaarheids-, aanwezigheids- of consignatiedienst, tenzij tussen de
werkgever en de werknemer anders wordt overeengekomen. Ingeval het belang van de instelling zich naar het
oordeel van de werkgever verzet tegen het geven van vrije tijd, wordt de vrije tijd tot ten hoogste de helft
omgezet in een geldbedrag, bestaande uit het evenredige deel van het salaris.
2. In afwijking van het gestelde in lid 1 kan de vergoeding in vrije tijd voor de bereikbaarheidsdienst slechts in
overleg tussen werkgever en werknemer geheel of gedeeltelijk in de vorm van een geldbedrag worden
toegekend, bestaande uit het evenredige deel van het salaris.
3. Ingeval bereikbaarheids-, aanwezigheids-of consignatiedienst wordt verricht op een door de werkgever
aangewezen vakantiedag als bedoeld in artikel A4.1 lid 5 Hoofdstuk werk en privé (Bijlage A
overgangsbepalingen), blijft de aanspraak van de werknemer op die dag behouden.

Artikel 5.9 Slaapdienst
De aanwezigheidsdienst als bedoeld in artikel 5.2 lid 1 kan mede vorm gegeven worden door een slaapdienst.
Onder slaapdienst wordt verstaan de omstandigheid dat een werknemer – buiten de vastgestelde werktijd – gedurende
de uren tussen 23.00 en 07.00 uur in de directe omgeving van cliënten moet slapen en anders dan na een oproep als
bedoeld in artikel 5.2 (bereikbaarheids-, aanwezigheids- en consignatiedienst) direct hulp biedt indien de situatie van
de cliënt zulks noodzakelijk maakt.

Artikel 5.9.1 Vergoeding slaapdienst
1. Indien de werkgever het noodzakelijk oordeelt dat een werknemer een slaapdienst verricht, geldt de navolgende
vergoeding. De werknemer, van wie het salaris niet meer bedraagt dan het onder nummer 48 van de
inpassingstabel van Tabel 2 van het Hoofdstuk beloning aangegeven bedrag ontvangt als vergoeding:
a. een bedrag van € 19,- voor elke slaapdienst, ongeacht het aantal uren dat deze dienst bedraagt; en
b. een vergoeding in vrije tijd voor de uren doorgebracht in slaapdienst
2. De in het vorige lid onder b bedoelde vergoeding bedraagt ¼ van de tijd doorgebracht in slaapdienst
3. In het belang van de afdeling/dienst kan de werkgever, na overleg met de OR, in afwijking van de in lid 1 en 2
genoemde vergoedingsregeling een vergoeding toekennen in uitsluitend vrije tijd. Deze vergoeding bedraagt ½
van de tijd doorgebracht in slaapdienst.

Artikel 5.9.2 Opnemen vergoeding slaapdienst
1. De in artikel 5.9.1 genoemde tijd wordt verleend en opgenomen binnen een tijdvak van twee maanden na het
verrichten van de slaapdienst, tenzij de werkgever en de werknemer anders overeengekomen. Ingeval het belang
van de instelling zich naar het oordeel van de werkgever verzet tegen het geven van vrije tijd, wordt de vrije tijd
tot ten hoogste de helft omgezet in een geldbedrag, bestaande uit het evenredige deel van het salaris.
2. Ingeval slaapdienst wordt verricht op een door de werkgever aangegeven vakantiedag als bedoeld in artikel A4.1
lid 5, blijft de aanspraak van de werknemer op die dag behouden.
Toelichting
Van een slaapdienst is sprake als de werknemer in de directe omgeving van de cliënt slaapt en zelf, zonder
tussenkomst door derden, direct hulp biedt indien de situatie van de cliënt zulks noodzakelijk maakt.
Indien er wel sprake is van een oproep door een derde, dan is sprake van een consignatie-, bereikbaarheids-, of
nachtaanwezigheidsdienst.
Specifieke bepalingen werktijden voor thuiszorgorganisaties ex artikel 1.1 lid 17 sub 2 per 1 januari 2009

Artikel 5.10 Gebroken dienst
1. Bij de inrichting van de werktijden kan de werkgever per dag één breuk toepassen, tenzij de werknemer instemt
met meerdere breuken. Als breuk wordt beschouwd een onderbreking van het werk zonder dat de tussenliggende
tijd werktijd of een pauze is; bij toepassing van de mogelijkheid van een of meer breuken per dag, geldt dat de
werknemer per dag minimaal twee maal twee uur aaneengesloten wordt ingezet. Het minimum van twee uur
geldt niet voor zover de werkzaamheden (werk)overleg betreffen.
De kosten, verbonden aan het na een breuk heen en weer reizen tussen woon- en werkplaats worden aan de
werknemer vergoed overeenkomstig de bepalingen van de regeling Reis- en verblijfkostenvergoeding artikel
9.1.
2. De beperkende bepalingen van lid 1 zijn niet van toepassing op werknemers die uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend werkzaamheden verrichten tijdens de avond (vanaf 20.00 uur), de nacht en de weekeinden.

Artikel 5.11 Overwerk
1. Overwerk is de arbeid die de werknemer in opdracht van de werkgever verricht en waarmee de voor de
werknemer geldende gemiddelde arbeidsduur per week, gemeten over een tijdvak van 13 weken, wordt
overschreden in verband met een incidentele onvoorziene wijziging van omstandigheden of indien de aard van
de arbeid incidenteel een dergelijke afwijking noodzakelijk maakt.
2. Geen vergoeding voor overwerk wordt toegekend indien het overwerk incidenteel gedurende minder dan een
half uur aansluitend aan de bij rooster of regeling vastgestelde werktijd wordt verricht.
3. Indien het overwerk wordt verricht gedurende een periode langer dan een half uur, wordt deze periode afgerond
op een heel uur.
4. Indien het overwerk wordt verricht gedurende een periode langer dan een uur, wordt deze periode naar boven
afgerond op halve, respectievelijk hele uren.

Artikel 5.11.1 Uitzonderingen overwerkvergoeding
Niet in aanmerking voor overwerkvergoeding komen werknemers:
a. die een volledig dienstverband hebben dat gesalarieerd wordt volgens salarisschaal FWG 65 of hoger;
b. die niet op verzoek of in opdracht van de werkgever overwerk verrichten.

Artikel 5.11.2 Overwerkvergoeding deeltijdwerker
1. De vergoeding voor overwerk voor de deeltijdwerker die gesalarieerd wordt volgens salarisschaal FWG 65 of
hoger, bestaat uit verlof gelijk aan de duur van het overwerk indien het aantal overuren niet méér bedraagt dan
het verschil tussen de voor de werknemer geldende contractuele arbeidsduur en de arbeidsduur bij een volledige
dagtaak.
2. De werkgever kan besluiten het verlof om te zetten in een financiële vergoeding op basis van het voor de
werknemer geldende uurloon. In dat geval vindt over die uren ook een opbouw van vakantiedagen en
vakantiebijslag plaats.

Artikel 5.11.3 Overwerkvergoeding
1. De vergoeding voor overwerk, verricht door andere werknemers dan bedoeld in artikel 5.11.2 bestaat uit verlof
gelijk aan de duur van het overwerk.
2. De werkgever kan besluiten het in lid 1 bedoelde verlof om te zetten in een financiële vergoeding op basis van
het voor de werknemer geldende uurloon. Voor deeltijders is de vergoeding in dat geval, indien het aantal
overwerkuren niet meer bedraagt dan het verschil tussen de voor de werknemer geldende contractuele
arbeidsduur en de arbeidsduur bij een volledige dagtaak, het voor de werknemer geldende uurloon en vindt over
die uren ook een opbouw van vakantiedagen en vakantiebijslag plaats.

Artikel 5.11.4 Opnemen overwerkvergoeding
Het in de artikelen 5.11.2 en 5.11.3 bedoeld verlof dient uiterlijk te worden opgenomen in het kwartaal volgend op
dat waarin is overgewerkt, tenzij tussen werkgever en werknemer uitdrukkelijk anders is/wordt overeengekomen.

Artikel 5.11.5 Maximaal aantal uren overwerk
De werknemer mag niet meer dan 10% boven de overeengekomen arbeidsduur voor een periode van vier maanden
aan overwerk verrichten. Indien het percentage van 10% wordt overschreden, wordt op verzoek van de betrokken
werknemer overgegaan tot het verlenen van assistentie of het stellen van een vacature.

Artikel 5.12 Inconveniënte uren
1. Inconveniënte uren zijn de uren waarin de werknemer in opdracht van de werkgever arbeid verricht, indien deze
uren vallen:
– op maandag tot en met vrijdag vóór 07.00 uur en vanaf 20.00 uur;
– op zaterdag;
– op zondagen, alsook feest- en gedenkdagen als bedoeld in artikel 1.1 lid 6.
2. Werkzaamheden, die gedurende korter dan één uur achtereen worden verricht, tellen niet mee voor de
berekening van het aantal inconveniënte uren.
3. Het volgen van opleiding en bijscholing leidt niet tot een toelage voor inconveniënte uren
Artikel 5.12.1 Vergoeding inconveniënte uren

1. Aan de werknemer die in opdracht van de werkgever arbeid verricht op de in artikel 5.12 gedefinieerde
inconveniënte uren, wordt over die uren een brutotoelage toegekend van 40% van het uurloon.
2. Het percentage wordt ten hoogste berekend over het salaris overeenkomstig het maximum van salarisschaal
FWG 35.

Artikel 5.13 Bereikbaarheidsdienst
De vergoeding voor bereikbaarheidsdienst, als bedoeld in artikel 5.2 lid 1, wordt als volgt vastgesteld:
1. De werknemer die zich bereikbaar houdt ontvangt daarvoor een compensatie in vrije tijd. Deze compensatie
bedraagt:
– voor elk vol etmaal op maandag tot en met vrijdag: 1,5 uur;
– voor elk vol etmaal op zaterdagen, zondagen, feest- en gedenkdagen: 3 uren.
2. Indien gedurende minder dan 12 uur bereikbaarheidsdienst wordt opgedragen, wordt de compensatie naar
evenredigheid van het aantal uren vastgesteld.
3. Indien de werknemer zelf bij cliënten spoedopdrachten uitvoert, wordt dit aangemerkt als overwerk en vindt
vergoeding plaats conform het gestelde in artikelen 5.11 tot en met 5.11.5.
4. Op verzoek van de werknemer wordt de in lid 1 genoemde compensatie in vrije tijd vervangen door een bruto
financiële vergoeding op basis van het voor de werknemer geldende uurloon.

Artikel 5.14 Slaapdienst
De aanwezigheidsdienst als bedoeld in artikel 5.2 lid 1 kan mede vorm gegeven worden door een slaapdienst.
1. Onder slaapdienst wordt verstaan het door de werknemer in opdracht van de werkgever ’s avonds en/of ’s nachts
in de nabijheid van de cliënt slapen met de bedoeling om in voorkomende acute situaties aanwezig te zijn om
hulp te kunnen bieden.
2. De werknemer die een slaapdienst verricht ontvangt een vergoeding voor de in slaapdienst doorgebrachte uren.
Deze vergoeding bedraagt 30 % van de tijd doorgebracht in slaapdienst en wordt toegekend op basis van het
salaris behorend bij de door de werknemer beklede functie.

 

Hoofdstuk 6 Werk en privé
De artikelen in dit hoofdstuk gelden voor thuiszorgorganisaties ex artikel 1.1 lid 17 sub 2 (TZ) en (gedeeltelijk) voor
de verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 vanaf 1 januari 2008, tenzij anders bepaald.
(V&V: De artikelen 6.1, 6.1.2, 6.2, 6.2.1, 6.2.2 en 6.2.3 gelden vanaf 1 januari 2009. Tot 1 januari 2009 gelden voor
de V&V ter zake de bepalingen in Bijlage A, Hoofdstuk Werk en Privé)
(TZ: artikel 6.2.8 geldt vanaf 1 juli 2008)

Artikel 6.1 (Vakantie)verlof
(Dit artikel treedt voor de verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 in werking per 1 januari 2009.
Tot 1 januari 2009 gelden voor deze organisaties de bepalingen in Bijlage A, Hoofdstuk Werk en Privé)
1. De werknemer heeft per kalenderjaar bij een arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week, en afhankelijk van de
leeftijd die de werknemer in het betreffende kalenderjaar bereikt, recht op het navolgende aantal uren
(vakantie)verlof met behoud van salaris:
Leeftijd Aantal uren
18 jaar 246
19 jaar 238
20 jaar 231
21 tot en met 29 jaar 224
30 tot en met 39 jaar 231
40 tot en met 44 jaar 238
45 tot en met 49 jaar 246
50 tot en met 54 jaar 253
55 tot en met 64 jaar 317

Artikel 6.1.2 Garantieregeling verlof werknemers 55 jaar e n ouder in verpleeg- en verzorgingshuizen
(met ingang van 1 januari 2009):
1. De werknemer die, vóór 1 januari 2009 in dienst is bij een verpleeg-en verzorgingshuis ex artikel 1.1 lid 17 sub
1 èn de leeftijd heeft bereikt van 55 jaar, behoudt het recht op het leeftijdsverlof van 108 uren extra verlof, zoals
dit in de CAO V&V 2006 (art. 6.1.1.) was opgenomen;
2. De werknemer, als bedoeld in het vorig lid, heeft per kalenderjaar bij een arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per
week, recht op 335 uur (vakantie)verlof met behoud van salaris. Dit aantal garantie-uren is incl. de garantie van
108 uur als genoemd in lid 1 van dit artikel en incl. de uren als bepaald in art. 6.1
3. Voor de werknemer in dienst bij een verpleeg-en verzorgingshuis, die gebruik maakte vóór 1 april 2004 van de
55+ regeling (art. 6.2.4 CAO V&V 2006) is een garantieregeling opgenomen in Bijlage C van deze CAO.

Artikel 6.1.3 Opbouw (vakantie)verlof
1. Voor elke kalendermaand waarin de werknemer in dienst is of zal zijn, bedraagt het (vakantie)verlof 1/12 deel
van het per jaar vastgestelde (vakantie)verlof. Een maand, waarin het dienstverband voor de 16e is ingegaan of
na de 15e is geëindigd, wordt voor de bepaling van het (vakantie)verlof als een volle kalendermaand beschouwd.
2. Het verlof voor de werknemer met een arbeidsduur, die meer of minder dan de gemiddelde arbeidsduur van 36
uur per week bedraagt als bedoeld in art. 4.1 wordt naar evenredigheid vastgesteld. Het aantal uren
(vakantie)verlof wordt naar boven afgerond op halve of hele uren.

Artikel 6.1.4 Opnemen van (vakantie)verlof
1. De werkgever is verplicht de werknemer ieder jaar in de gelegenheid te stellen (vakantie)verlof op te nemen.
2. Het (vakantie)verlof wordt, tenzij de belangen van de afdeling of dienst waar de betrokken werknemer
aangesteld is zich hiertegen verzetten, overeenkomstig de wensen van de werknemer – desgewenst
ononderbroken - verleend. De werknemer kan tenminste aanspraak maken op een (vakantie)verlof van drie
weken aaneengesloten met inbegrip van de weekends daaraan voorafgaand en daarop aansluitend.
3. De werkgever kan een regeling treffen, die ertoe leidt, dat maximaal drie ziektedagen worden aangemerkt als
vakantieverlof in het geval dat de werknemer tijdens de arbeidsongeschiktheidsperiode met toestemming van de
controlerend geneeskundige vakantie geniet met dien verstande dat de werknemer recht houdt op tenminste het
in artikel 7:634 BW genoemde aantal vakantiedagen.
4. De werkgever kan, indien zich omstandigheden voordoen, welke hij op het moment van vaststelling van het
tijdvak van de (vakantieverlof niet kon voorzien en tengevolge waarvan het functioneren van de instelling c.q.
dienst of afdeling ernstig in gevaar komt, het door hem vastgestelde tijdvak van het (vakantie)verlof wijzigen.
Het nieuwe tijdvak van het (vakantie)verlof wordt door de werkgever in overleg met de werknemer vastgesteld.
5. De schade welke de werknemer tengevolge van deze wijziging lijdt, wordt door de werkgever vergoed.

Artikel 6.2 Verlof en feestdagen
(Dit artikel treedt voor de verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 per 1 januari 2009 in werking.
Tot 1 januari 2009 gelden voor deze organisaties de bepalingen van Bijlage A, artikel A4.2.3)
1. Het (vakantie)verlof is voorts mede bedoeld voor verlof op feest- en gedenkdagen als bedoeld in artikel 1.1 lid 6.
De werknemer kan ervoor kiezen om in plaats van genoemde dagen verlof op te nemen op andere bij de
godsdienst of de levensbeschouwing van de werknemer passende dagen. Dit lid laat de mogelijkheid onverlet,
dat uit de aard van de werkzaamheden kan voortvloeien, dat het onmogelijk is dat de werknemer op genoemde
dagen verlof opneemt.
2. De werknemer die in een vast patroon gedurende (maximaal) drie dagen per week werkt en die in ieder geval op
maandag en/of donderdag werkzaam is en waarbij deze werkdag(en) samenvalt (samenvallen) met een feest- of
gedenkdag, heeft het recht om in de gelegenheid gesteld te worden om op (een) andere dag(en) zijn
werkzaamheden te verrichten. Op deze wijze wordt het opnemen van verlofuren voor de betreffende feest- of
gedenkdag voorkomen.

Artikel 6.2.1 Betaald verlof in verband met bijzondere persoonlijke omstandigheden
(Dit artikel treedt voor de verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 per 1 januari 2009 in werking.
Tot 1 januari 2009 gelden voor deze organisaties de bepalingen van Bijlage A, artikel A4.2.1 en A4.2.2)
1. In afwijking van het bepaalde in de Wet Arbeid en Zorg is het (vakantie)verlof mede bedoeld voor situaties
waarin de werknemer verlof wenst op te nemen in verband met bijzondere persoonlijke omstandigheden dan wel
het kunnen voldoen aan wettelijke verplichtingen. Onder bijzondere persoonlijke omstandigheden worden in elk
geval begrepen: huwelijk, registratie van partnerschap, verhuizing, de bevalling van de echtgenote van de
werknemer of zijn geregistreerde partner inclusief kraamverlof, huwelijksjubilea en het overlijden van een van
zijn huisgenoten of een van zijn bloed- en aanverwanten in de rechte lijn en in de tweede graad van de zijlijn.
2. Het (vakantie)verlof is mede bedoeld voor die persoonlijke gebeurtenis waarbij de werknemer aangeeft in
verband met het overlijden van een van zijn huisgenoten of een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn
en in de tweede graad van de zijlijn rouwverlof te willen opnemen. De werkgever is verplicht om in situaties
waarin het door de aard van de persoonlijke gebeurtenis niet mogelijk is om het (vakantie)verlof tijdig in overleg
vast te stellen, de werknemer in de gelegenheid te stellen om toch (vakantie)verlof op te nemen, in een op de
persoonlijke gebeurtenis afgestemde redelijke omvang.

Artikel 6.2.2 Bezoek (tand)arts/specialist
(Dit artikel treedt voor de verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 per 1 januari 2009 in werking).
In afwijking van het vorige artikel is het (vakantie)verlof niet bedoeld voor bezoek aan (tand)arts/specialist, dat
noodzakelijkerwijs gedurende werktijd dient plaats te vinden.

Artikel 6.2.3 Calamiteitenverlof
(Dit artikel treedt voor de verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 per 1 januari 2009 in werking.
Tot 1 januari 2009 gelden voor deze organisaties de bepalingen van Bijlage A, artikel A4.2.1)
1. Bij zodanige ziekte in het gezin dat de werknemer regelingen moet treffen om de zorg te regelen heeft de
werknemer recht op calamiteitenverlof met behoud van salaris.
2. De omvang van dit verlof bedraagt – achteraf vast te stellen – de benodigde tijd met een maximum van 24 uur
per kalenderjaar.
3. De werknemer heeft, indien het verlof wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden in artikel 6.2.1 en het
verlof genoemd in de leden 1 en 2 van dit artikel, in enig kalenderjaar ontoereikend is, recht op onbetaald
calamiteiten- en ander kort verzuimverlof, indien is voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in de Wet
arbeid en zorg.

Artikel 6.2.4 Zorgverlof bij zeer ernstige ziekte
Bij zeer ernstige ziekte van de echtgeno(o)t(e) of relatiepartner, (pleeg)ouders, (pleeg)kind of een verwant, waarmee
de werknemer samenwoont, waarvoor thuisverpleging en/of verzorging noodzakelijk is, wordt aan de werknemer die
de verzorging en/of verpleging op zich neemt na overleg met de werkgever betaald verlof verleend voor een
aaneengesloten periode van maximaal drie maanden. Het tijdens deze periode van verlof opgebouwde vakantieverlof
wordt geacht in de totale verlofperiode te zijn inbegrepen.
Een verklaring van de arts/behandelaar met betrekking tot de noodzaak van de verpleging en/of verzorging wordt
door de werknemer overgelegd.

Artikel 6.2.5 Verlenging bevallingsverlof
Aansluitend aan haar betaald (bevallings)verlof verleent de werkgever aan de werknemer, die dit wenst, verlof zonder
behoud van salaris voor een periode van maximaal vier weken.
Werkgever en werknemer dienen uiterlijk drie maanden voor de vermoedelijke datum van de bevalling een afspraak
omtrent dit verlof te hebben gemaakt. De werknemer dient daartoe haar wens tijdig kenbaar te maken aan de
werkgever.

Artikel 6.2.6 Verlenging ouderschapsverlof
Het ouderschapsverlof kan, in afwijking van het bepaalde in de Wet arbeid en zorg, opgenomen worden over de
gehele contractuele arbeidsduur gedurende een periode van zes maanden. Deze periode van zes maanden kan in
overleg tussen werkgever en werknemer eenmaal verlengd worden met maximaal zes maanden.

Artikel 6.2.7 Wet Arbeid en Zorg
1. Voor zover in de artikelen van dit hoofdstuk niet anders is bepaald geldt het bepaalde in de Wet Arbeid en Zorg.
2. Ten aanzien van de bepalingen van de Wet arbeid en zorg inzake zwangerschaps-, bevallings- , adoptie- en
pleegzorg-, kort- en langdurend zorgverlof, zijn geen afwijkende bepalingen opgenomen.

Artikel 6.2.8 (Gedeeltelijk) afwijzen verlof
Indien uit een oogpunt van instellingsbelang c.q. patiëntenbelang van de werkgever in redelijkheid niet verlangd kan
worden op een bepaald tijdstip verzuim toe te staan of verlof te verlenen, dan zal na overleg met de werknemer door
de werkgever een (gedeeltelijk) afwijzend besluit mogen worden genomen.

Artikel 6.2.9 Premies tijdens onbetaald verlof
(Deze bepaling geldt voor de thuiszorgorganisaties ex artikel 1.1 lid 17 sub 2 met ingang van 1 juli 2008)
1. De over de periode van onbetaald verlof verschuldigde premies ten laste van de werkgever kunnen op de
werknemer worden verhaald.
2. De werknemer kan bij onbetaald verlof als bedoeld in artikelen 6.2.5 en 6.2.6 van de CAO dan wel bij
ouderschapsverlof op grond van de Wet arbeid en zorg, de pensioenverzekering bij het Pensionfonds Zorg en
Welzijn voortzetten, indien dit mogelijk is op grond van het pensioenreglement van het Pensioenfonds. De
werkgever neemt de vastgestelde werkgeversbijdrage van de daarvoor verschuldigde premie voor zijn rekening.
Lid 3 is alleen van toepassing voor de verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1:
3. de werknemer ontvangt tijdens de periode van onbetaald verlof als bedoeld in het vorige lid, de
werkgeversbijdrage in de basisaanvullende ziektekostenverzekering bij IZZ met inachtneming van het bepaalde
in de artikelen 9.9.1 t/m 9.9.5.
4. Het in de leden 2 en 3 bedoelde, voor rekening van de werkgever komend deel van de premies, bedraagt niet
meer dan de volledige gedurende de periode van onbetaald verlof aan het Pensioenfonds Zorg en Welzijn
respectievelijk aan het IZZ verschuldigde premies.
Ingeval de werkgever zorg draagt voor de afdracht van de volledige premie, verhaalt hij het deel dat niet voor
zijn rekening komt op de werknemer.
5. Het bepaalde in de vorige leden geldt alleen, indien de werknemer na het onbetaalde verlof zijn dienstverband
tenminste gedurende 6 maanden voortzet. Indien het dienstverband binnen deze termijn wordt beëindigd dient de
werknemer, de voor rekening van de werkgever komend deel van de premies in de periode van onbetaald verlof,
terug te betalen. Werkgever en werknemer treffen hiertoe een regeling.
6. (Treedt in werking per 1/1/08)
Doorbetaling van pensioenpremie tijdens levensloopverlof: bij de betaling van de pensioenpremie tijdens het
verlof betaalt de werknemer het werknemersdeel en de werkgever het werkgeversdeel, indien tijdens de
verlofperiode de werknemer ten minste een inkomen uit de levensloop heeft van 70% van het laatstgenoten
salaris.

 

Hoofdstuk 7 Meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden

Artikel 7.1 Meerkeuzesysteem
De werknemer kan in het kader van een meerkeuzesysteem geld- en tijdbronnen ruilen tegen geld-en tijddoelen.

Artikel 7.2 Randvoorwaarden Meerkeuzesysteem
Bij de invulling en inrichting van het meerkeuzesysteem worden de navolgende randvoorwaarden toegepast:
1. Indien de werknemer een tijdbron in zet voor een oriëntatie op zijn beroeps-/loopbaan is de waarde van de
tijdbron 120%.
2. Indien de werknemer gebruik maakt van het meerkeuzesysteem wordt de grondslag voor de berekening van
toeslagen overwerk en onregelmatige dienst/inconveniënte uren niet verlaagd met de ingezette bron.
3. Indien de werknemer kiest voor uitruil van een tijdbron tegen het doel extra pensioen, wordt de waarde van het
uurloon gelijk gesteld aan 115% van het actuele uurloon op het moment van de inwisseling van een geldbron in
een pensioenaanspraak.

Artikel 7.3 Inrichting Meerkeuzesysteem
De werkgever bepaalt in overleg met de ondernemingsraad de invulling en inrichting van het meerkeuzesysteem, met
inachtneming van artikel 7.2. In dat verband bepalen zij onder andere de bronnen en doelen. Voor wat betreft de
doelen kan onder meer gedacht worden aan financiering van kosten die voortvloeien uit de verplichte (her)registratie
in het kader van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, vakbondscontributie, contributie
beroepsorganisaties, fiets of reiskosten.

 

Hoofdstuk 8 Arbeid en gezondheid

Artikel 8.1 Loondoorbetaling bij ziekte en arbeidsongeschiktheid
1. De werknemer die door ongeschiktheid als gevolg van ziekte als bedoeld in artikel 7:629 BW verhinderd is de
bedongen arbeid te verrichten, heeft:
a. gedurende een termijn van 52 weken aanspraak op doorbetaling van zijn bruto salaris door de werkgever;
b. gedurende de daaropvolgende 52 weken aanspraak op doorbetaling van 70% van zijn bruto salaris en ten
minste op het voor hem geldende wettelijk minimum (jeugd)loon door de werkgever.
2. Onder bruto salaris als bedoeld in dit artikel wordt verstaan de som van:
a. het bruto-maandsalaris dat de werknemer geniet op het moment dat de ongeschiktheid als gevolg van ziekte
ontstaat;
b. overige structurele looncomponenten.
Geldt tot 1 augustus 2008:
Voor werknemers bij een thuiszorgorganisatie ex artikel 1.1 lid 17 sub 2 wordt de hoogte van de structurele
looncomponenten gemeten over een periode van drie maanden overige structurele looncomponenten.)
Vanaf 1 augustus 2008 geldt voor werknemers werkzaam bij een thuiszorgorganisatie ex artikel 1.1 lid 17
sub 2:
De hoogte van deze structurele looncomponenten wordt op maandbasis gemeten over een periode van zes
maanden voorafgaand aan de maand waarin de ongeschiktheid ten gevolge van ziekte is ingetreden.
Het bruto salaris wordt verminderd met:
c. de aanspraak die de werknemer als gevolg van de in lid 1 genoemde omstandigheden heeft op een uitkering
op grond van of krachtens een bij de wet geldende verzekering of op grond van een
arbeidsongeschiktheidspensioen ingevolge van een pensioenregeling of een samenloop daarvan.
d. De inkomsten in of buiten dienstbetrekking door de werknemer genoten voor werkzaamheden die hij heeft
verricht gedurende de tijd dat hij de bedongen arbeid had kunnen verrichten in de periode als bedoeld in lid
1 onder a.
3. Het bruto salaris wordt aangepast:
a. indien het maandsalaris wordt gewijzigd als gevolg van:
• toekenning van een periodieke verhoging gedurende de eerste 52 weken van ziekte;
• algemene salarisaanpassingen ingevolge deze CAO.
4. Gedurende de in lid 1 onder a en b genoemde perioden behoudt de werknemer recht op vakantiebijslag, onder
aftrek van de op grond van enige bij of krachtens de wet geldende verzekering toegekende vakantiebijslag.
De hoogte van de vakantiebijslag wordt vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.1.13.
5. Gedurende de in lid 1 onder a en b genoemde perioden behoudt de werknemer recht op de eindejaarsuitkering
als bedoeld in artikel 3.1.11.
6. Het recht op doorbetaling van het inkomen als bedoeld in lid 1 vervalt op het tijdstip dat de dienstbetrekking
eindigt.
7. Als de werknemer na beëindiging van zijn ziekte zijn werkzaamheden heeft hervat en binnen de termijn als
genoemd in artikel 7: 629 lid 10 BW, na deze hervatting opnieuw ziek wordt, zal de tweede ziekte als een
voortzetting van de eerste worden beschouwd.

Artikel 8.1.1 Loondoorbetaling bij ziekte en arbeidsongeschiktheid bij min-maxcontract
(treedt voor de verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 in werking vanaf 1 augustus 2008)
Met inachtneming van het bepaalde in het vorige artikel geldt voor werknemers met een min-maxcontract als bedoeld
in artikel 4.2 in afwijking het vorige artikel lid 2a het navolgende, voor zover het salaris moet worden bepaald over
een tijdvak dat werkgever en werknemer nog geen afspraak hebben gemaakt over de toepassing van het variabele
gedeelte: het bruto maand- of periodesalaris, vastgesteld als gemiddelde over de 3 maanden of 3 periodes,
voorafgaand aan de maand of de periode waarin deze vaststelling plaatsvindt

Artikel 8.1.2 Productieve arbeid en reïntegratie-activiteiten tijdens ziekte
Voor de werknemer die gedurende de periode als bedoeld in artikel 8.1 lid 1 onder b productieve arbeid verricht bij
de werkgever of bij een derde, en/of reïntegratieactiviteiten verricht, die tussen werkgever en werknemer zijn
overeengekomen in het plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:658a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek geldt het
volgende:
a. de uren die zijn besteed aan productieve arbeid en/of de uren die direct zijn besteed aan reïntegratieactiviteiten
worden doorbetaald tegen 100% van het op dat moment voor de werknemer geldende salaris.
b. de overige uren worden doorbetaald overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1 lid 1 onder b en lid 2.
c. de overeenkomstig sub a en/of sub b genoten inkomsten kunnen afzonderlijk dan wel tezamen ten hoogste 100%
bedragen van het bruto salaris als bedoeld in artikel 8.1 lid 2 en nooit minder dan 70%, met een minimum van
het voor de werknemer geldende wettelijk minimum (jeugd)loon.

Artikel 8.1.3 Loonaanvulling vervroegde IVA-uitkering
1. Ingeval de werknemer, als gevolg van een vervroegde keuring als bedoeld in de WIA, gedurende de eerste 52
weken van ziekte als bedoeld in artikel 8.1 lid 1 onder a recht heeft op een IVA-uitkering als bedoeld in de WIA,
heeft hij aanspraak op een aanvulling van de werkgever tot 100% van brutosalaris als bedoeld in artikel 8.1 lid 2.
2. Het brutosalaris wordt verminderd met:
a. het bedrag van de uitkering door de werknemer ontvangen op grond van enige bij of krachtens de wet
geldende verzekering of uitkeringsregeling alsmede een uitkering op grond van het
arbeidsongeschiktheidspensioen ingevolge een pensioenregeling;
b. het bedrag aan bruto salaris in of buiten dienstbetrekking door de werknemer genoten voor werkzaamheden
die hij heeft verricht gedurende de tijd dat hij recht heeft op een IVA-uitkering als bedoeld in lid 1.

Artikel 8.1.4 WIA 0-35%
(dit artikel is alleen van toepassing voor werknemers werkzaam bij verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid
17 sub 1)
1. De werknemer die na afloop van twee jaar ziekte als bedoeld in artikel 8.1. lid 1 onder a en b op grond van de
claimbeoordeling ingevolge de WIA minder dan 35% arbeidsongeschikt is, heeft aanspraak op 100% van zijn
salaris indien hij werkzaam is in zijn functie dan wel arbeid verricht op het niveau van zijn functie. Indien de
werknemer een andere functie gaat vervullen, waarop een ander salaris van toepassing is, heeft de werknemer
aanspraak op dat salaris.
2. Het feit dat een werknemer voor 0-35% arbeidsongeschikt is verklaard, vormt als zodanig geen reden voor
ontslag. Het voorgaande is niet gelijk te stellen met een absoluut ontslagverbod, de overige normale
ontslaggronden blijven van toepassing.

Artikel 8.1.5 Verlagen of vervallen van loondoorbetaling
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 7: 629 lid 3 en lid 6 BW, kan de werkgever de doorbetaling van het
inkomen als bedoeld in artikel 8.1 lid 1 verlagen tot het in artikel 7: 629 lid 1 BW voorgeschreven niveau, indien
blijkt dat de werknemer de verplichtingen die de werkgever - op grond van de wet en/of een eigen regeling - aan
de zieke werknemer stelt, niet is nagekomen.
2. Het recht op loondoorbetaling als bedoeld in artikel 8.1 lid 1, kan door de werkgever geheel of gedeeltelijk
vervallen verklaard worden, wanneer de aanspraak op uitkering ingevolge de ZW, WIA, WAO of WW geheel
of gedeeltelijk komt te vervallen, tenzij dit aan de werkgever te wijten is.

Artikel 8.1.6 Regeling positieve/negatieve stimulansen vermindering ziekteverzuim
Dit artikel vervalt per 1/8/08
Voor werknemers werkzaam in de verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 geldt:
De werkgever kan met als doel het leveren van een bijdrage aan het verminderen van het ziekteverzuim, met
instemming van het medezeggenschapsorgaan op grond van artikel 27 van de WOR, een regeling treffen waarin een
of meer stimulansen zijn opgenomen. Voorwaarden voor de regeling zijn:
a. er dient rekening te worden gehouden met de positie van de chronisch zieken;
b. de regeling dient jaarlijks met de OR dan wel PVT te worden besproken en geëvalueerd;
c. de werkgever verstrekt jaarlijks informatie aan alle werknemers over de toepassing van de regeling, bijvoorbeeld
in het sociaal jaarverslag;
d. van de regeling mogen geen werknemers worden uitgesloten en de stimulansen dienen positief van aard te zijn.
Voor werknemers werkzaam bij thuiszorgorganisaties ex artikel 1.1 lid 17 sub 2 geldt:
1. Als onderdeel van een beleidsplan voor de bestrijding van ziekteverzuim kan de werkgever met instemming van
de ondernemingsraad een samenhangend stelsel van positieve en negatieve arbeidsvoorwaardelijke prikkels
invoeren.
2. Bij de toepassing van het eerste lid kan zowel in gunstige als in ongunstige zin van de bepalingen van deze
CAO worden afgeweken.

Artikel 8.2.1 Plan van aanpak arbeidsomstandigheden
De werkgever stelt een plan van aanpak inzake de arbeidsomstandigheden op.
De werkgever draagt er zorg voor dat het plan van aanpak en de prioritering binnen dit plan aansluiten op de aard en
de omvang van de binnen de instelling geconstateerde arborisico’s.
De werkgever zal het plan van aanpak met het medezeggenschapsorgaan bespreken en evalueren.

Artikel 8.2.2 Risico inventarisatie en evaluatie
De werkgever zal ten behoeve van de door hem op grond van de Arbowet uit te voeren risico inventarisatie en
evaluatie (RI&E) gebruik maken van het standaardmodel RI&E welke voor de branche verpleeg- en
verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 in opdracht van sociale partners is ontwikkeld.

Artikel 8.2.3 Ziekteverzuim
De werkgever onderzoekt oorzaken van geconstateerde substantiële afwijkingen, bijvoorbeeld op een afdeling, van
het gemiddelde ziekteverzuim binnen de instelling. De werkgever voert overleg met het medezeggenschapsorgaan
over de noodzaak tot het treffen van maatregelen.

Artikel 8.2.4 Arbozorgsysteem
De werkgever hanteert een arbozorgsysteem.

Artikel 8.2.5 Kwaliteit van de arbeid
1. De werkgever hanteert een methode van capaciteitsplanning in het kader van de kwaliteit van de arbeid en
verstrekt hierover binnen de organisatie informatie. Daarmee wordt beoogd de medewerkers en het medezeggenschapsorgaan te betrekken bij de planning van de inzet van personeel in kwalitatieve en
kwantitatieve zin.
2. De werkgever overlegt tenminste eenmaal per jaar met het medezeggenschapsorgaan over de toepassing van
deze methode.
3. De werkgever is gehouden om verbeteracties te realiseren indien het medezeggenschapsorgaan of de werkgever
knelpunten hebben geconstateerd.
4. Onder knelpunten als bedoeld in lid 3 worden in ieder geval verstaan frequent voorkomende ‘last-minute’
wijzigingen die een gebleken negatief effect hebben op de werklast en de werkdruk.
De navolgende bepalingen (8.3.1 t/m 8.3.4) blijven voor de verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1
gehandhaafd in het kader van het overleg over de totstandkoming van de arbocatalogus.

Artikel 8.3.1 Preventiebeleid fysieke belasting
1. De werkgever voert een preventief beleid, dat erop is gericht om de mate van blootstelling van werknemers aan
fysieke overbelasting terug te dringen.
Het beleid is gebaseerd op een door de werkgever opgesteld plan van aanpak preventiebeleid fysieke belasting.
Bij de uitvoering van het beleid maakt hij gebruik van de door partijen ter beschikking gestelde instrumenten en
richtlijnen.
2. Het Plan van Aanpak Preventiebeleid fysieke belasting als bedoeld in lid 1 bevat in ieder geval het volgende:
a. de wijze van aanpak van de aan de hand van de in lid 1 bedoelde instrumenten en richtlijnen vastgestelde
lacunes en/of verbeterpunten in het bestaande preventiebeleid;
b. in samenhang met het onder a gestelde, de wijze van aanpak van de met behulp van de in lid 1 bedoelde
instrumenten en richtlijnen vastgestelde mate van fysieke overbelasting;
c. ten aanzien van de aanpak van verbeterpunten als bedoeld onder a en b worden vastgelegd:
-de concrete maatregelen welke genomen zullen worden;
-het tijdpad waarbinnen de verschillende maatregelen genomen worden;
-de prioritering van de te nemen maatregelen, welke gerelateerd is aan de mate van blootstelling aan
fysieke overbelasting;
-de (eind)verantwoordelijke persoon, afdeling of onderdeel voor elk van de maatregelen afzonderlijk en
voor het geheel van maatregelen gezamenlijk.
d. Het plan van aanpak wordt in overleg met het medezeggenschapsorgaan vastgesteld en tenminste 1 maal
per jaar geëvalueerd met het medezeggenschapsorgaan.
3. De werknemer is gehouden zijn medewerking te verlenen aan maatregelen en activiteiten van de werkgever in
het kader van de aanpak van fysieke overbelasting.

Artikel 8.3.2 Preventiebeleid psychische belasting
1. De werkgever voert een preventief beleid dat erop is gericht om de mate van blootstelling van werknemers aan
te hoge psychische belasting en werkdruk terug te brengen.
Het beleid is gebaseerd op een door de werkgever opgesteld plan van aanpak preventiebeleid psychische
belasting en werkdruk
2. De werknemer is gehouden zijn medewerking te verlenen aan maatregelen en activiteiten van de werkgever als
bedoeld in lid 1.

Artikel 8.3.3 Seksuele intimidatie
1. De werkgever zorgt er voor dat de werknemer zo veel mogelijk wordt beschermd tegen seksuele intimidatie en
de nadelige gevolgen daarvan.
2. Onder seksuele intimidatie, als bedoeld in lid 1, wordt verstaan:
ongewenste seksuele toenadering, verzoek om seksuele gunsten of ander verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag
van seksuele aard waarbij tevens sprake is van een van de volgende punten:
3. a. Onderwerping aan dergelijk gedrag wordt, hetzij expliciet hetzij impliciet, gehanteerd als voorwaarde voor
tewerkstelling van een persoon.
b. Onderwerping aan of afwijzing van dergelijk gedrag door een persoon, wordt gebruikt of mede gebruikt als
basis voor beslissingen die het werk van deze persoon raken.
c. Dergelijk gedrag heeft het doel de werkprestaties van een persoon aan te tasten en/of een intimiderende,
vijandige of onaangename werkomgeving te creëren.
d. De werkgever kan een vertrouwenspersoon benoemen bij wie werknemers die met seksuele intimidatie
worden geconfronteerd zich kunnen melden voor opvang, steun en advies.
e. Indien de werkgever besluit tot het benoemen van een vertrouwenspersoon, kan het
medezeggenschapsorgaan een bindende voordracht doen.
f. De vertrouwenspersoon is alleen verantwoording schuldig aan de werkgever.
g. De werkgever verschaft de noodzakelijke faciliteiten.
h. Artikel 21 WOR aangaande bescherming van de rechtspositie wordt voor de functie van de
vertrouwenspersoon van toepassing verklaard.
4. Indien de werkgever besluit tot het benoemen van een klachtencommissie die klachten over seksuele intimidatie
onderzoekt, geschiedt de benoeming, de regeling van de samenstelling, werkwijze, taken en bevoegdheden van
de klachtencommissie in overleg met het medezeggenschapsorgaan.
5. Indien de werknemer een geval van seksuele intimidatie bij de werkgever heeft gemeld, stelt de werkgever of
een daartoe ingestelde klachtencommissie een onderzoek in.
6. Indien een werknemer wordt geconfronteerd met seksuele intimidatie heeft zij/hij het recht de werkzaamheden
onmiddellijk te onderbreken zonder dat dit een dringende reden voor ontslag in de zin van artikel 7: 678 BW
oplevert. In dat geval dient het voorval onmiddellijk bij de werkgever gemeld te worden.
7. In afwachting van het in lid 5 genoemde onderzoek heeft de werknemer het recht de werkzaamheden te
weigeren die haar/hem opnieuw in contact brengen met degene tegen wie het onderzoek loopt.
8. De werkgever voorkomt dat de positie van de werknemer geschaad wordt als gevolg van het melden van een
klacht over seksuele intimidatie.

Artikel 8.3.4 Agressie en geweld
1. De werkgever zorgt er voor dat de werknemer zoveel mogelijk wordt beschermd tegen uitingen van agressie en
geweld en de nadelige gevolgen daarvan. De werkgever voert hiertoe preventief beleid ten aanzien van agressie
en geweld.
2. De werkgever zal regelingen treffen voor de opvang van werknemers die te maken hebben gekregen met
agressie, geweld en traumatische ervaringen. De kosten van deze regeling komen voor rekening van de
werkgever.
3. In de door de werkgever uit te voeren Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) zal aandacht worden besteed
aan de onderwerpen agressie, geweld en de opvang in verband met traumatische ervaringen.

 

Hoofdstuk 9 Bijdragen en uitkeringen

Dit artikel treedt in werking per 1 januari 2008 met inachtneming van de navolgende overgangsmaatregel. Eigen
instellingsregelingen die vóór 1 januari 2008 tussen de werkgever en de OR zijn overeengekomen op grond van
artikel 1 lid 4 Uitvoeringsregeling J CAO-Thuiszorg respectievelijk artikel 10.1.1 lid 8 CAO-V&V, voor zover die
afwijken van de per 1 januari 2008 geldende regeling uit deze cao, blijven vanaf 1 januari 2008 gehandhaafd.
Werkgever en OR zijn evenwel verplicht opnieuw overleg te voeren over deze instellingsregelingen tegen de
achtergrond van de nieuwe vergoedingsregeling woon-werkverkeer van deze cao. Indien werkgever en OR daarover
geen overeenstemming bereiken, blijft de instellingsregeling ongewijzigd.

Artikel 9.1 Vergoedingen voor reiskoste n
1. Aan de werknemer die op een vaste standplaats, de standplaats is bepalend voor het woonwerkverkeer, een door
de werkgever aan te wijzen locatie, zijn werk verricht, wordt een tegemoetkoming ge geven in de kosten
verbonden aan het eenmaal dagelijks heen en weer reizen van zijn woning naar die standplaats overeenkomstig
het bepaalde in artikel 9.2 van deze regeling.
2. Aan de werknemer die zijn werk verricht bij cliënt(en) thuis en hiertoe rechtstreeks van zijn woning naar deze
cliënt(en) reist, wordt een tegemoetkoming in de reiskosten gegeven overeenkomstig het bepaalde in artikel
9.3.1 van deze regeling.
3. Aan de werknemer die op een vaste standplaats, een door de werkgever aan te wijzen locatie, zijn werk verricht
en vanuit deze standplaats naar cliënt(en) thuis reist om daar werkzaamheden te verrichten òf op een andere door
de werkgever aan te wijzen locatie zijn werk verricht, ontvangt:
a. een vergoeding voor woon-werkverkeer als bedoeld lid 1 van dit artikel;
b. voor het reizen van die standplaats naar cliënten thuis dan wel naar een door de werkgever aan te wijzen
locatie een vergoeding overeenkomstig het bepaalde in artikel 9.3.1 en artikel 9.3.2. In afwijking van het
bepaalde in artikel 9.3.2 eerste lid, onder punt a, geldt in dit geval voor alle kilometers een vergoeding van netto
€ 0,27, indien het bepaalde vervoermiddel auto of motor is.
4. Aan de werknemer die in opdracht van de werkgever in het kader van zijn werkzaamheden incidenteel reis- en
verblijfkosten ter zake van dienstreizen moet maken worden deze kosten overeenkomstig het bepaalde in artikel
9.4.2 vergoed.
5. Onder locatie wordt verstaan in de zin van dit artikel: een door de werkgever aan te wijzen plaats waar de
werknemer zijn werk verricht. Onder locatie wordt niet verstaan de woning van een cliënt in de thuissituatie.

Artikel 9.2 Vergoeding kosten woon- werkverkeer
1. Aan de werknemer wordt een tegemoetkoming gegeven in de kosten verbonden aan het eenmaal dagelijks heen
en weer reizen van zijn woning naar zijn standplaats, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden.
2. Onder de in het eerste lid genoemde kosten worden verstaan de reiskosten gebaseerd op de laagste klasse van het
openbaar vervoer alsmede de kosten voortvloeiend uit gebruik van brug, tunnel of veer.
3. Het bedrag van de vergoeding als bedoeld in het eerste lid bedraagt maximaal € 116,38* / € 118,79** per
maand. Op het bedrag van de vergoeding komt in mindering een eigen bijdrage van de werknemer van € 55,35*
/ € 56,50**.
4. Voor de werknemer, die gebruik maakt van eigen vervoer wordt de vergoeding met inachtneming van het
bepaalde in het derde lid gefixeerd op het tarief, dat met inachtneming van het aantal af te leggen kilometers, bij
vervoer per trein laagste klasse geldt.
5. Voor werknemers met wie in het kader van een deeltijd arbeidsduur is overeengekomen dat gemiddeld minder
dan vijf dagen per week wordt gereisd, wordt het bedrag van de tegemoetkoming alsmede van de eigen bijdrage
als bedoeld in lid 3 naar rato van het aantal werkdagen vastgesteld.
6. Op verzoek van de werkgever dient de werknemer de bescheiden over te leggen waaruit het bedrag van de
tegemoetkoming kan worden vastgesteld.
7. De in de leden 3 en 4 genoemde bedragen worden gelijktijdig met de wijziging van de vervoertarieven van de
NS aangepast.
8. De werkgever kan in overleg met de OR dan wel de PVT een afwijkende regeling treffen voor (de)
werknemer(s) ten aanzien van de vergoeding voor het dagelijks heen en weer reizen van zijn woning naar zijn
werk. Deze regeling treedt dan in de plaats van het bepaalde in de artikelen 9.1 en 9.2. Indien er geen
overeenstemming is bereikt, blijft het bepaalde in de artikelen 9.1 en 9.2 van toepassing.
* Per 1 januari 2008
** Per 1 februari 2008

Artikel 9.3.1 Vergoeding reiskosten van huis naar cliënten in de wijk
1. Aan de werknemer als bedoeld in artikel 9.1 leden 2 en 3 onder b, wordt voor het reizen naar een cliënt in de
wijk een vergoeding toegekend voor de aan zijn werk gerelateerde reis- en verblijfkosten volgens de navolgende
bepalingen.
2. De werkgever bepaalt in overleg met de werknemer van welk van de in deze regeling genoemde
vervoermiddelen wordt uitgegaan.
3. Indien de werkgever op basis van een met de ondernemingsraad overeengekomen regeling een vervoermiddel
aan de werknemer beschikbaar stelt, wordt voor de daarmee afgelegde reizen geen vergoeding toegekend.
4. Werkgever en ondernemingsraad kunnen voor de vergoeding van reis- en verblijfkosten naast de onderhavige
regeling aanvullende afspraken maken.
De aanvullende afspraken die reeds bij de invoering van de wijziging van de onderhavige uitvoeringsregeling J
CAO TZ (1 januari 2003, dan wel periode 1 van 2003) bestaan, blijven van kracht tenzij in overleg tussen
werkgever en ondernemingsraad andere afspraken worden gemaakt. Dit laatste ingegeven door het totaal van
kosten dat samenhangt met de kosten voortkomende uit deze bepaling.

Artikel 9.3.2 Vergoedingsnormen per vervoermiddel
1. De vergoeding voor reiskosten is afhankelijk van het volgens artikel 9.3.1 lid 2 bepaalde vervoermiddel en wel
als volgt:
a. Auto/motor: voor de door de werknemer afgelegde eerste 10 kilometers per dag ontvangt de werknemer
netto € 0,15 per kilometer. Voor alle afgelegde kilometers boven 10 kilometer per dag ontvangt de
werknemer netto € 0,27 per kilometer.
Bromfiets/scooter/snorfiets: de werknemer ontvangt per dag netto € 1,91 ongeacht het aantal afgelegde
kilometers.
b. Fiets: de werknemer ontvangt per dag netto € 1,09 ongeacht het aantal afgelegde kilometers.
c. Openbaar vervoer: de werknemer ontvangt een netto-vergoeding, berekend als volgt:
• de werkelijke kosten op basis van het laagste klassetarief, indien aan de fiscale voorschriften voor
belasting- en premievrije vergoeding van de werkelijke kosten wordt voldaan (hetgeen bij de huidige
wetgeving onder andere inhoudt dat de werknemer de vervoerbewijzen na gebruik bij de werkgever
inlevert en de werkgever deze administreert);
• indien niet aan de fiscale voorschriften voor vergoeding van de werkelijke kosten wordt voldaan,
bijvoorbeeld indien per auto/motor wordt gereisd terwijl dit niet als uitgangspunt is afgesproken voor
de vergoeding, wordt een bedrag toegekend op basis van de volgende tabel:
Enkele reisafstand
woning-werk:
Vergoeding bij reizen op:
1 dag per week 2 dagen per
week
3 dagen per week 4 of meer dagen per
week
meer
dan:
tot en met:
0 km 10 km – – – –
10 km 15 km € 16,25 per maand € 32,50 per
maand
€ 48,75 per maand € 65,– per maand
€ 3,75 per week € 7,50 per week € 11,25 per week €15,– per week
15 km 20 km € 22,75 per maand € 45,50 per
maand
€ 68,25 per maand € 91,– per maand
€ 5,25 per week € 10,50 per
week
€ 15,75 per week € 21,– per week
20 km € 32,50 per maand € 65,00 per
maand
€ 97,50 per maand € 130,– per maand
€ 7,50 per week € 15,00 per
week
€ 22,50 per week € 30,– per week
2. Voor zover de in het voorgaande lid genoemde vergoedingen in het kalenderjaar fiscaal bovenmatig zijn,
worden zij geacht mede te strekken tot vergoeding van reiskosten die de werkgever in zoverre nog wel
aanvullend belastingvrij kan vergoeden1.

Artikel 9.4.1 Vergoeding extra kosten woon-werkverkeer
1. Aan de werknemer, op wie de regeling als bedoeld in artikel 9.1 lid 2 en artikel 9.1 lid 3 sub b niet van
toepassing is, wordt een vergoeding verleend van de kosten verbonden aan het heen en weer reizen van zijn
woning naar de plaats waar hij zijn werk moet verrichten ten gevolge van:
-gebroken diensten met een onderbreking langer dan 3 uren;
-een oproep in het kader van de bereikbaarheidsdienst;
-overwerk op uren die niet aansluiten op de normale arbeidstijd;
-aanwezigheidsdienst op uren die niet aansluiten op de normale arbeidstijd
2. Onder reiskosten wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan:
-de kosten gebaseerd op de laagste klasse van het openbaar vervoer;
-indien de werknemer van eigen auto gebruik maakt: het bedrag van het tarief dat, met inachtneming van het
aantal afgelegde kilometers, bij vervoer per trein laagste klasse geldt;
- bij een oproep al dan niet in het kader van de bereikbaarheidsdienst de werkelijk gemaakte reiskosten dan
wel indien van een eigen auto gebruik wordt gemaakt een vergoeding van € 0,27 * ct netto per km /0,30**
ct. bruto per km.
** € 0,30 bruto geldt voor de verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 tot 1 juli 2008. Per 1 juli
2008 geldt 0,27 cent netto/km.

Artikel 9.4.2 Vergoeding reis- en verblijfkosten incidentele dienstreizen
1. Aan de werknemer die in opdracht van de werkgever in het kader van zijn werkzaamheden incidenteel reis- en
verblijfkosten ter zake van dienstreizen moet maken worden deze kosten vergoed met inachtneming van de
navolgende richtlijnen.
Voor de verblijfkosten: de noodzakelijk gemaakte kosten.
Voor de reiskosten:
-de kosten van openbaar vervoer op basis van laagste klasse tarief;
-een vergoeding van netto € 0,27**/bruto 0,30* per kilometer indien de werknemer met toestemming van
de werkgever van eigen auto gebruikt maakt. Dit bedrag wordt gelijktijdig met de wijziging van de
vervoerstarieven van het openbaar vervoer aangepast.
2. Op verzoek van de werkgever dient de werknemer de bescheiden over te leggen waaruit het bedrag van de
vergo eding kan worden vastgesteld.
3. De werkgever kan in overleg met de OR dan wel de PVT een afwijkende regeling treffen ten aanzien van het
toekennen van een vergoeding aan (de) werknemer(s) voor de gemaakte reis- en verblijfkosten. Deze regeling
treedt dan in de plaats van dit artikel. Indien er geen overeenstemming is bereikt, blijft dit artikel van toepassing.
* € 0,27 cent netto per km: geldt voor per 1 januari 2008 voor de thuiszorgorganisatie ex artikel 1.1. lid 17 sub 2
** € 0,30 bruto per km geldt voor de verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 tot 1 juli 2008. Per
1 juli 2008 geldt € 0,27 cent netto/km

Artikel 9.5 Uitkering bij overlijden
1. Ingeval van overlijden van de werknemer wordt door de werkgever aan:
a. de echtgeno(o)t(e) of relatiepartner, van wie de werknemer niet duurzaam gescheiden leefde, en bij
ontstentenis van deze aan
b. diens minderjarige kinderen, en bij ontstentenis van deze aan
c. degene ten aanzien van wie de werknemer grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij
in gezinsverband leefde,
een uitkering verstrekt op basis van diens laatstgenoten salaris over de periode vanaf de dag na het overlijden tot
en met de laatste dag van de derde maand na die waarin het overlijden plaatsvond.
2. De overlijdensuitkering wordt belasting- en premievrij uitbetaald met uitzondering van het salaris over de maand
van overlijden.
3. Indien de overledene geen betrekkingen nalaat als hierboven genoemd, kan de werkgever de uitkering of een
gedeelte daarvan doen toekomen aan de persoon of de personen, die daarvoor naar het oordeel van de werkgever
op grond van billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt/komen.
4. De overlijdensuitkering als bedoeld in het eerste lid wordt verminderd met het bedrag der uitkering ter zake van
overlijden krachtens de ZW of de WAO/WIA.

Artikel 9.6 Herregistratie sociaal -geneeskundigen
De werknemer in een functie als sociaal-geneeskundige heeft recht op een vergoeding van kosten die samenhangen
met de verplichting tot herregistratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Stb.
1993, nr. 655). De vergoeding betreft zowel de doorbetaling van salaris over de binnen de werktijd vallende
1 Voor een deel zijn de in artikel 9.3.4 genoemde vergoedingen lager dan de fiscale norm van € 0,19 per kilometer, voor kilometers
die in verband met het werk worden gereisd. Voor een ander deel is sprake van fiscale bovenmatigheid. De fiscus staat toe om de
ruimte die overblijft bij de lagere vergoedingen fiscaal ‘weg te strepen’ tegen (een deel) van de bovenmatige vergoedingen,
waarmee de bovenmatigheid en dus de fiscale lasten kunnen worden beperkt. Deze handelwijze, door de fiscus ‘saldering’ genoemd,
wordt alleen toegestaan wanneer in de regeling een bepaling wordt opgenomen, zoals bij lid 2 is gedaan, die voorziet in de
mogelijkheid om (delen van) de ene vergoeding toe te rekenen aan een andere.
noodzakelijke bij- en nascholingstijd, inclusief activiteiten zoals intercollegiale toetsing, alsook de noodzakelijke
kosten van de scholing.
De werkgever behoudt ten aanzien van de door de werknemer gekozen vorm van bij- en nascholing het recht tot
toetsing daarvan aan het belang van de organisatie.

Artikel 9.7 Herregistratie verpleeghuisartsen
1. De werknemer, werkzaam in de functie van verpleeghuisarts, heeft in het kader van de herregistratie ingevolge
de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Stb. 1993, nr. 655) recht op vergoeding van kosten
van noodzakelijke scholing. De voor scholing benodigde tijd wordt als werktijd aangemerkt.
2. Op de in het eerste lid bedoelde vergoeding bestaat alleen recht indien en voor zover deze kosten voortvloeien
uit het Besluit eisen en voorwaarden inzake herregistratie van verpleeghuisartsen (Stct. 26 maart 2002, nr. 60).

Artikel 9.8.1 Wachtgeld
1. Aan de werknemer wiens arbeidsovereenkomst, niet op eigen verzoek, eindigt
-hetzij door opzegging door de werkgever na toestemming van de Centrale organisatie Werk en Inkomen op
grond van het BBA;
-hetzij door ontslag na verkregen toestemming van de kantonrechter;
-hetzij op grond van een uitspraak van het Scheidsgerecht;
-hetzij op grond van een uitspraak van de gewone rechter.
wordt, indien deze beëindiging geschiedt wegens:
a. gehele of gedeeltelijke opheffing van zijn functie;
b. reorganisatie waardoor zijn werkzaamheden geheel of gedeeltelijk overbodig zijn geworden;
c. fusie, liquidatie of gehele dan wel gedeeltelijke sluiting van de instelling;
d. onbekwaamheid van de werknemer, welke niet aan zijn schuld of toedoen is te wijten. De werknemer dient
tenminste de leeftijd van 50 jaar te hebben bereikt alsmede 15 jaar of langer bij de werkgever of diens
rechtsvoorganger in dienst te zijn, met ingang van de dag van het ontslag een wachtgeld toegekend.
2. Het wachtgeld wordt toegekend indien:
-aan de werknemer een uitkering ingevolge de WW is toegekend;
-en hij overigens al datgene doet wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van de in lid 4 sub a. genoemde
uitkeringen.
3. Aan de werknemer, aan wie door de werkgever schriftelijk wordt medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst op
een van de gronden, genoemd in het eerste lid, zal worden beëindigd, wordt, indien hij voor de dag van het
ontslag een andere dienstbetrekking aanvaardt, waaraan een lager salaris is verbonden, met ingang van de dag
van indiensttreding respectievelijk een aanvulling op dat salaris respectievelijk die inkomsten tot de hoogte van
het wachtgeld toegekend. Het in dit lid bepaalde geldt overeenkomstig in geval van inkomsten uit bedrijf.
4. Voor de toepassing van de verdere bepalingen van deze wachtgeldregeling wordt onder wachtgeld verstaan de
som van enerzijds:
a. de uitkering ingevolge de WW, een eventuele uitkering ingevolge de ZW, de WAO, de WIA, alsmede de
uitkering ingevolge een loonsuppletieregeling, alsmede de overbruggingsuitkering van het Pensioenfonds
Zorg en Welzijn dan wel, in het geval van een rechthebbende die geen aanspraak heeft op de
overbruggingsuitkering, hetgeen de rechthebbende als flexpensioenuitkering, die verplicht tot uitkering
komt, ingevolge de pensioenregeling van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn ontvangt ;
b. inkomsten uit arbeid of bedrijf, voor zover het vorige lid of artikel 9.8.6 lid 1 t/m 3van toepassing is;
c. anderzijds de aanvulling daarop van de werkgever.
5. De uitkering van wachtgeld geschiedt maandelijks met inachtneming van de voor de salarisbetaling geldende
regelingen.
6. Het recht op wachtgeld kan in overleg tussen de werkgever en de rechthebbende geheel of gedeeltelijk worden
vervangen door een afkoopsom.
7. De werkgever is in geval van sluiting van de instelling verplicht tijdig maatregelen te nemen die financiering
van de wachtgeldverplichting waarborgen.

Artikel 9.8.2 Duur van het wachtgeld
Treedt in werking per 1 juli 2008
1. Het wachtgeld wordt toegekend gedurende drie maanden, vermeerderd met drie maanden voor elk vol
dienstjaar, met dien verstande dat bij toepassing van deze bepaling de duur van het wachtgeld is gemaximeerd
tot de duur van de voor de betreffende (ex)werknemer geldende loongerelateerde WW-uitkering.
2. Voor de werknemer die binnen vijf jaren na de datum van het ontslag de pensioengerechtigde leeftijd zal
bereiken en daarenboven op de datum van het ontslag tenminste 10 dienstjaren bij de instelling zal hebben
volbracht, wordt de duur van het wachtgeld verlengd tot het bereiken van die leeftijd.
3. Tijdens de in de leden 2 en 3 van dit artikel vermelde verlengde wachtgeldperiode is het bepaalde van artikel
9.8.3 lid 1 met betrekking tot de hoogte van het wachtgeld van toepassing.
4. Voor de bepaling van het aantal dienstjaren als bedoeld in het eerste lid, tellen de jaren mee die de werknemer
heeft doorgebracht bij de huidige werkgever en diens rechtsvoorganger(s).

Artikel 9.8.3 Hoogte van het wachtgeld
1. Het wachtgeld is gedurende de eerste zes maanden gelijk aan het laatstgenoten salaris en bedraagt vervolgens
gedurende de volgende drie maanden 80%, gedurende de daarop volgende twee jaren 75% en vervolgens 70%
van het salaris.
De berekeningsgrondslag voor het wachtgeld is het laatstgenoten brutosalaris van de rechthebbende,
vermeerderd met het bedrag der vakantiebijslag en structurele eindejaarsuitkering, berekend over een maand
waarop de rechthebbende op de dag voorafgaand aan zijn ontslag aanspraak had of zou hebben gehad bij
waarneming van zijn functie.
Indien dit salaris geheel of gedeeltelijk uit wisselende inkomsten bestaat, geldt ten aanzien van deze inkomsten
als laatstelijk genoten salaris of als deel daarvan het gemiddelde salaris over de laatste twaalf volle
kalendermaanden aan het ontslag voorafgaand.
Als deel van de berekeningsgrondslag geldt tevens het bedrag dat over de twaalf volle kalendermaanden,
voorafgaand aan het ontslag, gemiddeld aan toelage inconveniënte uren is toegekend.
Gedurende de wachtgeldperiode bedraagt het wachtgeld nooit minder dan 80% van het minimumloon als
bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.
2. Indien de wachtgeldgerechtigde een overbruggingsuitkering geniet als bedoeld in het reglement van het
Pensioenfonds Zorg en Welzijn, dan wel, in het geval van een rechthebbende die geen aanspraak heeft op de
overbruggingsuitkering, hetgeen de rechthebbende als flexpensioenuitkering, die verplicht tot uitkering komt,
ingevolge de pensioenregeling van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn ontvangt, wordt deze uitkering aangevuld
tot de hoogte van het wachtgeld als omschreven in dit artikel.
3. Algemene loonaanpassingen zoals van toepassing voor deze CAO, die door de wachtgeldgerechtigde zouden
zijn genoten indien betrokkene in dienst zou zijn gebleven, zullen bij de berekening van het wachtgeld in
aanmerking worden genomen. Alsdan worden voor de berekening van het netto-inkomen de op dat moment
geldende premiehoogten in acht genomen.
4. Indien tengevolge van de al dan niet geleidelijke vermindering van de individuele werkzaamheden de toepassing
van het in de voorafgaande leden bepaalde tot voor de wachtgeldgerechtigde ongunstige resultaten zou leiden,
wordt in zijn voordeel van die bepalingen afgeweken.

Artikel 9.8.4 Pensioenbijdrage
1. Gedurende de periode waarin de rechthebbende aanspraak heeft op wachtgeld, heeft hij, in geval van vrijwillige
voortzetting – voor ten minste de helft – van de deelneming in de pensioenregeling die op hem van toepassing
was, als tegemoetkoming in de kosten hiervan recht op de helft van het werkgeversaandeel in de pensioenpremie
dat de werkgever voor de rechthebbende over de volle maand voorafgaande aan het ontslag verschuldigd was,
respectievelijk bij een wijziging van het premiepercentage verschuldigd zou zijn geweest, ware deze wijziging
reeds in evenbedoelde maand van kracht geweest.
2. Het in lid 1 bepaalde is alleen van toepassing indien de rechthebbende zélf met betrekking tot de in lid 1
bedoelde voortzetting (ten minste) de helft van het werknemersaandeel in de pensioenpremie dat de
rechthebbende over de volle maand voorafgaande aan het ontslag verschuldigd was, respectievelijk bij een
wijziging van het premiepercentage verschuldigd zou zijn geweest, ware deze wijziging reeds in evenbedoelde
maand van kracht geweest, voor zijn rekening neemt.
3. De rechthebbende die gedurende de periode waarin aanspraak op wachtgeld bestaat op enig moment in
aanmerking zou komen voor gebruikmaking van de Overbruggingsregeling van het Pensioenfonds Zorg en
Welzijn heeft, in geval van volledige vrijwillige voortzetting van de deelneming in de pensioenregeling, als
tegemoetkoming in de kosten hiervan recht op het werkgeversaandeel in de pensioenpremie dat de werkgever
voor de rechthebbende over de volle maand voorafgaande aan het ontslag verschuldigd was, respectievelijk bij
een wijziging van het premiepercentage verschuldigd zou zijn geweest, ware deze wijziging reeds in
evenbedoelde maand van kracht geweest.
4. Het in lid 3 bepaalde is alleen van toepassing indien de rechthebbende zélf met betrekking tot de in lid 3
bedoelde voortzetting het werknemersaandeel in de pensioenpremie dat de rechthebbende over de volle maand
voorafgaande aan het ontslag verschuldigd was, respectievelijk bij een wijziging van het premiepercentage
verschuldigd zou zijn geweest, ware deze wijziging reeds in evenbedoelde maand van kracht geweest, voor zijn
rekening neemt.
5. De rechthebbende is verplicht een uitkering uit het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering aan te vragen. Een
uitkering uit dit fonds wordt in mindering gebracht op de in dit artikel bedoelde tegemoetkoming in de
pensioenpremie gedurende de wachtgeldperiode.

Artikel 9.8.5 Verplichtingen van de werknemer / wachtgeldgerechtigde
1. De werknemer is verplicht na aanzegging van het ontslag direct ervoor zorg te dragen dat hij als werkzoekende
wordt ingeschreven bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI).
2. De werknemer/wachtgeldgerechtigde is verplicht gebruik te maken van een hem geboden mogelijkheid om
inkomsten uit arbeid of bedrijf te verkrijgen, tenzij hij aantoont dat het nakomen van deze verplichting redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
3. De werknemer/wachtgeldgerechtigde is verplicht aan de werkgever direct opgave te doen van het bedrag van de
inkomsten uit arbeid of bedrijf en/of van het bedrag dat aan uitkering op grond van een wettelijke regeling wordt
ontvangen. Desgevraagd dient hij alle gewenste inlichtingen en bewijsstukken te verschaffen.

Artikel 9.8.6 Vermindering van het wachtgeld
1. Indien de wachtgeldgerechtigde met ingang van of na de dag waarop het wachtgeld is ingegaan, inkomsten uit
arbeid of bedrijf geniet, worden deze inkomsten op het wachtgeld in mindering gebracht, indien en voor zover
zij tezamen met het wachtgeld meer bedragen dan het laatstgenoten salaris.
2. Het onder 1 bepaalde vindt overeenkomstig toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid
of bedrijf, ter hand genomen gedurende non-activiteit, vakantie of verlof, onmiddellijk voorafgaande aan het
ontslag, ter zake waarvan het wachtgeld is toegekend.
3. Het onder 1 bepaalde vindt eveneens toepassing wanneer de rechthebbende arbeid of bedrijf ter hand heeft
genomen vóór de dag van het ontslag, anders dan bedoeld in de voorafgaande leden, en na die dag uit die arbeid
of dat bedrijf inkomsten of meer inkomsten gaat genieten. Dit geldt evenwel niet als de belanghebbende
aannemelijk maakt dat die inkomsten of vermeerdering van inkomsten of een gedeelte daarvan noch het gevolg
zijn van verhoogde werkzaamheden noch verband houden met het ontslag.
In dit laatste geval worden die inkomsten, die meerdere inkomsten of dat gedeelte daarvan niet in aanmerking
genomen voor de toepassing van het eerste lid.
4. Indien op de WW-uitkering van een werknemer een strafkorting wordt toegepast zal de verplichting van de
werkgever tot aanvulling als bedoeld in artikel 9.8.3 overeenkomstig worden aangepast en kan de werknemer
geen beroep doen op loonbetaling ex artikel 7:629 BW.
5. Indien de inkomsten uit bedrijf of arbeid als bedoeld in lid 1 leiden tot een (gedeeltelijke) korting op de
wettelijke uitkering dan gaat het gedeelte van de inkomsten dat in mindering wordt gebracht op de wettelijke
uitkering tot het begrip wachtgeld behoren.

Artikel 9.8.7 Verval van het wachtgeld
1. Het wachtgeld vervalt:
a. met ingang van de dag, volgend op die waarop de werknemer is overleden;
b. met ingang van de dag, waarop de werknemer aanspraak gaat maken op ouderdomspensioen
invaliditeitspensioen ingevolge het reglement van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn, uit hoofde van de
betrekking waaruit hij met wachtgeld is ontslagen;
c. indien de wachtgeldgerechtigde weigert aan de hem in artikel 9.8.5 opgelegde verplichtingen te voldoen;
d. indien één van de in artikel 9.8.1 lid 4 genoemde uitkeringen wordt stopgezet, omdat de
wachtgeldgerechtigde niet het bepaalde in artikel 9.8.1 lid 2 tweede gedachtestreepje, in acht neemt.
Hangende een beroepsprocedure krachtens genoemde wettelijke regelingen wordt de uitkering van het
wachtgeld opgeschort.
2. Het wachtgeld kan door de werkgever vervallen worden verklaard indien de wachtgeldgerechtigde onvoldoende
medewerking geeft aan een geneeskundig onderzoek dat strekt tot het aanvragen van invaliditeitspensioen of van
een wettelijke uitkering wegens arbeidsongeschiktheid.

Artikel 9.8.8 Uitkering bij overlijden
1. Ingeval van overlijden van de wachtgeldgerechtigde wordt door de werkgever aan:
a. de echtgeno(o)t(e) of relatiepartner, van wie de wachtgeldgerechtigde niet duurzaam gescheiden leefde, en
bij ontstentenis van deze aan
b. diens minderjarige kinderen, en bij ontstentenis van deze aan
c. degene ten aanzien van wie de wachtgeldgerechtigde grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en
met wie hij in gezinsverband leefde,
een uitkering verstrekt ter grootte van het wachtgeld dat over de eerste drie maanden volgend op de maand van
overlijden zou zijn uitgekeerd.
2. Indien de overledene geen betrekkingen nalaat als hierboven genoemd, kan de werkgever de uitkering of een
gedeelte daarvan doen toekomen aan de persoon of de personen, die daarvoor naar het oordeel van de
werkgever op grond van billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt/komen.
3. De overlijdensuitkering als bedoeld in het eerste lid vervalt indien en voor zover ter zake van overlijden
uitkeringen worden verstrekt krachtens de sociale verzekeringswetten.

Artikel 9.8.9 Bijzondere regelingen
1. Wanneer bij de nieuwe werkgever geen regeling voor vergoedingen van verhuiskosten van kracht is, zal aan hen
die een eigen huishouding voeren bij verhuizing binnen één jaar na beëindiging van het dienstverband eenmaal
een tegemoetkoming worden gegeven ten bedrage van eenmaal het maandsalaris met een minimum van
tweemaal het voor de werknemer geldende minimumloon per maand, indien de afstand van de woonplaats naar
de nieuwe werkplaats zo groot is, dat hij redelijkerwijs dient te verhuizen.
2. a. Bestaande toezeggingen aan de wachtgeldgerechtigde ter zake van vergoedingen van studiekosten blijven
gedurende de wachtgeldperiode gehandhaafd.
b. Vergoeding voor studiekosten geschiedt voor 100% wanneer de opleiding het gevolg is van herplaatsing
binnen de instelling wegens reorganisatie of opheffing van de dienst waar de werknemer werkzaam is.
(Sub c geldt voor werknemers in dienst van v&v-instelling)
c. Indien de wachtgeldgerechtigde voor de datum van ontslag deelnemer van IZZ was, blijft gedurende de
wachtgeldperiode het deelnemerschap op voet van het bepaalde in artikel 9.9.1 t/m artikel 9.9.5en verder
van de cao bestaan.

Artikel 9.8.10 Positieve afwijking wachtgeldregeling
In geval er sprake is van een situatie van een sociaal plan als bedoeld in artikel 11.2 Hoofdstuk Fusie en
reorganisatie, overeen te komen met de (regionale) werknemersorganisaties in verband met (dreigend) collectief
ontslag, is de werkgever verplicht met werknemersorganisaties te overleggen over de wachtgeldregeling, waarbij een
positieve afwijking ten opzichte van de wachtgeldregeling uit deze cao moet worden afgesproken.

Artikel 9.9 Ziektekostenregeling IZZ verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1
(De artikelen 9.9.1 tot en met 9.9.4 vervallen met ingang van 1 januari 2009)
CAO VVT 2008-2010
CAO Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg

Artikel 9.9.1 Ziektekostenregeling IZZ
1. De (voormalige) werknemer kan deelnemen aan de collectieve ziektekostenregeling(en) IZZ. De voorwaarden
voor deelneming voor hem en zijn eventuele mededeelnemer(s) en de omvang van de verstrekkingen zijn
geregeld in het Reglement Ziektekostenregeling van de Stichting IZZ. Het Reglement Ziektekostenregeling en
de premie worden vastgesteld en gewijzigd door het bestuur van de stichting.
2. De werkgever verstrekt uitsluitend een bijdrage in de premie aan de werknemer en zijn eventuele
mededeelnemer(s) bij deelname aan de collectieve ziektekostenregeling(en) IZZ. De voorwaarden voor
toekenning en de hoogte van de bijdrage van de (voormalige) werkgever in de premie van de betreffende
ziektekostenregeling(en) worden vastgesteld door partijen bij deze cao en zijn opgenomen in de artikelen 9.9.1
tot en met 9.9.5.
3. De in lid 1 genoemde regelingen worden uitgevoerd door de Stichting IZZ. In het bestuur van deze stichting zijn
partijen bij deze cao vertegenwoordigd.
4. De voor de deelname van de (voormalige) werknemer aan de ziektekostenregeling IZZ totaal verschuldigde
premie per deelnemer wordt door de werkgever gestort in het door voornoemde stichting beheerde
Ziektekostenfonds tenzij in het Reglement anders is bepaald.

Artikel 9.9.2 Aanspraak (voormalige) werknemer
1. De (voormalige) werknemer heeft, conform de voorwaarden van artikel 9.9.1 tot en met 9.9.4, aanspraak op een
tegemoetkoming van de werkgever in de door hem gemaakte premiekosten ter zake van de Basisaanvullende
regeling van de ziektekostenverzekering bij de Stichting IZZ voor zichzelf en de leden van zijn gezin.
2. Geen tegemoetkoming wordt door de (voormalige) werkgever verleend aan:
a. deelnemers van wie het dienstverband is geëindigd en die aansluitend een ouderdoms-, nabestaanden- of
wezenpensioen of overbruggingsuitkering ontvangen;
b. deelnemers die in verband met arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO respectievelijk de WIA in
aanmerking kunnen komen voor ontslag of ontslagen zijn, vanaf het moment dat betrokkene in aanmerking
kan komen voor ontslag, zonder dat de deelnemer in parttime dienstverband werkzaam blijft.
3. Tenzij de werkgever besluit de gebruikelijke bijdrage te verstrekken is de deelnemer voor het
mededeelnemerschap van zijn relatiepartner de volledige premie verschuldigd.

Artikel 9.9.3 Vergoeding premiekosten basisaanvullende regeling
De werkgever vergoedt twee derde van de premiekosten van de Basisaanvullende regeling als bedoeld in artikel 9.9.2
lid 1. De tegemoetkoming in de premiekosten is een bruto bedrag, waarover loonheffing moet worden ingehouden.

Artikel 9.9.4 Voorkoming dubbele vergoeding
De vergoedingen als bedoeld in de artikelen 9.9.1 tot en met 9.9.3 worden slechts verstrekt aan de werknemer en de
leden van diens gezin, voor zover zij bij IZZ zijn verzekerd en voor zover zij niet reeds uit andere hoofde recht
hebben op een tegemoetkoming in de premiekosten voor de Regeling basisvergoeding en/of de basisaanvullende
regeling van IZZ.

Artikel 9.9.5 Garantieregeling IZZ
(Artikel 9.9.5 treedt in werking met ingang van 1 januari 2009)
Werknemers die voor zichzelf en de leden van diens gezin, op grond van deze cao op 31 december 2008 recht hadden
op een IZZ-vergoeding als bedoeld in artikel 9.9.1 t/m 9.9.3, behouden deze vergoeding.

 

Hoofdstuk 10 Faciliteiten werknemersorganisaties en extra bevoegdheden ondernemingsraad

Artikel 10.1 Extra bevoegdheden ondernemingsraad
De OR wordt door de ondernemer in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over een door hem voorgenomen
besluit tot benoeming van een lid van het bestuur respectievelijk lid van de Raad van Toezicht; hierbij wordt de
procedure overeenkomstig artikel 30 van de WOR toegepast.

Artikel 10.2 Verlof in verband met lidmaatschap werknemersorganisatie
1. a. De werkgever stelt de werknemer in de gelegenheid deel te nemen aan activiteiten van de
werknemersorganisaties, waarvan hij lid is. De werknemer verkrijgt daarbij betaald verlof, tot een totaal
van 200 uur per jaar, indien deelneming aan deze activiteiten geschiedt op uren waarop hij volgens
arbeidsovereenkomst inzetbaar is.
b. Onder activiteiten van de werknemersorganisaties worden verstaan:
-statutaire vergaderingen dan wel vergaderingen van statutaire regionale organen voor zover de
werknemer als bestuurslid en/of afgevaardigde is aangewezen;
-conferenties, landelijke en regionale vergaderingen en werkgroepen voor zover de werknemer daartoe
door het hoofdbestuur is uitgenodigd;
-cursussen voor zover de werknemer deze geeft of daaraan deelneemt op verzoek van het hoofdbestuur.
c. Onder werknemersorganisatie wordt verstaan:
1. een vereniging van werknemers die partij is bij deze cao;
2. een vakcentrale, waarbij een vereniging als bedoeld onder 1 is aangesloten;
3. de Federatie van Beroepsorganisaties in de Zorg en daaraan gerelateerd onderwijs en onderzoek
(FBZ), voor zover de werknemer op wie het in dit lid bepaalde van toepassing is, lid is van een onder
1 bedoelde vereniging of bestuurslid is van de FBZ en het bestuurlijke activiteiten voor de FBZ
betreft;
4. De Unie Zorg en Welzijn en de daarbij aangesloten beroepsverenigingen voor zover de werknemer op
wie het in dit lid bepaalde van toepassing is, lid is van een onder 1 bedoelde vereniging of bestuurslid
is van De Unie Zorg en Welzijn en het bestuurlijke activiteiten voor De Unie Zorg en Welzijn betreft;
5. een vereniging van werknemers die een samenwerkingsovereenkomst heeft met een onder 1 bedoelde
vereniging; als zodanig geldt bij inwerkingtreding van deze cao:
-Nederlandse Vereniging van Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundigen;
-Nederlandse Vereniging van Creatief Therapeuten;
-Vereniging voor Psychodiagnostisch werkenden (VVP).
Wanneer, gelet op het hiervoor bepaalde, dit aantal verenigingen uitgebreid wordt, zullen partijen bij
deze cao hiervan aan de werkgever mededeling doen.
2. De werknemer die vakbondsconsulent is bij een instelling met tenminste 200 FTE wordt vier uur per week
vrijgesteld voor de taken van de consulent. Per instelling kunnen maximaal 5 vakbondsconsulenten (1 per
werknemersorganisatie, partij bij deze cao) worden vrijgesteld.

Artikel 10.3 Rechtsbescherming vakbondsconsulenten
De werknemer die werkzaamheden verricht als vakbondsconsulent binnen de instelling, geniet dezelfde
rechtsbescherming als op grond van de Wet op de ondernemingsraden geldt voor leden van de ondernemingsraad.

 

Hoofdstuk 11 Functiewaardering

Artikel 11.1 Uitgangspunten FWG
• De functie van de werknemer is met in achtneming van het onderstaande door de werkgever ingedeeld in één
van de functiegroepen 5, 10, 15, 20, 25, 30, 35, 40, 45, 50, 55, 60, 65, 70, 75 en 80.
• De indeling als voornoemd volgt uit de toepassing van het actuele computerondersteunende systeem FWG
• Basis voor de indeling is de daadwerkelijk uitgeoefende functie, vastgelegd in een desbetreffende
functiebeschrijving conform door cao-partijen overeengekomen kwaliteitscriteria.
• Indeling van de functie op basis van het FWG functiewaarderingssysteem vindt plaats na vaststelling van de
functie overeenkomstig de desbetreffende functiebeschrijving.
• Bij het vaststellen van de functiebeschrijving alsmede bij het vaststellen van de waardering en de indeling van de
functie die de werknemer vervult geldt de procedure zoals bedoeld in dit hoofdstuk.
• De werkgever geeft aan wie binnen de instelling bevoegd is tot het beheer van de FWG instellingsbestanden
(systeemdeskundige) en tot het maken van een indelingsvoorstel met het FWG-systeem (indelers). De
werkgever waarborgt een juiste systeemtoepassing en draagt in dit verband zorg voor adequate opleiding en
training van FWG-deskundigen en indelers.

Artikel 11.2.1 Herindeling
1. Na de eenmalige indeling van functies volgens het nieuwe functiewaarderingssysteem zullen er zich regelmatig
situaties voordoen, waarin (indeling of) herindeling van functies moet plaatsvinden. De in dit hoofdstuk
opgenomen herindelingsprocedure kan worden aangevangen niet eerder dan één jaar na de datum van het
(her)indelingsbesluit waarbij de functie laatstelijk is vastgesteld bij de (her)indeling.
2. Uitgangspunten bij de herindeling:
a. Wijzigingen van en aanvullingen op het functiemateriaal.
Indien partijen bij de cao overeenkomen om het systeem of de systeeminhoud aan te passen, dan dient de
werkgever tot heroverweging van (een) bestaande functie-indeling(en) over te gaan, indien en voor zover
de aanpassingen direct betrekking hebben op die bestaande functie-indeling(en).
b. Wezenlijke verandering van de functie-inhoud.
De werkgever dient tot toetsing c.q. heroverweging van (een) functie-indeling(en) over te gaan,
overeenkomstig de in dit hoofdstuk opgenomen procedure, indien sprake is van wezenlijke verandering van
de inhoud van (een) functie(s).
Wanneer redelijkerwijs verondersteld mag worden dat de functie-inhoud en/of functie-eisen niet meer
aansluiten bij de functie of het niveau, zoals deze laatstelijk is vastgelegd bij de (her)indeling, is sprake van
een wezenlijke verandering van een functie.
3. Indien de werkgever een nieuwe functie voorlopig heeft ingedeeld kan de werknemer 6 maanden na deze
voorlopige indeling een schriftelijk en gemotiveerd verzoek tot herindeling indienen. Vervolgens zal de
werkgever binnen 3 maanden overgaan tot het starten van de herindelingsprocedure.

Artikel 11.2.2 Herindelingsprocedure
Op basis van de bij a en b omschreven uitgangspunten kan zowel de werkgever als de werknemer het initiatief nemen
tot het starten van een herindelingsprocedure. De herindelingsprocedure vindt plaats in de volgende fasen;
a. In fase 1 vindt plaats:
-een toetsing door de werkgever (dan wel een door de werkgever daartoe aangewezen functionaris) van het
initiatief tot herindeling;
- dan wel een nadere overweging door de werkgever of en zo ja welke de gevolgen zijn van wijzigingen van
en/of aanvullingen op het systeem.
Bij de beoordeling of sprake is van een wezenlijke verandering van de functie-inhoud dient de inhoud van de
functie van betrokken werknemer te worden geïnventariseerd. Alsdan kan worden bezien in hoeverre tot
wijziging van het laatstelijk vastgestelde indelingsniveau dient te worden gekomen.
b. In fase 2 legt de werkgever de functiebeschrijving voor aan de werknemer.
c. In fase 3 stelt de werkgever de waardering van de functie vast en biedt dit overeenkomstig het bepaalde in artikel
11.2.4 van dit hoofdstuk aan de werknemer aan.

Artikel 11.2.3 Vaststellen functiebeschrijving
1. De werkgever neemt een voorlopig besluit over de functiebeschrijving van de werknemer en legt dit aan de
werknemer voor.
2. Indien de werknemer niet instemt met het voorlopige besluit als bedoeld in lid 1, kan hij bezwaar maken bij de
werkgever. Het bezwaar dient schriftelijk en met redenen omkleed bij de werkgever te worden ingediend, binnen
een termijn van 30 dagen, hetzij een binnen de instelling in overeenstemming met de OR nader bepaalde termijn,
nadat de werkgever de werknemer over het voorlopig besluit tot vaststelling van zijn functie heeft geïnformeerd.
3. De werkgever wint binnen 14 dagen na ontvangst van het bezwaarschrift advies in bij de door de werkgever
ingestelde Interne Bezwaren Commissie FWG (IBC). De taak, samenstelling en werkwijze van de IBC FWG
wordt vastgelegd in een tussen de werkgever en de OR overeengekomen reglement.
4. De werkgever beslist en informeert de werknemer schriftelijk binnen een termijn van 30 dagen na ontvangst van
het advies van de IBC-FWG inzake het bezwaarschrift van de werknemer definitief over de vaststelling van de
functiebeschrijving, hetzij een binnen de instelling in overeenstemming met de OR nader bepaalde termijn.
Toelichting
Het besluit in lid 4 betekent het einde van de procedure binnen de instelling van de vaststelling van de
functiebeschrijving van de werknemer. Indien de werknemer het niet eens is met het definitieve besluit van de
werkgever is er sprake van een geschil betreffende de arbeidsovereenkomst.

Artikel 11.2.4 Waardering en indeling van de functie
1. Met behulp van het FWG functiewaarderingssysteem bepaalt de werkgever de FWG waardering en indeling van
de functie.
2. Na de vaststelling van de waardering en de indeling van de functie vindt een herindelingsgesprek plaats tussen
de werkgever (dan wel een door de werkgever daartoe aangewezen functionaris) en de werknemer over de
waardering en indeling van de functie. De werknemer kan zich tijdens dit gesprek laten bijstaan door een derde.
3. Van het gesprek als bedoeld in het vorige lid wordt een verslag gemaakt. Indien in dit gesprek wordt
overeengekomen een tweede gesprek te voeren wordt van dit gesprek, en de eventueel daarop volgende
gesprekken door de werkgever een verslag gemaakt.
4. De werknemer ontvangt binnen 14 dagen na het gesprek als bedoeld in lid 2 een voorlopig herindelingsvoorstel
en het gespreksverslag.
5. Indien de werknemer akkoord gaat met het herindelingsvoorstel dient hij dit binnen 30 dagen na ontvangst van
het voorstel schriftelijk aan de werkgever kenbaar te maken.
6. De werkgever bevestigt binnen 14 dagen na het akkoord van de werknemer het herindelingsvoorstel en stelt de
werknemer schriftelijk op de hoogte van het definitieve besluit conform het voorstel.
7. Indien de werknemer niet akkoord gaat met het herindelingsvoorstel dan dient hij binnen 30 dagen na ontvangst
van het herindelingsvoorstel schriftelijk en gemotiveerd bij de werkgever een bezwaar in te dienen.
8. De werkgever wint binnen 14 dagen na ontvangst van het bezwaarschrift advies in bij de Interne Bezwaren
Commissie FWG, ter zake van het bezwaar van de werknemer betreffende de waardering en indeling van de
vastgestelde functie.
9. De werkgever beslist en informeert de werknemer schriftelijk binnen een termijn van 30 dagen na ontvangst van
het advies van de IBC-FWG inzake het bezwaarschrift van de werknemer hetzij een binnen de instelling in
overeenstemming met de OR nader bepaalde termijn over de definitieve waardering en indeling van de functie.

 

Hoofdstuk 12 Fusie en reorganisatie

Artikel 12.1 Toepasselijkheid Fusiegedragsregels
1. Het SER-besluit “Fusiegedragsregels 2000 ter bescherming van de belangen van werknemers” (SER-fusiecode)
is van toepassing op fusies waarbij een organisatie betrokken is die valt onder de werkingssfeer van deze CAO.
2. Met fusie wordt gelijkgesteld elke vorm van overdracht van zeggenschap over een (deel van een) organisatie aan
een andere rechtspersoon.
3. De SER-fusiecode is van toepassing, ongeacht het aantal werknemers in een bij de fusie betrokken organisatie.

Artikel 12.2 Bepalingen bij reorganisatie/gedwongen ontslagen
1. Dit artikel is van toepassing op reorganisatie en/of vermindering of beëindiging van werkzaamheden, waaronder
tevens begrepen de situatie waarin deze het directe gevolg zijn van een aanbesteding in het kader van de Wet
maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
2. Indien de werkgever overgaat tot een reorganisatie van (een deel van) de organisatie die een aanmerkelijke
wijziging tot gevolg heeft in de arbeidssituatie van 20 of meer werknemers, dient hij een voorlopig
reorganisatieplan op te stellen. Hij legt dit met een adviesaanvraag voor aan de ondernemingsraad. In het
voorlopig reorganisatieplan wordt aangegeven:
- welke onderdelen van de organisatie als gevolg van de reorganisatie kwalitatief en kwantitatief wijzigen;
- op welke wijze (tijdsbestek, fasen) de reorganisatie zal worden geëffectueerd;
- een indicatie van het aantal formatieplaatsen dat (eventueel) verloren zal gaan.
3. Wanneer sprake is van een zodanige vermindering of beëindiging van de werkzaamheden dan wel reorganisatie
van (een deel van) de organisatie dat 20 of meer werknemers moeten worden ontslagen, dient de werkgever een
voorlopig afvloeiings- en/of reorganisatieplan op te stellen. Hij legt dit met de adviesaanvraag voor aan de
ondernemingsraad.
4. Voor zover er bij de in de leden 2 en 3 bedoelde situaties sprake is van rechtspositionele gevolgen voor de
betrokken werknemers, voert de werkgever daarover tijdig overleg met de werknemersorganisaties, partij bij
deze CAO.
5. Nadat zowel het overleg met de ondernemingsraad alsook het overleg met de werknemersorganisaties is
gevoerd, stelt de werkgever het reorganisatie- en/of afvloeiingsplan definitief vast. Hij brengt dit ter kennis van
zowel de ondernemingsraad als de werknemersorganisaties. Na de uitvoering van het reorganisatieplan ontvangt
de ondernemingsraad het nieuwe organisatieschema van de werkgever.
6. De werkgever beargumenteert ontslagaanzeggingen schriftelijk.
7. Binnen het kader van dit artikel wordt met ontslag gelijkgesteld ontbinding van de arbeidsovereenkomst op
grond van artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek.

 

Hoofdstuk 13 Invoeringsbepalingen Basis-cao

Invoeringsbepalingen Basis CAO VVT
De in artikel 13.3 opgenomen cao-artikelen van de voormalige CAO-Thuiszorg en de daarmee corresponderende
artikelen uit de voormalige CAO-V&V worden niet in de per 1 januari 2008 geldende CAO VVT opgenomen. Deze
regelingen worden overgeheveld naar het decentrale instellingsniveau en vormen onderwerp van decentraal overleg
tussen werkgever en OR.

Artikel 13.1 Invoeringsbepaling
1. De werkgever en de OR nemen per 1 januari 2008 de regelingen als opgenomen in artikel 13.3 integraal en
ongewijzigd op in een ondernemingsovereenkomst als bedoeld in artikel 32 lid 2 WOR.
2. Eigen regelingen, voor zover opgenomen in artikel 13.3, die zijn gebaseerd op de bevoegdheid in de voormalige
CAO-Thuiszorg respectievelijk CAO-V&V om in plaats van de CAO-regeling, met instemming van de OR een
eigen regeling vast te stellen en op grond hiervan voor 1 januari 2008 reeds zijn overeengekomen tussen de
werkgever en de OR, blijven gehandhaafd en worden opgenomen in de ondernemingsovereenkomst;
3. Eigen regelingen, voor zover opgenomen in artikel 13.3, gebaseerd op bepalingen uit de voormalige CAO-
Thuiszorg resp. CAO-V&V, die een nadere invulling van deze bepalingen op instellingsniveau voorschrijven en
op grond hiervan voor 1 januari 2008 zijn overeengekomen tussen de werkgever en de OR, blijven per 1 januari
2008 eveneens gehandhaafd en worden opgenomen in de ondernemingsovereenkomst;
4. Optionele “kan-bepalingen” uit de voormalige CAO-Thuiszorg resp. CAO-V&V, voor zover opgenomen in
artikel 13.3, waarvan de ondernemer en de OR voor 1 januari 2008 geen gebruik hebben gemaakt worden, met
behoud van dit karakter, eveneens opgenomen in de ondernemingsovereenkomst;
5. Indien de werkgever en de OR constateren dat nog geen (nadere) invulling is gegeven aan een regeling of
bepaling voor zover opgenomen in artikel 13.3, die een verplichting tot nadere invulling inhoudt, dan gaat
genoemde bepaling mee over naar de ondernemingsovereenkomst, waarbij de ondernemer en de OR zich
verplichten hier voor 1 juli 2008 (nadere) invulling aan te geven. De overeengekomen uitwerking wordt
eveneens vastgelegd in de ondernemingsovereenkomst.
6. De werkgever en de OR zullen tot 1 juli 2008 geen eigen regelingen in de plaats stellen of wijzigen aangaande
de regelingen van artikel 13.3 die per 1 januari 2008 zijn opgenomen in de ondernemingsovereenkomst.

Artikel 13.2 Randvoorwaarden decentraal overleg werkgever en de OR
1. Vanaf 1 juli 2008 kan de werkgever in overleg met de OR over de onderwerpen die zijn vastgelegd in artikel
13.3 eigen regelingen vaststellen, die in de plaats treden van de tot dan toe geldende regelingen van de
ondernemingsovereenkomst.
2. De regelingen uit artikel 13.3 die de werkgever in overleg met de OR overeenkomt, gelden voor onbepaalde tijd
dan wel voor bepaalde tijd. De werkgever en de OR komen de duur per regeling overeen.
3. In afwijking van lid 2 geldt voor instellingsregelingen die in overleg tussen de werkgever en de OR vanaf 1 juli
2008 gewijzigd overeen worden gekomen, eenmalig een looptijd tot de expiratiedatum van deze cao, te weten
1 maart 2010, tenzij werkgever en OR voor het aflopen van deze periode overeenkomen de regeling voort te
zetten.
4. Indien de werkgever en de OR geen overstemming bereiken over een eigen regeling, dan blijft de regeling zoals
per 1 januari 2008 opgenomen in de ondernemingsovereenkomst, onverkort van kracht.
5. Indien de werkgever en de OR geen overstemming bereiken over aanpassing van een eigen regeling, dan blijft
de eigen regeling zoals die tot dan toe is opgenomen in de ondernemingsovereenkomst, onverkort van kracht.
6. De werkgever kan, bij gebrek aan overeenstemming met de OR over (aanpassing van) een eigen regeling
opgenomen in de ondernemingsovereenkomst, geen vervangende instemming bij de kantonrechter verzoeken ex
artikel 27 lid 4 WOR.
7. De OR is verplicht een achterbanraadpleging onder het personeel te houden alvorens regelingen als bedoeld in
de ondernemingsovereenkomst worden vastgesteld of gewijzigd.
8. Werkgever en OR komen de verplichting overeen tot periodieke evaluatie van de ondernemingsovereenkomst en
de daarin vervatte regelingen.
9. De werkgever stelt de werknemers op de hoogte van (tussentijdse) wijzigingen van de met de OR
overeengekomen regelingen van de ondernemingsovereenkomst.
10. De in dit artikel opgenomen randvoorwaarden moeten onderdeel uitmaken van de ondernemingsovereenkomst

Artikel 13.3 Decentrale regelingen
A. Voor thuiszorgorganisaties ex artikel 1.1 lid 17 sub 2 gelden de volgende regelingen uit de voormalige CAO
Thuiszorg 2005-2007 als bedoeld in artikel 13.1 lid 1:
1. Scholing en ontwikkeling:
a. artikel 38a CAO-T
b. artikel 38b CAO-T
c. artikel 38d CAO-T
d. artikel 38e lid 5 CAO-T
e. artikel 38f leden 1,2, 3, 6 eerste zin, 7 en 8 CAO-T
f. artikel 39 lid 5 CAO-T
g. artikel 43 CAO-T
h. artikel 75 CAO-T
i. uitvoeringsregeling K CAO-T
2. Beoordelingsregeling, inclusief beloningsaccenten:
a. artikel 30 CAO-T
b. artikel 30a CAO-T
c. artikel 30b CAO-T
d. artikel 61 CAO-T
e. artikel 6 Uitvoerinngsregeling A CAO-T
f. artikel 7 Uitvoeringsregeling A CAO-T
3. Invulling meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden:
a. artikel 7a leden 1,2, 3,4 en 10 CAO-T
4. Vergoedingen:
a. artikel 40 CAO-T
b. artikel 76 CAO-T
c. artikel 77 CAO-T
5. Integriteitsbeleid:
a. artikel 44 CAO-T
b. artikel 8 lid 2 sub f CAO-T
6. Werkoverleg:
a. artikel 1 sub p CAO-T
b. artikel 54 CAO-T
7. Verplichtingen werkgever en werknemer:
a. artikel 51 leden 1 en 2 CAO-T
b. artikel 48 leden 1 en 2 CAO-T
c. artikel 49 CAO-T
d. artikel 51a CAO-T
e. artikel 50 sub b CAO-T
f. artikel 39 CAO-T
g. artikel 40 CAO-T
8. Melding afwezigheid:
a. artikel 35 CAO-T
9. Verhuiskostenregeling:
a. artikel 41 CAO-T
b. artikel 73 CAO-T
c. uitvoeringsregeling I CAO-T
B. Voor verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 gelden de volgende regelingen uit de voormalige
CAO-V&V 2006-2007 als bedoeld in artikel 13.1 lid 1:
1. Scholing en ontwikkeling
a. artikel 3.3.5 leden 2, 3,4 en 5 CAO-V&V
b. artikel 3.3.10 CAO-V&V
c. artikel 7.1 CAO-V&V
d. artikel 7.2 CAO-V&V
e. artikel 7.3 CAO-V&V
f. artikel 7.4 CAO-V&V
2. Beoordelingsregeling, inclusief beloningsaccenten:
a. artikel 3.1.7 lid 2 CAO-V&V
b. artikel 3.2.2 CAO-V&V
c. artikel 3.2.4 CAO-V&V
3. Invulling Meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden:
a. artikel 8.1 CAO-V&V
b. artikel 8.2 CAO-V&V
c. artikel 8.3 CAO-V&V
d. artikel 8.4 leden 1,2,3, 5, 6, 7, 8 en 9 CAO-V&V
e. artikel 8.6 leden 1 en 2 CAO-V&V
f. artikel 8.7 CAO-V&V
g. artikel 8.8 CAO-V&V
4. Vergoedingen:
a. artikel 5.4.9 CAO-V&V
5. Verplichtingen werkgever en werknemer
a. artikel 2.3 leden 1,2,3,5 en 6 CAO-V&V
b. artikel 2.4 CAO-V&V
c. artikel 2.5 CAO-V&V
d. artikel 2.6 CAO-V&V
e. artikel 9.1.4 CAO-V&V
6. Melding afwezigheid:
a. artikel 9.1.1 CAO-V&V
7. Verhuiskostenregeling
a. artikelen 10.4.1 t/m 10.4.7 CAO-V&V

Artikel 13.4 Decentraal overleg werknemersorganisaties over medezeggenschap
1. De werkgever voert over wijzigingen van de in lid 2 resp. lid 3 genoemde regelingen overleg met de (regionale
vertegenwoordigers van de) werknemersorganisaties, partij bij deze cao.
2. Voor thuiszorgorganisaties ex artikel 1.1 lid 17 sub 2 betreft het de volgende regelingen uit de voormalige CAO-
Thuiszorg 2005-2007:
a. artikel 63.
3. Voor verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 betreft het de volgende regelingen uit de
voormalige CAO-V&V 2006-2007:
a. artikel 12.1.1 lid 5
b. artikel 12.1.3
4. Indien geen overeenstemming wordt bereikt over wijziging, dan blijven de regelingen als bedoeld in leden 2 en
3 ongewijzigd in stand.

 

Hoofdstuk 14 Slotbepalingen

Artikel 14.1 Uitzendkrachten
De werkgever dient zich ervan te verzekeren dat aan de arbeidskrachten die door een uitzendbureau ter beschikking
worden gesteld aan een organisatie die onder de werkingssfeer van deze cao valt, overeenkomstige arbeidsduur, lonen
en overige vergoedingen worden toegekend als die, welke worden toegekend aan werknemers, werkzaam in gelijke
of gelijkwaardige functies, in dienst van de inlenende organisatie.

Artikel 14.2 Commissie van Interpretatie
Vraagstukken omtrent de interpretatie van de tekst van deze cao en de daarbij behorende bijlagen kunnen worden
voorgelegd aan de Commissie van Interpretatie, daartoe ingesteld door de partijen bij deze cao. Slechts cao-partijen
zijn bevoegd een vraagstuk aan deze Commissie voor te leggen. Samenstelling, werkwijze en bevoegdheden van deze
Commissie zijn opgenomen in een tussen cao-partijen geldend reglement.

Artikel 14.3 Op non-actief stelling en schorsing
Indien de werkgever de werknemer op non-actief stelt of schorst behoudt de werknemer zijn salaris gedurende deze
periode.

Artikel 14.4 Bijdrage werknemersorganisaties
De bijdrage aan de werknemersorganisaties wordt tussen partijen bij deze cao geregeld en wordt door de
werkgeverspartij(en) uitgekeerd.

Artikel 14.5 Duur, wijziging en opzegging van de cao
1 Deze cao heeft een looptijd van 1 januari 2008 tot 1 maart 2010.
2. CAO-partijen kunnen besluiten de CAO tussentijds te wijzigen.
3. Indien geen der partijen uiterlijk twee maanden voor de datum waarop de bepalingen van deze cao eindigen, bij
aangetekend schrijven aan de andere partij het tegendeel kenbaar maakt, wordt de duur van de bepalingen van de
cao geacht stilzwijgend telkens voor één kalenderjaar te zijn verlengd.

 

Bijlage A Overgangsbepalingen verpleeg- en verzorgingshuizen1

Hoofdstuk A1 Beloning Verpleeg- en Verzorgingshuizen
(De salarisbepalingen van Bijlage A, Hoofdstuk Beloning vervallen voor werknemers in dienst van een verpleeg- of
verzorgingshuis per 1 juli 2009, tenzij per artikel een andere datum is aangegeven. Vanaf 1 juli 2009 resp. per aangegeven
datum gelden de bepalingen van Hoofdstuk 3 van deze cao).

Artikel A1.1 Algemeen
1. Het salaris van de werknemer, voor zover niet vallend onder artikel 3.1.2 lid 1 sub d, bestaat uit een geldelijke beloning
als vermeld in de salarisschalen opgenomen in Tabel A1 van dit hoofdstuk. De in de salarisschalen opgenomen bedragen
gelden bij een voltijd arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week.
2. Het salaris van werknemers met een arbeidsduur van gemiddeld maximaal 40 uur per week als bedoeld in artikel 4.1 lid
4, wordt vastgesteld door de in Tabel A1 genoemde bedragen naar rato te verhogen.

Artikel A1.2 Toepassing salarisschalen
1. De werkgever bepaalt op grond van de functie-indeling ingevolge artikel 3.1.2, welke functionele salarisschaal voor de
werknemer van toepassing is. Het nummer van de functionele salarisschaal correspondeert met het nummer van de
functiegroep, waarin de functie van de werknemer is ingedeeld.
2. Voor de werknemer die de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt, geldt de bij zijn functionele salarisschaal
behorende jeugdsalarisschaal en het hierin bij zijn leeftijd vermelde salaris.
3. De werknemer, voor wie één van de functionele schalen 05 t/m 80 geldt, dient voor de toepassing hiervan over het
hieronder genoemde aantal functiejaren te beschikken:
-bij de functionele salarisschalen 05 t/m 40 één functiejaar
-bij de functionele salarisschalen 45 t/m 60 twee functiejaren;
-bij de functionele salarisschalen 65 t/m 80 drie functiejaren.
De werkgever kan met de werknemer overeenkomen dat voor de toepassing van de functionele schaal het aantal
benodigde functiejaren lager is dan in dit lid bepaald.
4. Beschikt de werknemer niet over het in lid 3 bij zijn functionele salarisschaal genoemde aantal functiejaren dan geldt
voor hem de bij die schaal behorende aanloopsalarisschaal en het bij 0 functiejaren vermelde bedrag, dan wel, indien
voor de werknemer zijn al dan niet elders verkregen ervaring daartoe aanleiding geeft, een hoger bedrag uit die schaal.
De werkgever is bevoegd om voor de werknemer de aanloopsalarisschaal langer toe te passen dan het in lid 3 genoemde
aantal jaren, indien de functievervulling van de werknemer aanleiding geeft om nog niet de functionele salarisschaal toe
te passen. De werkgever doet hiervan schriftelijk en gemotiveerd mededeling aan de werknemer.
5. De werknemer, voor wie de functionele schaal geldt, wordt op het bij 0 functiejaren vermelde bedrag uit die schaal, dan
wel, indien zijn al dan niet elders verkregen ervaring daartoe aanleiding geeft, op een hoger bedrag uit die schaal
ingeschaald.

Artikel A1.3 Salariëring na diplomering
In afwijking van het bepaalde in artikel A1.2 lid 2 geldt ten aanzien van de leerling-verpleegkundige (kwalificatieniveau 4 en
5) de leerling verzorgende, de leerling verzorgende-IG, de leerling helpende en de leerling zorghulp van artikel A1.7 het
navolgende. Indien deze leerling op het moment van diplomering jonger is dan 21 jaar en de bij deze opleiding behorende
functie gaat vervullen, dan wordt hij na zijn diplomering ingedeeld in de bij deze functie behorende aanloopschaal.

Artikel A1.4 Periodieke verhogingen en uitloopperiodieken
1. Tenzij hierover in de arbeidsovereenkomst anders is bepaald, wordt éénmaal per jaar een salarisverhoging binnen de
aanloop- of functionele schaal toegekend.
De periodieke verhoging wordt voor de eerste maal toegekend één jaar na indiensttreding dan wel bij bevordering tot
een functie welke is ingedeeld in een hogere functiegroep.
2. Indien de toepassing van een systeem van personeelsbeoordelingnaar het oordeel van de werkgever daartoe aanleiding
geeft, kan de werkgever besluiten in enig jaar géén dan wel op meerdere momenten in dat jaar een salarisverhoging
binnen de aanloop- of functionele schaal toe te kennen.
3. In de functionele schalen 5 t/m 30 zijn als laatste, twee salarisbedragen opgenomen, die achtereenvolgens aan de
werknemer worden toegekend, nadat respectievelijk zes en twee jaar zijn verlopen sedert het voorafgaande salarisbedrag
uit die schaal aan de werknemer is toegekend.
Indien de werkgever toepassing geeft aan een systeem van personeelsbeoordeling zoals bedoeld in lid 2 worden de in de
vorige volzin bedoelde salarisbedragen op basis hiervan toegekend.
4. Het salaris als bedoeld in artikel voorheen A1.2 lid 2 wordt jaarlijks vastgesteld op het bij de leeftijd van de werknemer
vermelde bedrag van de jeugdsalarisschaal en wel per de eerste van de maand, waarin hij verjaart.

Artikel A1.5 Structurele eindejaarsuitkering V&V 2008
1. De werknemer in dienst van een verpleeg- en/of verzorgingshuis, ontvangt in december een eindejaarsuitkering van 4%
van het door hem in een kalenderjaar verdiende salaris inclusief de vakantiebijslag en eventueel meerwerk maar
exclusief de vergoedingen als bedoeld in artikel 3.1.8 lid 2, de bijzondere toeslagen als bedoeld in artikel 3.1.10.
2. De werknemer, die een gedeelte van het jaar in dienst is (geweest), ontvangt de eindejaarsuitkering naar rato van het
aantal maanden dat hij in dienst is (geweest).
3. De eindejaarsuitkeringwordt voor werknemers van 22 jaar of ouder tenminste berekend over inpassingstabelnummer 12
van Tabel 2 van dit hoofdstuk, verhoogd met 8% vakantiebijslag.
1 ex artikel 1.1 lid 17 sub 1 ca


Artikel A1.6 Vakantiebijslag V&V tot 1 juni 2008
(Deze bepaling geldt tot 1 juni 2008 voor werknemers in dienst van een verpleeg-, of verzorgingshuis)
1. De vakantiebijslagwordt éénmaal per jaar in de maand mei uitgekeerd over een periode van 12 maanden, aanvangende
met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar.
2. De vakantiebijslagbedraagt voor de werknemer die op 31 mei een vol jaar in dienst is geweest, 8% van het jaarsalaris.
Voor de toepassing hiervan wordt verstaan onder jaarsalaris: twaalf maal het op 1 mei geldende salaris.
3. In afwijking van het bepaalde in lid 2 geldt voor de werknemer die op 31 mei een vol jaar in dienst is geweest en op wie
in de maand mei de periode als bedoeld in artikel 8.1 lid 1 onder b. van toepassing is, het volgende: de vakantiebijslag
bedraagt 8% van het per maand uitgekeerde salaris in de periode van 12 maanden, aanvangende met de maand juni van
het voorafgaande kalenderjaar.
4. Voor werknemers van 22 jaar of ouder bedraagt in enig jaar de vakantiebijslagbij een vol jaar dienstverband minimaal
€ 1621,12 per jaar* (€ 1673,81 per jaar**) . Het minimumbedrag wordt in de maand mei van het uitkeringsjaar
verhoogd met:
a. de eventuele algemene loonaanpassingen die in het kader van de CAO VVT hebben plaatsgevonden;
b. het effect van de eventuele verhoging in het afgelopen jaar van het vakantiebijslagpercentage;
c. het bedrag van de jaarlijkse vakantiebijslagvoor werknemers met een deeltijdarbeidsduur wordt jaarlijks in de
maand mei gecorrigeerd met het feitelijk verrichte meerwerk, op grond van de navolgende rekenmethode.
De gemiddelde contractuele arbeidsduur op 1 mei, vermeerderd met het gemiddelde van de feitelijk gewerkte meeruren
per maand, niet zijnde overwerkuren, te meten over de in lid 1genoemde referteperiode, wordt gedeeld door de
gemiddelde contractuele arbeidsduur op 1 mei. Het salaris als bedoeld in lid 2 wordt gecorrigeerd op basis van de aldus
verkregen breuk.
5. Wanneer de werknemer slechts een deel van de periode waarover vakantiebijslagwordt berekend in dienst is geweest
dan wel in die periode of een deel daarvan in deeltijdheeft gewerkt, heeft hij naar evenredigheid recht op
vakantiebijslag.
6. Indien de werknemer de dienst verlaat voor de uitkeringsdatum, wordt op basis van het ten tijde van de beëindiging van
het dienstverband geldende maandsalaris de vakantiebijslag naar evenredigheid uitgekeerd.
7. Het gestelde in lid 1 en lid 4 sub b. geldt voor werknemers die voor 1 januari 2001 vielen onder §IIB CAO V&V 19992000
met inachtneming van het gestelde in Bijlage B van de cao.
* per 1 mei 2007
** per 1 mei 2008

Artikel A1.7 Beroepsopleidingen
a. Salaris leerling-verpleegkundige (kwalificatieniveau 4 en de duale opleiding van kwalificatieniveau 5), leerlingverzorgende
en leerling-verzorgende-IG (kwalificatieniveau 3/3-IG)
1-1-2007 1-1-2008
1e praktijk leerjaar 1056,82 1091,17
2e praktijk leerjaar 1246,75 1287,27
3e praktijk leerjaar 1610,07 1662,40
4e praktijk leerjaar 1610,07 1662,40
Voor leerling-verpleegkundigen (kwalificatieniveau 5) kan afgeweken worden van het voorgaande indien het tweede jaar, in
het verlengde van het eerste jaar, een overwegend theoretisch karakter draagt en waarin stages zijn opgenomen. Voor een
periode van 12 maanden kan in dit jaar een leerovereenkomst met de leerling worden aangegaan. In het derde jaar, wanneer
met de leerling een leer/arbeidsovereenkomst is aangegaan, begint de leerling met een salaris behorende bij het tweede
praktijkleerjaar.
b. Salaris leerling-helpende (kwalificatieniveau 2)
1-1-2007 1-1-2008
1e praktijk leerjaar 930,92 961,17
2e praktijk leerjaar 1064,56 1099,16
c. Salaris leerling zorghulp (kwalificatieniveau 1)
De leerling-werknemer ontvangt tijdens de opleiding tot zorghulp een salaris conform het Wettelijk minimum(jeugd)loon. (1)
(1) Voor zover het minimumloon niet hoger ligt. Deze salarissen zijn voltijd salarissen, gebaseerd op 36 uur, te meten per
praktijkleerjaar. Het voltijd salaris is inclusief maximaal (4 x 52) 208 uren lestijd voor binnenschools leren, te meten per
praktijkleerjaar. Voor werknemers met een deeltijd arbeidsduur gelden de bedragen naar rato.

Artikel A1.8 Sal arisgarantie leerling-werknemer
1. Indien een werknemer, die reeds in dienst is anders dan op grond van artikel A1.9, de opleiding verzorgende
respectievelijk verzorgende-IG gaat volgen, dan behoudt deze leerling-werknemer het salaris behorende bij de
salarisschaal van de laatstelijk uitgeoefende functie, tenzij het salaris bij de voor de opleiding geldende schaal hoger is.
2. De werkgever kan de salarisgarantie als bedoeld in lid 1 uitbreiden met een of meer van de overige basisopleidingen als
bedoeld in artikel A1.7.
3. De werkgever kan ten positieve afwijken van het leerling-salaris van een van de basisopleidingen als bedoeld in artikel
A1.7, indien de leerling-werknemer, voorafgaand aan de indiensttreding, elders op grond van betaalde arbeid een hoger
salaris verdiende dan het betreffende leerling-salaris.
4. De leerling-verpleegkundige, die in het bezit is van een diploma ziekenverzorging of diploma verpleegkundige wordt,
onverminderd de bevoegdheid als bedoeld in lid 2, gedurende de periode van de nieuwe leer/arbeidsovereenkomst
gesalarieerd:
-bij het bezit van het diploma ziekenverzorging: volgens de jeugdschaal dan wel volgens een van de
inpassingstabelnummers, behorende bij de salarisschalen van functiegroep 30;
-bij het bezit van het diploma verpleegkundige: volgens de jeugdschaal dan wel volgens een van de
inpassingstabelnummers, behorende bij de salarisschalen van functiegroep 35.
De leerling-verpleegkundige die in het bezit is van een diploma MDGO en tenminste over één jaar functionele
werkervaring beschikt, wordt gedurende de periode van de nieuwe leer/arbeidsovereenkomst gesalarieerd volgens de
jeugdschaal dan wel volgens een van de inpassingstabelnummers behorende bij de salarisschalen van functiegroep 30.

Artikel A1.9 Aspirant leerlingen
Voor de werknemer die in dienst treedt voorafgaand aan de opleiding als bedoeld in artikel A1.7 sub a respectievelijk sub b,
geldt het salaris behorende bij het 1e praktijkleerjaar zoals bedoeld in artikel A1.7 sub a respectievelijk sub b. Voor de
werknemer die in dienst treedt voorafgaand aan de opleiding als bedoeld in artikel A1.7 sub c, geldt het salaris
overeenkomstig het Wettelijk minimum(jeugd)loon.

Artikel A1.10 Opleiding tot verpleeghuisarts
(Geldt voor werknemers in opleiding tot verpleeghuisarts die vóór 1 september 2007 in dienst zijn getreden)
1. Voor de werknemer die de opleiding tot verpleeghuisarts volgt, geldt tenminste het bij nul dienstjaren vermelde bedrag
van de laagste voorkomende functiegroep voor de artsenfunctie.
2. Voor de salarisvaststelling worden de uren in aanmerking genomen waarop daadwerkelijk arbeid wordt verricht.
3. In overleg tussen werkgever en werknemer kan in afwijking van lid 2 worden overeengekomen dat de lesuren geheel
dan wel gedeeltelijk als werktijd worden aangemerkt.

Artikel A1.11 Opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog
1. Voor de werknemer die de opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog volgt, geldt tenminste het bij nul dienstjaren
vermelde bedrag van de laagste voorkomende functiegroep voor de psychologenfunctie.
2. Voor de salarisvaststelling worden de uren in aanmerking genomen waarop daadwerkelijk arbeid wordt verricht.
3. In overleg tussen werkgever en werknemer kan in afwijking van lid 2 worden overeengekomen dat de lesuren geheel
dan wel gedeeltelijk als werktijd worden aangemerkt.

Artikel A1.12 Overige BBL opleidingen in het kader van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB)
1. Bij indiensttreding geldt voor de werknemer die in opleiding is in het kader van een van de overige BBL opleidingen
van de WEB, niet zijnde de opleiding als bedoeld in artikel A1.7 de jeugdbedragen (bij leeftijd van 21 jaar of ouder: de
salarisschaal van de functiegroep) behorende bij een door de werkgever vastgestelde schaal die ligt onder de
salarisschaal van de laagst voorkomende schaal voor de functie waarvoor wordt opgeleid.
2. Het onder 1 bedoelde salaris wordt aangepast aan de omvang van het dienstverband. Deze omvang wordt bepaald door
het aantal uren arbeid dat gegeven de organisatie van het onderwijs kan worden verricht.

Artikel A1.13 Overige opleidingen
Indien een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan met het oog op een opleiding, anders dan genoemd in artikel A1.7, A1.10,
A1.11 of A1.12 in het kader waarvan het een vereiste is praktisch werkzaam te zijn en waarvoor de
eindverantwoordelijkheid niet bij de werkgever berust, geldt het volgende:
1. voor de vaststelling van het salaris zijn van toepassing de artikelen A3.1.2 en 3.1.3;
2. voor de salarisvaststelling worden de uren in aanmerking genomen waarop daadwerkelijk arbeid wordt verricht. Bij
hoge uitzondering kan in overleg tussen werkgever en werknemer worden overeengekomen dat de lesuren geheel dan
wel gedeeltelijk als werktijd worden aangemerkt.

Artikel A1.14 Bevordering
1. Bij bevordering tot een functie welke is ingedeeld in een hogere functiegroep, wordt het salaris ontleend aan de
functionele schaal van de nieuwe functie, met dien verstande dat het tot dan toe genoten salaris met 2 periodieken wordt
verhoogd en het nieuwe salaris tenminste gelijk moet zijn aan het minimum van de functionele schaal van de functie,
waarnaar de werknemer werd bevorderd, doch nimmer meer mag bedragen dan het maximum van de bij deze hogere
functie behorende schaal. Hierbij worden buiten beschouwing gelaten de in de functionele schalen opgenomen
uitloopperiodieken als bedoeld in artikel A1.4. Indien bij een bevordering als bedoeld in het vorige lid de werknemer
nog niet voldoet aan het bepaalde in artikel A1.2 lid 3 dan geldt, overeenkomstig het in artikel A1.2 lid 4 bepaalde, de
aanloopschaal.
2. Van het in de leden 1 en 2 bepaalde kan door de werkgever worden afgeweken. Wanneer de werkgever, overeenkomstig
het bepaalde in artikel 27 van de WOR, zijn voorgenomen besluit tot afwijking als in de vorige volzin bedoeld aan de
OR voorlegt, kan hiertegen niet als bezwaar worden ingebracht dat de cao een dergelijke regeling uitsluit. Het in de
vorige volzin bedoelde besluit van de werkgever heeft dezelfde rechtskracht als de bepalingen van deze cao.

Tabel A1 Salarisschalen V&V per 1 januari 2007

salarisschalen functiegroep 5
jeugdschaal aanloopschaal functionele schaal
3 4 5
17 800,62 0 1 1285,42 0 3 1333,99
18 933,14 1 2 1309,71 1 4 1385,91
19 1066,76 2 3 1333,99 2 5 1436,7
20 1200,38 3 4 1385,91 3 6 1464,31
4 7 1502,95
5 8 1540,51
11 9 1581,37
13 10 1625,53

salarisschalen functiegroep 10
jeugdschaal aanloopschaal functionele schaal
89 10
17 831,55 0 1 1285,42 0 4 1385,91
18 970,68 1 2 1309,71 1 5 1436,7
19 1108,72 2 3 1333,99 2 6 1464,31
20 1247,87 3 4 1385,91 3 7 1502,95
4 5 1436,70 4 8 1540,51
5 9 1581,37
6 10 1625,53
12 11 1675,23
14 12 1727,14

salarisschalen functiegroep 15
jeugdschaal aanloopschaal functionele schaal
1314 15
17 862,47 0 2 1309,71 0 5 1436,7
18 1006,02 1 3 1333,99 1 6 1464,31
19 1149,59 2 4 1385,91 2 7 1502,95
20 1292,03 3 5 1436,70 3 8 1540,51
4 6 1464,31 4 9 1581,37
5 10 1625,53
6 11 1675,23
7 12 1727,14
13 13 1785,67
15 14 1844,18

salarisschalen functiegroep 20
jeugdschaal aanloopschaal functionele schaal
1819 20
17 879,02 0 3 1333,99 0 6 1464,31
18 1025,9 1 4 1385,91 1 7 1502,95
19 1171,66 2 5 1436,70 2 8 1540,51
20 1317,43 3 6 1464,31 3 9 1581,37
4 7 1502,95 4 10 1625,53
5 11 1675,23
6 12 1727,14
7 13 1785,67
8 14 1844,18
14 15 1898,31
16 16 1959,03

salarisschalen functiegroep 25
jeugdschaal aanloopschaal functionele schaal
23 24 25
17 901,11 0 4 1385,91 0 7 1502,95
18 1052,41 1 5 1436,70 1 9 1581,37
19 1202,59 2 6 1464,31 2 10 1625,53
20 1352,77 3 7 1502,95 3 11 1675,23
4 8 1540,51 4 12 1727,14
5 9 1581,37 5 13 1785,67
6 14 1844,18
7 15 1898,31
8 16 1959,03
14 17 2008,73
16 18 2068,36

salarisschalen functiegroep 30
jeugdschaal aanloopschaal functionele schaal
2829 30
17 925,41 0 6 1464,31 0 8 1540,51
18 1078,9 1 7 1502,95 1 10 1625,53
19 1233,51 2 8 1540,51 2 12 1727,14
20 1387,01 3 9 1581,37 3 13 1785,67
4 10 1625,53 4 14 1844,18
5 11 1675,23 5 15 1898,31
6 16 1959,03
7 17 2008,73
8 18 2068,36
14 19 2122,47
16 20 2179,90

salarisschalen functiegroep 35
jeugdschaal aanloopschaal functionele schaal
3334 35
17 976,21 0 8 1540,51 0 10 1625,53
18 1138,54 1 9 1581,37 1 12 1727,14
19 1300,88 2 10 1625,53 2 14 1844,18
20 1463,21 3 11 1675,23 3 15 1898,31
4 12 1727,14 4 16 1959,03
5 13 1785,67 5 17 2008,73
6 18 2068,36
7 19 2122,47
8 20 2179,90
9 21 2236,22

salarisschalen functiegroep 40
jeugdschaal aanloopschaal functionele schaal
39 40
0 10 1625,53 0 12 1727,14
1 11 1675,23 1 14 1844,18
2 12 1727,14 2 16 1959,03
3 13 1785,67 3 17 2008,73
4 14 1844,18 4 18 2068,36
5 15 1898,31 5 19 2122,47
6 20 2179,90
7 21 2236,22
8 22 2291,43
9 23 2347,75
10 24 2405,18

salarisschalen functiegroep 45
aanloopschaal functionele schaal
44 45
0 10 1625,53 0 16 1959,03
1 12 1727,14 1 18 2068,36
2 14 1844,18 2 20 2179,90
3 16 1959,03 3 21 2236,22
4 17 2008,73 4 22 2291,43
5 18 2068,36 5 23 2347,75
6 19 2122,47 6 24 2405,18
7 25 2463,70
8 26 2524,44
9 27 2587,40
10 28 2642,60

salarisschalen functiegroep 50
aanloopschaal functionele schaal
49 50
0 14 1844,18 0 21 2236,22
1 16 1959,03 1 23 2347,75
2 18 2068,36 2 25 2463,70
3 20 2179,90 3 27 2587,40
4 21 2236,22 4 28 2642,60
5 22 2291,43 5 29 2704,44
6 23 2347,75 6 30 2765,19
7 31 2822,60
8 32 2880,02
9 33 2940,76

10 34 3001,50
salarisschalen functiegroep 55
aanloopschaal functionele schaal
54 55
0 19 2122,47 0 26 2524,44
1 21 2236,22 1 28 2642,60
2 23 2347,75 2 30 2765,19
3 25 2463,70 3 32 2880,02
4 26 2524,44 4 34 3001,50
5 27 2587,40 5 35 3057,83
6 28 2642,60 6 36 3114,14
7 37 3179,29
8 38 3245,56
9 39 3310,71

10 40 3369,25
salarisschalen functiegroep 60
aanloopschaal functionele schaal
59 60
0 25 2463,70 0 32 2880,02
1 27 2587,40 1 34 3001,50
2 29 2704,44 2 36 3114,14
3 31 2822,60 3 38 3245,56
4 32 2880,02 4 40 3369,25
5 33 2940,76 5 42 3496,23
6 34 3001,50 6 44 3618,80
7 45 3672,93
8 46 3728,14
9 47 3785,56
10 48 3840,78

Bijlage A Overgangsbepalingen V&V 2008
salarisschalen functiegroep 65
aanloopschaal
64
functionele schaal
65
salarisschalen functiegroep 75
aanloopschaal
74
functionele schaal
75
0 32 2880,02
1 34 3001,50
2 36 3114,14
3 38 3245,56
4 40 3369,25
5 41 3434,39
6 42 3496,23
7 43 3.559,18
0 40
1 42
2 44
3 46
4 48
5 50
6 52
7 54
8 56
9 57
10 58
11 59
12 60
3369,25
3496,23
3618,80
3728,14
3840,78
3954,52
4067,15
4180,90
4294,64
4349,86
4406,17
4464,71
4521,02
0 54 4180,9
1 56 4294,64
2 58 4406,17
3 60 4521,02
4 62 4634,77
5 63 4689,99
6 64 4748,51
7 65 4818,08
0 62 4634,77
1 65 4818,08
2 68 5031,21
3 71 5242,14
4 74 5456,38
5 76 5598,83
6 78 5746,81
7 80 5904,71
8 82 6064,86
9 83 6142,15
10 84 6222,77
11 85 6315,53
12 86 6409,39
13 87 6501,04
14 88 6594,91
salarisschalen functiegroep 70
aanloopschaal
69
functionele schaal
70
salarisschalen functiegroep 80
aanloopschaal
79
functionele schaal
80
0 42 3.496,23
1 44 3.618,80
2 46 3728,14
3 48 3840,78
4 50 3954,52
5 51 4011,94
6 52 4067,15
7 53 4125,69
0 50
1 53
2 56
3 59
4 62
5 64
6 66
7 68
8 70
9 71
10 72
11 73
12 74
3954,52
4125,69
4294,64
4464,71
4634,77
4748,51
4888,77
5031,21
5172,57
5242,14
5315,02
5385,70
5456,38
0 66 4888,77
1 68 5031,21
2 70 5172,57
3 72 5315,02
4 74 5456,38
5 75 5527,05
6 76 5598,83
7 77 5668,40
0 74 5456,38
1 77 5668,40
2 80 5904,71
3 83 6142,15
4 86 6409,39
5 88 6594,91
6 90 6778,22
7 92 6963,75
8 94 7151,49
9 95 7244,25
10 96 7338,11
11 97 7430,88
12 98 7523,63
13 99 7618,60
14 100 7711,36

Bijlage A Overgangsbepalingen V&V 2008
Bijlage A Overgangsbepalingen V&V 2008

Tabel A2 Salarisschalen CAO V&V per 1 januari 2008
Salarisschalen CAO V&V per 1 januari 2008
Bijlage A Overgangsbepalingen V&V 2008
salarisschalen functiegroep 5
jeugdschaal aanloopschaal functionele schaal
3 4 5
salarisschalen functiegroep 25
jeugdschaal aanloopschaal
23 24
functionele schaal
25
salarisschalen functiegroep 45
aanloopschaal functionele schaal
44 45
17 826,64 0 1 1327,20 0 3 1377,34
18 963,47 1 2 1352,28 1 4 1430,95
19 1101,43 2 3 1377,34 2 5 1483,39
20 1239,39 3 4 1430,95 3 6 1511,90
4 7 1551,80
5 8 1590,58
11 9 1632,76
13 10 1678,36
17 930,40 0 4 1430,95
18 1086,61 1 5 1483,39
19 1241,67 2 6 1511,90
20 1396,74 3 7 1551,80
4 8 1590,58
5 9 1632,76
0 7 1551,80
1 9 1632,76
2 10 1678,36
3 11 1729,67
4 12 1783,27
5 13 1843,70
6 14 1904,12
7 15 1960,01
8 16 2022,70
14 17 2074,01
16 18 2135,58
0 10 1678,36 0 16 2022,70
1 12 1783,27 1 18 2135,58
2 14 1904,12 2 20 2250,75
3 16 2022,70 3 21 2308,90
4 17 2074,01 4 22 2365,90
5 18 2135,58 5 23 2424,05
6 19 2191,45 6 24 2483,35
7 25 2543,77
8 26 2606,48
9 27 2671,49
10 28 2728,48
salarisschalen functiegroep 10
jeugdschaal aanloopschaal functionele schaal
8 9 10
salarisschalen functiegroep 30
jeugdschaal aanloopschaal
28 29
functionele schaal
30
salarisschalen functiegroep 50
aanloopschaal functionele schaal
49 50
17 858,58 0 1 1327,20 0 4 1430,95
18 1002,23 1 2 1352,28 1 5 1483,39
19 1144,75 2 3 1377,34 2 6 1511,90
20 1288,43 3 4 1430,95 3 7 1551,80
4 5 1483,39 4 8 1590,58
5 9 1632,76
6 10 1678,36
12 11 1729,67
14 12 1783,27
17 955,49 0 6 1511,90
18 1113,96 1 7 1551,80
19 1273,60 2 8 1590,58
20 1432,09 3 9 1632,76
4 10 1678,36
5 11 1729,67
0 8 1590,58
1 10 1678,36
2 12 1783,27
3 13 1843,70
4 14 1904,12
5 15 1960,01
6 16 2022,70
7 17 2074,01
8 18 2135,58
14 19 2191,45
16 20 2250,75
0 14 1904,12 0 21 2308,90
1 16 2022,70 1 23 2424,05
2 18 2135,58 2 25 2543,77
3 20 2250,75 3 27 2671,49
4 21 2308,90 4 28 2728,48
5 22 2365,90 5 29 2792,33
6 23 2424,05 6 30 2855,06
7 31 2914,33
8 32 2973,62
9 33 3036,33
10 34 3099,05
salarisschalen functiegroep 15
jeugdschaal aanloopschaal functionele schaal
13 14 15
salarisschalen functiegroep 35
jeugdschaal aanloopschaal
33 34
functionele schaal
35
salarisschalen functiegroep 55
aanloopschaal functionele schaal
54 55
17 890,50 0 2 1352,28 0 5 1483,39
18 1038,72 1 3 1377,34 1 6 1511,90
19 1186,95 2 4 1430,95 2 7 1551,80
20 1334,02 3 5 1483,39 3 8 1590,58
4 6 1511,90 4 9 1632,76
5 10 1678,36
6 11 1729,67
7 12 1783,27
13 13 1843,70
15 14 1904,12
17 1007,94 0 8 1590,58
18 1175,54 1 9 1632,76
19 1343,16 2 10 1678,36
20 1510,76 3 11 1729,67
4 12 1783,27
5 13 1843,70
0 10 1678,36
1 12 1783,27
2 14 1904,12
3 15 1960,01
4 16 2022,70
5 17 2074,01
6 18 2135,58
7 19 2191,45
8 20 2250,75
9 21 2308,90
0 19 2191,45 0 26 2606,48
1 21 2308,9 1 28 2728,48
2 23 2424,05 2 30 2855,06
3 25 2543,77 3 32 2973,62
4 26 2606,48 4 34 3099,05
5 27 2671,49 5 35 3157,21
6 28 2728,48 6 36 3215,35
7 37 3282,62
8 38 3351,04
9 39 3418,31
10 40 3478,75
salarisschalen functiegroep 20
jeugdschaal aanloopschaal functionele schaal
18 19 20
salarisschalen functiegroep 40
jeugdschaal aanloopschaal
39
functionele schaal
40
salarisschalen functiegroep 60
aanloopschaal functionele schaal
59 60
17 907,59 0 3 1377,34 0 6 1511,90
18 1059,24 1 4 1430,95 1 7 1551,80
19 1209,74 2 5 1483,39 2 8 1590,58
20 1360,25 3 6 1511,90 3 9 1632,76
4 7 1551,80 4 10 1678,36
5 11 1729,67
6 12 1783,27
7 13 1843,70
8 14 1904,12
14 15 1960,01
16 16 2022,70
0 10 1678,36
1 11 1729,67
2 12 1783,27
3 13 1843,70
4 14 1904,12
5 15 1960,01
0 12 1783,27
1 14 1904,12
2 16 2022,70
3 17 2074,01
4 18 2135,58
5 19 2191,45
6 20 2250,75
7 21 2308,90
8 22 2365,90
9 23 2424,05
10 24 2483,35
0 25 2543,77 0 32 2973,62
1 27 2671,49 1 34 3099,05
2 29 2792,33 2 36 3215,35
3 31 2914,33 3 38 3351,04
4 32 2973,62 4 40 3478,75
5 33 3036,33 5 42 3609,86
6 34 3099,05 6 44 3736,41
7 45 3792,30
8 46 3849,30
9 47 3908,59
10 48 3965,61

Bijlage A Overgangsbepalingen V&V 2008
salarisschalen functiegroep 65 salarisschalen functiegroep 75
aanloopschaal functionele schaal aanloopschaal functionele schaal
64 65 74 75
0 32 2973,62 0 40 3478,75 0 54 4316,78 0 62 4785,4
1 34 3099,05
2 36 3215,35
1 42 3609,86
2 44 3736,41
1 56 4434,22
2 58 4549,37
1 65
2 68
4974,67
5194,72
3 38 3351,04
4 40 3478,75
3 46 3849,3
4 48 3965,61
3 60 4667,95
4 62 4785,4
3 71
4 74
5412,51
5633,71
5 41 3546,01
6 42 3609,86
5 50 4083,04
6 52 4199,33
5 63 4842,41
6 64 4902,84
5 76
6 78
5780,79
5933,58
7 43 3674,85 7 54 4316,78 7 65 4974,67 7 80 6096,61
8 56 4434,22
9 57 4491,23
8 82
9 83
6261,97
6341,77
10 58 4549,37
11 59 4609,81
10 84
11 85
6425,01
6520,78
12 60 4667,95 12 86
13 87
6617,7
6712,32
14 88 6809,24
salarisschalen functiegroep 70 salarisschalen functiegroep 80
aanloopschaal functionele schaal aanloopschaal functionele schaal
69 70 79 80
0 42 3609,86
1 44 3736,41
0 50 4083,04
1 53 4259,77
0 66 5047,66
1 68 5194,72
0 74
1 77
5633,71
5852,62
2 46 3849,3
3 48 3965,61
2 56 4434,22
3 59 4609,81
2 70 5340,68
3 72 5487,76
2 80
3 83
6096,61
6341,77
4 50 4083,04
5 51 4142,33
4 62 4785,4
5 64 4902,84
4 74 5633,71
5 75 5706,68
4 86
5 88
6617,7
6809,24
6 52 4199,33
7 53 4259,77
6 66 5047,66
7 68 5194,72
6 76 5780,79
7 77 5852,62
6 90
7 92
6998,51
7190,07
8 70 5340,68
9 71 5412,51
8 94
9 95
7383,91
7479,69
10 72 5487,76
11 73 5560,74
10 96
11 97
7576,6
7672,38
12 74 5633,71 12 98
13 99
7768,15
7866,2
14 100 7961,98

Bijlage A Overgangsbepalingen V&V 2008

Tabel A3 Inpassingstabel V&V
ip nr reeks 1/01/2007 ip nr reeks 1 jan. 08
1 1.285,42 51 4.011,94 1 1.327,20 51 4.142,33
2 1.309,71 52 4.067,15 2 1.352,28 52 4.199,33
3 1.333,99 53 4.125,69 3 1.377,34 53 4.259,77
4 1.385,91 54 4.180,90 4 1.430,95 54 4.316,78
5 1.436,70 55 4.237,22 5 1.483,39 55 4.374,93
6 1.464,31 56 4.294,64 6 1.511,90 56 4.434,22
7 1.502,95 57 4.349,86 7 1.551,80 57 4.491,23
8 1.540,51 58 4.406,17 8 1.590,58 58 4.549,37
9 1.581,37 59 4.464,71 9 1.632,76 59 4.609,81
10 1.625,53 60 4.521,02 10 1.678,36 60 4.667,95
11 1.675,23 61 4.576,25 11 1.729,67 61 4.724,98
12 1.727,14 62 4.634,77 12 1.783,27 62 4.785,40
13 1.785,67 63 4.689,99 13 1.843,70 63 4.842,41
14 1.844,18 64 4.748,51 14 1.904,12 64 4.902,84
15 1.898,31 65 4.818,08 15 1.960,01 65 4.974,67
16 1.959,03 66 4.888,77 16 2.022,70 66 5.047,66
17 2.008,73 67 4.959,44 17 2.074,01 67 5.120,62
18 2.068,36 68 5.031,21 18 2.135,58 68 5.194,72
19 2.122,47 69 5.100,79 19 2.191,45 69 5.266,57
20 2.179,90 70 5.172,57 20 2.250,75 70 5.340,68
21 2.236,22 71 5.242,14 21 2.308,90 71 5.412,51
22 2.291,43 72 5.315,02 22 2.365,90 72 5.487,76
23 2.347,75 73 5.385,70 23 2.424,05 73 5.560,74
24 2.405,18 74 5.456,38 24 2.483,35 74 5.633,71
25 2.463,70 75 5.527,05 25 2.543,77 75 5.706,68
26 2.524,44 76 5.598,83 26 2.606,48 76 5.780,79
27 2.587,40 77 5.668,40 27 2.671,49 77 5.852,62
28 2.642,60 78 5.746,81 28 2.728,48 78 5.933,58
29 2.704,44 79 5.828,53 29 2.792,33 79 6.017,96
30 2.765,19 80 5.904,71 30 2.855,06 80 6.096,61
31 2.822,60 81 5.985,34 31 2.914,33 81 6.179,86
32 2.880,02 82 6.064,86 32 2.973,62 82 6.261,97
33 2.940,76 83 6.142,15 33 3.036,33 83 6.341,77
34 3.001,50 84 6.222,77 34 3.099,05 84 6.425,01
35 3.057,83 85 6.315,53 35 3.157,21 85 6.520,78
36 3.114,14 86 6.409,39 36 3.215,35 86 6.617,70
37 3.179,29 87 6.501,04 37 3.282,62 87 6.712,32
38 3.245,56 88 6.594,91 38 3.351,04 88 6.809,24
39 3.310,71 89 6.686,57 39 3.418,31 89 6.903,88
40 3.369,25 90 6.778,22 40 3.478,75 90 6.998,51
41 3.434,39 91 6.870,99 41 3.546,01 91 7.094,30
42 3.496,23 92 6.963,75 42 3.609,86 92 7.190,07
43 3.559,18 93 7.057,61 43 3.674,85 93 7.286,98
44 3.618,80 94 7.151,49 44 3.736,41 94 7.383,91
45 3.672,93 95 7.244,25 45 3.792,30 95 7.479,69
46 3.728,14 96 7.338,11 46 3.849,30 96 7.576,60
47 3.785,56 97 7.430,88 47 3.908,59 97 7.672,38
48 3.840,78 98 7.523,63 48 3.965,61 98 7.768,15
49 3.898,20 99 7.618,60 49 4.024,89 99 7.866,20
50 3.954,52 100 7.711,36 50 4.083,04 100 7.961,98

 


Hoofdstuk A2 Arbeidsduur

Artikel A2.1 Arbeidsduur
1. Het aantal uren waarop arbeid wordt verricht bedraagt bij een volletijd arbeidsduur gemiddeld 36 uur per week. Deze
gemiddeld 36-urige werkweek bij een volletijd arbeidsduur dient gerealiseerd te worden over een periode van zes
maanden.
2. a. In afwijking van hetgeen in lid 1 van dit artikel is bepaald kan op grond van artikel A2.3 lid 1 sub b een
arbeidsduur van gemiddeld 38 uur per week worden vastgesteld.
b. In afwijking van hetgeen in lid 1 van dit artikel is bepaald, kan voor de arbeidsverhouding die tot 1 januari 2001
viel onder artikel 23a §IIB van de CAO V&V 1999-2000, een arbeidsduur van gemiddeld 38,4 uur per week
worden vastgesteld.
3. De leerling-werknemer met een arbeidsovereenkomst van 36 uur gemiddeld per week, te meten per praktijkleerjaar,
heeft in het kader van de opleiding als bedoeld in artikel A1.7 het recht om met behoud van salaris de arbeid te
onderbreken voor binnenschoolse lestijdaan de onderwijsinstelling, met een maximum van (4 uur maal 52 weken) 208
uur per praktijkleerjaar.
Voor de leerling-werknemer die een arbeidsduur heeft van minder dan 36 uur gemiddeld per week, wordt de omvang
van de hiervoor bedoelde lestijdten minste naar rato van de omvang van diens arbeidsduur vastgesteld.
De indeling van de werktijden is zodanig, dat de leerlingwerknemer in staat wordt gesteld het theoretisch deel van de
opleiding te kunnen volgen.

Artikel A2.2 Vormgeving arbeidsduur
De arbeidsduur wordt zodanig vormgegeven dat:
a. in een periode van vier weken tenminste drie blokken van drie aaneengesloten vrije dagen voorkomen; of
b. in een periode van vier weken tenminste twee blokken van drie aaneengesloten vrije dagen voorkomen, waarbij de vrije
weekenden in stand blijven; of
c. in een periode van 13 weken tenminste vier blokken van drie aaneengesloten vrije dagen voorkomen, waarbij het aantal
losse vrije dagen dient te worden beperkt tot maximaal vier; of
d. in een periode van 13 weken de roostervrije tijd in blokken van tenminste twee aaneengesloten vrije dagen en maximaal
vier losse vrije dagen wordt ingeroosterd. Dit model kan alleen toegepast worden voor organisatie-eenheden waarin de
werknemers werkzaam zijn op werktijden die geheel of gedeeltelijk liggen buiten de uren als bedoeld in artikel A3.1 lid 2
sub c Hoofdstuk werktijden, alsmede onder de voorwaarde dat bij de roostervormgeving rekening wordt gehouden met de
roosterprincipes van de Werktijd en Herstel bij Afwijkende Werktijden-systematiek (WHAW-systematiek).
e. afwijking van de vormgeving als opgenomen in sub a, b, c of d is mogelijk met instemming van de OR dan wel de PVT.
Bij geen overeenstemming blijven de modellen a, b, c of d van toepassing. Met inachtneming van de eerste volzin is
afwijking van de vormgeving slechts mogelijk indien rekening wordt gehouden met de roosterprincipes van de WHAWsystematiek.
De voorwaarde inzake de WHAW is niet van toepassing op werknemers die werkzaam zijn volgens een vaste
werktijdenregeling dan wel volgens een werktijdenregeling op uren als bedoeld in artikel A3.1 lid 2 sub c Hoofdstuk
werktijden. Afwijking van de vormgeving kan er niet toe leiden dat een werkweek met dagen van 7,2 uur wordt
afgesproken.

Artikel A2.3 Afwijkende arbeidsduur
1. Van het bepaalde in artikel A2.1 kan ten behoeve van de werknemer met een volledige arbeidsduur als volgt worden
afgeweken:
a. voor kleine afdelingen en/of solistische functies kan de 36-urige werkweek op perioden langer dan zes maanden
worden gerealiseerd;
b. voor de onder a. genoemde situaties waarvoor de 36-urige werkweek ook niet op perioden langer dan zes maanden
kan worden gerealiseerd, behoort een structurele arbeidsduur van gemiddeld 38 uur tot de mogelijkheden.
2. Met de werknemer op wie lid 1 sub a. van toepassing is, komt de werkgever overeen dat hij boven de voor hem
geldende contractuele basisarbeidsduur van 36 uur twee uren extra werkt. De extra te werken uren worden afzonderlijk
geregistreerd.
3. De extra uren als bedoeld in lid 2 worden door de werknemer gespaard. De werknemer heeft ten aanzien van deze
gespaarde uren nimmer recht op een andere compensatie dan in tijd, behoudens het bepaalde in lid 6 van dit artikel en
behoudens het bepaalde in het Hoofdstuk meerkeuzesysteem.
4. Indien de werknemer wegens ziekte zijn werkzaamheden langer dan 6 maanden niet kan verrichten, is na deze periode
een afspraak op grond van lid 2 om twee uur extra te werken, niet meer van toepassing.
5. In het kader van de afspraak als bedoeld in lid 2 om twee uren extra te werken maakt de werkgever met de werknemer,
met inachtneming van het bepaalde in dit artikel, onder meer schriftelijk afspraken over:
-de termijn gedurende welke de extra uren worden gewerkt;
-de wijze waarop en de periode wanneer de gespaarde extra gewerkte uren worden gecompenseerd;
-het minimum en het maximum van de periode waarin de gespaarde uren worden opgenomen;
-de wijze waarop bij de beëindiging van het dienstverband de voor deze beëindiging niet opgenomen gespaarde uren
worden genoten;
-de in acht te nemen afspraken bij het opnemen van verlof.
6. Bij beëindiging van het dienstverband, worden de gespaarde uren voor de datum van het einde van het dienstverband
opgenomen. Ingeval het niet mogelijk is om alle opgespaarde uren voor de beëindiging van het dienstverband op te
nemen worden de resterende uren uitbetaald tegen het dan geldende uurloon.
7. Alle arbeidsvoorwaarden genoemd in deze cao en de op grond van het bepaalde in artikel 1.2 Hoofdstuk algemene
bepalingen tussen de werkgever en de OR overeengekomen regelingen en de pensioenaanspraken als bedoeld in het
reglement van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn blijven, tenzij in de cao anders is bepaald, gebaseerd op de
contractuele basisarbeidsduur als bedoeld in lid 2 van dit artikel.
8. Indien de werknemer als bedoeld in lid 1 sub a. na het van kracht worden van de wettelijke regeling voor verlofsparen
na 31 december 2000 op grond van het bepaalde in dit artikel, en voor zover van toepassing, op grond van overige cao
bepalingen, meer verlofuren opbouwt dan het wettelijk toegestane aantal van 250 dagen dan wel meer dan het
toegestane aantal dagen van de alsdan geldende wettelijke regeling in een volletijd arbeidsduur van gemiddeld 38, 38,4
respectievelijk 36 uur, en indien er sprake is van een deeltijd arbeidsduur naar rato van het contractuele dienstverband,
dan is hij over het meerdere loonbelasting en premies verschuldigd.

Artikel A2.4 Extra uren werken boven de contractuele basisarbeidsduur
1. De werknemer met wie een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan en die tenminste één jaar in dienst
is, kan bij de werkgever jaarlijks een schriftelijk verzoek indienen om gedurende de periode van een kalenderjaar, boven
de voor hem geldende contractuele arbeidsduur, verder te noemen basisarbeidsduur, ten hoogste vier uren gemiddeld per
week extra te werken.
2. Het verzoek als bedoeld in lid 1 is gebaseerd op de op dat moment bestaande contractuele functie en arbeidsduur. Indien
na toewijzing van het verzoek sprake is van een functiewijziging of wijziging van de contractuele arbeidsduur, dan
vervalt de afspraak tot extra werken als bedoeld in lid 1, tenzij werkgever en werknemer overeenkomen de afspraak tot
extra werken voor de resterende duur van het kalenderjaar geheel of gedeeltelijk te handhaven.
3. De werknemer dient het verzoek tot het werken van extra uren als bedoeld in het eerste lid uiterlijk vier maanden voor
het eind van het kalenderjaar bij de werkgever in te dienen.
4. De beslissing op het verzoek van de werknemer wordt door de werkgever binnen drie maanden schriftelijk aan de
werknemer medegedeeld. Indien de werkgever het verzoek niet inwilligt doet hij dit onder schriftelijke opgave van
redenen.
5. De werkgever honoreert het verzoek geheel dan wel gedeeltelijk indien en voor zover het past binnen het door hem
vastgestelde instellingsbeleid, de met de aard van de bedrijfsvoering samenhangende vereisten ten aanzien van de
werktijdregelingen, de dienstverlening naar de cliënten, de organisatorische mogelijkheden en de daarmee verbonden
kosten.
De werkgever verwerkt deze extra uren in de werktijdenregeling.
6. Bij beëindiging van het dienstverband, worden de gespaarde uren voor de datum van het einde van het dienstverband
opgenomen. Ingeval het niet mogelijk is om alle opgespaarde uren voor de beëindiging van het dienstverband op te
nemen, dan worden de resterende uren uitbetaald tegen het dan geldende uurloon.
7. Indien de werknemer wegens ziekte zijn werkzaamheden langer dan 6 maanden niet kan verrichten, is na deze periode
een afspraak op grond van dit artikel niet meer van toepassing.
8. De werkgever kan in overleg met de OR dan wel de PVT afwijken van de periode van een kalenderjaar als bedoeld in
lid 1, de termijn van 4 maanden als bedoeld in lid 4 en de termijn van drie maanden als bedoeld in lid 5 van dit artikel.
9. Indien de werknemer als bedoeld in lid 1 na het van kracht worden van de wettelijke regeling voor verlofsparen na 31
december 2000 op grond van het bepaalde in dit artikel, en voor zover van toepassing, op grond van overige caobepalingen,
meer verlofuren opbouwt dan het wettelijk toegestane aantal van 250 dagen dan wel meer dan het
toegestane aantal dagen van de alsdan geldende wettelijke regeling in een volletijd arbeidsduur van gemiddeld 38, 38,4
respectievelijk 36 uur, en indien er sprake is van een deeltijd arbeidsduur, naar rato van het dienstverband, dan is hij
over het meerdere loonbelasting en premies verschuldigd.
10. Alle arbeidsvoorwaarden genoemd in deze cao en de pensioenaanspraken als bedoeld in het reglement van het
Pensioenfonds Zorg en Welzijn blijven, tenzij in de cao anders is bepaald, gebaseerd op de basisarbeidsduur als bedoeld
in lid 1 van dit artikel.
Toelichting
De in artikel A2.3 lid 1 sub a bedoelde werknemer heeft een contractuele arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week, maar
werkt gedurende een overeengekomen periode feitelijk gemiddeld 38 uur per week. De twee uren waarop aldus gemiddeld
per week extra arbeid wordt verricht, worden niet als overwerk beschouwd. Deze uren worden op een later tijdstip in de
vorm van vrije tijd gecompenseerd.

 

Hoofdstuk A3 Werktijden

Artikel A3.1 Werktijdenregeling
1. Voor zover niet anders is bepaald in deze cao kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden die de
Arbeidstijdenwet en het daarop gebaseerde Arbeidstijdenbesluit biedt.
2. a. Voor iedere werknemer geldt een werktijdenregeling, waarin de arbeids- en rusttijden van de werknemer zijn
opgenomen.
b. De werktijdenregeling wordt door de werkgever zo spoedig mogelijk, doch tenminste 14 etmalen voor de aanvang
van de periode waarop het betrekking heeft, ter kennis van de betrokken werknemers gebracht.
c. Met inachtneming van het geen bij of ingevolge de wet is bepaald, wordt de indeling van de werktijden door de
werkgever geregeld, met dien verstande dat de werktijden bij voorkeur liggen tussen 07.00 en 20.00 uur op
maandag tot en met vrijdag, en tussen 08.00 en 12.00 uur op zaterdag.
d. Bij het opstellen van werktijdenregelingen wordt gestreefd naar mogelijkheden voor voldoende herstel tijdens en na
het werk en naar een efficiënte bedrijfsvoering.
3. Indien door de werkgever aan de OR ingevolge artikel 27 lid 1 sub c WOR wordt voorgesteld voor bepaalde afdelingen
of diensten een werktijdenregeling in te voeren, hetwelk afwijkt van de in lid 2 genoemde tijden, dan kan hiertegen niet
als bezwaar worden ingebracht, dat de cao een dergelijke regeling uitsluit.
4. Indien er sprake is van een werktijdenregeling met wisselende diensten, dienen deze diensten zoveel mogelijk
voorwaarts te roteren.
5. Diensten waarin de uren tussen 23.00 en 07.00 uur geheel of ten dele zijn begrepen, kunnen uitsluitend worden
opgedragen aan werknemers van 18 jaar en ouder.
6. Aan de werknemer van 55 jaar of ouder wordt geen nachtdienst, slaapdienst, bereikbaarheids-, aanwezigheids-, of
consignatiedienst opgedragen op de uren tussen 23.00 en 07.00 uur, tenzij de werknemer hiertegen geen bezwaar maakt.
7. Het is de werkgever verboden, tenzij de werknemer hierom verzoekt, aan de werknemer een gebroken dienst op te
dragen. Onder gebroken dienst wordt verstaan, een dienst binnen welke de werktijd wordt onderbroken gedurende
tenminste een uur en ten hoogste drie uren.
8. Overdracht van dienst vindt plaats binnen werktijd.

Artikel A3.1.1 Nachtdiensten
1. De werknemer mag maximaal 5 achtereenvolgende nachtdiensten verrichten.
2. In afwijking van lid 1 kan tussen werkgever en werknemer worden overeengekomen dat de werknemer 7 aaneengesloten
nachtdiensten verricht, waarbij het aantal nachtdiensten per 13 weken de 35 niet overschrijdt. Voor de werknemer die
arbeid verricht in de nachtdienst bedraagt de maximale arbeidstijd in elke periode van 13 achtereenvolgende weken
gemiddeld 40 uren per week.
3. Voor de werknemer voor wie reeds een afbouwregeling conform het WBVV of het Arbeidstijdenbesluit geldt, zijn de
leden 1 en 2 van dit artikel niet van toepassing.
4. Voor de werknemer die arbeid verricht in de nachtdienst bedraagt de maximale arbeidstijd per nachtdienst 9 uur. Van
het in de vorige volzin bepaalde kan uitsluitend worden afgeweken indien er sprake is van een incidentele, onvoorziene
wijziging van omstandigheden, met inachtneming van een maximale arbeidstijd per nacht van 10 uur.

Artikel A3.1.2 Roostervrije dagen / vrije weekends
1. Indien de werktijden geheel of gedeeltelijk liggen buiten de uren genoemd in artikel A3.1 lid 2 sub c van dit hoofdstuk,
geniet de werknemer acht vrije dagen per 28 dagen.
2. Indien uitsluitend in het geval van dienstwisseling de in de begripsbepalingen bedoelde perioden vrij van dienst niet
kunnen worden gehaald, mag hiervan ten hoogste 2 maal in een periode van 28 dagen worden afgeweken.
3. De werknemer geniet in ieder geval 22 vrije weekends per jaar.
4. Op verzoek van de werknemer kan een lager aantal vrije weekenden dan het aantal genoemd in lid 3 overeengekomen
worden, doch nooit minder dan 17 vrije weekenden per jaar.
5. Op verzoek van de werknemer, die uitsluitend in de weekenden werkzaam is, kan worden afgeweken van het aantal vrije
weekenden in de leden 3 en 4.

Artikel A3.1.3 Verschoven diensten
1. Indien door bijzondere omstandigheden met een incidenteel karakter het dienstbelang dit vordert, kan de werkgever, de
werknemer gehoord:
-afwijken van het bepaalde in artikel A3.1 lid 2 sub b;
-afwijken van het bepaalde in artikel A3.1.2 lid 1 en lid 3;
-wijziging aanbrengen in een reeds vastgestelde werktijdenregeling
2. Indien de werkgever toepassing geeft aan lid 1 en daarmee wijziging aanbrengt in een reeds vastgestelde
werktijdenregeling ontvangt de werknemer schadeloosstelling ingeval hij ter zake van vrijetijdsbesteding reeds uitgaven
heeft gedaan.
3. Indien de werkgever toepassing geeft aan lid 1 en ten gevolge daarvan in een vastgestelde werktijdenregeling binnen 24
uur na zijn mededeling hiervan aan de werknemer, een verschuiving optreedt, ontvangt de werknemer – onverkort het
bepaalde in lid 2 van dit artikel – naast het uurloon over de uren van die verschoven dienst uitsluitend een vergoeding
als bedoeld in artikel A3.2.3 lid 2 (overwerk).

Artikel A3.1.4 Pauzes
1. Binnen elke dagelijkse diensttijd wordt gelegenheid voor twee koffie/theepauzes gegeven, te weten per ochtend, middag,
avond of nacht – eenmaal.
2. Met instemming van de OR dan wel de PVT kan afgeweken worden van lid 1 op grond van organisatorische
belangen/bedrijfsvoering.
3. Koffie- en theepauzes, welke minder dan een kwartier duren, worden als werktijd aangemerkt.
4. Indien en voor zover pauzes 15 minuten of langer duren en als eigen tijd worden aangemerkt, dient onafgebroken rust te
zijn gewaarborgd.

Toelichting artikel A3.1
Ten behoeve van de vaststelling van de arbeidsduur bij werktijdenregeling wordt in het kader van artikel A3.1 gerekend met
het daadwerkelijk door de werknemer genoten aantal uren vakantie. Indien bijvoorbeeld vakantie wordt opgenomen op een
dag waarop in de werktijdenregeling een dagelijkse werktijd van 9 uur zou zijn opgenomen, dan worden 9 vakantie-uren
meegeteld bij de vaststelling van de arbeidsduur en evenzo bij de verrekening van het aantal uren genoten vakantie.

Artikel A3.2 Overwerk
1. Onder overwerk wordt verstaan: arbeid die incidenteel wordt verricht boven de bij werktijdenregelingvastgestelde
arbeidsduur. De bepaling of sprake is van de in dit lid bedoelde overschrijding van de arbeidsduur wordt gemeten op
half jaarbasis.
Van overwerk is geen sprake voor zover sprake is van een verschoven dienst.
2. Vergoeding voor overwerk wordt gegeven, indien de werknemer opdracht tot overwerk heeft gekregen, dan wel
redelijkerwijs mocht aannemen, dat hij opdracht tot overwerk zou hebben gekregen. In een dergelijk geval stelt de
werkgever achteraf de noodzaak tot overwerk vast.

Artikel A3.2.1 Bepaling aantal overwerkuren en vrijgestelde werknemers
1. Indien het overwerk wordt verricht gedurende een periode van een half uur of korter voorafgaande aan of aansluitend op
de bij werktijdenregeling vastgestelde werktijd, komt deze periode niet voor vergo eding in aanmerking.
2. Indien het overwerk wordt verricht gedurende een periode, langer dan een half uur, wordt deze periode afgerond op een
heel uur.
3. Indien het overwerk wordt verricht gedurende een periode, langer dan een uur, wordt deze periode naar boven afgerond
op halve respectievelijk hele uren.
4. Aan de zwangere werknemer na de derde maand van de zwangerschap zal geen overwerk worden opgedragen tenzij de
werknemer er mee instemt om overwerk te verrichten.

Artikel A3.2.2 Maximaal aantal uren overwerk vacaturestelling
1. Het aantal uren overwerk mag gemiddeld per week, te meten per aaneengesloten periode van zes maanden niet méér
bedragen dan 10%:
-van 36 uur, indien het salaris van de werknemer overeenkomt met nr. 48 van de inpassingstabel of daaronder;
-van 42 uur, indien het salaris van de werknemer nr. 48 van de inpassingstabel te boven gaat.
Ten aanzien van de werknemer voor wie artikel A2.3 lid 1sub a of b Hoofdstuk arbeidsduur van toepassing is en die
als gevolg hiervan al dan niet gedurende een bepaalde periode gemiddeld 38 uur per week arbeid verricht, geldt het
in dit lid bepaalde met dien verstande dat voor 36 resp. 42 gelezen wordt 38 resp. 44.
2. Indien het percentage van 10 in het eerste lid wordt overschreden, wordt op verzoek van de betrokken werknemer
overgegaan tot het verlenen van assistentie of het stellen van een vacature.

Artikel A3.2.3 Vergoedingsregeling voor werknemer met een volletijd arbeidsduur
1. De vergoeding voor overwerk wordt – voor zover lid 3 van dit artikel niet anders bepaalt – verstrekt in de vorm van vrije
tijd, gelijk aan het aantal uren dat het overwerk heeft geduurd en daarenboven in de vorm van een geldelijke beloning als
bedoeld onder lid 2 van dit artikel.
2. De onder 1 genoemde geldelijke beloning bestaat uit een percentage van het uurloon en wel:
-25% voor overwerk verricht tussen 06.00 uur en 22.00 uur op maandag tot en met vrijdag, met dien verstande dat in
een periode van zeven dagen het aantal aldus te belonen uren maximaal 5 bedraagt; de overige uren worden beloond
met 50%;
-50% voor overwerk verricht tussen 22.00 uur en 06.00 uur op maandag tot en met vrijdag;
-75% voor overwerk verricht op zaterdag tot 18.00 uur en op vrije dagen;
-100% voor overwerk verricht op zaterdag vanaf 18.00 uur, op zon- en feestdagen tussen 00.00 en 24.00 uur en op
24 en 31 december tussen 18.00 en 24.00 uur;
Onder vrije dagen worden voor de toepassing van dit artikel verstaan: de dagen, niet zijnde zondag of feestdag, waarop
de werknemer volgens zijn werktijdenregelingniet zou behoeven te werken.
3. Het recht op vergoeding van overwerk als genoemd onder lid 1 wordt toegekend in de volgende gevallen:
-indien het salaris van de werknemer nr. 48 van de inpassingstabel niet overschrijdt;
-indien het salaris van de werknemer nr. 48 van de inpassingstabel te boven gaat: indien en voor zover het
aantal gewerkte uren boven de in de werktijdenregelingopgenomen arbeidsduur méér dan 6 gemiddeld per week
bedraagt, te meten over de periode waarvoor de werktijdenregeling geldt;
4. In afwijking van het gestelde in lid 3 onder a en b kunnen partijen bij deze cao voor bepaalde categorieën van
werknemers een andere urennorm voor het overwerk vaststellen.

Artikel A3.2.4 Vergoedingsregeling voor de werknemer met een deeltijd arbeidsduur
1. De vergoeding van overwerk bestaat uit het voor de werknemer geldende uurloon, indien en voor zover het aantal
overuren, gemiddeld per week, te meten over een periode van een half jaar, niet méér bedraagt dan het verschil tussen de
voor de werknemer geldende contractuele arbeidsduur en de arbeidsduur bij een volletijd arbeidsduur.
2. Daarenboven wordt een vergoeding als genoemd in artikel A3.2.3 toegekend, indien en voor zover het aantal overuren,
gemiddeld per week, te meten over een periode van een half jaar, méér bedraagt dan het verschil tussen de voor de
werknemer geldende contractuele arbeidsduur en de arbeidsduur bij een volletijd arbeidsduur.

Artikel A3.2.5 Opnemen vergoeding
1. De in artikel A3.2.3 bedoelde vrije tijd dient na overleg met de betrokken werknemer te worden verleend en opgenomen
uiterlijk in het kwartaal, volgend op het half jaar waarin het overwerk is verricht, tenzij tussen werkgever en werknemer
uitdrukkelijk anders is overeengekomen.
2. In afwijking van het gestelde in lid 1 kan de vergoeding in vrije tijd in overleg tussen werkgever en werknemer geheel
of gedeeltelijk in de vorm van een geldbedrag worden toegekend, bestaande uit het evenredige deel van het salaris.

Artikel A3.2.6 Structureel meerwerk
Indien een deeltijdwerker over een referteperiode van twee aaneengesloten kwartalen structureel meer dan 15% boven zijn
contractuele deeltijd arbeidsduur werkt, wordt op verzoek van de betrokken werknemer aan hem een contract aangeboden
waarin deze structureel meer gewerkte uren zijn verdisconteerd. Indien betrokkene hier niet om verzoekt, wordt overgegaan
tot het verlenen van assistentie of het stellen van een vacature.

Artikel A3.3 Onregelmatige dienst
Onder onregelmatige dienst wordt verstaan arbeid die, indien de werkgever het noodzakelijk oordeelt, aan de werknemer
wordt opgedragen volgens werktijdenregeling en wordt verricht op de uren als vermeld in artikel A3.3.3. Onder
onregelmatige dienst wordt mede verstaan, arbeid die door een deeltijdwerker niet volgens werktijdenregeling wordt verricht
op de uren als vermeld in artikel A3.3.3, boven het bij zijn arbeidsovereenkomst overeengekomen aantal uren, voor zover zij
de 36 uren niet te boven gaan.

Artikel A3.3.1 Werkingssfeer
1. Recht op vergoeding voor het verrichten van onregelmatige dienst hebben die werknemers, die zijn ingedeeld in
functiegroep 65 of lager.
2. Onverminderd het wettelijk bepaalde wordt aan zwangere werknemer na de derde maand van de zwangerschap geen
onregelmatige dienst opgedragen, tenzij de werknemer hiertegen geen bezwaar maakt

Artikel A3.3.2 Vergoedingsregeling
1. De vergoeding voor onregelmatige dienst wordt verstrekt in de vorm van een geldelijke beloning dan wel, indien de
werknemer daarom verzoekt, in de vorm van vrije tijd.
De vrije tijd wordt bepaald door de ingevolge artikel A3.3.3 berekende geldelijke vergoeding te delen door het geldende
uurloon van de werknemer.
2. Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt, tenzij de belangen van de instelling zich hiertegen verzetten, door de
werkgever ingewilligd.
3. Het in het eerste lid bedoelde verzoek dient in de eerste helft van enig kalenderjaar te worden gedaan.
Bij inwilliging van het verzoek gaat de vergoeding in de vorm van vrije tijd in op 1 januari daaropvolgend en blijft
tenminste voor 1 kalenderjaar gehandhaafd.
4. Op uiterlijk 30 juni van enig kalenderjaar kunnen werkgever en werknemer mededelen dat de vergo eding niet meer in
de vorm van vrije tijd, doch in de vorm van een geldelijke beloning als bedoeld in lid 1 dient te geschieden. Deze
wijziging gaat alsdan in op 1 januari daarop volgend. De werkgever is bevoegd om aan de mededeling van de
werknemer als bedoeld in dit lid geen gevolg te geven, indien de belangen van de instelling zich hiertegen verzetten.

Artikel A3.3.3 Berekening vergoeding
De in artikel A.3.2 genoemde geldelijke beloning wordt berekend uitgaande van het geldende uurloon, waarbij echter voor de
berekening als maximum geldt het uurloon afgeleid van nummer 20 van de inpassingstabel, op basis van de volgende
percentages:
22%: voor onregelmatige dienst op uren vallende tussen 06.00 uur en 07.00 uur, en tussen 20.00 uur en 22.00 uur op
maandag tot en met vrijdag;
38%: op uren vallende tussen 06.00 uur en 08.00 uur en tussen 12.00 uur en 22.00 uur op z aterdag;
44%: op uren vallende tussen 00.00 uur en 06.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur op maandag tot en met vrijdag;
49%: op uren vallende tussen 00.00 uur en 06.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur op zaterdag;
60%: op uren vallende tussen 00.00 uur en 24.00 uur op zon- en feestdagen en op uren vallende tussen 18.00 uur en 24.00
uur op 24 en 31 december.

Artikel A3.3.4 Afbouwregeling
1. Indien de onregelmatige dienst van de werknemer door de werkgever wordt beëindigd of verminderd dan wel de
beëindiging of vermindering plaatsvindt op medisch advies en niet is te wijten aan eigen schuld of toedoen van de
werknemer heeft deze aanspraak op een tegemoetkoming op de voet van de volgende leden.
2. Voorwaarden voor de in het eerste lid genoemde tegemoetkoming zijn, dat:
a. de werknemer in dezelfde instelling op het moment van de in het eerste lid bedoelde beëindiging dan wel
vermindering tenminste 3 jaren onafgebroken onregelmatige dienst heeft verricht.
b. het verschil tussen:
1. enerzijds het salaris verhoogd met de gemiddeld per maand in de voorgaande 12 maanden genoten vergoeding
voor onregelmatige dienst;
2. anderzijds het – al dan niet nieuwe - salaris verhoogd met de eventueel nog te genieten gemiddelde vergoeding
voor onregelmatige dienst (over een periode van 3 maanden na de in het eerste lid bedoelde beëindiging of
vermindering te meten);
meer bedraagt dan 2% van het onder 1 genoemde bedrag én het onder 2 berekende bedrag lager is dan het onder 1
berekende bedrag.
3. De tegemoetkoming bedraagt gedurende het eerste jaar 75%, gedurende het tweede jaar 50% en gedurende het derde
jaar 25% van het in het tweede lid genoemde verschil, voor zover dit meer bedraagt dan het in het tweede lid genoemde
percentage. De berekeningsgrondslag voor de tegemoetkoming blijft gedurende de hiervoor genoemde periode
ongewijzigd.
Toelichting
Indien kennelijk sprake is van een tijdelijke beëindiging of tijdelijke vermindering van de onregelmatige dienst dan wordt de
tegemoetkoming, vervat in artikel A3.3.4, niet gegeven.
De tijdelijke beëindiging of tijdelijke vermindering die het gevolg is van ziekte of arbeidsongeschiktheid volgens artikel 8.1
wordt ondervangen door de in dit artikel gegeven garantie van het netto-inkomen, waarin de vergoeding voor
onregelmatigheidstoeslag over de afgelopen drie maanden is opgenomen. Wanneer in de periode van tenminste 3 jaren,
welke voorwaarde is voor een tegemoetkoming ingevolge artikel A3.3.4 lid 2 sub a., door oorzaken buiten schuld of toedoen
van de werknemer gedurende bepaalde periode(n) geen onregelmatige dienst is verricht, wordt bedoelde periode van 3 jaren
verlengd met de duur van de periode(n), waarin geen onregelmatige dienst is verricht. Artikel A3.3.4 lid 3 bepaalt, dat de
uitkomsten van de berekening gedurende de periode van 3 jaar bevroren blijven. Als voorwaarde voor de tegemoetkoming
geldt het bepaalde in de leden 1 en 2, dat gedurende drie jaar in dezelfde instelling onafgebroken onregelmatige dienst is
verricht. Onderbrekingen wegens vakantie en ziekte worden hierbij buiten beschouwing gelaten.

Artikel A3.4 Bereikbaarheids-, aanwezigheids- en consignatiedienst
1. Onder bereikbaarheidsdienst wordt verstaan de omstandigheid dat een werknemer – buiten de vastgestelde werktijd –
beschikbaar moet zijn om op oproep zo spoedig mogelijk arbeid te verrichten.
2. Onder dagaanwezigheidsdienst wordt verstaan de omstandigheid dat een werknemer – buiten de vastgestelde werktijd –
gedurende de uren tussen 06.00 - 24.00 uur in de instelling aanwezig en beschikbaar moet zijn om op oproep onverwijld
arbeid te verrichten
3. Onder nachtaanwezigheidsdienst wordt verstaan de omstandigheid dat een werknemer – buiten de vastgestelde werktijd
– gedurende de uren tussen 24.00 - 06.00 uur in de instelling aanwezig en beschikbaar moet zijn om op oproep
onverwijld arbeid te verrichten.
4. Onder consignatiediensten wordt verstaan een tijdruimte tussen twee elkaar opeenvolgende diensten of tijdens een
pauze, waarin de werknemer uitsluitend verplicht is om bereikbaar te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden
op oproep de bedongen arbeid zo spoedig mogelijk te verrichten.

Artikel A3.4.1 Werkingssfeer
De normen van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit met betrekking tot consignatie en aanwezigheidsdienst zijn
van toepassing op alle werknemers. Voor werknemers werkzaam in de verpleging en de verzorging in de zin van het
Arbeidstijdenbesluit zijn de voor deze werknemers aldaar geldende normen inzake de bereikbaarheidsdienst van toepassing.
Voor geneeskundigen zijn de voor deze werknemers geldende normen uit het Arbeidstijdenbesluit van toepassing.

Artikel A3.4.2 Vrijgestelde werknemers
Aan de zwangere werknemer na de derde maand van de zwangerschap wordt geen bereikbaarheids-, aanwezigheids- of
consignatiedienst opgedragen, tenzij de werknemer hiertegen geen bezwaar maakt.

Artikel A3.4.3 Vrije weekends
De werknemer is tenminste 2 weekends per 28 achtereenvolgende dagen vrij van de in artikel A3.4 genoemde diensten.

Artikel A3.4.4 Minimale rusttijd na oproep
Wanneer tijdens de in artikel A3.4 genoemde diensten in de uren die liggen tussen 00.00 uur en 06.00 uur gedurende meer
dan 2 uren arbeid is verricht, dan wel meer dan tweemaal aan een oproep gevolg is gegeven zal de werknemer voor de
eerstkomende nacht niet voor enige dienst worden ingezet, tenzij hij - aansluitend aan de laatste periode, waarin hij
gedurende voormelde uren daadwerkelijk arbeid heeft verricht – tenminste 6 uren rust kan hebben genoten.

Artikel A3.4.5 Vergoedingsregeling
1. Indien de werkgever het noodzakelijk oordeelt dat een werknemer een in dit artikel genoemde dienst verricht, geldt de
navolgende vergoeding. De werknemer van wie het salaris niet meer bedraagt dan het onder nummer 88 van de
inpassingstabel aangegeven bedrag, ontvangt voor de uren doorgebracht in bereikbaarheids- en consignatiedienst, dag-
en nachtaanwezigheidsdienst een compensatie in vrije tijd.
Voor de werknemer die aanspraak heeft op toepassing van artikel 4 (garantiebepaling) van de uitvoeringsregeling
salariëring (CAO Ziekenhuiswezen), geldt in plaats van voornoemd nummer 88 het nummer 48 van de inpassingstabel.
2. De in het vorige lid bedoelde compensatie bedraagt per uur in het geval van:
a. Bereikbaarheidsdienst / consignatiedienst
op erkende feestdagen : 3/18
op zaterdagen/zondagen : 2/18
op overige dagen : 1/18
b. Dagaanwezigheidsdienst
op erkende feestdagen : 5/18
op zaterdagen/zondagen : 4/18
op overige dagen : 2/18
c. Nachtaanwezigheidsdienst
op erkende feestdagen : 7/18
op zaterdagen/zondagen : 6/18
op overige dagen : 3/18
3. Indien de werknemer in een tijdvak van 3 achtereenvolgende perioden van 28 dagen met inachtneming van het bepaalde
in artikel A3.4.1, gedurende meer dan 8 weekenddagen bereikbaarheids- of aanwezigheids- en/of consignatiedienst
verricht, ontvangt hij boven de in lid 2 genoemde compensatie, voor de meerdere bereikbaarheids-, aanwezigheids- en
consignatiediensten op weekeindedagen een toeslag van 50% van deze compensatie. De beperking vermeld in de tweede
volzin van artikel A3.4.8 lid 1 is op deze toeslag niet van toepassing.

Artikel A3.4.6 Vergoeding voor arbeid van de werknemer met een volletijd arbeidsduur
Wanneer tijdens de in artikel A3.4 genoemde diensten arbeid wordt verricht zijn, onverminderd de in artikel A3.4.5 vermelde
compensaties, artikel A3.2.1, A3.2.2, A3.2.3 en A3.2.5 (overwerk) van toepassing.
Ingeval de werknemer tijdens de dag- en nachtaanwezigheidsdienst wordt opgeroepen, wordt voor de berekening van de
overwerkvergoeding uitgegaan van een periode van tenminste een half uur; indien deze oproep geschiedt tijdens de
bereikbaarheidsdienst of consignatiedienst wordt voor genoemde berekening uitgegaan van een periode van tenminste een
half uur, te vermeerderen met de werkelijke reistijd.

Artikel A3.4.7 Vergoeding voor arbeid van de werknemer met een deeltijd arbeidsduur
1. De vergoeding voor arbeid verricht tijdens de in artikel 3.4 genoemde diensten wordt verstrekt in de vorm van vrije tijd,
gelijk aan het aantal uren dat de arbeid heeft geduurd en daarenboven in de vorm van een geldelijke beloning als
bedoeld onder lid 2 van dit artikel.
2. De onder 1 genoemde geldelijke beloning bestaat uit een percentage van het uurloon en wel:
-25% voor arbeid verricht tussen 06.00 uur en 22.00 uur op maandag tot en met vrijdag, met dien verstande dat in
een periode van zeven dagen het aantal aldus te belonen uren maximaal 5 bedraagt; de overige uren worden
beloond met 50%;
- 50% voor arbeid verricht tussen 22.00 uur en 06.00 uur op maandag tot en met vrijdag;
- 75% voor arbeid verricht op zaterdag tot 18.00 uur en op vrije dagen;
- 100% voor arbeid verricht op zaterdag vanaf 18.00 uur, op zon- en feestdagen tussen 00.00 en 24.00 uur en op 24
en 31 december tussen 18.00 en 24.00 uur.
Onder vrije dagen worden voor de toepassing van dit artikel verstaan: de dagen, niet zijnde zondag of feestdag, waarop
de werknemer volgens zijn werktijdenregeling niet zou behoeven te werken.
3. Ingeval de werknemer tijdens de dag- en nachtaanwezigheidsdienst wordt opgeroepen, wordt voor de berekening van de
vergoeding uitgegaan van een periode van tenminste een half uur; indien deze oproep geschiedt tijdens de
bereikbaarheidsdienst of consignatiedienst wordt voor genoemde berekening uitgegaan van een periode van tenminste
een half uur, te vermeerderen met de werkelijke reistijd.

Artikel A3.4.8 Opnemen vergoeding
1. De in artikel A3.4.5 en A3.4.7 genoemde vrije tijd dient te worden verleend en opgenomen binnen een tijdvak van twee
maanden na het verrichten van de bereikbaarheids-, aanwezigheids- of consignatiedienst, tenzij tussen de werkgever en
de werknemer anders wordt overeengekomen. Ingeval het belang van de instelling zich naar het oordeel van de
werkgever verzet tegen het geven van vrije tijd, wordt de vrije tijd tot ten hoogste de helft omgezet in een geldbedrag,
bestaande uit het evenredige deel van het salaris.
2. In afwijking van het gestelde in lid 1 kan de vergoeding in vrije tijd voor de bereikbaarheidsdienst slechts in overleg
tussen werkgever en werknemer geheel of gedeeltelijk in de vorm van een geldbedrag worden toegekend, bestaande uit
het evenredige deel van het salaris.
3. Ingeval bereikbaarheids-, aanwezigheids- of consignatiedienst wordt verricht op een door de werkgever aangewezen
vakantiedag als bedoeld in Hoofdstuk 6 werk en privé van deze cao, blijft de aanspraak van de werknemer op die dag
behouden.
Toelichting
Op verzoek van de werknemer kunnen werkgever en werknemer evenwel bij de indiensttreding – of later wanneer de
noodzaak zich voordoet dat de werknemer voortaan bereikbaarheids- of consignatiedienst gaat verrichten – overeenkomen,
dat de werknemer niet zal behoeven te verhuizen om deze dienst te kunnen verrichten en dat de werknemer voor een ruimte
zal zorgen waar hij bereikbaar is, dan wel dat de werkgever daarvoor zal zorgen (al dan niet in de instelling).
Alleen indien een dergelijke uitdrukkelijke afspraak wordt gemaakt, is er sprake van bereikbaarheids- of consignatiedienst;
in alle andere gevallen dan hiervoor aangegeven, kan een bereikbaarheids- of consignatiedienst nooit zodanig geclausuleerd
worden opgedragen dat er eigenlijk sprake is van een aanwezigheidsdienst. Gaat de werknemer, ondanks de hiervoor
genoemde afspraak, later toch verhuizen naar het voor deze dienst aangegeven woongebied, dan ontvangt hij geen
verhuiskostenvergoeding, tenzij hierover een afspraak is gemaakt (bijvoorbeeld dat de werknemer binnen een jaar zal
beslissen of hij verhuist).
De uren die ingevolge de in artikel A3.4.4 voorgeschreven rustperiode (voorwaarde om voor de eerstkomende nacht weer te
kunnen worden ingezet) samenvallen met een roosterdienst van de werknemer behoeven niet te worden ingehaald.

Artikel A3.5 Slaapdienst
Onder slaapdienst wordt verstaan de omstandigheid dat een werknemer – buiten de vastgestelde werktijd – gedurende de uren
tussen 23.00 en 07.00 uur in de directe omgeving van cliënten moet slapen en anders dan na een oproep als bedoeld in artikel
A3.4 (bereikbaarheids-, aanwezigheids- en consignatiedienst) direct hulp biedt indien de situatie van de cliënt zulks
noodzakelijk maakt.

Artikel A3.5.1 Werkingssfeer
Voor werknemers werkzaam in de verpleging en de verzorging zijn de voor deze werknemers geldende normen met
betrekking tot de aanwezigheidsdienst uit het Arbeidstijdenbesluit van toepassing.

Artikel A3.5.2 Vrije weekends
De werknemer is tenminste 2 weekends per 28 achtereenvolgende dagen vrij van de in artikel A3.5 genoemde dienst.

Artikel A3.5.3 Vergoeding
1. Indien de werkgever het noodzakelijk oordeelt dat een werknemer een slaapdienst verricht, geldt de navolgende
vergoeding. De werknemer, van wie het salaris niet meer bedraagt dan het onder nummer 48 van de inpassingstabel van
Tabel A2 van het Hoofdstuk beloning aangegeven bedrag ontvangt als vergoeding:
a. een bedrag van € 19,- voor elke slaapdienst, ongeacht het aantal uren dat deze dienst bedraagt; en
b. een vergoeding in vrije tijd voor de uren doorgebracht in slaapdienst.
2. De in het vorige lid onder b bedoelde vergoeding bedraagt ¼ van de tijd doorgebracht in slaapdienst.
3. In het belang van de afdeling/dienst kan de werkgever, na overleg met de OR, in afwijking van de in lid 1 en 2
genoemde vergoedingsregeling een vergoeding toekennen in uitsluitend vrije tijd. Deze vergoeding bedraagt ½ van de
tijd doorgebracht in slaapdienst

Artikel A3.5.4 Opnemen vergoeding
1. De in artikel 3.5.3 genoemde tijd wordt verleend en opgenomen binnen een tijdvak van twee maanden na het verrichten
van de slaapdienst, tenzij de werkgever en de werknemer anders overeengekomen. Ingeval het belang van de instelling
zich naar het oordeel van de werkgever verzet tegen het geven van vrije tijd, wordt de vrije tijd tot ten hoogste de helft
omgezet in een geldbedrag, bestaande uit het evenredige deel van het salaris.
2. Ingeval slaapdienst wordt verricht op een door de werkgever aangegeven vakantiedag als bedoeld in Hoofdstuk 6 werk
en privé van de CAO, blijft de aanspraak van de werknemer op die dag behouden.
Toelichting
Van een slaapdienst is sprake als de werknemer in de directe omgeving van de cliënt slaapt en zelf, zonder tussenkomst door
derden, direct hulp biedt indien de situatie van de cliënt zulks noodzakelijk maakt.
Indien er wel sprake is van een oproep door een derde, dan is sprake van een consignatie-, bereikbaarheids-, of
nachtaanwezigheidsdienst.

 


Hoofdstuk A4 Werk en privé

(bepalingen voor de V&V 2008, voor zover de bepalingen uit Hfst 6 VVT - Werk en privé niet van toepassing zijn)

Artikel A4.1 Vakantie
1. De werknemer heeft met behoud van salaris het recht op het hieronder volgende aantal vakantie uren per kalenderjaar bij
een salaris:
a. hetwelk niet overschrijdt het bedrag conform nr. 35 van de inpassingstabel, 166 uren
b. hetwelk overschrijdt het bedrag conform nr. 35 van de inpassingstabel, 173 uren.
2. Voor werknemers die op grond van artikel A2.1 lid 2 een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur hebben of gebruik maken
van de regeling als bedoeld in Bijlage C artikel 1 lid 2 sub c gelden in plaats van de onder lid 1 sub a en b van dit artikel
genoemde uren: 184 respectievelijk 192 uren.
3. Voor deeltijdwerkers worden vakantie-uren naar evenredigheid van een volletijd arbeidsduur vastgesteld.
4. De omvang van het jaarlijkse vakantieverlof voor werknemers met een deeltijd arbeidsduur wordt jaarlijks achteraf
gecorrigeerd met het feitelijk in het kalenderjaar verrichtte meerwerk op grond van de navolgende rekenmethode. De
gemiddelde contractuele arbeidsduur per maand, vermeerderd met het gemiddelde van het aantal feitelijk gewerkte
meeruren per maand, niet zijnde overwerkuren, te meten op jaarbasis, wordt gedeeld door de gemiddelde contractuele
arbeidsduur per maand. De vakantie uren als bedoeld in lid 3 worden gecorrigeerd op basis van de aldus verkregen
breuk.
5. De werkgever kan bepalen dat de werknemer op twee door de werkgever aan te wijzen werkdagen vakantieverlof geniet.
Bedoeld verlof is begrepen in het aantal uren, genoemd in het vorige lid. Deze aanwijzing vindt plaats
-in overleg met de OR dan wel de PVT;
-uiterlijk aan het einde van de maand januari;
-voor één of meer groepen van werknemers.

Artikel A4.1.1 Extra vakantie -uren
1. Boven de vakantierechten van artikel A4.1 heeft de werknemer die in een kalenderjaar de leeftijd van 21 jaar nog niet
heeft bereikt, recht op 14,4 uren extra vakantie met behoud van salaris. Voor werknemers die op grond van artikel 4.1
lid 2 Hoofdstuk arbeidsduur een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur hebben, gelden in plaats van de onder lid 1 van dit
artikel genoemde uren: 16 uren.
2. Boven de vakantierechten van artikel A4.1 geniet de werknemer met behoud van salaris
a. in het jaar waarin hij de 45-jarige leeftijd bereikt en de daarop volgende vier jaren 14,4 uren extra vakantie;
b. in het jaar waarin de werknemer de 50-jarige leeftijd bereikt en de daarop volgende vier jaren 28,8 uren extra
vakantie;
c. In het jaar waarin de werknemer de 55 jarige leeftijd bereikt en de daarop volgende jaren 108 uren extra
vakantie.
3. Voor werknemers die op grond van artikel A2.1 lid 2 een arbeidsduur van gemiddeld 38 uur hebben, gelden in plaats
van de onder lid 2 van dit artikel genoemde uren: 16 respectievelijk 32 uur en 114 uren.

Artikel A4.2 Verlof
1. a. In artikel A4.2.1 tot en met 4A.2.4 wordt verstaan onder betaald verlof, het in een werktijdenregeling door de
werknemer op grond van deze regeling op te nemen aantal uren waarop geen arbeid behoeft te worden verricht.
Deze uren tellen mee bij de vaststelling van de totale arbeidsduur.
b. In artikel A4.2.9 wordt verstaan onder onbetaald verlof het recht op vrij van iedere dienst en/of aanwezigheidsbereikbaarheids-
consignatie- en/of slaapdienst. Het op grond van de hiervoor genoemde artikelen verleende
onbetaalde verlof wordt bij de vaststelling van de totale arbeidsduur buiten beschouwing gelaten.
2. De in het gezin van de werknemer verblijvende kinderen, voor wie een adoptie-aanvraag is ingediend, worden voor de
toepassing van artikel A4.2.1 als kind van de werknemer aangemerkt.
3. Voor de toepassing van artikel A4.2 tot en met A4.2.9 geldt voor deeltijdwerkers het naar rato beginsel.
4. De werkgever kan aan de werknemer betaald of onbetaald verlof verlenen.
5. Indien uit een oogpunt van instellingsbelang c.q. patiëntenbelang van de werkgever in redelijkheid niet verlangd kan
worden op een bepaald tijdstip verzuim toe te staan of verlof te verlenen, dan zal na overleg met de werknemer door de
werkgever een (gedeeltelijk) afwijzend besluit mogen worden genomen.

Artikel A4.2.1 Betaald verlof
1. De werkgever stelt de werknemer in de gelegenheid om aan de hierna vermelde gebeurtenissen gedurende de bij die
gebeurtenissen vermelde periode, deel te nemen. Zo nodig verleent de werkgever daartoe betaald verlof.
a. Verhuizing van de werknemer in opdracht van de werkgever: twee vrije dagen.
b. Huwelijk of registratie van partnerschap van één van de leden van het gezin van de werknemer: één vrije dag.
c. Huwelijk of registratie van partnerschap van bloedverwanten in de eerste en tweede graad van de werknemer, van
de echtgeno(o)t(e) of relatiepartner: één vrije dag.
d. 25 en 40 jarig huwelijksfeest van de werknemer: één vrije dag. Voor de werknemer die lid is van een religieuze
communiteit wordt het 25 en 40 jarig priesterjubileum gelijk gesteld met het huwelijksfeest.
e. 25, 40, 50, 60 jarig huwelijksfeest van ouders of pleegouders van de werknemer, van de echtgeno(o)t(e) of
relatiepartner én vrije dag
f. 25 en 40 jarig dienstjubileum van de werknemer: één vrije dag.
g. Overlijden van de echtgeno(o)t(e) of relatiepartner, (pleeg)kinderen, (pleeg)ouders van de werknemer dan wel van
de echtgeno(o)t(e) of relatiepartner: de dag van overlijden tot en met de dag van de begrafenis of crematie.
h. Overlijden van of het bijwonen van de begrafenis of crematie, voor zover niet reeds uit hoofde van sub g, recht op
betaald verlof bestaat, van bloedverwanten in de 1e en 2e graad van de werknemer, van de echtgeno(o)t(e) of
relatiepartner: één vrije dag.
2. Voor de gebeurtenissen genoemd in lid 1 sub a t/m f geldt dat de werknemer 14 etmalen tevoren aan de werkgever dient
te melden dat hij van de regeling gebruik wenst te maken.
Voor de gebeurtenissen genoemd in lid 1 a t/m h wordt in afwijking van artikel A4.2 lid 3 voor deeltijders het naar-ratobeginsel
niet toegepast.
3. De werkgever verleent voor de hierna genoemde gebeurtenissen betaald verlof gedurende de bij die gebeurtenissen
vermelde tijd.
a. het verrichten van bezigheden die verband houden met adoptie van een kind: 40 uur per adoptie-aanvraag. Bij
noodzakelijk verblijf in het buitenland kan, ter beoordeling van de werkgever, deze 40 uur tot maximaal 80 uur
verhoogd worden.
b. bij zodanige ziekte in het gezin dat de werknemer regelingen moet treffen om de zorg te regelen: 24 uur op
jaarbasis. De werkgever treft hiertoe een regeling in overleg met de OR.

Artikel A4.2.2 Extra verlof
1. De werknemer die een huwelijk dan wel op andere wijze een samenlevingsverband aangaat, hetzij bij notariële akte dan
wel gemeentelijke of kerkelijke registratie, heeft recht op twee extra betaald verlofdagen (= 14,4 uur). De werkgever
behoeft slechts éénmaal het extra betaald verlof toe te kennen zolang het hetzelfde samenlevingsverband betreft;
2. Bij bevalling van de echtgenote of relatiepartner heeft de werknemer recht op vier extra betaalde verlofdagen (= 28,8
uur);
3. Voor werknemers die op grond van artikel A2.1 lid 2 arbeidsduur van gemiddeld 38 uur hebben, gelden in plaats van de
onder lid 1 en 2 van dit artikel genoemde uren: 16 resp. 32 uren;
4. Het betaald verlof als bedoeld in de leden 1 t/m 3 wordt toegekend, ongeacht of de genoemde gebeurtenis samenvalt met
een arbeidsvrije dag.

Artikel A4.2.3 Feestdagenverlof
1. Op feestdagen niet vallend op zaterdag of zondag, heeft de werknemer, met inachtneming van het gestelde in de
volgende leden, een vrije dag met behoud van salaris.
2. Indien het belang van de dienst het naar het oordeel van de werkgever noodzakelijk maakt dat een werknemer op een
feestdag, niet vallend op een zaterdag of zondag, arbeid verricht, wordt voor het gewerkte aantal uren compensatie
toegekend met behoud van salaris.
3. Uit de werktijdenregeling voortkomende vrije dagen (roostervrije dagen, niet zijnde weekenddagen of weekend
vervangende dagen) mogen niet samenvallen met feestdagen niet vallend op zaterdag of zondag.
4. De werkgever kan in overleg met de OR dan wel de PVT een van lid 2 afwijkende regeling treffen. Deze regeling treedt
in de plaats van het bepaalde in lid 2. Indien geen overeenstemming is bereikt blijft het bepaalde in lid 2 van toepassing.
5. De werkgever geeft de werknemer de gelegenheid een vrije dag te genieten op de met hem afgesproken feest- en
gedenkdagen, die in de plaats treden van de bij de begripsbepalingen genoemde feest- en gedenkdagen, voor zover de
bedrijfsvoering zulks toelaat. De werknemer geeft bij indiensttreding of voorafgaande aan enig kalenderjaar aan
wanneer hij deze dag(en) wil genieten.

Artikel A4.2.4 Compensatie feestdagen en onregelmatigheidstoeslag
1. Voor werknemers die op grond van hun arbeidsovereenkomst uitsluitend werkzaam zijn op uren die vallen buiten de
tijdstippen als genoemd in artikel A3.3 geldt, in afwijking van het bepaalde in artikel A4.2.3, het navolgende.
2. Indien de werknemer als bedoeld in lid 1 op een zaterdag die samenvalt met een feestdag arbeid dient te verrichten,
ontvangt hij voor het gewerkte aantal uren een compensatie in vrije tijd.
3. Tevens ontvangt de werknemer als bedoeld in lid 1 voor de gewerkte uren als bedoeld in lid 2 een toeslag die geldt voor
feestdagen als bedoeld in artikel A3.3.3.
4. De werkgever kan in overleg met de OR dan wel de PVT een van lid 2 en 3 afwijkende regeling treffen. Deze regeling
treedt in de plaats van het bepaalde in lid 2 en 3. Indien geen overeenstemming is bereikt blijft het bepaalde in lid 2 en 3
van toepassing.
Artikelen 4.2.5 t/m 4.2.8 en artikelen 4.2.10 t/m 4.2.12 zijn opgenomen in het Hoofdstuk 6 van de CAO VVT en gelden v.a.
1 januari 2008 voor de V&V.

Artikel A4.2.9 Onbetaald ve rlof
De werkgever geeft de werknemer voor de hierna genoemde gebeurtenissen onbetaald verlof:
a. verhuizing van de werknemer;
b. huwelijksaangifte van de werknemer;
c. het doen van aangifte van geregistreerd partnerschap;
d. het verlijden van een notariële acte waarmee een ongehuwd samenlevingsverband wordt vastgelegd;
e. het als lid bijwonen van vergaderingen van Provinciale Staten, Gemeenteraad, Gewestraad of Waterschap;
f. het voorbereiden van een examen in de opleidingsovereenkomst voor een (duale) opleiding als genoemd in artikel A1.7
sub a: maximaal 4 halve vrije dagen of 2 vrije dagen per jaar direct voorafgaand aan het examen.

Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt, tenzij uitdrukkelijk anders wordt aangegeven verstaan onder:
1. werktijdenregeling:
een regeling waarin opgenomen de arbeids- en rusttijden van de werknemer.
2. werktijdenregeling met wisselende diensten:
een werktijdenregeling met werktijden op uren, welke geheel of gedeeltelijk liggen buiten de uren als bedoeld in artikel
A3.1 lid 2 sub c, waarbij de dagen waarop gewerkt wordt wisselen, hetzij de uren waarop gewerkt wordt wisselen. Bij
combinatie van beide is er ook sprake van een werktijdenregeling met wisselende diensten.
3. een vrij weekeinde:
een periode van 56 uren vrij van dienst, vallend op zaterdag en zondag.
4. vrij van dienst:
onder vrij van dienst wordt verstaan vrij van diensten niet zijnde bijzondere diensten als bedoeld in de artikel A3.4 en
A3.5.
5. verschoven dienst:
van een verschoven dienst is sprake, indien een aantal aaneengesloten uren, waarop de werknemer volgens
werktijdenregeling arbeid zou dienen te verrichten, naar enig ander moment, waarop de werknemer volgens
werktijdenregeling géén arbeid zou dienen te verrichten, wordt verplaatst.
6. werktijden:
uren waarop arbeid dient te worden verricht.
7. arbeidsduur:
onder arbeidsduur wordt verstaan de som van de feitelijk gewerkte uren en van die in de werktijdenregeling vastgelegde
uren, waarop niet is gewerkt wegens ziekte, feestdagen, vakantie, betaald verlof en/of compensatie in vrije tijd op basis
van één van de regelingen in deze cao.
8. volletijd arbeidsduur:
van een volletijd arbeidsduur is sprake indien de in de voor de betreffende werknemer geldende werktijdenregeling
opgenomen arbeidsduur 36 uur gemiddeld per week bedraagt. In afwijking hiervan geldt conform artikel 4.1 lid 2 voor
sommige categorieën werknemers een arbeidsduur van gemiddeld 38 (voor werknemers die voor 1 oktober 2000 vallen
onder § IIB van de CAO 1999-2000: 38,4) uur per week.
9. contractuele arbeidsduur:
onder contractuele arbeidsduur wordt verstaan de voor een werknemer geldende arbeidsduur, zoals deze in de
arbeidsovereenkomst is vastgesteld.

Bijlage B Overgangsbepalingen thuiszorgorganisaties 1

Hoofdstuk B1 Beloning Thuiszorg
(De salarisbepalingen van Bijlage B, Hoofdstuk Beloning vervallen voor werknemers in dienst van een Thuiszorgorganisatie
ex artikel 1.1 lid 17 sub 2 per 1 juli 2009, tenzij per bepaling een andere datum is aangegeven. Vanaf 1 juli 2009 resp. per
aangegeven datum gelden de bepalingen van Hoofdstuk 3 van deze cao).

Artikel B1.1 Functiewaardering
1. De functie van de werknemer wordt op basis van de toepassing van het actuele computerondersteunde systeem FWG,
ingedeeld in een van de volgende functiegroepen: 5, 10, 15, 20, 25, 30, 35, 40, 45, 50, 55, 60, 65, 70, 75, 80.
2. De wijze van (her)indelen van de functie van een werknemer en de daarbij te volgen procedure zijn vastgelegd in
Uitvoeringsregeling E Functiewaardering Gezondheidszorg (FWG).
3. Het in lid 1 gestelde geldt niet:
a. voor de leerling-werknemer als genoemd in Uitvoeringsregeling A Salariëring hoofdstuk IV Leerlingsalarissen;
b. voor de werknemer die werkzaam is op basis van gesubsidieerde arbeid;
c. indien en zolang ingevolge artikel 7 van de Wet op de (re)ïntegratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) ontheffing is
verkregen.

Artikel B1.2 Salaris
1. Het salaris van de werknemer wordt vastgesteld volgens Uitvoeringsregeling A Salariëring van deze Bijlage.
2. De werkgever deelt zo spoedig mogelijk gespecificeerd en schriftelijk een wijziging in het salaris van de werknemer
mee.
3. De werknemer dient uiterlijk twee dagen voor het einde van de kalendermaand of salarisperiode over zijn salaris en
uiterlijk in de maand of periode volgend op het ontstaan van een aanspraak op een toeslag op het salaris, hierover te
kunnen beschikken.
4. Geen salaris is verschuldigd over de tijd, gedurende welke de werknemer in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk
nalaat zijn werkzaamheden te verrichten. Dit wordt de werknemer schriftelijk en gemotiveerd medegedeeld.
5. In afwijking van lid 3 kan aan de werknemer met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan voor een wisselend aantal
uren per week een voorschot worden betaald dat ten minste 75% beloopt van het te verwachten salaris.

Artikel B1.3 Structurele eindejaarsuitkering Thuiszorg 2008
1. De eindejaarsuitkering van een werknemer in dienst van een thuiszorgorganisatie bedraagt per 1 januari 2008 3%. De
eindejaarsuitkering bedraagt met ingang van 1 juli 2009 4%.
2. Werknemers die op 1 januari 2008 in dienst zijn van een thuiszorgorganisatie kunnen 1,5%-punt van de
eindejaarsuitkering als bedoeld in lid 1 behouden in de vorm van 25 uren (vakantie)verlof als bedoeld in artikel 6.1 van
de cao.
3. De berekeningsgrondslag voor de in lid 1genoemde eindejaarsuitkering is het door de werknemer over de maanden
januari tot en met december, dan wel periode 1 tot en met 13, feitelijk verdiende totale brutosalaris, vermeerderd met de
over dit tijdvak opgebouwde vakantiebijslag, exclusief alle overige toeslagen.
4. De in lid 1 genoemde eindejaarsuitkering wordt in beginsel in december van dat jaar dan wel in januari van het
daaropvolgende jaar uitbetaald, dan wel zoveel eerder als het dienstverband tussen werkgever en werknemer eindigt.
5. Bij de werknemer die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar in dienst is of geen volledig dienstverband heeft of
wie een gemiddelde arbeidsduur heeft van meer dan 36 uur per week, geldt dit aantal verlofuren naar rato.

Artikel B1.4 Vakantiebijslag thuiszorg tot 1 juni 2008
(Deze bepaling geldt tot 1 juni 2008 voor werknemers in dienst van een thuiszorgorganisatie)
1. De werknemer heeft recht op vakantiebijslag voor iedere maand of ieder deel van een maand waarin hij salaris dan wel
een uitkeringwegens zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten dan wel recht heeft op loondoorbetaling ex
artikel 8.1 van de cao.
2. Tenzij in de volgende leden anders is bepaald, bedraagt de vakantiebijslag per kalendermaand 8% van het bedrag dat de
betrokken werknemer in die maand aan salaris of uitkering als bedoeld in lid 1 heeft genoten.
3. De vakantiebijslag bedraagt voor de werknemer van 21 jaar of ouder met een volledig dienstverband minimaal € 114,97
per maand.
Dit bedrag wordt naar evenredigheid verminderd indien de werknemer slechts een deel van de periode waarover
vakantiebijslag wordt berekend in dienst is geweest dan wel in die periode of een deel daarvan in deeltijd heeft gewerkt.
Het in dit lid bedoelde minimumbedrag wordt niet toegepast op de werknemer die bij de instelling werkzaam is op basis
van gesubsidieerde arbeid.
4. De vakantiebijslag wordt eenmaal per jaar berekend over het tijdvak van twaalf maanden dan wel 13 periodes,
aanvangende met de maand juni dan wel de zesde periode van het voorafgaande kalenderjaar. De uitbetaling van de
vakantiebijslag vindt ten hoogste tweemaal per jaar plaats, doch in elk geval uiterlijk met de salarisbetaling over de
maand mei dan wel periode 5 van het desbetreffende jaar. Bij ontslag of indiensttreding vóór afloop respectievelijk na
1 ex artikel 1.1 lid 17 sub 2 cao
het beginnen van de periode waarover vakantiebijslag wordt uitbetaald, vindt uitbetaling plaats over het gedeelte van de
periode dat de werknemer in dienst was.

Uitvoeringsregeling A Salariëring
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen
a. Salarisschaal: Reeks van bedragen corresponderend met een vaste reeks volgnummers, zoals genoemd in artikel 5
van deze regeling.
b. Aanloopschaal: De binnen de salarisschaal opgenomen laagste twee periodieken, aangeduid met aanloopperiodiek 0
en aanloopperiodiek 1.
c. Salaris: Het op de werknemer van toepassing zijnde bedrag uit de op hem van toepassing zijnde salarisschaal.
d. Salarisanciënniteit: De tijd die in aanmerking komt voor de vaststelling van het salaris op een hoger bedrag dan de
laagste periodiek van de salarisschaal, welke op de functie van de werknemer van toepassing is.
e. Periodiek: Opeenvolgende bedragen in een salarisschaal.
f. Maand: Een kalendermaand.
g. Periode: Een aaneengesloten tijdvak van vier weken.

Artikel 2 Bepaling salaris
1. a. Het salaris van de werknemer wordt vastgesteld op basis van een door hem beklede functie.
Deze functie wordt met behulp van het actuele Functie Waarderingssysteem Gezondheidszorg (FWG) ingedeeld
in een van de functiegroepen 5 tot en met 80. De wijze van (her)indelen van de functie en de daarbij te volgen
procedure zijn vastgelegd in Hoofdstuk 411van deze cao. Het nummer van de salarisschaal correspondeert met het
nummer van de functiegroep waarin de functie van de werknemer is ingedeeld.
b. Het salaris van de werknemer die werkzaam is op basis van gesubsidieerde arbeid ex artikel 3.1.6 van het
algemene gedeelte van deze CAO, wordt vastgesteld conform het gestelde in dat artikel. Het salaris van de
leerling-werknemer, wordt vastgesteld conform het gestelde in artikel 7 van hoofdstuk 4 van deze
uitvoeringsregeling.
2. Het salaris van de werknemer wordt daarbij bepaald volgens de salarisbedragen corresponderend met de
volgnummers, genoemd in hoofdstuk 2, artikel 5, onderdeel B1 tenzij sprake is van toepassing van het wettelijk
minimumloon dan wel leeftijdsalarissen, als bedoeld in lid 3.
3. Het salaris in de salarisschalen FWG 10 tot en met FWG 35 van de werknemer die de leeftijd van 21 jaar nog niet
heeft bereikt, wordt vastgesteld volgens de salarisbedragen, corresponderend met de leeftijden, als vermeld bij die
salarisschalen in hoofdstuk 2, artikel 5. Voor salarisschaal FWG 5 geldt hetzelfde, met dien verstande dat hierbij
sprake is van toepassing van het wettelijk minimumloon.
4. Het salaris van de werknemer van 21 jaar en ouder wordt bij zijn indiensttreding in de regel vastgesteld op het laagste
volgnummer uit de op zijn functie van toepassing zijnde salarisschaal. De werkgever kan met de werknemer
overeenkomen dat de werknemer, al dan niet op basis van elders verkregen ervaring, niet in de aanloopschaal wordt
ingeschaald, doch in een hoger volgnummer van de salarisschaal.
5. Het salaris van de werknemer wordt in de volgende gevallen vastgesteld naar evenredigheid van de voor hem
geldende arbeidsduur:
– indien de werknemer geen volledig dienstverband heeft;
– indien sprake is van een arbeidsduur die hoger ligt dan gemiddeld 36 uur per week;
– indien het salaris over een gedeelte van een maand of periode moet worden berekend.
6. Indien een werknemer, direct voorafgaand aan zijn indiensttreding reeds in een andere onder de werkingssfeer van
deze CAO vallende instelling in een zelfde, volgens dezelfde salarisschaal gehonoreerde functie werkzaam is
geweest, wordt ten minste de in deze functie verworven salarisanciënniteit in de nieuwe functie gehandhaafd, onverlet
het bepaalde in lid 4.

Artikel 3 Periodieke verhoging
1. Het salaris van de werknemer wordt jaarlijks verhoogd met één periodiek tot het maximum van de salarisschaal, tenzij
het bepaalde in artikel 3.1.7 van deze cao wordt toegepast.
2. De periodieke verhogingen binnen salarisschalen gaan in op de eerste dag van de maand of periode waarin de
werknemer:
– in dienst trad;
– de leeftijd bereikte waarop de laagste periodiek van de van toepassing zijnde salarisschaal ging gelden;
– bevorderd werd;
dan wel op de periodiekdatum van de oude functie.
3. In de individuele arbeidsovereenkomst wordt vermeld welke van de in het tweede lid van dit artikel vermelde
mogelijkheden van toepassing is.

Artikel 4 Salaris bij bevordering naar een hogere functie
1. In geval van bevordering naar een met een hogere salarisschaal gehonoreerde functie wordt de salarisanciënniteit in
de nieuwe functie in de hogere salarisschaal bepaald op ten minste het naast hogere salarisbedrag dat de betrokken
werknemer op de dag van bevordering zou hebben genoten in zijn voorgaande functie.
2. Indien bij bevordering de salarisschalen van de oude en de nieuwe functies elkaar overlappen en de data van
bevordering en periodieke verhoging gelijk zijn, wordt eerst de periodieke verhoging in de oude salarisschaal
toegekend, waarna horizontale inschaling in de nieuwe salarisschaal plaatsvindt, vermeerderd met één periodiek.

 

Hoofdstuk 2 Structuur salarisschalen
Tabel B1 Salarisschalen met ingang van 1 januari 2007 dan wel periode 1 van 2007

Artikel 5
B1 Salarisschalen FWG 5 tot en met FWG 80 per 1 januari 2007 en bij toepassing van periodesalarissen per periode 1 van
2007 waarbij de maand- en periodesalarissen gelden bij een arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week.

FWG 5 per 1/01/07 tot 1/07/07
Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
16 jaar (WML*) 448,80€ 413,28€ 2,87€
17 jaar (WML*) 513,80€ 472,32€ 3,28€
18 jaar (WML*) 591,85€ 544,32€ 3,78€
19 jaar (WML*) 682,90€ 627,84€ 4,36€
20 jaar (WML*) 800,00€ 735,84€ 5,11€
21 jaar (WML*) 943,10€ 868,32€ 6,03€
22 jaar (WML*) 1.105,70€ 1.018,08€ 7,07€
23 jaar e.o. (WML*) 1.300,80€ 1.196,64€ 8,31€

FWG 5 per 1/ 07/07 tot 1/01/08
Leeftijd MaandsalarisPeriodesalaris Uurloon
16 jaar (WML*) € 454,35 € 417,60 € 2,90
17 jaar (WML*) € 520,20 € 478,08 € 3,32
18 jaar (WML*) € 599,25 € 551,52 € 3,83
19 jaar (WML*) € 691,45 € 636,48 € 4,42
20 jaar (WML*) € 809,95 € 745,92 € 5,18
21 jaar (WML*) € 954,85 € 878,40 € 6,10
22 jaar (WML*) € 1.119,45 € 1.029,60 € 7,15
23 jaar e.o. (WML*) € 1.317,00 € 1.212,48 € 8,42

* Wet Minimum(jeugd)loon 1 januari 2007 * Wet Minimum(jeugd)loon 1 juli 2007
FWG 5 per 1/07/08
Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
16 jaar (WML*) € 468,05 € 430,56 € 2,99
17 jaar (WML*) € 535,85 € 492,48 € 3,42
18 jaar (WML*) € 617,25 € 567,36 € 3,94
19 jaar (WML*) € 712,20 € 655,20 € 4,55
20 jaar (WML*) € 834,30 € 767,52 € 5,33
21 jaar (WML*) € 983,55 € 904,32 € 6,28
22 jaar (WML*) € 1.153,10 € 1.061,28 € 7,37
23 jaar e.o. (WML*) € 1.356,60 € 1.248,48 € 8,67

* Wet Minimum(jeugd)loon 1 juli 2008
FWG 10
Leeftijd MaandsalarisPeriodesalaris Uurloon
17 jaar € 831,55 € 764,64 € 5,31
18 jaar € 970,68 € 892,80 € 6,20
19 jaar € 1.108,72 € 1.019,52 € 7,08
20 jaar € 1.247,87 € 1.147,68 € 7,97
Periodiek Volgnr. MaandsalarisPeriodesalaris Uurloon
0 1 € 1.285,42 € 1.182,24 € 8,21
1 2 € 1.309,71 € 1.205,28 € 8,37
2 3 € 1.333,99 € 1.226,88 € 8,52
3 4 € 1.385,91 € 1.275,84 € 8,86
4 5 € 1.436,70 € 1.321,92 € 9,18

FWG 15
Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
17 jaar € 862,47 € 793,44 € 5,51
18 jaar € 1.006,02 € 925,92 € 6,43
19 jaar € 1.149,59 € 1.058,40 € 7,35
20 jaar € 1.292,03 € 1.189,44 € 8,26
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 3 € 1.333,99 € 1.226,88 € 8,52
Aanloopperiodiek 1 4 € 1.385,91 € 1.275,84 € 8,86
0 5 € 1.436,70 € 1.321,92 € 9,18
1 6 € 1.464,31 € 1.347,84 € 9,36
2 7 € 1.502,95 € 1.382,40 € 9,60
3 8 € 1.540,51 € 1.416,96 € 9,84
4 9 € 1.581,37 € 1.454,40 € 10,10
5 10 € 1.625,53 € 1.496,16 € 10,39
6 11 € 1.675,23 € 1.540,80 € 10,70
7 12 € 1.727,14 € 1.589,76 € 11,04
8 13 € 1.785,67 € 1.643,04 € 11,41

FWG 20
Leeftijd MaandsalarisPeriodesalaris Uurloon
17 jaar € 879,02 € 809,28 € 5,62
18 jaar € 1.025,90 € 944,64 € 6,56
19 jaar € 1.171,66 € 1.078,56 € 7,49
20 jaar € 1.317,43 € 1.212,48 € 8,42
Periodiek Volgnr. MaandsalarisPeriodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 5 € 1.436,70 € 1.321,92 € 9,18
Aanloopperiodiek 1 6 € 1.464,31 € 1.347,84 € 9,36
0 7 € 1.502,95 € 1.382,40 € 9,60
1 8 € 1.540,51 € 1.416,96 € 9,84
2 9 € 1.581,37 € 1.454,40 € 10,10
3 10 € 1.625,53 € 1.496,16 € 10,39
4 11 € 1.675,23 € 1.540,80 € 10,70
5 12 € 1.727,14 € 1.589,76 € 11,04
6 13 € 1.785,67 € 1.643,04 € 11,41
7 14 € 1.844,18 € 1.696,32 € 11,78
8 15 € 1.898,31 € 1.746,72 € 12,13

FWG 25
Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
17 jaar € 901,11 € 829,44 € 5,76
18 jaar € 1.052,41 € 967,68 € 6,72
19 jaar € 1.202,59 € 1.105,92 € 7,68
20 jaar € 1.352,77 € 1.244,16 € 8,64
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 6 € 1.464,31 € 1.347,84 € 9,36
Aanloopperiodiek 1 7 € 1.502,95 € 1.382,40 € 9,60
0 8 € 1.540,51 € 1.416,96 € 9,84
1 9 € 1.581,37 € 1.454,40 € 10,10
2 10 € 1.625,53 € 1.496,16 € 10,39
3 11 € 1.675,23 € 1.540,80 € 10,70
4 12 € 1.727,14 € 1.589,76 € 11,04
5 13 € 1.785,67 € 1.643,04 € 11,41
6 14 € 1.844,18 € 1.696,32 € 11,78
7 15 € 1.898,31 € 1.746,72 € 12,13
8 16 € 1.959,03 € 1.802,88 € 12,52
9 17 € 2.008,73 € 1.848,96 € 12,84

FWG 30
Leeftijd MaandsalarisPeriodesalaris Uurloon
17 jaar € 925,41 € 851,04 € 5,91
18 jaar € 1.078,90 € 992,16 € 6,89
19 jaar € 1.233,51 € 1.134,72 € 7,88
20 jaar € 1.387,01 € 1.275,84 € 8,86
Periodiek Volgnr. MaandsalarisPeriodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 6 € 1.464,31 € 1.347,84 € 9,36
Aanloopperiodiek 1 7 € 1.502,95 € 1.382,40 € 9,60
0 8 € 1.540,51 € 1.416,96 € 9,84
1 9 € 1.581,37 € 1.454,40 € 10,10
2 10 € 1.625,53 € 1.496,16 € 10,39
3 11 € 1.675,23 € 1.540,80 € 10,70
4 12 € 1.727,14 € 1.589,76 € 11,04
5 13 € 1.785,67 € 1.643,04 € 11,41
6 14 € 1.844,18 € 1.696,32 € 11,78
7 15 € 1.898,31 € 1.746,72 € 12,13
8 16 € 1.959,03 € 1.802,88 € 12,52
9 17 € 2.008,73 € 1.848,96 € 12,84
10 18 € 2.068,36 € 1.903,68 € 13,22

FWG 35
Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
17 jaar € 976,21 € 898,56 € 6,24
18 jaar € 1.138,54 € 1.048,32 € 7,28
19 jaar € 1.300,88 € 1.196,64 € 8,31
20 jaar € 1.463,21 € 1.346,40 € 9,35
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 8 € 1.540,51 € 1.416,96 € 9,84
Aanloopperiodiek 1 9 € 1.581,37 € 1.454,40 € 10,10
0 10 € 1.625,53 € 1.496,16 € 10,39
1 11 € 1.675,23 € 1.540,80 € 10,70
2 12 € 1.727,14 € 1.589,76 € 11,04
3 13 € 1.785,67 € 1.643,04 € 11,41
4 14 € 1.844,18 € 1.696,32 € 11,78
5 15 € 1.898,31 € 1.746,72 € 12,13
6 16 € 1.959,03 € 1.802,88 € 12,52
7 17 € 2.008,73 € 1.848,96 € 12,84
8 18 € 2.068,36 € 1.903,68 € 13,22
9 19 € 2.122,47 € 1.952,64 € 13,56

FWG 40
Periodiek MaandsalarisPeriodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 10 € 1.625,53 € 1.496,16 € 10,39
Aanloopperiodiek 1 11 € 1.675,23 € 1.540,80 € 10,70
0 12 € 1.727,14 € 1.589,76 € 11,04
1 14 € 1.844,18 € 1.696,32 € 11,78
2 16 € 1.959,03 € 1.802,88 € 12,52
3 17 € 2.008,73 € 1.848,96 € 12,84
4 18 € 2.068,36 € 1.903,68 € 13,22
5 19 € 2.122,47 € 1.952,64 € 13,56
6 20 € 2.179,90 € 2.005,92 € 13,93
7 21 € 2.236,22 € 2.057,76 € 14,29
8 22 € 2.291,43 € 2.108,16 € 14,64
9 23 € 2.347,75 € 2.160,00 € 15,00
10 24 € 2.405,18 € 2.213,28 € 15,37

FWG 45
Periodiek Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 16 € 1.959,03 € 1.802,88 € 12,52
Aanloopperiodiek 1 18 € 2.068,36 € 1.903,68 € 13,22
0 20 € 2.179,90 € 2.005,92 € 13,93
1 21 € 2.236,22 € 2.057,76 € 14,29
2 22 € 2.291,43 € 2.108,16 € 14,64
3 23 € 2.347,75 € 2.160,00 € 15,00
4 24 € 2.405,18 € 2.213,28 € 15,37
5 25 € 2.463,70 € 2.266,56 € 15,74
6 26 € 2.524,44 € 2.322,72 € 16,13
7 27 € 2.587,40 € 2.380,32 € 16,53
8 28 € 2.642,60 € 2.432,16 € 16,89

FWG 50
Periodiek MaandsalarisPeriodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 18 € 2.068,36 € 1.903,68 € 13,22
Aanloopperiodiek 1 20 € 2.179,90 € 2.005,92 € 13,93
0 21 € 2.236,22 € 2.057,76 € 14,29
1 23 € 2.347,45 € 2.160,00 € 15,00
2 25 € 2.463,70 € 2.266,56 € 15,74
3 27 € 2.587,40 € 2.380,32 € 16,53
4 28 € 2.642,60 € 2.432,16 € 16,89
5 29 € 2.704,44 € 2.488,32 € 17,28
6 30 € 2.765,19 € 2.544,48 € 17,67
7 31 € 2.822,60 € 2.597,76 € 18,04
8 32 € 2.880,02 € 2.649,60 € 18,40
9 33 € 2.940,76 € 2.705,76 € 18,79
10 34 € 3.001,50 € 2.761,92 € 19,18

FWG 55
Periodiek Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 19 € 2.122,47 € 1.952,64 € 13,56
Aanloopperiodiek 1 21 € 2.236,22 € 2.057,76 € 14,29
0 23 € 2.347,75 € 2.160,00 € 15,00
1 26 € 2.524,44 € 2.322,72 € 16,13
2 28 € 2.642,60 € 2.432,16 € 16,89
3 30 € 2.765,19 € 2.544,48 € 17,67
4 32 € 2.880,02 € 2.649,60 € 18,40
5 34 € 3.001,50 € 2.761,92 € 19,18
6 35 € 3.057,83 € 2.813,76 € 19,54
7 36 € 3.114,14 € 2.865,60 € 19,90
8 37 € 3.179,29 € 2.924,64 € 20,31
9 38 € 3.245,56 € 2.986,56 € 20,74
10 39 € 3.310,71 € 3.045,60 € 21,15
11 40 € 3.369,25 € 3.100,32 € 21,53

FWG 60
Periodiek MaandsalarisPeriodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 27 € 2.587,40 € 2.380,32 € 16,53
Aanloopperiodiek 1 29 € 2.704,44 € 2.488,32 € 17,28
0 32 € 2.880,02 € 2.649,60 € 18,40
1 34 € 3.001,50 € 2.761,92 € 19,18
2 36 € 3.114,14 € 2.865,60 € 19,90
3 38 € 3.245,56 € 2.986,56 € 20,74
4 40 € 3.369,25 € 3.100,32 € 21,53
5 42 € 3.496,23 € 3.216,96 € 22,34
6 44 € 3.618,80 € 3.329,28 € 23,12
7 45 € 3.672,93 € 3.379,68 € 23,47
8 46 € 3.728,14 € 3.430,08 € 23,82
9 47 € 3.785,56 € 3.483,36 € 24,19
10 48 € 3.840,78 € 3.533,76 € 24,54

FWG 65
Periodiek Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 34 € 3.001,50 € 2.761,92 € 19,18
Aanloopperiodiek 1 36 € 3.114,14 € 2.865,60 € 19,90
0 38 € 3.245,56 € 2.986,56 € 20,74
1 40 € 3.369,25 € 3.100,32 € 21,53
2 41 € 3.434,39 € 3.159,36 € 21,94
3 42 € 3.496,23 € 3.216,96 € 22,34
4 43 € 3.559,18 € 3.274,56 € 22,74
5 44 € 3.618,80 € 3.329,28 € 23,12
6 46 € 3.728,14 € 3.430,08 € 23,82
7 48 € 3.840,78 € 3.533,76 € 24,54
8 50 € 3.954,52 € 3.638,88 € 25,27
9 52 € 4.067,15 € 3.742,56 € 25,99
10 54 € 4.180,90 € 3.847,68 € 26,72

FWG 70
Periodiek MaandsalarisPeriodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 44 € 3.618,80 € 3.329,28 € 23,12
Aanloopperiodiek 1 46 € 3.728,14 € 3.430,08 € 23,82
0 48 € 3.840,78 € 3.533,76 € 24,54
1 50 € 3.954,52 € 3.638,88 € 25,27
2 51 € 4.011,94 € 3.692,16 € 25,64
3 52 € 4.067,15 € 3.742,56 € 25,99
4 53 € 4.125,69 € 3.795,84 € 26,36
5 56 € 4.294,64 € 3.951,36 € 27,44
6 59 € 4.464,71 € 4.108,32 € 28,53
7 62 € 4.634,77 € 4.265,28 € 29,62
8 64 € 4.748,51 € 4.368,96 € 30,34
9 66 € 4.888,77 € 4.498,56 € 31,24

FWG 75
Periodiek Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 54 € 4.180,90 € 3.847,68 € 26,72
Aanloopperiodiek 1 56 € 4.294,64 € 3.951,36 € 27,44
0 58 € 4.406,17 € 4.053,60 € 28,15
60 € 4.521,02 € 4.160,16 € 28,89
62 € 4.634,77 € 4.265,28 € 29,62
63 € 4.689,99 € 4.315,68 € 29,97
64 € 4.748,51 € 4.368,96 € 30,34
65 € 4.818,08 € 4.433,76 € 30,79
68 € 5.031,21 € 4.629,60 € 32,15
71 € 5.242,14 € 4.824,00 € 33,50

FWG 80
Periodiek MaandsalarisPeriodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 66 € 4.888,77 € 4.498,56 € 31,24
Aanloopperiodiek 1 68 € 5.031,21 € 4.629,60 € 32,15
0 70 € 5.172,57 € 4.759,20 € 33,05
1 72 € 5.315,02 € 4.890,24 € 33,96
2 74 € 5.456,38 € 5.021,28 € 34,87
3 75 € 5.527,05 € 5.086,08 € 35,32
4 76 € 5.598,83 € 5.152,32 € 35,78

Tabel B2 Salarisschalen met ingang van 1 januari 2008 dan wel periode 1 van 2008
Salarisschalen FWG 5 tot en met FWG 80

Artikel 5
B1 Salarisschalen FWG 5 tot en met FWG 80 per 1 januari 2008 en bij toepassing van periodesalarissen per periode 1 van
2008 waarbij de maand- en periodesalarissen gelden bij een arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week.

FWG 5
Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
16 jaar (WML*) € 460,60 € 423,36 € 2,94
17 jaar (WML*) € 527,35 € 485,28 € 3,37
18 jaar (WML*) € 607,45 € 558,72 € 3,88
19 jaar (WML*) € 700,90 € 645,12 € 4,48
20 jaar (WML*) € 821,05 € 756,00 € 5,25
21 jaar (WML*) € 967,90 € 889,92 € 6,18
22 jaar (WML*) € 1.134,75 € 1.044,00 € 7,25
23 jaar e.o. (WML*) € 1.335,00 € 1.228,32 € 8,53

FWG 5 per 1/07/08
Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
16 jaar (WML*) € 468,05 € 430,56 € 2,99
17 jaar (WML*) € 535,85 € 492,48 € 3,42
18 jaar (WML*) € 617,25 € 567,36 € 3,94
19 jaar (WML*) € 712,20 € 655,20 € 4,55
20 jaar (WML*) € 834,30 € 767,52 € 5,33
21 jaar (WML*) € 983,55 € 904,32 € 6,28
22 jaar (WML*) € 1.153,10 € 1.061,28 € 7,37
23 jaar e.o. (WML*) € 1.356,60 € 1.248,48 € 8,67

Bijlage B Overgangsbepalingen Thuiszorg 2008

FWG 10
Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
17 jaar € 858,58
€ 1.002,23
€ 1.144,75
€ 1.288,43
€ 790,56 € 5,49
18 jaar € 921,60 € 6,40
19 jaar € 1.052,64 € 7,31
20 jaar € 1.185,12 € 8,23
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
0 1 € 1.327,20 € 1.221,12 € 8,48
1 2 € 1.352,28 € 1.244,16 € 8,64
2 3 € 1.377,34 € 1.267,20 € 8,80
3 4 € 1.430,95 € 1.316,16 € 9,14
4 5 € 1.483,39 € 1.365,12 € 9,48

€ 8,80

Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
17 jaar € 890,50 € 819,36 € 5,69
18 jaar € 1.038,72 € 956,16 € 6,64
19 jaar € 1.186,95 € 1.091,52 € 7,58
20 jaar € 1.334,02 € 1.226,88 € 8,52
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
FWG 15
Aanloopperiodiek 0 5

€ 1.483,39
€ 1.365,12
€ 9,48
€ 9,14
Aanloopperiodiek 1 6
€ 1.511,90
€ 1.391,04
€ 9,66
€ 9,48

€ 1.551,80
€ 1.428,48
€ 9,92
€ 9,66

1
8

€ 1.590,58
€ 1.463,04
€ 10,16
€ 9,92

2
9

€ 1.632,76
€ 1.501,92
€ 10,43
€ 10,16

3
10

€ 1.678,36
€ 1.543,68
€ 10,72
€ 10,43

4
11

€ 1.729,67
€ 1.591,20
€ 11,05
€ 10,72

5
12

€ 1.783,27
€ 1.640,16
€ 11,39
€ 11,05

6
13

€ 1.843,70
€ 1.696,32
€ 11,78
€ 11,39

7
14

€ 1.904,12
€ 1.752,48
€ 12,17
€ 11,78

8
15

€ 1.960,01
€ 1.802,88
€ 12,52

Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
17 jaar € 907,59 € 835,20 € 5,80
18 jaar € 1.059,24 € 974,88 € 6,77
19 jaar € 1.209,74 € 1.113,12 € 7,73
20 jaar € 1.360,25 € 1.251,36 € 8,69
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
FWG 20
Aanloopperiodiek 0 3

€ 1.377,34
Aanloopperiodiek 1 4
€ 1.430,95

0
5

€ 1.483,39

1
6

€ 1.511,90

2
7

€ 1.551,80

3
8

€ 1.590,58

4
9

€ 1.632,76

5
10

€ 1.678,36

6
11

€ 1.729,67

7
12

€ 1.783,27

8
13

€ 1.843,70

€ 1.267,20
€ 1.316,16
€ 1.365,12
€ 1.391,04
€ 1.428,48
€ 1.463,04
€ 1.501,92
€ 1.543,68
€ 1.591,20
€ 1.640,16
€ 1.696,32

Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
17 jaar € 955,49 € 879,84 € 6,11
18 jaar € 1.113,96 € 1.025,28 € 7,12
19 jaar € 1.273,60 € 1.172,16 € 8,14
20 jaar € 1.432,09 € 1.317,60 € 9,15
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 6 € 1.511,90 € 1.391,04 € 9,66
Aanloopperiodiek 1 7 € 1.551,80 € 1.428,48 € 9,92
0 8 € 1.590,58 € 1.463,04 € 10,16
1 9 € 1.632,76 € 1.501,92 € 10,43
2 10 € 1.678,36 € 1.543,68 € 10,72
3 11 € 1.729,67 € 1.591,20 € 11,05
4 12 € 1.783,27 € 1.640,16 € 11,39
5 13 € 1.843,70 € 1.696,32 € 11,78
6 14 € 1.904,12 € 1.752,48 € 12,17
7 15 € 1.960,01 € 1.802,88 € 12,52
8 16 € 2.022,70 € 1.860,48 € 12,92
9 17 € 2.074,01 € 1.908,00 € 13,25
10 18 € 2.135,58 € 1.965,60 € 13,65

FWG 30
Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
17 jaar € 1.007,94 € 927,36 € 6,44
18 jaar € 1.175,54 € 1.081,44 € 7,51
19 jaar € 1.343,16 € 1.235,52 € 8,58
20 jaar € 1.510,76 € 1.389,60 € 9,65
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 8 € 1.590,58 € 1.463,04 € 10,16
Aanloopperiodiek 1 9 € 1.632,76 € 1.501,92 € 10,43
0 10 € 1.678,36 € 1.543,68 € 10,72
1 11 € 1.729,67 € 1.591,20 € 11,05
2 12 € 1.783,27 € 1.640,16 € 11,39
3 13 € 1.843,70 € 1.696,32 € 11,78
4 14 € 1.904,12 € 1.752,48 € 12,17
5 15 € 1.960,01 € 1.802,88 € 12,52
6 16 € 2.022,70 € 1.860,48 € 12,92
7 17 € 2.074,01 € 1.908,00 € 13,25
8 18 € 2.135,58 € 1.965,60 € 13,65
9 19 € 2.191,45 € 2.016,00 € 14,00
10 20 € 2.250,75 € 2.070,72 € 14,38

FWG 25
Leeftijd Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
17 jaar € 930,40 € 856,80 € 5,95
18 jaar € 1.086,61 € 999,36 € 6,94
19 jaar € 1.241,67 € 1.141,92 € 7,93
20 jaar € 1.396,74 € 1.284,48 € 8,92
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 6 € 1.511,90 € 1.391,04 € 9,66
Aanloopperiodiek 1 7 € 1.551,80 € 1.428,48 € 9,92
0 8 € 1.590,58 € 1.463,04 € 10,16
1 9 € 1.632,76 € 1.501,92 € 10,43
2 10 € 1.678,36 € 1.543,68 € 10,72
3 11 € 1.729,67 € 1.591,20 € 11,05
4 12 € 1.783,27 € 1.640,16 € 11,39
5 13 € 1.843,70 € 1.696,32 € 11,78
6 14 € 1.904,12 € 1.752,48 € 12,17
7 15 € 1.960,01 € 1.802,88 € 12,52
8 16 € 2.022,70 € 1.860,48 € 12,92
9 17 € 2.074,01 € 1.908,00 € 13,25

FWG 40
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 10 € 1.678,36 € 1.543,68 € 10,72
Aanloopperiodiek 1 11 € 1.729,67 € 1.591,20 € 11,05
0 12 € 1.783,27 € 1.640,16 € 11,39
1 14 € 1.904,12 € 1.752,48 € 12,17
2 16 € 2.022,70 € 1.860,48 € 12,92
3 17 € 2.074,01 € 1.908,00 € 13,25
4 18 € 2.135,58 € 1.965,60 € 13,65
5 19 € 2.191,45 € 2.016,00 € 14,00
6 20 € 2.250,75 € 2.070,72 € 14,38
7 21 € 2.308,90 € 2.124,00 € 14,75
8 22 € 2.365,90 € 2.177,28 € 15,12
9 23 € 2.424,05 € 2.230,56 € 15,49
10 24 € 2.483,35 € 2.285,28 € 15,87

FWG 45
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 16 € 2.022,70 € 1.860,48 € 12,92
Aanloopperiodiek 1 18 € 2.135,58 € 1.965,60 € 13,65
0 20 € 2.250,75 € 2.070,72 € 14,38
1 21 € 2.308,90 € 2.124,00 € 14,75
2 22 € 2.365,90 € 2.177,28 € 15,12
3 23 € 2.424,05 € 2.230,56 € 15,49
4 24 € 2.483,35 € 2.285,28 € 15,87
5 25 € 2.543,77 € 2.340,00 € 16,25
6 26 € 2.606,48 € 2.397,60 € 16,65
7 27 € 2.671,49 € 2.458,08 € 17,07
8 28 € 2.728,48 € 2.509,92 € 17,43

FWG 50
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 18 € 2.135,58 € 1.965,60 € 13,65
Aanloopperiodiek 1 20 € 2.250,75 € 2.070,72 € 14,38
0 21 € 2.308,90 € 2.124,00 € 14,75
1 23 € 2.424,05 € 2.230,56 € 15,49
2 25 € 2.543,77 € 2.340,00 € 16,25
3 27 € 2.671,49 € 2.458,08 € 17,07
4 28 € 2.728,48 € 2.509,92 € 17,43
5 29 € 2.792,33 € 2.568,96 € 17,84
6 30 € 2.855,06 € 2.626,56 € 18,24
7 31 € 2.914,33 € 2.681,28 € 18,62
8 32 € 2.973,62 € 2.736,00 € 19,00
9 33 € 3.036,33 € 2.793,60 € 19,40
10 34 € 3.099,05 € 2.851,20 € 19,80

FWG 55
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 19 € 2.191,45 € 2.016,00 € 14,00
Aanloopperiodiek 1 21 € 2.308,90 € 2.124,00 € 14,75
0 23 € 2.424,05 € 2.230,56 € 15,49
1 26 € 2.606,48 € 2.397,60 € 16,65
2 28 € 2.728,48 € 2.509,92 € 17,43
3 30 € 2.855,06 € 2.626,56 € 18,24
4 32 € 2.973,62 € 2.736,00 € 19,00
5 34 € 3.099,05 € 2.851,20 € 19,80
6 35 € 3.157,21 € 2.904,48 € 20,17
7 36 € 3.215,35 € 2.959,20 € 20,55
8 37 € 3.282,62 € 3.021,12 € 20,98
9 38 € 3.351,04 € 3.083,04 € 21,41
10 39 € 3.418,31 € 3.144,96 € 21,84
11 40 € 3.478,75 € 3.201,12 € 22,23

FWG 60
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 27 € 2.671,49 € 2.458,08 € 17,07
Aanloopperiodiek 1 29 € 2.792,33 € 2.568,96 € 17,84
0 32 € 2.973,62 € 2.736,00 € 19,00
1 34 € 3.099,05 € 2.851,20 € 19,80
2 36 € 3.215,35 € 2.959,20 € 20,55
3 38 € 3.351,04 € 3.083,04 € 21,41
4 40 € 3.478,75 € 3.201,12 € 22,23
5 42 € 3.609,86 € 3.322,08 € 23,07
6 44 € 3.736,41 € 3.437,28 € 23,87
7 45 € 3.792,30 € 3.489,12 € 24,23
8 46 € 3.849,30 € 3.542,40 € 24,60
9 47 € 3.908,59 € 3.597,12 € 24,98
10 48 € 3.965,61 € 3.648,96 € 25,34

FWG 65
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 34 € 3.099,05 € 2.851,20 € 19,80
Aanloopperiodiek 1 36 € 3.215,35 € 2.959,20 € 20,55
0 38 € 3.351,04 € 3.083,04 € 21,41
1 40 € 3.478,75 € 3.201,12 € 22,23
2 41 € 3.546,01 € 3.263,04 € 22,66
3 42 € 3.609,86 € 3.322,08 € 23,07
4 43 € 3.674,85 € 3.381,12 € 23,48
5 44 € 3.736,41 € 3.437,28 € 23,87
6 46 € 3.849,30 € 3.542,40 € 24,60
7 48 € 3.965,61 € 3.648,96 € 25,34
8 50 € 4.083,04 € 3.756,96 € 26,09
9 52 € 4.199,33 € 3.863,52 € 26,83
10 54 € 4.316,78 € 3.971,52 € 27,58

FWG 70
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 44 € 3.736,41 € 3.437,28 € 23,87
Aanloopperiodiek 1 46 € 3.849,30 € 3.542,40 € 24,60
0 48 € 3.965,61 € 3.648,96 € 25,34
1 50 € 4.083,04 € 3.756,96 € 26,09
2 51 € 4.142,33 € 3.811,68 € 26,47
3 52 € 4.199,33 € 3.863,52 € 26,83
4 53 € 4.259,77 € 3.919,68 € 27,22
5 56 € 4.434,22 € 4.079,52 € 28,33
6 59 € 4.609,81 € 4.242,24 € 29,46
7 62 € 4.785,40 € 4.403,52 € 30,58
8 64 € 4.902,84 € 4.511,52 € 31,33
9 66 € 5.047,66 € 4.644,00 € 32,25

FWG 75
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 54 € 4.316,78 € 3.971,52 € 27,58
Aanloopperiodiek 1 56 € 4.434,22 € 4.079,52 € 28,33
0 58 € 4.549,37 € 4.186,08 € 29,07
1 60 € 4.667,95 € 4.295,52 € 29,83
2 62 € 4.785,40 € 4.403,52 € 30,58
3 63 € 4.842,41 € 4.455,36 € 30,94
4 64 € 4.902,84 € 4.511,52 € 31,33
5 65 € 4.974,67 € 4.577,76 € 31,79
6 68 € 5.194,72 € 4.779,36 € 33,19
7 71 € 5.412,51 € 4.979,52 € 34,58

FWG 80
Periodiek Volgnr. Maandsalaris Periodesalaris Uurloon
Aanloopperiodiek 0 66 € 5.047,66 € 4.644,00 € 32,25
Aanloopperiodiek 1 68 € 5.194,72 € 4.779,36 € 33,19
0 70 € 5.340,68 € 4.914,72 € 34,13
1 72 € 5.487,76 € 5.050,08 € 35,07
2 74 € 5.633,71 € 5.184,00 € 36,00
3 75 € 5.706,68 € 5.250,24 € 36,46
4 76 € 5.780,79 € 5.319,36 € 36,94

 


HOOFDSTUK 3 INPASSINGSTABELLEN SALARISSEN
Tabel B3 Inpassingstabel thuiszorg met ingang van 1 januari 2007 dan wel periode 1 van 2007

Artikel 6
B1 Inpassingstabel FWG (exclusief wettelijk minimumloon) per 1 januari 2007, en bij toepassing van periodesalarissen per
periode 1 van 2007 (beide bij een arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week) en uurlonen van werknemers van 21 jaar en
ouder.
volgnr maandsalaris periodesalaris uurloon volgnr maandsalaris periodesalaris uurloon
1 € 1.285,42 € 1.182,24 € 8,21 41 € 3.434,39 € 3.159,36 € 21,94
2 € 1.309,71 € 1.205,28 € 8,37 42 € 3.496,23 € 3.216,96 € 22,34
3 € 1.333,99 € 1.226,88 € 8,52 43 € 3.559,18 € 3.274,56 € 22,74
4 € 1.385,91 € 1.275,84 € 8,86 44 € 3.618,80 € 3.329,28 € 23,12
5 € 1.436,70 € 1.321,92 € 9,18 45 € 3.672,93 € 3.379,68 € 23,47
6 € 1.464,31 € 1.347,84 € 9,36 46 € 3.728,14 € 3.430,08 € 23,82
7 € 1.502,95 € 1.382,40 € 9,60 47 € 3.785,56 € 3.483,36 € 24,19
8 € 1.540,51 € 1.416,96 € 9,84 48 € 3.840,78 € 3.533,76 € 24,54
9 € 1.581,37 € 1.454,40 € 10,10 49
10 € 1.625,53 € 1.496,16 € 10,39 50 € 3.954,52 € 3.638,88 € 25,27
11 € 1.675,23 € 1.540,80 € 10,70 51 € 4.011,94 € 3.692,16 € 25,64
12 € 1.727,14 € 1.589,76 € 11,04 52 € 4.067,15 € 3.742,56 € 25,99
13 € 1.785,67 € 1.643,04 € 11,41 53 € 4.125,69 € 3.795,84 € 26,36
14 € 1.844,18 € 1.696,32 € 11,78 54 € 4.180,90 € 3.847,68 € 26,72
15 € 1.898,31 € 1.746,72 € 12,13 55
16 € 1.959,03 € 1.802,88 € 12,52 56 € 4.294,64 € 3.951,36 € 27,44
17 € 2.008,73 € 1.848,96 € 12,84 57
18 € 2.068,36 € 1.903,68 € 13,22 58 € 4.406,17 € 4.053,60 € 28,15
19 € 2.122,47 € 1.952,64 € 13,56 59 € 4.464,71 € 4.108,32 € 28,53
20 € 2.179,90 € 2.005,92 € 13,93 60 € 4.521,02 € 4.160,16 € 28,89
21 € 2.236,22 € 2.057,76 € 14,29 61
22 € 2.291,43 € 2.108,16 € 14,64 62 € 4.634,77 € 4.265,28 € 29,62
23 € 2.347,75 € 2.160,00 € 15,00 63 € 4.689,99 € 4.315,68 € 29,97
24 € 2.405,18 € 2.213,28 € 15,37 64 € 4.748,51 € 4.368,96 € 30,34
25 € 2.463,70 € 2.266,56 € 15,74 65 € 4.818,08 € 4.433,76 € 30,79
26 € 2.524,44 € 2.322,72 € 16,13 66 € 4.888,77 € 4.498,56 € 31,24
27 € 2.587,40 € 2.380,32 € 16,53 67
28 € 2.642,60 € 2.432,16 € 16,89 68 € 5.031,21 € 4.629,60 € 32,15
29 € 2.704,44 € 2.488,32 € 17,28 69
30 € 2.765,19 € 2.544,48 € 17,67 70 € 5.172,57 € 4.759,20 € 33,05
31 € 2.822,60 € 2.597,76 € 18,04 71 € 5.242,14 € 4.824,00 € 33,50
32 € 2.880,02 € 2.649,60 € 18,40 72 € 5.315,02 € 4.890,24 € 33,96
33 € 2.940,76 € 2.705,76 € 18,79 73
34 € 3.001,50 € 2.761,92 € 19,18 74 € 5.456,38 € 5.021,28 € 34,87
35 € 3.057,83 € 2.813,76 € 19,54 75 € 5.527,05 € 5.086,08 € 35,32
36 € 3.114,14 € 2.865,60 € 19,90 76 € 5.598,83 € 5.152,32 € 35,78
37 € 3.179,29 € 2.924,64 € 20,31 77
38 € 3.245,56 € 2.986,56 € 20,74 78 € 5.746,81 € 5.287,68 € 36,72
39 € 3.310,71 € 3.045,60 € 21,15 79
40 € 3.369,25 € 3.100,32 € 21,53 80 € 5.904,71 € 5.433,12 € 37,73

Bijlage B Overgangsbepalingen Thuiszorg 2008

Tabel B4 Inpassingstabel thuiszorg met ingang van 1 januari 2008 dan wel periode 1 van 2008
Artikel 6

(Met ingang van 1 januari 2008 dan wel periode 1 van 2008)
B1 Inpassingstabel FWG (exclusief wettelijk minimumloon) per 1 januari 2008, en bij toepassing van periodesalarissen per
periode 1 van 2008 (beide bij een arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week) en uurlonen van werknemers van 21 jaar en
ouder.

volgnr maandsalaris periodesalaris uurloon
1 € 1.327,20 € 1.221,12 € 8,48 41 € 3.546,01 € 3.263,04 € 22,66
2 € 1.352,28 € 1.244,16 € 8,64 42 € 3.609,86 € 3.322,08 € 23,07
3 € 1.377,34 € 1.267,20 € 8,80 43 € 3.674,85 € 3.381,12 € 23,48
4 € 1.430,95 € 1.316,16 € 9,14 44 € 3.736,41 € 3.437,28 € 23,87
5 € 1.483,39 € 1.365,12 € 9,48 45 € 3.792,30 € 3.489,12 € 24,23
6 € 1.511,90 € 1.391,04 € 9,66 46 € 3.849,30 € 3.542,40 € 24,60
7 € 1.551,80 € 1.428,48 € 9,92 47 € 3.908,59 € 3.597,12 € 24,98
8 € 1.590,58 € 1.463,04 € 10,16 48 € 3.965,61 € 3.648,96 € 25,34
9 € 1.632,76 € 1.501,92 € 10,43 49
10 € 1.678,36 € 1.543,68 € 10,72 50 € 4.083,04 € 3.756,96 € 26,09
11 € 1.729,67 € 1.591,20 € 11,05 51 € 4.142,33 € 3.811,68 € 26,47
12 € 1.783,27 € 1.640,16 € 11,39 52 € 4.199,33 € 3.863,52 € 26,83
13 € 1.843,70 € 1.696,32 € 11,78 53 € 4.259,77 € 3.919,68 € 27,22
14 € 1.904,12 € 1.752,48 € 12,17 54 € 4.316,78 € 3.971,52 € 27,58
15 € 1.960,01 € 1.802,88 € 12,52 55 € 4.374,93 € 4.024,80 € 27,95
16 € 2.022,70 € 1.860,48 € 12,92 56 € 4.434,22 € 4.079,52 € 28,33
17 € 2.074,01 € 1.908,00 € 13,25 57 € 4.491,23 € 4.132,80 € 28,70
18 € 2.135,58 € 1.965,60 € 13,65 58 € 4.549,37 € 4.186,08 € 29,07
19 € 2.191,45 € 2.016,00 € 14,00 59 € 4.609,81 € 4.242,24 € 29,46
20 € 2.250,75 € 2.070,72 € 14,38 60 € 4.667,95 € 4.295,52 € 29,83
21 € 2.308,90 € 2.124,00 € 14,75 61
22 € 2.365,90 € 2.177,28 € 15,12 62 € 4.785,40 € 4.403,52 € 30,58
23 € 2.424,05 € 2.230,56 € 15,49 63 € 4.842,41 € 4.455,36 € 30,94
24 € 2.483,35 € 2.285,28 € 15,87 64 € 4.902,84 € 4.511,52 € 31,33
25 € 2.543,77 € 2.340,00 € 16,25 65 € 4.974,67 € 4.577,76 € 31,79
26 € 2.606,48 € 2.397,60 € 16,65 66 € 5.047,66 € 4.644,00 € 32,25
27 € 2.671,49 € 2.458,08 € 17,07 67
28 € 2.728,48 € 2.509,92 € 17,43 68 € 5.194,72 € 4.779,36 € 33,19
29 € 2.792,33 € 2.568,96 € 17,84 69
30 € 2.855,06 € 2.626,56 € 18,24 70 € 5.340,68 € 4.914,72 € 34,13
31 € 2.914,33 € 2.681,28 € 18,62 71 € 5.412,51 € 4.979,52 € 34,58
32 € 2.973,62 € 2.736,00 € 19,00 72 € 5.487,76 € 5.050,08 € 35,07
33 € 3.036,33 € 2.793,60 € 19,40 73
34 € 3.099,05 € 2.851,20 € 19,80 74 € 5.633,71 € 5.184,00 € 36,00
35 € 3.157,21 € 2.904,48 € 20,17 75 € 5.706,68 € 5.250,24 € 36,46
36 € 3.215,35 € 2.959,20 € 20,55 76 € 5.780,79 € 5.319,36 € 36,94
37 € 3.282,62 € 3.021,12 € 20,98 77
38 € 3.351,04 € 3.083,04 € 21,41 78 € 5.933,58 € 5.459,04 € 37,91
39 € 3.418,31 € 3.144,96 € 21,84 79
40 € 3.478,75 € 3.201,12 € 22,23 80 € 6.096,61 € 5.610,24 € 38,96

Bijlage B Overgangsbepalingen Thuiszorg 2008

Hoofdstuk 4 Leerlingsalarissen

Artikel 7 Leerlingsalarissen (OCenW-opleidingsstelsel)
1. Voor de leerling-werknemers met een leerarbeidsovereenkomst die – anders dan in vervolg op een reeds lopende
arbeidsovereenkomst bij dezelfde werkgever – een mbo- of een hbo-opleiding volgen in het kader van het OCenWopleidingsstelsel
(beroepsbegeleidende leerweg, BBL) gelden de navolgende salarisbedragen, die zijn vermeld op basis
van een arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week. Bij een geringere gemiddelde arbeidsduur worden deze bedragen
naar rato daarvan toegepast. Indien het wettelijk minimum(jeugd)loon hoger ligt dan de vermelde bedragen, geldt het
wettelijk minimum(jeugd)loon.
a. Salarisbedragen bij mbo-opleiding Zorghulp
Voor de leerling-werknemer geldt gedurende de opleiding tot Zorghulp een salaris op basis van het wettelijk
minimum(jeugd)loon.
b. Salarisbedragen bij mbo-opleiding Helpende
Met ingang van 1 januari 2007 dan wel periode 1 van 2007
Per 1 januari 2007 per maand per periode per uur
1e praktijk leerjaar 930,92 856,80 5,95
2e praktijk leerjaar 1064,56 979,20 6,80
Salarisbedragen bij mbo-opleiding Helpende
Met ingang van 1 januari 2008 dan wel periode 1 van 2008
Per 1 januari 2008 per maand per periode per uur
1e praktijk leerjaar 961,17 884,16 6,14
2e praktijk leerjaar 1099,16 1010,88 7,02
c. Salarisbedragen bij mbo-opleiding Verzorgende, Verzorgende IG en mbo/hbo-opleiding Verpleegkundige
Met ingang van 1 januari 2007 dan wel periode 1 van 2007
Per 1 januari 2007 per maand per periode per uur
1e praktijk leerjaar 1056,82 972,00 6,75
2e praktijk leerjaar 1246,75 1147,68 7,97
3e praktijk leerjaar 1610,07 1481,76 10,29
4e praktijk leerjaar 1610,07 1481,76 10,29
Salarisbedragen bij mbo-opleiding Verzorgende, Verzorgende IG en mbo/hbo-opleiding Verpleegkundige
Met ingang van 1 januari 2008 dan wel periode 1 van 2008
Per 1 januari 2008 per maand per periode per uur
1e praktijk leerjaar 1091,170 1003,68 6,97
2e praktijk leerjaar 1287,270 1185,12 8,23
3e praktijk leerjaar 1662,400 1529,28 10,62
4e praktijk leerjaar 1662,400 1529,28 10,62
2. Voor leerling-verpleegkundigen hbo kan gedurende het tweede leerjaar van het voorafgaande worden afgeweken
indien dat jaar, in het verlengde van het eerste jaar, een overwegend theoretisch karakter draagt en waarin stages
zijn opgenomen. Voor een periode van 12 maanden kan dan een leerovereenkomst met de leerling worden
aangegaan. Gedurende dat jaar is artikel 16 van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing. In het derde
leerjaar, waarin met de leerling (weer) een leerarbeidsovereenkomst is aangegaan, begint de leerling met een salaris
behorend bij het tweede leerjaar.

Artikel 8 Leerlingsalarissen verkorte opleiding tot kraamverzorgende
1. Voor leerling-werknemers die een verkorte opleiding tot kraamverzorgende volgen, gelden de navolgende
salarisbedragen waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen:
a. de verkorte opleiding voor anders opgeleiden: zij die al een andere zorgopleiding hebben genoten;
b. de verkorte opleiding voor niet-opgeleiden: zij die nog geen relevante opleiding voor de zorg hebben genoten.
2. De salarisbedragen zijn vermeld op basis van een arbeidsduur van gemiddeld 36 uur per week. Bij een geringere
gemiddelde arbeidsduur worden de bedragen naar rato daarvan toegepast. Indien het wettelijk minimum-(jeugd)loon
hoger ligt dan de vermelde bedragen, geldt het wettelijk minimum(jeugd)loon.
3. Voorts geldt voor reeds bij de werkgever in een andere functie in dienst zijnde werknemers die de verkorte opleiding
gaan volgen dat de bestaande salarisaanspraak wordt gehandhaafd.
4. Als uitgangspunt geldt dat een arbeidsduur van gemiddeld 32 uur per week wordt afgesproken. Daarbij wordt de
opleidingstijd, zijnde de op school doorgebrachte tijd, gerekend tot de arbeidsduur. Werkgever en leerling-werknemer
kunnen in overleg afwijken van het uitgangspunt van de gemiddelde 32-urige arbeidsduur.
5. Na het behalen van het certificaat van de opleiding wordt de werknemer bij totstandkoming van de arbeidsovereenkomst
ingeschaald in de bij de functie kraamverzorgende behorende salarisschaal. Inschaling geschiedt in beginsel in
aanloopperiodiek 1, met dien verstande, dat de werkgever op basis van artikel 2, lid 4 en artikel 4 van deze regeling een
hoger volgnummer kan toepassen.
Salarisbedragen met ingang van 1 januari 2007 dan wel periode 1 van 2007 bij verkorte opleiding voor anders
opgeleiden
Per 1 januari 2007 per maand per periode per uur
eerste maand 1287,84 1185,12 8,23
vanaf tweede maand Bedrag van salarisschaal
FWG 20, aanloopperiodiek 0
Bedrag van salarisschaal
FWG 20, aanloopperiodiek 0
Bedrag van salarisschaal
FWG 20, aanloopperiodiek 0
Salarisbedragen met ingang van 1 januari 2007 dan wel periode 1 van 2007 bij verkorte opleiding voor nietopgeleiden
Per 1 januari 2007 per maand per periode per uur
eerste leerjaar 1104,17 1016,64 7,06
vanaf dertiende maand Bedrag van salarisschaal Bedrag van salarisschaal Bedrag van salarisschaal
FWG 20, aanloopperiodiek 0 FWG 20, aanloopperiodiek 0 FWG 20, aanloopperiodiek 0
Salarisbedragen met ingang van 1 januari 2008 dan wel periode 1 van 2008 bij verkorte opleiding voor anders
opgeleiden
Per 1 januari 2008 per maand per periode per uur
eerste maand 1329,69 1224,00 8,50
vanaf tweede maand bedrag van salarisschaal bedrag van salarisschaal bedrag van salarisschaal
FWG 20, aanloopperiodiek 0 FWG 20, aanloopperiodiek 0 FWG 20, aanloopperiodiek 0
Salarisbedragen met ingang van 1 januari 2008 dan wel periode 1 van 2008 bij verkorte opleiding voor nietopgeleiden
Per 1 januari 2008 per maand per periode per uur
eerste leerjaar 1140,06 1048,32 7,28
vanaf dertiende maand bedrag van salarisschaal
FWG 20, aanloopperiodiek 0
bedrag van salarisschaal
FWG 20, aanloopperiodiek 0
bedrag van salarisschaal
FWG 20, aanloopperiodiek 0

Hoofdstuk B2 Arbeidsduur
Artikel B2.1 Definitie arbeidsduur
1. Arbeidsduur: de – met inachtneming van deze CAO – tussen werkgever en werknemer overeengekomen tijd waarin
arbeid wordt verricht, waarbij inbegrepen:
– reis- en wachttijden die hun oorzaak vinden in de door de werkgever opgedragen werkzaamheden inclusief de door
gebroken diensten veroorzaakte extra reistijd;
– het houden van spreekuren;
– het noodzakelijk bijwonen van de direct uit de werkzaamheden voortvloeiende vergaderingen;
– opleiding of bijscholing;
– reistijd verbonden aan werkzaamheden buiten de plaats van tewerkstelling en/of het werkgebied aan het begin en/of
het einde van het werk, voor zover deze reistijden meer bedragen dan de voor de werknemer gebruikelijke
reistijden van het woon-/werkverkeer;
– werkoverleg

Artikel B2.2 Arbeidsduur
1. De tussen werkgever en werknemer overeen te komen arbeidsduur wordt uitgedrukt in een gemiddeld aantal uren per
week, dat is afgeleid van een totaal aantal uren per jaar.
2. Deze arbeidsduur is bij een volledig dienstverband gemiddeld 36 uur per week.
3. Werkgever en werknemer kunnen in afwijking van lid 2 overeenkomen dat, gelet op het solistisch karakter van de
uitgeoefende functie in samenhang met de voortgang van de werkzaamheden, een arbeidsduur geldt die hoger ligt dan
gemiddeld 36 uur per week met een maximum van gemiddeld 40 uur per week.

Hoofdstuk B3 Werktijden

Artikel B3.1 Werktijden algemeen
1. Met inachtneming van de tussen werkgever en werknemer overeengekomen arbeidsduur en de toepassing van artikel
B3.1.1, en bij kraamverzorgenden in aanvulling hierop, artikel B3.6, stelt de werkgever –na overleg met de werknemer–
de werktijden vast al dan niet in de vorm van roosters.
2. De werkgever meldt de vastgestelde werktijden ten minste tien etmalen van tevoren aan de werknemer. Na overleg
tussen werkgever en werknemer kan van de vastgestelde werktijden worden afgeweken. Voor kraamverzorgenden wordt
bij de toepassing van dit lid uitgegaan van vastgestelde werkdagen in plaats van vastgestelde werktijden.
3. Bij toepassing van roosters, zoals bedoeld in artikel B3.1.1, lid 2 sub d, dienen de werktijden ten minste één maand van
tevoren bij de werknemer bekend te zijn. Voor kraamverzorgenden wordt hierbij uitgegaan van te werken dagen in
plaats van werktijden. Na overleg tussen werkgever en werknemer kan van vastgestelde roosters worden afgeweken.
4. Bij de regeling van de werktijden wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de levensbeschouwing van de
werknemer. De werknemer krijgt de gelegenheid de plichten te vervullen die voortvloeien uit de bij zijn
levensbeschouwing behorende feestdagen.

Artikel B3.1.1 Randvoorwaarden bij de inrichting van de werktijden
Bij de inrichting van de werktijden gelden in samenhang met artikel B2.1, B3.1 en B3.6 en met gebruikmaking van de
mogelijkheden die de Arbeidstijdenwet en het daarop gebaseerde Arbeidstijdenbesluit bieden de volgende randvoorwaarden:
1. Waar in dit artikel het begrip ‘dienst’ wordt gehanteerd, is bedoeld hetgeen de Arbeidstijdenwet daaronder verstaat, te
weten: een aaneengesloten periode waarin arbeid wordt verricht en die gelegen is tussen twee opeenvolgende
onafgebroken rusttijden van ten minste 8 uren.
Waar in dit artikel het begrip ‘(werk)overleg’ wordt gehanteerd, is bedoeld al het overleg dat de uitvoerende
werkzaamheden ondersteunt.
2. a. de werknemer werkt per 13 kalenderweken maximaal gemiddeld 36 uur per week, indien artikel B2.2, lid 3 van
toepassing is, werkt de werknemer per 13 kalenderweken maximaal gemiddeld 40 uur per week; bovendien geldt
dat gemeten over 4 kalenderweken maximaal gemiddeld 45 uur per week wordt gewerkt; indien gebruik wordt
gemaakt van roosters, geldt in plaats van genoemd tijdvak van 13 kalenderweken een tijdvak van 26 weken;
b. de werknemer werkt per dienst maximaal 10 uur;
c. voor de werknemer met een geringere arbeidsduur dan gemiddeld 36 uur per week geldt bovendien dat de
werktijden zodanig worden ingericht dat bij inzet van de werknemer per dienst minimaal 3 uur aaneengesloten
werkzaamheden worden verricht en dat per 13 kalenderweken maximaal op 65 dagen wordt gewerkt; gelet op de
samenstelling van het cliëntenaanbod kan het noodzakelijk zijn dat het minimum aantal aaneengesloten uren per
dienst niet op 3 maar op 2 wordt gesteld; het minimum aantal uren van 3, respectievelijk 2 geldt niet voor zover de
werkzaamheden (werk)overleg betreffen;
d. de voor de werknemer geldende gemiddelde arbeidsduur per week wordt zodanig ingericht, dat dit gemiddelde per
blok van maximaal 13 weken wordt bereikt, met dien verstande, dat per blok ten hoogste 20 te veel of te weinig
gewerkte uren kunnen worden overgeheveld naar een volgend tijdvak van maximaal 13 weken, naast de
mogelijkheid als bedoeld onder sub e;
in afwijking hiervan kan bij toepassing van roosters de gemiddelde arbeidsduur per week zodanig worden ingericht
dat dit gemiddelde per blok van maximaal 26 weken wordt bereikt, in welk geval er geen uren naar een volgend
tijdvak kunnen worden overgeheveld, afgezien van de mogelijkheid als bedoeld onder sub e;
e. werkgever en werknemer kunnen schriftelijk vast te leggen afspraken maken over een zodanige inrichting van de
werktijden dat de gemiddelde arbeidsduur per 13 weken als bedoeld onder sub a en sub c wordt overschreden tot
een maximum van gemiddeld 40 uur per week, waardoor met die overschrijding corresponderende vrije tijd wordt
opgespaard die ofwel op een later tijdstip wordt opgenomen dan wel op een later tijdstip in salaris wordt uitbetaald;
f. voor de werknemer die jonger is dan 18 jaar zijn de navolgende leden 4 tot en met 6 niet van toepassing, maar
gelden de standaardbepalingen van de Arbeidstijdenwet.
3. De werknemer heeft ten minste 21 vrije weekeinden per jaar; tijdens deze vrije weekeinden mag geen
bereikbaarheidsdienst worden opgedragen. Op deze bepaling zijn twee uitzonderingsmogelijkheden:
– de werknemer die uitsluitend in weekeinden werkt, heeft ten minste 13 vrije zondagen per 52 weken;
– de overige werknemers kunnen er op verzoek van de werkgever voor kiezen om in plaats van ten minste 21 vrije
weekeinden, ten minste 13 vrije zondagen per 52 weken te hebben; de werknemer kan deze keus met een
opzegtermijn van twee maanden of twee periodes intrekken.
4. Indien de werknemer arbeid verricht in nachtdienst zoals gedefinieerd in de Arbeidstijdenwet (een dienst waarin meer
dan een uur arbeid wordt verricht tussen 00.00 uur en 06.00 gelden de volgende aanvullende regels:
a. de minimumrust na een nachtdienst die eindigt na 02.00 uur is 14 uur (1 x per periode van 7 x 24 uur in te korten
tot 8 uur);
b. de minimumrust bedraagt 48 uur na een reeks van ten minste 3 en ten hoogste 6 achtereenvolgende nachtdiensten
indien deze eindigen vóór of op 02.00 uur en in andere gevallen na een reeks van ten minste 3 en ten hoogste vijf
achtereenvolgende nachtdiensten;
c. de maximumarbeidstijd per nachtdienst bedraagt 9 uur;
d. de maximumarbeidstijd per 13 weken bedraagt gemiddeld 36 uur per week, indien artikel B2.2, lid 3 van
toepassing is, bedraagt de gemiddelde arbeidsduur maximaal gemiddeld 40 uur per week;
e. het maximum aantal nachtdiensten bedraagt 28 per 13 weken en 52 per 13 weken indien de nachtdiensten vóór of
op 02.00 uur eindigen.
5. Indien de werknemer arbeid verricht in overwerk gelden de volgende aanvullende regels:
– de werknemer werkt per dienst maximaal 12 uur, per week maximaal 54 uur en per periode van 13
achtereenvolgende weken maximaal gemiddeld 40 uur per week.
6. Indien de werknemer zijn arbeid geheel of gedeeltelijk in nachtdienst verricht en bovendien overwerk verricht, bedraagt
de arbeidstijd per nachtdienst maximaal 10 uur en de totale arbeidstijd per 13 achtereenvolgende weken maximaal
gemiddeld 40 uur per week.
7. De werkgever organiseert de arbeid zodanig dat indien de werknemer van 18 jaar of ouder meer dan 5,5 uur arbeid per
dienst verricht, deze arbeid wordt afgewisseld door een pauze van ten minste een halfuur aaneengesloten, welke pauze
mag worden gesplitst in twee pauzes. Voor de werknemer met een leeftijd beneden 18 jaar geldt hetzelfde, met dien
verstande dat als norm niet 5,5 uur, maar 4,5 uur van toepassing is.
8. Bij de inrichting van de werktijden kan de werkgever per dag één breuk toepassen, tenzij de werknemer instemt met
meerdere breuken. Als breuk wordt beschouwd een onderbreking van het werk zonder dat de tussenliggende tijd
werktijd of een pauze is; bij toepassing van de mogelijkheid van een of meer breuken per dag, geldt dat de werknemer
per dag minimaal twee maal twee uur aaneengesloten wordt ingezet. Het minimum van twee uur geldt niet voor zover de
werkzaamheden (werk)overleg betreffen.
De kosten, verbonden aan het na een breuk heen en weer reizen tussen woon- en werkplaats worden aan de werknemer
vergoed overeenkomstig de bepalingen van artikel 9.1 van de CAO.
9. De beperkende bepalingen van lid 8 zijn niet van toepassing op werknemers die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
werkzaamheden verrichten tijdens de avond (vanaf 20.00 uur), de nacht en de weekeinden.
10. Aan de werknemer die 55 jaar of ouder is mag tegen zijn wil geen overwerk, werk tijdens inconveniënte uren,
bereikbaarheidsdienst en slaapdienst worden opgedragen.

Artikel B3.2 Overwerk
1. Overwerk is de arbeid die de werknemer in opdracht van de werkgever verricht en waarmee de voor de werknemer
geldende gemiddelde arbeidsduur per week, gemeten over een tijdvak van 13 weken, wordt overschreden in verband
met een incidentele onvoorziene wijziging van omstandigheden of indien de aard van de arbeid incidenteel een
dergelijke afwijking noodzakelijk maakt.
2. Geen vergoeding voor overwerk wordt toegekend indien het overwerk incidenteel gedurende minder dan een half uur
aansluitend aan de bij rooster of regeling vastgestelde werktijd wordt verricht.
3. Indien het overwerk wordt verricht gedurende een periode langer dan een half uur, wordt deze periode afgerond op een
heel uur.
4. Indien het overwerk wordt verricht gedurende een periode langer dan een uur, wordt deze periode naar boven afgerond
op halve, respectievelijk hele uren.

Artikel B3.2.1 Uitzonderingen overwerkvergoeding
Niet in aanmerking voor overwerkvergoeding komen werknemers:
a. die een volledig dienstverband hebben dat gesalarieerd wordt volgens salarisschaal FWG 65 of hoger;
b. die niet op verzoek of in opdracht van de werkgever overwerk verrichten.

Artikel B3.2.2 Overwerkvergoeding deeltijdwerker
1. De vergoeding voor overwerk voor de deeltijdwerker die gesalarieerd wordt volgens salarisschaal FWG 65 of hoger,
bestaat uit verlof gelijk aan de duur van het overwerk indien het aantal overuren niet méér bedraagt dan het verschil
tussen de voor de werknemer geldende contractuele arbeidsduur en de arbeidsduur bij een volledige dagtaak.
2. De werkgever kan besluiten het verlof om te zetten in een financiële vergoeding op basis van het voor de werknemer
geldende uurloon. In dat geval vindt over die uren ook een opbouw van vakantiedagen en vakantiebijslag plaats.

Artikel B3.2.3 Overwerkvergoeding
1. De vergoeding voor overwerk, verricht door andere werknemers dan bedoeld in artikel B3.2.2, bestaat uit verlof gelijk
aan de duur van het overwerk.
2. De werkgever kan besluiten het in lid 1 bedoelde verlof om te zetten in een financiële vergoeding op basis van het voor
de werknemer geldende uurloon. Voor deeltijders is de vergoeding in dat geval, indien het aantal overwerkuren niet
meer bedraagt dan het verschil tussen de voor de werknemer geldende contractuele arbeidsduur en de arbeidsduur bij
een volledige dagtaak, het voor de werknemer geldende uurloon en vindt over die uren ook een opbouw van
vakantiedagen en vakantiebijslag plaats.

Artikel B3.2.4 Opnemen overwerkvergoeding
Het in de artikelen B3.2.2 en B3.2.3 bedoeld verlof dient uiterlijk te worden opgenomen in het kwartaal volgend op dat
waarin is overgewerkt, tenzij tussen werkgever en werknemer uitdrukkelijk anders is/wordt overeengekomen.

Artikel B3.2.5 Maximum aantal uren overwerk
De werknemer mag niet meer dan 10% boven de overeengekomen arbeidsduur voor een periode van vier maanden aan
overwerk verrichten. Indien het percentage van 10% wordt overschreden, wordt op verzoek van de betrokken werknemer
overgegaan tot het verlenen van assistentie of het stellen van een vacature.

Artikel B3.3 Inconveniënte uren
Inconveniënte uren zijn de uren waarin de werknemer in opdracht van de werkgever arbeid verricht, indien deze uren vallen:
– op maandag tot en met vrijdag vóór 07.00 uur en vanaf 20.00 uur;
– op zaterdag;
– op zondagen, alsook feest- en gedenkdagen als bedoeld in artikel 1.1, lid 6 van de CAO.

Artikel B3.3.1 Vergoeding inconveniënte uren
1. Aan de werknemer die in opdracht van de werkgever arbeid verricht op de in artikel B3.3 gedefinieerde inconveniënte
uren, wordt over die uren een brutotoelage toegekend van 40% van het uurloon.
2. Het percentage wordt ten hoogste berekend over het salaris overeenkomstig het maximum van salarisschaal FWG 35.

Artikel B3.4 Bereikbaarheidsdienst
Onder bereikbaarheidsdienst wordt verstaan dat de werknemer zich in opdracht van de werkgever gedurende bepaalde uren in
zijn vrije tijd bereikbaar dient te houden voor spoedopdrachten van onvoorziene aard.

Artikel B3.4.1 Compensatie bereikbaarheidsdienst
1. De werknemer die zich bereikbaar houdt ontvangt daarvoor een compensatie in vrije tijd. Deze compensatie bedraagt:
– voor elk vol etmaal op maandag tot en met vrijdag: 1,5 uur;
– voor elk vol etmaal op zaterdagen, zondagen, feest- en gedenkdagen: 3 uren.
2. Indien gedurende minder dan 12 uur bereikbaarheidsdienst wordt opgedragen, wordt de compensatie naar
evenredigheid van het aantal uren vastgesteld.
3. Indien de werknemer zelf bij cliënten spoedopdrachten uitvoert, wordt dit aangemerkt als overwerk en vindt
vergoeding plaats conform het gestelde in B3.2 t/m B3.2.5.
4. Op verzoek van de werknemer wordt de in lid 1 genoemde compensatie in vrije tijd vervangen door een bruto
financiële vergoeding op basis van het voor de werknemer geldende uurloon.

Artikel B3.5 Slaapdienst
1. Onder slaapdienst wordt verstaan het door de werknemer in opdracht van de werkgever ’s avonds en/of ’s nachts in de
nabijheid van de cliënt slapen met de bedoeling om in voorkomende acute situaties aanwezig te zijn om hulp te
kunnen bieden.
De werknemer die een slaapdienst verricht ontvangt een vergoeding voor de in slaapdienst doorgebrachte uren. Deze
vergoeding bedraagt 30 % van de tijd doorgebracht in slaapdienst en wordt toegekend op basis van het salaris
behorend bij de door de werknemer beklede functie.

Artikel B3.6 Inrichting van werktijden kraamverzorgenden
Voor kraamverzorgenden geldt naast de randvoorwaarden bij de inrichting van werktijden als gesteld in artikel B.3.1.1 dat bij
de inrichting van de werktijden, de volgende patronen voor de wekelijkse onafgebroken rust kunnen worden toegepast:
– in een aaneengesloten tijdruimte van 11 maal 24 uur een onafgebroken rust van tenminste 72 uur;
– ofwel een onafgebroken rusttijd van ten minste 36 uur per elke aaneengesloten periode van 7 x 24 uur , of een
onafgebroken rusttijd van ten minste 60 uren aaneengesloten in elke aaneengesloten periode van 9 x 24 uur. Bij de
tweede variant geldt de mogelijkheid van de bekorting tot 32 uur in elke periode van 5 achtereenvolgende weken.
Tijdens de op grond hiervan geldende periodes van onafgebroken rust mag geen wachtdienst worden opgedragen.
De werkgever kan gebruik maken van de in dit lid genoemde afwijkingsvariant van de Arbeidstijdenwet mits hij voor die
toepassingsmogelijkheid de instemmingsprocedure heeft gevolgd, die is opgenomen in artikel 27 van de Wet op de
ondernemingsraden.

Artikel B3.7 Wachtdienst voor kraamverzorgenden
1. De werkgever kan aan de kraamverzorgende wachtdiensten opdragen. Een wachtdienst duurt maximaal 24 uur,
waarbinnen de kraamverzorgende zich beschikbaar moet houden om op eerste oproep een partusassistentie en/of
verzorging te verrichten.
2. Aan de kraamverzorgende worden geen bereikbaarheidsdiensten opgedragen.
3. Werkgever kan in overleg met de ondernemingsraad voor werknemers die uitsluitend in partusdiensten werken,
afspraken maken die afwijkend zijn van de artikelen B3.7.1 t/m B3.7.3.

Artikel B.3.7.1 Vergoeding wachtdiensten
1. Als vergoeding voor een wachtdienst kent de werkgever aan de kraamverzorgende een bruto bedrag toe volgens de
navolgende normen:
– op maandag tot en met vrijdag:
• een vergoeding van bruto € 24,– bij een wachtdienst met een lengte van meer dan zestien uur en
maximaal vierentwintig uur;
• een vergoeding van bruto € 16,– bij een wachtdienst met een lengte van meer dan acht uur en maximaal
zestien uur;
• een vergoeding van bruto € 8,– bij een wachtdienst met een lengte van maximaal acht uur.
– op zaterdagen en zondagen alsook op feest- en gedenkdagen als bedoeld in artikel 32, lid 5 van het algemeen
gedeelte van de CAO:
• een vergoeding van bruto € 36,– bij een wachtdienst met een lengte van meer dan zestien uur en
maximaal vierentwintig uur;
• een vergoeding van bruto € 24,– bij een wachtdienst met een lengte van meer dan acht uur en maximaal
zestien uur;
• een vergoeding van bruto € 12,– bij een wachtdienst met een lengte van maximaal acht uur.
2. De werkgever kan, in afwijking van het gestelde in lid 1, met de ondernemingsraad afspraken maken om de in lid 1
bedoelde geldelijke bedragen om te zetten in een vergoeding in tijd. Naar analogie van de in het vorige lid genoemde
normen bedragen de vergoedingen in dat geval:
– op maandag tot en met vrijdag: 120, 80 respectievelijk 40 minuten;
– op zaterdagen en zondagen alsook op feest- en gedenkdagen als bedoeld in artikel 1.1, lid 6 CAO: 180, 120
respectievelijk 60 minuten.

Artikel B3.7.2 Oproep tijdens wachtdienst
Bij een oproep tijdens de wachtdienst worden alle gewerkte uren als arbeidsduur aangemerkt. De wachtdienst wordt bij een
oproep als onderbroken dan wel als beëindigd beschouwd.

Artikel B3.7.3 Maximum aantal oproepen tijdens wachtdienst
Een kraamverzorgende kan als onderdeel van de wachtdienst ten hoogste tweemaal worden opgeroepen voor een
partusassistentie, waarvan slechts eenmaal voor een partusassistentie plus verzorging. Bovendien kan aan de
kraamverzorgende maximaal drie aaneengesloten dagen een wachtdienst worden opgedragen. Indien de kraamverzorgende
twee respectievelijk drie aaneengesloten dagen een wachtdienst wordt opgedragen en hierbij niet wordt opgeroepen, wordt de
tweede respectievelijk de tweede en de derde wachtdienst geacht niet te behoren tot de wekelijkse onafgebroken rusttijd zoals
bedoeld in artikel B3.6.

Bijlage C Garantieregelingen verpleeg- en verzorgingshuizen en thuiszorgorganisaties

Artikel 1 Garantiebepalingen verpleeg- en verzorgingshuizen ex artikel 1.1 lid 17 sub 1
1. Voor werknemers in dienst van een verpleeg- en/of verzorgingshuis blijven de in lid 2 genoemde garantieregelingen uit
de CAO-Verpleeg- en Verzorgingshuizen 2006-2007 gehandhaafd onder de daarbij behorende voorwaarden en duur.
2 De in lid 1 genoemde garantieregelingen zijn:
a. artikel 3.1.6 CAO-V&V;
b. artikel 3.4 leden 4, 5 en 6 CAO-V&V;
c. artikel 6.2.5 CAO-V&V. Deze 55+-regeling wordt vanaf 1 januari 2009 toegepast met inachtneming van de
navolgende (vakantie)verlofuren als bedoeld in artikel 6.1 van deze cao:
-bij een salaris dat het bedrag behorend bij inpassingstabel nr. 35 niet overschrijdt: 242 uren
-bij een salaris dat het bedrag behorend bij inpassingstabel nr. 35 overschrijdt: 243 uren
d. artikel 10.2.7 CAO-V&V;
e. artikel 13.4 CAO-V&V.

Artikel 2 Garantiebepalingen thuiszorgorganisaties ex artikel 1.1 lid 17 sub 2
1. Voor werknemers in dienst van een Thuiszorgorganisatie blijven de in lid 2 genoemde garantieregelingen uit de CAO-
Thuiszorg 2007-2008 gehandhaafd onder de daarbij behorende voorwaarden.
2 De in lid 1 genoemde garantieregelingen zijn:
a. artikel 89 CAO-Thuiszorg;
b. artikel 93 CAO-Thuiszorg;
c. Uitvoeringsregeling A, artikel 9 leden 3 en 4 CAO-Thuiszorg;
d. Uitvoeringsrege ling A, artikel 10 CAO-Thuiszorg.

Bijlage D Professioneel statuut voor een arts werkzaam in een thuiszorginstelling
Overwegende:
-dat de arts zijn werkzaamheden zal verrichten met inachtneming van de voor de arts geformuleerde code;
-dat een regeling van professionele aangelegenheden ten aanzien van de arts, werkzaam op basis van een
arbeidsovereenkomst en vallend onder de werkingssfeer van deze CAO, noodzakelijk is;
-dat er geen verschil in medisch functioneren mag zijn tussen een op arbeidsovereenkomst werkzame arts en diens
collega die vrijgevestigd is;
-dat de arts een eigen specifieke en persoonlijke verantwoordelijkheid heeft voor zijn geneeskundig handelen,
rechtstreeks betrekking hebbend op een persoon c.q. cliënt met het doel een ziekte te voorkomen dan wel zijn
gezondheidstoestand te beoordelen en het geven van raad;
-dat de arts voor dit handelen verantwoording verschuldigd is aan deze persoon c.q. cliënt;
-dat de arts met de andere artsen, werkzaam in een zelfde verband, de medeverantwoordelijkheid draagt voor een
verantwoord niveau van de beroepsuitoefening van iedere in hetzelfde verband werkzame arts;
-dat de werkgever een algemene verantwoordelijkheid draagt voor de dienstverlening dan wel de zorgverlening;
-dat derhalve deze overeenkomst noodzakelijk is, waarbij zowel de individuele verantwoordelijkheid van de arts, de
collectieve verantwoordelijkheid van alle in het verband werkzame artsen alsook de verantwoordelijkheid van de
werkgever voor de dienstverlening c.q. de zorgverlening in haar totaliteit nader worden geregeld;
is het navolgende overeengekomen:

Artikel 1
In dit statuut wordt verstaan onder:
Instelling:
De privaatrechtelijke instelling die valt onder de werkingssfeer van de CAO Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg.
Werkgever:
De privaatrechtelijke organisatie met wie de arts een arbeidsovereenkomst heeft gesloten.
Arts:
De arts, werkzaam op het terrein van de jeugdgezondheidszorg, die als werknemer in een instelling werkzaam is en uit
hoofde van zijn werkzaamheden geneeskundige handelingen verricht.


Artikel 2
1. De arts verbindt zich ten aanzien van de individuele jeugdigen die aan zijn zorg zijn dan wel worden toevertrouwd, op
het gebied van zijn deskundigheid, die geneeskundige handelingen te verrichten, die gericht zijn op bevordering en
bewaking van diens gezondheid, groei en ontwikkeling en het opsporen van afwijkingen daaronder begrepen.
2. Indien de arts gegronde redenen meent te hebben dat klachten en/of afwijkingen van de jeugdigen niet op het terrein van
zijn specifieke deskundigheid liggen, verwijst hij de jeugdigen rechtstreeks naar de huisarts, specialist of andere
deskundigen dan wel daarvoor in aanmerking komende instanties.

Artikel 3
Het handelen als genoemd in artikel 2 geschiedt door de arts onder zijn persoonlijke verantwoordelijkheid.

Artikel 4
1. De arts is verplicht mee te werken aan de kwaliteitsbewaking.
2. De werkgever moet de kwaliteitsbewaking mogelijk maken.

Artikel 5
1. De werkgever verschaft de arts de benodigde personele, instrumentele en ruimtelijke voorzieningen.
2. Van de hem ter beschikking gestelde hulpmiddelen en instrumenten dient de arts een zorgvuldig gebruik te maken met
inachtneming van het doel waarvoor deze zijn aangeschaft.
3. De werkgever zal de in lid 1 genoemde instrumentele en ruimtelijke voorzieningen in een zodanige staat houden dat
voldaan wordt aan de eisen van technische behoefte, bedrijfszekerheid en medisch wetenschappelijk werk.
4. De arts is verplicht zich bij de uitoefening van zijn werkzaamheden te houden aan de aanwijzingen welke door of
namens de werkgever worden gegeven. Indien deze aanwijzingen door de arts als onredelijk worden ervaren of
indruisen tegen de belangen van de cliënten, kan hij zich tot de werkgever wenden.

Artikel 6
1. De arts is gehouden van iedere persoon, ten aanzien van wie hij geneeskundige handelingen verricht, op de in de
instelling gebruikelijke wijze de medische en/of multidisciplinaire dossiers op te maken en bij te houden.
2. De werkgever is verplicht ervoor zorg te dragen dat deze medische en/of multidisciplinaire dossiers op behoorlijke wijze
kunnen worden opgeborgen in de instelling en wel zodanig dat geheimhouding van de inhoud daarvan is verzekerd
overeenkomstig de privacywetgeving.
3. De medische (en multidisciplinaire) dossiers zullen zowel tijdens de duur van het dienstverband als ook na het einde
daarvan overeenkomstig daartoe vastgestelde normen in het (medisch) archief van de instelling rusten en ter beschikking
staan van de behandelende arts en in het geval van het multidisciplinair dossier ter beschikking staan van alle betrokken
hulpverleners.
4. Inzage van een medisch dossier (in tegenstelling tot het multidisciplinaire dossier) door derden kan slechts geschieden
met toestemming van de arts c.q. diens opvolger.
5. Publicatie van gegevens uit een medisch dossier geschiedt niet dan met toestemming van de betrokken arts
respectievelijk diens opvolger, waarbij hij ervoor zorg draagt dat de belangen van de cliënt niet worden geschaad. Indien
de betrokken arts dit wenst, geschiedt publicatie slechts met vermelding van de bron.

Artikel 7
1. De arts zal op verzoek van de werkgever medewerking verlenen aan de opleiding en/of de bijscholing van het in de
instelling werkzame personeel voor zover dit is gelegen binnen het raam van zijn deskundigheid en in tijd is in te passen
in het geheel van de overeengekomen werkzaamheden.
2. Indien de arts in het kader van de sociaal-geneeskundige opleiding tot supervisor is benoemd door de sociaalgeneeskundige
Registratie Commissie, zal het supervisorschap onderdeel zijn van zijn werkzaamheden en de werkgever
draagt, indien nodig, zorg voor de faciliteiten.

Artikel 8
De arts is verantwoordelijk voor het op peil houden van zijn professionele kennis en vaardigheden, welke vereist zijn voor
een goede vervulling van zijn taak en/of functie binnen de thuiszorginstelling en wordt daartoe door de werkgever
overeenkomstig de uitvoeringsregeling studiefaciliteiten in de gelegenheid gesteld. De werkgever draagt er tevens zorg voor
dat de werknemer kennis kan nemen van voor de beroepsgroep gebruikelijke vakliteratuur.

Model individuele arbeidsovereenkomst van de CAO VVT

Ondergetekenden,

De Stichting / Vereniging________________,
gevestigd te__________________________ verder te noemen werkgever, ten deze rechtsgeldig
vertegenwoordigd door

en

wonende te___________________________
(adres),______________________________
geboren______________________________
te___________________________________
nationaliteit___________________________
verder te noemen werknemer

verklaren hierbij een arbeidsovereenkomst te hebben aangegaan onder de navolgende voorwaarden:

Artikel 1 Dienstverband

De werknemer treedt met ingang van___________________in dienst van de werkgever in de functie
van___________________, waarvoor de volgende hoofdlijnen als omschrijving gelden:________________ .

Artikel 2 Arbeidsplaats(en)

De plaats(en) / het (de) werkgebied(en) waar de arbeid wordt verricht is (zijn): ___________________ .

Artikel 3 Duur van de arbeidsovereenkomst

De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd* / voor bepaalde tijd*
tot___________________op grond van ___________________ .

Artikel 4 Proeftijd

De eerste maand* / eerste twee maand(en)* na indiensttreding zal / zullen gelden als de wettelijke proeftijd als
bedoeld in artikel 7:652 van het Burgerlijk Wetboek___________________ .

Artikel 5 Arbeidsduur

De arbeidsduur bedraagt___________________uren gemiddeld per week, te meten per half jaar* ( in geval
sprake is van een voltijd arbeidsduur / op jaarbasis* (ingeval geen sprake is van een volletijd arbeidsduur).

Artikel 6 Salaris

Het salaris bij indiensttreding bedraagt op het niveau van ___________________ € __________________bruto
per maand volgens de (jeugd/aanloop/functionele*) salarisschaal, behorende bij FWG functiegroep
___________________ .

Dit salaris zal overeenkomstig artikel 3.1.7 van de cao worden gewijzigd. De eerste periodieke verhoging zal
plaatsvinden op___________________.

Artikel 7 Vakantie-uren

Het aantal vakantie-uren waarop de werknemer recht heeft is___________________ en bedraagt voor het
lopende kalenderjaar___________________ .

Artikel 8 Pensioen

De werkgever draagt zorg voor aanmelding bij het Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW).

Artikel 9 Opzegging / tussentijdse opzegging

De opzeggingstermijn bedraagt voor de werkgever___________________ maand(en) en voor de
werknemer___________________ maand(en).

Artikel 10 Geschillen
De beslechting van geschillen uit deze arbeidsovereenkomst vindt plaats door de kantonrechter* / door het
Scheidsgerecht Gezondheidszorg*. De aanwijzing van genoemd Scheidsgerecht in de arbeidsovereenkomst met
een werknemer, die niet volgens de bepalingen van het reglement van het Scheidsgerecht is aan te merken als
een hogere functionaris, is nietig.

Artikel 11 Professionele aangelegenheden*
Op deze overeenkomst is van toepassing de regeling van professionele aangelegenheden als vervat in de
bijlagen.

Slotbepalingen

Artikel 12
De CAO voor de Verpleeg-, Verzorgingshuizen en de Thuiszorg, zoals deze luidt of zal komen te luiden en de
krachtens die cao vastgestelde arbeidsvoorwaarden, vormen met deze arbeidsovereenkomst één geheel.

Artikel 13
De werknemer verklaart van de werkgever te hebben ontvangen:
1. een exemplaar van de in artikel 12 bedoelde Collectieve Arbeidsovereenkomst;
2. een exemplaar van het pensioenreglement van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn;
De werknemer verklaart met de inhoud van bovenvermelde regelingen, voor zover op hem van toepassing, zoals
zij luiden of zullen komen te luiden, akkoord te gaan.
3. een exemplaar van de ondernemingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.1 lid 2 cao.

Artikel 14
Arbeidsvoorwaarden die niet in de bepalingen van deze cao zijn geregeld en die vóór de datum van
inwerkingtreding van deze cao voor de werknemers golden, zijn de volgende:
1. ______________________________
2. ______________________________ .

Artikel 15
Regeling van aangelegenheden, waarvoor de Collectieve Arbeidsovereenkomst geen bepalingen geeft en die
werkgever en werknemer toch wensen te regelen.

Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt en ondertekend

te___________________de___________________20___________________

(werkgever) (werknemer)

(wettelijk vertegenwoordiger)

* doorhalen wat niet van toepassing is.

Adressen van de partijen bij het cao-overleg

I. Werkgeversorganisatie
ActiZ Postbus 8258, 3503 RG Utrecht, tel. 030 2739393
www.ActiZ.nl, Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

II. Werknemersorganisaties
ABVAKABO FNV

Hoofdkantoor Boerhaavelaan 1, Postbus 3010, 2700 KT
Zoetermeer, tel. 0900 22825226

www.abvakabo.nl

Regiokantoren

Regio Noord Leonard Springerlaan 23, Postbus 11043
9700 CA Groningen
Regio Oost Binnensingel 3, Postbus 538, 7400 AM
Deventer
Regio Midden-Nederland Oudenoord 170, Postbus 1555,
3500 BN Utrecht

FBZ: Federatie van Beroepsorganisaties in de Zorg en
daaraan gerelateerd onderwijs en onderzoek

Postbus 20058, 3502 LB Utrecht, tel. 030 2823368
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. , www.fbz.nu
-Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband

Postbus 20058, 3502 LB Utrecht, tel. 030 6702705
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. , www.artsennet.nl/ad

-Nederlands Instituut van Psychologen
Postbus 9921, 1006 AP Amsterdam, tel. 020 4106222
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. , www.psynip.nl

-Vereniging van Geestelijk Verzorgers in
Zorginstellingen, Neckardreef 6, 3562 CN Utrecht, tel.
030-2628618, Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. , www.vgvz.nl

-Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie
Postbus 248, 3800 AE Amersfoort, tel. 033 4672900
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. , www.kngf.nl

-NU’91, Beroepsorganisatie van de Verpleging
Postbus 6001, 3503 PA Utrecht Tel. 030 2964144
www.nu91.nl

De Unie Zorg en Welzijn
Multatulilaan 12, 4103 NM Culemborg, Postbus 400, 4100
AK Culemborg, tel. 0345 851291
www.uniezorgenwelzijn.nl

VHP-Zorg, belangenorganisatie voor middelbaar en hoger
personeel in de zorg en welzijnssector, Postbus 400, 4100
AK Culemborg, tel. 0345 851291
www.vhp-zorg.nl

Agora, Landelijke Beroepsvereniging Vrijwilligerswerk
p/a De Unie, Postbus 400, 4100 AK Culemborg, tel. 0345
851932
www.agora-beroepsvereniging.nl

NBvK, Nederlandse Beroepsvereniging voor
Kraamverzorgenden
www.nbvk.nl

V&VN, Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland,
Churchilllaan 11, 3527 RE Utrecht, tel. 030-2919050
www.venvn.nl

Regiokantoren:

Regiokantoor Noord
Lauwers 10, 9405 BL Assen, Postbus 987, 9400 AZ
Assen, tel: 0345 851 851
Regio Noord-West,Naritaweg 10, Postbus 58077, 1040
HB Amsterdam
Regio Zuid-Holland-Noord Boerhaavelaan 1, Postbus
3010, 2700 KT Zoetermeer
Regio Zuid-Holland-Zuid, Pegasusweg 200, Postbus 8572,
3009 AN Rotterdam
Regio Zuid-Oost Noordkade 3, Postbus 540, 6000 AM
Weert

-Nederlandse Vereniging voor Psychomotorische
Therapie, Fivelingo 253, 3524 BN Utrecht, 0302800432,
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. , www.nvpmt.nl
-Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie,
sectie Gezondheidszorg (NVLF/G), Postbus 75, 3440
AB, Woerden, tel. 0348 457070, Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
www.nvlf.nl
-Nederlandse Vereniging voor Ergotherapie
Kaap Hoorndreef 56b, 3563 AV Utrecht, tel. 030
2628356, Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. www.ergotherapie.nl
-Vereniging voor Hygiëne en Infectiepreventie in de
Gezondheidszorg, Museumlaan 2, 3581 HK Utrecht,
030 2155065, Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. , www.vhig.nl
-Nederlandse Vereniging van Diëtisten
Postbus 526, 3990 GH Houten, tel. 030 6346222
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien. , www.nvdietist.nl

Regiokantoor Oost
Parallelweg 36, 6922 HR Duiven, Postbus 8000, 6920 CA
Duiven, tel: 0345 851851
Regiokantoor Midden
Multatulilaan 12, 4103 NM Culemborg, Postbus 400, 4100
AK Culemborg 0345 851851
Regiokantoor Noord West
Hoofdweg Oostzijde 616, 2132 MJ Hoofddorp, Postbus
649, 2130 AP Hoofddorp, tel: 0345 851851
Regiokantoor West
Voltairetuin 4, 2908 XJ Capelle a/d IJssel, Postbus 34,
2900 AA Capelle a/d IJssel, tel: 0345 851851
Regiokantoor Zuid Oost
Noord Brabantlaan 66, 5652 LE Eindhoven, Postbus 8663,
5605 KR Ein dhoven, tel: 0345 851851
Regiokantoor Zuid West
Zuidoostsingel 36, 4611 BC Bergen op Zoom, tel: 0345
851851
Regiokantoor Zuid
Poststraat 12, 6135 KR Sittard, Postbus 5162, 6130 PD
Sittard, tel: 0345 851851

 

Sector 35 - Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening 1-5-2008 tm 31-12-2010

E-mailadres Afdrukken PDF

OAWWelzijn&
MaatschappelijkeDienstverleningCAOWelzijn &MaatschappelijkeDienstverlening2008-2011
Inhoudsopgave

Trefwoordenregister

Woord vooraf

Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen
1.1 Definities
1.2 Werkingssfeer
1.3 Karakter CAO en decentrale toepassing
1.4 Uitvoeringsregelingen, overgangsregelingen en functieboek
1.5 Looptijd
1.6 Verplichtingen van de werkgever
1.7 Verplichtingen van de werknemer

Hoofdstuk 2 Arbeidsovereenkomst
2.1 Arbeidsovereenkomst
2.2 Geneeskundig onderzoek
2.3 Detachering
2.4 Minimum-maximum overeenkomst
2.5 Einde van de arbeidsovereenkomst
2.6 Overlijden van de werknemer
2.7 Opleidingsbudget bij einde arbeidsovereenkomst
2.8 Disciplinaire maatregelen

Hoofdstuk 3 Arbeidsduur en werktijden
3.1 Arbeidsduur
3.2 Werktijden
3.3 Toepassing Arbeidstijdenwet en arbeidstijdenbesluit
3.4 Garantie-en overgangsregeling in verband met het afschaffen van Seniorenverlof
3.5 Kampwerk
3.6 Slaapdiensten
3.7 Bereikbaarheidsdiensten

Hoofdstuk 4 Salaris en (jaarlijkse) uitkeringen
4.1 Algemeen
4.2 Vaststelling van het salaris
4.3 Inschaling bij indiensttreding
4.4 Jaarlijkse verhoging
4.5 Overgang naar een andere functie
4.6 Uitbetaling salaris
4.7 Vakantietoeslag
4.8 Eindejaarsuitkering
4.9 Jubileumuitkering

Hoofdstuk 5 Toeslagen
5.1 Toeslag waarneming hoger gesalarieerde functie
5.2 Onregelmatigheidstoeslagen
5.2.1 Toeslag onregelmatige diensten
5.2.2 Toeslag inconveniënte uren
5.2.3 Onregelmatigheidstoeslag
5.3 Arbeidsmarkttoeslag
5.4 Bereikbaarheidstoeslag
5.5 Slaapdiensttoeslag

Hoofdstuk 6 Tegemoetkomingen en vergoedingen
6.1 Verhuiskostenvergoeding
6.2 Tegemoetkoming woon-werkverkeer
6.3 Tegemoetkomingen en vergoedingen voor stagiaires
6.4 Reis-en verblijfskostenvergoeding
6.5 Tegemoetkoming premie ziektekostenverzekering
6.6 Thuiswerk/telewerken
6.7 Voeding en inwoning
6.8 Telefoonkosten
6.9 Registratiekosten Wet BIG

Hoofdstuk 7 Verlof
7.1 Aantal vakantie uren
7.2 Opnemen vakantie uren
7.3 Verlofbudget
7.4 Vakantie rechten bij einde dienstverband
7.5 Feestdagen
7.6 Buitengewoon verlof
7.7 Werk en privé

Hoofdstuk 8 Employability
8.1 Scholingsbeleid en loopbaanbeleid
8.2 Bijscholing
8.3 Beoordelingsregeling

Hoofdstuk 9 Arbeidsomstandigheden en terugdringen ziekteverzuim
9.1 Arbocatalogus
9.2 Risicoinventarisatie en -evaluatie

Hoofdstuk 10 Pensioen
10.1 Pensioen
10.2 Pensioenpremie
10.3 melding OBU

Hoofdstuk 11 Werkgelegenheid en Sociale Zekerheid
11.1 WGA premie
11.2 Betaling tijdens arbeidsongeschiktheid
11.3 Ontslagbescherming gedeeltelijk arbeidsongeschikten
11.4 Overname van personeel bij aanbestedingen
11.5 Reorganisaties en fusies
11.6 Financiële aanspraken bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden

Hoofdstuk 12 Keuzemogelijkheden arbeidsvoorwaarden
12.1 Inwisselen van arbeidsvoorwaarden
12.2 Bronnen en doelen
12.3 Kopen van vakantiedagen
12.4 Inwisselen voor geld
12.5 Aanvullende pensioenaanspraken kopen
12.6 Seniorenverlof jaarlijks opnemen in aaneengesloten periodes
12.7 4 dagen werken in plaats van 5, met behoud van het aantal overeengekomen
uren
12.8 Fietsenplan
12.9 Inwisselen voor vakbondscontributie
12.10 Studiekosten

Hoofdstuk 13 Medezeggenschap
13.1 Ondernemingsraad (OR)
13.2 Personeelsvertegenwoordiging (PVT)
13.3 Tijdsbesteding en vervanging
13.4 Bovenwettelijke faciliteiten en bevoegdheden Ondernemingsraad
13.5 Bovenwettelijke faciliteiten en bevoegdheden PVT
13.6 Instemmingsrecht en ondersteuning OR of PVT
13.7 Bestuurssamenstelling
13.8 Vakbondsverlof
13.9 Vakbondsfaciliteiten

Hoofdstuk 14 Geschillenregeling
14.1 Geschillenregeling

Bijlagen en overgangsregelingen
Bijlage 1 Functiematrix
Bijlage 2 Salarisschalen
Bijlage 3 Organisaties waarop de artikelen 4.2 tot en met 4.5 niet van toepassing
zijn
Bijlage 4 Toepassing Arbeidstijdenwet en arbeidstijdenbesluit
Bijlage 5 Regeling arbeidsduurverkorting oudere werknemers
(seniorenverlof, artikel 9.2 uit de CAO Welzijn & Maatschappelijke
Dienstverlening 2007-2008)
Bijlage 6 Garantie-en overgangsregeling in verband met het afschaffen van
Seniorenverlof
Bijlage 7 Reglement Commissie van Geschillen
Bijlage 8 Artikel 7:668a BW leden 1, 2 en 3
Bijlage 9 Bepaling van de duur van de aanvulling op de WW volgens Hoofdstuk XI.4
Bijlage 10 Transitietabel
Bijlage 11 Vergoedingen
11.1 Verhuiskosten
11.2 Reis-en verblijfkosten
Bijlage 12 Beoordelingsregeling
Bijlage 13 Overgangsregelingen
13. In-en Doorstroombanen
13. Wachtgeld
13. Bepalingen salarisregeling en functiegebouw
13. Vervroegde uittreding
13. Medezeggenschap

 

WOORD VOORAF

Deze CAO is in 2008 ingrijpend vernieuwd. Partijen hebben met deze vernieuwing willen
bereiken dat:
• de CAO beter aansluit bij actuele wensen van werknemers en werkgevers, onder
meer door meer keuzemogelijkheden en ruimte voor maatwerk te scheppen;
• de CAO meer ondersteunend is aan een goed en modern personeelsbeleid,
passend bij de vele veranderingen die in de sector plaatsvinden.
Andere tekstuele wijzigingen zijn het resultaat van een algehele herredactie van de tekst
van de CAO. Doel van deze herredactie is de leesbaarheid te vergroten, niet om
inhoudelijke artikelen te wijzigen. Door deze herredactie is ook de indeling van de CAO
gewijzigd.
In de transitietabel CAO W&MD is terug te vinden waar de herschreven artikelen van de
CAO 2007-2008 in deze CAO staan.
Hoewel de algehele herredactie met de grootste zorgvuldigheid is uitgevoerd, is het
mogelijk dat door de herredactie artikelen inhoudelijk zijn gewijzigd of tot een andere
interpretatie leiden. Als dit het geval is en dit leidt tot een geschil tussen een werkgever
en een werknemer, een ondernemingsraad en/of een personeelsvertegenwoordiging, dan
is de tekst van het betreffende artikel in de CAO 2007-2008 leidend. Dit geldt niet voor
artikelen die zijn gewijzigd als gevolg van in het kader van de CAO 2008 – 2010 tussen
CAO-partijen gemaakte afspraken.

 

HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN

1.1. Definities
1.1.a Arbeidsovereenkomst: een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 7:610
Burgerlijk Wetboek (BW);
1.1.b Werkgever: degene die een instelling zoals bedoeld in artikel 2 van deze CAO
in stand houdt;
1.1.c Werknemer: degene, man of vrouw, die een arbeidsovereenkomst met de
werkgever heeft gesloten, niet zijnde een vakantiekracht;
1.1.d Instelling: elk als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband
waarin op grond van een arbeidsovereenkomst arbeid wordt verricht;
1.1.e Overleg Arbeidsvoorwaarden Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening
(OAW): het door partijen bij deze CAO, te weten de werkgeversorganisatie
Maatschappelijk Ondernemers Groep enerzijds en de werknemersorganisaties
ABVAKABO FNV en CNV Publieke Zaak anderzijds, in het leven geroepen niet
rechtspersoonlijkheid bezittende overlegorgaan;
1.1.f.1 Salarisschaal: een vaste oplopende reeks periodieknummers en de daarbij
behorende bedragen zoals opgenomen in de salaristabel in Bijlage 2.
1.1.f.2 Salaris: het tussen werkgever en werknemer overeengekomen bruto
maandbedrag dat hoort bij een periodieknummer uit de op de functie van
de werknemer van toepassing zijnde salarisschaal.
1.1.f.3 Uurloon: het tussen werkgever en werknemer overeengekomen bruto
bedragper arbeidsuur. Dit bedrag wordt verkregen door het bruto
maandbedrag behorend bij een periodieknummer dat voorkomt in de
salaristabellen zoals opgenomen in Bijlage 2 te delen door het getal 156;
1.1.f.4 Periodiek: een verhoging van het salaris met één periodieknummer;
1.1.f.5 Periodieknummer: een nummer dat voorkomt in een salarisschaal in de
salaristabel van Bijlage 2;
1.1.f.6 Functionele schaal: de salarisschaal die hoort bij een bepaalde
functiebeschrijving;
1.1.g Arbeidsduur: de – met inachtneming van deze CAO – tussen werkgever en
werknemer overeengekomen tijd waarin arbeid wordt verricht, waarbij
inbegrepen de reis-en wachttijden die een direct gevolg zijn van de door de
werkgever opgedragen werkzaamheden. Tot de arbeidsduur behoort eveneens
de reistijd, verbonden aan werkzaamheden buiten de plaats van tewerkstelling
en/of het werkgebied, aan het begin en/of het einde van het werk. Dit voor
zover deze reistijd meer bedraagt dan de gebruikelijke reistijd
woon/werkverkeer;
1.1.h Plaats van tewerkstelling: de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn
werkzaamheden verricht;
1.1.i Werkgebied: het door de werkgever aangewezen gebied waarin de werknemer
gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht en zoals dit is vastgesteld in de
individuele arbeidsovereenkomst;
1.1.j Relatiepartner: een persoon met wie de ongehuwde werknemer een relatie
heeft en met wie hij – met de bedoeling duurzaam samen te leven – op
hetzelfde adres woont en een gemeenschappelijke huishouding voert;
bloedverwanten van de werknemer tot en met de derde graad zijn geen
relatiepartner;
1.1.k
1.1.l
Leerling-werknemer: degene die in het kader van een beroepsbegeleidende
leerweg of duale leerroute een opleiding volgt en met wie de werkgever een
leerarbeidsovereenkomst heeft gesloten.
Vakantiekracht : een schoolgaand persoon die in zijn schoolvakantie
eenvoudige niet-structurele werkzaamheden verricht gedurende een
aaneengesloten periode van maximaal 4 weken.
1.1A Relatiepartner
1.1.A.1 De bepalingen van de CAO en de daarvan onderdeel uitmakende
uitvoeringsregelingen die van toepassing zijn op de gehuwde werknemer
gelden in gelijke mate voor werknemer met een geregistreerde partner in
de zin van de Wet op de Partnerregistratie (Stb. 1997, 324).
1.1.A.2.
1.1.A.2.
1.1.A.2.
a
b
c
De bepalingen van de CAO en de daarvan onderdeel uitmakende
uitvoeringsregelingen die van toepassing zijn op de gehuwde werknemer
gelden in gelijke mate voor de werknemer met een relatiepartner zoals
bedoeld in artikel 1.1.j, mits is voldaan aan het in 1.1.b en 1.1.c gestelde
en op voorwaarde dat dit wettelijk mogelijk is en niet in bepaalde artikelen
van de CAO wordt beperkt of uitgesloten.
De in 1.1.a bedoelde werknemer is verplicht, hetzij bij
indiensttreding,hetzij bij het ontstaan van de relatie, een door hem en zijn
relatie ondertekende schriftelijke verklaring aan de werkgever te
overleggen, waaruit blijkt dat sprake is van een relatie zoals bedoeld in
artikel 1.1.j en dat de relatiepartners op hetzelfde adres wonen.
De werknemer is verplicht het feit van beëindiging van de relatie binnen
een maand schriftelijk aan de werkgever mee te delen.
Is aan het in 1.1.A.2.a en 1.1.A.2.b gestelde voldaan, dan wordt de
relatiepartner als gezinslid aangemerkt. Tot bloed-en aanverwanten
behoren in dit verband tevens bloed-en aanverwanten van de
relatiepartner van de werknemer.
1.1.A.3. De werknemer kan pas aanspraken aan dit artikel ontlenen, nadat de
werkgever in het bezit is gesteld van een afschrift van de in 1.1A.1
bedoelde partnerregistratie, of van de in 1.1.A.2.b bedoelde
schriftelijke verklaring.
1.1B In-en Doorstroombanen
1.1.B.1 De bepalingen van de CAO gelden onverminderd voor een werknemer die
op grond van de Regeling in-en doorstroombanen voor langdurig
werklozen (Stb. 1999, 591, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2002, 648) een
arbeidsovereenkomst heeft gesloten met de werkgever en welke
arbeidsovereenkomst is voortgezet na de beëindiging van deze regeling op
1 januari 2004. Artikel 11.6 en Bijlage 13.2 zijn niet van toepassing op
deze werknemers.
1.1.B.2 Voor de nadere regels voor werkgevers ten aanzien van In-en
Doorstroombanen, beloning en salaristabellen wordt verwezen naar het
bepaalde in ‘bijlage13.1 Instroom-Doorstroombanen.

Werkingssfeer
Deze CAO is van toepassing op:
1.2.A Instellingen die zich bezighouden met het uitvoeren van activiteiten (of
ondersteunen daarvan) op een of meer van de volgende gebieden, ongeacht de
financieringswijze van de activiteiten en of deze met of zonder winstoogmerk
worden verricht:
1.2.A.1 Sociaal Cultureel Werk, waaronder wordt verstaan:
1.2.A.1.a sociaal-culturele, educatieve, vormende en/of recreatieve
activiteiten, die algemeen toegankelijk zijn en die
bevorderlijk kunnen zijn voor de maatschappelijke
participatie en/of ontplooiing van individuen en/of groepen;
1.2.A.1.b activerende, ondersteunende en/of belangenbehartigende
activiteiten, die gericht zijn op bevordering van de leefbaarheid en
het welzijn van (groepen van) burgers in hun woon-en
leefomgeving en/of op de participatie aan en emancipatie in de
samenleving van (groepen van) burgers;
1.2.A.1.c vrijwilligerscentrales: het stimuleren, ondersteunen en/of
bemiddelen ten behoeve van vrijwilligerswerk.
1.2.A.2 Bevorderen Arbeidsparticipatie, waaronder wordt verstaan: het bieden van
(traject)begeleiding en/of werk(ervaring) en/of scholing, gericht op
personen die belemmeringen ondervinden in hun toetreding tot de
reguliere betaalde arbeidsmarkt. Deze CAO is niet van toepassing op de
arbeidsverhouding van werknemers die onder de CAO-WSW of CAO-CWI
vallen.
1.2.A.3 Peuterspeelzaalwerk, waaronder wordt verstaan: het bieden van speel-
en/of aanvullende ontwikkelingsmogelijkheden aan kinderen in de leeftijd
vanaf 2 jaar tot aan het moment waarop zij basisonderwijs kunnen volgen,
gedurende minder dan 4 aaneengesloten uren per dag.
1.2.A.4 Welzijn Jeugd, waaronder wordt verstaan:
1.2.A.4.a organisaties voor (ondersteuning van) jeugd-en jongerenwerk,
speeltuinwerk en voor internationale jongerenactiviteiten;
1.2.A.4.b activiteiten, gericht op het bevorderen van de maatschappelijke
participatie van jongeren en het voorkomen van maatschappelijke
uitval van jongeren.
1.2.A.5 Welzijn Minderheden, Vluchtelingen en Asielzoekers, waaronder wordt
verstaan:
1.2.A.5.a. activiteiten gericht op de (medische) opvang, introductie,
maatschappelijke oriëntatie en/of integratie van (etnische)
minderheden, vluchtelingen en asielzoekers;
1.2.A.5.b activiteiten gericht op de begeleiding, ondersteuning en
deskundigheidsbevordering van organisaties die zich in hun
activiteiten richten op (etnische) minderheden, vluchtelingen en
asielzoekers;
1.2.A.5.c tolkencentra;
1.2.A.5.d zelforganisaties van minderheden.
1.2.A.6 Maatschappelijke Dienst-en Hulpverlening, waaronder wordt verstaan:
1.2.A.6.a sociaal raadsliedenwerk: informatieverstrekking, advisering en
dienstverlening als eerste opvang aan personen bij onvoldoende
kennis van regelingen, voorzieningen en mogelijkheden in de
samenleving om zich voldoende zelfstandig te kunnen handhaven en
op een genoegzame manier te kunnen voorzien in
bestaansvoorwaarden;
1.2.A.6.b telefonische hulpdiensten: informatieverstrekking, advisering en
dienstverlening als eerste opvang aan personen bij:
-verwerking van gebeurtenissen en omstandigheden die
ingrijpen in hun leven;
en/of
-verstoorde of onvoldoende aanwezige relaties tussen mensen
en hun sociale omgeving;
1.2.A.6.c fiom-hulpverlening: ambulante hulpverlening aan vrouwen en
mannen op het gebied van zwangerschap, ouderschap, seksueel
geweld, adoptie en/of kindafstand;
1.2.A.6.d slachtofferhulp: opvang, dienstverlening en/of ondersteuning –
zowel emotioneel, praktisch als juridisch – aan slachtoffers van
misdrijven en verkeersongevallen;
1.2.A.6.e algemeen maatschappelijk werk: algemeen toegankelijke,
ambulante psychosociale, informatieve en/of concrete hulpverlening
aan personen die kampen met problemen van maatschappelijke
en/of individuele aard;
1.2.A.6.f specifiek maatschappelijk werk: ambulante psychosociale,
informatieve en/of concrete hulpverlening aan personen die kampen
met problemen van maatschappelijke en/of individuele aard,
specifiek gericht op een bepaalde groep personen in de samenleving
en/of op een bepaalde problematiek;
1.2.A.6.g schuldhulpverlening: advisering, praktische hulpverlening en/of
bemiddeling bij het verantwoord (leren) omgaan met een
huishoudbudget en/of het oplossen van een schuldprobleem.
1.2.A.7 Maatschappelijke Opvang, waaronder wordt verstaan:
1.2.A.7.a het bieden van korte of meer langdurige opvang en psychosociale
begeleiding aan personen die (tijdelijk) niet beschikken over een
eigen woonruimte of die hun woonomgeving hebben verlaten als
gevolg van een crisissituatie op relationeel gebied of door materiële
en/of psychische problemen.
Hieronder worden verstaan: instellingen voor dak-en
thuislozenzorg, algemene (crisis)opvangcentra,
vrouwen(crisis)opvangcentra, blijf-van-mijn-lijfhuizen, centra voor
intensieve opvang (fiom-internaten), instellingen voor begeleid
wonen, sociale pensions;
1.2.A.7.b het bieden van residentiële, kortdurende, somatische en/of
psychosomatische hulpverlening aan personen die na ziekte,
medische behandeling of door mentale overbelasting (door
lichamelijke oorzaken) gedurende 24 uur per dag tijdelijk opvang,
begeleiding en verpleging behoeven. Hierbij is de hulpverlening
gericht op de terugkeer naar een zelfstandig maatschappelijk
functioneren van het individu (herstellingsoorden).
Deze CAO is niet van toepassing op herstellingsoorden die op basis
van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1967, 617,
laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2006, 701) worden gefinancierd.
1.2.A.8 Welzijn Ouderen, waaronder wordt verstaan:
1.2.A.8.a ambulante praktische dienstverlening op materieel gebied en/of
recreatieve activiteiten voor individuele en groepen ouderen, die
hun individuele welzijn, gezondheid, maatschappelijke participatie
en/of zelfredzaamheid kunnen verbeteren;
1.2.A.8.b activiteiten, direct of indirect gericht op het bevorderen van het
maatschappelijk functioneren, de begeleiding of verpleging en
verzorging of de belangenbehartiging van ouderen.
1.2.A.9 Emancipatie, pleitbezorging, voorlichting, belangenbehartiging en
bestrijding discriminatie ten behoeve van vrouwen, homoseksuelen,
alleenstaanden, gezinnen, ouderen en minderheden.
1.2.A.10 Vorming, Training en Advies, waaronder wordt verstaan: vorming, training
en/of advisering van personen en/of groepen, gericht op hun
maatschappelijke participatie, individuele omstandigheden, functioneren in
organen van medezeggenschap en/of inspraak (voor werknemers).
1.2.B Instellingen die (nagenoeg) uitsluitend ondersteunende diensten verlenen
aan c.q. activiteiten verrichten ten behoeve van de hiervoor onder 1.2.A.1
t/m 10 bedoelde instellingen, op voorwaarde dat deze diensten c.q.
activiteiten bestaan uit:
-beleidsontwikkeling, -vernieuwing en -advisering;
-kwaliteitsontwikkeling, -bewaking en deskundigheidsbevordering;
-onderzoek, documentatie en informatie;
-managementondersteuning;
-ondersteuning en advisering op het gebied van financieel-
economische, administratieve, automatiserings-, juridische, public
relations en personeelsaangelegenheden.
1.2.C Instellingen die geheel of ten dele worden gefinancierd op grond van de door de
minister voor Grote Steden-en Integratiebeleid getroffen Regeling subsidiëring
samenwerkingsverbanden en gezamenlijke rechtspersoon minderheden (Stcrt.
1999, 183, laatstelijk gewijzigd bij stcrt. 2006,139).
1.2.D De navolgende instellingen:
– de Stichting Recreatie, gevestigd te Den Haag;
– het Nederlands Centrum voor Recreatiewerk, gevestigd te Amersfoort;
– het Instituut voor Natuurbeschermingseducatie, gevestigd te Amsterdam;
– de Stichting Veldwerk Nederland, gevestigd te Zwolle;
– de Stichting Bonnefooi, gevestigd te Amersfoort;
– de Vereniging Landelijke Organisatie Slachtofferhulp (LOS), gevestigd te
Utrecht;
– de Stichting Joods Maatschappelijk Werk, gevestigd te Amsterdam;
– de Stichting voor Maatschappelijke Dienstverlening De Driehoek, gevestigd te
Zwolle;
– de Stichting Korrelatie, gevestigd te Utrecht;
– de Stichting COGIS, gevestigd te Utrecht;
– de Stichting Pelita, gevestigd te Voorburg;
– de Stichting Adviesbureau voor priesters en religieuzen, gevestigd te Utrecht;
– de Stichting Muhabbat, gevestigd te Nijmegen;
– de Stichting Gereformeerd Maatschappelijk Werk Zuid-Holland, gevestigd te
Den Haag;
– de Vereniging tot Bescherming van het Ongeboren Kind (VBOK), gevestigd te
Amersfoort;
– het Leger des Heils, voor zover deze instelling werkzaamheden verricht die tot
de werksoort Maatschappelijk Werk behoren;
– Bureau O & M, Opleidingen en Maatschappelijk werk voor doven, gevestigd te
Gouda, voor zover dit bureau werkzaamheden verricht die tot de werksoort
Maatschappelijk Werk behoren;
– de Stichting EVA, gevestigd te Almere, voor zover deze instelling
werkzaamheden verricht die tot de werksoort Maatschappelijk Werk behoren;
– de Stichting het Veteraneninstituut (SVi), gevestigd te Doorn;
– de Stichting Burger-Oorlogsgetroffenen, gevestigd te Apeldoorn;
– Stichting De Hezenberg, gevestigd te Hattem;
– Stichting Centrum voor Persoons-en Sociale Bedrijfsbegeleiding, gevestigd te
Den Haag;
– Stichting Centrum voor Dienstverlening te Rotterdam, voor wat betreft het
Nachtverblijf Havenzicht, gevestigd te Rotterdam;
– Huize Vroemen, gevestigd te Maastricht;
– Stichting Spuistraat 10 Advocaten, Amsterdam 1
– Stichting Rechtshulp Noord, Leeuwarden 1
– Stichting Rechtshulp Midden Advocaten, Utrecht 1
– Stichting Halt Nederland, gevestigd te Leiden.
– Stichting Halt Hollands Midden Haaglanden, gevestigd te Den Haag.
– Stichting Halt Limburg Noord, gevestigd te Venlo.
Voetnoot Met inachtneming van het bepaalde in het Overgangsprotocol inzake de
overgang van organisaties vallend onder de CAO Rechtsbijstand naar de werkingssfeer
van de CAO Welzijn d.d. 24 juni 2003 (laatstelijk gewijzigd op 13 juni 2007).
1.2A Geheel of gedeeltelijke ontheffing toepassing CAO
1.2A.1 Als een werkgever tevens valt onder de werkingssfeer van een
andere CAO, kunnen CAO-partijen op verzoek van de werkgever de
bepalingen van de CAO geheel of gedeeltelijk niet van toepassing
verklaren op de arbeidsverhouding tussen een werkgever en (een
gedeelte van) de werknemers. De ondernemingsraad moet met het
verzoek van de werkgever hebben ingestemd. Er vindt overleg
plaats met partijen bij de andere CAO.
1.2A.2 Om voor een dergelijke ontheffing in aanmerking te komen, moet
aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
– de arbeidsvoorwaarden voor de werknemers zijn voldoende
gewaarborgd;
– de arbeidsvoorwaarden moeten over het algemeen geen
mindere aanspraken aan de werknemers verlenen als voor
hen zouden voortvloeien uit het van toepassing zijn van deze
CAO.

1. 3 Karakter van de CAO en decentrale toepassing
1.3.1. De rechten en plichten in deze CAO die tot de kern van de arbeidsverhouding
tussen elke werkgever en elke werknemer behoren, worden A-bepalingen
genoemd. Het maken van eigen decentrale afspraken hierop is dan ook niet
mogelijk. De A-bepalingen in deze CAO worden vetgedrukt weergegeven.
Naast A-bepalingen kent deze CAO ook B-bepalingen. Samen met de A-bepalingen
vormt dit een complete CAO. Op ondernemingsniveau kunnen ten aanzien van de
B-bepalingen eigen decentrale arbeidsvoorwaarden tot stand komen . In de CAO
worden spelregels opgenomen waarbinnen maatwerkafspraken tot stand kunnen
komen. Indien geen maatwerk-afspraken op decentraal niveau zijn
gemaakt op de wijze zoals hieronder beschreven, gelden onverkort de B-
bepalingen van deze CAO.
1.3.2. De decentrale maatwerkafspraken prevaleren boven de boven de B-
bepalingen in de CAO binnen de in 1.3.5 gegeven randvoorwaarden.
1.3.3. Waar afwijkende afspraken niet zijn toegestaan, is dat in het betreffende
artikel aangegeven door middel van vetgedrukte tekst. Dit betreft de
volgende onderwerpen:
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
• Artikel 1.2 Werkingssfeer
• Artikel 1.2A Ontheffing
• Artikel 1.3 Karakter en decentrale toepassing
• Artikel 1.6.1 Verstrekking en inzage CAO
Hoofdstuk 2 Arbeidsovereenkomst
• Artikel 2.1 Arbeidsovereenkomst
Hoofdstuk 4 Salaris en (jaarlijkse) uitkeringen
• Artikel 4.2.1. Vaststelling van het salaris, behoudens laatste
deel van de zin over verwijzing naar
salarisschalen
Hoofdstuk 9 Arbeidsomstandigheden
• Artikel 9.1 Arbocatalogus en -beleid
Hoofdstuk 10 Pensioen
• Artikel 10.1 en 10.2 Pensioen
Hoofdstuk 11 Werkgelegenheid en Sociale Zekerheid
• Artikel 11.1 WGA premie
• Artikel 11.2 Betaling tijdens arbeidsongeschiktheid
• Artikel 11.4 Overname personeel bij aanbesteding
• Artikel 11.5 Fusies en reorganisaties
Hoofdstuk 13 Medezeggenschap
• Artikel 13.1 Ondernemingsraad (OR)
• Artikel 13.2 PVT
• Artikel 13.6 Instemmingsrecht en ondersteuning
• Artikel 13.8 Vakbondsverlof
• Artikel 13.9 Vakbondsfaciliteiten
Hoofdstuk 14 Geschillenregeling (incl. Bijlage 7, reglement
Commissie van Geschillen)
Bijlage I Functiematrix en methodiek niveaubepaling
1.3.4. Maatwerkafspraken kunnen op twee niveaus worden gemaakt, te weten
in overleg tussen:
1.3.4.a werkgever en de bij deze CAO betrokken
werknemersorganisaties;
1.3.4.b werkgever en OR of PVT; alleen waar dit in de tekst wordt
aangegeven.
1.3.5. Ten aanzien van het overeenkomen, de looptijd en de beëindiging van
maatwerkafspraken tussen in lid 1.3.4 genoemde partijen gelden de
volgende voorwaarden:
1.3.5.a. Bij het aangaan van maatwerkafspraken tussen werkgever en
werknemersorganisaties is sprake van een maatwerk-CAO.
o Deze keuzemogelijkheid is per 1 mei 2009 mogelijk voor
werkgevers die minstens 50 werknemers in dienst hebben.
o De totaliteit van het afwijkende decentrale
arbeidsvoorwaardenpakket dient minimaal gelijkwaardig te zijn aan
de centrale CAO.
o De decentrale maatwerk-CAO’s moeten worden aangemeld bij het
ministerie van SZW.
o Binnen één maand na het tot stand komen van de decentrale
maatwerkafspraken tussen de in 1.3.4.a genoemde partijen, wordt
een afschrift van de overeenkomst ter kennisgeving opgestuurd
naar het OAW (p/a FCB, Postbus 2103, 3500 GC Utrecht).
o Jaarlijks evalueert het OAW de totstandkoming en inhoud van
decentrale maatwerk-CAO’s
o Als er bij het afsluiten van een nieuwe landelijke CAO fricties
ontstaan met afspraken die op decentraal niveau zijn vastgelegd,
overlegt de decentrale werkgever met de vakorganisaties over de
consequenties voor de decentrale CAO.
o Vanaf de start van het overleg tussen de werkgever en de
vakorganisaties, verstrekt de werkgever een werkgeversbijdrage
volgens de op dat moment geldende modelregeling van de AWVN.
Onderdeel van die maatwerk-CAO zijn in elk geval:
• de looptijd van de afspraken;
• de toepasselijkheid van de bepalingen (niet vetgedrukte
bepalingen) van deze CAO indien er na afloop van de maatwerk-
CAO geen nieuwe maatwerk-CAO wordt afgesloten.
1.3.5.b. Bij het aangaan van maatwerkafspraken tussen werkgever en
OR of PVT zijn tenminste de bepalingen van de WOR van
toepassing; de maatwerkafspraak eindigt op het moment dat de
CAO-regeling waarop de eigen regeling betrekking heeft wordt
gewijzigd, tenzij partijen de maatwerkafspraak herbevestigen.
Op de volgende arbeidsvoorwaarden uit de CAO zijn maatwerkafspraken tussen
werkgever, OR of PVT mogelijk:
– de beoordelingsregeling (artikel 8.3 );
– de werktijdenregeling bij arbeidsongeschiktheid van de werknemer (hier
verwijzen naar digitale versie) ;
– de verhuiskostenvergoeding en tegemoetkoming woon/werkverkeer (artikel
6.1.1 en 6.1.2 en 6.2.1 t/m 6.2.3);
. de reis-en verblijfkostenvergoeding (artikel 6.4.1 – 6.4.3);
. thuiswerk/telewerkregeling (artikel 6.6)
– de kampwerkvergoeding (3.5.1-6);
– de inhoudingen wegens voeding en inwoning (6.7);
– de telefoonkostenvergoeding (artikel 6.8);
– de onregelmatigheidstoeslagen (artikel 5.2) voor zover de werkgever
minimaal twee van de drie regelingen binnen de instelling toepast.
1.3.5.c De maatwerkafspraken worden schriftelijk vastgelegd en door
partijen ondertekend. Elke partij ontvangt een afschrift van de
overeenkomst.
Bijlagen, overgangsregelingen en functieboek
De bijlagen, overgangsregelingen en het functieboek waarnaar in de CAO wordt
verwezen vormen één geheel met de CAO.

1.5 Looptijd
1.5.1 Deze CAO is aangegaan voor het tijdvak van 1 mei 2008 tot en met 31 december
2010.
1.5.2 Wanneer geen van de partijen bij de CAO uiterlijk drie maanden voor de datum
waarop de CAO eindigt de CAO opzegt door middel van een aangetekend
schrijven, wordt de duur steeds met een jaar verlengd.
1.5.3 Partijen kunnen overeenkomen de CAO tijdens de duur te wijzigen.

1.6 Verplichtingen van de werkgever
1.6.1 Verstrekking en inzage CAO
1.6.1.a De werkgever geeft aan de werknemer op diens verzoek
inzage te geven in de vastbladige uitgave van deze CAO, dan
wel een digitale uitgave van de CAO en tevens van elke
nieuwe, gewijzigde druk of gewijzigde versie.
1.6.1.b De werkgever geeft aan de werknemer die lid is van de
ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging
kosteloos een exemplaar van de vastbladige uitgave van
deze CAO en tevens van elke nieuwe, gewijzigde druk.
1.6.1.c De vakbonden partij bij deze CAO geven kosteloos een
digitale versie van deze CAO aan hun leden.
1.6.1.d De werkgever geeft tijdens de sollicitatieprocedure aan de
beoogde werknemer inzage in een exemplaar van de CAO.
1.6.1.e De werkgever draagt er zorg voor dat de werknemer kennis
kan nemen van de inhoud van het Functieboek.
1.6.2 Aansprakelijkheid voor schade
1.6.2.a. De werkgever verzekert zich voldoende voor de wettelijke
aansprakelijkheid voor schade die de werknemer veroorzaakt tijdens
de uitoefening van zijn dienstbetrekking.
1.6.2.b. De werknemer die tijdens de arbeidsduur buiten zijn schuld schade
lijdt waarvoor de werkgever wettelijk aansprakelijk is, heeft recht op
vergoeding van deze schade door de werkgever. Voorwaarde hierbij
is dat de werknemer eventuele aanspraken die hij heeft op
vergoeding door derden aan de werkgever overdraagt. Het in dit
artikel bepaalde geldt niet voor geldelijke schade door loonderving,
ter zake waarvan de werknemer aanspraak heeft op een uitkering
krachtens een arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan wel recht op
een uitkering als bedoeld in Hoofdstuk 8 van de CAO.
1.6.3 Gedragscode en bevorderen gelijke kansen
De werkgever stelt met instemming van de OR of PVT een gedragscode vast,
gericht op:
1.6.3.a. De bevordering van doorstroom van vrouwen naar hogere functies
binnen de instelling.
1.6.3.b. Het voorkomen binnen de instelling van ongewenst gedrag
(agressie, racisme, seksuele intimidatie, leeftijdsdiscriminatie) en
het respecteren van ieders levensbeschouwelijke opvattingen.
1.6.3.c. De bevordering van de arbeidsdeelname van leden van etnische
minderheden en arbeidsgehandicapten, onder meer tot uitdrukking
komend in een sollicitatiecode.
1.6.4 Geheimhouding
De werkgever is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem door zijn functie
als werkgever aan persoonlijke gegevens over de werknemer bekend is, tenzij de
werknemer toestemming geeft tot het verstrekken van deze persoonlijke
gegevens. Deze verplichting geldt ook na beëindiging van het dienstverband.

1.7: Verplichtingen van de werknemer
1.7.1 Plaats van tewerkstelling of werkgebied en verhuisplicht
1.7.1.a. De werknemer is verplicht in of nabij de plaats van tewerkstelling te
wonen, of in het werkgebied als zo’n werkgebied is aangewezen.
1.7.1.b. De werknemer kan al dan niet op eigen verzoek een ontheffing
krijgen van de genoemde verplichting.
1.7.1.c. Een verleende ontheffing kan – na overleg met de werknemer en na
een redelijke termijn – worden ingetrokken als blijkt dat het belang
van het werk en een goede uitoefening van de functie dat vereisen.
1.7.2 Tijdelijke wijziging in werkzaamheden, arbeidsduur en werktijden en plaats van
tewerkstelling en/of werkgebied
Binnen redelijke grenzen en voor zover dat in het belang van het werk of de
instelling is, stemt de werknemer – na overleg – in met:
1.7.2.a. het voor korte tijd verrichten van andere werkzaamheden, die in
redelijke mate aansluiten bij zijn functie;
1.7.2.b. tijdelijke en incidentele wijzigingen van zijn arbeidsduur en
werktijden;
1.7.2.c. tijdelijke wijzigingen in de plaats van tewerkstelling en/of
werkgebied.
1.7.3 Nevenfuncties
1.7.3.a. De werknemer verplicht zich geen nevenfuncties te aanvaarden die
als strijdig met of schadelijk voor het werk van de werknemer
kunnen worden beschouwd.
1.7.3.b. In geval van twijfel overlegt de werknemer hierover met de
werkgever.
1.7.4 Niet toegestane handelingen
1.7.4.a. Het is de werknemer verboden direct of indirect deel te nemen aan
ten behoeve van de werkgever uit te voeren aannemingen of
leveringen. Ook mag de werknemer niet middellijk of onmiddellijk
geschenken, beloningen of provisie aannemen of vorderen, noch
mag hij erfenissen of legaten aanvaarden van personen met wie hij
uitsluitend door zijn functie in aanraking komt.
1.7.4.b. Tenzij door de werkgever uitdrukkelijk toestemming is verleend, is
het de werknemer verboden:
1.7.4.b.1. geld of goed toebehorend aan cliënten/bewoners/ pupillen als
geschenk of in bruikleen te aanvaarden, te kopen, te
verkopen, te laten verkopen of te belenen;
1.7.4.b.2. geld of goed toebehorend aan de werknemer/werkgever
beschikbaar te stellen of te verkopen aan cliënten/
bewoners/pupillen of borgtocht aan pupillen te verlenen;
1.7.4.b.3. persoonlijke diensten te laten verrichten door cliënten/
bewoners/pupillen en personen in dienst van de werkgever;
goederen van de werkgever te gebruiken voor persoonlijke
doeleinden.
1.7.5 Geheimhouding
1.7.5.1. De werknemer is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem in
zijn functie en beroep ter kennis komt, voor zover die verplichting er
vanzelfsprekend uit volgt of hem uitdrukkelijk is opgelegd. Deze
verplichting blijft na beëindiging van het dienstverband gelden.
1.7.5.2. De verplichting tot geheimhouding geldt niet tegenover personen
die medeverantwoordelijk zijn voor een goede vervulling van de
functie van de werknemer. Ook geldt de verplichting niet tegenover
personen van wie de medewerking hierbij nodig is, wanneer deze
personen zelf tot geheimhouding verplicht zijn of zich dienen te
verplichten.
1.7.6 Beheer over goederen werkgever
1.7.6.1 De werknemer beheert goederen die door de werkgever aan zijn
zorgen zijn toevertrouwd, zorgvuldig.
1.7.6.2 De werknemer kan slechts worden verplicht tot gehele of
gedeeltelijke vergoeding van door de werkgever geleden schade,
voor zover deze schade is ontstaan door opzet, grove schuld of
ernstige nalatigheid van de werknemer.
1.7.6.3 De verplichting zoals bedoeld in 1.7.6.2 kan alleen worden opgelegd
nadat de werknemer hierover is gehoord, waarbij hij zich kan laten
bijstaan door een raadsman.

 

Hoofdstuk 2 : Arbeidsovereenkomst

2.1 Arbeidsovereenkomst
2.1.1. De arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer wordt schriftelijk
aangegaan en gewijzigd.
2.1.2 Een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde of bepaalde
tijd.
2.1.3. Artikel 7:668a BW is van toepassing op alle
arbeidsovereenkomsten met uitzondering van de in 2.1.4
genoemde leerarbeidsovereenkomst (Zie Bijlage 6).
2.1.4. In afwijking van artikel 7:668a BW wordt met de leerling-werknemer die
een opleiding volgt in het kader van de beroepsbegeleidende leerweg of
een duale leerroute een leerarbeidsovereenkomst aangegaan voor de duur
van de opleiding. Eventueel wordt deze leerarbeidsovereenkomst
voorafgegaan door een leerarbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor
de duur van maximaal één jaar. De leerarbeidsovereenkomst wordt
aangegaan met de intentie de leerling-werknemer die met goed gevolg de
opleiding afrondt aan zich te binden door een dienstverband voor
onbepaalde tijd aan te bieden. De leerarbeidsovereenkomst eindigt als de
opleiding (tussentijds) beëindigd wordt, de leerovereenkomst met de
opleiding eindigt of de opleiding met goed gevolg wordt afgerond.

2.2 Geneeskundig onderzoek
2.2.1. Als een (aanstellings)keuring volgens de Wet op de Medische Keuringen
mogelijk is, kan de werkgever de werknemer hiertoe verplichten.
2.2.2. De werknemer van veertig jaar of ouder wordt op zijn verzoek eenmaal per
twee jaar in de gelegenheid gesteld een algemeen geneeskundig onderzoek
te laten verrichten door een huisarts.
2.2.3. De kosten van deze keuring of onderzoeken komen voor rekening van de
werkgever. Reis-en verblijfkosten worden vergoed volgens de
ondernemingsregeling voor reis-en verblijfkosten overeenkomstig artikel
6.4.1-3 van de CAO.

2.3 Detachering
2.3.1. Er is sprake van detachering als twee instellingen overeenkomen dat een
werknemer die in dienst is van de ene instelling zijn functie gaat uitoefenen in de
andere instelling.
2.3.2. Voor detachering is altijd de instemming van de werknemer nodig.
2.3.3. De instelling waarbij detachering plaatsvindt, kan niet treden in de rechten en
plichten van de instelling waarmee de werknemer een arbeidsovereenkomst heeft
afgesloten, tenzij dit is overeengekomen in de detacheringovereenkomst.
2.3.4. Een detacheringovereenkomst wordt altijd schriftelijk aangegaan.
2.3.5. Een gewaarmerkt afschrift van de detacheringovereenkomst wordt aan de
arbeidsovereenkomst van de werknemer gehecht.

2.4 Minimum-maximum overeenkomst
Er is sprake van een minimum-/maximumovereenkomst als in de arbeidsovereenkomst is
vastgelegd hoeveel uren een werknemer minimaal werkt of als in de
arbeidsovereenkomst is vastgelegd hoeveel uren een werknemer minimaal en maximaal
per week werkt. Het verschil bedraagt niet meer dan tien uur per week.

2.5 Einde van de arbeidsovereenkomst
2.5.1. Het dienstverband eindigt:
2.5.1.a. met wederzijdse instemming op het door werkgever en werknemer
overeengekomen tijdstip;
2.5.1.b door het verstrijken van de termijn, waarvoor de
arbeidsovereenkomst is aangegaan;
2.5.1.c door opzegging door werkgever of werknemer, gelet op wat in het
tweede lid van dit artikel is bepaald ten aanzien van opzegging en
met nakoming van een opzegtermijn van ten minste twee maanden.
Dit tenzij op grond van artikel 7:672 BW of artikel XXI van de Wet
Flexibiliteit en Zekerheid een langere opzegtermijn verplicht is
2.5.1.d door eenzijdige beëindiging tijdens de proeftijd zoals bedoeld in
artikel 7:652 en 676 BW;
2.5.1.e door ontslag op staande voet wegens dringende redenen voor
werkgever of werknemer volgens de bepalingen van artikel 7:678
en 679 BW;
2.5.1.f op de eerste dag van de maand waarin de werknemer 65 jaar
wordt;
2.5.1.g op het tijdstip waarop van het recht op de overbruggingsuitkering
volgens de pensioenregeling van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn
gebruik wordt gemaakt, tenzij werknemer en werkgever in onderling
overleg schriftelijk anders overeenkomen. De werknemer die
gebruik wil maken van de overbruggingsuitkering dient dit uiterlijk
drie maanden voorafgaand aan de gewenste ingangsdatum aan zijn
werkgever te melden. Werkgever en werknemer overleggen uiterlijk
drie maanden voor de datum waarop de werknemer gebruik wenst
te maken van de overbruggingsuitkering over de vraag of het
dienstverband bij ingang van de overbruggingsuitkering ook
daadwerkelijk eindigt;
2.5.1.h door overlijden van de werknemer;
2.5.1.i door ontbinding door de rechter op grond van artikel 7:685 of 686
BW vanwege gewichtige redenen of vanwege wanprestatie;
2.5.1.j door vervroegde uittreding van de werknemer overeenkomstig
Bijlage 13.5 van de CAO;
2.5.1.k op de eerste dag van de volgende kalendermaand, in het geval dat
een werkneemster de arbeidsovereenkomst in verband met haar
bevalling wenst te beëindigen en dit schriftelijk uiterlijk 6 weken na
de bevalling aan de werkgever heeft medegedeeld.
2.5.2.a Opzegging gebeurt schriftelijk en beargumenteerd;
2.5.2.b de opzegtermijn gaat in op de eerste dag van de kalendermaand die volgt
op de opzegging.

2.6 Overlijden van de werknemer
2.6.1 Na het overlijden van de werknemer wordt, naast de uitbetaling van het salaris en
de vakantietoeslag tot en met de dag van overlijden, een uitkering ineens
toegekend gelijk aan het salaris en de vakantietoeslag waarop de werknemer
aanspraak zou hebben kunnen maken over de periode vanaf de eerste dag na het
overlijden tot en met de laatste dag van de tweede maand volgend op die waarin
het overlijden plaatsvond aan de langstlevende der echtgenoten, indien de
overledene gehuwd was en niet duurzaam gescheiden van de andere echtgenoot
leefde óf, indien deze echtgenoot reeds overleden is dan wel duurzaam
gescheiden leefde van de overledene, aan de minderjarige wettige, pleeg-of
natuurlijke kinderen gezamenlijk.
2.6.2 Indien er geen belanghebbenden zijn, als bedoeld in 2.6.1, wordt de
uitkering toegekend aan degene voor wie de overleden werknemer
kostwinner was.
2.6.3 Indien er geen belanghebbenden zijn als bedoeld in 2.6.1 en 2.6.2 kan in
bijzondere gevallen de in 2.6.1 bedoelde uitkering worden uitbetaald aan de
persoon of personen die daarvoor naar het oordeel van de werkgever naar
billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt/komen.
2.6.4 De overlijdensuitkering, bedoeld in 2.6.1 van dit artikel, wordt verminderd
met het bedrag van de uitkering dat aan de nagelaten betrekkingen ter
zake van het overlijden van de werknemer toekomt krachtens een wettelijk
voorgeschreven arbeidsongeschiktheidsverzekering.

2.7 Opleidingsbudget bij einde arbeidsovereenkomst
De werknemer aan wie, wegens bedrijfseconomische omstandigheden aansluitend
aan een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd geen arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd wordt aangeboden, hoewel dit wel de intentie was, krijgt de
beschikking over een budget te besteden aan (een) opleiding(en) en/of
loopbaanondersteuning. Dit budget bedraagt € 1.000 indien de
arbeidsovereenkomst langer dan één jaar heeft geduurd en € 2.000 indien de
arbeidsovereenkomst langer dan twee jaar heeft geduurd. De werknemer dient
binnen drie maanden na afloop van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd de
aanvragen ten laste van dit budget ingediend te hebben.

2.8 Disciplinaire maatregelen
2.8.1. Schorsing
2.8.1.1 De werkgever kan de werknemer voor hoogstens 14 kalenderdagen
schorsen, indien het vermoeden bestaat dat een dringende reden in
de zin van artikel 7:677 en 678 BW aanwezig is om een werknemer
op staande voet te ontslaan en schorsing naar het oordeel van de
werkgever in het belang van het werk dringend gevorderd wordt.
Deze termijn kan hoogstens eenmaal met 14 dagen worden
verlengd.
2.8.1.2 Het besluit tot schorsing, alsmede het besluit tot verlenging ervan,
wordt door de werkgever onmiddellijk aan de werknemer
meegedeeld, onder vermelding van de duur van de schorsing en de
redenen voor de schorsing c.q. de verlenging ervan. Een dergelijk
besluit wordt zo spoedig mogelijk daarna schriftelijk en gemotiveerd
door de werkgever aan de werknemer bevestigd.
2.8.1.3 Voordat de werkgever overgaat tot schorsing zal hij de werknemer
horen of doen horen, althans daartoe behoorlijk oproepen. De
werknemer heeft het recht zich door een raadsman te laten
bijstaan.
2.8.1.4 Gedurende de schorsing behoudt de werknemer het recht op salaris.
2.8.1.5 Blijkt de schorsing ongegrond te zijn, dan wordt de werknemer door
de werkgever gerehabiliteerd. Dit wordt schriftelijk aan de
werknemer meegedeeld of bevestigd. Indien de werknemer zich
heeft laten bijstaan door een raadsman komen de kosten in dit
geval voor rekening van de werkgever.
2.8.1.6 De werknemer kan de werkgever verzoeken het bepaalde in 2.8.1.5
van dit artikel ook ten aanzien van derden die door de werkgever op
de hoogte zijn gesteld toe te passen. De werkgever is verplicht dit
verzoek in te willigen.
2.8.1.7 Het niet rehabiliteren van de werknemer en het niet tijdig schriftelijk
mededelen of bevestigen van zijn rehabilitatie indien het vermoeden
dat tot schorsing heeft geleid niet juist blijkt te zijn, kunnen voor de
werknemer een grond opleveren voor onmiddellijke beëindiging,
zoals bedoeld in artikel 7:679 BW.
2.8.2 Op non-actiefstelling
2.8.2.1 De werkgever kan de werknemer voor een periode van hoogstens
twee weken op non-actief stellen, indien de voortgang van de
werkzaamheden – door welke oorzaak dan ook – ernstig wordt
belemmerd. Deze termijn kan eenmaal met dezelfde periode worden
verlengd.
2.8.1.2 Het besluit tot op non-actiefstelling alsmede het besluit tot
verlenging hiervan wordt door de werkgever zo spoedig mogelijk
aan de werknemer meegedeeld, onder vermelding van de redenen
waarom de voortgang van de werkzaamheden deze maatregel
vereist.
2.8.1.3 Na het verstrijken van de in 2.8.2.1 bedoelde periode van twee
respectievelijk vier weken heeft de werknemer het recht zijn
werkzaamheden te hervatten, tenzij inmiddels een
ontslagvergunning is aangevraagd of de burgerlijke rechter is
verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. In dat geval kan de
werkgever, na de werknemer gehoord te hebben, de op non-
actiefstelling telkens met een door hem te bepalen termijn
verlengen. Dit tot het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst
eindigt of de hiervoor bedoelde procedures zijn geëindigd.
2.8.1.4 Op non-actiefstelling geschiedt steeds met behoud van salaris.
2.8.1.5 De werkgever is verplicht om gedurende de in het eerste lid
bedoelde periode(n) van op non-actiefstelling die voorzieningen te
treffen die mogelijk zijn om de werkzaamheden te laten hervatten.
2.8.1.6 De op non-actiefstelling kan niet als strafmaatregel worden
gebruikt.

 

HOOFDSTUK3: ARBEIDSDUUR EN WERKTIJDEN

3.1 Arbeidsduur
3.1.1. De arbeidsduur van de werknemer met een volledig dienstverband bedraagt
gemiddeld 36 uur per week.
Vanaf 1 januari 2010 geldt het volgende : De arbeidsuur bedraagt voor de
werknemer met een volledig dienstverband 1872 uur per jaar (52 weken maal 36
uur)
3.1.2. Indien de werknemer dit wenst kan met instemming van de werkgever de omvang
van het dienstverband worden verruimd tot maximaal 2080 uur per jaar (52
weken maal 40 uur). De met de arbeidsduur samenhangende arbeidsvoorwaarden
worden dan naar evenredigheid verhoogd.
3.1.3 Dit aantal uren wordt elk jaar verminderd met de uren verlof van de werknemer.
3.1.4. Onder arbeidsduur vallen ook het deelnemen aan direct uit de werkzaamheden
voortvloeiende vergaderingen, de reis-en wachttijden die voortvloeien uit de
opgedragen werkzaamheden en de reistijd woon-werkverkeer voor zover die meer
bedraagt dan gebruikelijk door werkzaamheden buiten de standplaats.
3.1.5. Alle functies in deze CAO kunnen in beginsel in deeltijd worden vervuld.
3.1.6. De werkgever moet de werknemer in staat stellen om in het betreffende
kalenderjaar de voor hem voor dat jaar vastgestelde uren te werken.
3.1.6.a Als de werkgever aan het begin van de roosterperiode constateert dat
de werknemer niet voldoende uren werkt als hij conform zijn
gebruikelijke arbeidspatroon werkt, maakt de werkgever aan het begin
van de roosterperiode afspraken met de werknemer wanneer de
werknemer buiten het voor hem gebruikelijke arbeidspatroon komt
werken. De werknemer kan er ook voor kiezen deze uren te laten
afschrijven van zijn vakantieverlof.
3.1.6.b Als op 31 december blijkt dat de werknemer niet voldoende uren heeft
gewerkt en dit aantal uren is kleiner of gelijk aan 7,2 uur dan vervallen
deze uren.
3.1.6.c Als op 31 december blijkt dat de werknemer niet voldoende uren heeft
gewerkt en dit aantal uren is groter dan 7,2 uur dan wordt het
meerdere afgeschreven van het vakantieverlof.
3.1.6.d Als op 31 december blijkt dat de werknemer teveel uren heeft gewerkt
in het betreffende kalenderjaar dan worden deze uren uitbetaald
volgens het voor de werknemer geldende uursalaris.
3.1.7a. De werknemer die wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet in staat
is te werken, blijft op de overeengekomen wijze ingeroosterd voor
zover en zolang de roosterperiode loopt. Als de roosterperiode eindigt
tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid, valt de werknemer terug op
zijn gemiddelde arbeidsduur per week.
3.1.7.b. De werknemer die door zwangerschaps-of bevallingsverlof of door
ziekte of arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap of
bevalling niet in staat is te werken, valt vanaf aanvang van het
zwangerschapsverlof terug op zijn gemiddelde arbeidsduur per week.

3.2 Werktijden
3.2.1.a De werkgever kan met instemming van de Ondernemingsraad een
werktijdenregeling instellen of wijzigen; als sprake is van een regeling met
een variabele arbeidsduur die met instemming van de Ondernemingsraad
wordt toegepast, kan per werkweek maximaal een negende deel naar
boven of naar beneden worden afgeweken van de in de
arbeidsovereenkomst vastgelegde werktijden.
3.2.1.b. In overleg met de individuele werknemer is het mogelijk om grotere
afwijkingen dan in 3.2.1.a genoemd overeen te komen. De werknemer en
de werkgever kunnen hier beide het initiatief toe nemen.
3.2.2. Behoudens als gevolg van een werktijdenregeling die met instemming van de
Ondernemingsraad tot stand is gekomen, wijzigen de werktijden van de
werknemer alleen indien en voor zover daarover tussen werknemer en werkgever
overeenstemming bestaat en wordt vastgelegd in de arbeidsovereenkomst.
3.2.3. De werkgever dient de vastgestelde individuele werktijden (standaardrooster) van
de werknemer tenminste 10 etmalen van tevoren ter kennis te brengen aan de
werknemer. In bijzondere omstandigheden kan tussentijds van dit
standaardrooster worden afgeweken.
3.2.4. Vaststelling van nieuwe en wijziging van bestaande werkroosters vindt plaats na
overleg tussen de leidinggevende en de werknemer.
3.2.5. Bij de regeling van werktijden wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de
levensbeschouwelijke opvattingen van de werknemer.
3.2.6. De werknemer van 55 jaar en ouder wordt op zijn verzoek vrijgesteld van
nachtdiensten.
3.2.7. De in artikel 9.3 van de CAO 2007-2008 geregelde modaliteiten voor de invulling
van de arbeidsduur blijven voor de werknemer van kracht, totdat een nieuwe
werktijdenregeling wordt ingevoerd met instemming van de Ondernemingsraad of
Personeelsvertegenwoordiging. Deze modaliteiten zijn digitaal toegankelijk op de
website www.fcbwjk.nl.

3.3 Toepassing arbeidstijdenwet en arbeidstijdenbesluit
De regelingen uit artikel 9.5, leden 1 tot en met 3 onder e van de CAO 2007-2008
(zie Bijlage 4) met betrekking tot de toepassing van de Arbeidstijdenwet en het
Arbeidstijdenbesluit blijven van kracht totdat met instemming van de
Ondernemingsraad of Personeelsvertegenwoordiging anders wordt besloten.

3.4. Garantie-en overgangsregeling in verband met het afschaffen van Seniorenverlof
De regeling arbeidsduurverkorting oudere werknemers (seniorenverlof, artikel 9.2
uit de CAO Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening 2007-2008, zie Bijlage 5)
vervalt per 1 januari 2009. In Bijlage 6 is de garantie-en overgangsregeling
opgenomen.

3.5. Kampwerk
3.5.1. De werkgever kan de werknemer de opdracht geven om een kamp te
leiden of te begeleiden dat in het kader van de instelling wordt
georganiseerd.
3.5.2. Het leiden of begeleiden van een kamp kan maximaal voor een
aaneengesloten periode van 14 dagen aan de werknemer worden
opgedragen.
3.5.3. Wordt aan de werknemer het leiden of begeleiden van verschillende
kampen opgedragen, dan is de werkgever verplicht om tussen het einde en
het begin van deze verschillende kampperioden te zorgen voor een
onderbreking van 7 dagen.
3.5.4 De werknemer heeft recht op 4 uur verlof met behoud van salaris voor
iedere dag dat hij belast is met de leiding of begeleiding van een kamp.
Voor de toepassing hiervan wordt een gedeelte van een dag beschouwd als
een volledige dag. Deze regeling doet niets af aan het recht op
compensatie in vrije tijd van de werknemer, mocht deze dit werk op
arbeidsvrije dagen verrichten.
3.5.5. De werknemer heeft gedurende de kampperiode geen recht op
onregelmatigheidstoeslagen (artikel 5.2).
3.5.6. Per jaar kunnen aan de werknemer niet meer dan 5 kampweken worden
opgedragen.

3.6 Slaapdiensten in de Maatschappelijke Opvang
In deze paragraaf wordt onder slaapdienst verstaan: een aaneengesloten deel van
een dienst waarin de werknemer in de instelling aanwezig en op oproep
beschikbaar moet zijn voor het verrichten van noodzakelijke en onvoorziene
bedongen werkzaamheden, maar overigens rust geniet.
3.6.1. De tijd waarin de werknemer een slaapdienst verricht, is arbeidstijd in de
zin van de Arbeidstijdenwet en telt daarom mee als arbeidstijd voor de
toepassing van de maximale arbeidstijd en minimale rusttijd op grond van
de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit.
3.6.2. De tijd die de werknemer doorbrengt in een slaapdienst en waarin de werknemer
geen arbeid verricht, telt niet mee voor de vaststelling van de arbeidsduur als
bedoeld in artikel 3.1.1 t/m 3.1.6.c van deze CAO.
3.6.3. Aan de werknemer mag maximaal 3 keer in elke aaneengesloten tijdruimte van 7
maal 24 uur, 10 keer in elke periode van 4 achtereenvolgende weken en 26 keer
in elke periode van 13 achtereenvolgende weken het verrichten van een
slaapdienst worden opgedragen.
3.6.4. Een werknemer die met het verrichten van slaapdiensten is belast, mag ten
hoogste gemiddeld 48 uren per week in elke periode van 26 achtereenvolgende
weken een verplichting tot het verrichten van arbeid worden opgelegd, met dien
verstande dat artikel 3.1 van deze CAO onverkort van toepassing is op het deel
van de arbeidstijd waarin de werknemer geen slaapdienst verricht.
3.6.5. Een werknemer die met het verrichten van slaapdiensten is belast, mag in elke
periode van 24 uur voor het deel van de arbeidstijd waarin de werknemer geen
slaapdienst verricht, ten hoogste 13 uur met het verrichten van arbeid worden
belast.
3.6.6. Met uitdrukkelijke schriftelijke instemming van de werknemer mag de werkgever,
in plaats van het in 3.6.4 genoemde aantal van 48 uren, de werknemer ten
hoogste gemiddeld 60 uren per week in elke periode van 26 achtereenvolgende
weken een verplichting tot het verrichten van arbeid opleggen.
Indien een werknemer uitdrukkelijk schriftelijk instemt met het verrichten van
arbeid gedurende ten hoogste 60 uren per week in elke periode van 26
achtereenvolgende weken, geldt deze schriftelijke instemming voor een periode
van 26 achtereenvolgende weken en wordt telkens stilzwijgend voor een zelfde
periode verlengd, tenzij de werknemer tijdig en uitdrukkelijk aan de werkgever te
kennen geeft met een dergelijke verlenging niet in te stemmen.
Van de werknemers die uitdrukkelijk hebben ingestemd met het verrichten van
ten hoogste 60 uren in plaats van 48 uren arbeid per week in elke periode van 26
achtereenvolgende weken dient de werkgever een register bij te houden conform
de regels in het Arbeidstijdenbesluit.
3.6.7. Een werknemer die niet instemt met het verrichten van arbeid gedurende ten
hoogste 60 uren per week mag hiervan – met uitzondering van het geval dat deze
werknemer minder compensatie dan voorheen ontvangt voor de slaapdiensten die
de werknemer niet meer verricht als gevolg van het onthouden van diens
instemming – geen nadeel ondervinden.
3.6.8. Met toepassing van artikel 4.8:1 lid 4 van het Arbeidstijdenbesluit organiseert de
werkgever de arbeid zodanig, dat de werknemer vóór en na een dienst die een
slaapdienst bevat een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 11 uren, welke
rusttijd één maal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren mag
worden ingekort tot ten minste 8 uren.

3.7. Bereikbaarheidsdiensten
3.7.1. Deze regeling geldt alleen voor de werknemer die zich in opdracht van de
werkgever gedurende een bepaalde periode in zijn vrije tijd bereikbaar houdt,
voor het ontvangen van spoedopdrachten van onvoorziene aard, én
3.7.1.a die de functie van maatschappelijk werker vervult in dienst van de
werkgever van een instelling voor maatschappelijk werk, zoals
omschreven in artikel 1.2.A.6.e en f, van de CAO;
3.7.1.b die in dienst is van een werkgever van een instelling voor
alleenstaande (aanstaande) ouders en hun kind(eren) (Fiom-
tehuis);
3.7.1.c van wie de arbeid bestaat uit het controleren van het technisch
functioneren en het zo nodig repareren van installaties of van
andere toestellen of apparaten;
3.7.2. De in lid 1 bedoelde bepaalde periode kan maximaal 7 etmalen in 28
achtereenvolgende dagen bedragen, waarbij de werknemer maximaal gedurende
28 uren in 56 achtereenvolgende dagen arbeid in bereikbaarheidsdienst mag
verrichten.

 

HOOFDSTUK 4: SALARIS EN (JAARLIJKSE) UITKERINGEN

4.1 Algemeen / Beperkingen werkingssfeer van dit hoofdstuk
4.1.1. De artikelen 4.2 tot en met 4.5 zijn niet van toepassing op degene die de hoogste
zeggenschap uitoefent bij de dagelijkse leiding van de arbeid. Dit betreft zowel de
bestuurder-directeur (die statutair eindverantwoordelijkheid draagt voor de
resultaten van de organisatie) als de directeur (die onder statutaire
eindverantwoordelijkheid van de raad van bestuur zijn werkzaamheden verricht).
4.1.2. De artikelen 4.2 tot en met 4.5 zijn niet van toepassing op de in bijlage 3
genoemde organisaties.

4.2 Vaststelling van het salaris
4.2.1. Het salaris van de werknemer wordt vastgesteld op een bedrag in
de salarisschaal, die bij zijn functie hoort overeenkomstig de
functiematrix en methodiek in Bijlage I; de salarisschalen zijn
opgenomen in Bijlage 2.
4.2.2. a Het salaris van de leerling-werknemer wordt vastgesteld aan de hand van
de salarisschaal van de functie waarvoor hij wordt opgeleid en afhankelijk
van de duur van de opleiding.
4.2.2. b Bij indiensttreding wordt de leerling-werknemer ingeschaald in
periodieknummer 0 van de salarisschaal die wordt vastgesteld door op de
salarisschaal het aantal schalen in mindering te brengen dat gelijk is aan
het aantal opleidingsjaren dat de leerling-werknemer nog moet doorlopen.
4.2.2.c Bij overgang naar een volgend leerjaar wordt de leerling-werknemer
ingeschaald in periodieknummer 0 van de aan de in lid 2 genoemde
naasthogere salarisschaal.
4.2.2.d Op de leerling-werknemer is artikel 4.4.1-4 niet van toepassing.
4.2.3. a. De werknemer die in opleiding is voor de functie Maatschappelijk Werker 1
of 2 wordt ingeschaald in periodiek 1 tot en met 8 van schaal 7. Na het
behalen van het diploma wordt de werknemer vanaf de eerste dag van de
maand volgend op die waarin het diploma gehaald is, ingeschaald in schaal
8 respectievelijk schaal 9. Artikel 4.5 is hierbij van toepassing.
4.2.3.b. De werknemer die in opleiding is voor de functie Peuterspeelzaalleid(st)er 1
of 2 wordt ingeschaald in periodiek 1 tot en met 8 van schaal 3. Na het
behalen van het diploma wordt de werknemer vanaf de eerste dag van de
maand volgend op die waarin het diploma gehaald is, ingeschaald in schaal
5 respectievelijk schaal 6 onder gelijktijdige toekenning van drie
periodieken. Artikel 4.5 is hierbij niet van toepassing
4.2.3.c. Werknemers die voor 1 januari 2000 al als peuterspeelzaalleid(st)er
werkzaam waren en geen diploma hebben, zijn niet verplicht het diploma
te behalen. Hun doorloop in de salarisschaal waarin de functie is ingedeeld
wordt beperkt tot een niveau van twee periodieken onder het maximum
van deze salarisschaal. Dit geldt niet voor werknemers die op 1 januari
2000 45 jaar of ouder zijn en op die datum over 5 jaar relevante
werkervaring beschikken
4.2.3.d. Dit artikel is niet van toepassing op leerling-werknemers als bedoeld in
artikel 1.1.k van de CAO.

4.3 Inschaling bij indiensttreding
4.3.1 Bij indiensttreding wordt een salaris toegekend in de bij de functie
behorende salarisschaal. Als de werknemer wordt aangesteld in een functie
waarvoor een opleidingseis geldt en de werknemer is nog in opleiding, zijn
de artikelen 4.2.3.a en 4.2.3.b. van toepassing.
4.3.2.a. Als de werknemer direct voor indiensttreding bij een andere werkgever
onder de werkingssfeer van deze CAO een gelijksoortige functie uitoefende
die in dezelfde salarisschaal is ingedeeld, heeft de werknemer bij zijn
nieuwe werkgever aanspraak op minimaal de periodieknummer waarin hij
laatstelijk was ingeschaald in die vorige functie.
4.3.2.b. Als de in 4.3.2.a genoemde laatstgeldende periodieknummer voor een deel
tot stand is gekomen door toepassing van het bepaalde in artikel 4.4.1-4,
kan de nieuwe werkgever de 4.3.2.a bedoelde aanspraak met dat gedeelte
verminderen.

4.4 Jaarlijkse verhoging
4.4.1 Het salaris van de werknemer wordt jaarlijks verhoogd met één periodieknummer
tot het maximum van de voor zijn functie geldende salarisschaal is bereikt. Als er
in het verleden een andere periodiekdatum is afgesproken, dan geldt die datum.
4.4.2 Deze periodieke verhoging wordt toegekend op 1 januari of op de eerste dag van
de kalendermaand waarin de werknemer:
4.4.2.a bij de werkgever in dienst trad;
4.4.2.b de leeftijd van 18 jaar bereikte, in de periode dat er nog sprake was
van jeugdschalen in de CAO;
4.4.2.c bevorderd werd naar een hogere functie.
4.4.3 In de individuele arbeidsovereenkomst wordt vermeld welke van de in 4.4.2
genoemde mogelijkheden van toepassing is. Als deze vermelding ontbreekt, geldt
1 januari als datum voor de periodieke verhoging.
4.4.4. De werkgever kan het achterwege laten van het toekennen van periodieken, of
het toekennen van extra periodieken alleen doen wanneer er sprake is van een
beoordelingsregeling. In beide gevallen wordt dit de werknemer tevoren
schriftelijk en gemotiveerd meegedeeld. Met de toekenning van extra periodieken
kan het maximum van de salarisschaal met ten hoogste twee periodieken worden
overschreden.

4.5 Overgang naar een andere functie
4.5.1. Overgang naar een hogere functie
4.5.1.a De werknemer die wordt overgeplaatst naar een functie die in een
hogere salarisschaal is ingedeeld, wordt met ingang van de datum
van overplaatsing in deze salarisschaal ingedeeld.
4.5.1.b De werknemer wordt ingeschaald in het naasthogere bedrag van de
salarisschaal waarin de nieuwe functie is ingedeeld, waarbij het
verschil tussen het oude en nieuwe salaris tenminste 1 periodiek
bedraagt.
4.5.2. Overgang naar een functie van gelijk niveau
Als de werknemer bij dezelfde werkgever een andere functie gaat uitoefenen
waaraan dezelfde salarisschaal is verbonden, behoudt de werknemer op het
moment van deze functiewijziging ten minste aanspraak op het salaris dat hij in
de vorige functie ontving.

4.6 Uitbetaling salaris
Het salaris wordt uiterlijk twee dagen voor het einde van de kalendermaand
uitbetaald. Eventuele toeslagen worden in de daarop volgende maand uitbetaald.

4.7 Vakantietoeslag
4.7.1. Het vakantietoeslagjaar loopt van 1 juni tot en met 31 mei.
4.7.2. De werknemer ontvangt een vakantietoeslag ten bedrage van 8% van de som van
de in het vakantietoeslagjaar feitelijk verdiende salaris en/of de
loondoorbetaling/aanvulling als bedoeld in artikel 11.2.
4.7.3. Voor de werknemer met een volledig dienstverband bedraagt de vakantietoeslag:
• vanaf 1 mei 2008 minimaal € 141,10 per maand,
• vanaf 1 januari 2009 minimaal € 142,86 per maand,
• vanaf 1 mei 2009 minimaal € 145,72 per maand,
• vanaf 1 mei 2010 minimaal € 148,64 per maand.
Werknemers die in de loop van het kalenderjaar in dienst komen, ontvangen de
uitkering naar rato.
4.7.4. In de uitbetaling van de vakantietoeslag zijn begrepen eventuele vakantie
uitkeringen krachtens de sociale verzekeringswetten.
4.7.5. De uitbetaling van de vakantietoeslag vindt uiterlijk plaats in de maand mei.

4.8 Eindejaarsuitkering
4.8.1 De eindejaarsuitkering bedraagt in 2008 3,5% van het door de werknemer in het
desbetreffende kalenderjaar feitelijk verdiende bruto salaris, vermeerderd met de
in dat jaar opgebouwde vakantietoeslag.
4.8.2 De eindejaarsuitkering bedraagt in 2009 5,5% van het door de werknemer in het
desbetreffende kalenderjaar feitelijk verdiende bruto salaris,vermeerderd met de
in dat jaar opgebouwde vakantietoeslag.
4.8.3 De eindejaarsuitkering bedraagt in 2010 8,3% van het door de werknemer in het
desbetreffende kalenderjaar feitelijk verdiende bruto salaris, vermeerderd met de
in dat jaar opgebouwde vakantietoeslag.
4.8.4 De eindejaarsuitkering zoals bedoeld in de leden 1 en 2 bedraagt per december
2008 minimaal € 1052,49, per december 2009 minimaal € 1079,85 en per
december 2010 minimaal € 1094,25 bij een volledig dienstverband
4.8.5 Heeft de werknemer in een maand of gedeelte daarvan een niet volledig
dienstverband, dan wordt deze minimale eindejaarsuitkering naar evenredigheid
verminderd.
4.8.6 De eindejaarsuitkering zoals bedoeld in leden 1 2 en 3 wordt in december
uitgekeerd, dan wel zoveel eerder als het dienstverband in het desbetreffende
kalenderjaar eindigt.
4.8.7 Naast het bepaalde in leden 1, 2, 3 , 4 en 5 kan de werkgever met instemming
van de ondernemingsraad een regeling treffen waarin werknemers een extra
uitkering ontvangen.

4.9 Jubileumuitkering
4.9.1 De werknemer die, al of niet met onderbreking, in dienst is geweest van een of
meer werkgevers die onder de werkingssfeer van deze CAO, de CAO Jeugdzorg,
de CAO Kinderopvang, voor Kindercentra en Gastouderbureaus of de voormalige
CAO Gezinsverzorging vallen, heeft bij het volbrengen van een diensttijd van 25,
40 of 50 jaar recht op een jubileumgratificatie. Deze gratificatie is als volgt:
– bij 25 dienstjaren een half maandsalaris;
– bij 40 dienstjaren een heel maandsalaris;
– bij 50 dienstjaren een heel maandsalaris.
4.9.2 Het in lid 1 bedoelde maandsalaris bestaat uit:
4.9.2.a het bruto maandsalaris, vermeerderd met
4.9.2.b de vakantietoeslag over een maand, en met
4.9.2.c het bedrag dat gemiddeld per maand over een periode van 3
maanden voorafgaande aan het jubileum aan toeslag volgens artikel
5.2.1 van de CAO is genoten.

 

HOOFDSTUK 5: TOESLAGEN

5.1 Toeslag waarneming hoger gesalarieerde functie
5.1.1. De werknemer met wie is overeengekomen dat hij tijdelijk een hoger
gesalarieerde functie van een andere werknemer volledig of nagenoeg volledig
waarneemt, anders dan wegens vakantieverlof, ontvangt een toelage. Deze
toelage wordt op het moment dat de waarneming 30 dagen heeft geduurd met
terugwerkende kracht toegekend, tot het tijdstip waarop de waarneming begon.
De toelage bedraagt het verschil tussen zijn salaris en het salaris dat hij zou
ontvangen, als de werknemer zou worden ingeschaald in de waargenomen functie.
5.1.2. Als de werkgever de waarneming opdraagt aan meerdere werknemers, wordt aan
de werknemers een toelage toegekend evenredig aan het door de werkgever
vastgestelde percentage van de waarneming.

5.2 Onregelmatigheidstoeslagen
In deze CAO zijn drie vergoedingsregelingen opgenomen voor het werken op
onregelmatige tijdstippen.
• In artikel 5.2.1 is een toelage onregelmatige diensten geregeld voor
werknemers van een instelling voor maatschappelijke opvang.
• In artikel 5.2.2 is een toelage inconveniënte uren geregeld voor
werknemers van enkele specifiek genoemde (categorieën) werkgevers.
• In artikel 5.2.3 is een onregelmatigheidstoeslag geregeld voor werknemers
in dienst van de overige onder de CAO vallende werkgevers.
5.2.1 Toeslag onregelmatige diensten
5.2.1.1. De werknemer die werkt bij een instelling met een 24-uursvoorziening,
zoals bedoeld in 1.2. A.7, en die:
5.2.1.a. niet een functie vervult welke hoger wordt gesalarieerd dan
overeenkomstig schaal 9 periodiek 13 uit Bijlage 2;
5.2.1.b. niet de functie van directeur of adjunct-directeur vervult en beneden
het in 5.2.1.a vermelde periodieknummer wordt gesalarieerd, mits
deze werknemer niet langer dan 3 maanden in de leefgroep ter
assistentie moet mee functioneren in wisselende dienst,
ontvangt een toeslag als hij regelmatig volgens rooster werkzaamheden verricht
buiten de uren gelegen tussen 08.00 uur en 18.00 uur van maandag tot en met
vrijdag of op een zaterdag, zondag of feestdag.
5.2.1.2.a. Om in aanmerking te komen voor toekenning van een toeslag
onregelmatige dienst verricht de werknemer minstens 20% van de
werktijden op uren, anders dan tussen 8.00 en 18.00 uur op de
werkdagen maandag tot en met vrijdag. Verrichte werkzaamheden
tussen 7.00 en 8.00 uur en tussen 18.00 en 19.00 uur op de
werkdagen maandag tot en met vrijdag worden alleen beschouwd
als onregelmatige dienst als de arbeid reeds is aangevangen vóór
7.00 uur, respectievelijk pas wordt beëindigd na 19.00 uur.
Werkzaamheden op zaterdagen, zondagen of feestdagen worden
altijd als onregelmatige dienst beschouwd.
5.2.1.2.b. Bij de berekening van het aantal onregelmatige uren wordt de
vakantieperiode meegenomen, op basis van het dienstrooster dat voor de
werknemer van toepassing is. Is er sprake van wisselende werktijden of
roosters, dan wordt wat de vakantieperiode betreft uitgegaan van het
laatstgemeten percentage, zoals bedoeld in onder c. Dezelfde regeling is
van toepassing in geval van afwezigheid wegens ziekte. Indien de
werknemer bij hervatting van de werkzaamheden op van het dienstrooster
afwijkende tijden arbeid verricht, zal de toelage nog gedurende een
halfjaar op dezelfde voet als vóór de ziekte worden uitgekeerd. Daarna
wordt de toeslag aangepast aan de dan bestaande situatie.
5.2.1.2.c. Het percentage wordt gemeten per kalenderkwartaal.
5.2.1.3.a. De toeslag onregelmatige dienst wordt uitgedrukt in een percentage van
het voor de werknemer geldende salaris. Dit percentage is gedifferentieerd
naar de mate waarin onregelmatig wordt gewerkt. Voor zover het in artikel
5.2.1.2.a bedoelde percentage:
– tussen 20 en 40% ligt, bedraagt de toeslag 8,5% van het salaris;
– 40% of meer is, bedraagt de toeslag 15,5% van het salaris;
met dien verstande dat de toelage per maand maximaal wordt berekend
over het bedrag overeenkomstig schaal 3 periodiek 11 uit Bijlage 2.
5.2.1.3.b. Heeft de werknemer een deeltijddienstverband, dan wordt het
toeslagpercentage bepaald op basis van de verhouding tussen het aantal
uren waarop onregelmatig wordt gewerkt, en de met de werknemer
overeengekomen (gemiddelde) omvang van zijn dienstverband.
5.2.2 Toeslag inconveniënte uren
De werknemer ontvangt een toeslag als de werknemer in opdracht van de werkgever
binnen de in de arbeidsovereenkomst overeengekomen werktijden werk verricht buiten
de uren gelegen tussen 08.00 uur en 18.00 uur op maandag tot en met vrijdag, of op
een zaterdag, zondag of feestdag.
Deze regeling geldt voor de werknemer die:
5.2.2.1.1 de functie van assistent sociaal raadsman, sociaal raadsman, leidinggevend
raadsman of een inhoudelijk daarmee vergelijkbare functie vervult in dienst
van een werkgever van een instelling voor sociaal raadsliedenwerk. De
genoemde functies zijn opgenomen in artikel 4 a t/m c van
Uitvoeringsregeling A 6 Salarisregeling Maatschappelijke Hulpdiensten van
de CAO 2001-2002;
5.2.2.1.2 de functie van begeleider/trainer of directeur vervult in dienst van een
werkgever van een instelling voor telefonische hulpdiensten, zoals
omschreven in 1.2.A.6. b;
5.2.2.1.3 de functie van (leidinggevend) maatschappelijk werker vervult in dienst
van een werkgever van een instelling voor fiom-hulpverlening, zoals
omschreven in 1.2.A.6.c;
5.2.2.1.4 de functie van consulent bovenlokale steunfunctie minderheden of een
daarmee vergelijkbare functie vervult in dienst van een werkgever van een
instelling voor welzijn minderheden, asielzoekers en vluchtelingen. De
genoemde functies zijn opgenomen in artikel 4 onderdeel B van
Uitvoeringsregeling A IV Salarisregeling Welzijnsinstellingen Culturele
Minderheden van de CAO 2001-2002;
5.2.2.1.5 de functie van maatschappelijk werker vervult in dienst van een werkgever
van een instelling voor maatschappelijk werk, zoals omschreven in 1.2.A.6.
e t/m f, van de CAO, op voorwaarde dat aan deze werknemer door de
werkgever werkzaamheden zijn opgedragen in het kader van de ‘7 x 24-
uurs bereikbaarheid van het Maatschappelijk Werk’;
5.2.2.1.6.a. een functie vervult in de facilitaire dienst van een werkgever van een
instelling voor Vorming, Training en Advies, zoals omschreven in 1.2.A.10;
5.2.2.1.6.b. het in 5.2.2.1.6.a bepaalde houdt in dat deze regeling niet geldt voor de
werknemer die een cursusleider-/trainer-of managementfunctie vervult.
5.2.2.2
5.2.2.2.a. Tot inconveniënte uren behoren de uren waarin werkzaamheden worden
verricht:
. anders dan tussen 08.00 uur en 18.00 uur op de werkdagen
maandag tot en met vrijdag;
. op zaterdag, zondag en feestdagen.
5.2.2.2.b. De werkzaamheden die korter dan een uur achter elkaar worden verricht
tellen in de berekening van het aantal inconveniënte uren niet mee.
5.2.2.3
5.2.2.3.1 De toeslag voor inconveniënte uren wordt berekend per gewerkt uur en
uitgedrukt in een percentage van het voor de werknemer geldende
uurloon, zoals bedoeld in 1.1.f.3.(1/ 156 × het bruto maandloon).
5.2.2.3.2.a. Het in het eerste lid bedoelde percentage wordt ten hoogste berekend over
het uurloon dat is afgeleid van het bruto salaris behorend bij schaal 3
periodiek 11 uit Bijlage 2.
5.2.2.3.2.b. Het in 5.2.2.3.2.a bepaalde is niet van toepassing op de werknemer zoals
bedoeld in artikel 1.2.1.5.
5.2.2.3.3 Het percentage van de toeslag bedraagt:
. 20% voor werkzaamheden op maandag tot en met vrijdag tussen
06.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 en 22.00 uur;
. 30% voor werkzaamheden op zaterdag van 06.00 tot 22.00 uur;
. 40% voor werkzaamheden op maandag tot en met zaterdag tussen
22.00 en 06.00 uur;
. 45% voor werkzaamheden op zon-, feest-of gedenkdagen, zoals
bedoeld in 7.5.
5.2.3 Onregelmatigheidstoeslag
5.2.3.1. De werknemer, op wie artikelen 1.1 en 1.2 niet van toepassing zijn en die
niet is ingeschaald in schaal 11 of een hogere schaal uit Bijlage 2 en die
niet een leidinggevende functie vervult. ontvangt een toeslag als de
werknemer in opdracht van de werkgever werk verricht buiten de uren
gelegen tussen 07.00 uur en 19.00 uur op maandag tot en met vrijdag, of
op een zaterdag, zondag of feestdag.
5.2.3.2. Als op de werknemer een afwijkende regeling voor het werken op
onregelmatige tijden van toepassing was voor 1 januari 2001, blijft deze
afwijkende regeling van kracht. Voorwaarde is dat de afwijkende regeling
gunstiger is voor de werknemer.
5.2.3.3. De toeslag wordt berekend overeenkomstig de onderstaande tabel:
Onregelmatigheids-00.00-07.00-19.00-
toeslag 07.00 uur 19.00 uur 24.00 uur
Maandag t/m vrijdag 20% 20%
Zaterdag 40% 30% 40%
Zon-en feestdagen 45% 45% 45%
5.2.3.4. Over de eerste werkdag per week waarop door de werknemer buiten de in
5.2.3.1 genoemde uren wordt gewerkt wordt geen
onregelmatigheidstoeslag toegekend.
5.2.3.5. De onregelmatigheidstoeslag wordt op de werkdagen maandag tot en met
vrijdag alleen toegekend als de werknemer zijn werkzaamheden voor 06.00
uur begint of na 20.00 uur beëindigt.
5.2.3.6. De onregelmatigheidstoeslag bestaat wordt per uur berekend door de in de
tabel van lid 3 genoemde percentages toe te passen op het voor de
werknemer geldende uurloon als bedoeld 1.1.f.3 (1/156 x het bruto
maandloon). De onregelmatigheidstoelage wordt ten hoogste berekend
over het uurloon dat hoort bij schaal 4 periodiek 10 uit Bijlage 2.

5.3 Arbeidsmarkttoeslag
5.3.1. De werkgever kan aan (groepen) werknemers een arbeidsmarkttoeslag
toekennen.
5.3.2. De in 5.3.1 bedoelde toeslag bedraagt maximaal 10% van het salaris.
5.3.3. De in 5.3.1 bedoelde toeslag wordt toegekend voor de duur van een jaar. De
toekenning kan steeds met een jaar verlengd worden.
5.3.4. Een regeling voor het toekennen van arbeidsmarkttoeslagen zoals bedoeld in de
leden 5.3.1 t/m 3 in dit artikel, moet tot stand komen met instemming van de OR.

5.4 Bereikbaarheidstoeslag
5.4.1. De werknemer die zich op grond van 3.7.1.a t/m c bereikbaar houdt, ontvangt
daarvoor een compensatie in vrije tijd. Deze compensatie bedraagt voor elk vol
etmaal op maandag tot en met vrijdag: één uur; op zaterdagen, zondagen, feest-
en gedenkdagen: twee uren. De werkuren die vallen in een etmaal, maken deel
uit van dat etmaal. De werknemer die zich slechts gedurende een gedeelte van
een etmaal beschikbaar houdt ontvangt naar rato compensatie in vrije tijd.
5.4.2. De werkgever kan besluiten de in lid 1 bedoelde compensatie in vrije tijd om te
zetten in een financiële vergoeding, op basis van het voor de werknemer geldende
uurloon, zoals bedoeld in artikel 1.1.f.3. van de CAO.
5.4.3 In die organisaties waar maatschappelijk werkers in aanmerking
komen voor bereikbaarheidsdiensten, én er andere werknemers dan
maatschappelijk werkers bereikbaarheidsdiensten krijgen
opgedragen, dient de werkgever voor hen een vergoedingsregeling
overeen te komen met de Ondernemingsraad.

5.5 Slaapdiensttoeslag
5.5.1.a. De werknemer die in opdracht van de werkgever naast andere op grond
van de arbeidsovereenkomst uitgevoerde werkzaamheden een slaapdienst
als bedoeld in artikel 3.6 verricht, ontvangt hiervoor in plaats van een op
het salaris gebaseerde vergoeding een vergoeding in de vorm van
doorbetaalde vrije tijd ter grootte van 50% van de duur van de
slaapdienst.
5.5.1.b. De werkgever kan de 5.5.1.a bedoelde compensatie in doorbetaalde vrije
tijd omzetten in een financiële vergoeding, op basis van het voor de
werknemer geldende uurloon, zoals bedoeld in artikel 1.1.f.3. van de CAO.
5.5.1.c. De werknemer die uitsluitend slaapdiensten verricht als arbeid, ontvangt
hiervoor het voor deze werknemer geldende volledige uurloon.
5.5.2. Indien en voor zover de in artikel 1.1.a bedoelde werknemer tijdens
een slaapdienst op oproep de bedongen arbeid verricht, ontvangt deze
hiervoor naast de in artikel 1.1.a bedoelde vergoeding tevens een
vergoeding op basis van diens salaris.
Indien binnen een half uur na het beëindigen van de arbeid die uit een
oproep voortvloeit opnieuw een oproep plaatsvindt, ontvangt de
werknemer voor de tussenliggende periode eveneens de in de vorige zin
bedoelde vergoeding

 

HOOFDSTUK 6: TEGEMOETKOMINGEN EN VERGOEDINGEN

6.1 Verhuiskostenvergoeding
6.1.1. De werkgever stelt met instemming van de ondernemingsraad een
ondernemingsregeling vast voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten als de
werknemer op grond van 1.6.1 verplicht is te verhuizen, de dienstwoning te
verlaten of als er een aantoonbare medische noodzaak is om te verhuizen. Deze
regeling wordt vastgesteld binnen de fiscaal toegestane normen.
6.1.2. Zolang de in 6.1.1 bedoelde verhuiskostenvergoeding niet tot stand is gekomen,
past de werkgever de bepalingen toe die zijn opgenomen in bijlage
11.1.‘Verhuiskostenvergoeding en tegemoetkoming woon/ werkverkeer bij
verhuisplicht’.

6.2 Tegemoetkoming woon-werkverkeer
6.2.1. De werkgever stelt met instemming van de ondernemingsraad een
ondernemingsregeling vast voor het vergoeden van reiskosten woon-werkverkeer.
6.2.2. Daarin wordt tevens de tegemoetkoming woon-werkverkeer voor stagiaires
opgenomen en desgewenst een regeling ter bevordering van de mobiliteit van de
gehandicapte werknemer. De stagiaire heeft geen recht op deze tegemoetkoming
voor zover hij tijdens zijn stageperiode gebruik kan maken van zijn OV-jaarkaart.
6.2.3. Mocht een werknemer in opdracht van de werkgever op een zodanig tijdstip
moeten reizen tussen woonplaats en plaats van tewerkstelling dat daar volgens de
werkgever een sociaal veiligheidsrisico aan is verbonden, dan zal de werkgever
daarvoor een adequate oplossing bieden in de vorm van een vergoeding voor de
meest passende vorm van vervoer.

6.3 tegemoetkomingen en vergoedingen voor stagiaires
6.3.1. Kosten anders dan de in 6.2 bedoelde kosten die de stagiaire tijdens zijn stage
maakt in opdracht van de werkgever worden conform de bepalingen van deze
CAO of de binnen de organisatie van toepassing zijnde ondernemingsregelingen
vergoed.
6.3.2. De werkgever kan aan leerlingen die een stage lopen een stagevergoeding geven.

6.4 Reis-en verblijfskostenvergoeding
6.4.1. De werkgever stelt met instemming van de ondernemingsraad en overeenkomstig
artikel 27 WOR een ondernemingsregeling vast voor de vergoeding van reis-en
verblijfkosten die een werknemer in opdracht van de werkgever maakt in het
kader van zijn werkzaamheden.
6.4.2. Uitgangspunten van de ondernemingsregeling zijn:
6.4.2.a. De werkgever is verplicht de fiscaal vrijgestelde
vergoedingsmogelijkheden optimaal te benutten door de vergoeding
voor dienstreizen te salderen met de vergoeding voor woon-
werkverkeer.
6.4.2.b. Als er sprake is van een vergoeding per afgelegde kilometer waarbij
de werknemer met toestemming van de werkgever gebruik maakt
van de eigen auto, ontvangt de werknemer van 1 mei 2008 tot 1
oktober 2008 de volgende vergoeding :
1 t/m 5.000 km €0,37
5.001 t/m 10.000 km €0,33
10.001 en meer €0,30
Per 1 oktober 2008 geldt volgende vergoeding:
1 t/m 5.000 km €0,39
5.001 t/m 10.000 km €0,35
10.001 en meer €0,32
6.4.2.c. Een afspraak over een mogelijke vergoeding voor tol-en
parkeergelden moet onderdeel uitmaken van de regeling.
6.4.2.d. Verder moet de regeling afspraken bevatten over:
-een vergoeding als gebruik wordt gemaakt van het openbaar
vervoer, de fiets of de bromfiets;
-een algemene vergoeding voor de werknemer die zonder
toestemming van de werkgever voor dienstreizen gebruik maakt
van de eigen auto in plaats van het openbaar vervoer;
-een vergoeding voor verblijfkosten: de werkelijk gemaakte
kosten met een maximum van € 118,17;
-verzekering van auto/motor/bromfiets die mede de
aansprakelijkheid van de werkgever dekt.
6.4.2.e. Indexatie van de vergoedingsbedragen moet onderdeel uitmaken
van de regeling.
6.4.3 Zolang de ondernemingsregeling niet tot stand is gekomen, past de
werkgever voor de vergoeding van reis-en verblijfkosten zoals bedoeld in
lid 1 de bepalingen toe die zijn opgenomen in bijlage Y van de CAO 2007-
2008 (digitaal beschikbaar via www.fcbwjk.nl)

6.5 Tegemoetkoming premie ziektekostenverzekering
De werknemer ontvangt een maandelijkse tegemoetkoming in de premie voor zijn
ziektekostenverzekering van € 10,= bruto ongeacht de omvang van zijn dienstverband.

6.6 Thuiswerk/telewerken
De werkgever en de Ondernemingsraad of Personeelsvertegenwoordiging maken
afspraken die telewerken stimuleren. Zij stellen vast welke groepen werknemers kunnen
thuiswerken. De werknemer kan indien hij onder deze doelgroep valt een verzoek doen
aan de werkgever om minimaal 1 dag per week thuis te werken. De werkgever komt met
de OR of Personeelsvertegenwoordiging een vergoedingsregeling overeen.
Een model protocol thuiswerk/ telewerken is digitaal beschikbaar op www.fcbwjk.nl

6.7 Vergoeding en inwoning
In het geval de werkgever aan de werknemer voeding en / of inwoning wordt verstrekt,
wordt de wet-en regelgeving van de Belastingdienst in acht genomen.

6.8 Telefoonkosten
De werkgever stelt met instemming van de ondernemingsraad binnen de fiscale normen
een ondernemingsregeling vast voor de vergoeding van telefoonkosten.

6.9 Registratiekosten Wet BIG
De werkgever vergoedt aan de werknemer die de functie van verpleegkundige vervult
eenmalig de registratiekosten in het kader van de Wet op de Beroepen in de Individuele
Gezondheidszorg (Wet BIG), mits de werknemer op het tijdstip van registratie in dienst
van de vergoedende werkgever is.

 

HOOFDSTUK 7: VERLOF

7.1 Aantal vakantie uren
7.1.a. De werknemer met een volledig dienstverband (36 uur of meer) heeft recht
op 170 uur basisvakantieverlof per kalenderjaar.
7.1.b. Het aantal uren basisvakantieverlof wordt, afhankelijk van de leeftijd die de
werknemer in het desbetreffende kalenderjaar bereikt, verhoogd
overeenkomstig de hiernavolgende tabel.
Leeftijd Verhoging
30 tot en met 39 jaar: 7,2 uur
40 tot en met 44 jaar: 14,4 uur
45 tot en met 49 jaar: 21,6 uur
50 tot 65 jaar: 36 uur

7.2 Opname vakantieverlof
7.2.1. De vakantie moet in de regel in het desbetreffende kalenderjaar worden
opgenomen, tenzij werkgever en werknemer in overleg besluiten daarvan af te
wijken. De tijdstippen van aanvang en einde van de vakantie worden door de
werkgever tijdig in overleg met de werknemer bepaald, met dien verstande dat de
vakantie ten minste twee aaneengesloten weken bedraagt.
7.2.2. In enig jaar niet-genoten vakantieverlof wordt zoveel mogelijk in een volgend
kalenderjaar door de werknemer opgenomen, met dien verstande dat de
werknemer in geen kalenderjaar meer verlof kan opnemen dan anderhalf maal het
hem volgens artikel 7.1 toekomende verlof.
7.3.3. Als de werknemer voorafgaand aan dan wel tijdens een vastgestelde vakantie
arbeidsongeschikt wordt, geldt de verleende vakantie niet als vakantie indien de
werknemer deze arbeidsongeschiktheid aan de werkgever voldoende aantoont.
7.4.4. De werknemer die een deel van het kalenderjaar in dienst van de werkgever is
(geweest) heeft een evenredige aanspraak op vakantie, waarbij afronding op hele
uren ten gunste van de werknemer plaatsvindt.

7.3 Vakantieverlof bij einde dienstverband
7.3.1. Bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst overleggen werknemer en
werkgever over de opname van het resterende vakantieverlof.
7.3.2. Indien de werknemer het hem toekomende vakantieverlof niet geheel heeft
kunnen opnemen, zullen de resterende vakantierechten bij het einde van de
arbeidsovereenkomst worden uitbetaald.
7.3.3. Teveel genoten vakantieverlof zal bij het einde van de arbeidsovereenkomst
worden verrekend.

7.4 Feestdagen
7.4.1. De werknemer heeft recht op verlof met behoud van salaris op de navolgende
dagen, voor zover deze niet op een zaterdag of zondag vallen:
• nieuwjaarsdag,
• tweede paasdag,
• Koninginnedag,
• 5 mei,
• hemelvaartsdag,
• tweede pinksterdag,
• eerste en tweede kerstdag.
De feestdagen omvatten een tijdvak van 24 uur, te beginnen om 0.00 uur op de
betrokken dag.
7.4.2. Als het belang van het werk en de normale voortgang van de werkzaamheden in
strijd zijn met toekenning van het genoemde verlof vindt compensatie plaats door
toekenning van vervangend verlof met behoud van salaris.
De werknemer die op wisselende tijden werkzaam is en die op een in 7.4.1
genoemde verlofdag heeft gewerkt, of volgens rooster vrij was of wegens
arbeidsongeschiktheid of vakantie niet kon werken, heeft eveneens recht op
toekenning van vervangend verlof met behoud van salaris.
7.4.3. De werknemer die voor de viering van een niet-christelijke feest-of gedenkdag
tijdig daartoe een verzoek indient zal – voor zover de bedrijfsomstandigheden dit
toelaten – op die dag niet te hoeven werken. De werkgever bepaalt na overleg
met de werknemer of dit wordt gerealiseerd via:
-vrij volgens rooster;
-het opnemen van een vakantiedag;
-buitengewoon verlof met of zonder behoud van salaris.

7.5 Buitengewoon verlof
7.5.1. Tenzij de te verrichten werkzaamheden zich naar het oordeel van de werkgever
daartegen verzetten, heeft de werknemer recht op buitengewoon verlof met
behoud van salaris op het hieronder genoemde aaneengesloten aantal werkdagen,
als en voor zover werkverzuim onvermijdelijk is.
7.5.1.a bij zijn ondertrouw, of bij het passeren van zijn notariële
samenlevingsovereenkomst: 1 dag
7.5.1.b bij zijn huwelijk, of bij de registratie van zijn partner in de zin van
de Wet op de Partnerregistratie: 3 dagen
7.5.1.c bij overlijden van bloed-of aanverwanten:
– 4 dagen bij het overlijden van de onder artikel 11.2 lid 1
bedoelde personen;
– 2 dagen bij overlijden van bloed-of aanverwanten in de
tweede graad en ten hoogste één dag bij overlijden van
bloed-of aanverwanten in de derde of vierde graad;
Als de werknemer belast is met de regeling van de begrafenis,
crematie en/of nalatenschap, worden ten hoogste 4 dagen verleend;
7.5.1.d. de werknemer heeft in verband met de adoptie van een kind recht
op verlof conform artikel 3.2 van de Wet arbeid en zorg.
7.5.2. In alle andere bijzondere gevallen kan de werkgever, indien hij oordeelt dat
hiertoe aanleiding bestaat, buitengewoon verlof met of zonder behoud van
salaris verlenen voor een van geval tot geval beperkte tijdsduur.
7.5.3. De werkgever is gehouden een afwijzing van een verzoek om buitengewoon
verlof schriftelijk en gemotiveerd aan de werknemer mede te delen.

7.6 Levensloopverlof
Als de werknemer die levensloopverlof opneemt tijdens zijn verlof zijn pensioenopbouw
geheel of gedeeltelijk vrijwillig voortzet, betaalt de werkgever het werkgeversaandeel,
geheel of gedeeltelijk, in de pensioenpremie.

7.7 Werk en privé
7.7.1 De werknemer kan gebruik maken van verschillende vormen van betaald of
onbetaald verlof. Deze verlofregelingen zijn wettelijk bepaald:
• zwangerschaps-en bevallingsverlof
• adoptieverlof
• calamiteiten – en ander kortdurend verlof
• kraamverlof
Met uitzondering van calamiteitenverlof dienen deze verlofvormen vooraf
schriftelijk en tijdig bij de werkgever te worden aangevraagd; voor
ouderschapsverlof geldt daarbij een aanvraagtermijn van minimaal 2 maanden.
7.7.2 OUDERSCHAPSVERLOF
In afwijking van en in aanvulling op hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg gelden voor
de werknemer die van het recht op ouderschapsverlof gebruik wil maken onderstaande
bepalingen.
7.7.2.1. Het maximum aantal uren van het verlof wordt bepaald door de
gemiddelde arbeidsduur per week van de werknemer te vermenigvuldigen
met 26.
7.7.2.2. Als de werknemer voor 1 juli 2007 schriftelijk afspraken heeft gemaakt met
de werkgever over het gebruikmaken van de verlofregeling in de toekomst:
7.7.2.2.a Indien het verlof wordt opgenomen over een periode van 12
maanden of korter dan 12 maanden, wordt over de opgenomen verlofuren
40% van het salaris minus de fiscale ouderschapsverlofkorting waar de
werknemer recht op heeft of zou hebben als hij deelneemt aan levensloop
betaald. Dit gedurende maximaal 12 maanden en tot hoogstens de helft
van de in de arbeidsovereenkomst vastgelegde gemiddelde omvang van
het dienstverband per week.
7.7.2.2.b Indien het verlof wordt opgenomen over een periode van
langer dan 12 maanden tot maximaal 24 maanden, wordt over de
opgenomen verlofuren 25% van het salaris minus de fiscale
ouderschapsverlofkorting waar de werknemer recht op heeft of zou hebben
als hij deelneemt aan levensloop betaald. Dit gedurende maximaal 24
maanden en tot hoogstens de helft van de in de arbeidsovereenkomst
vastgelegde gemiddelde omvang van het dienstverband per week.
7.7.2.2.c. Indien het verlof wordt opgenomen in twee of drie periodes
en de werknemer legt deze periodes vooraf vast, dan wordt de hoogte van
de vergoeding bepaald volgens de 7.7.2.2.a en 7.7.2.2.b. Als de
werknemer vooraf de periodes niet vastlegt, ontvangt de werknemer voor
zover het verlof wordt opgenomen over een periode van 24 maanden of
korter over het verlof een vergoeding ter hoogte van 25% minus de fiscale
ouderschapsverlofkorting waar de werknemer recht op heeft of zou hebben
als hij deelneemt aan levensloop . Dit tot ten hoogste de helft van de in de
arbeidsovereenkomst vastgelegde gemiddelde omvang van het
dienstverband per week.
7.7.2.2.d. In overleg kunnen werkgever en werknemer besluiten deze
afspraken te herzien en gebruik te maken van regeling zoals beschreven in
7.7.2.2.c.
7.7.2.3. Als de werknemer vanaf of na 1 juli 2007 gebruikmaakt van de
verlofregeling, en niet vóór 1 juli 2007 afwijkende afspraken heeft
gemaakt:
7.7.2.3.a. Wordt gedurende de eerste twaalf maanden van het verlof over de
opgenomen verlofuren 40% van het salaris betaald. Dit gedurende
maximaal 12 maanden en tot hoogstens de helft van de in de
arbeidsovereenkomst vastgelegde gemiddelde omvang van het
dienstverband per week.
7.7.2.3.b. Indien het verlof wordt opgenomen in maximaal 6 periodes van ten minste
één maand binnen een periode van 12 maanden:
-en de werknemer legt deze periodes vooraf vast, dan wordt de hoogte
van de vergoeding bepaald volgens 7.7.2.3.a.
-Als de werknemer vooraf de periodes niet vastlegt, ontvangt de
werknemer voor het opgenomen verlof een vergoeding van 10% van het
salaris, tot hoogstens de helft van de in de arbeidsovereenkomst
vastgelegde gemiddelde omvang van het dienstverband per week
7.7.2.4. De vergoeding bij ouderschapsverlof wordt minimaal berekend op basis van
een voltijd bruto salaris van € 2.181,–.
7.7.2.5. Als de werknemer tijdens het verlof besluit tot wijziging van de verlofduur
wordt over de gehele verlofperiode een correctie toegepast, in
overeenstemming met 7.7.2.2 en 7.7.2.3.
7.7.2.6. Als de werknemer de arbeidsovereenkomst op zijn verzoek beëindigt,
tijdens of binnen 6 maanden na het einde van het betaalde
ouderschapsverlof, dan betaalt hij het doorbetaalde salaris over het
ontvangen ouderschapsverlof aan de werkgever terug. Dit is niet het geval
wanneer de werknemer ontslag neemt nadat de werkgever zijn verzoek om
de arbeidsduur aan te passen aan de arbeidsduur tijdens het
ouderschapsverlof heeft geweigerd.
7.7.2.7. Bij vrijwillige voortzetting door de werknemer van de pensioenopbouw
tijdens dit ouderschapsverlof, betaalt de werkgever het werkgeversaandeel
in de pensioenpremie gedurende een periode van maximaal 24 maanden
per kind.
7.7.2.8. De werknemer bouwt geen vakantieverlof op over de uren dat hij
ouderschapsverlof geniet.
7.7.2.9. De in lid 7.7.2.2 tot en met 7.7.2.4 genoemde vergoeding wordt
meegenomen bij de berekening van de vakantietoeslag (artikel 4.7) en de
eindejaarsuitkering (artikel 4.8).
7.7.3 ZORGVERLOF
7.7.3.1 In afwijking van en in aanvulling op het bepaalde in hoofdstuk 5 van de
Wet arbeid en zorg heeft de werknemer recht op kortdurend zorgverlof voor de
noodzakelijke verzorging in verband met ziekte van zijn echtgenoot, ouders,
stiefouders, schoonouders, pleegouders, kinderen, stief-, pleeg-of aangehuwde
kinderen overeenkomstig de volgende bepalingen:
a het verlof bedraagt in elke periode van twaalf achtereenvolgende maanden ten
hoogste 1,4 maal de arbeidsduur per week;
b over de opgenomen uren wordt het salaris volledig doorbetaald;
7.2.3.2 De werknemer heeft recht op langdurend zorgverlof voor de noodzakelijke
verzorging in verband met ziekte van zijn echtgenoot, ouders, stiefouders,
schoonouders, pleegouders, kinderen, stief-, pleeg-of aangehuwde kinderen
overeenkomstig de volgende bepalingen:
a Het verlof wordt uitsluitend verleend aan de werknemer wiens dienstbetrekking ten
minste een jaar heeft geduurd.
b Het maximum aantal uren van het verlof wordt bepaald door de gemiddelde
arbeidsduur per week van de werknemer te vermenigvuldigen met 13.
c Over de opgenomen verlofuren wordt tot 1 juli 2001 25% en met ingang van 1 juli
2001 40% van het salaris doorbetaald. Dit tot hoogstens de helft van de in de
arbeidsovereenkomst vastgelegde gemiddelde omvang van het dienstverband per
week.
d De vergoeding bij zorgverlof wordt minimaal berekend op basis van een voltijd
bruto salaris van € 2.181,–.
e Bij vrijwillige voortzetting door de werknemer van de pensioenopbouw tijdens het
zorgverlof, betaalt de werkgever het werkgeversaandeel in de pensioenpremie.
f Het verlof per week wordt opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van
maximaal 6 maanden en bedraagt hoogstens de helft van de arbeidsduur per week.
g De werknemer kan bij de werkgever een verzoek indienen om verlof voor een
langere periode dan 6 maanden of om meer uren verlof per week dan de helft van
de arbeidsduur per week. De werkgever stemt hiermee in, tenzij gewichtige
redenen het hem onmogelijk maken. Het onder b bepaalde blijft echter
onverminderd gelden.
h Over de uren dat de werknemer zorgverlof geniet wordt vakantieverlof opgebouwd.
i Het onder c, d en e bepaalde geldt slechts gedurende een periode van maximaal 6
maanden.

 

HOOFDSTUK 8 : EMPLOYABILITY

8.1 Scholingsbeleid en loopbaanbeleid
8.1.1 De werkgever stelt met instemming van de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging een plan op waarin de scholings-en
loopbaanmogelijkheden alsmede studiefaciliteiten van de werknemers zijn
opgenomen. Dit plan is gericht op het huidige en het toekomstige functioneren
van de werknemers binnen en buiten de instelling
Tevens is het plan van groot belang voor de arbeidsmarktfitheid van werknemers
en alsmede van een goede uitvoering van het gestelde in 11.5 van deze CAO.
Het plan omvat in ieder geval de volgende onderwerpen:
8.1.1.a welke (categorieën) werknemers in aanmerking komen voor een
loopbaangesprek met een door de werknemer, met instemming van
de werkgever, gekozen deskundige;
8.1.1.b welke mogelijkheden de werkgever biedt ter bevordering van
doorstroming naar hogere functies;
8.1.1.c welk budget jaarlijks minimaal beschikbaar is voor opleidingen en
loopbaanbeleid;
8.1.1.d welke studiefaciliteiten – al dan niet op verzoek van de werknemer –
worden verleend
8.1.1.e op welke wijze wordt omgegaan met de zogeheten erkenning van
verworven competenties (EVC), die binnen en buiten de organisatie
kunnen zijn opgedaan;
8.1.1.f op welke wijze het opdoen van informele leerervaringen wordt
georganiseerd;
8.1.1.g het opstellen van een portfolio of arbeidsmarktpaspoort voor de
werknemer.
Met betrekking tot het verlenen van studiefaciliteiten wordt in ieder geval het
volgende geregeld:
– de aanvraagprocedure;
– de verlofmogelijkheden;
– de kostenvergoeding en eventuele terugbetalingsverplichting;
– de omstandigheden waaronder in individuele gevallen kan worden
afgeweken.
8.1.2 Partijen zullen de uitvoering van het in 8.1.1 genoemde plan voortdurend
stimuleren en ondersteunen.
Doelstelling is om de werkgever en de werknemer concreet te ondersteunen bij
het verhogen van de arbeidsmarktfitheid van de werknemer. De ondersteuning
wordt op een zodanige wijze in instrumenten vormgegeven dat de werknemer van
een passend ondersteuningsaanbod gebruik kan maken.
8.1.3 CAO-partijen erkennen het belang van ethiek, ter bevordering van de verdere
professionalisering in de sector. Partijen bevelen werkgevers aan om binnen het
scholingsbeleid een aanbod te doen aan werknemers dat gericht is op het
versterken van hun professionele competentie, zoals intervisie, supervisie,
studiemomenten, gastsprekers, casusbesprekingen onder leiding van een ethicus

8.2 Bijscholing
De werknemer is verplicht die bijscholingsactiviteiten te volgen die in overleg met zijn
werkgever aangewezen worden als noodzakelijk voor de uitoefening van zijn functie.
Deze bijscholingsactiviteiten worden als opgedragen werkzaamheden beschouwd. De
kosten komen voor rekening van de werkgever.

8.3 Beoordelingsregeling
8.3.1. De werkgever stelt met instemming van de ondernemingsraad of de
personeelsvertegenwoordiging een ondernemingsregeling vast voor de
beoordeling van werknemers.
8.3.2. Zolang de in 8.3.1 bedoelde beoordelingsregeling niet tot stand is gekomen, past
de werkgever voor de beoordeling van werknemers de bepalingen toe die zijn
opgenomen in bijlage 12. Een bezwaar aangaande een definitieve
beoordelingsuitslag kan ingediend worden bij de Geschillencommissie (zie bijlage
7).

 

HOOFDSTUK 9 ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN EN TERUGDRINGEN
ZIEKTEVERZUIM

9.1 Arbocatalogus
Partijen bij deze CAO zijn een arbocatalogus overeengekomen. Deze is
digitaal toegankelijk via www.arbocataloguswmd.fcbwjk.nl. De
werkgever voert een arbeidsomstandighedenbeleid met behulp van de
maatregelen en instrumenten uit de arbocatalogus. De OR en de PVT
heeft instemmingsrecht ten aanzien van alle beleidsbesluiten op dit
terrein.

9.2. Risicoinventarisatie en -evaluatie
Werkgevers met in de regel ten hoogste 25 werknemers, die voor het opstellen
van hun risico-inventarisatie en –evaluatie (RI&E) gebruik maken van de (digitale)
Branche RI&E Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening of, voor
peuterspeelzalen, de (digitale) Branche RI&E Kinderopvang, (beiden te vinden op
www.rie.fcbwjk.nl ) hoeven deze RI&E niet te laten toetsen door een arbodienst of
deskundige.

 

HOOFDSTUK 10 PENSIOEN

10.1 Pensioen
De werkgever kan een deel van de verschuldigde pensioenpremie op het salaris
van de werknemer inhouden. De werknemer is op grond van zijn
arbeidsovereenkomst met de werkgever deelnemer in het Pensioenfonds Zorg
en Welzijn. Onder salaris moet hierbij worden verstaan het salaris van de
werknemer zoals bedoeld in artikel 5 van het -pensioenreglement van het
Pensioenfonds Zorg en Welzijn. Mocht voor de werkgever geen verplichtstelling voor
het Pensioenfonds Zorg en Welzijn gelden, raden CAO-partijen de werkgever aan om zich
in het kader van de harmonisatie van arbeidsvoorwaarden vrijwillig bij het Pensioenfonds
Zorg en Welzijn aan te sluiten.

10.2 Pensioenpremie
Het in 10.1 bedoelde werknemersdeel bedraagt:
10.2.a voor de ouderdoms-en partnerpensioenregeling met ingang
van 1 januari 2007 10,9% over het salaris minus de AOW-
franchise zoals het Pensioenfonds Zorg en Welzijn die
hanteert;
10.2.b voor de arbeidsongeschiktheidspensioenregeling met ingang
van 1 januari 2007 nihil.
Een premielastwijziging die het gevolg is van gewijzigde franchises en/of
premies wordt vanaf 1 januari 2010 gelijk verdeeld over de werkgever en
werknemer. Na besluitvorming over de aanpassing van de franchises en
premies door het bestuur van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn, zullen
partijen bij deze CAO het werknemersdeel per 1 januari 2010 bekend maken.

10.3 Melding OBU
De werknemer die gebruik wil maken van de overbruggingsuitkering dient dit uiterlijk
drie maanden voorafgaand aan de gewenste ingangsdatum aan zijn werkgever te
melden. Werkgever en werknemer overleggen uiterlijk drie maanden voor de datum
waarop de werknemer gebruik wenst te maken van de overbruggingsuitkering.

 

Hoofdstuk 11 : Werkgelegenheid en Sociale Zekerheid

11.1. WGA premie
De van 1 mei 2008 tot en met 31 december 2010 door de werkgever
ingehouden WGA-premie op het salaris van de werknemer is nihil.

11.2. Betaling tijdens arbeidsongeschiktheid
11.2.1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder
laatstgenoten salaris:
11.2.1.a. het salaris dat de werknemer ontvangt op het moment dat de
in 11.2 genoemde verhindering wegens ziekte,
arbeidsongeschiktheid, zwangerschap of bevalling is
ontstaan, vermeerderd met
11.2.1.b. overige loonbestanddelen volgens de dagloonregelingen van
de ZW en de WAO of de WIA . De hoogte van deze
loonbestanddelen wordt op maandbasis gemeten over een
periode van drie maanden voorafgaand aan de maand waarin
de in 11.2 genoemde verhindering wegens ziekte,
arbeidsongeschiktheid, zwangerschap of bevalling is
ontstaan.
Bijstellen van het laatstgenoten salaris vindt plaats als het maandsalaris
verandert door toepassing van artikel 23 of door aanpassing van het
maandsalaris aan de algemene loonontwikkeling van de CAO.
11.2.2. De werknemer die wegens ziekte, arbeidsongeschiktheid,
zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk verhinderd is de
bedongen arbeid te verrichten, heeft voor de duur hiervan, zolang
de arbeidsovereenkomst voortduurt, recht op doorbetaling van zijn
laatstgenoten salaris tot een percentage van:
-100% tijdens de eerste tot en met de twaalfde maand;
-70% tijdens de dertiende tot en met de vierentwintigste maand.
11.2.3. De werknemer heeft voor de duur van de in 11.2 bedoelde
verhindering wegens ziekte, arbeidsongeschiktheid, zwangerschap
of bevalling, zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, recht op
doorbetaling van zijn laatstgenoten salaris tot een percentage van
85% tijdens de dertiende tot en met de vierentwintigste maand
indien hij een van de volgende activiteiten verricht:
. het uitvoeren van op reïntegratie gerichte werkzaamheden in
het kader van een reïntegratieplan;
. het volgen van scholing/training gericht op werkhervatting;
. het aanvaarden van een (tijdelijk) lager gesalarieerde functie
(al dan niet bij de eigen werkgever), tenzij het salaris
behorend bij deze functie hoger is dan de hiervoor in dit lid
bedoelde loondoorbetaling tijdens de dertiende tot en met de
vierentwintigste maand.
11.2.3.A Indien de werknemer in het kader van zijn re-integratie meer dan
85% van zijn gemiddelde arbeidsduur werkt, dan ontvangt hij een
gelijk percentage van zijn laatstgenoten salaris.
11.2.4 De werknemer die na 1 januari 2006 in het kader van de WIA,
eerder dan na de gebruikelijke wachttijd een uitkering volgens de
regeling Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA-
regeling) ontvangt, ontvangt van de werkgever een aanvulling op
deze uitkering.
Deze uitkering (inclusief het eventuele
arbeidsongeschiktheidspensioen) wordt tijdens de eerste tot en
met de twaalfde maand van zijn ongeschiktheid aangevuld tot
100% van zijn laatstgenoten salaris en tijdens de dertiende tot en
met de achttiende maand van zijn ongeschiktheid tot 85% van zijn
laatstgenoten salaris.
Deze aanvulling op de IVA-regeling duurt uiterlijk 18 maanden
gerekend vanaf de eerste ziektedag. Als het dienstverband eindigt,
eindigt ook de aanvulling.
11.2.5. Bij de toepassing van de leden 2, 3 en 4 worden perioden waarin de
werknemer verhinderd is werkzaamheden te verrichten
samengeteld, indien die perioden elkaar met een onderbreking van
minder dan vier weken opvolgen (zie artikel 7:629 BW).
11.2.6. Wanneer de werknemer gedurende de in de leden 2, 3 en 4
genoemde perioden recht heeft op een wettelijke uitkering en deze
uitkering de in de leden 2, 3 en 4 genoemde loondoorbetaling en
aanvulling overstijgt, ontvangt de werknemer deze uitkering.
11.2.7. De in lid 2 genoemde tijdvakken worden verlengd met de periode
waarin de vrouwelijke werknemer zwangerschaps-of
bevallingsverlof geniet. Als de vrouwelijke werknemer een
uitkering overeenkomstig artikel 3:7 van de Wet arbeid en zorg
ontvangt, betaalt de werkgever, indien deze uitkering lager is dan
het laatstgenoten salaris, een aanvulling tot aan het voornoemde
laatstgenoten salaris.
11.2.8. De werknemer heeft gedurende de in de leden 11.2, 11.3, 11.4 en
11.6 genoemde perioden recht op vakantietoeslag, onder aftrek
van eventueel uit andere bron(nen) ontvangen vakantietoeslag.
11.2.9. De in de leden 11.2, 11.3 en 11.4 genoemde doorbetaling en
aanvulling wordt verminderd met door de werknemer buiten zijn
arbeidsovereenkomst ontvangen inkomsten voor tijdens de in 11.2
bedoelde verhindering wegens ziekte, arbeidsongeschiktheid,
zwangerschap of bevalling verrichte werkzaamheden voor zover
deze werkzaamheden zijn gestart na de datum waarop de
verhindering ontstond.
11.2.10. De werknemer heeft geen recht op loondoorbetaling:
11.2.10.a. indien de arbeidsongeschiktheid opzettelijk door de
werknemer is veroorzaakt;
11.2.10.b. indien de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een
gebrek dat de werknemer bij het aangaan van de
arbeidsovereenkomst opzettelijk heeft verzwegen of
waarover hij de werkgever opzettelijk onjuiste informatie
heeft verstrekt;
11.2.10.c. voor de tijd dat zijn genezing langer duurt doordat de
werknemer zijn genezing belemmert of vertraagt;
11.2.10.d. voor de tijd, gedurende welke de werknemer zonder
deugdelijke gronden weigert mee te werken aan door de
werkgever of door een door de werkgever aangewezen
deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen
maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in staat
te stellen passende arbeid als bedoeld in BW 7:658a lid 4 te
verrichten;
11.2.10.e. voor de tijd, gedurende welke de werknemer zonder
deugdelijke grond weigert mee te werken aan het opstellen,
evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld
in BW 7:658a lid 1.
De werkgever moet de werknemer van het vervallen van het
recht op loondoorbetaling direct schriftelijk in kennis stellen.
11.2.11.a. De werkgever kan het recht op loondoorbetaling of aanvulling
opschorten voor de tijd dat de werknemer de in de onderneming of
instelling geldende regeling rondom de meldingsverplichting bij
arbeidsongeschiktheid niet nakomt of zich niet houdt aan andere
door de werkgever schriftelijk gegeven redelijke voorschriften
betreffende het verstrekken van informatie die de werkgever nodig
heeft om het recht vast te stellen.
11.2.12b. De werkgever moet de werknemer van het besluit tot opschorten
direct schriftelijk in kennis stellen.
11.2.12 Op werknemers die voor 1 januari 2004 ziek of arbeidsongeschikt zijn
geworden, is artikel 12.2 van de CAO Welzijn & Maatschappelijke
Dienstverlening 2004 zoals opgenomen in bijlage W van de CAO Welzijn
& Maatschappelijke Dienstverlening 2007-2008 van toepassing. Dit
geldt eveneens voor werknemers die op of na 1 januari 2004 na een
wachttijd van vier weken aanspraak hebben op een WAO-uitkering.
Bijlage W is digitaal beschikbaar op de website www.fcbwjk.nl.
11.2.13 Indien het arbeidsongeschiktheidspercentage van de werknemer
toeneemt nadat ten minste vier weken zijn verstreken na de onder
de leden 2, 3 en 4 bedoelde tijdvakken en de werknemer tot dat
moment over het toegenomen deel tevens loon uit arbeid ontving,
ontvangt de werknemer eveneens de onder de leden 2, 3 en 4
bedoelde doorbetaling, maar slechts over het toegenomen
arbeidsongeschiktheidspercentage.

11.3 Ontslagbescherming gedeeltelijk arbeidsongeschikten
De werknemer die in het kader van de WIA minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt
bevonden, wordt na ommekomst van de in artikel 11.2.2 genoemde periode niet
ontslagen. De werkgever en de werknemer spannen zich tot het uiterste in om een
passende functie te vinden voor de werknemer binnen of buiten de organisatie. Ontslag
van deze werknemer is niet wenselijk, maar wordt, indien na een redelijke termijn en
aantoonbare inspanningen geen passende functie wordt gevonden, niet uitgesloten.

11.4 Overname van personeel bij aanbesteding
11.4.1 De werknemer die met dreigend ontslag wordt geconfronteerd
wegens een vermindering of beëindiging van de werkzaamheden
als gevolg van het niet langer door de werkgever uitvoeren van een
eerder door de overheid1 gegunde opdracht, doordat deze opdracht
na een procedure van aanbesteding2 aan een andere
opdrachtnemer is gegund, heeft bij gebleken geschiktheid recht op
een dienstverband bij de andere, nieuwe opdrachtnemer.
Onverminderd het bepaalde in de Wet Overgang Ondernemingen
neemt de nieuwe opdrachtnemer de voor het uitvoeren van de
opdracht benodigde en geschikt gebleken werknemers over van de
vorige opdrachtnemer. Dit voor zover de nieuwe opdrachtnemer
onder de werkingssfeer van deze CAO valt.
11.4.2 Gebleken geschiktheid wil zeggen dat de werknemer voldoet aan
de functievereisten en beschikt over de voor de functie benodigde
competenties. Als de werknemer nog niet aan de functievereisten
voldoet en/of over de benodigde competenties beschikt maar wel
binnen vier maanden3 hieraan kan voldoen of over kan beschikken
door bijvoorbeeld opleiding/coaching/training, is er ook sprake van
gebleken geschiktheid.
11.4.3 Als de werknemer naar het oordeel van de nieuwe opdrachtnemer
niet geschikt is of niet in staat wordt geacht zijn kennis,
1 Dit kan zowel de landelijke, provinciale als gemeentelijke overheid zijn.
2 Onder aanbesteding wordt hier verstaan de procedure waarbij de opdrachtgever de
ondernemer in de gelegenheid stelt op basis van vooraf door de opdrachtgever bepaalde
eisen en/of selectiecriteria offerte uit te brengen voor het verrichten van diensten of
leveringen. Deze procedure wordt afgerond met een op de selectiecriteria gebaseerde
gunning.
3 Deze termijn kan in individuele gevallen verlengd worden als een onderdeel van het
geschikt maken bestaat uit training of opleiding die niet binnen de genoemde 4 maanden
kan worden afgerond.
vaardigheden en competenties binnen vier maanden4 op een
passend niveau te brengen, is deze niet verplicht de werknemer
een dienstverband aan te bieden. Hij informeert de werknemer
hierover schriftelijk en beargumenteerd. De werknemer kan
vervolgens verzoeken om een (ontwikkelings-)assessment om zijn
potentiële vaardigheden en competenties in beeld te brengen. De
nieuwe opdrachtnemer dient dit verzoek in te willigen en draagt de
kosten voor het assesment dat minimaal bestaat uit een
loopbaancheck/scan. De werknemer heeft geen recht op een
assessment als in de eerdere procedure al een assessment heeft
plaatsgevonden.
11.4.4 De nieuwe opdrachtnemer biedt de werknemer een dienstverband
aan als de uitkomst van het in 11.4.3 bedoelde assessment
aanleiding is zijn in 11.4.3 bedoelde oordeel te herzien.
11.4.5 Als na toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden
gedwongen ontslagen toch onvermijdelijk zijn dient de werkgever
het voorgenomen besluit hiertoe ter advisering aan de
Ondernemingsraad voor te leggen.

11.5 Reorganisaties en fusies
11.5.1. Reorganisaties
11.5.1.1. De OR of PVT wordt in de gelegenheid gesteld een advies (art. 25
WOR) uit te brengen over een voorgenomen reorganisatie van (een
deel van) de onderneming, die een aanmerkelijke wijziging in de
arbeidssituatie of het ontslag van een of meer werknemers tot
gevolg heeft. De werkgever stelt een reorganisatieplan op, waarin
tenminste aangegeven wordt welke functiegroepen als gevolg van
de reorganisatie kwantitatief en kwalitatief zullen wijzigen en op
welke wijze de reorganisatie zal worden uitgevoerd.
11.5.1.2. Als door de voorgenomen reorganisatie gedwongen ontslagen
plaatsvinden, stelt de werkgever tevens een uitvoeringsplan op. In
het uitvoeringsplan geeft de werkgever in ieder geval aan welke
functies zullen worden opgeheven en of binnen de onderneming
functies voorkomen, die hetzelfde dan wel uitwisselbaar zijn met
de functies die zullen worden opgeheven. Dit laatste met het oog
op mogelijke herplaatsing van werknemers naar passende functies.
11.5.1.3. Uitwisselbaar zijn functies die naar functie-inhoud, vereiste kennis
en vaardigheden en vereiste competenties vergelijkbaar en naar
niveau en beloning gelijkwaardig zijn.
Deze termijn kan in individuele gevallen verlengd worden als een onderdeel van het
geschikt maken bestaat uit training of opleiding die niet binnen de genoemde 4 maanden
kan worden afgerond.
11.5.1.4. De werkgever zal zich inspannen om de betrokken werknemers te
begeleiden van werk naar werk.
In het uitvoeringsplan wordt vastgelegd welke maatregelen
worden genomen om werknemers van werk naar werk te
begeleiden en welke stimuleringsmaatregelen voor de betrokken
werknemers daarbij worden gehanteerd.
11.5.1.5. In geval van boventalligheid als gevolg van elke reorganisatie en
ontslag wegens bedrijfseconomische redenen overlegt de
werkgever met de vakorganisaties betrokken bij deze CAO met de
bedoeling om een sociaal plan af te spreken. In het sociaal plan
worden onder andere “van werk naar werk”-afspraken opgenomen
om boventallige werknemers van werk naar ander passend werk te
helpen.
11.5.2 Fusies
11.5.2.1. De werkgever die het voornemen heeft tot fusie over te gaan of tot
overdracht van de zeggenschap over een (deel van een) onderneming
aan een andere rechtspersoon moet dit melden aan de
werknemersorganisaties, partij bij deze CAO. Zodra duidelijk is welke
werkgevers de potentiële fusiepartners zijn wordt een fusie-
overlegorgaan (FOO) ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers
van de werkgevers en van de werknemersorganisaties.
11.5.2.2. De werkgever maakt bij de melding kenbaar: de rechtsvorm van de
betrokken ondernemingen, de vestigingsplaats, de omvang en
samenstelling van de personeelsbestanden en de motieven voor het
streven naar een fusie. In het FOO wordt overleg gevoerd over de
arbeidsrechtelijke positie van de werknemers, de
rechtspositieregeling van de nieuwe rechtspersoon en de
rechtspositie gedurende de overgangssituatie, over de
werkgelegenheid, de arbeidsomstandigheden en de
personeelsopbouw, over de wijze waarop het bestuur wordt
samengesteld en de wijze waarop de medezeggenschap is geregeld in
de periode dat een nieuwe OR of PVT nog niet is gekozen.
11.5.2.3. Uitgangspunt bij het overleg in het FOO is dat er geen achteruitgang
in de rechtspositie van de werknemers en geen gedwongen ontslagen
plaatsvinden, tenzij zodanige ontslagen onontkoombaar zijn.
11.5.2.4. Afspraken over de rechten van de werknemers van de bij de fusie
betrokken ondernemingen worden in een sociaal plan vastgelegd.
11.5.2.5. Het FOO ziet toe op het naleven van de gemaakte afspraken en wordt
daartoe voortdurend op de hoogte gehouden van de voortgang van
het in het kader van de WOR plaatsvindende overleg.

11.6 Financiële aanspraken bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden
11.6.1. De wachtgeldregeling uit de CAO Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening
2007-2008 (artikel 3.2) komt per 1-1-2009 te vervallen. Deze
wachtgeldregeling inclusief overgangsregelingen is opgenomen in
overgangsregeling 13.2.
11.6.2. Bij ontslag wegens economische omstandigheden ontvangt de werknemer een
ontslagvergoeding. Werknemers tot 50 jaar ontvangen een ontslagvergoeding
van één-zesde maandsalaris per dienstjaar. Werknemers van 50 jaar en ouder
ontvangen een ontslagvergoeding per dienstjaar van één-vierde maandsalaris.
11.6.3. De werknemer ontvangt een aanvulling op de WW. Voor de berekening van de
duur van de aanvulling wordt de volgende systematiek toegepast:
11.6.3.1 De duur van de aanvulling op de WW bedraagt drie maanden. Voor
de rechthebbende die op de dag van het ontslag nog geen 21 jaar
oud is, wordt daar een duur gelijk aan 18% van zijn diensttijd bij
opgeteld, voor de rechthebbende die op de dag van ontslag 21 jaar
oud is een duur gelijk aan 19,5% van zijn diensttijd, en zo per
leeftijdsjaar opklimmend met 1,5% tot aan de rechthebbende die op
de dag van ontslag 60 jaar of ouder is. Voor laatstgenoemde
bedraagt de vermeerdering 78%.
11.6.3.2. De totale duur van de aanvullingsperiode is gerelateerd aan de ww-
duur van de werknemer en gemaximeerd op 38 maanden.
11.6.4. De hoogte van de aanvullingsperiode wordt als volgt vastgesteld:
11.6.4.1. Gedurende 6 maanden ontvangt de werknemer een aanvulling tot
100% van het salaris;
11.6.4.2. Gedurende 12 maanden ontvangt de werknemer een aanvulling tot
90% van het salaris;
11.6.4.3. Daarna ontvangt de werknemer een aanvulling tot 80% van het
salaris.

 

HOOFDSTUK 12 KEUZEMOGELIJKHEDEN

12.1 INWISSELEN VAN ARBEIDSVOORWAARDEN
12.1.1 De werknemer kan de in artikel 2.1 van deze regeling genoemde
arbeidsvoorwaarden, de tijd-en geldbronnen, inwisselen tegen de in artikel 2.2
genoemde tijd-en gelddoelen. Wordt een bron ingewisseld tegen een doel, dan
moeten de waarde van de bron en die van het doel gelijkwaardig aan elkaar zijn,
tenzij anders is bepaald.
12.1.2 Wenst de werknemer gebruik te maken van het bepaalde in 12.1.1, dan dient hij
vóór 1 oktober van ieder kalenderjaar schriftelijk aan de werkgever kenbaar te
maken welke bronnen hij in het volgende kalenderjaar wil inwisselen tegen welke
doelen. De werkgever kan in overleg met de ondernemingsraad of
personeelsvertegenwoordiging afwijken van de datum als bedoeld in de vorige zin.
Hierop is een uitzondering: in het geval de werknemer arbeidsvoorwaarden wil
inwisselen in ruil voor het afdragen van de vakbondscontributie, dient dat voor 1
december van het lopende jaar worden aangegeven.
12.1.3 De werkgever beslist binnen drie maanden of hij instemt met het verzoek van de
werknemer. De werkgever kan het verzoek slechts afwijzen als het verzoek niet
verenigbaar is met zwaarwegende bedrijfseconomische of -organisatorische
belangen of bedrijfssociale argumenten.
De werkgever stelt de werknemer schriftelijk en beargumenteerd op de hoogte
van zijn beslissing.
De keuze die de werknemer maakt, geldt – tenzij schriftelijk anders wordt
overeengekomen en voor zover niet in strijd met het bij of krachtens wet
bepaalde – voor de duur van een kalenderjaar. Gedurende deze periode kan de
keuze doorde werknemer noch door de werkgever worden gewijzigd.
12.1.4 De werkgever is verplicht de werknemer te wijzen op de gevolgen van de door de
werknemer te maken keuze(n).

12.2 BRONNEN EN DOELEN
12.2.1 De arbeidsvoorwaarden die de werknemer kan inwisselen zijn de volgend
tijdbronnen:
12.2.1.A de jaarlijkse vakantie-uren voor zover deze het aantal uren wettelijk
vakantieverlof overstijgen;
12.2.1.B de extra uren als bedoeld in de artikel 3.2.7 genoemde bijlage over het
onderdeel compensatie-uren), met een maximum van 4 uur per week;
12.2.1.C de op grond van Bijlage 6 (regeling arbeidsduurverkorting oudere
werknemers), met een maximum van 50 uur per jaar voor de doelen geld,
aanvullende pensioenaanspraken, spaarloon of fiets;
12.2.1.D de op grond van artikel 5.4 toegekende uren (bereikbaarheidstoeslag);
12.2.1.E de op grond van artikel 3.5 uren (kampwerk);
12.2.1.F de op grond van artikel 5.5 toegekende uren (slaapdiensttoeslag);
en de volgende geldbronnen:
12.2.1.G het bruto salaris met inachtneming van het minimum als bedoeld in artikel
8 van de Wet Minimumloon en Minimumvakantiebijslag;
12.2.1.H de eindejaarsuitkering;
12.2.1.I de bruto vakantietoeslag met inachtneming van het minimum als bedoeld
in artikel 15 van de Wet Minimumloon en Minimumvakantiebijslag;
12.2.1.J de bijzondere toeslag als bedoeld in artikel 5.2
(onregelmatigheidstoeslagen);
12.2.1.K de vergoeding als bedoeld in 5.4 (bereikbaarheidstoeslag);
12.2.1.L de vergoeding als bedoeld in artikel 3.5 (kampwerk);
12.2.1.M de vergoeding als bedoeld in artikel 5.5 (slaapdiensttoeslag).
12.2.2 De in 12.2.1 genoemde bronnen kunnen met inachtneming van het bepaalde
in deze regeling worden ingewisseld voor de volgende tijddoelen:
12.2.2.A Levensloopsparen;
12.1.1.B maximaal 5 extra vakantiedagen (36 uur) voor de werknemer in fulltime
dienstverband. Voor parttimers naar rato;
12.2.2.C seniorenverlof jaarlijks opnemen in aaneengesloten periodes;
en de volgende gelddoelen (in natura):
12.2.2.D geld;
12.2.2.E een aanvullend pensioen als bedoeld in artikel 12.5;
12.2.2.F fietsenplan (zie 12.8) ;
12.2.2.G vakbondscontributie (zie 12.9);
12.2.2.H Studiekosten (zie 12.10)

12.3 KOPEN VAN VAKANTIEDAGEN
12.3.1 De werknemer kan jaarlijks bij de werkgever een verzoek indienen om maximaal
5 vakantiedagen per kalenderjaar te kopen. Voor parttimers geldt dit naar rato
van het dienstverband. Hiervoor kunnen de bronnen genoemd in artikel 12.2.1.
G, H, I en J worden gebruikt.
12.3.2 Voor de toepassing van dit artikel wordt de waarde van een vakantie-uur gelijk
gesteld aan het actuele uurloon op het moment van daadwerkelijke inwisseling
(1/156 van het maandsalaris). De grondslag voor het vakantiegeld en de
eindejaarsuitkering wijzigt niet.
12.3.3 De bepalingen van artikel 7.2 van de CAO voor het opnemen van gekochte
vakantiedagen zijn overeenkomstig van toepassing.

12.4 Inwisselen voor geld
12.4.1 De werknemer kan er voor kiezen om zijn arbeidsvoorwaarden te verkopen en de
waarde hiervan in geld aan hem uit te laten betalen. Hiervoor kunnen de bronnen
genoemd in artikel 12.2.1.A tot en met F worden gebruikt.
12.4.2 Voor de toepassing van dit artikel wordt de waarde van een (vakantie)uur gelijk
gesteld aan het actuele uurloon op het moment van daadwerkelijke inwisseling
(1/156 van het maandsalaris). De grondslag voor het vakantiegeld en de
eindejaarsuitkering wijzigt niet.

12.5 AANVULLENDE PENSIOENAANSPRAKEN KOPEN
12.5.1 De werknemer kan er voor kiezen om zijn arbeidsvoorwaarden geheel of
gedeeltelijk in te wisselen voor de opbouw van pensioenaanspraken. Hiervoor
kunnen de bronnen genoemd in artikel 12.2.1.A tot en met M worden gebruikt5.
12.5.2 De werkgever verstrekt hiertoe aan de werknemer ter aanvulling op de
pensioenrechten die voortvloeien uit de door het Pensioenfonds Zorg en Welzijn
uitgevoerde verplichte pensioenregeling, een pensioentoezegging met
inachtneming van de wettelijke bepalingen respectievelijk de wettelijke grenzen
ten aanzien van de bovenmatige pensioenopbouw. De kosten van deze
pensioenrechten komen geheel voor rekening van de werknemer
12.5.3 Bij de toepassing van dit artikel wordt de waarde van het uurloon gelijkgesteld
aan een bedrag ter hoogte van 100% van het actuele uurloon op het moment van
de daadwerkelijke inwisseling in een pensioenaanspraak (1/ 156 van het
maandsalaris). De grondslag voor het vakantiegeld en de eindejaarsuitkering
wijzigt niet.

12.6 SENIORENVERLOF JAARLIJKS OPNEMEN IN AANEENGESLOTEN PERIODES
12.6.1 De werknemer op wie de garantie-en overgangsregeling van Bijlage 6 van
toepassing is, kan kiezen om de in arbeidsduurverkorting geheel of gedeeltelijk op
te sparen en in aaneengesloten periode(n) op te nemen. De werkgever kan dit
verzoek slechts afwijzen indien het verzoek niet verenigbaar is met zwaarwegende
bedrijfseconomische of -organisatorische belangen of bedrijfssociale argumenten.
De werkgever stelt de werknemer schriftelijk en beargumenteerd op de hoogte
van zijn beslissing. De overeengekomen afspraken worden schriftelijk vastgelegd.
12.6.2 Indien de werknemer gedurende 12 weken aaneengesloten geheel of gedeeltelijk
arbeidsongeschikt is, vervalt zijn keuze en valt hij terug op het gemiddeld aantal
uren seniorenverlof per week tenzij de werkgever hierover met de werknemer een
andere afspraak heeft gemaakt.
12.6.3
12.6.3.a Voor de werknemer met een niet volledig dienstverband wordt de in de
voorgaande leden bedoelde arbeidsduurverkorting vastgesteld naar rato
van de omvang van het dienstverband.
12.6.3.b De werknemer die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar in dienst
is, heeft aanspraak op de in de voorgaande leden bedoelde
arbeidsduurverkorting in verhouding tot dat gedeelte van het jaar.

12.7 4 DAGEN WERKEN IN PLAATS VAN 5, MET BEHOUD VAN HET AANTAL OVEREENGEKOMEN UREN
12.7.1 De in artikel 9.3 van de CAO 2007-2008 geregelde modaliteiten voor de invulling
van de arbeidsduur blijven voor de werknemer van kracht, totdat een nieuwe
werktijdenregeling wordt ingevoerd met instemming van de Ondernemingsraad of
Personeelsvertegenwoordiging. Tot die tijd blijven voor wat betreft de vormgeving
en invulling van de gemiddeld 36-urige werkweek de in artikel 9.3 van de CAO 2007-
2008 aangegeven modaliteiten gelden.
12.7.2 Met ingang van 1 januari 2002 kan de werknemer met een volledig dienstverband
die doorgaans op vaste tijden werkzaam is, op zijn verzoek in afwijking van artikel
9.3 lid 2 van de CAO 2007-2008 de werkgever verzoeken zijn werkzaamheden te
De werknemer heeft reeds met ingang van 1 januari 2002 de keuze om de
bronnen G tot en met M geheel of gedeeltelijk in te wisselen voor het kopen van
aanvullende pensioenaanspraken.
verrichten in 36 uur per week, verdeeld over 4 dagen waarop gedurende 9 uur
werkzaamheden worden verricht.
12.7.3 Uitwerking van deze werktijdmodaliteit:
Als de werknemer gebruik wenst te maken van de mogelijkheid van het werken
van 4 dagen van 9 uur, dient hij dit schriftelijk aan de werkgever kenbaar te
maken. De werkgever kan het verzoek van de werknemer slechts afwijzen als het
verzoek niet verenigbaar is met zwaarwegende bedrijfseconomische of
organisatorische belangen of bedrijfssociale argumenten. De werkgever stelt de
werknemer hiervan schriftelijk en beargumenteerd op de hoogte. De
overeengekomen afspraken worden schriftelijk vastgelegd. De keuze die de
werknemer maakt geldt, tenzij schriftelijk anders wordt overeengekomen en voor
zover niet in strijd met het bij of krachtens wet bepaalde, voor de duur van een
kalenderjaar. Het gestelde bij deze werktijdmodaliteit is van overeenkomstige
toepassing op de parttime werknemer die 5 dagen per week werkt. Werkgever en
werknemer overleggen in deze situatie over de wijze waarop de in de
arbeidsovereenkomst afgesproken uren verdeeld worden over de resterende 4
dagen.

12.8 FIETSENPLAN
Als de werkgever en de werknemer binnen het kader van een fietsenplan
beloningsbestanddelen van de werknemer omzetten, maken ze daarvoor gebruik van het
Model aanvulling arbeidsovereenkomst in verband met fietsenplan (digitaal beschikbaar
op www.fcbwjk.nl).

12.9 INWISSELEN VOOR VAKBONDSCONTRIBUTIE
12.9.1. De werkgever maakt het inwisselen van arbeidsvoorwaarden in ruil voor
het afdragen van de vakbondscontributie aan de vakbond, partij bij de CAO
waar de werknemer lid van is, mogelijk. Daar kan de werknemer gebruik
van maken onder de condities die de fiscale regelingen daaraan stellen.
12.9.2. In het kader van het bepaalde in 12.9.1 kunnen als financiering de bronnen
genoemd in artikel 2.1.G tot en met I worden gebruikt.

12.10 Studiekosten
12.10.1 De werkgever kan het inwisselen van arbeidsvoorwaarden in ruil voor het
vergoeden van studiekosten van de werknemer mogelijk maken. Daar kan
de werknemer gebruik van maken onder de condities die de fiscale
regelingen daaraan stellen.

 

Hoofdstuk 13 Medezeggenschap

13.1 Ondernemingsraad (OR)
De werkgever van een instelling waarin in de regel minstens 35 werknemers
werkzaam
zijn is verplicht een ondernemingsraad in te stellen.

13.2 Personeelsvertegenwoordiging (PVT)
De werkgever van een instelling waarin gewoonlijk minstens 10 maar minder
dan 35 werknemers werkzaam zijn en waarvoor geen ondernemingsraad is
ingesteld, is verplicht een Personeelsvertegenwoordiging in de zin van artikel
35c WOR in te stellen.

13.3 Tijdsbesteding en vervanging
13.1.1. De werkgever treft een vervangingsregeling voor de herbezetting van de door
leden van de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging bestede
arbeidstijd. Deze arbeidstijd moet wel besteed zijn aan werkzaamheden die
verband houden met het functioneren van de ondernemingsraad of
personeelsvertegenwoordiging.
13.1.2. De door de werknemer bestede tijd aan het deelnemen aan door de
ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging gehouden raadplegingen,
zoals bedoeld in artikel 17 lid 1 WOR, wordt aangemerkt als arbeidsduur.

13.4 Bovenwettelijke faciliteiten en bevoegdheden Ondernemingsraad
13.4.1.
13.4.1.a De leden van de ondernemingsraad in een instelling, waarin in de
regel 50 werknemers of meer werkzaam zijn, hebben het recht per jaar
100 uren tijdens werktijd te besteden aan werkzaamheden die verband
houden met de raad. Het bijwonen van vergaderingen van de raad en van
door de raad ingestelde commissies vallen niet onder deze
werkzaamheden.
13.4.1.b Voor de leden van de ondernemingsraad in een instelling waarin in de regel
minder dan 50 werknemers werkzaam zijn, bedraagt het in 13.4.1.a
bedoelde aantal uren per jaar 70.
13.4.1.c Voor een ondernemingsraadslid met een niet volledig dienstverband wordt
het in 13.4.1.a en b bedoelde aantal uren naar evenredigheid vastgesteld,
op voorwaarde dat dit aantal uren niet beneden de 60 per jaar kan worden
gesteld.
13.4.2. Wanneer de vacature van een werknemer belast met de hoogste dagelijkse
leiding in de instelling moet worden vervuld, stelt de werkgever –
onverminderd het bepaalde in artikel 30 WOR -de ondernemingsraad in de
gelegenheid een gesprek te voeren met de kandidaat/kandidaten voor de
vervulling van deze vacature. Het oordeel van de ondernemingsraad over
deze kandidaat/kandidaten weegt zwaar voor de standpuntbepaling van de
werkgever.
13.4.3.a. De werkgever stelt de ondernemingsraad in de gelegenheid advies uit te
brengen over de conceptbegroting, voordat de conceptbegroting van de
instelling wordt vastgesteld door het bestuur.
13.4.3.b. Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het van wezenlijke
invloed kan zijn op de definitieve vaststelling van de begroting
13.4.3.c. Het advies wordt schriftelijk uitgebracht, binnen 14 dagen nadat om het
advies is gevraagd.
13.4.3.d. Binnen 14 dagen nadat het advies is uitgebracht, wordt over dit advies
minstens eenmaal overleg gevoerd in een overlegvergadering. Hieraan
wordt deelgenomen door de bestuurder, in de zin van de WOR, en de
ondernemingsraad.
13.4.3.e. Voor de hiervoor bedoelde adviesprocedure geldt artikel 26 WOR.

13.5 Bovenwettelijke faciliteiten en bevoegdheden PVT
13.5.1. De personeelsvertegenwoordiging wordt, onverlet het bepaalde in artikel
35b, vijfde lid, WOR, door de werkgever in de gelegenheid gesteld advies
uit te brengen over elk door hem voorgenomen besluit over de
onderwerpen genoemd in artikel 25, eerste lid, en artikel 27, eerste lid,
WOR.
13.5.2. Bij de aanvang van elke zittingsperiode van de
personeelsvertegenwoordiging worden tussen de werkgever en de
personeelsvertegenwoordiging, rekening houdend met het hierover
bepaalde in de artikelen 17 en 18, eerste en tweede lid, WOR, afspraken
gemaakt over de voorzieningen, vergaderfaciliteiten en scholingsfaciliteiten
waarover de leden van de personeelsvertegenwoordiging jaarlijks kunnen
beschikken.
13.5.3. De personeelsvertegenwoordiging kan alle aangelegenheden die de
instelling betreffen bij de werkgever aan de orde stellen waarvan zij
overleg met de werkgever wenselijk acht.
13.5.4. Voor de PVT gelden in deze CAO dezelfde bepalingen als voor de OR, tenzij
in de desbetreffende bepaling anders wordt vermeld.

13.6 Instemmingsrecht en ondersteuning OR ofPVT
Voor alle onderwerpen waarvoor op grond van bepalingen in deze CAO met OR
of PVT (afwijkende) afspraken kunnen worden gemaakt geldt het
instemmingsrecht.
Tevens kunnen OR of PVT zich laten ondersteunen door een deskundige
conform artikel 16 WOR.

13.7 Bestuurssamenstelling
13.7.1. De organisatie waarvan de rechtsvorm de stichting is, kent met
instemming van de OR of PVT minimaal aan de OR of PVT het recht toe om
13.7.1.a. voor iedere vacante bestuurszetel maximaal twee kandidaten voor
te dragen of
13.7.b.b. voor tenminste één voor een kandidaat van de OR of PVT
gereserveerde bestuurszetel een kandidaat voor te dragen.
13.7.2. De OR of PVT kan geen personen voordragen voor benoeming als lid van
het bestuur die op de datum van de voordracht:
-werknemer zijn van de instelling;
-ex-werknemer zijn van de instelling en nog geen twee jaar uit dienst
zijn;
-werkzaam zijn als vrijwilliger binnen de instelling.
13.7.3. Voor ‘bestuur’ als genoemd in de voorgaande leden wordt ‘Raad van
Toezicht’ of ‘Raad van Commissarissen’ gelezen indien de directievoering is
opgedragen aan het bestuur.

13.8 Vakbondsverlof
13.8.1 De werknemer die lid is van een werknemersorganisatie, partij bij
de CAO, heeft op schriftelijk verzoek van deze organisatie recht op
buitengewoon verlof met behoud van salaris. Dit verlof is bedoeld
voor het deelnemen aan werkzaamheden of bijeenkomsten, en
vormings-en scholingsdagen georganiseerd door de
werknemersorganisatie. Dit geldt niet als de te verrichten
werkzaamheden zich naar het oordeel van de werkgever daartegen
verzetten.
13.8.2 Jaarlijks is voor de in 13.8.1 bedoelde activiteiten een verloftegoed
per instelling beschikbaar voor alle binnen die instelling werkzame
werknemers tezamen als bedoeld in 13.8.1 1. Dit verloftegoed is
afhankelijk van de omvang van de instelling en bedraagt:
Omvang instelling Vakbondsverl
of
Minder dan 20 10 dagen
werknemers
21 tot en met 300 0,5 dag per
werknemers werknemer
301 tot en met 600 0,5 dag per
werknemers werknemer,
maar maxi-
maal 200
dagen
601 tot en met 1.000 250 dagen
werknemers
Meer dan 1.000 300 dagen
werknemers
13.8.3 Wenst een zodanig groot aantal leden in aanmerking te komen voor
het in 13.8.1 bedoelde verlof dat toekenning van dit verlof aan hen
allen de voortgang van de werkzaamheden in de instelling ernstig
zou belemmeren, dan kan de werkgever zich met die vraag richten
tot het hoofdbestuur van de desbetreffende
werknemersorganisatie. Deze zal bepalen welke leden voor het
bedoelde verlof in aanmerking komen.
13.8.4 Is aan het deelnemen aan de in 13.8.1 bedoelde
werkzaamheden/bijeenkomsten/vorming-en scholingsdagen een
financiële vergoeding – met uitzondering van een
kostenvergoeding – verbonden, dan is de werknemer verplicht deze
vergoeding, op voorwaarde dat deze wordt genoten in verband met
de tijdens het buitengewoon verlof als kaderlid verrichte
werkzaamheden, aan de werkgever af te dragen. Dit tot een
maximumbedrag dat gelijk is aan de door de werkgever op te
brengen bruto loonkosten over de tijd waarin het buitengewoon
verlof wordt genoten.
13.8.5 De werkgever deelt een afwijzing van een verzoek om toekenning
van het in 13.8.1 bedoelde verlof schriftelijk en gemotiveerd mee
aan de werknemer.

13.9 Vakbondsfaciliteiten
Het is aan leden en kaderleden van de werknemersorganisaties, partij bij deze
CAO, toegestaan:
13.9.a. om in overleg met de werkgever gepast gebruik te maken van
publicatieborden en/of email (-adressenbestanden van
medewerkers) en/of intranet om informatie te verstrekken en
aankondigingen van werknemersorganisaties bekend te maken.
Alvorens over te gaan tot het gebruik van email en/of intranet
dient eenmalig een organisatieafspraak gemaakt te worden;
13.9.b. gebruik te maken van ruimten van de onderneming voor het buiten
werktijd houden van bijeenkomsten van de
werknemersorganisaties;
13.9.c. gebruik te maken van de telefoon voor het leggen van contacten
voor het werk van kaderleden van de werknemersorganisaties;
13.9.d. in beperkte mate persoonlijke contacten te leggen met de binnen
de onderneming werkzame leden.

 

HOOFDSTUK 14 GESCHILLENREGELING

14.1 Is een werkgever of een werknemer, die minstens drie maanden lid is van
een van de partijen bij de CAO, van mening dat zich een geschil voordoet
dat voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst, dan kan hij dit geschil door
toezending van een beargumenteerd verzoekschrift voorleggen aan de
Commissie van Geschillen.

14.2 Het geschil kan een ontslagprocedure betreffen waarvoor een
ontslagvergunning van het CWI (Centrum voor Werk en Inkomen) is
vereist. Is door het CWI nog níet overgegaan tot afgifte van een
ontslagvergunning, dan is de geschilpartij door wie bij het CWI een
ontslagvergunning is aangevraagd verplicht om direct nadat hij door het
secretariaat van de Commissie van Geschillen van de ontvangst van het
verzoekschrift in kennis is gesteld aan het CWI om opschorting van de
ontslagvergunningaanvraag te verzoeken.

14.3 De werkgever of de werknemer die zich tot de Commissie van Geschillen
heeft gewend wordt niet ontvankelijk verklaard indien:
14.3.ahet geschil een ontslagprocedure betreft waarvoor een vergunning
van het CWI is vereist en op het tijdstip van de ontvangst van het
verzoekschrift door het secretariaat van de Commissie van
Geschillen minstens 6 weken zijn verlopen na het tijdstip waarop
de werknemer door het CWI in kennis is gesteld van de
ontslagaanvraag door de werkgever;
14.3.bhet geschil een ontslagprocedure betreft waarvoor een
ontslagvergunning van het CWI is vereist en deze
ontslagvergunning reeds is afgegeven of geweigerd door het CWI
op het tijdstip waarop het verzoekschrift door het secretariaat van
de Commissie van Geschillen is ontvangen;
14.3.chet geschil, voordat het is aangemeld bij de Commissie van
Geschillen, bij de rechter aanhangig is gemaakt.

14.4 Wanneer tijdens de behandeling van het geschil door de Commissie van
Geschillen een van de partijen (of beide partijen) het geschil bij de
rechter aanhangig maakt, ziet de Commissie van Geschillen af van
verdere behandeling.

14.5 Werkgever en werknemer zijn verplicht alle gevraagde medewerking aan
de Commissie van Geschillen te verlenen.

14.6 Een bezwaar aangaande een definitieve beoordelingsuitslag (artikel
8.3.2) kan voortaan ingediend worden bij de Geschillencommissie in
plaats van bij de Bezwarencommissie Beoordelingen.

14.7 De samenstelling, werkwijze en bevoegdheden van de Commissie van
Geschillen zijn geregeld in Bijlage 7 Reglement Commissie van Geschillen.

Bijlage 1 Functiematrix
1. Functiematrix
Salaris-
schaal
Primair proces Facilitair, staf en leidinggevend
1 Assistent welzijn,
Contactmedewerker 1
Huishoudelijk medewerker,
Assistent beheerder
2 Telefonist/receptionist
3 Nachtwaker
4 Sociaal cultureel werker 1,
Sociaal pedagogisch werker
1, Contactmedewerker 2
Administratief/secretarieel
medewerker 1
5 Ziekenverzorgende,
Peuterspeelzaalleidster 1
Secretaresse 2, Administratief
medewerker 2, Beheerder
6 Activiteitenbegeleider,
Sociaal cultureel werker 2,
Sociaal pedagogisch werker
2, Begeleider
vrijetijdsbesteding,
Peuterspeelzaalleidster 2
Systeembeheerder, Staf/
beleidsmedewerker 1, Secretaresse
3, Kok
7 Budgetconsulent,
Verpleegkundige
Administratief medewerker 3,
Zakelijk leider
8 Sociaal cultureel werker 3,
Sociaal pedagogisch werker
3, Maatschappelijk werker
1, Woonbegeleider, Oude-
renadviseur, Consulent,
Sociaal raadsman,
Bewindvoerder,
Trajectbegeleider,
Jobcoach, Telefonisch
hulpverlener, Trainer
Staf/beleidsmedewerker 2,
Leidinggevende 1, Begeleider
vrijwilligers
9 Maatschappelijk werker 2,
Adviseur
Staf/beleidsmedewerker 3
10 Sociaal cultureel werker 4,
Projectmanager,
Wetenschappelijk
functionaris
Leidinggevende 2
11 Controller
12 Leidinggevende 3
13
14
15
2. Methodiek niveaubepaling functies die niet of slechts gedeeltelijk
overeenkomen met functie uit Functieboek
Als de functie niet of slechts gedeeltelijk overeenkomt met één van de
functiebeschrijvingen in het functieboek, stelt de werkgever het salaris
als volgt vast:
2.a de werkgever vergelijkt de functie met de functies in het
functieboek waarna hij de indeling van de beschreven functie
afleidt van de indeling van de functies in het functieboek;
2.b de werkgever deelt de functie in door gebruik te maken van de
Methodische Niveau Toekenning-methode voor Welzijn (MNT-
methode voor Welzijn).
Als de werkgever gebruik maakt van de MNT-methode voor Welzijn moet
de werknemer kunnen beschikken over de ter inzage versie van de MNTmethode
voor Welzijn.
Met MNT kan de werkgever computerondersteund een functie indelen op 
basis van vergelijking van functie-eisen. Een licentie voor MNT kan de
werkgever verkrijgen via welzijn.mnt-online.nl.

Bijlage 2 Salarisschalen
Salarisschalen, salarisbedragen per maand met
ingang van 1 mei 2008 in euro's (plus 2,5%)
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
0 1467 1502 1538 1651 1693 1881 2054 2228 2367 2581 2763 3020 3330 3559 3812
1 1502 1538 1576 1693 1734 1935 2117 2272 2458 2647 2823 3122 3438 3685 3948
2 1538 1576 1614 1734 1776 1998 2171 2323 2518 2703 2919 3225 3559 3812 4086
3 1576 1614 1651 1776 1819 2054 2228 2367 2581 2763 3020 3330 3685 3948 4229
4 1614 1651 1693 1819 1881 2117 2272 2458 2647 2823 3122 3438 3812 4086 4382
5 1651 1693 1734 1881 1935 2171 2323 2518 2703 2919 3225 3559 3948 4229 4537
6 1693 1734 1776 1935 1998 2228 2367 2581 2763 3020 3330 3685 4086 4382 4697
7 1734 1776 1819 1998 2054 2272 2458 2647 2823 3122 3438 3812 4229 4537 4871
8 1776 1819 1881 2054 2117 2323 2518 2703 2919 3225 3559 3948 4382 4697 5051
9 1819 1881 1935 2117 2171 2367 2581 2763 3020 3330 3685 4086 4537 4871 5238
10 1935 1998 2171 2228 2458 2647 2823 3122 3438 3812 4229 4697 5051 5524
11 2054 2228 2272 2518 2703 2919 3225 3559 3948 4382 4871 5238 5822
12 2323 2581 2763 3020 3330 3685 4086 4537 5051 5524 6134
13 2367 2647 2823 3122 3438 3812 4229 4697 5238 5822 6466
u1 1881 1998 2117 2272 2458 2703 2919 3225 3559 3948 4382 4871 5524 6134 6814
u2 1935 2054 2171 2323 2518 2763 3020 3330 3685 4086 4537 5051 5822 6466 7182
a 1881 1998 2117 2272 2458 2703 2919 3225 3559 3948 4382 4871 5524 6134 6814
b 1935 2054 2171 2323 2518 2763 3020 3330 3685 4086 4537 5051 5822 6466 7182
c 1998 2117 2228 2367 2581 2823 3122 3438 3812 4229 4697 5238 6134 6814 7570
d 2054 2171 2272 2458 2647 2919 3225 3559 3948 4382 4871 5524 6466 7182 7979
e 2117 2228 2323 2518 2703 3020 3330 3685 4086 4537 5051 5822 6814 7570 8409

Salarisschalen, salarisbedragen per maand met
ingang van 1 januari 2009 in euro's plus 1,25%)
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
0 1485 1521 1557 1672 1714 1905 2080 2256 2397 2613 2798 3058 3372 3603 3860
1 1521 1557 1596 1714 1756 1959 2143 2300 2489 2680 2858 3161 3481 3731 3997
2 1557 1596 1634 1756 1798 2023 2198 2352 2549 2737 2955 3265 3603 3860 4137
3 1596 1634 1672 1798 1842 2080 2256 2397 2613 2798 3058 3372 3731 3997 4282
4 1634 1672 1714 1842 1905 2143 2300 2489 2680 2858 3161 3481 3860 4137 4437
5 1672 1714 1756 1905 1959 2198 2352 2549 2737 2955 3265 3603 3997 4282 4594
6 1714 1756 1798 1959 2023 2256 2397 2613 2798 3058 3372 3731 4137 4437 4756
7 1756 1798 1842 2023 2080 2300 2489 2680 2858 3161 3481 3860 4282 4594 4932
8 1798 1842 1905 2080 2143 2352 2549 2737 2955 3265 3603 3997 4437 4756 5114
9 1842 1905 1959 2143 2198 2397 2613 2798 3058 3372 3731 4137 4594 4932 5303
10 1959 2023 2198 2256 2489 2680 2858 3161 3481 3860 4282 4756 5114 5593
11 2080 2256 2300 2549 2737 2955 3265 3603 3997 4437 4932 5303 5895
12 2352 2613 2798 3058 3372 3731 4137 4594 5114 5593 6211
13 2397 2680 2858 3161 3481 3860 4282 4756 5303 5895 6547
u1 1905 2023 2143 2300 2489 2737 2955 3265 3603 3997 4437 4932 5593 6211 6899
u2 1959 2080 2198 2352 2549 2798 3058 3372 3731 4137 4594 5114 5895 6547 7272
a 1905 2023 2143 2300 2489 2737 2955 3265 3603 3997 4437 4932 5593 6211 6899
b 1959 2080 2198 2352 2549 2798 3058 3372 3731 4137 4594 5114 5895 6547 7272
c 2023 2143 2256 2397 2613 2858 3161 3481 3860 4282 4756 5303 6211 6899 7665
d 2080 2198 2300 2489 2680 2955 3265 3603 3997 4437 4932 5593 6547 7272 8079
e 2143 2256 2352 2549 2737 3058 3372 3731 4137 4594 5114 5895 6899 7665 8514

Salarisschalen, salarisbedragen per maand met
ingang van 1 mei 2009 in euro's (plus 2%)
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
0 1515 1551 1588 1705 1748 1943 2122 2301 2445 2665 2854 3119 3439 3675 3937
1 1551 1588 1628 1748 1791 1998 2186 2346 2539 2734 2915 3224 3551 3806 4077
2 1588 1628 1667 1791 1834 2063 2242 2399 2600 2792 3014 3330 3675 3937 4220
3 1628 1667 1705 1834 1879 2122 2301 2445 2665 2854 3119 3439 3806 4077 4368
4 1667 1705 1748 1879 1943 2186 2346 2539 2734 2915 3224 3551 3937 4220 4526
5 1705 1748 1791 1943 1998 2242 2399 2600 2792 3014 3330 3675 4077 4368 4686
6 1748 1791 1834 1998 2063 2301 2445 2665 2854 3119 3439 3806 4220 4526 4851
7 1791 1834 1879 2063 2122 2346 2539 2734 2915 3224 3551 3937 4368 4686 5031
8 1834 1879 1943 2122 2186 2399 2600 2792 3014 3330 3675 4077 4526 4851 5216
9 1879 1943 1998 2186 2242 2445 2665 2854 3119 3439 3806 4220 4686 5031 5409
10 1998 2063 2242 2301 2539 2734 2915 3224 3551 3937 4368 4851 5216 5705
11 2122 2301 2346 2600 2792 3014 3330 3675 4077 4526 5031 5409 6013
12 2399 2665 2854 3119 3439 3806 4220 4686 5216 5705 6335
13 2445 2734 2915 3224 3551 3937 4368 4851 5409 6013 6678
u1 1943 2063 2186 2346 2539 2792 3014 3330 3675 4077 4526 5031 5705 6335 7037
u2 1998 2122 2242 2399 2600 2854 3119 3439 3806 4220 4686 5216 6013 6678 7417
a 1943 2063 2186 2346 2539 2792 3014 3330 3675 4077 4526 5031 5705 6335 7037
b 1998 2122 2242 2399 2600 2854 3119 3439 3806 4220 4686 5216 6013 6678 7417
c 2063 2186 2301 2445 2665 2915 3224 3551 3937 4368 4851 5409 6335 7037 7818
d 2122 2242 2346 2539 2734 3014 3330 3675 4077 4526 5031 5705 6678 7417 8241
e 2186 2301 2399 2600 2792 3119 3439 3806 4220 4686 5216 6013 7037 7818 8684

Salarisschalen, salarisbedragen per maand met
ingang van 1 mei 2010 in euro's (plus 2%)
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
0 1545 1582 1620 1739 1783 1982 2164 2347 2494 2718 2911 3181 3508 3749 4016
1 1582 1620 1661 1783 1827 2038 2230 2393 2590 2789 2973 3288 3622 3882 4159
2 1620 1661 1700 1827 1871 2104 2287 2447 2652 2848 3074 3397 3749 4016 4304
3 1661 1700 1739 1871 1917 2164 2347 2494 2718 2911 3181 3508 3882 4159 4455
4 1700 1739 1783 1917 1982 2230 2393 2590 2789 2973 3288 3622 4016 4304 4617
5 1739 1783 1827 1982 2038 2287 2447 2652 2848 3074 3397 3749 4159 4455 4780
6 1783 1827 1871 2038 2104 2347 2494 2718 2911 3181 3508 3882 4304 4617 4948
7 1827 1871 1917 2104 2164 2393 2590 2789 2973 3288 3622 4016 4455 4780 5132
8 1871 1917 1982 2164 2230 2447 2652 2848 3074 3397 3749 4159 4617 4948 5320
9 1917 1982 2038 2230 2287 2494 2718 2911 3181 3508 3882 4304 4780 5132 5517
10 2038 2104 2287 2347 2590 2789 2973 3288 3622 4016 4455 4948 5320 5819
11 2164 2347 2393 2652 2848 3074 3397 3749 4159 4617 5132 5517 6133
12 2447 2718 2911 3181 3508 3882 4304 4780 5320 5819 6462
13 2494 2789 2973 3288 3622 4016 4455 4948 5517 6133 6812
u1 1982 2104 2230 2393 2590 2848 3074 3397 3749 4159 4617 5132 5819 6462 7178
u2 2038 2164 2287 2447 2652 2911 3181 3508 3882 4304 4780 5320 6133 6812 7565
a 1982 2104 2230 2393 2590 2848 3074 3397 3749 4159 4617 5132 5819 6462 7178
b 2038 2164 2287 2447 2652 2911 3181 3508 3882 4304 4780 5320 6133 6812 7565
c 2104 2230 2347 2494 2718 2973 3288 3622 4016 4455 4948 5517 6462 7178 7974
d 2164 2287 2393 2590 2789 3074 3397 3749 4159 4617 5132 5819 6812 7565 8406
e 2230 2347 2447 2652 2848 3181 3508 3882 4304 4780 5320 6133 7178 7974 8858

Bijlage 3: Organisaties waarop de artikelen 4.2 tot en met 4.5 niet van
toepassing zijn

De op lokaal niveau werkzame organisaties voor vluchtelingenwerk;
• Instellingen voor amateuristische kunstbeoefening;
• Instellingen op het terrein van speeltuinwerk;
• Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers te Rijswijk;
• Stichtingen Medische Opvang Asielzoekers;
• Het huishoudelijk en technisch personeel en de staffuncties van de werkgever die een
organisatie voor Vorming, Training en Advies als omschreven in artikel 1.2. A. 10 van
de CAO instandhoudt.

BIJLAGE 4 TOEPASSING ARBEIDSTIJDENWET EN ARBEIDSTIJDENBESLUIT
EX. ARTIKEL 3.3 TOEPASSING ARBEIDSTIJDENWET EN ARBEIDSTIJDENBESLUIT
3.3.1 Partijen bij deze CAO hanteren de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit als
basis voor de in deze CAO gemaakte afspraken over de arbeidstijden.
3.3.2 De begrippen ‘dienst’, ‘nachtdienst’ of ‘pauze’ hebben in dit artikel dezelfde
betekenis als die in de Arbeidstijdenwet, namelijk:
– dienst: een aaneengesloten tijdruimte waarin arbeid wordt verricht en die
gelegen is tussen twee op grond van deze wet en de daarop berustende
bepalingen voorgeschreven opeenvolgende onafgebroken rusttijden;
– nachtdienst: een dienst waarin de uren tussen 00.00 uur en 06.00 uur geheel of
gedeeltelijk zijn begrepen;
– pauze: een tijdruimte van ten minste 15 achtereenvolgende minuten, waarmee
de arbeid tijdens de dienst wordt onderbroken en waarin de werknemer geen
enkele verplichting heeft ten aanzien van de bedongen arbeid.
3.3.3 Bij de inrichting van de werktijden voor werknemers van 18 jaar en ouder wordt
de Arbeidstijdenwet toegepast. Hierbij gelden de volgende bepalingen:
3.3.3.a Maximum arbeidstijden (structureel):
– arbeidstijd per dienst: 10 uur;
– arbeidstijd per week: –;
– arbeidstijd per 4 weken: gemiddeld 50 uur per week (in totaal 200
uur);
– arbeidstijd per 13 weken: gemiddeld 45 uur per week (in totaal 585
uur).
3.3.3.b Minimumrusttijden:
– dagelijkse rust: 11 uur per 24 uur; (1 × per periode van 7 × 24 uur
in te korten tot 8 uur);
– wekelijkse rust: 36 uur per periode van 7 × 24 uur; of 60 uur per
periode van 9 × 24 uur (1 × per 5 weken in te korten tot 32 uur).
3.3.3.c Pauze:
– als de arbeidstijd per dienst meer bedraagt dan 5,5 uur: 0,5 uur (op
te splitsen in 2 × 0,25 uur);
– als de arbeidstijd per dienst meer bedraagt dan 8 uren, maar niet
meer dan 10 uren: 0,75 uur (maximaal op te splitsen in drie delen);
– als het gaat om solitaire functies of als de aard van het werk het
noodzakelijk maakt dat de werknemer voortdurend bereikbaar is,
kan de werkgever een geconsigneerde pauze opleggen. Dit houdt in
dat de werknemer tijdens de pauze zijn werkplek of de instelling
niet mag verlaten;
– als de werkgever een geconsigneerde pauze oplegt, ontvangt de
werknemer voor de pauzeperiode een vergoeding op basis van
uurloon.
3.3.3.d Zondagsarbeid:
op zondag wordt geen arbeid verricht, tenzij:
– het tegendeel is bedongen en uit de aard van de arbeid voortvloeit;
– de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken en de OR, de
personeelsvertegenwoordiging of – bij ontbreken daarvan – de
belanghebbende werknemer daarmee instemt. De werknemer heeft
minimaal recht op 4 vrije zondagen per 13 weken.
3.3.3.e Aanvullende regels bij nachtdiensten:
– minimale rust na een nachtdienst die eindigt ná 02.00 uur: 14 uur;
– minimale rust na een reeks nachtdiensten: 48 uur;
– maximale arbeidstijd per nachtdienst: 8 uur;
– maximale arbeidstijd per 13 weken: –;
– maximum aantal nachtdiensten: 10 per 4 weken en 25 per 13
weken (16 per 4 weken als de nachtdiensten vóór of op 02.00 uur
eindigen);
– maximum aantal achtereenvolgende nachtdiensten: 5 (6 als de
nachtdiensten vóór of om 02.00 uur eindigen).

Bijlage 5 Regeling arbeidsduurverkorting oudere werknemers
Seniorenverlof
Artikel 9.2 uit de CAO Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening 2007-2008
ARTIKEL 9.2 ARBEIDSDUURVERKORTING OUDERE WERKNEMER
9.2.1 De werknemer van 55 jaar en ouder met een volledig dienstverband heeft recht
op een verkorting van de arbeidsduur met 4 uur per week. Hierbij behoudt de
werknemer van 55 jaar en ouder zijn volledige salaris. De nieuwe arbeidsduur van
32 uur per week wordt gespreid over vier dagen.
9.2.2 Na overleg met de werknemer kan de werkgever deze arbeidsduurverkorting op
een andere wijze invullen. Het minimum aantal betaalde verlofuren per
kalenderjaar bedraagt 188.
9.2.3.a Voor de werknemer met een niet volledig dienstverband wordt de
arbeidsduurverkorting vastgesteld naar rato van de omvang van het
dienstverband.
9.2.3.b Hetzelfde geldt voor de werknemer die gedurende een gedeelte van het
kalenderjaar in dienst is. Deze werknemer heeft recht op
arbeidsduurverkorting naar rato van het gedeelte van het jaar dat hij in
dienst is.
9.2.3.c De arbeidsduurverkorting waarop de werknemer recht heeft, wordt
afgerond op halve uren. Dit gebeurt in het voordeel van de werknemer.
9.2.4.a De arbeidsduurverkorting moet in het desbetreffende kalenderjaar worden
opgenomen.
9.2.4.b De arbeidsduurverkorting die aan het eind van het kalenderjaar niet is
opgenomen, vervalt.
9.2.5 Voor de werknemer die een arbeidsovereenkomst heeft van 38 uur of meer en die
in 1997 niet gekozen heeft voor aanpassing van zijn arbeidsduur tot 36 uur per
week, geldt een uitzondering. Hij kan gebruikmaken van het recht op verkorting
van de arbeidsduur tot 32 uur per week. De uren die boven de norm van
(gemiddeld) 36 uur per week uitstijgen, worden als bijzonder verlof aangemerkt.
Het feitelijk aantal werkuren voor deze werknemer bedraagt dan gemiddeld 32
uur per week. Deze regeling rond bijzonder betaald verlof moet worden
vastgelegd in de individuele arbeidsovereenkomst.
Bijlage 6 Garantie-en overgangsregeling in verband met het afschaffen van
Seniorenverlof
De overgangs-en garantieregeling rondom het seniorenverlof geldt voor medewerkers in
dienst op 1 januari 2009 en ziet er als volgt uit:
• De aanspraak op leeftijdsverlof van 36 uur per jaar tot de leeftijd van 65 of tot einde
dienstverband herleeft (hoofdstuk 7.1).
• De werknemers die gebruik maken van de OBU en de werknemers die ouder zijn dan
65 jaar, hebben geen recht op seniorenverlof
• In 2009 heeft iedere werknemer van 55 jaar en ouder, naast de 36 uur leeftijdsverlof,
recht op 152 uren seniorenverlof op jaarbasis, naar rato van een 36-urig
dienstverband vanaf het bereiken van de leeftijd van 55 jaar. In 2010 heeft deze
werknemer recht op 119 uren seniorenverlof en vanaf 2011 heeft deze werknemer
recht op 73 uren seniorenverlof.
• Deze werknemer kan in 2009 de eenmalige keuze maken om de EJU-stijging in te
zetten voor het aanvullen van het seniorenverlof tot 152 uren.
• Die keuze houdt in dat in 2010 2% stijging van de EJU wordt ingezet, en vanaf 2011
4,8% stijging van de EJU wordt ingezet. Deze keuze geldt tot einde dienstverband of
het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.
• Elke werknemer die in 2010 de leeftijd van 55 bereikt, heeft vanaf het bereiken van
die leeftijd in 2010 recht op 119 uren seniorenverlof en in 2011 recht op 73 uren
seniorenverlof en heeft de eenmalige keuze om de EJU-stijging van 2,8% in te zetten
voor het aanvullen van het seniorenverlof tot 119 uren. Deze keuze geldt tot einde
dienstverband of het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.
• De werknemers die in 2011 en 2012 de leeftijd van 55 bereiken, hebben recht op 73
uren seniorenverlof.
• De werknemer dient uiterlijk drie maanden voor het bereiken van de leeftijd van 55
jaar een keuze te maken.
• Voor huidige 55-plussers dient deze keuze voor 1 oktober 2009 te worden gemaakt.
• Deze afspraken gelden op jaarbasis, naar rato van een 36-urig dienstverband vanaf
het bereiken van de leeftijd van 55 jaar.
• Werkgever en werknemer spreken in overleg af hoe de uren worden opgenomen.
Daarbij spelen het bedrijfsbelang en eerder gemaakte afspraken met de werknemer
een rol.
• Het seniorenverlof moet in het desbetreffende kalenderjaar worden opgenomen. Het
seniorenverlof dat aan het eind van het kalenderjaar niet is opgenomen, vervalt.
Werknemers met een arbeidsovereenkomst van 38 uur:
Voor werknemers die in 1997 gekozen hebben voor een arbeidsovereenkomst van 38 uur
(conform CAO 2007-2008 artikel 9.2.5) gelden de volgende onderstaande afspraken:
• In 2009 heeft de werknemer die in 2009 55 jaar wordt of 55 jaar en ouder is, naast
de 36 uur leeftijdsverlof, recht op 246 uren seniorenverlof op jaarbasis. In 2010 heeft
deze werknemer recht op 211 uren seniorenverlof en vanaf 2011 heeft deze
werknemer recht op 162 uren seniorenverlof.
• Deze werknemer kan in 2009 de eenmalige keuze maken om de EJU-stijging in te
zetten voor het aanvullen van het seniorenverlof tot 246 uren.
• Die keuze houdt in dat in 2010 2% stijging van de EJU wordt ingezet, en vanaf 2011
4,8% stijging van de EJU wordt ingezet. Deze keuze geldt tot einde dienstverband of
het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.
• Elke werknemer die in 2010 de leeftijd van 55 bereikt, heeft in 2010 recht op 211
uren seniorenverlof en in 2011 recht op 162 uren seniorenverlof en heeft de
eenmalige keuze om de EJU-stijging van 2,8% in te zetten voor het aanvullen van het
seniorenverlof tot 211 uren. Deze keuze geldt tot einde dienstverband of het bereiken
van de leeftijd van 65 jaar.
• De werknemers die in 2011 en 2012 de leeftijd van 55 bereiken, hebben recht op 162
uren seniorenverlof.
• De werknemer dient uiterlijk drie maanden voor het bereiken van de leeftijd van 55
jaar een keuze te maken.
• Voor huidige 55-plussers dient deze keuze voor 1 oktober 2009 te worden gemaakt.
• Het seniorenverlof moet in het desbetreffende kalenderjaar worden opgenomen. Het
seniorenverlof dat aan het eind van het kalenderjaar niet is opgenomen, vervalt.

Bijlage 7: Reglement Commissie van Geschillen
Reglement Commissie van Geschillen
(ex artikel 14.1 en 8.3.2)

ARTIKEL 1
1.1 De Commissie van Geschillen, verder te noemen ‘Commissie’, bestaat uit drie
leden.
1.2 De samenstelling van de Commissie is als volgt:
1.2.a één lid en zijn plaatsvervanger worden benoemd door de Maatschappelijk
Ondernemers groep, ondernemersorganisatie voor welzijn, jeugdzorg en
kinderopvang, partij bij de CAO;
1.2.b één lid en zijn plaatsvervanger worden gezamenlijk benoemd door de
werknemersorganisaties ABVAKABO FNV en CNV Publieke Zaak, partijen bij
de CAO;
1.2.c één lid en zijn plaatsvervanger, tevens voorzitter respectievelijk
plaatsvervangend voorzitter, worden gezamenlijk benoemd door de in 1.2.
a en b genoemde organisaties.
1.3 Het secretariaat van de Commissie wordt verzorgd door FCB Dienstverlenen in
Arbeidsmarktvraagstukken, Koningin Wilhelminalaan 3, 3527 LA Utrecht.

ARTIKEL 2
2.1 Een geschil zoals bedoeld in artikel 14.1 van de CAO wordt aanhangig gemaakt
door toezending van een beargumenteerd verzoekschrift in viervoud aan het
secretariaat van de Commissie.
2.2 Voor de indiening en behandeling van een bezwaar aangaande een definitieve
beoordelingsuitslag als bedoeld in artikel 8.3.2, gelden de bepalingen uit “bijlage
X, artikelen 13,2 en 13,3 uit de CAO Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening
2005, Bijlage X”, toegevoegd aan dit reglement.
2.2 De partij die het geschil aanhangig maakt doet hiervan gelijktijdig schriftelijk
mededeling aan de tegenpartij, en voegt daar een afschrift van het verzoekschrift
bij.
2.3 Na ontvangst van het daarover handelend verzoek van het secretariaat van de
Commissie moet de tegenpartij binnen 3 weken na dagtekening van dit verzoek
een beargumenteerd verweerschrift in viervoud bij het secretariaat indienen.
2.4 Een afschrift van het verweerschrift moet door de tegenpartij gelijktijdig worden
gezonden aan de partij die het geschil aanhangig heeft gemaakt.
2.5 Het secretariaat van de Commissie kan – mocht dit voor de behandeling van het
geschil wenselijk worden geacht – partijen de opdracht geven om uitgebreider
bewijsmateriaal in te dienen, binnen een te stellen termijn en eventueel op een
voorgeschreven wijze.
2.6 De behandeling van het geschil vindt niet plaats als niet is voldaan aan het
bepaalde in artikel 7, lid 1, van dit reglement.

ARTIKEL 3
3.1 De Commissie kan het geschil zowel mondeling als schriftelijk behandelen. Besluit
de Commissie tot een schriftelijke afhandeling van het geschil, dan worden
partijen hiervan op de hoogte gesteld.
3.2 Bij de behandeling van het geschil door de Commissie kunnen partijen worden
bijgestaan door een raadsman.

ARTIKEL 4
4.1 Besluit de Commissie tot een mondelinge behandeling van het geschil, dan
worden partijen hiervoor minimaal 2 weken van tevoren schriftelijk uitgenodigd.
4.2 De mondelinge behandeling is openbaar, tenzij de Commissie anders besluit.
4.3 Tijdens de mondelinge behandeling worden partijen in elkaars tegenwoordigheid
gehoord, waarbij zij zich door een raadsman kunnen laten bijstaan.
4.4 Wil een partij getuigen en/of deskundigen horen, dan dient deze hiervan minimaal
8 dagen vóór de dag waarop de mondelinge behandeling plaatsvindt, schriftelijk
mededeling te doen aan het secretariaat van de Commissie, onder opgave van
naam, adres en beroep van de getuigen en/of deskundigen.
4.5 De partij die getuigen en/of deskundigen wil horen dient de tegenpartij hiervan
gelijktijdig schriftelijk op de hoogte te stellen.
4.6 Voor aanvang van de mondelinge behandeling stelt de Commissie vast of partijen
zijn overeengekomen de uitspraak van de Commissie bij wijze van bindend advies
op te volgen.

ARTIKEL 5
5.1 De beraadslagingen van de Commissie vinden plaats in een voltallige vergadering,
die niet openbaar is. De mededelingen tijdens deze vergadering zijn geheim.
5.2 De Commissie beslist bij meerderheid van stemmen. De stemming gebeurt
mondeling, waarbij het de leden niet is toegestaan zich van stemming te
onthouden.

ARTIKEL 6
De Commissie doet binnen 4 weken na de beraadslagingen schriftelijk en
beargumenteerd uitspraak. De uitspraak wordt gelijktijdig aan de partijen toegezonden.

ARTIKEL 7
7.1 De partij die een geschil aanhangig maakt bij de Commissie dient gelijktijdig met
de toezending van het verzoek¬schrift een bedrag van € 113,45 over te maken op
bankrekening 699505615, ten name van FCB Dienstverlenen in
Arbeidsmarktvraagstukken onder vermelding van de namen van de partijen in het
geschil.
7.2 Wordt de partij die het geschil aanhangig heeft gemaakt door de Commissie in het
gelijk gesteld, dan wordt dit bedrag terugbetaald.

Bijlage 8 Artikel 7:668a BW leden 1, 2 en 3
(ex artikel 2.1)
2.1.1 Vanaf de dag dat tussen dezelfde partijen:
2.1.A arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen van
niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van
zesendertig maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben
overschreden, geldt met ingang van die dag de laatste
arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd;
2.1.B meer dan drie voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar
hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, geldt
de laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd.
2.1.2 2.1.1 is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende
arbeidsovereenkomsten tussen een werknemer en verschillende werkgevers, die
ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden
elkanders opvolger te zijn.
2.1.3 2.1.1, onderdeel a en laatste zinsnede, is niet van toepassing op een
arbeidsovereenkomst aangegaan voor niet meer dan drie maanden die
onmiddellijk volgt op een tussen dezelfde partijen aangegane
arbeidsovereenkomst voor zesendertig maanden of langer.

Bijlage 9 Bepaling van de duur van de aanvulling op de WW volgens 11.6
(ex artikel 11.6)
UIT CAO W&MD 2007-2008, UITVOERINGSREGELING L,
ARTIKEL 4
4.1 De duur van het wachtgeld bedraagt drie maanden. Voor de rechthebbende die op
de dag van het ontslag nog geen 21 jaar oud is, wordt daar een duur gelijk aan
18% van zijn diensttijd bij opgeteld, voor de rechthebbende die op de dag van
ontslag 21 jaar oud is een duur gelijk aan 19,5% van zijn diensttijd, en zo per
leeftijdsjaar opklimmend met 1,5% tot aan de rechthebbende die op de dag van
ontslag 60 jaar of ouder is. Voor laatstgenoemde bedraagt de vermeerdering
78%.
De rechthebbende die op de datum van ontslag jonger is dan 50 jaar krijgt
maximaal gedurende 4 jaar wachtgeld.
4.2 Voor de rechthebbende die bij aanvang van de in 4.1 bedoelde diensttijd
wachtgeld ontving volgens deze regeling, wordt bij de berekening van de duur van
het wachtgeld ook rekening gehouden met de diensttijd die bij de berekening van
de duur van het eerder toegekende wachtgeld in aanmerking is genomen
De op die manier berekende wachtgeldtermijn wordt verminderd met de duur van
het eerder toegekende wachtgeld, met uitzondering van de verlenging bedoeld in
4.3.
4.3 De duur van het wachtgeld van de rechthebbende die op het tijdstip van zijn
ontslag minstens 50 jaar oud was en een diensttijd van minstens 10 jaar had
volbracht, wordt na afloop van de berekende wachtgeldtermijn verlengd tot de
eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt.
Deze verlenging wordt niet toegepast wanneer voor een eerder toegekend
wachtgeld een dergelijke verlenging reeds heeft plaatsgevonden, tenzij op die
eerdere verlenging een dienstverband van minstens 10 jaar is gevolgd
De verlenging wordt ook niet toegepast wanneer het ontslag plaatsvindt vanuit
een deeltijddienstverband van minder dan 10 uur per week.

Bijlage 10 Transitietabel
De CAO is in 2008 ingrijpend vernieuwd. Partijen hebben met deze vernieuwing willen
bereiken dat:
• de CAO beter aansluit bij actuele wensen van werknemers en werkgevers, onder
meer door meer keuzemogelijkheden en ruimte voor maatwerk te scheppen;
• de CAO meer ondersteunend is aan een goed en modern personeelsbeleid,
passend bij de vele veranderingen die in de sector plaatsvinden.
Andere tekstuele wijzigingen zijn het resultaat van een algehele herredactie van de tekst
van de CAO. Doel van deze herredactie is de leesbaarheid te vergroten, niet om
inhoudelijke artikelen te wijzigen. Door deze herredactie is ook de indeling van de CAO
gewijzigd.
In de transitietabel CAO W&MD is terug te vinden waar de herschreven artikelen van de
CAO 2007-2008 in de CAO 2008-2010 staan .
Indien noodzakelijk wordt aangegeven op welke manier, anders dan opname in deze
CAO, de relevante teksten toegankelijk zijn gemaakt.
Hoewel de algehele herredactie met de grootste zorgvuldigheid is uitgevoerd, is het
mogelijk dat door de herredactie artikelen inhoudelijk zijn gewijzigd of tot een andere
interpretatie leiden. Als dit het geval is en dit leidt tot een geschil tussen een werkgever
en een werknemer, een ondernemingsraad en/of een personeelsvertegenwoordiging, dan
is de tekst van het betreffende artikel in de CAO 2007-2008 leidend. Dit geldt niet voor
artikelen die zijn gewijzigd als gevolg van in het kader van de CAO 2008 – 2010 tussen
CAO-partijen gemaakte afspraken.

Bijlage 11 Vergoedingen
11.1 Verhuiskosten
Zolang de in artikel 34 van de CAO bedoelde ondernemingregeling niet tot stand is
gekomen, past de werkgever voor de tegemoetkoming in de verhuiskosten de bepalingen
toe die zijn opgenomen in bijlage 11.1(digitaal beschikbaar op www.fcbwjk.nl)
11.2 Reis-en verblijfkosten
Zolang de in artikel 36 van de CAO bedoelde vergoedingsregeling niet tot stand is
gekomen, past de werkgever voor de vergoeding van reis-en verblijfkosten zoals
bedoeld in 11.1 de bepalingen toe die zijn opgenomen in bijlage Y van de CAO 2007-
2008 (digitaal toegankelijk).

Bijlage 12 Beoordelingsregeling
Zolang de in artikel 8.3 bedoelde beoordelingsregeling niet tot stand is gekomen, past de
werkgever voor de beoordeling van werknemers de bepalingen toe die zijn opgenomen in
bijlage X van de CAO 2007-2008 (digitaal beschikbaar op www.fcbwjk.nl).

Bijlage 13 Overgangsregelingen
13.1 In-en Doorstroombanen
1.4.a. Algemeen
1.4.a.1 De bepalingen van de CAO gelden onverminderd voor een werknemer die
op grond van de Regeling in-en doorstroombanen voor langdurig
werklozen (Stb. 1999, 591, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2002, 648) een
arbeidsovereenkomst heeft gesloten met de werkgever en welke
arbeidsovereenkomst is voortgezet na de beëindiging van deze regeling op
1 januari 2004. Het salaris wordt vastgesteld op grond van de bepalingen
onder b en c. Artikel 11.6 en Bijlage 13.2 zijn niet van toepassing op
deze werknemers.
1.4.a.2 Ten aanzien van een in-of doorstroombaan gelden voor de werkgever de
volgende regels:
1.4.a.2.a Bij het realiseren van een in-of doorstroombaan mag geen sprake
zijn van verdringing van een bestaande arbeidsplaats of van
invulling van een reeds voorziene arbeidsplaats. Het moet gaan om
een extra arbeidsplaats, boven de bestaande werkgelegenheid bij de
werkgever die, zonder gebruikmaking van de in 13.1 genoemde
regeling, niet tot stand zou zijn gekomen.
1.4.a.2.b De werkgever stelt een begeleidingsplan op dat garanties biedt voor
een reële training en begeleiding van de werknemer, die de
mogelijke doorstroming van de werknemer naar een reguliere
arbeidsplaats bevordert. Vast onderdeel van dit plan is in ieder
geval de aanwijzing van een begeleider die met de begeleiding van
de werknemer is belast.
1.4.a.2.c De werkgever spant zich in om de werknemer te laten doorstromen
naar een reguliere arbeidsplaats.
1.4.a.2.d De werkgever beoordeelt de geschiktheid van de werknemer voor
doorstroming naar een reguliere arbeidsplaats. Dit gebeurt via een
beoordelingsgesprek dat plaatsvindt ten minste na afloop van het
eerste jaar van het dienstverband.
1.4.b. Beloning
1.4.b.1 Het salaris van de werknemer die een functie vervult die tot stand is
gekomen op grond van de Regeling in-en doorstroombanen voor langdurig
werklozen wordt vastgesteld volgens de salaristabel voor ID-werknemers
zoals opgenomen onder c.
1.4.b.2 De bedragen in deze salarisschaal worden jaarlijks op 1 januari en op 1 juli
verhoogd met de stijging van het Wettelijk Minimum Loon.
1.4.b.3 Bij indiensttreding wordt de werknemer voor zover de Regeling in-en
doorstroombanen dit vereist ingeschaald in de laagste periodieknummer
van de in 13.1 genoemde salaristabel.
1.4.b.4 Werknemers die een instroombaan vervullen, kunnen doorgroeien tot
periodieknummer 9 van de in 13.1 genoemde salaristabel.
1.4.b.5 Werknemers die een doorstroombaan vervullen, kunnen doorgroeien tot
periodieknummer 13 van de in 13.1 genoemde salaristabel.
1.4.c. Salaristabel
Werknemers die op basis van een In-of Doorstroombaan in dienst zijn, worden
ingeschaald in salarisschaal 0. Deze schaal is gekoppeld aan het wettelijk minimumloon.
Het minimum van de schaal is gelijk aan 100% van het wettelijk minimumloon. Het
maximum van de schaal bedraagt 130% voor Instroombanen en 150% voor
Doorstroombanen.
Salarisschaal 0 : I/D-banen, salarisbedragen met ingang van 1 januari 2008 in euro's,
afgerond op eurocenten.
I/D-
banen Instroombaan Doorstroombaan
Periodiek
0 1335,00 1335,00
1 1396,45 1396,45
2 1429,24 1429,24
3 1463,51 1463,51
4 1500,77 1500,77
5 1543,96 1543,96
6 1589,51 1589,51
7 1636,42 1636,42
8 1684,67 1684,67
9 1735,50 1733,53
10 1798,51
11 1863,29
12 1931,31
13 2002,50

Salarisschaal 0 : I/D-banen, salarisbedragen met ingang van 1 juli 2008 in euro's,
afgerond op eurocenten.
I/D-
banen Instroombaan Doorstroombaan
Periodiek
0 1356,60 1356,60
1 1419,08 1419,08
2 1452,40 1452,40
3 1487,22 1487,22
4 1525,09 1525,09
5 1568,98 1568,98
6 1615,27 1615,27
7 1662,94 1662,94
8 1711,97 1711,97
9 1763,58 1761,62
10 1827,65
11 1893,48
12 1962,60
13 2034,90

Salarisschaal 0 : I/D-banen, salarisbedragen met ingang van 1 januari 2009 in euro's,
afgerond op eurocenten.
I/D-
banen Instroombaan Doorstroombaan
Periodiek
0 1.381,20 1381,20
1 1444,77 1444,77
2 1478,69 1478,69
3 1514,14 1514,14
4 1552,70 1552,70
5 1597,38 1597,38
6 1644,51 1644,51
7 1693,04 1693,04
8 1742,96 1742,96
9 1795,56 1793,51
10 1860,73
11 1927,75
12 1998,12
13 2071,80

13.2 Wachtgeld
13.2.1.1. Voor de overgang van de wachtgeldregeling naar de in het eerste lid
bedoelde regeling gelden de volgende afspraken voor werknemers, die op
grond van de in artikel 3.2 van de CAO 2006-2007 (Uitvoeringsregeling L;
digitaal toegankelijk) genoemde redenen tot ontslag recht zou hebben op
wachtgeld:
13.2.1.a. Indien sprake is van een van de in artikel 3.2 lid 1 van de CAO
2006-2007 genoemde redenen tot ontslag, en de maatregel die tot
het ontslag leidt blijkt uit:
-Een definitief besluit dat voor 1 januari 2009 is genomen,
-Een voorgenomen besluit waarvoor voor 1 januari 2009 een
adviesaanvraag is neergelegd bij de OR,
-Een voor 1 januari 2009 met de vakbonden overeengekomen
sociaal plan,
-Een voor 1 januari 2009 aan de vakbonden gestuurde
uitnodiging om te overleggen over een sociaal plan,
behouden de werknemers die worden ontslagen, mits ze zich
aantoonbaar hebben ingezet om een andere baan te vinden, recht
op wachtgeld overeenkomstig het gestelde in Uitvoeringsregeling L1
Wachtgeld (digitaal toegankelijk). De werknemer die geheel of
gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, voldoet voor de duur van de
arbeidsongeschiktheid aan de hiervoor genoemde verplichting door
volledig mee te werken aan het afgesproken re-integratietraject. Dit
recht treedt niet in de plaats van mogelijk gunstigere afspraken
waarop de werknemer op 1 januari 2009 als individueel verworven
recht aanspraak kan doen gelden.
13.2.1.b. Indien een in het eerste 13.2.1.1 bedoeld besluit wordt genomen na
1 mei 2008 doch voor 1 januari 2009 en het gestelde in lid 2a niet
van toepassing is, geldt Uitvoeringsregeling L Werkzekerheid
Inkomenszekerheid, met dien verstande dat, die op grond van de in
artikel 3.2 van de CAO 2006-2007 (Uitvoeringsregeling L)
genoemde redenen tot ontslag recht zou hebben op wachtgeld, bij
ontslag zonder instemming van de werknemer voor 1 januari 2009
de wachtgeldregeling overeenkomstig Uitvoeringsregeling L1 van de
CAO 2007-2008 van kracht is.
13.2.1.c. Voor de werknemer die op grond van de in artikel 3.2 van de CAO
2006-2007 (Uitvoeringsregeling L) genoemde redenen tot ontslag
recht zou hebben op wachtgeld, die op 31 december 2005 in dienst
was en die op 1 januari 2009 50 jaar en ouder maar jonger dan 55
jaar is, geldt in aanvulling op en in afwijking van artikel 10,
Uitvoeringsregeling L:
-als het recht op aanvulling langer duurt dan de WW-periode,
ontvangt de werknemer tot het einde van de
aanvullingsperiode de in artikel 10.6 genoemde percentages
van de berekeningsbasis na aftrek van inkomsten uit arbeid,
sociale verzekeringsuitkeringen, pensioenuitkeringen of
inkomsten uit eigen bedrijf. De werkgever kan het bedrag
dat hiermee gemoeid is, kapitaliseren en als een uitkering
ineens doen om te voorkomen dat de aanvulling in mindering
wordt gebracht op sociale uitkeringen.
-De werknemer ontvangt een extra ontslagvergoeding van 1
berekeningsbasis.
13.2.1.d. Voor de werknemer die op grond van de in artikel 3.2 van de CAO
2006-2007 (Uitvoeringsregeling L) genoemde redenen tot ontslag
recht zou hebben op wachtgeld, die op 31 december 2005 in dienst
was en op 1 januari 2009 55 jaar of ouder is blijft de
wachtgeldregeling van kracht overeenkomstig het gestelde in
Uitvoeringsregeling L1 Wachtgeld van de CAO 2007-2008.
13.2.2. Binnen het kader van dit artikel wordt ontbinding van de
arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:685 BW wegens de in
voorgaande leden bedoelde omstandigheden gelijk gesteld aan ontslag.
13.3 Bepalingen salarisregeling en functiegebouw
13.3.a. Garantiebepalingen
13.3.a.1 Alle schalen zijn voorzien van garantieperiodieknummers zoals
weergegeven in Bijlage II. Bij de invoering van het functieloongebouw op
31 december 2003, 23.59 uur, zijn deze garantieperiodieknummers
toegepast in situaties waarin het maximum van de salarisschaal van de
werknemer op 31 december 2003 hoger was dan het maximum van de
nieuwe salarisschaal.
13.3.a.2 De werknemer die bij de invoering als bedoeld in 13.3.a.1 is ingeschaald in
een garantieperiodieknummer dat hoort bij de nieuwe salarisschaal houdt
recht op inschaling in dit garantieperiodieknummer zolang hij dezelfde
functie blijft uitoefenen bij de werkgever of diens rechtsopvolger.
13.3.a.3 De werknemer die bij de invoering als bedoeld in 13.3.a.1 recht heeft
verkregen op doorgroei tot een garantieperiodieknummer dat hoort bij de
nieuwe salarisschaal, behoudt dit recht zolang hij dezelfde functie blijft
uitoefenen bij de werkgever of diens rechtsopvolger.
13.3.a.4 De garantieperiodieknummers worden geïndexeerd met de algemene
loonontwikkeling van de CAO.
13.3.b. Invoering Functieloongebouw per 31 december 2003, 23.59 uur, en het
Reglement Bezwarencommissies
Voor zover de invoering van het per 31 december 2003, 23.59 uur, van
kracht zijnde functieloongebouw nog niet is afgerond, blijven de bepalingen
uit hoofdstuk 4 (Invoering functieloongebouw per 31 december 2003 om
23.59 uur) en hoofdstuk 5 (Reglement Bezwarencommissies) van
Uitvoeringsregeling A Salariëring uit de CAO Welzijn & Maatschappelijke
Dienstverlening 2004 onverminderd van toepassing.
13.3.c. Opheffing van de bezwarencommissies
Voor de bezwarencommissies zoals geregeld in artikelen 5.2, 5.3 en 5.4 van
Uitvoeringsregeling A Salariëring uit de CAO Welzijn & Maatschappelijke
Dienstverlening 2004 geldt dat deze commissies worden opgeheven als aan de
volgende voorwaarden is voldaan:
-alle werknemers in de sector Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening
zijn overeenkomstig de salarisregeling ingedeeld in een functie en een
daarbij passende salarisschaal;
-geen van die werknemers kan op grond van het Reglement
Bezwarencommissies uit de CAO Welzijn & Maatschappelijke
Dienstverlening 2004 een bezwaar-of beroepschrift (meer) indienen;
-alle ingediende bezwaren en beroepszaken zijn afgehandeld.
13.4 Vervroegde uittreding

ARTIKEL 13.4.1
Deze regeling verstaat onder:
13.4.1.a ontslag: ontslag met recht op een uitkering volgens dit artikel, namelijk
indien:
-61 jaar of ouder is en direct voorafgaand aan de datum van het
ontslag een ononderbroken diensttijd heeft van minstens 10 jaren;
jonger
is dan 61 jaar en een diensttijd heeft van 40 jaren, waarvan
de laatste 10 jaren direct voorafgaand aan de datum van het
ontslag ononderbroken zijn geweest.;
13.4.1.b belanghebbende: de werknemer aan wie het ontslag zoals bedoeld onder a
is verleend;
13.4.1.c uitkering: de uitkering zoals bedoeld in artikel 13.4.4 van deze regeling;
13.4.1.d diensttijd: de tijd doorgebracht als werknemer in dienst van een of meer
instellingen die materieel onder de werkingssfeer van het Pensioenfonds
Zorg en Welzijn vallen. Hiertoe behoort in ieder geval:
– de tijd doorgebracht als werknemer in een instelling die valt onder
de werkingssfeer van deze of een van de navolgende CAO’s:
• CAO Kinderopvang;
• CAO Jeugdzorg;
• CAO Gezinsverzorging;
• CAO Dagverblijven en Tehuizen voor Gehandicapten;
• CAO Bejaardentehuizen;
• CAO Kruiswerk en Tuberculosebestrijding;
• CAO Thuiszorg;
• CAO Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg;
• CAO Ziekenhuiswezen;
• CAO Schippersinternaten;
• CAO Verzorgingshuizen;
– de tijd doorgebracht als ambtenaar in een instelling zoals bedoeld in
artikel B 3 van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet c.q. de Wet
Privatisering ABP, op voorwaarde dat de aard van de door deze
instelling verrichte werkzaamheden dezelfde is als van de
instellingen die materieel onder de werkingssfeer van het
Pensioenfonds Zorg en Welzijn vallen.
Bij de berekening van de diensttijd wordt niet als onderbreking beschouwd:
een vrijwillige onderbreking van twee maanden of minder en een
onderbreking wegens onvrijwillige werkloosheid in de zin van de
werkloosheidswetgeving van een jaar of korter.
13.4.1.e laatstgenoten salaris:
13.4.1.e.1 het salaris verhoogd met het bedrag van de vakantietoeslag
en de structurele eindejaarsuitkering waarop
belanghebbende over de maand – gerekend vanaf de dag
voorafgaand aan zijn ontslag – recht op had of, bij
waarneming van zijn functie, zou hebben gehad, met dien
verstande dat:
13.4.1.e.1.a als dit salaris geheel of gedeeltelijk uit wisselende
inkomsten bestaat, dan zal het gemiddelde salaris
over de laatste twaalf volle kalendermaanden
voorafgaand aan het ontslag gelden als laatstgenoten
salaris of als deel daarvan;
13.4.1.e.1.b eveneens geldt als deel van het laatstgenoten salaris
de over de twaalf volle kalendermaanden
voorafgaand aan het ontslag gemiddeld per maand
ontvangen toelage, zoals bedoeld in artikel 5.2.1 van
de CAO.
13.4.1.2 Wanneer de belanghebbende in dienst was gebleven en er zou, anders dan
door de toekenning van periodieke verhogingen, wijziging zijn gekomen in
zijn laatstgenoten salaris, dan zal vanaf de dag van inwerkingtreding van
die wijziging het op deze manier gewijzigde salaris als laatstgenoten salaris
gelden.
13.4.1.3 Heeft er in de loop van het jaar onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag
een aanmerkelijke wijziging plaatsgevonden in de omvang van de
werkzaamheden, dan zal, in afwijking van de vorige leden, het gemiddelde
salaris over hiervoor genoemd jaar gelden als laatstgenoten salaris.
13.4.1.4 Het OAW kan in bijzondere gevallen op verzoek van de belanghebbende of
de werkgever afwijken van het bepaalde in de vorige leden, ten gunste van
de belanghebbende.

ARTIKEL 13.4.2
13.4.2.1 Aan de werknemer wordt op zijn verzoek ontslag verleend met recht op
een uitkering, zoals bedoeld in artikel 4 van deze regeling, op voorwaarde
dat hij op de datum van zijn ontslag:
13.4.2.1.a 61 jaar of ouder is en direct voorafgaand aan de datum van het
ontslag een ononderbroken diensttijd heeft van minstens 10 jaren;
13.4.2.1.b jonger is dan 61 jaar en een diensttijd heeft van 40 jaren, waarvan
de diensttijd de laatste 10 jaren direct voorafgaand aan de datum
van het ontslag ononderbroken moeten zijn geweest.
13.4.2.2 Het in het voorgaande lid: 13.4.2.1 bepaalde geldt niet voor de werknemer
die als deelnemer in het Pensioenfonds Zorg en Welzijn gebruik kan (gaan)
maken van de Overbruggingsregeling van het PGGM of recht heeft op
Flexpensioen van Pensioenfonds Zorg en Welzijn of op een daarmee
vergelijkbare regeling .
13.4.2.3 Vanaf 1 januari 2006 gelden de artikelleden 13.4.2.1 en 13.4.2.2 alleen
voor medewerkers die geboren zijn vóór 1 januari 1949.
13.4.2.4 Indien toepassing van artikel 13.4.2.3 voor individuele werknemers leidt
tot onevenredig grote nadelen ten opzichte van Pensioenfonds Zorg en
Welzijn-deelnemers, zullen na melding (artikel 10 CAO) partijen bij deze
CAO hierover in overleg treden.

ARTIKEL 13.4.3
13.4.3.1 De belanghebbende heeft recht op een uitkering met ingang van de datum
van ontslag.
13.4.3.2 De werkgever kent de uitkering toe op schriftelijke aanvraag door de
belanghebbende. De belanghebbende is verplicht binnen twee maanden na
zijn verzoek de voor de behandeling van de aanvraag noodzakelijke
gegevens aan de werkgever te overleggen.

ARTIKEL 13.4.4
13.4.4.1 De uitkering bedraagt voor de werknemer geboren:
in 1941 78%
in 1942 77%
in 1943 76%
in 1944 75%
in 1945 74%
in 1946 73%
in 1947 72%
in 1948 71%
na 1948 70%
van het laatstgenoten salaris. Dit op voorwaarde dat het bedrag van de
uitkering, samen met andere inkomsten uit arbeid, niet lager is dan een
bedrag dat op dezelfde wijze is vastgesteld als de berekening van het bruto
ouderdomspensioen en de bruto vakantietoeslag van een gehuwde met
volledige toeslag voor een partner jonger dan 65 jaar, zoals aangegeven in
artikel 8, respectievelijk artikel 29 van de Algemene Ouderdomswet (Stb.
1965, 429).
13.4.4.2 Wordt de in 13.4.4.1 bedoelde uitkering toegekend op grond van ontslag
uit een deeltijddienstverband, dan wordt het in 13.4.4.1 bedoelde
minimumbedrag naar evenredigheid verminderd.
13.4.4.3 De uitkering wordt in maandelijkse termijnen betaald.

ARTIKEL 13.4.5
De belanghebbende heeft, om de gedeeltelijke of volledige voortzetting van zijn
deelneming aan de voor hem geldende pensioenregeling voort te zetten, tijdens de
periode dat hij de uitkering geniet, recht op maximaal 50% van het over zijn
laatstgenoten salaris verschuldigde werkgeversaandeel in de kosten van deze
pensioenvoorziening. Dit recht geldt slechts als de werknemer zelf eveneens minstens de
helft van het werknemersaandeel van de aan deze voortzetting verbonden kosten voor
zijn rekening neemt.

ARTIKEL 13.4.6
13.4.6.1 De inkomsten die de belanghebbende geniet of gaat genieten uit of in
verband met arbeid of bedrijf worden in mindering gebracht op de
uitkering. Dit geschiedt over de maand waarop deze inkomsten betrekking
hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.
13.4.6.2 Heeft de belanghebbende arbeid of bedrijf uitgevoerd voor de datum van
het ontslag en gaat hij daardoor na die datum uit die arbeid of dat bedrijf
inkomsten of meer inkomsten genieten, dan geldt het eerste lid: 13.4.6.1,
tenzij de belanghebbende aannemelijk maakt dat die inkomsten,
vermeerdering van inkomsten of een gedeelte daarvan niet het gevolg zijn
van een verhoogde werkzaamheid en evenmin verband houden met het
ontslag. Het in de vorige volzin bepaalde geldt echter niet wanneer de
belanghebbende arbeid of bedrijf ter hand heeft genomen gedurende
non-activiteit of verlof onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, dan wel
binnen een termijn korter dan een jaar voorafgaand aan het ontslag.
13.4.6.3 De uitkering van de belanghebbende wordt verminderd met het bedrag van
de aanspraken die de belanghebbende na zijn ontslag op grond van ziekte
in verband met dat dienstverband nog heeft. Dit geschiedt tot het einde
van de periode waarover die aanspraken bestaan.
13.4.6.4 Als bij het bedrag van de inkomsten, zoals bedoeld in de voorgaande leden,
een vergoeding in het kader van de premie Algemene Ouderdomswet en
Algemene Weduwen-en Wezenwet, inbegrepen is of kan zijn, dan blijft
deze vergoeding bij de toepassing van dit artikel buiten beschouwing.
13.4.6.5 In bijzondere gevallen kan het OAW op verzoek van de belanghebbende of
de betrokken werkgever van het in dit artikel bepaalde afwijken, ten
gunste van belanghebbende.

ARTIKEL 13.4.7
13.4.7.1 De belanghebbende is verplicht van het starten van enige arbeid of bedrijf
direct mededeling te doen aan de voormalige werkgever onder opgave,
voor zover mogelijk, van de inkomsten die hij uit die werkzaamheden zal
verkrijgen. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig
voor het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van inkomsten die
hij sinds het starten van de werkzaamheden of sinds de vorige opgave
heeft genoten. Het OAW kan uitgebreidere voorschriften geven met
betrekking tot het doen van mededelingen door de belanghebbende over
de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.
13.4.7.2 Zijn de aard van de werkzaamheden of van de inkomsten zodanig dat de
inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan
geschiedt de opgave op deze manier en wordt de uitkering verminderd met
een voorlopig vastgesteld bedrag, onder voorbehoud van verrekening aan
het einde van de langere termijn. Voor deze verrekening geldt artikel 6, op
voorwaarde dat zij geschiedt over de in de vorige volzin bedoelde langere
termijn, in plaats van over iedere maand afzonderlijk.
13.4.7.3 Het in de voorgaande leden bepaalde geldt overeenkomstig ten aanzien
van arbeid of het bedrijf en de inkomsten daaruit, zoals bedoeld in
13.4.6.2, en eveneens ten aanzien van aanspraken zoals bedoeld in artikel
13.4.6.3.
13.4.7.4 De belanghebbende aan wie een uitkering is toegekend stemt door het
aanvaarden van de uitkering er in toe iedereen, die daarvoor naar het
oordeel van het OAW in aanmerking komt, omtrent zijn omstandigheden
alle inlichtingen te geven die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze
regeling.

ARTIKEL 13.4.8
Is de belanghebbende langer dan een jaar, al dan niet begonnen voor de datum van
ingang van zijn ontslag, wegens ziekte verhinderd arbeid te verrichten, dan kan hij door
de werkgever worden verplicht zich geneeskundig te laten onderzoeken.

ARTIKEL 13.4.9
13.4.9.1 Het recht op uitkering eindigt:
13.4.9.1.a met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op de maand
waarin de belanghebbende de leeftijd van 65 jaar bereikt;
13.4.9.1.b met ingang van de dag die volgt op de dag waarop de
belanghebbende is overleden;
13.4.9.1.c met ingang van de eerste dag van de tweede maand die volgt op de
maand waarin de belanghebbende in het genot wordt gesteld van
een naar volledige arbeidsongeschiktheid berekende uitkering op
grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering;
13.4.9.1.d behoudens het bepaalde in het tweede lid: 13.4.9.1.b van dit
artikel, met ingang van de eerste dag van de tweede maand die
volgt op de maand waarin de belanghebbende op grond van het
dienstverband waaruit hij met recht op uitkering is ontslagen in het
genot wordt gesteld van het invaliditeitspensioen, zoals bedoeld in
artikel E 1, lid 1 sub b, van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet
c.q. de Wet Privatisering ABP.
Op voorwaarde dat de onder c of d toegekende inkomensvervangende
arbeidsongeschiktheidsuitkering lager is dan de uitkering die de betrokkene
als belanghebbende in de zin van deze regeling zou hebben ontvangen
wanneer het bepaalde onder c of d niet op hem van toepassing zou zijn
geweest, wordt het verschil hem bij wijze van toelage uitgekeerd. Het
hiervoor in 13.4.9.1.a en b bepaalde is mede op de toelage van toepassing.
13.4.9.2 In afwijking van het gestelde in het 13.4.9.1.d, eindigt het recht op
uitkering met ingang van de dag dat de belanghebbende op grond van
ziekte of gebreken blijvend ongeschikt is verklaard voor het vervullen van
het dienstverband dat gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte
periode op hem van toepassing was. Op grond van bovenstaande ziekte of
gebreken wordt hem het invaliditeitspensioen, zoals bedoeld in artikel E 1,
13.4.9.1.b, van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet c.q. de Wet
Privatisering ABP, toegekend.
13.4.9.3 Het recht op uitkering kan geheel of gedeeltelijk vervallen als de
belanghebbende de gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling of
de vermindering van de uitkering niet, niet volledig of onjuist verstrekt.

ARTIKEL 13.4.10
13.4.10.1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de belanghebbende wordt aan
de weduwe of weduwnaar van wie de overledene niet duurzaam
gescheiden leefde, naast de uitbetaling van de uitkering tot en met de
laatste dag van de maand waarin het overlijden plaatsvond, een uitkering
ineens toegekend die gelijk is aan twee maandelijkse uitkeringsbedragen
Wordt op de uitkering een vermindering toegepast volgens artikel 6 of 7,
dan is het bedrag dat als gevolg van de voorafgaande volzin wordt
toegekend het tweevoudige van de uitkering waarop de belanghebbende
over de gehele maand voorafgaande aan de maand waarin zijn overlijden
plaatsvond aanspraak heeft gehad.
13.4.10.2 Wanneer er geen nabestaanden, zoals bedoeld in 13.4.10.1 zijn, wordt de
uitkering toegekend aan degene(n) van wie de overledene kostwinner was.
13.4.10.3 Wanneer er geen nabestaanden, zoals bedoeld in 13.4.10.1 en 2 zijn, kan
in bijzondere gevallen de in lid 1 bedoelde uitkering worden uitbetaald aan
de persoon of personen die daar volgens de werkgever naar
billijkheidsoverwegingen voor in aanmerking komt/komen.
13.4.10.4 De uitkering zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel: 13.4.10.1 wordt
verminderd met het bedrag van de uitkering dat aan de nabestaanden door
het overlijden van de belanghebbende volgens een wettelijk
voorgeschreven arbeidsongeschiktheidsverzekering toekomt.

ARTIKEL 13.4.11
Het OAW kan voor de toepassing van deze regeling nadere voorschriften geven.

ARTIKEL 13.4.12
In bijzondere gevallen of groepen van gevallen waarin de toepassing van deze regeling
tot een volgens het OAW onredelijke uitkomst leidt, is het OAW bevoegd een beslissing te
nemen die met de strekking van deze regeling overeenkomt.

13.5 Medezeggenschap
Bestaande afspraken en praktijk op grond van artikel 14.1 van de CAO 2007-2008
(digitaal beschikbaar op www.fcbwjk.nl) blijven bestaan tot het einde van de
zittingstermijn van de OR of PVT.

 

Sector 35 - Gehandicaptenzorg 1-3-2009 tm 28-2-2011

E-mailadres Afdrukken PDF

CAO
GEHANDICAPTENZORG
2009-2011
Voor vragen op het gebied van de interpretatie/toepassing van de CAO kunnen georganiseerde werkgevers
(leden) zich wenden tot:
-Afdeling Werkgeverszaken van de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland, Utrecht, tel. (030) 2739719
Georganiseerde werknemers (leden) kunnen zich voor interpretatie/toepassing van de CAO wenden tot:
-ABVAKABO FNV, Zoetermeer, tel. (0900) 2282522
-CNV Publieke Zaak, Den Haag, tel. (070) 4160600
-FBZ,Utrecht,tel.(030)2823368of(030)6702702
-NU’91, Utrecht, tel. (030) 2964144

Colofon
Uitgever Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland
Bezoekadres Oudlaan 4
Postadres Postbus 413
3500 AK UTRECHT
Telefoon 030-2739300
Telefax 030-2739387
Vormgeving Omslag: Mariël Lam, ‘s Hertogenbosch
Binnenwerk: Wimjan Schippers
Drukwerk van Grinsven drukkers, Venlo, januari 2010
Bestellingen

De uitgave CAO Gehandicaptenzorg 2009-2011 kan onder vermelding van publicatienummer 710.204 besteld
worden via de website van de VGN (www.vgn.org) middels het daartoe bestemde bestelformulier.

Lidinstellingen van de VGN betalen voor de CAO Gehandicaptenzorg " 2,60 per stuk bij bestelling van 25
stuks of een veelvoud daarvan; " 3,10 per stuk bij bestelling van minder dan 25 stuks of aantallen niet zijnde
een veelvoud van 25. Niet-lidinstellingen betalen " 6,15 per stuk. Alle prijzen zijn inclusief BTW en exclusief
handling en verzendkosten. Meer informatie over bestellingen vindt u op www.vgn.org.

© Copyright VGN 2010, Utrecht

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand
of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch mechanisch of door fotokopieën opnamen of enig
andere manier, zonder voorafgaande toestemming van de partijen van de CAO. Het gebruik van tekst als toelichting of onder-
steuning bij artikelen, boeken en scripties is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld. Voor het verkrijgen van toe-
stemming kunt u zich richten tot VGN, Postbus 413, 3500 AK Utrecht.

Deze uitgave is met uiterste zorgvuldigheid samengesteld. Noch de redactie, noch de uitgever kan echter aansprakelijkheid
aanvaarden voor eventuele schade die zou kunnen voortvloeien uit onvolledige of onjuist opgenomen informatie. Voor ver-
beteringen van de opgenomen gegevens houden zij zich gaarne aanbevolen.

CAO Gehandicaptenzorg 2009 -2011

 

Inhoudsopgave
Preambule
Hoofdstuk 1.
Hoofdstuk 2.
Hoofdstuk 3.
Hoofdstuk 4.
Hoofdstuk 5.
Hoofdstuk 6.
Hoofdstuk 7.
Hoofdstuk 8.
Hoofdstuk 8A.
Hoofdstuk 9.
Hoofdstuk 10.
Hoofdstuk 11.
Hoofdstuk 12.
Hoofdstuk 13.
Hoofdstuk 14.
Hoofdstuk 15.
Hoofdstuk 16.
Hoofdstuk 17.
Bijlage 1:
Bijlage 2:

Zakenregister 4
Algemene bepalingen 6
Het aangaan en beëindigen van de arbeidsovereenkomst 9
Algemene verplichtingen werkgever en werknemer 12
Functiewaardering, salariëring en vakantietoeslag 15
Leerlingen en assistent-geneeskundigen i.o. 2 8
Arbeidsduur en werktijden 31
Vergoedingen overwerk, bijzondere diensten en meerdaagse vakantie cliënten 34
Vakantie en verlof 38
Persoonlijk Budget Levensfase (PBL) 42
Kostenvergoedingen 44
Sociaal Beleid 46
Arbeid en Gezondheid 48
Meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden 51
Medezeggenschap 53
Faciliteiten werknemersorganisaties 55
Wachtgeld 56
Overgangs-en garantiebepalingen 58
Slotbepalingen 63
Salaristabel inpassingsnummers -2 t/m 100 64
-Normen Arbeidstijdenwet (ATW), Arbeidstijdenbesluit 65
(ATB) en CAO Gehandicaptenzorg voor verpleging en verzorging
-Normen Arbeidstijdenwet (ATW), Arbeidstijdenbesluit 70
(ATB) en CAO Gehandicaptenzorg voor geneeskundigen 75

 

Preambule

Tussen de ondergetekenden:
I werkgeversorganisaties
• VGN;
• MEE Nederland;
En
II de werknemersorganisaties
• ABVAKABO FNV;
• CNV Publieke Zaak;
• Nu’91;
• FBZ: Federatie van Beroepsorganisaties in de Zorg en daaraan gerelateerd onderwijs en onderzoek,
te weten:
-Ergotherapie Nederland (EN);
-Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF);
-Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband (LAD);
-Nederlands Instituut van Psychologen (NIP);
-Nederlandse Vereniging van Diëtisten (NVD);
-NVO, Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen;
-Nederlandse Vereniging voor BewegingsAgogie (NVBA);
-Nederlandse Vereniging voor Klinische Fysica (NVKF);
-Nederlandse Vereniging voor Logopedie en Foniatrie, sectie Gezondheidszorg (NVLF/G);
-Nederlandse Vereniging voor Psychomotorische Therapie (NVPMT);
-Vereniging van Geestelijk Verzorgers in Zorginstellingen (VGVZ).
hierna te noemen ‘partijen bij deze CAO’, is een collectieve arbeidsovereenkomst, hierna te noemen ‘CAO’,
aangegaan.

Partijen zijn het navolgende overeengekomen:
-Looptijd
De CAO heeft een looptijd van 26 maanden: van 1 januari 2009 tot 1 maart 2011.

-Structurele salarisverhoging
Per 1 december 2009 wordt een structurele salarisverhoging toegepast van 1,5%. Per 1 juli 2010 wordt
een structurele salarisverhoging toegepast van 1,0%.

-Incidentele uitkeringen
In december 2009 wordt een eenmalige uitkering verstrekt aan alle op 31 december 2009 in dienst zijn-
de werknemers. De hoogte van de uitkering is 1,25% van het bij de werkgever feitelijk verdiende salaris in
de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009. Het feitelijk verdiende salaris bij de werkge-
ver is het salaris zoals bedoeld in artikel 1:1 sub d CAO Gehandicaptenzorg.

-Eindejaarsuitkering
Per december 2009 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,5% naar 5,15%.
Per december 2010 wordt de eindejaarsuitkering structureel verhoogd met 0,6% naar 5,75%.

-Premie Pensioenfonds Zorg en Welzijn
De pensioenpremieverdeling wordt met ingang van 1 januari 2010 gewijzigd in de verdeling: 50% werk-
gever / 50% werknemer.

-Persoonlijk Budget Levensfase
Partijen bij deze CAO komen overeen om per 1 januari 2010 een levensfasebudget (PBL) te realiseren voor
alle werknemers vallend onder de CAO Gehandicaptenzorg. Dit PBL kan in twee vormen gespaard worden:
via de levensloopregeling of via tijdsparen bij de werkgever. Het PBL kan aangewend worden voor
bestedingsdoelen in tijd, met als doel duurzame inzetbaarheid van werknemers gedurende alle levensfasen.
Het PBL wordt als een reëel alternatief voor het huidige systeem van leeftijdsgebonden regelingen en
rechten gezien en komt tegemoet aan het uitgangspunt van gelijke behandeling van werknemers, ongeacht
hun leeftijd.
Met de invoering van het PBL komen de huidige leeftijdsafhankelijke verlofregelingen in de CAO, artikel
8:2, te vervallen. Het gaat daarbij om de vergrijzingsuren en de 55+-uren.

Ten behoeve van het kunnen maken door de werknemer van verantwoorde keuzes in de opbouw en besteding
van het PBL-budget zal samen met PGGM tijdig een tool ontwikkeld worden.

Gedurende de looptijd van de CAO zal in 2010 onderzoek worden gedaan naar de (on)mogelijkheden en
de voor-en nadelen van eventuele cashopties. Dit onderzoek dient te zijn afgerond voordat de onderhandelingen
over de volgende CAO starten.

-Instroom en behoud personeel
Partijen bij deze CAO hechten zeer aan een goede en voldoende instroom van leerlingen in de branche.
Vanuit dat perspectief verrichten zij in 2010 een onderzoek naar de mogelijkheden om de binding tussen
de stagiair/leerling-werknemer en de branche te vergroten.

-Werk-en rusttijden
Gedurende de looptijd van deze CAO wordt nader onderzoek gedaan naar aspecten van werk-en rusttijden
(roosteren) en het belang daarvan voor de kwaliteit van de arbeid, de balans tussen arbeid en privé
en de mogelijkheden om met de bestaande medewerkers de arbeidsparticipatie te vergroten.

Partijen voeren met middelen van de Stichting Arbeidsmarkt Gehandicaptenzorg (StAG) in 2010 hiertoe
een projectonderzoek uit. In dat project worden, in ieder geval, de volgende aspecten belicht:
-de mogelijkheden van moderne roostertechnieken;
-de mogelijkheden om de deeltijdfactor te verhogen (voor medewerkers die dat willen);
-de balans tussen arbeid en privé;
-de effecten op ervaren werkdruk.

Partijen komen overeen de mogelijkheid om af te wijken van de jaarurensystematiek te herformuleren in
die zin dat in afwijking van de jaarurensystematiek de werkgever kan kiezen voor een andere systematiek.
De werkgever treft hiertoe een regeling met instemming van de ondernemingsraad. Bij toepassing
van een andere systematiek dan de jaarurensystematiek, blijft gelden dat de fulltime arbeidsduur per jaar
1878 uur is.

Partijen spreken af in 2010 de uitvoering van de jaarurensystematiek te evalueren.

-Vitaliteitsbeleid
Partijen spreken af dat in de CAO wordt opgenomen dat ondernemingsraden en werkgevers nadere af-
spraken maken over samenhangend HRM beleid in het kader van personeels-en vitaliteitsbeleid.
Gedurende de looptijd van de CAO worden-met financiering vanuit middelen van de stichting arbeids-
markt gehandicaptenzorg-pilots gestart en onderzoek gedaan naar effectuering en invloed van deze af-
spraak.

-Jeugdwerkloosheid
Partijen spreken af uit de middelen van de Stichting Arbeidsmarkt Gehandicaptenzorg (StAG) een budget
van €500.000,-te reserveren voor het Actieplan Jeugdwerkloosheid.

-Algemeen verbindend verklaring
Partijen zullen na totstandkoming van de definitieve CAO gezamenlijk een verzoek tot algemeen verbin-
dend verklaring indienen bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

-Overlegbepaling
Partijen komen overeen om tijdig, doch in ieder geval drie maanden voor afloop van de CAO, op initiatief
van de VGN, de onderhandelingen voor een nieuwe CAO te starten zodat een nieuwe CAO aansluit bij de
looptijd van de vigerende CAO.

Hoofdstuk1.
Algemene bepalingen

Werkgever
Werknemer
Relatiepartner
Salaris
Uurloon
Volledig
dienstverband
Feestdagen

Artikel 1:1 Begripsbepalingen
In deze CAO wordt verstaan onder:
a. De werkgever:
1. De rechtspersoon die een instelling/voorziening beheert die tot doel heeft het verlenen van zorg-en
dienstverlening aan gehandicapten. Daaronder wordt in ieder geval verstaan:
• een instelling voor zwakzinnigenzorg;
• een instelling voor zintuiglijk gehandicapten;
• een instelling voor licht verstandelijk gehandicapten;
• een internaat voor kinderen met ontwikkelingsstoornissen;
• een voorzieningencentrum voor lichamelijk gehandicapten (onderdeel gehandicaptenzorg),
te weten:
-Nieuw Unicum te Zandvoort;
-Stichting Het Raamwerk te Noordwijkerhout;
-Stichting Amstelring OsiraGroep te Amsterdam;
-Siza Dorpgroep te Arnhem.
• een dagverblijf voor lichamelijk gehandicapten;
• een dagverblijf voor verstandelijk gehandicapten;
• een gezinsvervangend tehuis voor lichamelijk gehandicapten;
• een gezinsvervangend tehuis voor zintuiglijk gehandicapten;
• een gezinsvervangend tehuis voor verstandelijk gehandicapten;
• een logeerhuis voor verstandelijk gehandicapten.
2. De rechtspersoon die is opgericht door een of meer rechtspersonen als bedoeld in lid 1 met het oogmerk
uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten te verlenen aan deze rechtspersonen, welke diensten be-
staan uit werkzaamheden die gebruikelijk in instellingen als bedoeld in lid 1 worden of werden verricht.
3. De rechtspersoon Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland.
4. De rechtspersoon die een instelling/voorziening beheert die tot doel heeft het verlenen van cliënten-
ondersteuning aan mensen met een beperking of chronische ziekte en hun ouders /verwanten (voorheen
de Sociaal-Pedagogische Diensten).
b. De werknemer:
De persoon die een arbeidsovereenkomst is aangegaan met de onder a genoemde werkgever, met
uitzondering van de persoon die:
• ambtenaar is in de zin van de Wet Privatisering ABP;
• de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt;
• alleen dan wel tezamen met één of meer anderen eindverantwoordelijk is voor de dagelijkse leiding
van de instelling;
• incidenteel gedurende een korte periode in de schoolvakanties werkzaam is voor een periode niet
langer dan maximaal 6 weken achtereen;
• uurdocent is;
• in de instelling of voorziening werkzaam is uitsluitend ter vervulling van een stage.
c. Relatiepartner:
a. Eén persoon met wie de ongehuwde werknemer blijkens een door een notaris opgesteld stuk een ge-
meenschappelijke huishouding voert vanaf een daarin vermelde datum, en met wie hij blijkens uittrek-
sels uit het bevolkingsregister vanaf die datum op hetzelfde adres woont, tenzij er tussen hen bloed-of
aanverwantschap in de rechte lijn bestaat.
b. De persoon met wie de ongehuwde werknemer krachtens de Wet Geregistreerd Partnerschap een gere-
gistreerd partnerschap heeft.
d. Het salaris:
Het tussen werkgever en werknemer overeengekomen brutomaandloon, exclusief de eindejaarsuitke-
ring, de vakantietoeslag en de in de hoofdstukken 4, 7, 8, 9 en 10 genoemde vergoedingen.
e. Het uurloon:
Het bedrag dat wordt verkregen door het salaris zoals gedefinieerd in artikel 1:1 sub d, bij een volledig
dienstverband te vermenigvuldigen met 12 en te delen door 1878. (Bij een contract van 38 uur per week
delen door 1983 en bij een contract van 40 uur per week delen door 2087 uren).
f. Volledig dienstverband:
Een dienstverband van 1878 uur per jaar1.
g. Feestdagen:
Nieuwjaarsdag, Paasmaandag, Hemelvaartsdag, Pinkstermaandag, Eerste en Tweede Kerstdag, 5 mei en
de als zodanig door de overheid erkende nationale feest-en gedenkdagen alsmede de bijzondere feest-
en gedenkdagen door de werkgever in overleg met de ondernemingsraad vastgesteld.
Het jaaruren aantal van 1878 uur kan bij een volledig dienstverband worden teruggeleid tot een gemiddeld 36-urige werkweek.
h. Overleg Arbeidsvoorwaarden Gehandicaptenzorg (OAGz):
Het door de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland enerzijds en ABVAKABO FNV, CNV Publieke Zaak,
FBZ en NU’91 anderzijds in het leven geroepen overlegorgaan.
i. WOR:
Wet op de Ondernemingsraden.
j. Personeelsvertegenwoordiging:
Medezeggenschapsorgaan dat op basis van artikel 35 c WOR is ingesteld.
k. Cliënt:
Een natuurlijk persoon ten behoeve van wie de instelling werkzaam is, alsmede de ouders, voogden, kin-
deren, broers en zussen, mentor en curator van de natuurlijke persoon.

Artikel 1:2 Werkingssfeer, toepassing en ontheffing van de CAO
1. Deze CAO is van toepassing op de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever als bedoeld in artikel 1:1
sub a en de werknemer als bedoeld in artikel 1:1 sub b.
2. Indien de werkgever als bedoeld in artikel 1:1 sub a tevens een andere instelling op het gebied van de
zorg-en welzijnssector beheert, die onder de werkingssfeer van een andere CAO valt, is de CAO Gehandi-
captenzorg niet van toepassing op de werknemers werkzaam in die andere instelling, tenzij daartoe door
bevoegde CAO-partijen ontheffing is verleend en conform lid 4 ingestemd is met het toepassingsverzoek.
3. Indien de arbeidsverhouding tussen de werkgever als bedoeld in artikel 1:1 sub a en zijn werknemers valt
onder de werkingssfeer van meerdere CAO’s, kunnen CAO-partijen op verzoek van die werkgever beslui-
ten de bepalingen van deze CAO niet van toepassing te verklaren op de arbeidsverhouding tussen de
werkgever en al zijn werknemers of een gedeelte van zijn werknemers. CAO-partijen kunnen aan dit be-
sluit nadere voorwaarden verbinden.
4. Indien een werkgever, geheel of gedeeltelijk, niet onder de werkingssfeer van deze CAO valt, kan deze
werkgever CAO-partijen verzoeken instemming te verlenen deze CAO toe te passen op de arbeidsverhou-
ding tussen de werkgever en de werknemers die voorafgaande aan het toepassingsverzoek niet onder de
werkingssfeer van de CAO Gehandicaptenzorg vallen. Aan het besluit van CAO-partijen tot instemming
kunnen nadere voorwaarden worden verbonden.
5. Indien sprake is van strijdigheid van de werkingssfeer van deze CAO met een andere bindende regeling
van arbeidsvoorwaarden, zijn partijen bij deze CAO bevoegd in overleg met partijen bij die andere rege-
ling een oplossing vast te stellen.

Artikel 1:3 Karakter van de CAO
1. De bepalingen van deze CAO vinden slechts toepassing indien en voorzover zij niet met dwingendrechte-
lijke wetsbepalingen in strijd zijn.
2. Van de bepalingen in deze CAO mag afgeweken worden indien de betreffende CAO-regeling dit toestaat
en indien aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan. Afwijkingen van de CAO in strijd met
het in de vorige volzin bepaalde zijn nietig.
3. Over onderwerpen die niet in deze CAO zijn geregeld, kunnen werkgever en werknemer afspraken ma-
ken voor zover deze niet in strijd zijn met de wet.
4. Partijen bij de CAO kunnen op verzoek van de werkgever toestemming verlenen van deze CAO af te wij-
ken ten behoeve van fiscale regelingen waarbij sprake is van verrekeningen met arbeidsvoorwaarden.
5. Indien de CAO in een bepaling de werkgever verplicht dan wel de werkgever de mogelijkheid biedt om
ten aanzien van als zodanig bepaalde onderwerpen in overleg met zijn ondernemingsraad/personeelsver-
tegenwoordiging een eigen regeling overeen te komen dan wel af te wijken van een gegeven regeling uit
deze CAO, wordt de aldus overeengekomen eigen of afwijkende regeling geacht onderdeel uit te maken
van deze CAO.

Artikel 1:4 Dispensatie
Partijen bij deze CAO kunnen op verzoek van de werkgever in geval van een zwaarwegend belang in het ka-
der van de dienstverlening aan cliënten, ontheffing verlenen van de toepassing van (onderdelen van) de CAO
op de arbeidsrelaties met een of meer bij de werkgever in dienst zijnde werknemers. CAO-partijen kunnen
aan deze ontheffing nadere voorwaarden verbinden. Ontheffing wordt niet verleend indien de ondernemings-
raad of personeelsvertegenwoordiging niet schriftelijk heeft ingestemd met het verzoek van de werkgever.
Ontheffing kan niet eerder verleend worden dan nadat de werkgever hierover overleg heeft gevoerd met de
regionale vertegenwoordigers van de werknemersorganisaties, partij bij deze CAO.

Artikel 1:5 Gesubsidieerde arbeid
1. De bepalingen van de CAO zijn van toepassing op een werknemer met een gesubsidieerde arbeidsplaats,
op basis van een voorziening ex de Wet Werk en Bijstand, met uitzondering van:
a. artikel 2:1 lid 2;
b. de artikelen 2:3 en 2:4;
c. artikel 2:6;
d. hoofdstuk 4 Functiewaardering, salariëring en vakantietoeslag;
e. hoofdstuk 15 Wachtgeld.
2. Bij de aanstelling van een werknemer met een gesubsidieerde arbeidsplaats dient de werkgever voorts
de volgende regels in acht te nemen:
a. de salariëring van de werknemer vindt plaats op basis van het wettelijk minimum(jeugd)loon;
b. de werkgever dient de nodige aandacht te besteden aan scholing en begeleiding, die de werknemer
met een gesubsidieerde arbeidsplaats in staat zullen moeten stellen tijdens het werken op de gesub-
sidieerde arbeidsplaats zoveel mogelijk kennis en vaardigheden te verwerven;
c. voorts gelden voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde arbeidsrelatie de subsidievoorwaarden welke
genoemd staan in de Wet Werk en Bijstand dan wel in de op basis van deze wet opgestelde subsidie-
voorwaarden van de subsidieverstrekkende gemeente;
d. bij wijziging van de Wet Werk en Bijstand, dan wel bij inwerkingtreding van een toekomstige verge-
lijkbare wettelijke subsidieregeling gedurende de looptijd van deze CAO, kunnen CAO-partijen nieu-
we afspraken maken, die in de plaats komen van het bepaalde in dit artikel.
Garantieregeling 3. Voor de werknemers met een gesubsidieerde arbeidsplaats die al op 31 december 2003 bij hun huidige
werkgever een dienstbetrekking op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden of het Besluit In-en
Doorstroombanen hadden, gelden per 1 januari 2004 in afwijking van lid 2 van dit artikel de bepalingen
van artikel 16:4.

Artikel 1:6 (vacant)

Artikel 1:7 Toepassing CAO op relatiepartner
Relatiepartner en 1. De bepalingen van de CAO die van toepassing zijn op de gehuwde werknemer, zijn van overeenkomstige
toepassing CAO toepassing op de werknemer met een relatiepartner als bedoeld in artikel 1:1 sub c, mits voldaan aan het
gestelde in het volgende lid en voorzover dat wettelijk mogelijk is.
2. De werknemer dient hetzij bij indiensttreding, hetzij wanneer hij een gemeenschappelijke huishouding
gaat voeren, de schriftelijke bewijsstukken te overleggen die aantonen dat er sprake is van een gemeen-
schappelijke huishouding met een persoon die krachtens artikel 1:1 sub c als relatiepartner wordt aange-
merkt.
3. Is aan het gestelde in lid 1 en 2 voldaan, dan wordt de relatiepartner voor de toepassing van deze CAO als
echtgenoot/echtgenote aangemerkt en worden onder bloed-en aanverwanten mede begrepen bloed-en
aanverwanten van de relatiepartner van de werknemer.
4. De werknemer dient het feit van beëindiging van de relatie binnen een maand -te rekenen vanaf de dag
waarop de beëindiging heeft plaatsgevonden-schriftelijk aan de werkgever mede te delen.
CAO Gehandicaptenzorg 2009 -2011

Hoofdstuk 2 Het aangaan en beeindigen van de arbeidsovereenkomst.

Artikel 2:1 Vastlegging en inhoud arbeidsovereenkomst
Aangaan 1. De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan en gewijzigd. De werkgever draagt zorg dat beide
partijen binnen twee weken na het sluiten of wijzigen van de overeenkomst een door beide partijen
ondertekend exemplaar ontvangen van de arbeidsovereenkomst of de wijziging daarvan.
2. De schriftelijke overeenkomst vermeldt:
Inhoud a. de naam, vestigingsplaats en het adres van de werkgever;
b. de naam, voornamen, geboorteplaats, geboortedatum, woonplaats en het adres van de werknemer;
c. de datum van indiensttreding;
d. de functie die door de werknemer zal worden vervuld en de toepasselijke functiebeschrijving;
e. de vermelding of de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde dan wel voor bepaalde tijd is aangegaan
onder opgave van de tijdsperiode;
f. de proeftijd in de zin van artikel 7:652 juncto artikel 7:676 BW, indien zo’n proeftijd is overeengeko-
men;
g. de arbeidsduur per jaar (gemiddeld aantal uur per week of een arbeidsduur, op basis van de systema-
tiek zoals de werkgever die in een regeling heeft vastgesteld met instemming van de OR op basis van
artikel 6:1 van deze CAO);
h. de wijze waarop de werktijden zijn geregeld;
i. het salaris en de salarisschaal bij het aangaan van de dienstbetrekking overeenkomstig de bepalingen
van hoofdstuk 4 Functiewaardering, salariëring en vakantietoeslag;
j. de vermelding dat op de werknemer van toepassing is de verplichte deelneming aan het Pensioen-
fonds Zorg en Welzijn;
k. al of niet de verplichting tot verhuizing;
l. nevenfuncties bij indiensttreding;
m. de vermelding dat op de werknemer de CAO Gehandicaptenzorg van toepassing is, zoals deze thans
is vastgesteld, respectievelijk gedurende deze arbeidsovereenkomst zal worden gewijzigd, en de ver-
klaring van de werknemer daarmee bekend te zijn en daarmee akkoord te gaan;
n. de verklaring van de werkgever dat de CAO in digitale vorm voor de werknemer beschikbaar is ter in-
zage;
o. bijzondere regelingen en afspraken die van toepassing zijn, voorzover die niet aan te merken zijn als
afwijkingen in de zin van artikel 1:3;
p. of de werknemer deelneemt aan de collectieve ziektekostenregeling zoals bedoeld in artikel 2:11 jo
9:8 van deze CAO;
q. de plaats of plaatsen waar de arbeid wordt verricht.

Artikel 2:2 Verstrekking CAO
Verstrekking 1. De werkgever is verplicht bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst deze CAO in digitale vorm aan de
CAO werknemer ter inzage te laten zijn. Hetzelfde geldt voor iedere, na de indiensttreding van de werknemer,
nieuw te verschijnen -gewijzigde-CAO. Indien de werknemer daarom verzoekt, wordt de CAO in schrifte-
lijke vorm aan hem verstrekt.
2. Eveneens is de werkgever verplicht tijdens de sollicitatieprocedure het meest recente exemplaar van de-
ze CAO op diens verzoek aan de gerede kandidaat in digitale vorm ter inzage te laten zijn. Op verzoek
van de gerede kandidaat wordt de CAO in schriftelijke vorm aan hem verstrekt.

Artikel 2:3 Duur van de arbeidsovereenkomst
Onbepaalde tijd 1. De arbeidsovereenkomst wordt als regel voor onbepaalde tijd aangegaan.
Afwijken 2. De werkgever kan in afwijking van het bepaalde in lid 1 met de werknemer een arbeidsovereenkomst
voor bepaalde tijd aangaan op basis van een regeling waarmee de ondernemingsraad/personeelsverte-
genwoordiging conform artikel 27 WOR heeft ingestemd.

Artikel 2:4 Verlengde arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd
Verlenging 1. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, kan de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd worden
verlengd conform het bepaalde in artikel 7:668a van het Burgerlijk Wetboek.
Tijdelijke 2. In geval van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die zijn aangegaan in verband met tijdelijke ver-
vervanging vanging, geldt in afwijking van het bepaalde in artikel 7:668a Burgerlijk Wetboek dat meer dan 3 opeen-
volgende arbeidsovereenkomsten kunnen worden afgesloten, ook als zij elkaar opvolgen met tussenpo-
zen van drie maanden of minder, zonder dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat,
mits een termijn van 2,5 jaar niet wordt overschreden.

Artikel 2:5 Einde van de arbeidsovereenkomst
Einde arbeids
1. De arbeidsovereenkomst eindigt:
overeenkomst a. met wederzijds goedvinden;
b. wanneer de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt;
c. van rechtswege door het verstrijken van de termijn of door de beëindiging van de werkzaamheden,
waarvoor de overeenkomst is aangegaan;
d. in geval van een overeenkomst voor onbepaalde tijd door opzegging met inachtneming van artikel
2:6;
e. door beëindiging om dringende redenen, als bedoeld in de artikelen 7:678 en 7:679 BW;
f. door ontbinding door de kantonrechter ingevolge artikel 7:685 BW;
g. terstond, door eenzijdige beëindiging door de werkgever of werknemer tijdens een schriftelijk overeen
gekomen proeftijd;
h. van rechtswege in geval van overlijden van de werknemer;
i. op de eerste dag van de volgende kalendermaand, indien de werknemer die de arbeidsovereenkomst
in verband met een bevalling wenst te beëindigen dit schriftelijk en uiterlijk 10 kalenderdagen na de
bevalling aan de werkgever heeft medegedeeld;
j. op het tijdstip waarop van het recht op de overbruggingsuitkering ingevolge de pensioenregeling
van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn gebruik wordt gemaakt, tenzij de werknemer en werkgever in
onderling overleg schriftelijk anders overeenkomen. Werkgever en werknemer overleggen daartoe
uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de werknemer gebruik wenst te maken van de overbruggingsuitkering.
De werknemer dient hiertoe tijdig aan de werkgever te melden dat hij gebruik
zal gaan maken van de overbruggingsuitkering.
2. In geval het bepaalde in lid 1 sub b van toepassing is, eindigt de overeenkomst met ingang van de eerste
dag van de kalendermaand volgende op die waarin de in dit lid genoemde gebeurtenis heeft plaatsgevonden.

Artikel 2:6 Opzegging
1. a. In geval van opzegging, als bedoeld in artikel 2:5 lid 1 d of, indien in een arbeidsovereenkomst voor
bepaalde tijd een bepaling over tussentijdse opzegging is opgenomen, zijn de wettelijke bepalingen
omtrent opzegtermijnen van toepassing, tenzij in deze CAO uitdrukkelijk anders wordt bepaald.
b. Indien de werkgever de arbeidsovereenkomst opzegt als bedoeld in sub a, dient zulks schriftelijk te
geschieden.
2. Op grond van artikel 7:672 lid 8 BW is bij verlenging van de opzegtermijn voor de werknemer, de opzegtermijn
voor de werknemer en de werkgever gelijk indien de opzegtermijn niet langer is dan 3 maanden.
Bij een langere opzegtermijn dan 3 maanden geldt voor de werkgever een dubbele opzegtermijn dan die
voor de werknemer.
3. De datum van ingang van het ontslag als in dit artikel bedoeld is de eerste van de kalendermaand.

Artikel 2:7 Op non-actiefstelling
1. De werkgever kan de werknemer voor een periode van ten hoogste 3 weken op non-actief stellen, indien
naar het oordeel van de werkgever de voortgang van de werkzaamheden - door welke oorzaak dan ook -
ernstig wordt belemmerd. De termijn die hierbij in acht wordt genomen dient zo beperkt mogelijk te zijn,
echter zo lang als nodig is om oplossingen tot stand te brengen. Indien dit na de termijn van 3 weken nog
niet mogelijk is, dan kan de termijn na overleg met de werknemer of diens raadsman in beginsel met
maximaal 6 weken worden verlengd. Indien oorzaken die buiten de invloedsfeer van de werkgever liggen
dit noodzakelijk maken, kan de werkgever deze termijn voor een langere duur dan 6 weken gemotiveerd
verlengen. Nadat een ontslagprocedure in gang is gezet, kan de werkgever de op non-actiefstelling telkens
met een door hem te bepalen termijn verlengen, zulks tot het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst
eindigt dan wel de ontslagprocedure is geëindigd.
2. Het besluit tot op non-actiefstelling alsmede het besluit tot verlenging ervan wordt door de werkgever zo
spoedig mogelijk schriftelijk aan de werknemer medegedeeld onder vermelding van de redenen waarom
deze maatregel is vereist.
3. Op non-actiefstelling geschiedt steeds met behoud van alle overige rechten voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomst/
CAO.
4. De werkgever is gedurende de periode van op non-actiefstelling gehouden te bevorderen dat de werknemer
zijn werkzaamheden kan hervatten.
5. Na het verstrijken van de periode van op non-actiefstelling is de werknemer gerechtigd zijn werkzaamheden
te hervatten.
6. De op non-actiefstelling kan niet bij wijze van strafmaatregel worden gebruikt.

Artikel 2:8 Schorsing
1. De werkgever kan de werknemer voor ten hoogste een week met behoud van salaris schorsen, om zodanig
ernstige redenen dat voortzetting van de werkzaamheden door de werknemer naar het oordeel van
de werkgever niet langer verantwoord is.
De schorsing wordt onverwijld, gemotiveerd en bij aangetekend schrijven aan de werknemer ter kennis
gebracht of bevestigd.
2. De werknemer wordt binnen 4 dagen na dagtekening van het aangetekend schrijven (zaterdagen, zon -
dagen en feestdagen niet meegerekend) in de gelegenheid gesteld zich tegenover de werkgever te verantwoorden.
Hij kan zich daarbij door een raadsman doen bijstaan.
3. De werkgever kan de schorsing éénmaal met ten hoogste een week verlengen. De werkgever kan niet gelijktijdig
met het uitspreken van de eerste schorsing deze schorsing terstond verlengen.
4. Ingeval inmiddels een ontslagprocedure bij het UWV WERKbedrijf door de werkgever in gang is gezet of
een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij de rechter of het scheidsgerecht is ingediend,
kan de schorsing worden verlengd tot de datum van ingang van het ontslag of beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
5. In geval van verlenging van de schorsing behoudt de werknemer zijn salaris.
6. De werkgever is bevoegd de werknemer gedurende de periode van schorsing de toegang tot de gebouwen
en terreinen van de instelling te ontzeggen voorzover geen betrekking hebbende op de leefruimte
van de werknemer.
7. Ingeval mocht blijken dat de werknemer kennelijk ten onrechte door de werkgever werd geschorst, zal
de werkgever op verlangen van de werknemer deze openlijk rehabiliteren en hem de aantoonbare scha-
de vergoeden.

Artikel 2:9 Uitkering bij overlijden
Overlijdensuitkering 1. In geval van overlijden van de werknemer wordt door de werkgever aan:
a. de echtgeno(o)t(e) of relatiepartner, van wie de werknemer niet duurzaam gescheiden leefde, en bij
ontstentenis van deze aan;
b. diens minderjarige kinderen, en bij ontstentenis van deze aan;
c. degene ten aanzien van wie de werknemer grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met
wie hij in gezinsverband leefde,
een uitkering verstrekt op basis van diens laatstgenoten salaris over de periode vanaf de dag na het over-
lijden tot en met de laatste dag van de derde volle kalendermaand na de maand waarin het overlijden
plaatsvond.
2. De overlijdensuitkering wordt belasting-en premievrij uitbetaald met uitzondering van het salaris over de
maand van overlijden.
3. Indien de overledene geen betrekking nalaat als hierboven genoemd, kan de werkgever de uitkering of
een gedeelte daarvan doen toekomen aan de persoon of de personen die daarvoor naar het oordeel van
de werkgever op grond van billijkheidsoverwegingen in aanmerking komt/komen.
4. De overlijdensuitkering als bedoeld in het eerste lid wordt verminderd met het bedrag der uitkering ter
zake van overlijden krachtens de Ziektewet, de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet
Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen.

Artikel 2:10 Pensioen Pensioenfonds Zorg en Welzijn
PFZW In de bepalingen van het pensioenreglement Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn worden de rechten en
de verplichtingen van werkgever en werknemer geregeld, die betrekking hebben op de voor de werknemer
geldende pensioenregeling, inclusief de regeling inzake de vaststelling van de hoogte van de jaarlijkse pre-
mie. De verdeling van de pensioenpremie wordt door CAO-partijen bepaald.

Artikel 2:11 Ziektekostenregeling IZZ
IZZ In de bepalingen van het Reglement Collectieve Ziektekostenregeling van de Stichting IZZ (in samenhang
met de Verzekeringsvoorwaarden IZZ Basispakket en Verzekeringsvoorwaarden IZZ aanvullende verzekerin-
gen) worden de rechten en plichten van de werkgever en de werknemer en de voorwaarden voor deelneming
geregeld die betrekking hebben op de Collectieve Ziektekostenregeling IZZ. Het Reglement Collectieve Ziek-
tekostenregeling en de premie worden vastgesteld en gewijzigd door het bestuur van de stichting IZZ, waar-
in partijen bij de CAO Gehandicaptenzorg zijn vertegenwoordigd. De werkgever verstrekt aan de werknemer
een werkgeversbijdrage in de kosten voor de basis aanvullende regeling van de Collectieve Ziektekostenver-
zekering IZZ conform de bepalingen van artikel 9:8 van deze CAO.

Hoofdstuk 3 Verplichtingen werkgever

Artikel 3:1 Algemeen
De werkgever is verplicht al datgene te doen of na te laten wat een goed werkgever in gelijke omstandighe-
den behoort te doen of na te laten.

Artikel 3:2 Geheimhouding
De werkgever is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem met betrekking tot de persoon van de werk-
nemer uit hoofde van zijn hoedanigheid als werkgever bekend is, tenzij de werknemer tot het verstrekken
van op zijn persoon betrekking hebbende gegevens toestemming geeft. Deze verplichting geldt ook na beëin-
diging van het dienstverband.

Artikel 3:3 (vacant)

Artikel 3:4 Aansprakelijkheidsverzekering
De werkgever is verplicht een verzekeringsovereenkomst voor schade te sluiten, die de civiele aansprakelijk-
heid van de werknemer dekt wegens dood, lichamelijk letsel en/of zaakschade, aan derden toegebracht in de
uitoefening van zijn functie, met inbegrip van schade toegebracht aan derden door degene die door de werk-
nemer in opdracht van de werkgever in de werksituatie wordt begeleid. De werkgever vrijwaart de werkne-
mer voor aansprakelijkheid ter zake en ziet af van de eventuele mogelijkheid van regres op de werknemer.
Eén en ander behoudens voor de gevallen dat de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid
van de werknemer.

Artikel 3:5 Vergoeding schade aan werknemer
1. Materiële schade welke aan de werknemer is toegebracht door een cliënt en welke redelijkerwijs niet kon
worden voorkomen, wordt door de werkgever op basis van de vervangingswaarde vergoed, conform de
onderstaande bepalingen.
2. Onder materiële schade wordt ten dezen uitsluitend verstaan:
a. schade aan goederen van de werknemer;
b. schade ten gevolge van verwonding, voorzover het betreft herstelkosten en kosten wegens blijvende
invaliditeit, een en ander voor ten hoogste 24 maanden, te rekenen vanaf de dag waarop de schade-
veroorzakende gebeurtenis plaatsvond.
De onder a en b genoemde schaden worden tezamen vergoed tot een maximum van # 2269,-per ge-
beurtenis.
3. Om voor vergoeding in aanmerking te komen dient de werknemer aan te tonen dat:
a. een cliënt de schade heeft toegebracht;
b. hij op geen andere wijze te dezer zake schadeloos gesteld kan worden;
c. de schade is toegebracht in de uitoefening van zijn functie;
d. hij zich overigens naar het oordeel van de werkgever genoegzaam heeft verzekerd voor risico's, waar-
van zulks gebruikelijk is.
4. Door de werknemer op grond van dit artikel schadeloos te stellen, treedt de werkgever tot een maximum
van # 2269,-in de rechten van de werknemer die deze mocht hebben tegenover degene die schade heeft
veroorzaakt.
5. De werknemer wordt geacht kleding te dragen c.q. goederen bij zich te hebben die dienstig zijn aan de
functie van de werknemer en de kenmerken en risico’s van de cliëntenpopulatie van de instelling.

Artikel 3:6 Rechtsbijstand bij in-of externe klachtenprocedure
1. De werkgever voorziet in adequate rechtsbijstand indien de werknemer wordt betrokken in een in-of ex-
terne klachtenprocedure, inclusief tuchtrechtprocedure, tenzij er sprake is van nalatigheid of bewuste
roekeloosheid.
2. Indien de nalatigheid of bewuste roekeloosheid niet vaststaat voorziet de werkgever in adequate rechts-
bijstand. Blijkt na de (klachten-/tuchtrecht-)procedure dat er sprake is geweest van nalatigheid dan wel
bewuste roekeloosheid, dan kan de werkgever besluiten de kosten verbonden aan de verleende rechtsbij-
stand te verhalen op de werknemer.
3. Dit artikel heeft geen betrekking op strafrechtelijke procedures.

Artikel 3:7 Belangenbehartiging van de werknemer
Onverminderd de bevoegdheid van de werknemer persoonlijk zijn belangen bij de werkgever te bepleiten,
stelt de werkgever de vertegenwoordiger(s) van de werknemer op een daartoe strekkend verzoek van de
werknemer of zijn vertegenwoordiger(s), op korte termijn in de gelegenheid mondeling of schriftelijk de be-
langen van de werknemer bij de werkgever te bepleiten. De werknemer heeft te allen tijde het recht hierbij
aanwezig te zijn.

Artikel 3:8 Detachering
1. Een detachering kan uitsluitend worden aangegaan met instemming van de betrokken werknemer.
CAO Gehandicaptenzorg 2009 -2011
2. De werkgever waarbij detachering plaatsvindt, kan slechts treden in rechten en plichten van de werkge-
ver, waarmee de werknemer een arbeidsovereenkomst heeft afgesloten, indien zulks is geregeld in de
detacheringsovereenkomst.
3. Een detacheringsovereenkomst kan uitsluitend schriftelijk worden aangegaan.
4. Een afschrift van de detacheringsovereenkomst dient aan de werknemer te worden verstrekt.

Artikel 3:9 (vacant)
Verplichtingen werknemer

Artikel 3:10 Algemeen
1. De werknemer is verplicht al datgene te doen dan wel na te laten wat een goed werknemer in diens plaats
zou doen dan wel nalaten.
2. De werknemer is verplicht de overeengekomen werkzaamheden naar zijn beste vermogen te verrichten
en zich daarbij te gedragen naar de aanwijzingen door of vanwege de werkgever gegeven, zulks met in-
achtneming van het doel van de instelling en van hetgeen is neergelegd in een professioneel statuut/be-
roepscode, zoals dit per beroepsgroep is geformuleerd en door partijen bij deze CAO bekrachtigd.
3. Onverminderd het gestelde in de vorige leden, heeft de werknemer het recht op grond van ernstige ge-
wetensbezwaren het uitvoeren van bepaalde opdrachten te weigeren. In dit geval draagt de werkgever er
zorg voor dat binnen de afdeling van de betrokken werknemer zodanige maatregelen worden getroffen
dat dit recht effectueerbaar is. De werkgever draagt zorg voor een adequate informatievoorziening aan
alle betrokkenen binnen de afdeling.
4. Binnen redelijke grenzen en voorzover dit uit het belang van het werk, de instelling, dan wel bijzondere
omstandigheden voortvloeit, is de werknemer -na overleg -verplicht om voor een maximale duur van 3
maanden in te stemmen met:
a. het tijdelijk verrichten van andere werkzaamheden die in redelijke mate aansluiten bij zijn functie;
b. tijdelijke wijzigingen in de regeling van zijn arbeidsduur en/of werktijden, overwerk inbegrepen;
c. tijdelijke wijzigingen in de plaats van tewerkstelling.

Artikel 3:11 Geheimhouding
1. De werknemer is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem uit hoofde van zijn functie ter kennis
komt, voorzover die verplichting uit de aard der zaak volgt of hem uitdrukkelijk is opgelegd. Deze ver-
plichting geldt ook na beëindiging van het dienstverband.
2. De in lid 1 bedoelde verplichting bestaat niet tegenover hen, die rechtstreeks betrokken zijn bij de uit-
voering van de behandelingsovereenkomst (WGBO), het behandelingsplan (BOPZ) dan wel het onder-
zoeksprotocol (WMO) en degene die optreedt als vervanger van de hulpverlener, voorzover de verstrek-
king noodzakelijk is voor de door hen in dat kader te verrichten werkzaamheden.

Artikel 3:12 Melding afwezigheid
1. Indien de werknemer door ziekte of anderszins verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, is hij ver-
plicht daarvan, onder opgave van redenen, zo spoedig mogelijk mededeling te (laten) doen aan de werk-
gever.
2. Zodra het tijdstip bekend is, waarop hervatting van de werkzaamheden mogelijk is, dient de werknemer
de werkgever daarvan in kennis te (laten) stellen.

Artikel 3:13 Nevenfuncties
Nevenfuncties Het is de werknemer niet toegestaan een al dan niet gehonoreerde nevenfunctie te vervullen of al dan niet
gehonoreerde nevenwerkzaamheden te verrichten welke redelijkerwijs geacht kunnen worden onverenig-
baar te zijn met zijn functie dan wel met de belangen of het aanzien van de instelling.

Artikel 3:14 Geneeskundig en psychologisch onderzoek
1. Een keuring in verband met het aangaan of wijzigen van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in de Wet
op de Medische Keuringen (Staatsblad 1997/365) wordt slechts verricht indien aan de vervulling van de
functie waarop die arbeidsovereenkomst betrekking heeft, bijzondere eisen op het punt van medische
geschiktheid moeten worden gesteld. Onder medische geschiktheid voor de functie wordt begrepen de
bescherming van de gezondheid en veiligheid van de aspirant-werknemer en van derden bij de uitvoering
van de desbetreffende arbeid.
2. De geneeskundige die de keuring verricht wordt door de werkgever aangewezen en mag geen familie
zijn van de aspirant-werknemer.
3. De kosten verbonden aan de keuring komen ten laste van de werkgever. Onder kosten worden tevens be-
grepen reis-en verblijfskosten van de aspirant-werknemer. Deze worden vergoed conform de voor de
werknemers van de werkgever op grond van de CAO geldende regeling.
4. Wanneer aan de aanstelling een psychologisch onderzoek voorafgaat, geschiedt dit door een psycholoog,
van wie vaststaat dat hij zich gebonden acht aan de regels van de code vervat in de beroepsethiek voor
psychologen, geformuleerd door het Nederlands Instituut van Psychologen. Het bepaalde in de leden 2
en 3 is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de arbeids-of organisatiepsycholoog die
uitsluitend binnen een personeels-c.q. organisatieafdeling is aangesteld, mede voor het verrichten van
selectiewerkzaamheden, het psychologisch onderzoek mag uitvoeren.

Artikel 3:15 Medisch onderzoek
De werknemer is verplicht zich te onderwerpen aan een door de werkgever met redenen omkleed noodzake-
Preventief onderzoek lijk geacht medisch onderzoek, indien het een onderzoek betreft met een preventieve werking ten opzichte
van de gezondheidssituatie in de instelling.

Artikel 3:16 Ontoelaatbare handelingen
Ontoelaatbare handelingen 1. Het is de werknemer verboden:
a. direct of indirect deel te nemen aan ten behoeve van de werkgever uit te voeren aannemingen en
leveringen;
b. direct of indirect geschenken, beloningen of provisie aan te nemen of te vorderen van:
-instanties of personen ten behoeve van de werkgever werkzaam;
-leveranciers van de werkgever;
-instanties of personen met wie hij uit hoofde van zijn functie in aanraking komt.
Erfenissen 2. De werknemer zal, behoudens toestemming van de werkgever, geen erfenis of legaat aanvaarden van
een persoon, die voor dan wel ten tijde van overlijden was opgenomen in de instelling en geen bloed-of
aanverwant tot en met de vierde graad, echtgenoot, of relatiepartner van de werknemer is.
3. Tenzij door de werkgever uitdrukkelijk toestemming is verleend, is het de werknemer verboden geld of
goederen, toebehorend aan cliënten als geschenk of in bruikleen te aanvaarden, te kopen, te verkopen,
te doen verkopen of te belenen.

 

Hoofdstuk 4 Functiewaardering, salariëring en vakantietoeslag

Artikel 4:1 Functiewaardering FWG
1. a. De functie van de werknemer is met inachtneming van het onderstaande door de werkgever inge-
en indeling deeld in één van de functiegroepen 5, 10, 15, 20, 25, 30, 35, 40, 45, 50, 55, 60, 65, 70, 75 en 80.
b. De indeling als voornoemd volgt uit de toepassing van het actuele computerondersteund systeem
FWG 3.0.
c. Het computerondersteund systeem FWG wordt voor toepassing van dit artikel tevens aangemerkt
als behorend tot dit artikel. De werknemer heeft de mogelijkheid inzage te krijgen in het functie-
waarderingssysteem. De werknemer wordt niet in het bezit gesteld van het systeem.
d. Het in sub a bepaalde vindt geen toepassing indien en zolang de werkgever voor de werknemer op
basis van enige wettelijke regeling1 een ontheffing heeft aangevraagd en verkregen voor het uitbeta-
len van het op de werknemer van toepassing zijnde wettelijk minimumloon. De werking van deze be-
paling is beperkt tot de periode waarvoor ontheffing is verkregen.
2. De wijze van (her)indelen en herbeschrijven van de functie van een werknemer en de daarbij te volgen
procedure zijn hierna vastgelegd in Functiewaardering gezondheidszorg (FWG), zoals opgenomen in arti-
kel 4:14 e.v. van de CAO. Het bepaalde in de leden 1a, 1b en 1c is hierbij van overeenkomstige toepas-
sing.

Artikel 4:2 Algemeen salariëring
1. De salarisschalen staan vermeld in artikel 4:31. Er zijn functionele salarisschalen en aanloopschalen. De in
de salarisschalen opgenomen bedragen gelden bij een volledig dienstverband. Indien een werknemer
niet werkzaam is op basis van een volledig dienstverband, vindt salarisbetaling naar rato van de omvang
van zijn dienstverband plaats.
2. Het salaris van de in artikel 6:1 genoemde werknemers met een arbeidsduur van meer dan 1878 uur per
jaar, wordt vastgesteld door de in artikel 4:31 genoemde bedragen aan te passen met de factor uren
dienstverband/1878 (bijvoorbeeld 1983/1878 of 2087/1878).
Leerlingen 3. Het salaris van werknemers die een opleiding volgen, wordt vastgesteld overeenkomstig het in Hoofd-
stuk 5 Leerlingen bepaalde.

Artikel 4:3 Indeling in functionele schaal
Functionele De werkgever bepaalt op grond van de functie-indeling ingevolge artikel 4:1 van de CAO welke functionele
schaal salarisschaal voor de werknemer van toepassing is. Het nummer van de functionele salarisschaal correspon-
deert met het nummer van de functiegroep, waarin de functie van de werknemer is ingedeeld.

Artikel 4:4 Toepassing salarisschalen
1. De werknemer voor wie één van de functionele schalen 5 t/m 80 geldt, dient voor de toepassing hiervan
over het hieronder genoemde aantal functiejaren te beschikken:
-Bij de functionele salarisschalen 5 t/m 40: 1 functiejaar.
-Bij de functionele salarisschalen 45 t/m 60: 2 functiejaren.
-Bij de functionele salarisschalen 65 t/m 80: 3 functiejaren.
De werkgever kan met de werknemer overeenkomen dat voor de toepassing van de functionele schaal
het aantal benodigde functiejaren lager is dan in dit lid bepaald.
2. Beschikt de werknemer niet over het in lid 1 bij zijn functionele salarisschaal genoemde aantal functieja-
ren, dan geldt voor hem de bij die schaal behorende aanloopschaal en wel het bij 0 functiejaren vermelde
bedrag, dan wel, indien voor de werknemer zijn al dan niet elders verkregen ervaring daartoe aanleiding
geeft, een hoger bedrag uit die schaal. De werkgever is bevoegd om voor de werknemer de aanloopschaal
langer toe te passen dan het in lid 1 genoemde aantal jaren indien de functievervulling van de werkne-
mer aanleiding geeft om nog niet de functionele schaal toe te passen. De werkgever doet hiervan schrif-
telijk en gemotiveerd mededeling aan de werknemer.
3. De werknemer voor wie de functionele schaal geldt, wordt op het bij 0 functiejaren vermelde bedrag uit
die schaal, dan wel, indien zijn al dan niet elders verkregen ervaring daartoe aanleiding geeft, op een ho-
ger bedrag uit die schaal ingeschaald.

Artikel 4:5 (vacant)

Artikel 4:6 Eindejaarsuitkering (premie behoud)
Premie behoud Werknemers die op 31 december van een kalenderjaar in dienst zijn bij de werkgever ontvangen van deze
werkgever over dat kalenderjaar een premiebehoud in de vorm van een eindejaarsuitkering. De hoogte van
deze eindejaarsuitkering bedraagt 5,15% van het feitelijk verdiende salaris bij de werkgever in de periode van
1 januari tot en met 31 december van het betreffende kalenderjaar. Het feitelijk verdiende salaris bij de werk-
gever is het salaris zoals bedoeld in artikel 1:1 sub d.
Per december 2010 is de hoogte van de eindejaarsuitkering 5,75% van het feitelijk verdiende salaris bij de
werkgever in de periode van 1 januari tot en met 31 december van het betreffende kalenderjaar.
1. Onder enige wettelijke regeling worden verstaan: Wet Minimumloon en Minimumvakantiebijslag en Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten.

Artikel 4:7 Uitbetaling salaris
1. De werknemer dient uiterlijk 2 dagen, zon-en feestdagen niet meegerekend, voor het einde van de ka-
lendermaand over zijn salaris over die maand te kunnen beschikken.
2. De vergoedingen als bedoeld in hoofdstuk 7 en hoofdstuk 9 worden uiterlijk aan het einde van de kalen-
dermaand, volgende op die waarin de aanspraken zijn ontstaan, aan de werknemer uitbetaald.
3. Van wijzigingen in het salaris en in de salarisberekening, ontvangt de werknemer telkens schriftelijk, door
middel van een specificatie, mededeling.

Artikel 4:8 Periodieke verhogingen
1. Tenzij hierover in de arbeidsovereenkomst anders is bepaald, wordt éénmaal per jaar een salarisverho-
ging binnen de functionele schaal toegekend.
De periodieke verhoging wordt voor de eerste maal toegekend 1 jaar na indiensttreding dan wel bevor-
dering tot een functie welke is ingedeeld in een hogere functiegroep.
2. Indien de toepassing van een systeem van personeelsbeoordeling op grond van het bepaalde in lid 3 van
dit artikel naar het oordeel van de werkgever daartoe aanleiding geeft, kan de werkgever besluiten in
enig jaar géén dan wel op meerdere momenten in dat jaar een salarisverhoging binnen de functionele
schaal toe te kennen.
3. Om uitvoering te kunnen geven aan het gestelde in lid 2, dient de werkgever gebruik te maken van een
periodiek systematisch beoordelingssysteem, dat aan de volgende voorwaarden voldoet:
-het systeem is voor de hele instelling gebaseerd op dezelfde uitgangspunten;
-het systeem is voor de werknemer doorzichtig en begrijpelijk;
-het systeem biedt de werknemer mogelijkheden tot het instellen van beroep;
-het systeem biedt de werknemer bij een negatieve beoordeling de mogelijkheid voor overleg met de
werkgever teneinde in de toekomst negatieve beoordeling zo mogelijk te voorkomen.

Artikel 4:9 Bijzondere toeslagen
1. De werkgever kan een gratificatie toekennen.
2. Indien voor één of meer specifieke functie(s) sprake is van een arbeidsmarktknelpunt, kan in bijzondere
gevallen aan de werknemer een tijdelijke toeslag worden toegekend ter grootte van maximaal 10% van
het voor de werknemer geldende salaris.
3. Voorzover en zolang naar het oordeel van de werkgever ten aanzien van de functievervulling sprake is
van bijzondere omstandigheden kan aan de werknemer een toeslag worden toegekend.
Bij toekenning van deze toeslag geldt dat de som van het voor de werknemer geldende salaris en de toe-
slag ten hoogste het maximum van de naast hogere functionele salarisschaal bedraagt.
De toeslag kan echter niet meer bedragen dan maximaal 8 opeenvolgende regelnummers van de inpas-
singstabel vanaf het voor de werknemer geldende salaris.

Artikel 4:10 Vakantietoeslag
1. De vakantietoeslag bedraagt voor de werknemer die op 31 mei een vol jaar in dienst is geweest 8% van
het feitelijk verdiende salaris, in de periode van 1 juni tot en met 31 mei daaraan voorafgaand.
De vakantietoeslag wordt ten minste berekend op basis van inpassingsnummer 8, naar rato van het
dienstverband.
2. De vakantietoeslag wordt eenmaal per jaar, in de maand mei, betaald.
3. Wanneer de werknemer op 31 mei nog geen vol jaar in dienst is geweest, bedraagt de vakantietoeslag
een, aan de duur van de dienstbetrekking tot 31 mei, evenredig deel van het in lid 1 genoemde bedrag.
4. De werknemer, wiens dienstbetrekking eindigt vóór de datum van 31 mei, ontvangt een vakantietoeslag
evenredig aan de duur van de dienstbetrekking sinds de eerste juni daaraan voorafgaande. De vakantie-
toeslag wordt berekend op basis van het feitelijk verdiende salaris en wordt gelijktijdig met de betaling
van het laatste salaris uitbetaald.
5. De leden 2,3 en 4 zijn niet dwingend van toepassing op werknemers met een dienstverband voor bepaal-
de tijd.

Artikel 4:11 Bevordering
1. Bij bevordering tot een functie welke is ingedeeld in een hogere functiegroep wordt het salaris ontleend
aan de functionele schaal van de nieuwe functie, met dien verstande dat het tot dan toe genoten salaris
met 2 periodieken wordt verhoogd en het nieuwe salaris tenminste gelijk moet zijn aan het minimum
van de functionele schaal van de functie waarnaar de werknemer wordt bevorderd, doch nimmer meer
mag bedragen dan het maximum van de bij deze hogere functie behorende schaal.
In afwijking van de vorige volzin geldt dat bevordering van een werknemer naar een hogere functiegroep
ook kan plaatsvinden naar de bij die hogere functiegroep behorende aanloopschaal als de werknemer
vóór de bevordering is ingedeeld in een aanloopschaal.
2. Van het in het lid 1 bepaalde kan door de werkgever met instemming van de ondernemingsraad/perso-
neelsvertegenwoordiging volledig worden afgeweken door het vaststellen van een eigen regeling.

Artikel 4:12 Waarneming
1. De werknemer die is aangewezen om, anders dan in het geval van vervanging wegens vakantie, geduren-
de langere tijd dan 1 maand aaneengesloten een hoger ingedeelde functie geheel of nagenoeg geheel
waar te nemen, ontvangt voor elke maand van de waarneming een vergoeding, gelijk aan het verschil
tussen zijn huidige salaris en het aanvangssalaris van de hoger ingedeelde functie met een minimum van
2 periodieken. Het salaris vermeerderd met voornoemde vergoeding kan niet meer bedragen dan het
maximum van de schaal van de hoger ingedeelde functie die wordt waargenomen.
2. De werknemer die is aangewezen om anders dan in het geval van vervanging wegens vakantie geduren-
de langere tijd dan 1 maand aaneengesloten een hoger ingedeelde functie voor tenminste de helft van
de dagelijkse arbeidsduur waar te nemen, ontvangt voor elke maand van de waarneming een vergoeding
gelijk aan het gestelde in lid 1, welke wordt berekend naar het gedeelte van zijn waarneming.
Eigen regeling 3. Van het in de leden 1 en 2 bepaalde kan door de werkgever volledig worden afgeweken met instemming
van de ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging door het vaststellen van een eigen regeling.

Artikel 4:13 Gratificatie jubileum en OBU
1. De werknemer die onafgebroken in dienst van de werkgever is geweest, heeft recht op een éénmalige
gratificatie ten bedrage van een kwart van het maandsalaris bij 12,5 jaar, de helft van het maandsalaris
bij 25 jaar en een vol maandsalaris bij 40 jaar dienst.
2. Op het moment dat de arbeidsovereenkomst eindigt ten gevolge van het bereiken van de AOW-gerech-
tigde leeftijd heeft de werknemer recht op een gratificatie ten bedrage van de helft van het maandsala-
ris.
3. Op het moment dat de arbeidsovereenkomst eindigt ten gevolge van het gebruik maken van de over-
bruggingsuitkering ingevolge de pensioenregeling van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn, heeft de werk-
nemer recht op een gratificatie ten bedrage van de helft van het maandsalaris. De uitbetaling vindt plaats
indien met de werknemer geen nieuw dienstverband wordt aangegaan. Wordt na de beëindiging een
nieuwe arbeidsovereenkomst aangegaan dan wordt de gratificatie, die is gebaseerd op het maandsalaris
direct voorafgaand aan de aanvang van de OBU, toegekend aan het einde van de nieuwe overeenkomst.
4. Indien de werknemer gebruik maakt van ruil-OBU wordt de in lid 3 bedoelde gratificatie toegekend op
het moment dat de werknemer met volledige OBU gaat en geen nieuw dienstverband met de werkgever
aangaat.
5. Bij samenloop van lid 2 enerzijds en lid 3 of lid 4 anderzijds heeft de werknemer enkel recht op een grati-
ficatie conform lid 2.

Artikel 4:14 Uitgangspunten Functiewaardering Gezondheidszorg (FWG)
Uitgangspunten FWG -Basis voor de indeling is de daadwerkelijk uitgeoefende functie, vastgelegd in een desbetreffende func-
tiebeschrijving conform door CAO-partijen overeengekomen kwaliteitscriteria.
-Indeling van de functie op basis van het FWG-functiewaarderingssysteem vindt plaats na vaststelling van
de functie overeenkomstig de desbetreffende functiebeschrijving.
-De werkgever geeft aan wie binnen de instelling bevoegd is tot het beheer van de FWG-instellingsbestan-
den (systeemdeskundige) en tot het maken van een indelingsvoorstel met het FWG-systeem (indelers).
De werkgever waarborgt een juiste systeemtoepassing en draagt in dit verband zorg voor adequate oplei-
ding en training van FWG-deskundigen en indelers.

Artikel 4:15 Herindeling van functies: algemeen
1. Na de eenmalige indeling van functies volgens het functiewaarderingssysteem moet een nieuwe indeling
of een herindeling van de functie plaatsvinden bij de volgende situaties:
a. Wijzigingen van en aanvullingen op het functiemateriaal.
Indien partijen bij de CAO overeenkomen om het systeem of de systeeminhoud aan te passen, dan
dient de werkgever tot heroverweging van (een) bestaande functie-indeling(en) over te gaan, indien
en voorzover de aanpassingen direct betrekking hebben op die bestaande functie-indeling(en).
b. Wezenlijke verandering van de functie-inhoud.
De werkgever dient tot toetsing c.q. heroverweging van (een) functie-indeling(en) over te gaan, over-
eenkomstig de in dit hoofdstuk opgenomen procedure, indien sprake is van wezenlijke verandering
van de inhoud van (een) functie(s).
Wanneer redelijkerwijs verondersteld mag worden dat de functie-inhoud en/of functie-eisen niet
meer aansluiten bij de functie of het niveau, zoals deze laatstelijk is vastgelegd bij de (her)indeling, is
sprake van een wezenlijke verandering van een functie.
2. Indien de werkgever een nieuwe functie voorlopig heeft ingedeeld, kan de werknemer 6 maanden na de-
voorlopige indeling een schriftelijk en gemotiveerd verzoek tot herindeling indienen. Vervolgens zal
de werkgever binnen 3 maanden overgaan tot het starten van de herindelingsprocedure.
3. De herindelingsprocedure op basis van lid 1 sub b kan niet eerder worden aangevangen dan 1 jaar na de
datum van het (her)indelingsbesluit waarbij de functie laatstelijk is vastgesteld bij de (her)indeling.

Artikel 4:16 Herindelingsprocedure
Fasen herindeling Op basis van de in artikel 4:15 lid 1 sub a en b omschreven situaties kan zowel de werkgever als de werkne-
mer het initiatief nemen tot het starten van een herindelingsprocedure. De herindelingsprocedure vindt
plaats in de volgende fasen.
a. In fase 1 vindt plaats:
-een toetsing door de werkgever (dan wel een door de werkgever daartoe aangewezen functionaris)
van het initiatief tot herindeling;
dan wel
-een nadere overweging door de werkgever of en zo ja welke de gevolgen zijn van wijzigingen van
en/of aanvullingen op het systeem;
dan wel
-een afwijzing door de werkgever van het door de werknemer ingediende verzoek tot herindeling.
Bij de beoordeling of sprake is van een wezenlijke verandering van de functie-inhoud dient de inhoud
van de functie van de betrokken werknemer te worden geïnventariseerd. Als dan kan worden bezien
in hoeverre tot wijziging van het laatstelijk vastgestelde indelingsniveau dient te worden gekomen.
De werkgever stelt de werknemer schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de conclusies, binnen 60
dagen na ontvangst van het herindelingsverzoek van de werknemer tenzij een binnen de instelling in
overeenstemming met de OR/personeelsvertegenwoordiging nader bepaalde termijn is overeenge-
komen. De werknemer heeft de mogelijkheid schriftelijk en met redenen omkleed bezwaar te maken
tegen de afwijzing van het door de werknemer ingediende verzoek tot herindeling binnen een ter-
mijn van 30 dagen nadat de werkgever hem heeft geïnformeerd over de afwijzing van het herinde-
lingsverzoek. De werkgever verzendt het bezwaarschrift van de werknemer binnen 30 dagen ter ad-
visering door naar de Interne Bezwaren Commissie (IBC-FWG). Deze termijn kan met instemming van
de werknemer worden verlengd. De IBC-FWG brengt binnen 30 dagen na ontvangst van de advies-
aanvraag advies uit aan de werkgever. De werkgever beslist en informeert de werknemer schriftelijk
binnen een termijn van 30 dagen na het ontvangen van het advies van de IBC-FWG over het al dan
niet starten van de herindelingsprocedure. Indien de IBC-FWG de werkgever adviseert de herinde-
lingsprocedure te doen laten aanvangen, dan is de werkgever daartoe gehouden.
b. In fase 2 legt de werkgever de functiebeschrijving voor aan de werknemer.
c. In fase 3 stelt de werkgever de waardering van de functie vast en biedt dit als volgt aan de werknemer aan:
-Schriftelijk ingeval er sprake is van een ongewijzigde indeling met FWG 3.0. De werknemer ontvangt
een kopie van de volgens de FWG-kwaliteitscriteria uitgewerkte functiebeschrijving alsmede schrifte-
lijke mededeling omtrent de waardering en indeling van de functie.
-Schriftelijk, maar de mogelijkheid wordt geboden tot een gesprek, ingeval er sprake is van een hoge-
re indeling met FWG 3.0. De werknemer ontvangt een kopie van de volgens de FWG-kwaliteitscriteria
uitgewerkte functiebeschrijving alsmede schriftelijke mededeling omtrent de waardering en indeling
van de functie.
Schriftelijk en een gesprek ingeval er sprake is van een lagere indeling. De werknemer ontvangt een
kopie van de volgens de FWG-kwaliteitscriteria uitgewerkte vastgestelde functiebeschrijving alsmede
schriftelijke mededeling omtrent de waardering en indeling van de functie.

Artikel 4:17 Vaststellen functiebeschrijving bij herindeling
1. De werkgever neemt een voorlopig besluit ter zake van de functiebeschrijving van de werknemer en legt
herindeling dit aan de werknemer voor.
2. Indien de werknemer niet instemt met het voorlopige besluit als bedoeld in lid 1, kan hij bezwaar maken
bij de werkgever. Het bezwaar dient schriftelijk en met redenen omkleed bij de werkgever te worden in-
gediend, binnen een termijn van 30 dagen nadat de werkgever de werknemer over het voorlopige besluit
tot vaststelling van zijn functie heeft geïnformeerd, hetzij een binnen de instelling in overeenstemming
met de OR/personeelsvertegenwoordiging nader bepaalde termijn.
3. De werkgever wint binnen 14 dagen na ontvangst van het bezwaarschrift advies in bij een Interne Bezwaren
Commissie FWG als bedoeld in artikel 4:22 ter zake van het bezwaar van de werknemer, hetzij een binnen
de instelling in overeenstemming met de OR/personeelsvertegenwoordiging nader bepaalde termijn.
4. De werkgever beslist en informeert de werknemer schriftelijk binnen een termijn van 30 dagen na ont-
vangst van het advies van de IBC-FWG inzake het bezwaarschrift van de werknemer definitief over de vast-
stelling van de functiebeschrijving. De werkgever kan gemotiveerd en eenmalig de termijn van 30 dagen
verlengen. Wanneer de werkgever binnen de afgesproken termijn geen besluit bekend maakt dan wordt
het bezwaar van de werknemer geacht te zijn toegewezen.

Artikel 4:18 Waardering en indeling van de functie bij herindeling
1. Met behulp van het FWG-functiewaarderingssysteem bepaalt de werkgever de FWG-waardering en -inde-
en-indeling ling van de functie.
2. Na de vaststelling van de waardering en de indeling van de functie vindt op basis van artikel 4:16 sub c zo
nodig een herindelingsgesprek plaats tussen de werkgever (dan wel een door de werkgever daartoe aan-
gewezen functionaris) en de werknemer over de waardering en indeling van de functie. De werknemer
kan zich tijdens dit gesprek laten bijstaan door een derde.
3. Van het gesprek als bedoeld in lid 2 wordt een verslag gemaakt. Indien in het gesprek als bedoeld in lid 2
wordt overeengekomen een tweede gesprek te voeren, wordt ook van dit gesprek een verslag gemaakt
door de werkgever.
4. De werknemer ontvangt binnen 14 dagen na het gesprek als bedoeld in lid 2 een herindelingsvoorstel en
het gespreksverslag, hetzij een binnen de instelling in overeenstemming met de OR/personeelsvertegen-
woordiging nader bepaalde termijn.
5. Indien de werknemer akkoord gaat met het herindelingsvoorstel dient hij dit binnen 30 dagen na ont-
vangst van het voorstel schriftelijk aan de werkgever kenbaar te maken, hetzij een binnen de instelling in
overeenstemming met de OR/personeelsvertegenwoordiging nader bepaalde termijn.
6. De werkgever bevestigt binnen 14 dagen na het akkoord van de werknemer het herindelingsvoorstel en
stelt de werknemer schriftelijk op de hoogte van het definitieve besluit conform het voorstel. De werkge-
ver kan gemotiveerd en eenmalig de termijn met 30 dagen verlengen. Wanneer de werkgever binnen de
afgesproken termijn geen besluit bekend maakt dan wordt het bezwaar van de werknemer geacht te zijn
toegewezen.
7. Indien de werknemer niet akkoord gaat met het herindelingsvoorstel dan dient hij binnen 30 dagen na
ontvangst van het herindelingsvoorstel schriftelijk en gemotiveerd bij de werkgever een bezwaar in te
dienen, hetzij een binnen de instelling in overeenstemming met de OR/personeelsvertegenwoordiging
nader bepaalde termijn.
8. De werkgever wint binnen 14 dagen na ontvangst van het bezwaarschrift advies in bij een Interne Bezwa-
ren Commissie FWG als bedoeld in artikel 4:22, ter zake van het bezwaar van de werknemer betreffende
de waardering en indeling van de vastgestelde functie, hetzij een binnen de instelling in overeenstem-
ming met de OR/personeelsvertegenwoordiging nader bepaalde termijn.
9. De werkgever beslist en informeert de werknemer schriftelijk binnen een termijn van 30 dagen na ont-
vangst van het advies van de IBC-FWG inzake het bezwaarschrift van de werknemer. De werkgever kan
gemotiveerd en eenmalig de termijn met 30 dagen verlengen. Wanneer de werkgever binnen de afge-
sproken termijn geen besluit bekend maakt, dan wordt het bezwaar van de werknemer geacht te zijn toe-
gewezen.
Beroepsprocedure 10. Indien de werknemer niet akkoord gaat met het definitieve waarderings-en indelingsvoorstel van de
werkgever kan hij binnen 60 dagen of binnen een met de OR/werknemersvertegenwoordiging nader over-
eengekomen termijn, in beroep gaan bij de Landelijke Bezwarencommissie FWG als bedoeld in artikel 4:26.

Artikel 4:19 Herindeling en de gevolgen voor het salaris
Salarisgevolgen herindeling 1. Indien ten gevolge van herindeling als bedoeld in de FWG-regeling, een lagere functiegroep van kracht
wordt, geldt per de eerste van de kalendermaand volgend op het indelingsbesluit het volgende.
a. Indien ten gevolge van het herindelingsbesluit een lagere functiegroep voor de werknemer van kracht
wordt, wordt het salaris zoals vastgelegd in de arbeidsovereenkomst bevroren, ingeval het salaris
meer bedraagt dan het maximum salaris van de lagere functiegroep vermeerderd met 10%.
Dit bevroren salaris wordt aangepast met de algemene loonaanpassingen zoals van toepassing voor
de CAO Gehandicaptenzorg.
b. Indien ten gevolge van het herindelingsbesluit een lagere functiegroep voor de werknemer van kracht
wordt, dan kan hij het maximum salaris zoals vastgelegd in de arbeidsovereenkomst bereiken, voor-
zover dit het maximum salaris plus 10% behorende bij de lagere functiegroep niet overstijgt.
2. Indien ten gevolge van herindeling als bedoeld in de FWG-regeling, een hogere functiegroep van kracht
wordt, geldt per de eerste van de kalendermaand volgend op het indelingsbesluit, het volgende.
a. De salarisschaal behorend bij de hogere functiegroep wordt van toepassing.
b. Bij de vaststelling van het salaris uit de nieuwe salarisschaal geldt ten minste het bedrag dat overeen-
komt met het salaris dat per de eerste van voornoemde kalendermaand gold. Wanneer dit bedrag
niet in de nieuwe salarisschaal voorkomt, dan geldt het naast hogere bedrag van die salarisschaal.
c. Bij de toepassing van het hiervoor bepaalde geldt tenminste het eerste bedrag van de functionele sa-
larisschaal die voor de werknemer geldt (de aanloopschaal indien de werknemer in een aanloopschaal
was ingeschaald voorafgaand aan de herindeling, de functionele schaal indien de werknemer in een
functionele schaal was ingeschaald voorafgaand aan de herindeling).

Artikel 4:20 Herbeschrijving van reeds beschreven en ingedeelde functies
Herbeschrijving 1. Een herbeschrijving van de functie vindt plaats in de volgende situaties:
-indien de werkgever, na advies van de ondernemingsraad, besluit tot aanpassing van de organisatie-
structuur en deze wijziging rechtstreeks betrekking heeft op de inhoud van reeds beschreven en in-
gedeelde functies;
-indien de actuele functie-inhoud (de daadwerkelijk uitgeoefende functie) niet meer aansluit bij de
laatst vastgestelde functiebeschrijving;
-indien de werkgever, na overleg met de ondernemingsraad, besluit tot aanpassing van het format
van de bestaande functiebeschrijving(en).
2. Bij het toepassen van de herbeschrijvingsprocedure is geen sprake van een indeling in een andere functie-
groep. Wel kan sprake zijn van bijstellingen in (sub)scores op gezichtspunten voor zover de functiegroep-
indeling ongewijzigd blijft.
3. In het geval werkgever of werknemer van mening is dat ten gevolge van de herbeschrijving de functie-in-
houd en/of functie-eisen niet meer aansluiten bij de functie of het niveau zoals deze bij de laatste (her)in-
deling is vastgelegd, treedt automatisch de herindelingsprocedure (artikel 4:15 e.v.) in werking.
4. De werkgever kan op eigen initiatief of op verzoek van de werknemer een herbeschrijvingsprocedure
starten, echter niet eerder dan een jaar na de datum van het laatste besluit betreffende de vaststelling
van de functiebeschrijving voor de betreffende functie.
5. Na advies van de ondernemingsraad kan worden besloten de reikwijdte van het herbeschrijvingsproces
uit te breiden tot functies die in een duidelijke relatie staan tot de functie(s) die opnieuw worden beschre-
ven. Dit laatste teneinde de beoogde samenhang in de beschrijving van met elkaar samenhangende func-
ties te (kunnen blijven) waarborgen.
6. De procedure afspraken zoals verwoord in artikel 4:17 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4:21 Voorlopige herbeschrijving
1. De herbeschrijvingsprocedure kan, in overleg met de ondernemingsraad, voor nader te benoemen func-
ties ook leiden tot een voorlopige herbeschrijving van een bestaande functie.
2. Een bestaande functie wordt door de werkgever voorlopig herbeschreven.
3. De werknemer kan zes maanden na deze voorlopige herbeschrijving een schriftelijk en gemotiveerd ver-
zoek tot bijstelling van de voorlopig herbeschreven functie dan wel tot de start van een herindelingspro-
cedure indienen.
4. De werkgever start binnen 90 dagen na het in lid 3 bedoelde verzoek de herbeschrijvings-dan wel herin-
delingsprocedure.
CAO Gehandicaptenzorg 2009 -2011

Artikel 4:22 Taak Interne Bezwaren Commissie FWG (IBC-FWG)
1. De instelling heeft een door de werkgever ingestelde Interne Bezwaren Commissie FWG (IBC-FWG).
2. De IBC-FWG heeft tot taak de werkgever van gemotiveerd advies te dienen indien een werknemer,
schriftelijk en met redenen omkleed, bij de werkgever bezwaar heeft aangetekend tegen:
-de afwijzing van het door de werknemer ingediende verzoek tot herindeling als bedoeld in artikel
4:15;
-het door de werkgever, dan wel een door de werkgever daartoe aangewezen functionaris uitgebracht
herindelingsvoorstel als bedoeld in artikel 4:18.
3. In geval van afwijzing door de werkgever van een herindelingsverzoek is de IBC-FWG bevoegd de werkge-
ver te adviseren de herindelingsprocedure te doen laten aanvangen indien de werknemer in het bezwaar-
schrift daartoe heeft verzocht. Indien de IBC-FWG de werkgever adviseert de procedure te doen laten
aanvangen, is de werkgever daartoe gehouden.

Artikel 4:23 Samenstelling IBC-FWG
Samenstelling IBC 1. De IBC-FWG wordt gevormd door 2 leden aan te wijzen door de directie van de instelling en 2 leden aan
te wijzen door de ondernemingsraad dan wel de personeelsvertegenwoordiging dan wel, bij het ontbre-
ken daarvan, door de werknemers van de instelling, en een door hen gezamenlijk aan te wijzen voorzit-
ter. In de regel zullen de leden van de IBC-FWG medewerkers zijn vanuit de instelling, in overleg kan wor-
den besloten niet-medewerkers op te nemen.
2. Binnen de instelling kan in overeenstemming met de OR/personeelsvertegenwoordiging nader invulling
gegeven worden aan de IBC-FWG.

Artikel 4:24 Werkwijze IBC
1. De IBC-FWG bevestigt terstond jegens de werkgever de ontvangst van de adviesaanvraag van de werkge-
ver, het bezwaarschrift van de werknemer en het verslag c.q. de bescheiden betrekking hebbende op de
afwijzing door de werkgever van het herindelingsverzoek c.q. het voorlopige herindelingsvoorstel van de
werkgever aan de werknemer.
Een afschrift van deze bevestiging gaat naar de werknemer.
2. Desgevraagd door de IBC-FWG leggen de werkgever, respectievelijk de werknemer de overige door de
IBC-FWG ter zake relevant geachte bescheiden over. Deze bescheiden worden tevens aan de wederpartij
gezonden.
3. Vervolgens hoort de IBC-FWG de werknemer en de werkgever(svertegenwoordiger), waarin deze in de
gelegenheid worden gesteld een toelichting te geven. De werknemer kan zich tijdens dit gesprek laten
bijstaan door een derde. Dit gesprek vindt bij voorkeur plaats in elkaars aanwezigheid.
4. Binnen 30 dagen na ontvangst van de adviesaanvrage, hetzij een binnen de instelling in overeenstem-
ming met de OR/personeelsvertegenwoordiging nader bepaalde termijn, brengt de IBC-FWG schriftelijk
een gemotiveerd advies uit aan de werkgever en zendt een afschrift van dit advies aan de werknemer. In
het advies worden ook de eventuele minderheidsstandpunten vermeld.

Artikel 4:25 Advies IBC-FWG
Zwaarwegend advies Het advies van de IBC-FWG is zwaarwegend. Indien de werkgever afwijkt van het advies van de commissie
dient hij dit schriftelijk en met redenen omkleed aan de werknemer kenbaar te maken.

Artikel 4:26 Taak Landelijke Bezwaren Commissie (LBC-FWG)
Taak LBC De Landelijke Bezwaren Commissie FWG, (hierna te noemen LBC-FWG), heeft tot taak een oordeel te geven
over de waardering en/of de indeling van een functie indien na het doorlopen van de procedure binnen de in-
stelling een geschil bestaat tussen de werknemer en de werkgever. De landelijke bezwarenprocedure sluit
aan op de interne procedure en is alleen toegankelijk indien de interne procedure binnen de instelling volle-
dig is doorlopen en afgerond.

Artikel 4:27 Samenstelling LBC-FWG
1. De LBC-FWG wordt gevormd door twee leden en twee plaatsvervangers aan te wijzen door de werkge-
versorganisaties VGN en GGZ Nederland gezamenlijk, betrokken bij de FWG-overeenkomst als bedoeld in
lid 2 van dit artikel, en twee leden en twee plaatsvervangers aan te wijzen door de gezamenlijke werkne-
mersorganisatie(s) als bedoeld in lid 2 van dit artikel en een gezamenlijk door hen aan te wijzen voorzit-
ter. De LBC-FWG wordt ondersteund door een secretaris.
2. Onder FWG-overeenkomst als bedoeld in lid 1 van dit artikel wordt bedoeld de overeenkomst die op 29
maart 1999 tussen de partijen betrokken bij de CAO voor het Ziekenhuiswezen 1998/1999, met uitzonde-
ring van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen en Arcares, is afgesloten in het kader van de invoe-
ring van FWG 3.0.

Artikel 4:28 Werkwijze -ontvankelijkheid LBC-FWG
1. De werkzaamheden starten met het ontvangen van een bezwaarschrift met de in de CAO gestelde beno-
digde documenten en nadat de griffiekosten met betrekking tot de procedure zijn voldaan.
Ontvankelijkheid bezwaar 2. De secretaris onderzoekt de ontvankelijkheid door na te gaan of het bezwaar tot de competentie van de
LBC-FWG behoort en of het bezwaarschrift is ingediend binnen de in de desbetreffende CAO hiervoor
vastgelegde termijn (te rekenen vanaf de datum van de voor bezwaar vatbare beslissing van de werkge-
ver).
3. De secretaris gaat na of de benodigde documenten aanwezig zijn, te weten:
a. de vastgestelde functiebeschrijving;
b. het indelingsvoorstel van de werkgever (waardering plus indeling);
c. het bezwaarschrift intern;
d. de uitgewisselde documenten van de IBC-FWG procedure;
e. het advies van de IBC-FWG;
f. het voor bezwaar vatbare indelingsbesluit van de werkgever na de IBC-FWG procedure;
g. het bezwaarschrift voor de LBC-FWG.
4. De secretaris stelt de indiener van het bezwaarschrift van de ontvangst op de hoogte, vraagt zonodig
ontbrekende informatie op en verzoekt om betaling van griffiekosten.
5. Indien de behandeling van het bezwaarschrift niet kan starten of worden voortgezet omdat gevraagde
informatie niet binnen 60 dagen nadat het bezwaarschrift is ingediend of aangekondigd ter beschikking
komt, dan wel omdat de bijdrage griffiekosten niet binnen 60 dagen is voldaan, stelt de secretaris de in-
diener in kennis van het staken van de procedure. Indien de ontbrekende informatie zaken betreft van de
werkgever waarover de indiener van het bezwaarschrift niet beschikt, kan ook de werkgever worden ge-
vraagd desbetreffende informatie aan te leveren. Indien de werkgever weigert informatie te verstrekken
of anderszins in gebreke blijft, stelt de secretaris een conceptoordeel op. De voorzitter legt dit concept
voor aan de LBC-FWG ten behoeve van een inhoudelijk advies, hetzij een nadere invulling van de behan-
deling -mogelijk onderzoek -van het onderhavige bezwaarschrift.
6. Zodra de stukkenset compleet is en de bijdrage griffiekosten ontvangen is, informeert de secretaris ge-
lijktijdig de werknemer en de werkgever over het in behandeling nemen van het bezwaar en geeft daarbij
een te verwachten behandeltermijn aan. De wederpartij ontvangt een kopie van het bezwaarschrift en
wordt in de gelegenheid gesteld hierop binnen een termijn van 30 dagen te reageren.
7. De secretaris stelt een advies/oordeel op en legt dit voor aan de voorzitter van de LBC-FWG. De LBC-FWG
handelt het bezwaar in principe schriftelijk af op basis van de ter beschikking staande informatie. De LBC-
FWG kan desgewenst besluiten werknemer en/of werkgever te horen, in elkaars aanwezigheid, dan wel
informatie van derden te vragen.
8. De LBC-FWG besluit ten aanzien van het bezwaar en doet -zo mogelijk -binnen 60 dagen nadat het be-
zwaarschrift in behandeling is genomen een voor geschilpartijen bindende uitspraak.
9. De secretaris handelt het bezwaar af:
a. de uitspraak wordt verzonden aan werknemer en werkgever;
b. de kosten voor de behandeling worden in rekening gebracht bij de in het ongelijk gestelde partij;
c. het dossier wordt gearchiveerd.

Artikel 4:29 Financiering van de LBC-FWG
De bij de LBC-FWG betrokken werkgevers-en werknemersorganisaties dragen gezamenlijk de kosten van de
in behandeling genomen bezwaren per branche (Gehandicaptenzorg en GGZ). De griffiekosten en de in reke-
ning te brengen behandelkosten worden op de te maken kosten in mindering gebracht. Jaarlijks worden de
gemaakte kosten en opbrengsten opgenomen in een afrekening.

Artikel 4:30 Griffiekosten van de LBC-FWG
1. De klager moet bij het indienen van het bezwaarschrift griffiekosten voldoen ad " 136,-.
2. De behandelkosten bedragen bij een standaardprocedure " 454,-.
3. In het geval de voorzitter van de LBC-FWG moet besluiten geschilpartijen te horen kan een bedrag in re-
kening gebracht worden. In het geval de voorzitter van de LBC-FWG moet besluiten om advies of infor-
matie te vragen bij derden worden de kosten daarvan in rekening gebracht aan partijen bij het bezwaar-
schrift.
4. De LBC-FWG spant zich in om zoveel mogelijk bezwaarschriften volgens de standaardprocedure te behan-
delen en om, indien dit niet mogelijk is, de kosten tot een minimum te beperken. De secretaris zal ge-
schilpartijen vooraf informeren over het afwijken van de standaardprocedure en over de met de afwijken-
de behandeling samenhangende kosten.
5. De kosten worden na afloop van de behandeling van het bezwaarschrift in rekening gebracht bij de in het
ongelijk gestelde partij. Indien de werknemer in het gelijk wordt gesteld ontvangt hij/zij de griffiekosten
retour en worden deze kosten bij de werkgever in rekening gebracht.
6. Indien een bezwaarschrift niet ontvankelijk wordt verklaard zendt de secretaris de ontvangen documen-
ten retour; de griffiekosten worden niet aan de klager gerestitueerd.

Artikel4:31Salarisschalenfunctiegroepenper01-03-2008

Salarisschaal functiegroep 5

Aanloopschaal 4                                                      Functionele schaal 5

0          -2                     1224                                       0          3                      1360

1          -1                     1273                                       1          4                      1414

2          1                      1312                                       2          5                      1465

3          2                      1336                                       3          6                      1494

4          3                      1360                                       4          7                      1534

5          4                      1414                                       5          8                      1573

                                                                                    6          9                      1614

                                                                                    7          10                    1659

 

Salarisschaal functiegroep 10

Aanloopschaal 9                                                      Functionele schaal 10

0          -2                     1224                                       0          4                      1414

1          -1                     1273                                       1          5                      1465

2          1                      1312                                       2          6                      1494

3          2                      1336                                       3          7                      1534

4          3                      1360                                       4          8                      1573

5          4                      1414                                       5          9                      1614

6          5                      1465                                       6          10                    1659

                                                                                    7          11                    1710

                                                                                    8          12                    1763

 

Salarisschaal functiegroep 15

Aanloopschaal 14                                                   Functionele schaal 15

0          -1                     1273                                       0          5                      1465

1          1                      1312                                       1          6                      1494

2          2                      1336                                       2          7                      1534

3          3                      1360                                       3          8                      1573

4          4                      1414                                       4          9                      1614

5          5                      1465                                       5          10                    1659

6          6                      1494                                       6          11                    1710

                                                                                    7          12                    1763

                                                                                    8          13                    1822

                                                                                    9          14                    1882

 

Salarisschaal functiegroep 20

Aanloopschaal 19                                                   Functionele schaal 20

0          1                      1312                                       0          6                      1494

1          2                      1336                                       1          7                      1534

2          3                      1360                                       2          8                      1573

3          4                      1414                                       3          9                      1614

4          5                      1465                                       4          10                    1659

5          6                      1494                                       5          11                    1710

6          7                      1534                                       6          12                    1763

                                                                                    7          13                    1822

                                                                                    8          14                    1882

                                                                                    9          15                    1937

                                                                                    10        16                    2000

 

Salarisschaal functiegroep 25

Aanloopschaal 24                                                   Functionele schaal 25

0          2                      1336                                       0          7                      1534

1          3                      1360                                       1          9                      1614

2          4                      1414                                       2          10                    1659

3          5                      1465                                       3          11                    1710

4          6                      1494                                       4          12                    1763

5          7                      1534                                       5          13                    1822

6          8                      1573                                       6          14                    1882

7          9                      1614                                       7          15                    1937

                                                                                    8          16                    2000

                                                                                    9          17                    2050

                                                                                    10        18                    2110

 

Salarisschaal functiegroep 30

Aanloopschaal 29                                                   Functionele schaal 30

0          4                      1414                                       0          8                      1573

1          5                      1465                                       1          10                    1659

2          6                      1494                                       2          12                    1763

3          7                      1534                                       3          13                    1822

4          8                      1573                                       4          14                    1882

5          9                      1614                                       5          15                    1937

6          10                    1659                                       6          16                    2000

7          11                    1710                                       7          17                    2050

                                                                                    8          18                    2110

                                                                                    9          19                    2166

                                                                                    10        20                    2224

 

Salarisschaal functiegroep 35

Aanloopschaal 34                                                   Functionele schaal 35

0          6                      1494                                       0          10                    1659

1          7                      1534                                       1          12                    1763

2          8                      1573                                       2          14                    1882

3          9                      1614                                       3          15                    1937

4          10                    1659                                       4          16                    2000

5          11                    1710                                       5          17                    2050

6          12                    1763                                       6          18                    2110

7          13                    1822                                       7          19                    2166

                                                                                    8          20                    2224

                                                                                    9          21                    2281

 

Salarisschaal functiegroep 40

Aanloopschaal 39                                                   Functionele schaal 40

0          10                    1659                                       0          12                    1763

1          11                    1710                                       1          14                    1882

2          12                    1763                                       2          16                    2000

3          13                    1822                                       3          17                    2050

4          14                    1882                                       4          18                    2110

5          15                    1937                                       5          19                    2166

                                                                                    6          20                    2224

                                                                                    7          21                    2281

                                                                                    8          22                    2339                                                                                                               9          23                    2397

                                                                                    10        24                    2455

 

Salarisschaal functiegroep 45

Aanloopschaal 44                                                   Functionele schaal 45

0          10                    1659                                       0          16                    2000

1          12                    1763                                       1          18                    2110

2          14                    1882                                       2          20                    2224

3          16                    2000                                       3          21                    2281

4          17                    2050                                       4          22                    2339

5          18                    2110                                       5          23                    2397

6          19                    2166                                       6          24                    2455

                                                                                    7          25                    2515

                                                                                    8          26                    2577

                                                                                    9          27                    2640

                                                                                    10        28                    2696

 

Salarisschaal functiegroep 50

Aanloopschaal 49                                                   Functionele schaal 50

0          14                    1882                                       0          21                    2281

1          16                    2000                                       1          23                    2397

2          18                    2110                                       2          25                    2515

3          20                    2224                                       3          27                    2640

4          21                    2281                                       4          28                    2696

5          22                    2339                                       5          29                    2760

6          23                    2397                                       6          30                    2822

                                                                                    7          31                    2880

                                                                                    8          32                    2939

                                                                                    9          33                    3001

                                                                                    10        34                    3063

 

Salarisschaal functiegroep 55

Aanloopschaal 54                                                   Functionele schaal 55

0          19                    2166                                       0          26                    2577

1          21                    2281                                       1          28                    2696

2          23                    2397                                       2          30                    2822

3          25                    2515                                       3          32                    2939

4          26                    2577                                       4          34                    3063

5          27                    2640                                       5          35                    3121

6          28                    2696                                       6          36                    3191

                                                                                    7          37                    3257

                                                                                    8          38                    3325

                                                                                    9          39                    3392

                                                                                    10        40                    3451

 

Salarisschaal functiegroep 60

Aanloopschaal 59                                                   Functionele schaal 60

0          25                    2515                                       0          32                    2939

1          27                    2640                                       1          34                    3063

2          29                    2760                                       2          36                    3191

3          31                    2880                                       3          38                    3325

4          32                    2939                                       4          40                    3451

5          33                    3001                                       5          42                    3582

6          34                    3063                                       6          44                    3708

                                                                                    7          45                    3763

                                                                                    8          46                    3820

                                                                                    9          47                    3878

                                                                                    10        48                    3934

 

Salarisschaal functiegroep 65

Aanloopschaal 64                                                   Functionele schaal 65

0          32                    2939                                       0          40                    3451

1          34                    3063                                       1          42                    3582

2          36                    3191                                       2          44                    3708

3          38                    3325                                       3          46                    3820

4          40                    3451                                       4          48                    3934

5          41                    3518                                       5          50                    4051

6          42                    3582                                       6          52                    4167

7          43                    3647                                       7          54                    4283

                                                                                    8          56                    4400

                                                                                    9          57                    4456

                                                                                    10        58                    4514

                                                                                    11        59                    4574

                                                                                    12        60                    4631

 

Salarisschaal functiegroep 70

Aanloopschaal 69                                                   Functionele schaal 70

0          42                    3582                                       0          50                    4051

1          44                    3708                                       1          53                    4226

2          46                    3820                                       2          56                    4400

3          48                    3934                                       3          59                    4574

4          50                    4051                                       4          62                    4747

5          51                    4109                                       5          64                    4864

6          52                    4167                                       6          66                    5009

7          53                    4226                                       7          68                    5154

                                                                                    8          70                    5298

                                                                                    9          71                    5371

                                                                                    10        72                    5444

                                                                                    11        73                    5517

                                                                                    12        74                    5590

 

Salarisschaal functiegroep 75

Aanloopschaal 74                                                   Functionele schaal 75

0          54                    4283                                       0          62                    4747

1          56                    4400                                       1          65                    4936

2          58                    4514                                       2          68                    5134  

3          60                    4631                                       3          71                    5371

4          62                    4747                                       4          74                    5590

5          63                    4804                                       5          76                    5735

6          64                    4864                                       6          78                    5889

7          65                    4936                                       7          80                    6050

                                                                                    8          82                    6213                                                                                                               9          83                    6293

                                                                                    10        84                    6376

                                                                                    11        85                    6470

                                                                                    12        86                    6566

                                                                                    13        87                    6660

                                                                                    14        88                    6756

 

Salarisschaal functiegroep 80

Aanloopschaal 79                                                   Functionele schaal 80

0          66                    5009                                       0          74                    5590

1          68                    5154                                       1          77                    5807

2          70                    5298                                       2          80                    6050

3          72                    5444                                       3          83                    6293

4          74                    5590                                       4          86                    6566

5          75                    5663                                       5          88                    6756

6          76                    5735                                       6          90                    6945

7          77                    5807                                       7          92                    7135

                                                                                    8          94                    7327

                                                                                    9          95                    7422

                                                                                    10        96                    7518

                                                                                    11        97                    7613

                                                                                    12        98                    7708

                                                                                    13        99                    7805

                                                                                    14        100                 7901

Artikel4:31Salarisschalenfunctiegroepenper01-12-2009

Salarisschaal functiegroep 5

Aanloopschaal 4                                                      Functionele schaal 5

0          -2                     1242                                       0          3                      1380

1          -1                     1292                                       1          4                      1435

2          1                      1332                                       2          5                      1487

3          2                      1356                                       3          6                      1516

4          3                      1380                                       4          7                      1557

5          4                      1435                                       5          8                      1597

                                                                                    6          9                      1638

                                                                                    7          10                    1684

 

Salarisschaal functiegroep 10

Aanloopschaal 9                                                      Functionele schaal 10

0          -2                     1242                                       0          4                      1435

1          -1                     1292                                       1          5                      1487

2          1                      1332                                       2          6                      1516

3          2                      1356                                       3          7                      1557

4          3                      1380                                       4          8                      1597

5          4                      1435                                       5          9                      1638

6          5                      1487                                       6          10                    1684

                                                                                    7          11                    1736

                                                                                    8          12                    1789

 

Salarisschaal functiegroep 15

Aanloopschaal 14                                                   Functionele schaal 15

0          -1                     1292                                       0          5                      1487

1          1                      1332                                       1          6                      1516

2          2                      1356                                       2          7                      1557

3          3                      1380                                       3          8                      1597

4          4                      1435                                       4          9                      1638

5          5                      1487                                       5          10                    1684

6          6                      1516                                       6          11                    1736

                                                                                    7          12                    1789

                                                                                    8          13                    1849

                                                                                    9          14                    1910

 

Salarisschaal functiegroep 20

Aanloopschaal 19                                                   Functionele schaal 20

0          1                      1332                                       0          6                      1516

1          2                      1356                                       1          7                      1557

2          3                      1380                                       2          8                      1597

3          4                      1435                                       3          9                      1638

4          5                      1487                                       4          10                    1684

5          6                      1516                                       5          11                    1736

6          7                      1557                                       6          12                    1789

                                                                                    7          13                    1849

                                                                                    8          14                    1910

                                                                                    9          15                    1966

                                                                                    10        16                    2030

 

Salarisschaal functiegroep 25

Aanloopschaal 24                                                   Functionele schaal 25

0          2                      1356                                       0          7                      1557

1          3                      1380                                       1          9                      1638

2          4                      1435                                       2          10                    1684

3          5                      1487                                       3          11                    1736  

4          6                      1516                                       4          12                    1789

5          7                      1557                                       5          13                    1849

6          8                      1597                                       6          14                    1910

7          9                      1638                                       7          15                    1966

                                                                                    8          16                    2030

                                                                                    9          17                    2081

                                                                                    10        18                    2142

 

Salarisschaal functiegroep 30

Aanloopschaal 29                                                   Functionele schaal 30

0          4                      1435                                       0          8                      1597

1          5                      1487                                       1          10                    1684

2          6                      1516                                       2          12                    1789

3          7                      1557                                       3          13                    1849

4          8                      1597                                       4          14                    1910

5          9                      1638                                       5          15                    1966

6          10                    1684                                       6          16                    2030

7          11                    1736                                       7          17                    2081

                                                                                    8          18                    2142

                                                                                    9          19                    2198

                                                                                    10        20                    2257

 

Salarisschaal functiegroep 35

Aanloopschaal 34                                                   Functionele schaal 35

0          6                      1516                                       0          10                    1684

1          7                      1557                                       1          12                    1789

2          8                      1597                                       2          14                    1910

3          9                      1638                                       3          15                    1966

4          10                    1684                                       4          16                    2030

5          11                    1736                                       5          17                    2081

6          12                    1789                                       6          18                    2142

7          13                    1849                                       7          19                    2198

                                                                                    8          20                    2257

                                                                                    9          21                    2315

 

Salarisschaal functiegroep 40

Aanloopschaal 39                                                   Functionele schaal 40

0          10                    1684                                       0          12                    1789

1          11                    1736                                       1          14                    1910

2          12                    1789                                       2          16                    2030

3          13                    1849                                       3          17                    2081

4          14                    1910                                       4          18                    2142

5          15                    1966                                       5          19                    2198

                                                                                    6          20                    2257

                                                                                    7          21                    2315

                                                                                    8          22                    2374

                                                                                    9          23                    2433

                                                                                    10        24                    2492

 

Salarisschaal functiegroep 45

Aanloopschaal 44                                                   Functionele schaal 45

0          10                    1684                                       0          16                    2030

1          12                    1789                                       1          18                    2142

2          14                    1910                                       2          20                    2257

3          16                    2030                                       3          21                    2315

4          17                    2081                                       4          22                    2374

5          18                    2142                                       5          23                    2433

6          19                    2198                                       6          24                    2492

                                                                                    7          25                    2553

                                                                                    8          26                    2616

                                                                                    9          27                    2680

                                                                                    10        28                    2736

 

Salarisschaal functiegroep 50

Aanloopschaal 49                                                   Functionele schaal 50

0          14                    1910                                       0          21                    2315

1          16                    2030                                       1          23                    2433

2          18                    2142                                       2          25                    2553

3          20                    2257                                       3          27                    2680

4          21                    2315                                       4          28                    2736

5          22                    2374                                       5          29                    2801

6          23                    2433                                       6          30                    2864

                                                                                    7          31                    2923

                                                                                    8          32                    2983

                                                                                    9          33                    3046

                                                                                    10        34                    3109

 

Salarisschaal functiegroep 55

Aanloopschaal 54                                                   Functionele schaal 55

0          19                    2198                                       0          26                    2616

1          21                    2315                                       1          28                    2736

2          23                    2433                                       2          30                    2864

3          25                    2553                                       3          32                    2983

4          26                    2616                                       4          34                    3109

5          27                    2680                                       5          35                    3168

6          28                    2736                                       6          36                    3239

                                                                                    7          37                    3306

                                                                                    8          38                    3375

                                                                                    9          39                    3443

                                                                                    10        40                    3503

 

Salarisschaal functiegroep 60

Aanloopschaal 59                                                   Functionele schaal 60

0          25                    2553                                       0          32                    2983

1          27                    2680                                       1          34                    3109

2          29                    2801                                       2          36                    3239

3          31                    2923                                       3          38                    3375

4          32                    2983                                       4          40                    3503

5          33                    3046                                       5          42                    3636

6          34                    3109                                       6          44                    3764

                                                                                    7          45                    3819

                                                                                    8          46                    3877

                                                                                    9          47                    3936

                                                                                    10        48                    3993

 

Salarisschaal functiegroep 65

Aanloopschaal 64                                                   Functionele schaal 65

0          32                    2983                                       0          40                    3503

1          34                    3109                                       1          42                    3636

2          36                    3239                                       2          44                    3764

3          38                    3375                                       3          46                    3877

4          40                    3503                                       4          48                    3993

5          41                    3571                                       5          50                    4112

6          42                    3636                                       6          52                    4230

7          43                    3702                                       7          54                    4347

                                                                                    8          56                    4466

                                                                                    9          57                    4523

                                                                                    10        58                    4582

                                                                                    11        59                    4643

                                                                                    12        60                    4700

 

Salarisschaal functiegroep 70

Aanloopschaal 69                                                   Functionele schaal 70

0          42                    3636                                       0          50                    4112

1          44                    3764                                       1          53                    4289

2          46                    3877                                       2          56                    4466

3          48                    3993                                       3          59                    4643

4          50                    4112                                       4          62                    4818

5          51                    4171                                       5          64                    4937

6          52                    4230                                       6          66                    5084

7          53                    4289                                       7          68                    5231

                                                                                    8          70                    5377

                                                                                    9          71                    5452

                                                                                    10        72                    5526

                                                                                    11        73                    5600

                                                                                    12        74                    5674

 

Salarisschaal functiegroep 75

Aanloopschaal 74                                                   Functionele schaal 75

0          54                    4347                                       0          62                    4818

1          56                    4466                                       1          65                    5010

2          58                    4582                                       2          68                    5231

3          60                    4700                                       3          71                    5452

4          62                    4818                                       4          74                    5674

5          63                    4876                                       5          76                    5821

6          64                    4937                                       6          78                    5977

7          65                    5010                                       7          80                    6141

                                                                                    8          82                    6306

                                                                                    9          83                    6387

                                                                                    10        84                    6472

                                                                                    11        85                    6567

                                                                                    12        86                    6664

                                                                                    13        87                    6760

                                                                                    14        88                    6857

 

Salarisschaal functiegroep 80

Aanloopschaal 79                                                   Functionele schaal 80

0          66                    5084                                       0          74                    5674

1          68                    5231                                       1          77                    5894

2          70                    5377                                       2          80                    6141

3          72                    5526                                       3          83                    6387

4          74                    5674                                       4          86                    6664

5          75                    5748                                       5          88                    6857

6          76                    5821                                       6          90                    7049

7          77                    5894                                       7          92                    7242

                                                                                    8          94                    7437

                                                                                    9          95                    7533

                                                                                    10        96                    7631

                                                                                    11        97                    7727

                                                                                    12        98                    7824  

                                                                                    13        99                    7922

                                                                                    14        100                 8020

 

Artikel4:31Salarisschalenfunctiegroepenper01-07-2010

Artikel 4:31 Salarisschalen

Artikel 4:31 Salarisschalen functiegroepen per 01-07-2010

 

Salarisschaal functiegroep 5

Aanloopschaal 4                                                      Functionele schaal 5

0          -2                     1254                                       0          3                      1394              

1          -1                     1305                                       1          4                      1449  

2          1                      1345                                       2          5                      1502

3          2                      1370                                       3          6                      1531

4          3                      1394                                       4          7                      1573

5          4                      1449                                       5          8                      1613

                                                                                    6          9                      1654

                                                                                    7          10                    1701

 

Salarisschaal functiegroep 10

Aanloopschaal 9                                                      Functionele schaal 10

0          -2                     1254                                       0          4                      1449              

1          -1                     1305                                       1          5                      1502  

2          1                      1345                                       2          6                      1531

3          2                      1370                                       3          7                      1573

4          3                      1394                                       4          8                      1613

5          4                      1449                                       5          9                      1654

6          5                      1502                                       6          10                    1701

                                                                                    7          11                    1753

                                                                                    8          12                    1807

 

Salarisschaal functiegroep 15

Aanloopschaal 14                                                   Functionele schaal 15

0          -1                     1305                                       0          5                      1502              

1          1                      1345                                       1          6                      1531  

2          2                      1370                                       2          7                      1573

3          3                      1394                                       3          8                      1613

4          4                      1449                                       4          9                      1654

5          5                      1502                                       5          10                    1701

6          6                      1531                                       6          11                    1753

                                                                                    7          12                    1807

                                                                                    8          13                    1867

                                                                                    9          14                    1929

 

Salarisschaal functiegroep 20

Aanloopschaal 19                                                   Functionele schaal 20

0          1                      1345                                       0          6                      1531

1          2                      1370                                       1          7                      1573

2          3                      1394                                       2          8                      1613

3          4                      1449                                       3          9                      1654

4          5                      1502                                       4          10                    1701

5          6                      1531                                       5          11                    1753

6          7                      1573                                       6          12                    1807

                                                                                    7          13                    1867

                                                                                    8          14                    1929

                                                                                    9          15                    1986

                                                                                    10        16                    2050

 

Salarisschaal functiegroep 25

Aanloopschaal 24                                                   Functionele schaal 25

0          2                      1370                                       0          7                      1573

1          3                      1394                                       1          9                      1654

2          4                      1449                                       2          10                    1701

3          5                      1502                                       3          11                    1753

4          6                      1531                                       4          12                    1807

5          7                      1573                                       5          13                    1867

6          8                      1613                                       6          14                    1929

7          9                      1654                                       7          15                    1986

                                                                                    8          16                    2050

                                                                                    9          17                    2102

                                                                                    10        18                    2163

 

Salarisschaal functiegroep 30

Aanloopschaal 29                                                   Functionele schaal 30

0          4                      1449                                       0          8                      1613

1          5                      1502                                       1          10                    1701

2          6                      1531                                       2          12                    1807

3          7                      1573                                       3          13                    1867

4          8                      1613                                       4          14                    1929

5          9                      1654                                       5          15                    1986

6          10                    1701                                       6          16                    2050

7          11                    1753                                       7          17                    2102

                                                                                    8          18                    2163

                                                                                    9          19                    2220

                                                                                    10        20                    2280

 

Salarisschaal functiegroep 35

Aanloopschaal 34                                                   Functionele schaal 35

0          6                      1531                                       0          10                    1701

1          7                      1573                                       1          12                    1807

2          8                      1613                                       2          14                    1929

3          9                      1654                                       3          15                    1986

4          10                    1701                                       4          16                    2050

5          11                    1753                                       5          17                    2102

6          12                    1807                                       6          18                    2163

7          13                    1867                                       7          19                    2220

                                                                                    8          20                    2280

                                                                                    9          21                    2338

 

Salarisschaal functiegroep 40

Aanloopschaal 39                                                   Functionele schaal 40

0          10                    1701                                       0          12                    1807

1          11                    1753                                       1          14                    1929

2          12                    1807                                       2          16                    2050

3          13                    1867                                       3          17                    2102

4          14                    1929                                       4          18                    2163

5          15                    1986                                       5          19                    2220

                                                                                    6          20                    2280

                                                                                    7          21                    2338

                                                                                    8          22                    2398

                                                                                    9          23                    2457

                                                                                    10        24                    2517

 

 

Salarisschaal functiegroep 45

Aanloopschaal 44                                                   Functionele schaal 45

0          10                    1701                                       0          16                    2050

1          12                    1807                                       1          18                    2163

2          14                    1929                                       2          20                    2280

3          16                    2050                                       3          21                    2338

4          17                    2102                                       4          22                    2398

5          18                    2163                                       5          23                    2457

6          19                    2220                                       6          24                    2517

                                                                                    7          25                    2579

                                                                                    8          26                    2642

                                                                                    9          27                    2707

                                                                                    10        28                    2763

 

Salarisschaal functiegroep 50

Aanloopschaal 49                                                   Functionele schaal 50

0          14                    1929                                       0          21                    2338  

1          16                    2050                                       1          23                    2457  

2          18                    2163                                       2          25                    2579

3          20                    2280                                       3          27                    2707

4          21                    2338                                       4          28                    2763

5          22                    2398                                       5          29                    2829

6          23                    2457                                       6          30                    2893

                                                                                    7          31                    2952

                                                                                    8          32                    3013

                                                                                    9          33                    3076

                                                                                    10        34                    3140

 

Salarisschaal functiegroep 55

Aanloopschaal 54                                                   Functionele schaal 55

0          19                    2220                                       0          26                    2642

1          21                    2338                                       1          28                    2763

2          23                    2457                                       2          30                    2893

3          25                    2579                                       3          32                    3013

4          26                    2642                                       4          34                    3140

5          27                    2707                                       5          35                    3200

6          28                    2763                                       6          36                    3271

                                                                                    7          37                    3339

                                                                                    8          38                    3409  

                                                                                    9          39                    3477

                                                                                    10        40                    3538

 

Salarisschaal functiegroep 60

Aanloopschaal 59                           Functionele schaal 60

0          25                    2579                                       0          32                    3013

1          27                    2707                                       1          34                    3140

2          29                    2829                                       2          36                    3271

3          31                    2952                                       3          38                    3409

4          32                    3013                                       4          40                    3538

5          33                    3076                                       5          42                    3672

                                                                                    6          44                    3802

                                                                                    7          45                    3857

                                                                                    8          46                    3916

                                                                                    9          47                    3975

                                                                                    10        48                    4033

 

Salarisschaal functiegroep 65

Aanloopschaal 64                                                   Functionele schaal 65

0          32                    3013                                       0          40                    3538

1          34                    3140                                       1          42                    3672

2          36                    3271                                       2          44                    3802

3          38                    3409                                       3          46                    3916

4          40                    3538                                       4          48                    4033

5          41                    3607                                       5          50                    4153

6          42                    3672                                       6          52                    4272

7          43                    3739                                       7          54                    4390

                                                                                    8          56                    4511

                                                                                    9          57                    4568

                                                                                    10        58                    4628

                                                                                    11        59                    4689

                                                                                    12        60                    4747

 

Salarisschaal functiegroep 70

Aanloopschaal 69                                                   Functionele schaal 70

0          42                    3672                                       0          50                    4153

1          44                    3802                                       1          53                    4332

2          46                    3916                                       2          56                    4511

3          48                    4033                                       3          59                    4689

4          50                    4153                                       4          62                    4866

5          51                    4213                                       5          64                    4986

6          52                    4272                                       6          66                    5135

7          53                    4332                                       7          68                    5283

                                                                                    8          70                    5431

                                                                                    9          71                    5507

                                                                                    10        72                    5581

                                                                                    11        73                    5656

                                                                                    12        74                    5731

 

Salarisschaal functiegroep 75

Aanloopschaal 74                                                   Functionele schaal 75

0          54                    4390                                       0          62                    4866

1          56                    4511                                       1          65                    5060

2          58                    4628                                       2          68                    5283

3          60                    4747                                       3          71                    5507

4          62                    4866                                       4          74                    5731

5          63                    4925                                       5          76                    5879

6          64                    4986                                       6          78                    6037

7          65                    5060                                       7          80                    6202

                                                                                    8          82                    6369

                                                                                    9          83                    6451

                                                                                    10        84                    6537

                                                                                    11        85                    6633

                                                                                    12        86                    6731

                                                                                    13        87                    6828  

                                                                                    14        88                    6926

 

Salarisschaal functiegroep 80

Aanloopschaal 79                                                   Functionele schaal 80

0          66                    5135                                       0          74                    5731

1          68                    5283                                       1          77                    5953

2          70                    5431                                       2          80                    6202

3          72                    5581                                       3          83                    6451

4          74                    5731                                       4          86                    6731

5          75                    5805                                       5          88                    6926

6          76                    5879                                       6          90                    7119

7          77                    5953                                       7          92                    7314

                                                                                    8          94                    7511

                                                                                    9          95                    7608

                                                                                    10        96                    7707

                                                                                    11        97                    7804

                                                                                    12        98                    7902                                                                                                                                       13        99                    8001

                                                                                    14        100                 8100

Garantieschaal DTG 1

Ervaring

DTG volgnr.

FWG volgnr.

Bedrag

1-3-2008

Bedrag

1-12-2009

Bedrag

1-7-2010

0

2

1

1312

1332

1345

1

3

4

1414

1435

1449

2

4

4

1414

1435

1449

3

5

5

1465

1487

1502

4

7

7

1534

1557

1573

5

9

8

1573

1597

1613

 

Garantieschaal DTG 2

Ervaring

DTG volgnr.

FWG volgnr.

Bedrag

1-3-2008

Bedrag

1-12-2009

Bedrag

1-7-2010

0

3

4

1414

1435

1449

1

4

4

1414

1435

1449

2

5

5

1465

1487

1502

3

6

6

1494

1516

1531

4

7

7

1534

1557

1573

5

8

7

1534

1557

1573

6

9

8

1573

1597

1613

7

10

9

1614

1638

1654

8

11

10

1659

1684

1701

9

12

11

1710

1736

1753

 

Garantieschaal DTG 3

Ervaring

DTG volgnr.

FWG volgnr.

Bedrag

1-3-2008

Bedrag

1-12-2009

Bedrag

1-7-2010

0

4

4

1414

1435

1449

1

5

5

1465

1487

1502

2

6

6

1494

1516

1531

3

7

7

1534

1557

1573

4

8

7

1534

1557

1573

5

9

8

1573

1597

1613

6

10

9

1614

1638

1654

7

11

10

1659

1684

1701

8

12

11

1710

1736

1753

9

13

12

1763

1789

1807

10

14

13

1822

1849

1867

 

Garantieschaal DTG 4

Ervaring

DTG volgnr.

FWG volgnr.

Bedrag

1-3-2008

Bedrag

1-12-2009

Bedrag

1-7-2010

0

6

6

1494

1516

1531

1

7

7

1534

1557

1573

2

8

7

1534

1557

1573

3

9

8

1573

1597

1613

4

10

9

1614

1638

1654

5

11

10

1659

1684

1701

6

12

11

1710

1736

1753

7

13

12

1763

1789

1807

8

14

13

1822

1849

1867

9

15

14

1882

1910

1929

10

16

15

1937

1966

1986

11

17

16

2000

2030

2050

12

18

17

2050

2081

2102

13

19

18

2110

2142

2163

 

Garantieschaal DTG 5

Ervaring

DTG volgnr.

FWG volgnr.

Bedrag

1-3-2008

Bedrag

1-12-2009

Bedrag

1-7-2010

0

7

7

1534

1557

1573

1

8

7

1534

1557

1573

2

9

8

1573

1597

1613

3

10

9

1614

1638

1654

4

11

10

1659

1684

1701

5

12

11

1710

1736

1753

6

13

12

1763

1789

1807

7

14

13

1822

1849

1867

8

15

14

1882

1910

1929

9

16

15

1937

1966

1986

10

17

16

2000

2030

2050

11

18

17

2050

2081

2102

12

19

18

2110

2142

2163

13

20

19

2166

2198

2220

14

21

20

2224

2257

2280

 

Garantieschaal DTG 6

Ervaring

DTG volgnr.

FWG volgnr.

Bedrag

1-3-2008

Bedrag

1-12-2009

Bedrag

1-7-2010

0

9

8

1573

1597

1613

1

10

9

1614

1638

1654

2

12

11

1710

1736

1753

3

14

13

1822

1849

1867

4

16

15

1937

1966

1986

5

18

17

2050

2081

2102

6

19

18

2110

2142

2163

7

20

19

2166

2198

2220

8

21

20

2224

2257

2280

9

22

21

2281

2315

2338

10

23

22

2339

2374

2398

11

24

23

2397

2433

2457

12

25

24

2455

2492

2517

 

Garantieschaal DTG 7

Ervaring

DTG volgnr.

FWG volgnr.

Bedrag

1-3-2008

Bedrag

1-12-2009

Bedrag

1-7-2010

0

12

11

1710

1736

1753

1

14

13

1822

1849

1867

2

15

14

1882

1910

1929

3

16

15

1937

1966

1986

4

18

17

2050

2081

2102

5

20

19

2166

2198

2220

6

22

21

2281

2315

2338

7

24

23

2397

2433

2457

8

26

25

2515

2553

2579

9

28

27

2640

2680

2707

10

29

28

2696

2736

2763

 

Garantieschaal DTG 8

Ervaring

DTG volgnr.

FWG volgnr.

Bedrag

1-3-2008

Bedrag

1-12-2009

Bedrag

1-7-2010

0

20

19

2166

2198

2220

1

22

21

2280

2315

2338

2

24

23

2397

2433

2457

3

26

25

2515

2553

2579

4

28

27

2640

2680

2707

5

29

28

2696

2736

2763

6

30

29

2760

2801

2829

7

31

30

2822

2864

2893

8

32

31

2880

2923

2952

9

33

32

2939

2983

3013

10

34

33

3001

3046

3076

11

35

34

3063

2109

3140

 

Garantieschaal DTG 9

Ervaring

DTG volgnr.

FWG volgnr.

Bedrag

1-3-2008

Bedrag

1-12-2009

Bedrag

1-7-2010

0

24

23

2397

2433

2457

1

26

25

2515

2553

2579

2

28

27

2640

2680

2707

3

30

29

2760

2801

2829

4

32

31

2880

2923

2952

5

34

33

3001

3046

3076

6

36

35

3121

3168

3200

7

38

37

3257

3306

3339

8

40

39

3392

3443

3477

 

Garantieschaal DTG 10

Ervaring

DTG volgnr.

FWG volgnr.

Bedrag

1-3-2008

Bedrag

1-12-2009

Bedrag

1-7-2010

0

30

29

2760

2801

2829

1

32

31

2880

2923

2952

2

34

33

3001

3046

3076

3

36

35

3121

3168

3200

4

38

37

3257

3306

3339

5

40

39

3392

3443

3477

6

42

41

3518

3571

3607

7

44

43

3647

3702

3739

8

46

44

3708

3764

3802

 

Garantieschaal DTG 11

Ervaring

DTG volgnr.

FWG volgnr.

Bedrag

1-3-2008

Bedrag

1-12-2009

Bedrag

1-7-2010

0

34

33

3001

3046

3076

1

36

35

3121

3168

3200

2

38

37

3257

3306

3339

3

40

39

3392

3443

3477

4

42

41

3518

3571

3607

5

44

43

3647

3702

3739

6

46

44

3708

3764

3802

7

48

46

3820

3877

3916

8

50

48

3934

3993

4033

9

52

50

4051

4112

4153

10

54

52

4167

4230

4272

11

56

54

4283

4347

4390

12

58

56

4400

4466

4511

 

Garantieschaal DTG 12

Ervaring

DTG volgnr.

FWG volgnr.

Bedrag

1-3-2008

Bedrag

1-12-2009

Bedrag

1-7-2010

0

40

39

3392

3443

3477

1

42

41

3518

3571

3607

2

44

43

3647

3702

3739

3

46

44

3708

3764

3802

4

48

46

3820

3877

3916

5

50

48

3934

3993

4033

6

52

50

4051

4112

4153

7

54

52

4167

4230

4272

8

56

54

4283

4347

4390

9

58

56

4400

4466

4511

10

60

58

4514

4582

4628

 

Garantieschaal DTG 13

Ervaring

DTG volgnr.

FWG volgnr.

Bedrag

1-3-2008

Bedrag

1-12-2009

Bedrag

1-7-2010

0

46

44

3708

3764

3802

1

48

46

3820

3877

3916

2

50

48

3934

3993

4033

3

52

50

4051

4112

4153

4

54

52

4167

4230

4272

5

56

54

4283

4347

4390

6

58

56

4400

4466

4511

7

60

58

4514

4582

4628

8

62

60

4631

4700

4747

9

64

62

4747

4818

4866

10

66

64

4864

4937

4986

11

68

66

5009

5084

5135

12

70

68

5154

5231

5283

 

Garantieschaal DTG 14

Ervaring

DTG volgnr.

FWG volgnr.

Bedrag

1-3-2008

Bedrag

1-12-2009

Bedrag

1-7-2010

0

56

54

4283

4347

4390

1

58

56

4400

4466

4511

2

60

58

4514

4582

4628

3

62

60

4631

4700

4747

4

64

62

4747

4818

4866

5

66

64

4864

4937

4986

6

68

66

5009

5084

5135

7

70

68

5154

5231

5283

8

72

70

5298

5377

5431

9

74

72

5444

5526

5581

10

76

74

5590

5674

5731

11

78

76

5735

5821

5879

12

80

78

5889

5977

6037

 

Garantieschaal DTG 15

Ervaring

DTG volgnr.

FWG volgnr.

Bedrag

1-3-2008

Bedrag

1-12-2009

Bedrag

1-7-2010

0

68

66

5009

5084

5135

1

70

68

5154

5231

5283

2

72

70

5298

5377

5431

3

74

72

5444

5526

5581

4

76

74

5590

5674

5731

5

78

76

5735

5821

5879

6

80

78

5889

5977

6037

7

82

80

6050

6141

6202

8

84

82

6213

6306

6369

9

86

86

6566

6664

6731

10

88

88

6756

6857

6926

11

90

91

7040

7146

7217

 

Bijlagen
Bijlage: Schematische weergave herindelingsprocedure
en toelichting
I Voorbereiding herindelingsprocedure
Stappen Toelichting
A Toetsing door de werkgever van het herin-• Initiatief van de werkgever
delingsinitiatief/nadere overwegingen als Of
gevolg van wijzigingen van het systeem.
• Schriftelijk en gemotiveerd verzoek tot herinde-
ling van de werknemer.
Toetsingsvoorwaarden
B Vastlegging van conclusie door de werkge-• Schriftelijke inventarisatie van de wezenlijke ver-
ver. De werkgever stelt de werknemer anderingen van de functie ten opzichte van het-
schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de geen laatstelijk bij de (her)indeling en de vast-
conclusies, binnen 60 dagen na ontvangst legging daarvan in de arbeidsovereenkomst is
van het herindelingsverzoek van de werkne-vastgesteld.
mer. • Schriftelijke motivering van de waardering en in-
deling
• Afwijzing van het herindelingsverzoek De werkgever stelt de werknemer schriftelijk en
Of gemotiveerd in kennis van de conclusies, binnen
• Uitnodiging van de werkgever aan de werk-60 dagen na ontvangst van het herindelingsver-
nemer voor een herindelingsgesprek, verge-zoek van de werknemer.
zeld van een herindelingsvoorstel.
II Start herindelingsprocedure
Stappen Toelichting
Werkgever stelt functiebeschrijving vast • Indien de werknemer akkoord gaat met de func-
Werknemer akkoord tiebeschrijving of niet reageert binnen 30 dagen
wordt de functiebeschrijving vastgesteld;
Werknemer niet akkoord • Indien de werknemer niet akkoord gaat met
functiebeschrijving dan dient de werknemer dit
binnen 30 dagen kenbaar te maken in een be-
zwaarschrift aan de werkgever;
Werkgever stelt waardering en indeling vast Herindelingsgesprek tussen werkgever en werk-
nemer:
• eventueel nadere formulering van herindelings-
voorstel;
• vastlegging van het gesprek;
Overleg werkgever en werknemer • werkgever/werknemer kunnen in onderling
overleg besluiten tot het voeren van een twee-
de gesprek.
Ontvangst voorstel en verslag door werknemer Werknemer ontvangt binnen 14 dagen na het
herindelingsgesprek het herindelingsvoorstel
en het gespreksverslag.
Werknemer akkoord Indien de werknemer akkoord gaat met het her-
indelingsvoorstel, dan dient de werknemer dit
binnen 30 dagen na ontvangst van het verslag
schriftelijk aan de werkgever kenbaar te maken.
Werknemer niet akkoord Indien de werknemer niet akkoord gaat met het
herindelingsvoorstel dan dient de werknemer
dit binnen 30 dagen na ontvangst van het ver-
slag kenbaar te maken in een bezwaarschrift
aan de werkgever.
Herindelingsbesluit van de werkgever Werkgever bevestigt binnen 14 dagen na ak-
koord van werknemer het herindelingsvoorstel
en stelt de werknemer schriftelijk op de hoogte
van het besluit conform het voorstel.

Bijlagen
III Bezwaarprocedure
Stappen Toelichting
Bezwaarschrift werknemer aan de werkgever
Adviesaanvraag werkgever bij IBC-FWG
Herindelingsbesluit IBC-FWG
Bezwaarschrift van de werknemer aan de werk-
gever tegen afwijzing van het herindelingsver-
zoek, dan wel als gevolg van niet akkoordverkla-
ring met het herindelingsvoorstel.
De werkgever dient binnen 14 dagen na ont-
vangst van het bezwaarschrift advies aan te vra-
gen bij de IBC-FWG.
De IBC-FWG brengt binnen 30 dagen na ont-
vangst adviesaanvraag schriftelijk en gemoti-
veerd advies uit aan de werkgever met afschrift
aan de werknemer.
Herindelingsbesluit van de werkgever De werkgever neemt binnen 30 dagen na ont-
vangst van het IBC-FWG advies een herindelings-
besluit.
Mededeling aan de werknemer De werkgever stelt de werknemer schriftelijk en
gemotiveerd op de hoogte van het herindelings-
besluit (afschrift aan IBC-FWG). De werknemer
kan ten aanzien van de beschrijving van de func-
tie geen nadere stappen meer ondernemen
binnen de FWG-procedure. De gebruikelijke
rechtsmiddelen (bijv. kantonrechter) kunnen
door de werknemer op eigen kosten worden in-
gezet.

 


Hoofdstuk 5 Leerlingen en assistent-geneeskundigen i.o.

Artikel 5:1 Leer-arbeidsovereenkomst beroepspraktijkvorming
1. De werkgever kan met een leerling een arbeidsovereenkomst, hierna te noemen leer-arbeidsovereen-
arbeids-komst, aangaan in het kader van de beroepspraktijkvorming van de beroepsbegeleidende of duale leer-
overeen-weg van een beroepsopleiding zoals bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs respectievelijk de
komst Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
2. De bepalingen van deze CAO zijn op de leer-arbeidsovereenkomst van toepassing met uitzondering van
hoofdstuk 4 van deze CAO. De bepalingen van artikel 4:6 (Eindejaarsuitkering premie behoud), artikel
4:7 (Uitbetaling salaris) en artikel 4:10 (Vakantietoeslag) zijn wel op de leer-arbeidsovereenkomst van
toepassing.

Artikel 5:2 Instroom
1. De werkgever bepaalt de wenselijke formatie leerlingen op basis van Zorgformat, dan wel een andere
deugdelijke methode voor de bepaling van de gewenste instroom van leerlingen.
2. De werkgever is verplicht tenminste 4% leerlingen (inclusief het aantal BOL-leerlingen) in zijn formatie op
te nemen indien hij een aantal werknemers in dienst heeft dat groter is dan 100 fulltime equivalenten.
Partijen bij deze CAO bevelen de werkgever aan om te streven naar realisatie van tenminste 6% leerlingen
in de formatie.

Artikel 5:3 Salarisschaal
1. Voor leerlingen, met wie de werkgever een leer-arbeidsovereenkomst heeft gesloten en die een opleiding
volgen op kwalificatieniveau 2, 3, 4 of 5, zoals bedoeld is in de in artikel 5:1 genoemde wettelijke regelin-
gen, geldt het in de navolgende tabel vermelde salaris1. Deze tabel is gebaseerd op een voltijd arbeids-
duur van 1878 uur per jaar. De voltijdsarbeidsduur van de onderhavige leerlingen bedraagt 1878 uur per
jaar.
Met ingang van           1-3-2008          1-12-2009               1-7-2010
1e praktijkleerjaar             1106                   1123                      1134
2e praktijkleerjaar             1329                   1349                      1362
3e praktijkleerjaar             1546                   1569                      1585
4e praktijkleerjaar             1638                   1663                      1680
2. De leerling-werknemer met een leer-arbeidsovereenkomst van 1878 uur per jaar, heeft in het kader van
de opleiding als bedoeld in artikel 5:1 het recht om met behoud van salaris de arbeid te onderbreken voor
het volgen van binnenschools leren, met een maximum van 160 uur (4 uur maal 40 weken) op jaarbasis.
Voor de leerling-werknemer die een leer-arbeidsovereenkomst heeft met een arbeidsduur van minder
dan 1878 uur per jaar, wordt de omvang van de lestijd als bedoeld in de voorgaande zin ten minste naar
rato van de omvang van het dienstverband vastgesteld.
3. Voor leerlingen die een opleiding volgen op kwalificatieniveau 5 kan afgeweken worden van het bepaal-
de in lid 1 indien het tweede jaar, in het verlengde van het eerste jaar, een overwegend theoretisch karak-
ter draagt en waarin stages zijn opgenomen. Voor een periode van 12 maanden kan in dit jaar een leero-
vereenkomst met de leerling worden aangegaan. In het derde jaar, wanneer met de leerling een leer-ar-
beidsovereenkomst is aangegaan, begint de leerling met een salaris behorende bij het tweede
praktijkleerjaar.
4. De werkgever kan met een leerling van 21 jaar of ouder voor de duur van de opleidingsperiode een hoge-
regeling re salariëring overeenkomen indien sprake is van een of meer van de volgende situaties:
• een leerling die een opleiding gaat volgen, maar reeds in het bezit is van een voor de functie relevant
diploma beroepsonderwijs;
• een arbeidsmarktknelpunt in de regio bestaat voor de betreffende functie;
• een leerling die is aan te merken als herintreder.
De werkgever komt deze bevoegdheid slechts toe indien hij in overleg met de OR/ personeelsvertegenwoordiging
een regeling vaststelt.
Van de leeftijdsgrens van 21 jaar in dit artikel kan door de werkgever worden afgeweken in die gevallen
waarin een leerling-werknemer onder de 21 jaar een opleiding gaat volgen maar reeds in het bezit is van
een voor de functie relevant diploma beroepsonderwijs.
5. Tijdens de beroepsvoorbereidende periode die van toepassing is op de leerling verzorgende IG (kwalifica-
tieniveau 3) respectievelijk de leerling verpleegkundige (kwalificatieniveau 4) wordt een bruto zakgeld
toegekend ter hoogte van het minimum(jeugd)loon (dat gezien de leeftijd voor de leerling zou gelden in-
dien hij werknemer zou zijn). Geen zakgeld wordt toegekend indien en voor zolang de leerling een uitke-
ring ontvangt, die gelijk is of hoger dan het genoemde zakgeld. Bij een deeltijdopleiding ontvangt de
leerling het zakgeld naar rato.
In het kader van deeltijd-of verkorte opleidingstrajecten kan van de lengte van de voorbereidende perio-
de worden afgeweken. Opleidingsvormen die afwijken van het standaardmodel voor de opleiding wor-
den overeengekomen tussen de zorginstelling en de onderwijsinstelling en vervolgens in de overeen-
komst met de leerling bevestigd.
1 Salaris bij voltijd dienstverband van 1878 uur per jaar, voor zover het minimum(jeugd)loon niet hoger ligt.
6. Indien in het tweede jaar van de duale opleiding tot Verpleegkundige (kwalificatieniveau 5) met de leer-
ling een leerovereenkomst wordt aangegaan, wordt een bruto zakgeld toegekend ter hoogte van het mi-
nimum(jeugd)loon (dat gezien de leeftijd voor de leerling zou gelden indien hij werknemer zou zijn). Bij
een deeltijdopleiding ontvangt de leerling het zakgeld naar rato.

Artikel 5:4 Minimum salaris voor aspirant leerlingen
Aspirant leerling Indien een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voorafgaand aan een opleiding, als bedoeld in dit hoofd-
stuk, geldt minimaal het salaris behorende bij het eerste leerjaar zoals genoemd in artikel 5:3 lid 1.

Artikel 5:5 Regeling faciliteiten voor leerlingen
Faciliteiten De werkgever is verplicht in overleg met de ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging een regeling
vast te stellen voor de faciliteiten voor leerlingen waarmee een leer-arbeidsovereenkomst is afgesloten. In de-
ze regeling kunnen bijvoorbeeld onderwerpen vastgelegd worden zoals het (in bruikleen) verstrekken van
leermiddelen en/of het verstrekken van een renteloze lening in de voorbereidende periode van de opleiding
en/of het aantal praktijkbegeleiders.

Artikel 5:6 Inspanningsverplichting werkgever
Inspanningsverplichting 1. Indien de werkgever met de leerling overeenkomstig artikel 2:3 een (leer-)arbeidsovereenkomst voor be-
paalde tijd is aangegaan, heeft de werkgever indien de opleiding met goed gevolg is afgesloten, na af-
loop van de opleiding de inspanningsverplichting de werknemer een arbeidsovereenkomst voor onbe-
paalde tijd aan te bieden.
2. Na afloop van de leer-arbeidsovereenkomst besluit de werkgever na overleg met de werknemer in welk
onderdeel van de organisatie de werknemer tewerkgesteld zal worden. De werkgever is verplicht bij het
nemen van dit besluit rekening te houden met de belangen van de werknemer.

Artikel 5:7 Stagiairs
1. Stagiairs hebben recht op stagevergoeding indien het een stage betreft die aan de volgende voorwaarden
voldoet:
a. de stage wordt in het opleidingsprotocol als een verplichte stage aangemerkt;
b. de stage duurt langer dan een maand;
c. de stage heeft een minimale omvang van 150 uur.
2. De hoogte van de stagevergoeding bedraagt per 1 augustus 2009 ! 275,-bruto per maand (tot 1 au-
gustus 2009 €250,-bruto per maand) voor een stage van gemiddeld 36 uur per week, inclusief onkosten-
vergoeding (waaronder mede de reiskosten woon-werkverkeer en telefoonkosten worden verstaan).
3. Voor stages van minder dan 36 uur per week geldt de vergoeding naar rato.
4. Partijen bij deze CAO bevelen aan dat de instelling een aansprakelijkheidsverzekering ten behoeve van de
stagiair afsluit.
5. De stagevergoeding is niet van toepassing op de stagiair die stage loopt in het kader van de maatschap-
pelijke stage. Onder een maatschappelijke stage wordt verstaan een vorm van leren buiten school waar-
bij leerlingen in het voortgezet (VMBO, HAVO, VWO) onderwijs vanuit de school door middel van vrijwilli-
gersactiviteiten actief kennismaken met allerlei aspecten en onderdelen van de samenleving.

Artikel 5:8 Begeleiding leerling
1. De werknemer die door de werkgever met de taak belast is om een leerling te begeleiden, dient mini-
maal een maal per maand een voortgangsgesprek te voeren met deze leerling.
2. De werkgever draagt er zorg voor dat er contact met de onderwijsinstelling is over de ontwikkeling van
individuele leerlingen.
3. Voor de begeleiding van de leerling is binnen de instelling een praktijkopleider aangewezen of een functi-
onaris die de taken van een praktijkopleider vervult. Deze beschikt over:
a) een diploma of getuigschrift van minimaal hetzelfde vakinhoudelijk of aanverwant vakinhoudelijk ni-
veau waarvoor wordt opgeleid,
of over:
b) een diploma van een opleiding praktijkopleider danwel eerder verworven bekwaamheid met betrek-
king tot methodische, didactische en beoordelingsvaardigheden danwel bereid te zijn binnen een af-
gesproken tijd de genoemde bekwaamheid te verwerven.
De werkgever streeft daarbij naar praktijkopleiders/functionarissen die over beide kwalificaties (vakin-
houdelijke kennis en didactische kennis) beschikken en ten minste 1 jaar recente werkervaring.

Artikel 5:9 Assistent-geneeskundigen in opleiding tot Arts voor Verstandelijk Gehandicapten
1. Voor de werknemer die de opleiding tot Arts voor Verstandelijk Gehandicapten volgt, geldt tenminste de
aanloopschaal van de laagst voorkomende functionele schaal voor de artsenfunctie.
2. Voor de salarisvaststelling worden de contractueel overeengekomen arbeidsuren in aanmerking geno-
men.
3. De werknemer die de opleiding tot Arts voor Verstandelijk Gehandicapten volgt, heeft het recht om met
behoud van salaris de arbeid te onderbreken voor het volgen van lesuren (= binnenschools leren op de
terugkomdag) met een minimum van 4 uur maal 40 weken (160 uur) op jaarbasis. Voor de parttimer
wordt de omvang van de lesuren, als bedoeld in de voorgaande zin, tenminste naar rato van de omvang
van het dienstverband vastgesteld.

Artikel 5:10 Gezondheidszorgpsycholoog in opleiding
1. Voor de werknemer die de opleiding tot Gezondheidszorgpsycholoog volgt, geldt tenminste de aanloop-
Gezondheidszorgpsycholoog i.o. schaal van de laagst voorkomende functionele schaal voor de psychologenfunctie.
2. Voor de salarisvaststelling worden de uren in aanmerking genomen waarop daadwerkelijk arbeid wordt
verricht.
3. De werknemer die de opleiding tot Gezondheidszorgpsycholoog volgt, heeft het recht om met behoud
van salaris de arbeid te onderbreken voor het volgen van lesuren (= binnenschools leren op de terugkom-
dag) met een minimum van 4 uur maal 40 weken (160 uur) op jaarbasis. Voor de parttimer wordt de om-
vang van de lesuren, als bedoeld in de voorgaande zin, tenminste naar rato van de omvang van het dienst-
verband vastgesteld.

 

Hoofdstuk6. Arbeidsduur en werktijden

Artikel 6:1 Arbeidsduur
1. De arbeidsduur bedraagt bij een voltijd dienstverband 1878 uur per jaar (gemiddeld 36 uur per week =
voltijdnorm).
2. In overleg tussen werkgever en werknemer kan een arbeidsduur worden overeengekomen van maximaal
2087 uur per jaar. De werknemer heeft het recht om één keer per jaar de arbeidsduur tot 1878 uur terug
te brengen.
3. Met de leerling die de voltijd BBL-opleiding volgt, mag geen hogere arbeidsduur worden overeengeko-
leerlingen men dan 1878 uur per jaar inclusief lestijd. Gedurende een praktijkleerjaar mag de leerling met een vol-
tijd arbeidsduur van 1878 uur, 1718 uren voor arbeid worden ingezet.
4. De indeling van de werktijden is zodanig, dat de leerling-werknemer in staat wordt gesteld het theore-
tisch deel van de opleiding te volgen.
5. In afwijking van lid 1 geldt voor de assistent-geneeskundigen in opleiding tot arts verstandelijk gehandi-
capten een arbeidsduur van 1983 uur per jaar.
6. In afwijking van de jaarurensystematiek kan de werkgever kiezen voor een andere systematiek. De werk-
systematiek gever treft hiertoe een regeling met instemming van de ondernemingsraad. Bij toepassing van een ande-
re systematiek, blijft gelden dat de arbeidsduur bij een voltijd dienstverband 1878 per jaar bedraagt.

Artikel 6:2 Jaarurensystematiek
1. Het aantal te werken uren op jaarbasis (netto) wordt bepaald door de overeengekomen arbeidsduur (bru-
systematiek to) te verminderen met vakantie-uren, betaald verlof en feest-en gedenkdaguren (artikel 6:4).
2. Het netto te werken aantal uren, vermeerderd met vakantie-uren, wordt vastgelegd in het arbeids-en
rusttijdenpatroon. Deze uren worden ingeroosterd op (contractueel) overeengekomen dagen, waarbij de
gemaakte afspraken op moment van invoering worden gerespecteerd.
3. In overleg met de werknemer wordt de indeling van zijn arbeidspatroon bepaald. Het overleg vindt ten
minste jaarlijks plaats en is gericht op het bereiken van overeenstemming. Indien de individuele wensen
niet sporen met het instellingsbelang, prevaleert het instellingsbelang.
4. De spreiding van het aantal te werken uren over het jaar dient te leiden tot een evenwichtig arbeidspa-
troon. In het arbeidspatroon dienen zowel de te werken uren als geclusterde vrije tijd duidelijk herken-
baar te zijn.
5. Een eenmaal overeengekomen arbeidspatroon kan in overleg tussentijds worden aangepast.
6. Het salaris blijft gebaseerd op de overeengekomen gemiddelde arbeidsduur en is daarmee losgekoppeld
van het feitelijk aantal gewerkte uren per maand.
7. De werkgever dient de werknemer in de gelegenheid te stellen het aantal in het kader van de jaarurensy-
stematiek vastgestelde uren te werken. Indien de werknemer niet door de werkgever in de gelegenheid
is gesteld het aantal vastgestelde uren te werken, mag dit tekort aan uren niet als vakantie worden aan-
gemerkt.
8. Bij het einde van de arbeidsovereenkomst worden te veel of te weinig gewerkte uren zoveel mogelijk ge-
corrigeerd binnen de opzegtermijn. Het resterende verschil wordt verzilverd of verrekend met vakantie-
uren dan wel ingehouden op het laatste salaris, met inachtneming van de wettelijke bepalingen.

Artikel 6:3 Jaarurensystematiek en vakantie
Indien vakantie-uren worden opgenomen op een dag waarop volgens individueel arbeids-en rusttijdenpa-
troon een bepaald aantal uren zou worden gewerkt, dan wordt dit aantal uren geregistreerd als vakantie.

Artikel 6:4 Jaarurensystematiek en feest-en gedenkdagen
1. Het aantal uren waarop jaarlijks arbeid dient te worden verricht, wordt verminderd met 7,2 uur voor elke
feest-en gedenkdag niet vallend op zaterdag of zondag.
2. Voor de werknemer met een van de voltijdnorm afwijkende arbeidsduur wordt het naar rato beginsel toe-
gepast met betrekking tot de inzetbaarheid op feestdagen en met betrekking tot bepaalde in lid 1.
3. Voor werknemers die in de loop van het kalenderjaar in dienst treden, geldt de vermindering op grond
van de in het resterende kalenderjaar voorkomende feestdagen.
4. Desgewenst kan de werknemer feest-en gedenkdagen inwisselen voor de voor zijn levensovertuiging
geldende feest-en gedenkdagen.
5. De werkgever kan in overleg met de ondernemingsraad een afwijkende regeling treffen. Deze regeling
treedt dan in de plaats van het bepaalde in dit artikel. Indien geen overeenstemming is bereikt, blijft het
bepaalde in dit artikel van toepassing.
6. Indien geen jaarurensystematiek van toepassing is op basis van artikel 6:1 lid 6 geldt dat de werknemer
recht heeft op verlof met behoud van salaris voor feestdagen als genoemd in artikel 1:1 sub g. De werk-
gever treft in overleg met de ondernemingsraad een regeling voor verlof bij feestdagen voor werknemers
werkzaam in wisselende dienst.

Artikel 6:5 Jaarurensystematiek en ziekte/arbeidsongeschiktheid
1. Indien de werknemer zijn arbeid ten gevolge van ziekte/arbeidsongeschiktheid niet verricht, wordt het
aantal doorbetaalde ziekte-uren gebaseerd op het overeengekomen arbeidspatroon.
2. Wanneer geen arbeidspatroon is overeengekomen, geldt de gemiddelde contractuele arbeidsduur.
3. Indien de werknemer zijn arbeid ten gevolge van zwangerschaps-en bevallingsverlof niet verricht, geldt
de gemiddelde contractuele arbeidsduur.

Artikel 6:6 Arbeids-en rusttijden
1. Met inachtneming van de wet, artikel 6:2 en de door CAO-partijen gemaakte afspraken, zoals opgeno-
Arbeids-en rusttijden men in bijlage 2 van deze CAO, wordt de indeling van het arbeids-en rusttijdenpatroon door de werkge-
ver, na overleg met de betreffende werknemer, geregeld.
2. Voorzover niet anders is bepaald in deze CAO, kan de werkgever de werknemer opdragen onregelmatige
diensten (weekend, feestdagen, avond-en nachtdiensten), bereikbaarheidsdiensten, consignatiedien-
sten, consultatiediensten en (nacht)aanwezigheidsdiensten te verrichten en de werknemer een opdracht
geven tot overwerk. (Zie ook artikel 6:10 en hoofdstuk 7).
3. Als sprake is van een arbeidstijdenregeling met wisselende diensten, moet de werkgever de arbeidstij-
denregeling zo spoedig mogelijk, maar ten minste 21 etmalen voor de aanvang van de periode waarop
de arbeidstijdenregeling betrekking heeft, aan de werknemer bekend maken.
4. Indien door de aard van de werkzaamheden de in lid 3 genoemde termijn niet kan worden toegepast,
geldt voor de werknemer een kortere termijn van bekendmaking van de arbeidstijdenregeling.
5. Bij de regeling van de arbeidstijden wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de levensbeschou-
wing van de werknemer.
6. Als de aard van de werkzaamheden dit noodzakelijk maakt, kan de werknemer met inachtneming van
het bepaalde in lid 5 en artikel 6:7 lid 1, opgedragen worden werkzaamheden op zondag te verrichten.
7. Overdracht van dienst vindt plaats binnen werktijd.
8. De diensten worden aaneengesloten verricht, tenzij de aard van de werkzaamheden verbonden aan de
functie zich hiertegen verzet. De werkgever kan enkel tot vaststelling van de niet-aaneengesloten dien-
sten overgaan met instemming van de werknemer.

Artikel 6:7 Roostervrije dagen/vrije weekends
1. Indien sprake is van een arbeidstijdenregeling met wisselende diensten, geniet de werknemer 8 vrije da-
dagen gen per 28 dagen. De werknemer geniet in ieder geval 22 vrije weekends per jaar. Op verzoek van de
werknemer kan hier van afgeweken worden.
2. Indien uitsluitend in het geval van dienstwisseling de perioden vrij van dienst niet kunnen worden ge-
haald, mag hiervan ten hoogste 2 maal in een periode van 28 dagen worden afgeweken.

Artikel 6:8 Verschoven diensten
Verschoven Indien door bijzondere omstandigheden met een incidenteel karakter het dienstbelang dit vordert, kan de
diensten werkgever, na overleg met de werknemer wijziging aanbrengen in een reeds vastgestelde arbeidstijdenrege-
ling zoals bedoeld in artikel 6:6 lid 1. De werknemer ontvangt daarvoor een vergoeding op grond van het be-
paalde in artikel 7:12 van de CAO. Er is slechts sprake van een verschoven dienst in de zin van dit artikel in-
dien een aantal aaneengesloten uren, waarop de werknemer volgens vastgestelde arbeidstijdenregeling of
rooster arbeid zou dienen te verrichten, door de werkgever wordt verplaatst naar enig ander moment, waar-
op de werknemer volgens vastgestelde arbeidstijdenregeling of rooster geen arbeid zou dienen te verrichten.

Artikel 6:9 Pauzes
1. Binnen elke dagelijkse diensttijd wordt gelegenheid voor 2 koffie/theepauzes gegeven, te weten per och-
tend, middag, avond of nacht eenmaal.
2. Koffie-en theepauzes welke minder dan een kwartier duren, worden als arbeidstijd aangemerkt.
3. De werkgever kan van het bepaalde in lid 1 afwijken met instemming van de ondernemingsraad/perso-
neelsvertegenwoordiging in geval van solitair werkenden en/of in geval van situaties waarin het niet mo-
gelijk is een pauze conform lid 1 op te nemen.

Artikel 6:10 Arbeidstijden zwangere werkneemsters en oudere werknemers (dit artikel geldt per 1
januari 2010)
1. In afwijking van artikel 6:6 lid 2 van deze CAO kan een zwangere werkneemster niet verplicht worden
om overwerk, onregelmatige diensten, bereikbaarheidsdiensten, consignatiediensten, consultatiedien-
sten of (nacht)aanwezigheidsdiensten te verrichten.
2. In afwijking van artikel 6:6 lid 2 kan de werknemer van 57 jaar en ouder niet verplicht worden tot het ver-
richten van nachtdiensten. Nachtdiensten zijn diensten waarin meer dan een uur arbeid wordt verricht
tussen 00.00 en 06.00 uur, niet zijnde een nachtaanwezigheidsdienst/slaapdienst.
3. De werknemer van 57 jaar of ouder die er voor kiest structureel ingeroosterd te worden in nachtdiensten
hoeft op jaarbasis 40 uur (naar rato van het dienstverband) minder te werken.
55+ 4. De werknemer die op 1 oktober 2009 55 jaar of ouder is en gebruik maakt van de ontziebepaling van artikel 6:7 CAO Gehandicaptenzorg 2007-2008, kan aangeven van deze ontziebepaling gebruik te willen
blijven maken.

Artikel 6:10a Arbeidstijden zwangere werkneemsters en werknemers van 55 jaar of ouder (dit artikel
vervalt per 1 januari 2010)
Zwanger of 55+ Een zwangere werkneemster of een werknemer van 55 jaar of ouder kan niet verplicht worden om hetzij over-
werk, hetzij onregelmatige diensten, bereikbaarheidsdiensten of aanwezigheidsdiensten te verrichten.

Artikel 6:11 Extra uren werken boven de contractuele basis-arbeidsduur
Extra uren werken De werknemer kan bij de werkgever (jaarlijks) een schriftelijk verzoek indienen om gedurende een nader over-
een te komen periode extra uren te werken boven de contractueel overeengekomen uren, welke uren door
de werknemer worden ingezet in het kader van het meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden. De werkgever
kan nadere voorwaarden stellen bij de toekenning van het verzoek.

Artikel 6:12 Arbeidsduur tot 2087 uur per jaar
De werkgever en de werknemer kunnen een dienstverband met een langere arbeidsduur dan 1878 uur per
jaar overeenkomen. Hierbij kan maximaal 2087 uur per jaar overeengekomen worden. De werknemer heeft
het recht om één keer per jaar de arbeidsduur tot 1878 uur per jaar terug te brengen.

Artikel 6:13 Seniorenverlof en aanpassing arbeidsduur (dit artikel vervalt per 1 januari 2010)
Een verzoek van de werknemer tot uitbreiding van het aantal uren in het kader van de wet aanpassing ar-
beidsduur kan door de werkgever worden geweigerd indien betrokken werknemer gebruik maakt van het
recht op seniorenverlof als bedoeld in artikel 8:2 van deze CAO.

Hoofdstuk 7. Vergoedingen overwerk, bijzondere diensten en meerdaagse
vakantie cliënten

Artikel 7:1 Definities overwerk, onregelmatige dienst, bereikbaarheidsdienst, consignatiedienst, nacht-
aanwezigheidsdienst, consultatiedienst
1. Onder overwerk wordt verstaan: arbeid die incidenteel wordt verricht boven de, in het arbeids-en rusttij-
denpatroon, vastgestelde werktijden waarbij de overschrijding van de arbeidsduur wordt gemeten op
half jaarbasis. Van overwerk is geen sprake voor zover sprake is van een verschoven dienst.
2. Onder bereikbaarheidsdienst wordt verstaan: een aaneengesloten periode van ten hoogste 24 uren waar-
in de werknemer, zo nodig naast het verrichten van de bedongen arbeid, verplicht is om bereikbaar te
zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten.
3. Onder consignatiedienst wordt verstaan: een tijdruimte tussen twee elkaar opeenvolgende diensten of
tijdens een pauze, waarin de werknemer uitsluitend verplicht is om bereikbaar te zijn om in geval van on-
voorziene omstandigheden op oproep de bedongen arbeid zo spoedig mogelijk te verrichten.
4. Onder onregelmatige dienst wordt verstaan: de arbeid die volgens rooster wordt verricht op de uren als
vermeld in artikel 7:11. Onder onregelmatige dienst wordt mede verstaan arbeid die door een deeltijd-
werker niet volgens rooster wordt verricht op de uren als vermeld in artikel 7:11, boven het bij zijn ar-
beidsovereenkomst overeengekomen aantal uren, voorzover zij de 1878 uur per jaar niet te boven gaan.
5. Onder nachtaanwezigheidsdienst wordt verstaan: een aaneengesloten periode van 24 uur, waarin een
tussen 23.00 uur en 09.00 uur gelegen en aaneengesloten periode van minimaal 6 en maximaal 8 uur is
begrepen en waarin de werknemer in de instelling aanwezig en beschikbaar moet zijn voor het verrichten
van noodzakelijke en onvoorziene werkzaamheden, maar overigens rust geniet.
6. Onder consultatiedienst wordt verstaan: de omstandigheid dat een werknemer -buiten de vastgestelde
werktijd-telefonisch bereikbaar dient te zijn ter consultatie.

Artikel 7:2 Opdracht tot overwerk
Vergoeding voor overwerk wordt gegeven, indien de werknemer opdracht tot overwerk heeft gekregen, dan
wel redelijkerwijs mocht aannemen, dat hij opdracht tot overwerk zou hebben gekregen. In een dergelijk ge-
val stelt de werkgever achteraf de noodzaak tot overwerk vast.

Artikel 7:3 Bepaling aantal overwerkuren
1. Indien het overwerk wordt verricht gedurende een periode van een half uur of korter voorafgaande aan
of aansluitend op de bij arbeidstijdenregeling vastgestelde werktijd, komt deze periode niet voor vergoe-
ding in aanmerking.
2. Indien het overwerk wordt verricht gedurende een periode langer dan een half uur, wordt deze periode
afgerond op een heel uur.
3. Indien het overwerk wordt verricht gedurende een periode langer dan een uur, wordt deze periode naar
boven afgerond op halve respectievelijk hele uren.

Artikel 7:4 Vergoedingsregeling voor werknemer met een volletijd arbeidsduur
1. De vergoeding voor overwerk wordt -voorzover lid 3 van dit artikel niet anders bepaalt-verstrekt in de
vorm van vrije tijd, gelijk aan het aantal uren dat het overwerk heeft geduurd en daarenboven in de vorm
van een geldelijke beloning als bedoeld onder lid 2 van dit artikel.
2. De onder 1 genoemde geldelijke beloning bestaat uit een percentage van het uurloon en wel:
-25% voor overwerk verricht tussen 06.00 uur en 22.00 uur op maandag tot en met vrijdag, met dien
verstande dat in een periode van zeven dagen het aantal aldus te belonen uren maximaal 5 bedraagt;
de overige uren worden beloond met 50%;
-50% voor overwerk verricht tussen 22.00 uur en 06.00 uur op maandag tot en met vrijdag;
-75% voor overwerk verricht op zaterdag tot 18.00 uur en op vrije dagen;
-100% voor overwerk verricht op zaterdag vanaf 18.00 uur, op zon-en feestdagen tussen 00.00 en
24.00 uur en op 24 en 31 december tussen 18.00 en 24.00 uur.
Onder vrije dagen worden voor de toepassing van dit artikel verstaan: de dagen, niet zijnde zondag of feest-
dag, waarop de werknemer volgens zijn arbeids-en rusttijdenpatroon niet zou behoeven te werken.
3. Het recht op vergoeding van overwerk als genoemd onder lid 1 wordt toegekend in de volgende gevallen:
a. indien het salaris van de werknemer nr. 48 van de inpassingstabel niet overschrijdt;
b. indien het salaris van de werknemer nr. 48 van de inpassingstabel te boven gaat en voor zover het
aantal gewerkte uren boven de in het arbeids-en rusttijdenpatroon opgenomen arbeidsduur méér
dan 6 gemiddeld per week bedraagt, te meten over de periode waarvoor het arbeids-en rusttijden-
patroon geldt.
4. In afwijking van het gestelde in lid 3 onder a en b kunnen partijen bij deze CAO voor bepaalde categorie-
ën van werknemers een andere urennorm voor het overwerk vaststellen.

Artikel 7:5 Vergoedingsregeling voor de deeltijdwerker
1. De vergoeding van overwerk bestaat uit het voor de werknemer geldende uurloon, indien en voorzover
het aantal overuren, te meten over een periode van een half jaar, niet méér bedraagt dan het verschil tus-
sen de voor de werknemer geldende arbeidsduur en de arbeidsduur bij een volletijd arbeidsduur.
2. Daarenboven wordt een vergoeding als genoemd in artikel 7:4 toegekend, indien en voorzover het aantal
overuren, te meten over een periode van een half jaar, méér bedraagt dan het verschil tussen de voor de
werknemer geldende arbeidsduur en de arbeidsduur bij een volletijd arbeidsduur.
CAO Gehandicaptenzorg 2009 -2011

Artikel 7:6 Maximaal aantal uren overwerk, vacaturestelling
1. Het aantal uren overwerk mag te meten per aaneengesloten periode van één jaar niet méér bedragen
Maximum overwerk dan 10%:
-van 1878 uur, indien het salaris van de werknemer overeenkomt met nr. 48 van de inpassingstabel of
daaronder;
-van 2191 uur, indien het salaris van de werknemer nr. 48 van de inpassingstabel te boven gaat.
Voor werknemers met een dienstverband van meer dan 1878 uur dient bij het eerste gedachtestreepje in
plaats van 1878 uur hun contractueel overeengekomen aantal uren te worden ingevuld en bij het tweede
gedachtestreepje hun contractueel overeengekomen aantal uren plus 313 uren te worden ingevuld.
2. Indien het percentage van 10 in het eerste lid wordt overschreden, wordt op verzoek van de betrokken
werknemer overgegaan tot of het verlenen van assistentie of het stellen van een vacature.
3. De ondernemingsraad ontvangt op zijn verzoek met betrekking tot de in het eerste lid vermelde salaris-
categorieën een overzicht van de binnen een afdeling of groep per werknemer per kalenderkwartaal ge-
maakte overuren teneinde de raad in de gelegenheid te stellen zich een oordeel te vormen omtrent het
gevoerde beleid ten aanzien van vacaturestelling dan wel assistentieverlening.

Artikel 7:7 Structureel meerwerk
Structureel meerwerk Indien een deeltijdwerker over een referteperiode van een jaar meer dan 10% boven zijn contractueel over-
eengekomen arbeidsduur werkt, wordt op verzoek van de betrokken werknemer hem een contract aangebo-
den waarin deze meer gewerkte uren zijn verdisconteerd. Indien betrokkene hier niet om verzoekt, wordt
overgegaan tot het verlenen van assistentie of het stellen van een vacature.

Artikel 7:8 Opnemen vergoeding overwerk
1. De in artikel 7:4 bedoelde vrije tijd dient na overleg met de betrokken werknemer te worden verleend en
opgenomen uiterlijk in het kwartaal, volgend op de referteperiode waarin het overwerk is verricht, tenzij
tussen werkgever en werknemer uitdrukkelijk anders is overeengekomen.
2. In geval het belang van de werkzaamheden zich naar het oordeel van de werkgever verzet tegen het ge-
ven van vrije tijd, kan de vrije tijd met instemming van de werknemer worden omgezet in een geldbe-
drag, bestaande uit het evenredige deel van het salaris.
3. De ondernemingsraad ontvangt op zijn verzoek inzicht in de toepassing van het bepaalde in artikel 7:8
lid 2.

Artikel 7:9 Werkingssfeer vergoeding onregelmatige dienst
Werkingssfeer ORT Recht op vergoeding voor het verrichten van onregelmatige dienst hebben die werknemers die zijn ingedeeld
in functiegroep 65 of lager.

Artikel 7:10 Vergoedingsregeling onregelmatige dienst
1. De vergoeding voor onregelmatige dienst wordt verstrekt in de vorm van een geldelijke beloning dan
wel, indien de werknemer daarom verzoekt, in de vorm van vrije tijd.
De vrije tijd wordt bepaald door de ingevolge artikel 7:11 berekende geldelijke vergoeding te delen door
het geldende uurloon van de werknemer.
2. Het in het eerste lid bedoelde verzoek wordt, tenzij de belangen van de instelling zich hiertegen verzet-
ten, door de werkgever ingewilligd.
3. Het in het eerste lid bedoelde verzoek dient in de eerste helft van enig kalenderjaar te worden gedaan.
Bij inwilliging van het verzoek gaat de vergoeding in de vorm van vrije tijd in op 1 januari daaropvolgend
en blijft tenminste voor 1 kalenderjaar gehandhaafd.
4. Op uiterlijk 30 juni van enig kalenderjaar kunnen werkgever en werknemer mededelen dat de vergoeding
niet meer in de vorm van vrije tijd, doch in de vorm van een geldelijke beloning als bedoeld in lid 1 dient
te geschieden.
Deze wijziging gaat alsdan in op 1 januari daaropvolgend.
De werkgever is bevoegd om aan de mededeling van de werknemer als bedoeld in dit lid geen gevolg te
geven, indien de belangen van de instelling zich hiertegen verzetten.
Afbouwregeling 5. Indien de onregelmatige dienst van de werknemer door de werkgever wordt beëindigd of verminderd,
dan wel de beëindiging of vermindering plaatsvindt op bedrijfsgeneeskundig advies, kan de werkgever
met de werknemer een tijdelijke afbouwregeling voor de vergoeding van de onregelmatige dienst over-
eenkomen.

Artikel 7:11 Berekening geldelijke vergoeding onregelmatige dienst
Berekening ORT De in artikel 7:10 genoemde geldelijke beloning wordt berekend uitgaande van het geldende uurloon, waar-
bij echter voor de berekening als maximum geldt het uurloon afgeleid van nummer 19 van de inpassingstabel
op grond van artikel 4:31, op basis van de volgende percentages:
2% voor onregelmatige dienst op uren vallende tussen 06.00 uur en 07.00 uur en tussen 20.00 uur en
22.00 uur op maandag tot en met vrijdag;
38% op uren vallende tussen 06.00 uur en 08.00 uur en tussen 12.00 uur en 22.00 uur op zaterdag;
44% op uren vallende tussen 00.00 uur en 06.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur op maandag tot en met
vrijdag;
49% op uren vallende tussen 00.00 uur en 06.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur op zaterdag;
60% op uren vallende tussen 00.00 uur en 24.00 uur op zon-en feestdagen en op uren vallende tussen
18.00 uur en 24.00 uur op 24 en 31 december.

Artikel 7:12 Vergoeding verschoven dienst
1. Indien de werkgever toepassing geeft aan artikel 6:8 aangaande verschoven diensten en daarmee wijzi-
Verschoven dienst ging aanbrengt in een reeds vastgestelde arbeidstijdenregeling ontvangt de werknemer schadeloosstel-
ling ingeval hij ter zake van vrijetijdsbesteding reeds uitgaven heeft gedaan.
2. Indien de werkgever toepassing geeft aan artikel 6:8 aangaande verschoven diensten en ten gevolge daar-
van in een vastgestelde arbeidstijdenregeling binnen 48 uur, na zijn mededeling hiervan aan de werkne-
mer, een verschuiving optreedt, ontvangt de werknemer -onverkort het bepaalde in lid 1 van dit artikel -
naast het uurloon over de uren van die verschoven dienst een vergoeding conform het bepaalde in artikel
7:4 lid 2.

Artikel 7:13 Vergoeding voor de bereikbaarheids-, consignatie-, en consultatiedienst
Vergoeding bereikbaarheid 1. De werknemer van wie het salaris niet meer bedraagt dan het onder nummer 88 van de inpassingstabel
consignatie/consultatie aangegeven bedrag, ontvangt voor de uren doorgebracht in bereikbaarheids-, consignatie-en consulta-
tiedienst, een compensatie in vrije tijd.
2. De in het vorige lid bedoelde compensatie bedraagt per uur in het geval van:
bereikbaarheidsdienst/consignatiedienst/consultatiedienst:
-op erkende feestdagen: 3/18;
-op zaterdagen/zondagen: 2/18;
-op overige dagen: 1/18.
3. Indien de werknemer in een tijdvak van 3 achtereenvolgende perioden van 28 dagen, met inachtneming
van het bepaalde in artikel 6:6, gedurende meer dan 8 weekenddagen bereikbaarheids-, consignatie-en
consultatiedienst verricht, ontvangt hij boven de in lid 2 genoemde compensatie, voor de meerdere be-
reikbaarheids-, consignatie-en consultatiediensten op weekenddagen een toeslag van 50% van deze com-
pensatie. De beperking vermeld in de tweede volzin van artikel 7:14 lid 1 is op deze toeslag niet van toe-
passing.

Artikel 7:14 (Opnemen) vergoeding bereikbaarheids-, consignatie-en consultatiedienst
1. De op basis van artikel 7:13 en 7:15 verkregen vrije tijd dient te worden verleend en opgenomen binnen
een tijdvak van 2 maanden na het verrichten van de bereikbaarheids-, consignatie-of consultatiedienst,
tenzij tussen de werkgever en de werknemer anders wordt overeengekomen.
Ingeval het belang van de instelling zich naar het oordeel van de werkgever verzet tegen het geven van
vrije tijd, wordt de vrije tijd tot ten hoogste de helft omgezet in een geldbedrag, bestaande uit het even-
redige deel van het salaris.
2. Ingeval bereikbaarheids-, consignatie-of consultatiedienst wordt verricht op een door de werkgever aan-
gewezen vakantiedag, als bedoeld in artikel 8:6 lid 3 en 8:7, blijft de aanspraak van de werknemer op die
dag behouden.

Artikel 7:15 Vergoeding van arbeid tijdens bereikbaarheids-, consignatie-en consultatiedienst
1. De vergoeding voor arbeid verricht tijdens de bereikbaarheids-, consignatie-en consultatiediensten wordt
verstrekt in de vorm van vrije tijd, gelijk aan het aantal uren dat de arbeid heeft geduurd en daarenboven
in de vorm van een geldelijke beloning als bedoeld onder lid 2 van dit artikel.
2. De onder 1 genoemde geldelijke beloning bestaat uit een percentage van het uurloon en wel:
-25% voor arbeid verricht tussen 06.00 uur en 22.00 uur op maandag tot en met vrijdag, met dien ver-
stande dat in een periode van zeven dagen het aantal aldus te belonen uren maximaal 5 bedraagt; de
overige uren worden beloond met 50%;
-50% voor arbeid verricht tussen 22.00 uur en 06.00 uur op maandag tot en met vrijdag;
-75% voor arbeid verricht op zaterdag tot 18.00 uur en op vrije dagen;
-100% voor arbeid verricht op zaterdag vanaf 18.00 uur, op zon-en feestdagen tussen 00.00 en 24.00
uur en op 24 en 31 december tussen 18.00 en 24.00 uur.
Onder vrije dagen worden voor de toepassing van dit artikel verstaan: de dagen, niet zijnde zondag of
feestdag, waarop de werknemer volgens zijn arbeidstijdenregeling of rooster niet zou behoeven te wer-
ken.
3. Ingeval de werknemer tijdens de consignatiedienst wordt opgeroepen, wordt voor de berekening van de
vergoeding uitgegaan van een periode van tenminste een half uur, te vermeerderen met de werkelijke
reistijd.
4. Ingeval de werknemer tijdens de bereikbaarheidsdienst (telefonisch) wordt opgeroepen, wordt voor de
berekening van de vergoeding uitgegaan van een periode van tenminste een half uur, te vermeerderen
met de eventuele reistijd.

Artikel 7:16 Maximaal aantal bereikbaarheids-, consignatie-of consultatiediensten
1. Een werknemer kan in een periode van 28 dagen maximaal 7 dagen worden ingepland voor het verrich-
ten van bereikbaarheids-en consignatiediensten. Hiervan kunnen maximaal 5 dagen van deze diensten
aaneengesloten worden verricht. De normen uit de vorige volzin zijn uitsluitend van toepassing indien dit
op grond van de Arbeidstijdenwet/Arbeidstijdenbesluit is toegestaan.
2. Consultatiediensten kunnen maximaal 7 dagen aaneengesloten worden verricht, voorzover dat op grond
van de Arbeidstijdenwet/Arbeidstijdenbesluit is toegestaan.

Artikel 7:17 Faciliteiten voor het verrichten van bereikbaarheids-, consignatie-of consultatiediensten
De werkgever stelt de faciliteiten (mobiele telefoon of pieper) voor het verrichten van een bereikbaarheids-,
Faciliteiten consignatie-of consultatiedienst ter beschikking.

Artikel 7:18 Nachtaanwezigheidsdienst
1. De perioden gedurende welke de werknemer tijdens een (nacht)aanwezigheidsdienst, al dan niet op op-
roep, noodzakelijke werkzaamheden moet verrichten, worden, indien zij tezamen de 120 minuten niet
overschrijden, als voortzetting van de (nacht)aanwezigheidsdienst aangemerkt.
2. Indien de in lid 1 bedoelde perioden tezamen de 120 minuten niet overschrijden, wordt de werknemer
gecompenseerd op basis van artikel 7:19 lid 1.
3. Indien de in lid 1 bedoelde perioden tezamen de 120 minuten wel overschrijden, wordt de dienst niet als
(nacht)aanwezigheidsdienst aangemerkt, maar in zijn geheel als werktijd aangemerkt waarbij de werkne-
mer voor deze werktijd wordt gecompenseerd op basis van artikel 7:19 lid 2.

Artikel 7:19 Compensatie nachtaanwezigheidsdienst
1. Uren, doorgebracht in (nacht)aanwezigheidsdienst, worden als halve werkuren aangemerkt. Deze halve
werkuren worden in tijd gecompenseerd. Op verzoek van de werknemer kan van deze compensatie in
tijd worden afgeweken en worden de halve werkuren door de werkgever uitbetaald door middel van een
vergoeding op uurbasis ter hoogte van het actuele uurloon van de werknemer op het moment van het
verrichten van de nachtaanwezigheidsdienst.
2. Indien op grond van artikel 7:18 lid 3 de nachtaanwezigheidsdienst niet als zodanig wordt aangemerkt
maar in zijn geheel als werktijd wordt aangemerkt, wordt de werknemer in tijd gecompenseerd. Op ver-
zoek van de werknemer kan van deze compensatie in tijd worden afgeweken en worden de uren door de
werkgever uitbetaald door middel van een vergoeding op uurbasis ter hoogte van het actuele uurloon
van de werknemer op het moment van het verrichten van de nachtaanwezigheidsdienst.

Artikel 7:20 Toepassing vergoeding overwerk en vergoeding onregelmatige dienst
1. Onverlet het bepaalde in lid 2 blijven voor de toepassing van de bepalingen ten aanzien van nachtaanwe-
zigheidsdiensten de bepalingen aangaande overwerk en onregelmatige diensten buiten toepassing.
2. Ten aanzien van daadwerkelijk gewerkte uren tijdens een nachtaanwezigheidsdienst zijn de bepalingen
aangaande de vergoeding voor onregelmatige diensten van toepassing.

Artikel 7:21 Begeleiding tijdens meerdaagse vakantie van cliënten
1. De werknemer kan niet verplicht worden tot begeleiding van cliënten tijdens hun meerdaagse vakantie.
2. Indien de werknemer bereid is tot het verrichten van de in lid 1 bedoelde werkzaamheden, heeft de werk-
nemer recht op een vergoeding op basis van de door de werkgever in overleg met de OR/werknemersver-
tegenwoordiging getroffen regeling zoals bedoeld in lid 3.
3. De werkgever is verplicht in overleg met de ondernemingsraad/werknemersvertegenwoordiging een re-
geling te treffen voor de begeleiding tijdens een meerdaagse vakantie van cliënten. In deze regeling moet
ten minste vastgelegd worden:
-de compensatie voor de begeleidingstijd; en
-de onkostenvergoeding.
4. Indien de werkgever geen regeling voor de begeleiding tijdens een meerdaagse vakantie van cliënten
heeft getroffen met de ondernemingsraad/werknemersvertegenwoordiging, ontvangt de werknemer
voor het gedurende de volledige etmalen begeleiden van cliënten tijdens een vakantieperiode van ten-
minste een etmaal een vergoeding van 4 uren per etmaal. Het bepaalde in deze CAO ten aanzien van
overwerk, onregelmatige diensten, bereikbaarheidsdienst, aanwezigheidsdienst, consignatiedienst en
nachtaanwezigheidsdiensten is niet van toepassing. De vergoeding wordt voor tweevijfde deel in tijd ge-
geven en voor het overige deel omgezet in een geldbedrag bestaande uit een evenredig deel van het sa-
laris.

 

Hoofdstuk 8 Vakantie en verlof

Artikel 8:1 Vakantierechten
1. De werknemer heeft met behoud van het salaris recht op 166 vakantie-uren per kalenderjaar.
2. Voor werknemers met een parttime dienstverband is de regeling van lid 1 naar rato van de omvang van
het dienstverband. Voor werknemers met een gemiddelde arbeidsduur boven de 1878 uur per jaar geldt
eveneens een aantal vakantie-uren naar rato van de omvang van het dienstverband.
3. De werknemer die op 31 december 2000 in dienst is met een gemiddelde contractuele arbeidsduur van
38 uur, heeft in afwijking van lid 2 een verworven recht, bij handhaving van van een arbeidsduur van 1983
uur per jaar, van 184 uur vakantie per kalenderjaar.

Artikel 8:2 Vergrijzingsuren en 55+ regeling (dit artikel vervalt per 1 januari 2010)
1. Het volgens artikel 8:1 vastgestelde vakantieverlof wordt voor werknemers met een volledig dienstver-
band verhoogd:
-met ingang van het kalenderjaar waarin de werknemer de leeftijd van 45 jaar bereikt tot en met het
kalenderjaar waarin de werknemer de leeftijd van 49 jaar bereikt met 14,4 uur;
-met ingang van het kalenderjaar waarin de werknemer de leeftijd van 50 jaar bereikt tot en met het
kalenderjaar waarin de werknemer de leeftijd van 54 jaar bereikt met 21,6 uur;
met
ingang van het kalenderjaar waarin de werknemer de leeftijd van 55 jaar bereikt tot de dag waar
op de werknemer 55 jaar wordt met 3 uur per volle maand in dat kalenderjaar dat de werknemer nog
geen 55 jaar is. Het voorgaande geldt enkel voor elke volle maand van dat kalenderjaar dat de werk-
nemer in dienst is bij de werkgever.
2. Voor werknemers met een parttime dienstverband is de regeling van lid 1 naar rato van de omvang van
het dienstverband van toepassing.
3. De werknemer met een volledig dienstverband heeft vanaf de dag waarop hij de leeftijd van 55 jaar be-
reikt, recht op seniorenverlof tot een maximum van 184 uur per kalenderjaar. De werknemer die in de
loop van het kalenderjaar de leeftijd van 55 jaar bereikt, heeft naar rato van de duur van dat kalenderjaar
recht op seniorenverlof. De werknemer dient het seniorenverlof op te nemen in de vorm van een aaneen-
gesloten periode van 4 uur per week en gedurende 46 weken.
4. Voor werknemers met een parttime dienstverband is de regeling van lid 3 naar rato van de omvang van
het dienstverband van toepassing. De naar rato aanspraak van de parttimer geldt zowel voor de omvang
van het seniorenverlof per jaar als de omvang van de opname per week.
5. De rechten op seniorenverlof vervallen bij ziekte.
6. Indien in geval van een solistische functie de werkgever het noodzakelijk oordeelt dat in het belang van
de instelling het seniorenverlof in een week niet wordt genoten, kan de werkgever in overleg met de werk-
nemer bepalen dat het verlof op een later moment wordt opgenomen. Het verlof dient in dat geval
binnen een periode van vier weken te worden genoten.
7. Indien de werknemer van 55 jaar en ouder voor een kalenderjaar geen gebruik maakt van de regeling van
lid 3, wordt voor de betreffende werknemer, naar rato van de periode waarin de werknemer geen ge-
bruik maakt van de regeling in lid 3, het volgens artikel 8:1 vastgestelde vakantieverlof verhoogd met in-
gang van de dag waarop de werknemer:
-de leeftijd van 55 jaar bereikt tot en met het kalenderjaar waarin de werknemer de leeftijd van 59
jaar bereikt, met 57,6 uren extra vakantieverlof per volledig kalenderjaar;
het begin van het kalenderjaar bereikt waarin de werknemer 60 jaar wordt tot en met de dag waarop
de werknemer de leeftijd van 65 jaar bereikt, met 72 uren extra vakantieverlof per volledig kalender-
jaar.
8. Voor werknemers met een parttime dienstverband is de regeling van lid 7 naar rato van de omvang van
het dienstverband van toepassing.
9. De werknemer die gebruik maakt van een overbruggingsuitkering van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn
heeft geen recht op het bepaalde in artikel 8:2 lid 3 tot en met lid 8.

Artikel 8:3 Vermindering vakantierechten
1. De volgens de artikelen 8:1 en (tot 1 januari 2010) 8:2 vastgestelde duur van de vakantie wordt naar even-
redigheid verminderd in de volgende gevallen:
a. indien de werknemer in de loop van het kalenderjaar in dienst treedt;
b. indien de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de werknemer in de loop van het kalender
jaar eindigt dan wel wordt beëindigd;
c. indien de werknemer in deeltijd werkzaam is.
2. Het vakantieverlof waarop de werknemer ingevolge de in het eerste lid bedoelde vermindering over enig
kalenderjaar aanspraak heeft, wordt zo nodig naar boven afgerond op hele uren.

Artikel 8:4 Geen opbouw van vakantiedagen, indien geen recht op loon
1. De werknemer heeft geen aanspraak op vakantie-opbouw over de tijd, gedurende welke hij wegens het
niet verrichten van de bedongen arbeid geen aanspraak op in geld vastgesteld loon heeft.
2. Evenwel heeft de werknemer aanspraak op vakantie-opbouw over het tijdvak, gedurende hetwelk hij
geen recht op loon heeft:
a. omdat hij, anders dan voor eerste oefening en zonder het oogmerk om de krijgsdienst of andere over-
heidsdienst bij wijze van beroep te verrichten, een verplichting naleeft, hem opgelegd door de wet,
of voortvloeiende uit een verbintenis, door hem jegens de overheid aangegaan ten aanzien van ´s Lands
verdediging of ter bescherming van de openbare orde;
Zwangerschap
Jeugdigen
Arbeidsongeschiktheid
Vakantietijdstip
Opname vakantie
Aftrek ziektedagen
Collectieve sluiting
Intrekken vakantie
Geldelijke schade
Kalenderjaar
Vakantie in geld
Bovenwettelijke vakantiedagen
b. omdat hij verlof als bedoeld in artikel 7:641 BW geniet;
c. omdat hij, met toestemming van de werkgever, deelneemt aan een bijeenkomst die wordt georgani-
seerd door een vakvereniging waarvan hij lid is;
d. omdat hij verlof als bedoeld in artikel 7:643 BW geniet.
3. Bovendien heeft de werkneemster die de bedongen arbeid niet verricht wegens zwangerschap of beval-
ling aanspraak op vakantie-opbouw over het tijdvak dat zij recht heeft op een zwangerschaps-of beval-
lingsuitkering op grond van de Wet Arbeid en Zorg.
4. De jeugdige werknemer heeft aanspraak op vakantie-opbouw over de tijd die hij besteedt aan het volgen
van onderricht waartoe hij krachtens de wet door de werkgever in de gelegenheid moet worden gesteld.
5. De werknemer die de bedongen arbeid niet verricht wegens ziekte of ongeval, heeft, tenzij de ziekte of
het ongeval door zijn opzet is veroorzaakt, ongeacht of een aanspraak op in vastgesteld loon bestaat,
aanspraak op vakantie waarbij de opbouw van de vakantie plaatsvindt op basis van de opbouw die de
werknemer zou hebben gehad als hij niet arbeidsongeschikt geworden zou zijn, een en ander met een
maximum aanspraak op vakantie opbouw over het tijdvak van de laatste zes maanden waarin de arbeid
niet verricht werd. Ter bepaling van de zes maanden worden tijdvakken samengeteld als zij elkaar met
onderbreking van minder dan een maand opvolgen.
In afwijking van de wettelijke bepaling van artikel 7:635 BW geldt de opbouw over het laatste half jaar
van arbeidsongeschiktheid tevens voor de opbouw van vakantie van een gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werknemer, voorzover dat op grond van dit wetsartikel is toegestaan. De uitkomst wordt afgerond op
gehele uren.

Artikel 8:5 Vaststellen van de vakantie
De duur van de vakantie en het tijdstip, waarop deze wordt genoten, dienen tijdig in overleg met en onder
goedkeuring van de werkgever te worden bepaald.

Artikel 8:6 Opname vakantie en aftrek ziektedagen
1. De vakantie wordt, tenzij de belangen van de afdeling of dienst waar de betrokken werknemer aange-
steld is zich hiertegen verzetten, overeenkomstig de wensen van de werknemer -desgewenst ononder-
broken-verleend. De werknemer kan ten minste aanspraak maken op een vakantie van 3 weken aaneen-
gesloten met inbegrip van de weekends daaraan voorafgaand en daarop aansluitend.
2. De werkgever kan een regeling treffen die ertoe leidt, dat maximaal 3 ziektedagen worden aangemerkt
als vakantieverlof in het geval dat de werknemer tijdens de arbeidsongeschiktheidsperiode met toestem-
ming van de controlerend geneeskundige vakantie geniet, met dien verstande dat de werknemer recht
houdt op ten minste het in artikel 7:634 BW genoemde aantal vakantiedagen.
3. De algemene regeling en de spreiding van de vakantie binnen de instelling behoeft instemming van de
ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging.

Artikel 8:7 Verplichte collectieve sluiting
Voor de werknemers in de dagverblijven geldt het volgende: indien door de werkgever na overleg met de
werknemers een sluitingsregeling is vastgesteld, zijn de werknemers verplicht gedurende de sluitingsperio-
de(s) vakantiedagen op te nemen, tenzij de werkzaamheden zich daartegen verzetten.

Artikel 8:8 Intrekken vakantie
1. Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer het belang van de instelling dit dringend noodza-
kelijk maakt.
2. Indien de werknemer als gevolg van het intrekken van de vakantie geldelijk schade lijdt, wordt deze hem
vergoed.
3. Indien de werknemer als gevolg van het intrekken van de vakantie op een bepaalde dag slechts gedeelte-
lijk vakantie genoot, wordt deze dag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal geno-
ten dagen.
4. Wanneer een werknemer tijdens een vastgestelde vakantie voldoende aantoonbaar voor de werkgever
arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 7:629 BW, gelden de verleende vakantiedagen niet als vakan-
tiedagen.

Artikel 8:9 Opname in kalenderjaar
De vakantie dient in de regel in het desbetreffende kalenderjaar te worden opgenomen. In uitzonderlijke situ-
aties kunnen werkgever en werknemer in overleg besluiten hiervan af te wijken.

Artikel 8:10 Omzetting vakantie in geld
Behalve in het geval bedoeld in artikel 7:641 BW, wordt het recht op vakantie niet omgezet in een aanspraak
op een uitkering in geld.

Artikel 8:11 Bovenwettelijke vakantiedagen
In afwijking van artikel 8:10 kunnen de bovenwettelijke vakantie-uren van een kalenderjaar worden ingezet
ten behoeve van het meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden zoals opgenomen in hoofdstuk 12 Meerkeuze-
systeem Arbeidsvoorwaarden.

Artikel 8:12 Definities Verlof
1. a. Ten aanzien van de artikelen 8:12 tot en met 8:21 wordt verstaan onder betaald verlof: het in een
werktijdenregeling of rooster door de werknemer op grond van deze bepalingen op te nemen aantal
uren waarop geen arbeid behoeft te worden verricht. Deze uren tellen mee bij de vaststelling van de
totale arbeidsduur.
b. Ten aanzien van de artikelen 8:12 tot en met 8:21 wordt verstaan onder onbetaald verlof het recht op
vrij van iedere dienst en/of nachtaanwezigheids-, bereikbaarheids-en/of consignatiedienst.
2. De in het gezin van de werknemer verblijvende kinderen voor wie een adoptie-aanvraag is ingediend,
worden voor de toepassing van dit hoofdstuk als kind van de werknemer aangemerkt.
3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk geldt voor deeltijdwerkers het naar rato beginsel.

Artikel 8:13 Onbetaald verlof in verband met bijzondere gebeurtenissen
De werkgever geeft de werknemer voor de hierna genoemde gebeurtenissen onbetaald verlof:
a. verhuizing van de werknemer;
b. huwelijksaangifte van de werknemer;
c. het doen van aangifte van geregistreerd partnerschap;
d. het verlijden van een notariële acte waarmee een ongehuwd samenlevingsverband wordt vastgelegd;
e. het als lid bijwonen van vergaderingen van Provinciale Staten, Gemeenteraad, Gewestraad of Waterschap;
f. het voorbereiden van een aangegeven examen in de opleidingsovereenkomst voor een opleiding als be-
doeld in artikel 5:1: maximaal 4 halve dagen of 2 hele dagen per jaar direct voorafgaand aan het examen.

Artikel 8:14 Vrije dagen in verband met bijzondere gebeurtenissen
1. De werkgever stelt de werknemer in de gelegenheid om aan de hierna vermelde gebeurtenissen gedu-
rende de bij die gebeurtenissen vermelde periode deel te nemen. Zo nodig verleent de werkgever daar-
toe betaald verlof.
a. verhuizing van de werknemer in opdracht van de werkgever: 2 vrije dagen;
b. huwelijk of registratie van partnerschap van één van de leden van het gezin van de werknemer: 1 vrije
dag;
c. huwelijk of registratie van partnerschap van bloedverwanten in de eerste en tweede graad van de
werknemer, van de echtgeno(o)t(e) of relatiepartner: 1 vrije dag;
d. 25-en 40-jarig huwelijksfeest van de werknemer: 1 vrije dag;
e. 25-, 40-, 50-en 60-jarig huwelijksfeest van ouders of pleegouders van de werknemer, van de echtge-
no(o)t(e) of relatiepartner: 1 vrije dag;
f. 25-en 40-jarig dienstjubileum van de werknemer: 1 vrije dag;
g. overlijden van de echtgeno(o)t(e) of relatiepartner, (pleeg)kinderen, (pleeg)ouders van de werkne-
mer dan wel van de echtgeno(o)t(e) of relatiepartner: de dag van overlijden tot en met de dag van de
begrafenis of crematie;
h. overlijden van of het bijwonen van de begrafenis of crematie van bloedverwanten in de tweede graad
van de werknemer, van de echtgeno(o)t(e) of relatiepartner: 1 vrije dag.
2. Voor de gebeurtenissen genoemd in lid 1 sub a t/m f geldt dat de werknemer 14 etmalen tevoren aan de
werkgever dient te melden dat hij van de regeling gebruik wenst te maken.
Voor de gebeurtenissen genoemd in lid 1 a t/m f en h wordt in afwijking van artikel 8:12 lid 3 voor deeltij-
ders het naar rato beginsel niet toegepast.
3. De werkgever verleent bij zodanige ziekte in het gezin dat de werknemer regelingen moet treffen om de
zorg te regelen: 24 uur betaald verlof op jaarbasis. De werkgever treft hiertoe een regeling in overleg met
de ondernemingsraad.

Artikel 8:15 Verlof in verband met lidmaatschap commissies en dergelijke
1. De werkgever stelt de werknemer in de gelegenheid deel te nemen aan bestuurlijke en ministeriële com-
missies en tuchtrechtcolleges in het kader van de gezondheidszorg. De werknemer verkrijgt daarbij be-
taald verlof indien die deelneming leidt tot verzuim van in de arbeidstijdenregeling opgenomen te wer-
ken uren.
2. De werkgever stelt de werknemer in de gelegenheid deel te nemen aan vergaderingen en zittingen van
publiekrechtelijke colleges, waarin de werknemer is verkozen en benoemd. Dit geldt eveneens voor com-
missies waarin de werknemer uit hoofde van zijn lidmaatschap van deze publiekrechtelijke colleges is be-
noemd. Het bepaalde in lid 3 is van toepassing.
3. De werknemer kan betaald of onbetaald verlof verkrijgen indien deelname aan de in artikel 8:15 lid 2 be-
doelde activiteiten leidt tot verzuim van de in de arbeidstijdenregeling opgenomen te werken uren.
Kiest de werknemer voor betaald verlof, dan maakt de werkgever aanspraak op de vergoeding die een
werknemer ontvangt uit de functie waarvoor hem het bedoelde verlof wordt verleend.
De keuze voor onbetaald of betaald verlof wordt jaarlijks in overleg met de werkgever vastgesteld.

Artikel 8:16 Huwelijk, samenlevingsverband en kraamverlof
1. De werknemer die een huwelijk dan wel op andere wijze een samenlevingsverband aangaat, hetzij bij no-
tariële akte dan wel gemeentelijke of kerkelijke registratie, heeft recht op 2 extra vakantiedagen (= 14,4
uur). De werkgever behoeft slechts éénmaal de extra vakantiedagen toe te kennen zolang het hetzelfde
samenlevingsverband betreft.
2. In afwijking van artikel 4:2 Wet Arbeid en Zorg heeft de werknemer bij bevalling van de echtgenote of re-
latiepartner recht op 28,8 uur kraamverlof. Bij samenloop met het calamiteitenverlof ex artikel 4:1 Wet
Arbeid en Zorg wordt de duur van het calamiteitenverlof in mindering gebracht op het genoemde aantal
uren kraamverlof.
3. Voor assistent-geneeskundigen in opleiding en werknemers die op grond van artikel 6:1 lid 2 en 5, een ar-
beidsduur van gemiddeld 38 uur hebben, gelden in plaats van de onder lid 1 en 2 van dit artikel genoem-
de uren: 16 respectievelijk 32 uren.

Artikel 8:17 Overige verlofmogelijkheden
Overig verlof De werkgever kan aan de werknemer betaald of onbetaald verlof verlenen in verband met overige bijzondere
gebeurtenissen die niet in de CAO staan genoemd, zulks ter beoordeling van de werkgever.

Artikel 8:18 Onbetaalde verlenging bevallingsverlof
Verlenging bevallingsverlof Aansluitend aan haar betaald (bevallings)verlof verleent de werkgever aan de werkneemster die zulks wenst,
verlof zonder behoud van salaris voor een periode van maximaal 4 weken.
Werkgever en werkneemster dienen uiterlijk 3 maanden voor de vermoedelijke datum van de bevalling een
afspraak omtrent dit verlof te hebben gemaakt. De werkneemster dient daartoe haar wens tijdig kenbaar te
maken aan de werkgever.

Artikel 8:19 Palliatief verlof
Palliatief verlof Bij zeer ernstige ziekte van de echtgeno(o)t(e) of relatiepartner, (pleeg)ouders, (pleeg)kind of een verwant,
waarmee de werknemer samenwoont en waarvoor thuisverpleging en/of verzorging noodzakelijk is, wordt
aan de werknemer die de verzorging en/of verpleging op zich neemt na overleg met de werkgever betaald
verlof verleend voor een aaneengesloten periode van maximaal 3 maanden. Het tijdens deze periode van ver-
lof opgebouwde vakantieverlof wordt geacht in de totale verlofperiode te zijn inbegrepen.
Een verklaring van de arts/behandelaar met betrekking tot de noodzaak van de verpleging en/of verzorging
wordt door de werknemer overgelegd.

Artikel 8:20 Afwijzing verlof
Afwijzing verlof Indien uit een oogpunt van instellingsbelang c.q. cliëntenbelang van de werkgever in redelijkheid niet ver-
langd kan worden op een bepaald tijdstip verzuim toe te staan of verlof te verlenen, dan zal na overleg met
de werknemer door de werkgever een (gedeeltelijk) afwijzend besluit mogen worden genomen.

Artikel 8:21 Ouderschapsverlof
1. De werknemer heeft gedurende de periode dat het kind van de werknemer de leeftijd van 8 jaar nog niet
heeft bereikt, aanspraak op ouderschapsverlof, conform de regeling opgenomen in de artikelen 6:1 tot
en met 6:9 van de wet Arbeid en Zorg.
2. De werknemer kan zijn pensioenverzekering en/of de ziektekostenverzekering op vrijwillige basis voort-
zetten. De werkgever neemt een deel van de daarvoor verschuldigde premies voor zijn rekening, mits de
werknemer na het onbetaalde verlof zijn dienstverband tenminste gedurende 6 maanden voortzet.
3. Het in het vorige lid bedoelde werkgeversdeel van de premies is voor zover wettelijk mogelijk gelijk aan
het bedrag van de werkgeversbijdrage zoals die direct voorafgaande aan het onbetaald verlof door de
werkgever verschuldigd waren, doch bedraagt niet meer dan de volledige gedurende de periode van on-
betaald verlof aan het pensioenfonds respectievelijk de ziektekostenverzekeraar verschuldigde premies.
4. De werknemer ontvangt over het ouderschapsverlof dat wordt opgenomen in het eerste levensjaar van
het kind waarvoor de verlofopname geldt, een vergoeding van 25% van het salaris van de uren waar
ouderschapsverlof over wordt opgenomen.
5. Indien de arbeidsovereenkomst tijdens of binnen 6 maanden na het einde van het ouderschapsverlof op
verzoek van de werknemer wordt beëindigd dan wel er in deze periode op verzoek van de werknemer
een vermindering van de arbeidsduur plaatsvindt, dient de werknemer het doorbetaalde salaris over het
opgenomen ouderschapsverlof aan de werkgever terug te betalen.
6. Over de uren dat de werknemer ouderschapsverlof geniet, wordt geen vakantieverlof opgebouwd.

Artikel 8A:1 Persoonlijk Budget Levensfase (PBL)
1. Met ingang van 1 januari 2010 ontvangt de werknemer, naast vakantie-uren, een Persoonlijk Budget Le-
vensfase (PBL).
Per 1 januari 2010 ontvangt de werknemer een PBL van 20 uur voor dat kalenderjaar.
Per 1 januari 2011 ontvangt de werknemer een PBL van 25 uur voor dat kalenderjaar.
Per 1 januari 2012 ontvangt de werknemer een PBL van 30 uur voor dat kalenderjaar.
Vanaf 1 januari 2013 ontvangt de werknemer een PBL van 35 uur per kalenderjaar.
2. Het PBL wordt per maand opgebouwd.
3. De regeling van lid 1 is naar rato van de contractsomvang en naar rato van de periode dat men in enig
jaar in dienst is.
4. Het PBL (inclusief de rechten op basis van het overgangsrecht) kan door de werknemer geheel of gedeel-
telijk als verlof worden opgenomen, geheel of gedeeltelijk in tijd worden gespaard of geheel of gedeelte-
lijk worden omgezet in geld voor storting op zijn levenslooprekening, met inachtneming van onderstaan-
de artikelen. De werknemer maakt tijdig, voorafgaand aan het kalenderjaar, zijn keuze bekend.

Artikel 8A:2 Uitgangspunten Persoonlijk Budget Levensfase.
1. Het PBL wordt in geval van ziekte/arbeidsongeschiktheid opgebouwd over het laatste half jaar van de
ziekte/arbeidsongeschiktheid. Eenmaal opgebouwd verlof vervalt niet tijdens ziekte/arbeidsongeschikt-
heid.
2. De werkgever voert de administratie van het PBL voor zover het sparen in tijd betreft. De werknemer ont-
vangt één maal per jaar van de werkgever een overzicht van het opgebouwde PBL.
3. Het PBL (inclusief de rechten op basis van het overgangsrecht) kan in het meerkeuzesysteem arbeidsvoor-
waarden alleen voor de doelen levensloopregeling en het aanvullend pensioen worden ingezet.
4. Het PBL kan niet tussentijds worden verzilverd. Uitsluitend bij einde dienstverband/overlijden wordt het
resterende PBL uitbetaald. Op verzoek van de werknemer kan het resterende PBL (deels) worden gestort
op zijn levenslooprekening.
5. Het PBL kent geen verjaringstermijn.

Artikel 8A:3 Opname PBL
Opname van PBL kan naar eigen inzicht en wensen van de werknemer op basis van first in-first out, met in-
achtneming van het volgende:
• bij substantiële opname van PBL dient de werknemer ten minste vier maanden voor het tijdstip van
de ingang van het verlof een schriftelijk verzoek in bij de werkgever;
• indien geen sprake is van een substantiële opname van PBL dient de werknemer zijn schriftelijk ver
zoek op een redelijke termijn in;
• de werkgever willigt het verzoek om opname in tenzij een zwaarwegend bedrijfsbelang zich daarte-
gen verzet waardoor het belang van de werknemer daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en bil-
lijkheid moet wijken.

Artikel 8A:4 Geheel of gedeeltelijk sparen bij de werkgever (tijdsparen)
1. Het PBL kan geheel of gedeeltelijk in tijd worden gespaard bij de werkgever.
2. Het PBL uit enig kalenderjaar kan maximaal vijf jaar waardevast worden gespaard tegen de waarde van
het actuele uurloon.
3. Indien de werknemer het PBL (gedeeltelijk) niet heeft opgenomen in de periode van vijf jaar, maakt de
werknemer de keuze om het PBL van enig kalenderjaar:
• als levensfasetegoed bij de werkgever te laten staan tegen het uurloon van dat moment waarna
de geldwaarde van dit PBL niet meer wordt geïndexeerd;
• om te zetten in geld en te storten op zijn levenslooprekening.

Artikel 8A:5 Sparen via de levensloopregeling (geldsparen)
1. De werknemer kan het opgebouwde PBL omzetten in geld voor storting op zijn levenslooprekening. De
omzetting in geld vindt plaats op basis van het actuele uurloon vermeerderd met vakantietoeslag. Indien
het PBL na de termijn van vijf jaar niet meer wordt geïndexeerd, is de storting op de levenslooprekening
conform de vastgestelde geldwaarde.
2. Over PBL uit de levensloopregeling dat wordt aangewend voor de financiering van onbetaald verlof wordt
nieuw PBL opgebouwd naar rato van het opgenomen PBL-percentage ten opzichte van zijn actuele sala-
ris.
3. Over PBL uit de levensloopregeling dat wordt aangewend voor de financiering van onbetaald verlof, be-
taalt de werkgever de werkgeversbijdrage van de pensioenpremie en, indien van toepassing, de werkge-
versbijdrage van de basisaanvullende regeling ziektekostenverzekering IZZ.
4. Bij ziekte/arbeidsongeschiktheid langer dan zeven dagen tijdens opname van PBL uit de levenslooprege-
ling dat wordt aangewend voor de financiering van onbetaald verlof, wordt het resterende deel van het
PBL opgeschort voor de duur van de arbeidsongeschiktheid. De werkgever en de werknemer maken een
nieuwe afspraak over de einddatum van het verlof. Op verzoek van de werkgever overlegt de werknemer
aan de werkgever een doktersverklaring.
5. De werkgever draagt zorg voor de herbezetting van de opgenomen uren PBL.
6. De werkgever overlegt met de OR over de keuze voor een levensloopaanbieder.
7. De werkgever informeert de werknemer tijdig over de consequenties van deelname aan de levensloopre-
geling voor keuzes in het meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden en zal, voor zover het in zijn vermogen
ligt, tijdig acties ondernemen om fiscale naheffing te vermijden.

Artikel 8A:6 Uitgangspunten overgangsrecht PBL
1. Het overgangsrecht is uitsluitend van toepassing op de werknemer die op 1 oktober 2009 in dienst is bij
een werkgever die valt onder de CAO Gehandicaptenzorg. De datum voor de leeftijdsbepaling, ten be-
hoeve van de overgangsregeling, wordt vastgesteld op 31 december 2009.
2. Het overgangsrecht PBL wordt toegekend naar rato van:
• van de contractsomvang op het moment van daadwerkelijke toekenning van het PBL-overgangsrecht én
• de duur dat de werknemer in enig kalender jaar in dienst is én
• de (resterende) maanden van het kalenderjaar dat het overgangsrecht van toepassing is.
3. De hoogte van het overgangsrecht is inclusief het PBL-recht op grond van artikel 8A:1.

Artikel 8A:7 Overgangsrecht PBL voor werknemers van 50 t/m 64 jaar op 31 december 2009
1. In afwijking van artikel 8A:1 lid 1 ontvangt de werknemer die op 31 december 2009 50 jaar, maar nog
geen 55 jaar is, voor het kalenderjaar 2010 een PBL van 21,6 uur. Vanaf 1 januari 2011 ontvangt deze werk-
nemer het op basis van artikel 8A:1 lid 1 van toepassing zijnde PBL.
2. In afwijking van artikel 8A:1 lid 1 ontvangt de werknemer die op 31 december 2009:
• 50 jaar is vanaf de eerste van de maand waarin hij 55 jaar wordt jaarlijks een PBL van 80 uur;
• 51 jaar is vanaf de eerste van de maand waarin hij 55 jaar wordt jaarlijks een PBL van 100 uur;
• 52 jaar is vanaf de eerste van de maand waarin hij 55 jaar wordt jaarlijks een PBL van 120 uur;
• 53 jaar is vanaf de eerste van de maand waarin hij 55 jaar wordt jaarlijks een PBL van 135 uur;
• 54 jaar is vanaf de eerste van de maand waarin hij 55 jaar wordt jaarlijks een PBL van 150 uur;
• 55 jaar maar nog geen 65 jaar is jaarlijks een PBL van 184 uur.

Artikel 8A:8 Overgangsrecht PBL voor werknemers van 45 t/m 49 jaar op 31 december 2009
45 t/m 49 jaar 1. In aanvulling op artikel 8A:1 ontvangt de werknemer in de maand waarin hij 55 jaar wordt, een eenmali-
ge storting in het PBL van 200 uur naar rato van zijn dienstverband op dat moment, mits de werknemer:
• op 31 december 2009 45 jaar is, maar nog geen 50 jaar én
• op 31 december 2009 10 jaar in dienst is binnen de zorgsector (werkingssfeer PFZW) én
• in de periode van 31 december 2009 tot en met het moment dat de werknemer 55 jaar wordt
ononderbroken in dienst is bij dezelfde werkgever.
2. Voor een beroep op de storting meldt deze werknemer, na een oproep door de werkgever, zich vóór 1
december 2009 bij de werkgever teneinde het dienstjarencriterium te kunnen verifiëren.

 

Hoofdstuk 9 Kostenvergoedingen

Artikel 9:1 Reiskosten woon-werkverkeer
1. De werkgever treft een regeling voor de vergoeding van de kosten, voor de werknemer verbonden aan
werkverkeer het eenmaal dagelijks heen en weer reizen van zijn woning naar zijn werk.
2. De in lid 1 bedoelde regeling wordt niet vastgesteld of gewijzigd of ingetrokken dan met instemming van
de ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging.
3. Indien de in lid 1 en 2 bedoelde regeling niet tot stand komt heeft de medewerker ter zake van het een-
maal dagelijks heen en weer reizen van zijn woning naar zijn werk tenminste recht op vergoeding van de
reiskosten gebaseerd op de laagste klasse van het openbaar vervoer, alsmede de kosten voortvloeiend
uit gebruik van brug, tunnel of veer, tot ten hoogste een bedrag van €120,64 per maand per 1 januari
2009 en €122,57 per maand per 1 januari 2010. Indien de medewerker ten gevolge van het uitvoeren
van een gebroken dienst, als bedoeld in artikel 6:6 lid 8, meer dan eenmaal dagelijks heen en weer dient
te reizen van zijn woning naar zijn werk heeft hij recht op vergoeding van de kosten van het heen en weer
reizen tussen de gebroken diensten.
4. Op de in lid 3 omschreven vergoeding komt in mindering een eigen bijdrage van de werknemer ad
€56,66 per maand per 1 januari 2009 en €47,57 per maand per 1 januari 2010. De vermindering door de
eigen bijdrage vindt niet plaats over de kosten die zijn vergoed op grond van de laatste zin van lid 3 ten
aanzien van de kosten voor het woon-werkverkeer tussen gebroken diensten.
5. De werknemer die gedurende minder dan 5 dagen per week werkzaam is ontvangt de in lid 3 omschre-
ven vergoeding naar rato van het aantal werkdagen, waarbij de in lid 4 genoemde eigen bijdrage even-
eens naar rato wordt verminderd.
6. Op verzoek van de werkgever dient de werknemer de bescheiden te overleggen op basis waarvan de te-
gemoetkoming kan worden vastgesteld.
7. De in lid 3 en lid 4 genoemde bedragen worden jaarlijks gelijktijdig met de wijziging van de vervoerstarie-
ven van de NS met een zelfde (gemiddeld) percentage aangepast.

Artikel 9:2 Reis-en verblijfkosten bij dienstreizen
1. De werkgever treft een regeling voor de vergoeding van de kosten, voor de werknemer verbonden aan
het in opdracht van de werkgever in het kader van zijn werkzaamheden maken van dienstreizen.
2. De in lid 1 bedoelde regeling wordt niet vastgesteld, gewijzigd of ingetrokken dan met instemming van
de ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging.
3. Indien de in lid 1 en 2 bedoelde regeling niet tot stand komt heeft de medewerker ter zake van de nood-
zakelijk gemaakte verblijfkosten recht op vergoeding van de werkelijke kosten.
4. Indien de in lid 1 en 2 bedoelde regeling niet tot stand komt heeft de medewerker ter zake van de aan
een dienstreis verbonden reiskosten recht op een reiskostenvergoeding van:
• de kosten van openbaar vervoer op basis van het laagste klasse tarief bij gebruik van openbaar
vervoer;
• 0,29 bruto per kilometer bij gebruik van de eigen auto met toestemming van de werkgever;
• de voor deze vervoermiddelen door de fiscus vastgestelde forfaitaire kilometertarieven bij gebruik
van een ander, eigen vervoermiddel.
Voor de interpretatie van het begrip dienstreis wordt aangesloten bij de door de fiscus gehanteerde
definitie.
5. Op verzoek van de werkgever dient de werknemer de bescheiden te overleggen op basis waarvan het be-
drag van de vergoeding kan worden vastgesteld.

Artikel 9:3 Telefoonkosten
Telefoonkosten De werkgever treft in overleg met de ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging een regeling voor
de vergoeding van de noodzakelijkerwijs door zijn werknemers in het kader van de dienstbetrekking gemaak-
te telefoonkosten.

Artikel 9:4 Kost en inwoning
Kost en De werkgever treft in overleg met de ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging een regeling ten
inwoning aanzien van het verstrekken van kost en inwoning aan de werknemer door de werkgever.

Artikel 9:5 Maaltijdverstrekking
Maaltijd-De werkgever treft in overleg met de ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging een regeling ten
verstrekking aanzien van het verstrekken van maaltijd(en) aan de werknemer door de werkgever.

Artikel 9:6 Kleding
Kleding De werkgever treft in overleg met de ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging een regeling ten
aanzien van het voorschrijven van verplichte kleding en de wijze van vergoeding van de kosten van dergelijke
kleding.

Artikel 9:7 Verhuiskosten
1. De werkgever treft een regeling voor de vergoeding van verhuiskosten voor zijn werknemers en aspirant-
werknemers.
2. De in lid 1 bedoelde regeling wordt niet vastgesteld, gewijzigd of ingetrokken dan met instemming van
de ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging.
3. Indien de in lid 1 en 2 bedoelde regeling niet tot stand komt, heeft de werknemer die bij het aangaan van
CAO Gehandicaptenzorg 2009 -2011
4. Bij toepassing van lid 3 bestaat de verhuiskostenvergoeding uit:
-vergoeding van de werkelijke kosten van transport door een erkend verhuisbedrijf van bagage en in-
boedel van de werknemer naar de nieuwe woning;
vergoeding
van herinrichtingskosten ten bedrage van maximaal 12% van het jaarsalaris inclusief de
vakantietoeslag met een maximum van bruto ! 9076,-.

Artikel 9:8 Werkgeversbijdrage Ziektekostenregeling IZZ
1. De werkgever verstrekt aan de werknemer (naast de wettelijk verplichte vergoeding
van de inkomensafhankelijke bijdrage) enkel en alleen een bijdrage in de kosten voor de basis aanvullen-
de regeling van de Collectieve Ziektekostenverzekering IZZ.
2. De hoogte van de werkgeversbijdrage wordt vastgesteld door partijen bij deze CAO en bedraagt ! 13,67
bruto per maand.

Artikel 9:9 Registratiekosten ex Artikel 4 registratiebesluit BIG
De werkgever vergoedt aan de werknemer de kosten die voortvloeien uit de (her)registratie in het kader van
de Wet BIG, indien en voor zover deze registratie voortvloeit uit de bij de werkgever beklede functie.

Artikel 9:10 Contributie beroepsverenigingen
De werknemer die lid is van een bij de FBZ aangesloten beroepsvereniging zoals genoemd in de preambule
van de CAO, die aantoonbaar voor de branche gehandicaptenzorg beroepsinhoudelijke activiteiten ontplooit
en ontwikkelt, ontvangt daarvoor van de werkgever een jaarlijkse bijdrage in de contributie van ten minste
75% tot een maximum van €85,-bruto.

Artikel 9:11 Vergoeding Verklaring Omtrent het Gedrag in het kader van preventie seksueel misbruik
De werkgever vergoedt aan de gerede eindkandidaat in een sollicitatieprocedure de legeskosten van een ver-
klaring omtrent het gedrag1, indien de werkgever de kandidaat verzocht heeft een dergelijke verklaring aan
te vragen en te overleggen.

Artikel 9:12 Hardheidsclausule kinderopvang
De werkgever kan in individuele situaties die naar zijn beoordeling leiden tot kennelijke onredelijkheid, aan
de werknemer een aanvullende vergoeding in de kosten van kinderopvang verstrekken. Deze aanvullende
vergoeding komt naast de wettelijke tegemoetkoming die de werknemer ontvangt in de kosten van kinder-
opvang.

 

Hoofdstuk 10 Sociaal beleid op landelijk niveau

Artikel 10:1 Stichting Arbeidsmarkt Gehandicaptenzorg
StAG Partijen bij deze CAO zijn van mening dat het sociaal beleid richting werknemers een belangrijke bijdrage le-
vert aan de kwaliteit van zorg. In dit kader zullen partijen landelijk onderzoek, projecten en/of ondersteuning
vorm geven ten bate van het realiseren van goed sociaal beleid en arbeidsmarktbeleid in en voor de organisa-
tie. Mede hiertoe hebben zij de Stichting Arbeidsmarkt Gehandicaptenzorg (StAG) opgericht. Via deze stich-
ting zullen gemeenschappelijke projecten mede ten aanzien van sociaal beleid en arbeidsmarktbeleid wor-
den uitgevoerd.

Artikel 10:2 Organisatieverandering
1. Belangrijke organisatiewijzigingen, waarvoor op grond van artikel 25 lid 1 sub a tot en met sub e van de
wijziging WOR advies aan de ondernemingsraad moet worden gevraagd, worden door de werkgever aan werkne-
mersorganisaties, partij bij deze CAO, gemeld.
2. De werkgever zal de werknemersorganisaties tijdig informeren en hen in de gelegenheid stellen daarover
met hem in overleg te treden. Onderwerp van overleg zijn de rechtspositionele gevolgen van de organi-
satieverandering.
Sociaal beleid op instellingsniveau

Artikel 10:3 Kader sociaal beleid
1. De werkgever ontwikkelt in overleg met de ondernemingsraad een verantwoord sociaal beleid ten be-
hoeve van zijn instelling(en) en de daarbinnen werkzame werknemers.
2. Binnen de algemene beleidsontwikkeling op instellingsniveau, is het sociaal beleid in het bijzonder ge-
richt op de navolgende doelstellingen:
a. het stimuleren van werknemers om hun bijdrage aan het goed functioneren van de instelling te (blij-
ven) leveren;
b. het organiseren van zinvolle arbeid voor elke werknemer, gericht op maximale ontplooiings-en ont-
wikkelingsmogelijkheden en inspelend op ieders capaciteiten en ambities;
c. het verschaffen van grip op en inzicht in de eigen werksituatie van elke werknemer, mede in relatie
tot de posities van andere werknemers en de voortgaande beleidsontwikkeling in de instelling;
d. het creëren van adequate arbeidsomstandigheden en een gunstig leerklimaat;
e. een evenwichtige verdeling van alle functies over mannen, vrouwen, allochtonen en autochtonen,
jongeren en ouderen.
3. Het verantwoord sociaal beleid behelst in elk geval een jaarlijks vast te stellen plan, dat de prioriteiten
van de instelling in de ontwikkeling en bijstelling van het sociaal beleid en daarbij behorende concrete
toetspunten bevat. Dit plan kan zijn geïntegreerd in een algemeen plandocument dat door de werkgever
in het kader van diens beleids-en planningscyclus jaarlijks wordt vastgesteld. Partijen bij deze CAO beve-
len de werkgever aan om in overleg met de ondernemingsraad via een meerjarenplanning verantwoord
sociaal beleid te ontwikkelen.
4. De werkgever maakt nadere afspraken met de ondernemingsraad over samenhangend HRM beleid in het
kader van personeels-en vitaliteitsbeleid.
5. In het Jaardocument Maatschappelijke Verantwoording brengt de werkgever verslag uit over het gevoer-
de sociaal beleid conform de in lid 2 genoemde doelstellingen. De ondernemingsraad wordt in het jaar-
verslag in de gelegenheid gesteld zijn opvatting over het gevoerde sociaal beleid kenbaar te maken.

Artikel 10:4 Regeling traumatische ervaringen en rouw
Traumatische De werkgever draagt zorg voor een adequate opvang van werknemers die een traumatische ervaring hebben
ervaring en rouw gehad die verband houdt met de uitoefening van de functie en/of bij een overlijden van een cliënt of in de
persoonlijk levenssfeer van de werknemer. De werkgever stelt daarvoor een regeling met instemming van de
ondernemingsraad vast.

Artikel 10:5 Scholing en persoonlijke ontwikkeling
1. Scholingsbeleid op instellingsniveau:
a. De werkgever stelt in overleg met de ondernemingsraad jaarlijks het scholingsplan voor de instelling
vast. Het scholingsplan speelt in op de scholingsbehoefte van de strategie van de organisatie en de
behoefte van de te onderscheiden beroepsgroepen binnen de instelling.
Faciliteiten b. Voor de uitvoering van het scholingsplan geldt per werkgever een budget van tenminste 1,3 % van de
loonsom per jaar.
c. Als onderdeel van het scholingsplan stelt de werkgever in overleg met de ondernemingsraad een re-
geling studiekosten en studieverlof op. In deze regeling wordt tenminste aandacht besteed aan:
• opleidingen die in opdracht van de werkgever worden gevolgd;
• de kosten die voor vergoeding in aanmerking komen en in welke mate, met dien verstande dat
van studies die in opdracht van de werkgever worden gevolgd de kosten volledig worden ver-
goed;
• de tijd waarvoor studieverlof wordt verleend en in welke mate, met dien verstande dat van stu-
dies die in opdracht van de werkgever worden gevolgd, de voor het volgen van de lessen en het
afleggen van examens benodigde tijd als werktijd worden aangemerkt;
• de terugbetaling van reeds verstrekte vergoedingen.
d. De werknemer heeft, ongeacht de omvang van zijn dienstverband, recht op scholing en plicht tot het
volgen van scholingsactiviteiten. Tevens moet de werkgever rekening houden met de inhoud van het
loopbaanadvies dat aan de werknemer is uitgebracht.
2. Persoonlijke ontwikkeling en loopbaanperspectief:
ontwikkelingsbeleid a. De werkgever stelt in overleg met de ondernemingsraad jaarlijks het persoonlijk ontwikkelingsbeleid
voor de instelling vast.
b. In het persoonlijk ontwikkelingsbeleid staat de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de
werkgever en werknemers voor de persoonlijke ontwikkeling van individuele werknemers voor ont-
wikkeling, inzetbaarheid en loopbaanperspectief centraal.
c. Het persoonlijk ontwikkelingsbeleid behelst tenminste de volgende punten:
• inzicht in de toekomstige kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkeling van de formatie en van de
voorkeuren, inzichten en ambities van afzonderlijke werknemers;
• introductie en begeleiding op de werkplek bij de aanvang van de loopbaan binnen de organisa-
tie;
• instrumentarium dat de belastbaarheid van de werknemer op objectieve wijze relateert aan diens
leeftijd en levensfase en bijdraagt aan een goede afstemming tussen capaciteiten, belastbaar-
heid, cliëntgebonden activiteiten en behoeften van de organisatie;
• bij beëindiging van ieder dienstverband wordt een exitgesprek gevoerd.
d. Voor de uitvoering van het beleid ten aanzien van persoonlijke ontwikkeling en loopbaan geldt per
werkgever een budget van tenminste 0,2% van de loonsom per jaar.
3. Instellingsbeleid op periodieke gesprekken:
De werkgever stelt in overleg met de ondernemingsraad een beleid inzake het voeren van periodieke, in
de regel jaarlijks, individuele gesprekken met werknemers. Bestaande systematieken van functionerings-
en/of beoordelingsgesprekken worden hierin geïntegreerd.
Sociaal beleid op werknemersniveau

Artikel 10:6 Werkoverleg
1. Iedere werknemer, uitgezonderd de oproepkracht, is verplicht tenminste vier maal per jaar deel te ne-
men aan het werkoverleg tussen de leidinggevende(n) en de overige werknemers per organisatorische
eenheid van een instelling.
2. In het werkoverleg wordt in ieder geval gesproken over: arbeidsorganisatie, arbeidsomstandigheden,
werkdruk en verzuimbeleid en de in dat verband geldende verantwoordelijkheden van werkgever en
werknemer.
3. De tijd die is besteed aan werkoverleg is arbeidstijd.

Artikel 10:7 Persoonlijke ontwikkeling individuele werknemers
1. Iedere werknemer heeft het recht om, in de regel jaarlijks, een periodiek gesprek te voeren. Een verzoek
van de werknemer om een periodiek gesprek te voeren dient binnen 3 maanden door de leidinggevende
te worden gehonoreerd.
2. In de periodieke gesprekken dient in ieder geval aan de orde te komen:
a. het functioneren van de werknemer in relatie tot de voor zijn functie geldende functiebeschrijving en
de voor de uitoefening van die functie benodigde competenties;
b. de loopbaan-en ontwikkelingsperspectieven van de werknemer;
c. het recht op loopbaanadvies 1 keer per 4 jaar voor iedere individuele werknemer;
d. de mogelijkheden voor levensfase gerichte arrangementen in werktaken en tijden (mede in relatie
tot de mogelijkheden voor het combineren van arbeid-en zorgtaken als ook de inzetbaarheid en het
behoud van oudere werknemers);
e. de inzet van middelen voor persoonlijke ontwikkeling.
3. Ten behoeve van de persoonlijke ontwikkeling en loopbaanbeleid heeft iedere werknemer recht op 1 keer
per 4 jaar een loopbaanadvies. Het loopbaanadvies wordt uitgebracht en schriftelijk vastgelegd door een
loopbaanadviseur.

 

Hoofdstuk 11 Arbeid en gezondheid

Artikel 11:1 Maatregelen in het kader van arbeid en gezondheid
1. De werkgever dient een samenhangend beleid met betrekking tot het voorkomen van ziekte en arbeidsongeschiktheid,
de reductie van het ziekteverzuim en de spoedige reïntegratie van arbeidsongeschikte
medewerkers tot stand te brengen.
2. De werkgever en de ondernemingsraad spannen zich in een actief preventiebeleid te voeren om het risico
op psychische en fysieke belasting en werkdruk terug te dringen. Hiertoe wordt een arbomanagementsysteem
ingericht en een plan van aanpak opgesteld gericht op het terugdringen van de arbeidsrisico’s
zoals deze uit de RI&E en eventueel aanvullende diagnose-instrumenten naar voren komen.
3. Op basis van de RI&E wordt indien noodzakelijk een werkdrukmeter, de tilthermometer of een plan van
aanpak inzake agressie en emotionele belasting ingevoerd in een bepaalde organisatie-eenheid.
4. De resultaten van de RI&E en eventueel noodzakelijke invoering van de genoemde instrumenten in lid 3
worden in het werkoverleg bekendgemaakt en besproken.

Artikel 11:2 Maatregelen ter preventie
1. In het plan van aanpak wordt minimaal opgenomen:
• de inrichting van de preventie en of arbo-organisatie waaronder de taakomschrijving van de preventiemedewerker(
s), de keuze voor een eventuele arbodienst en/of de inhoud van contracten met andere
arbodienstverleners;
• activiteiten in het kader van werkdrukbestrijding en preventie van fysieke en psychische belasting op
basis van sectorspecifieke onderzoeken en ontwikkelde instrumenten;
• aanpak van onveiligheid, agressie en seksuele intimidatie;
• invoering van een arbomanagementsysteem.
2. De ondernemingsraad heeft het recht van instemming ex artikel 27 WOR met betrekking tot het plan
van aanpak zoals boven vermeld.
3. De besteding door de werkgever van de financiële middelen die door de overheid expliciet beschikbaar
zijn gesteld ter verlaging van de werkdruk, vindt plaats na overleg met de ondernemingsraad.
4. Ter evaluatie van de maatregelen in het kader van arbeid en gezondheid brengt de ondernemingsraad
jaarlijks schriftelijk verslag uit (bijvoorbeeld als onderdeel van het jaarverslag van de ondernemingsraad).

Artikel 11:3 Maatregelen bij ziekteverzuim en reïntegratie
1. In het verzuim- en reïntegratieprotocol wordt in ieder geval opgenomen dat in geval van herplaatsing van
een werknemer die arbeidsongeschikt is geworden en voor deze herplaatsing her-, om- of bijscholing
noodzakelijk is, 100% tegemoetkoming in de studie, en reis- en verblijfskosten wordt verstrekt. Geen
kosten worden vergoed indien en voorzover de werknemer hiervoor een uitkering kan verkrijgen krachtens
enige wettelijke regeling.
2. De werknemer die niet direct kan worden herplaatst zal een reïntegratietraject worden aangeboden dat
kan bestaan uit:
- persoonlijke coaching van de (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte werknemer;
- een sterkte/zwakte-analyse, een beroepskeuzetest en een sollicitatietraining.
De werkgever draagt de kosten van dit reïntegratietraject.

Artikel 11:4 Loondoorbetaling bij ziekte
1. De werknemer die wegens ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap en bevalling als bedoeld
in artikel 7:629 Burgerlijk Wetboek (BW) verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, heeft:
a. gedurende een tijdvak van 52 weken aanspraak op doorbetaling van 100% van het naar tijdruimte
vastgestelde brutoloon door de werkgever;
b. gedurende de daaropvolgende 52 weken aanspraak op doorbetaling van 70% van het naar tijdruimte
vastgestelde brutoloon door de werkgever.
2. Onder naar tijdruimte vastgestelde brutoloon als bedoeld in dit artikel wordt verstaan het loon dat wordt
afgeleid van de som van:
a. het bruto-maandsalaris dat de werknemer geniet op het moment dat de ongeschiktheid ontstaat;
b. de overige uitbetaalde structurele looncomponenten. Als zodanig gelden in ieder geval structurele
beloningen in geld voor bereikbaarheidsdiensten en onregelmatige diensten;
c. de hoogte van de onder b. genoemde looncomponenten wordt op maandbasis gemeten over een
periode van zes maanden voorafgaand aan de maand waarin de ongeschiktheid ten gevolge van de
ziekte is ingetreden.
3. De hoogte van het naar tijdruimte vastgestelde loon wordt vastgesteld op de eerste dag van arbeidsongeschiktheid.
Bijstelling van het in lid 2 bedoelde brutoloon zal plaatsvinden:
a. indien het maandsalaris wijziging ondergaat ten gevolge van:
• toekenning van een periodieke verhoging gedurende de periode van ziekte;
• algemene salarisaanpassingen ingevolge deze CAO;
• bij een voor aanvang van de arbeidsongeschiktheid overeengekomen wijziging van de arbeidsduur
of een voor aanvang van de arbeidsongeschiktheid overeengekomen wijziging van de
arbeidsovereenkomst.
b. door fiscale wijzigingen en wijzigingen in de sociale verzekerings- en/of de pensioenpremies, zoals
deze zouden zijn ingehouden ingeval de werknemer niet ziek zou zijn geweest.
4. Gedurende de in lid 1 onder a en b genoemde perioden behoudt de werknemer recht op vakantietoe-
slag, onder aftrek van de op grond van enige bij of krachtens de wet geldende verzekering, alsmede inge-
volge de pensioenregeling van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn toegekende vakantietoeslag. De hoog-
Vakantietoeslag te van de vakantietoeslag wordt vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in artikel 4:10 en het
begrip salaris zoals gedefinieerd in artikel 1:1 sub d van deze CAO.
5. In afwijking van lid 1 heeft de vrouwelijke werknemer het in dat lid bedoelde recht niet gedurende de pe-
riode dat zij zwangerschaps-of bevallingsverlof geniet overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid,
van de Wet Arbeid en Zorg.
6. Het loon wordt verminderd met het bedrag van enige geldelijke uitkering dat de werknemer toekomt
krachtens enige wettelijke voorgeschreven verzekering.
7. Het loon wordt voorts verminderd met het bedrag van de inkomsten, door de werknemer in of buiten
dienstbetrekking genoten voor werkzaamheden die hij heeft verricht (al dan niet in het kader van een
reïntegratietraject), gedurende de tijd dat hij, zo hij daartoe niet verhinderd was geweest, de bedongen
arbeid had kunnen verrichten.
8. Voor de toepassing van dit artikel worden perioden, waarin de werknemer in verband met ongeschikt-
heid ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling verhinderd is geweest zijn arbeid te verrichten,
samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij di-
rect voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps-of bevallingsverlof wordt geno-
ten als bedoeld in artikel 3:1 tweede en derde lid van de Wet Arbeid en Zorg, tenzij de ongeschiktheid re-
delijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
9. Indien de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een omstandigheid waarvoor de werkgever aansprake-
lijk is zoals bedoeld in artikel 7:658 lid 2 BW, dan wordt tijdens arbeidsongeschiktheid gedurende 104 we-
ken 100% loon doorbetaald.
10. De werkgever kan in individuele situaties, indien daarvoor naar zijn oordeel goede gronden aanwezig zijn,
besluiten in het tweede ziektejaar meer dan 70% van het loon betalen.
11. Het recht op loondoorbetaling als bedoeld in lid 1 vervalt op het tijdstip dat de dienstbetrekking eindigt.

Artikel 11:5 Productieve arbeid en reïntegratieactiviteiten tijdens ziekte
1. Over de uren waarin de werknemer volgens zijn reïntegratieplan gedurende de periode als bedoeld in ar-
reïntegratieactiviteiten tikel 11:4 lid 1 onder b, passende arbeid of werkzaamheden zonder loonwaarde verricht, ontvangt hij
100% van het naar tijdsruimte vastgestelde brutoloon zoals vastgesteld op de eerste dag van de arbeids-
ongeschiktheid. Onder werkzaamheden zonder loonwaarde worden verstaan het verrichten van werk-
zaamheden op arbeidstherapeutische basis, het volgen van scholing en het lopen van stage.
2. De overige uren worden doorbetaald overeenkomstig het bepaalde in artikel 11:4 lid 1 onder b en lid 2.
3. De bruto-inkomsten, die de werknemer op grond van lid 1 en 2 van dit artikel ontvangt, kunnen tezamen
ten hoogste 100% bedragen van het brutoloon, als bedoeld in artikel 11:4 lid 1 onder a en lid 2, respectie-
velijk nimmer minder dan 70% van het brutoloon.

Artikel 11:6 Loonaanvulling vervroegde IVA-uitkering
Loonaanvulling bij IVA (Inkomensvoorziening bij volledige arbeidsongeschiktheid).
1. Ingeval de werknemer, als gevolg van een vervroegde keuring als bedoeld in de WIA, gedurende de eer-
ste 52 weken van ziekte als bedoeld in artikel 11:4 lid 1 onder a, recht heeft op een IVA-uitkering, heeft
hij aanspraak op een aanvulling van de werkgever tot 100% van zijn brutoloon als bedoeld in artikel 11:4
lid 2. Na de eerste 52 weken van ziekte, vervalt deze aanspraak.
2. Het brutoloon wordt verminderd met:
a. het bedrag van de bruto-uitkering door de werknemer ontvangen op grond van enige bij of krach-
tens de wet geldende verzekering of uitkeringsregeling alsmede een uitkering op grond van het ar-
beidsongeschiktheidspensioen ingevolge het pensioenreglement Pensioenfonds Zorg en Welzijn;
b. het bedrag aan bruto-inkomsten in of buiten dienstbetrekking door de werknemer genoten voor
werkzaamheden die hij heeft verricht gedurende de tijd dat hij recht heeft op een IVA-uitkering als
bedoeld in lid 1.

Artikel 11:7 Arbeidsongeschiktheid van 0-35%
1. De werknemer die na afloop van twee jaar ziekte als bedoeld in artikel 11:4 lid 1 onder a. en b. op grond
van de claimbeoordeling ingevolge de WIA minder dan 35% arbeidsongeschikt is, heeft aanspraak op
100% van zijn salaris voor de uren dat hij werkzaam is in zijn functie dan wel de uren waarin hij arbeid ver-
richt op het gelijke salarisniveau van zijn functie. Indien de werknemer een andere functie gaat vervullen,
waarop een ander salaris van toepassing is, heeft de werknemer aanspraak op dit andere salaris voor de
uren waarin hij arbeid verricht.
2. Het feit dat een werknemer voor 0-35% arbeidsongeschikt is verklaard, vormt als zodanig geen reden
voor ontslag. Het voorgaande is niet gelijk te stellen met een absoluut ontslagverbod, de overige norma-
le ontslaggronden blijven van toepassing.
3. De werkgever heeft de plicht zich maximaal in te spannen om de gedeeltelijke arbeidsgeschikte werkne-
mer na de loongerelateerde fase zoveel mogelijk zijn restverdiencapaciteit te laten benutten.

Artikel 11:8 Verlagen of vervallen van loondoorbetaling
Vervallen loondoorbetaling Onverminderd de werking van de bepalingen van artikel 7:629 lid 3 BW kan de werkgever het recht op aan-
vulling als bedoeld in artikel 11:4 geheel of gedeeltelijk laten vervallen indien:
• blijkt dat de werknemer de verplichtingen ingevolge het verzuim-en reïntegratieprotocol niet is nage-
komen;
• de werknemer de aanspraak op uitkering ingevolge de ZW, WAO/WIA of WW geheel of gedeeltelijk
verliest, tenzij dit aan de werkgever te wijten is.

Artikel 11:9 Overgangsbepaling
De aanvulling bij arbeidsongeschiktheid die de werkgever aan de werknemer heeft betaald tussen 1 januari
2005 en 1 mei 2006, waarbij de aanspraak op basis van bovenstaande artikelen is overstegen, kan niet als on-
verschuldigd betaald worden teruggevorderd.

 

Hoofdstuk 12. Meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden

Artikel 12:1 Uitruilen van arbeidsvoorwaarden
1. De werknemer kan de in dit hoofdstuk genoemde tijd-en/of geldbronnen, uitruilen tegen de in dit hoofd-
stuk genoemde tijd-en/of gelddoelen met in achtneming van de fiscale en wettelijke regelgeving.
In afwijking van de vorige volzin kunnen ten behoeve van het spaarverlof enkel de in artikel 12:4 genoem-
de tijdbronnen worden ingezet.
2. De werknemer geeft schriftelijk aan welke bronnen hij tegen welke doelen (in het volgend kalenderjaar)
wil uitruilen.
3. De keuze die de werknemer maakt geldt, tenzij schriftelijk anders wordt overeengekomen en voor zover
niet in strijd met het bij of krachtens wet bepaalde, voor de duur van een kalenderjaar. Gedurende deze
periode kan de keuze noch door de werknemer noch door de werkgever worden gewijzigd.
4. De werkgever is verplicht de werknemer van te voren te wijzen op de gevolgen van zijn keuze.

Artikel 12:2 Bronnen
1. De werknemer kan de volgende tijdbronnen uitruilen:
a. de voor hem, op grond van artikel 8:1 geldende jaarlijkse vakantie-uren voor zover dit het aantal van
144 uren (=20 x 7,2 uur) overstijgt;
b. de op grond van artikel 6:11 extra gewerkte uren;
c. resterende bovenwettelijke vakantie-uren uit voorgaande kalenderjaren.
d. persoonlijk budget levensfase (PBL)
2. Tijdbronnen kunnen uitsluitend met instemming van de werkgever worden ingezet. De werkgever dient
een afwijzing schriftelijk te motiveren.
3. De werknemer kan de volgende geldbronnen uitruilen:
a. het bruto salaris;
b. de bruto vakantietoeslag met inachtneming van het minimum als bedoeld in artikel 16 van de Wet
Minimumloon en Minimum vakantiebijslag;
c. de eindejaarsuitkering;
d. de bijzondere toeslagen als bedoeld in artikel 4:9 respectievelijk de waarnemingstoeslag als bedoeld
in artikel 4:12.
4. De werkgever kan met instemming van de ondernemingsraad het Meerkeuzesysteem arbeidsvoor-
waarden uitbreiden met extra bronnen.

Artikel 12:3 Doelen
1. De werknemer kan de bronnen ruilen tegen de volgende doelen:
1. spaarverlof;
2. maximaal zeven extra vakantiedagen (7,2 uur per dag, parttimers naar rato);
3. geld;
4. spaarloonregeling;
5. vergoeding reiskosten;
6. de aanschaf van een fiets als onderdeel van de fiscaal goedgekeurde fietsenplan regeling;
7. levensloop;
8. een aanvullend pensioen;
9. de contributie van een werknemersorganisatie partij bij deze CAO en/of van een beroepsvereniging.
2. Tijddoelen kunnen uitsluitend met instemming van de werkgever worden gekozen. De werkgever dient
een afwijzing schriftelijk te motiveren.
3. De werkgever kan met instemming van de ondernemingsraad het Meerkeuzesysteem arbeidsvoor-
waarden uitbreiden met extra doelen. Het persoonlijk budget levensfase (inclusief de rechten op basis
van het overgangsrecht) kan alleen als bron worden ingezet voor de doelen levensloopregeling en het
aanvullend pensioen.

Artikel 12:4 Inwisselen voor spaarverlof
1. De werknemer heeft, met inachtneming van het bepaalde in dit artikel, het recht om gedurende een met
de werkgever overeen te komen periode verlofuren voortvloeiende uit de bronnen van artikel 12:2 te spa-
ren en in een aaneengesloten periode op te nemen. Hiervoor kunnen de bronnen genoemd in artikel
12:2 lid 1 sub a tot en met c worden gebruikt. De gespaarde uren van de werknemer worden door de
werkgever afzonderlijk geregistreerd als tegoed spaarverlof. De overeengekomen afspraken worden
schriftelijk vastgelegd.
2. De werkgever kan met de ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging overeenkomen dat bij de
toepassing van het bepaalde in lid 1 wordt afgeweken van het bepaalde in artikel 8:9 van hoofdstuk 8 Va-
kantie en verlof met inachtneming van het wettelijk geldende minimum aantal dagen.
3. De werkgever stelt in overleg met de ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging ten behoeve
van het in lid 1 bedoelde spaarverlof nadere regels vast. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:
-het minimum en het maximum van de periode waarbinnen de gespaarde uren worden opgenomen;
-de minimum respectievelijk de maximum duur van het verlof;
-de wijze waarop voor de beëindiging van het dienstverband de niet opgenomen gespaarde uren wor-
den genoten;
-de in acht te nemen afspraken bij het opnemen van verlof
4. Indien de werknemer de gespaarde uren opneemt ten behoeve van een oriëntatie op zijn beroep/loop-
baan worden de uren genoemd in lid 1 bij de bronnen sub a tot en met c, vermeerderd met 20%.
5. De werknemer wordt in de gelegenheid gesteld om de afgesproken periode van verlof als bedoeld in lid 3
in overleg met de werkgever te verlengen met een periode van onbetaald verlof van maximaal een half
jaar.
6. De werkgever kan, indien zich omstandigheden voordoen, welke hij bij de vaststelling van het verlof niet
kon voorzien en ten gevolge waarvan het functioneren van de instelling c.q. de dienst of afdeling ernstig
in gevaar komt, in overleg met de werknemer een nieuwe periode voor het verlof vaststellen. De aan-
toonbare schade die de werknemer tengevolge van deze wijziging lijdt, wordt door de werkgever ver-
goed.
7. Ingeval het niet mogelijk is om alle opgespaarde uren voor de beëindiging van het dienstverband op te
nemen worden de resterende uren uitbetaald tegen het dan geldende uurloon. Het voorgaande is even-
eens van toepassing indien de dienstbetrekking na langdurige ziekte gedurende de periode waarin wordt
gespaard, wordt beëindigd.
8. De werknemer heeft op grond van de bovenstaande bepalingen nimmer het recht op een andere com-
pensatie dan in tijd, behoudens in geval dit uitdrukkelijk anders in deze CAO en in het vorige lid is be-
paald.
9. Indien de werknemer meer vrije uren opbouwt dan fiscaal is toegestaan, is hij over het meerdere aan ver-
lof loonbelasting en premies verschuldigd. Het bovengenoemde aantal is inclusief de eventuele vermeer-
dering van het aantal uren met 20% op grond van lid 4 van dit artikel.
CAO Gehandicaptenzorg 2009 -2011

 

Hoofdstuk 13.Medezeggenschap

Artikel 13:1 Faciliteiten medezeggenschapsorganen
1. De werkgever houdt binnen de overeengekomen werktijd rekening met de door OR-leden aan OR-werk-
zaamheden te besteden tijd en draagt binnen de mogelijkheden van de instelling zorg voor vervanging.
2. De leden van de ondernemingsraad zijn ter uitvoering van hun activiteiten voor de ondernemingsraad
ten minste 300 uur per jaar vrij van dienst. Onder dit aantal uren worden alle wettelijke faciliteiten, inclu-
sief faciliteiten voor scholing, alsmede eventueel benodigde extra reistijd begrepen.
3. De werkgever stelt ten minste 1 uur per week kwalitatieve ambtelijke ondersteuning per ondernemings-
raadzetel ter beschikking.

Artikel 13:2 (Extra) bevoegdheden ondernemingsraad
1. Instellingen met ten minste 35 werknemers zijn verplicht tot het instellen van een ondernemingsraad.
2. De ondernemingsraad wordt door de ondernemer in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over
een door hem voorgenomen besluit tot benoeming van een lid van het bestuur respectievelijk lid van de
Raad van Toezicht; hierbij wordt de procedure overeenkomstig artikel 30 WOR toegepast.
3. De ondernemingsraad heeft naast het in artikel 30 WOR geregelde adviesrecht met betrekking tot be-
noeming of ontslag van directieleden, bovendien het recht van advies, indien in een directiefunctie dan
wel een functie in de Raad van Bestuur, anders dan wegens kortdurende afwezigheid, door het bestuur
respectievelijk de Raad van Toezicht een tijdelijke voorziening tot waarneming wordt getroffen.
4. Indien er sprake is van een belangrijke tussentijdse wijziging van de begroting heeft de ondernemings-
raad recht van advies conform artikel 25 WOR. De ondernemingsraad heeft recht op mededeling van de
uiteindelijke vaststelling van de begroting en van de wijzigingen die zijn aangebracht.

Artikel 13:3 Instellingsregelingen over CAO-onderwerpen
1. Deze CAO heeft een standaardkarakter. Van de bepalingen in deze CAO mag worden afgeweken indien
de betreffende CAO-regeling dit toestaat en indien aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt vol-
daan. Afwijkingen van de CAO in strijd met het in de vorige volzin bepaalde zijn nietig.
2. Over onderwerpen die niet in deze CAO geregeld zijn, kunnen werkgever en ondernemingsraad/perso-
neelsvertegenwoordiging regelingen treffen voor zover deze niet in strijd zijn met de wet.
3. Uit de CAO vloeit voort dat in ieder geval instellingsregelingen worden overeengekomen ten aanzien van
regelingen de volgende onderwerpen:
• regeling faciliteiten leerlingen (art. 5:5);
• regeling begeleiding tijdens meerdaagse vakantie van cliënten (art. 7:21);
• regeling opname vakantie en aftrek ziektedagen (art. 8:6 lid 3);
• regeling calamiteitenverlof (art. 8:14 lid 3);
• regeling reiskosten woon-werkverkeer (art. 9:1 lid 2);
• regeling reis-en verblijfkosten bij dienstreizen (art. 9:2 lid 2);
• regeling telefoonkosten (art. 9:3);
• regeling kost en inwoning (art. 9:4);
• regeling maaltijdverstrekking (art. 9:5);
• regeling kleding (art. 9:6);
• regeling verhuiskosten (art. 9:7 lid 2);
• regeling traumatische ervaring (art. 10:4);
• preventiebeleid terugdringing psychische en fysieke belasting (art. 11:1);
• plan van aanpak maatregelen ter preventie (art. 11:2);
• verzuim-en reïntegratieprotocol (art. 11:3 lid 1);
• scholingsplan en persoonlijk ontwikkelingsbeleid (art. 10:5 lid 1 en 2);
• regeling periodieke gesprekken (art. 10:5 lid 3);
• regeling studiekosten en studieverlof (art. 10:5 lid 1 sub c);
• regeling spaarverlof (art. 12:4 lid 3).
4. In de CAO zijn een aantal kan-bepalingen opgenomen. Deze bepalingen bieden de werkgever de moge-
lijkheid om in of na overleg met de ondernemingsraad een andere regeling te treffen dan in de CAO staat.
Afwijkende regelingen zijn mogelijk ten aanzien van:
• regeling bijzondere feest-en gedenkdagen (art. 1:1 lid g);
• regeling duur arbeidsovereenkomst (art. 2:3 lid 2);
• regeling bevordering (art. 4:11 lid 2);
• regeling waarnemingstoeslag (art. 4:12 lid 3);
• regeling termijn bezwaarprocedure vaststellen functiebeschrijving bij herindeling (art. 4:17 lid 2
en lid 3);
• regeling termijn herindelingsvoorstel en gespreksverslag FWG (art. 4:18 lid 4);
• regeling termijn akkoord herindelingsvoorstel FWG (art. 4:18 lid 5);
• regeling termijn bezwaarprocedure herindelingsvoorstel FWG (art. 4:18 lid 7);
• regeling termijn advies IBC-FWG bezwaar herindelingsvoorstel (art. 4:18 lid 8);
• samenstelling IBC-FWG (art. 4:23 lid 2);
• regeling termijn advies IBC-FWG (art. 4:24 lid 4);
• regeling hogere salariëring leerlingen 21 jaar of ouder (art. 5:3 lid 4);
• regeling systematiek arbeidsduur (art. 6:1 lid 6);
• regeling verlof bij feest-en gedenkdagen (art. 6:4 lid 5 en 6);
• regeling pauzes (art. 6:9);
• regeling ziektedagen aanmerken als vakantiedagen (art. 8:6 lid 2);
• regeling uitbreiden bronnen en doelen meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden (art. 12:2 lid 4 en
12:3 lid 3);
• regeling afwijking dagen voor spaarverlof (art. 12:4 lid 2).
5. Voor elke decentrale instellingsregeling die tussen werkgever en ondernemingsraad/personeelvertegen-
woordiging tot stand komt geldt dat deze worden aangegaan voor bepaalde tijd met een maximale duur
van 3 jaar.
6. Indien geen van de partijen de decentrale instellingsregeling uiterlijk twee maanden voor de overeenge-
komen einddatum schriftelijk opzegt wordt de regeling stilzwijgend met een half jaar verlengd.
7. Als door opzegging geen decentrale regeling meer van toepassing is wordt, indien van toepassing, de
CAO-regeling (weer) van kracht, tenzij de werkgever en de ondernemingsraad/personeelsvertegenwoor-
diging opnieuw een afwijkende instellingsregeling overeenkomen.
8. De decentrale instellingsregeling kan slechts tussentijds worden gewijzigd indien de werkgever en de
ondernemingsraad/personeelsvertegenwoordiging dit schriftelijk overeenkomen.

Artikel 13:4 Stimulerende taak op naleving CAO
1. Conform artikel 28 WOR bevordert de ondernemingsraad zoveel als in zijn vermogen ligt de naleving van
de voor de onderneming geldende voorschriften op het gebied van de arbeidsvoorwaarden (CAO Gehan-
dicaptenzorg), alsmede de voorschriften op het gebied van de arbeidsomstandigheden en arbeids-en
rusttijden van de in de onderneming werkzame personen.
2. Partijen bevelen de ondernemingsraad aan deze bevorderende taak uit te oefenen door jaarlijks inzage te
vragen in de CAO-regelingen die op grond van dit hoofdstuk tot stand zijn gekomen.

Artikel 13:5 Bemiddeling, interpretatie en geschillen
Bedrijfscommissie voor de Zorg 1. De WOR biedt verschillende mogelijkheden om aan de Kantonrechter een beslissing over bepaalde zaken
te vragen. Een dergelijk verzoek is echter niet ontvankelijk indien de verzoeker niet vooraf schriftelijk de
bemiddeling van de Bedrijfscommissie heeft gevraagd. Het secretariaat van de Bedrijfscommissie voor de
Zorg is te bereiken via:
Bedrijfscommissie voor de Zorg,
Achterom 16-a, 3995 EB Houten,
www.bedrijfscommissiezorg.nl
OAGz 2. Bij ernstige geschillen over de naleving van de CAO Gehandicaptenzorg kan de werkgever en/of de onder-
nemingsraad zich wenden tot het OAGz (Overleg Arbeidsvoorwaarden Gehandicaptenzorg). Het secreta-
riaat van het OAGz wordt verzorgd door:
Centrum Arbeidsverhoudingen (CAOP),
Postbus 556, 2501 CN Den Haag.

 

Hoofdstuk 14 Faciliteiten werknemersorganisaties

Artikel 14:1 Definitie werknemersorganisaties
1. Werknemersorganisaties in de zin van dit hoofdstuk zijn de partijen bij deze CAO.
2. Voor de toepassing van artikel 14:3 lid 3 worden tevens als werknemersorganisaties aangemerkt:
organisatie
a. een vakcentrale, waarbij een werknemersorganisatie als bedoeld onder lid 1 is aangesloten;
b. Federatie van Beroepsorganisaties in de Zorg (FBZ), voorzover de werknemer op wie het in artikel
14:3 lid 3 bepaalde van toepassing is, lid is van een onder lid 1 bedoelde werknemersorganisatie of
bestuurslid is van de FBZ en het bestuurlijke activiteiten voor de FBZ betreft;
c. een vereniging van werknemers die een samenwerkingsovereenkomst heeft met een onder lid 1 be-
doelde werknemersorganisatie. Het aangaan van een nieuwe samenwerking dan wel beëindiging van
een samenwerking wordt door de vereniging van werknemers gemeld aan het OAGz.

Artikel 14:2 Faciliteiten leden werknemersorganisaties
Vakbondsverlof Het lid van een werknemersorganisatie, partij bij deze CAO, heeft recht op 1 verlofdag per kalenderjaar voor
het bijwonen van activiteiten georganiseerd door de werknemersorganisatie in kwestie indien deelneming
aan deze activiteiten geschiedt op uren waarop hij volgens arbeidsovereenkomst inzetbaar is. Op verzoek van
de werkgever toont de werknemer de uitnodiging voor de vakbondsactiviteit in kwestie.

Artikel 14:3 Faciliteiten kaderleden werknemersorganisaties
1. Het lid van een werknemersorganisatie, partij bij deze CAO, dat door deze werknemersorganisatie als ka-
derlid is aangewezen en als zodanig aan de werkgever bekend is gemaakt heeft tenminste aanspraak op
het gebruik van de navolgende faciliteiten:
• publicatieborden waarop informatie wordt verstrekt en aankondigingen van werknemersorganisaties
kunnen worden bekendgemaakt;
• de telefoon en de fax ten behoeve van vakbondswerkzaamheden;
• vergaderruimtes binnen de instelling ten behoeve van vakbondswerkzaamheden voor zover de werk-
gever daarin in redelijkheid kan voorzien.
2. Het lid van een werknemersorganisatie, partij bij deze CAO, dat door deze werknemersorganisatie als ka-
derlid is aangewezen en als zodanig aan de werkgever bekend is gemaakt, heeft recht op 2 cursusdagen
per kalenderjaar voor cursussen georganiseerd door de werknemersorganisatie in kwestie.
3. Voorzover de werknemer als bestuurslid en/of verkozen afgevaardigde is aangewezen stelt de werkgever
de werknemer in de gelegenheid deel te nemen aan statutaire vergaderingen dan wel vergaderingen van
statutaire regionale organen van werknemersorganisaties tot een totaal van 264 uur per jaar, indien deel-
neming aan deze activiteiten geschiedt op uren waarop hij volgens arbeidsovereenkomst inzetbaar is.

Artikel 14:4 Vakbondsconsulenten
1. De werknemer die door zijn werknemersorganisatie is opgeleid en aangewezen als vakbondsconsulent
consulenten bij een instelling en als zodanig is bekendgemaakt aan de werkgever wordt 4 uur per week vrijgesteld
voor de taken van de consulent.
2. Het maximum aantal vakbondsconsulenten per instelling voor wie de werkgever de in lid 1 genoemde
vrijstelling dient te verlenen, is als volgt bepaald:
• minder dan 250 werknemers: geen vrijstellingsverplichting;
• 250 -1000 werknemers: maximaal 3 vakbondsconsulenten;
• 1001 -2500 werknemers: maximaal 4 vakbondsconsulenten;
• 2501 en meer werknemers: maximaal 5 vakbondsconsulenten.
3. Vakbondsconsulenten kunnen, indien dergelijke faciliteiten op de werkplek aanwezig zijn, gebruik maken

 

Hoofdstuk 15 Wachtgeld

Artikel 15:1 Recht op wachtgeld
1. Aan de werknemer die voor onbepaalde tijd is aangesteld en die uitsluitend wordt ontslagen wegens:
a. vermindering of beëindiging van de werkzaamheden; dan wel
b. reorganisatie; dan wel
c. onbekwaamheid c.q. ongeschiktheid voor de in de instelling te vervullen functie die niet aan zijn
schuld of toedoen te wijten is, als gevolg van ontwikkelingen in de organisatie of ten aanzien van zijn
functie dan wel beroep, die buiten de persoon van de werknemer liggen waarbij onder onbekwaam-
heid c.q. ongeschiktheid niet wordt verstaan arbeidsongeschiktheid,
wordt met ingang van de dag van ontslag door de werkgever een wachtgeld toegekend overeenkomstig
de bepalingen uit deze CAO.
2. Het wachtgeld wordt uitsluitend toegekend indien en voor zover de werknemer een uitkering ontvangt
op basis van de Werkloosheidswet als gevolg van ontslag wegens één van de in lid 1 onder a, b en c ge-
noemde redenen.
3. Voor de toepassing van lid 1 wordt met ontslag gelijkgesteld de ontbinding van de arbeidsovereenkomst
ex artikel 7:685 BW wegens de in lid 1 genoemde omstandigheden met dien verstande dat CAO-partijen
van mening zijn dat geen sprake kan zijn van samenloop van wachtgeld en de ontbindingsvergoeding.
Derhalve heeft de werknemer, die in verband met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst ex artikel
7:685 BW aanspraak heeft op een door de (kanton)rechter vastgestelde vergoeding (waarbij in de be-
schikking rekening is gehouden met de wachtgeldregeling van de CAO Gehandicaptenzorg), geen recht
op wachtgeld.

Artikel 15:2 Duur van het wachtgeld
1. Het wachtgeld wordt toegekend gedurende drie maanden.
2. De duur van het wachtgeld wordt vermeerderd met 1 maand voor de aaneengesloten volle dienstjaren
die de werknemer langer dan 3 jaar in dienst is geweest.
3. De totale duur van het wachtgeld kan de duur van 38 maanden niet overstijgen.
4. Voor de bepaling van het aantal dienstjaren tellen alle volle maanden tezamen doorgebracht in dienst
van een werkgever vallende onder de werkingssfeer van deze CAO. Voor werknemers die op 31 decem-
ber 2000 in dienst zijn van een werkgever vallende onder de werkingssfeer van de CAO Gehandicapten-
zorg (voorheen Ziekenhuiswezen) tellen tevens alle volle maanden tezamen aaneengesloten doorge-
bracht in dienst van bij de voormalige Nederlandse Zorgfederatie of diens rechtsvoorgangers aangeslo-
ten instellingen mee.

Artikel 15:3 Hoogte van het wachtgeld
1. Het wachtgeld is gedurende de eerste 6 maanden gelijk aan het laatstgenoten salaris en bedraagt vervol-
gens de volgende 3 maanden 80%, gedurende de daarop volgende 2 jaren 75% en vervolgens 70% van
het laatstelijk genoten salaris. Gedurende de wachtgeldperiode bedraagt het wachtgeld nooit minder
dan 80% van het minimumloon als bedoeld in de Wet Minimumloon en Minimum Vakantiebijslag.
2. Indien de rechthebbende in aanmerking komt voor een overbruggingsuitkering als bedoeld in het regle-
ment van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn, wordt deze uitkering aangevuld tot de hoogte van het
wachtgeld als omschreven in dit artikel.
3. Bij de berekening van het laatstgenoten salaris wordt uitgegaan van het begrip dagloon in de zin van de
dagloonregels werknemersverzekeringen. Algemene salarisverhogingen, die door de rechthebbende zou-
den zijn genoten, indien hij in dienst zou zijn gebleven, zullen bij de berekening van het wachtgeld in aan-
merking worden genomen.
4. Indien tengevolge van de geleidelijke of gedeeltelijke opheffing van de dienstbetrekking de toepassing
van het in het voorgaande lid bepaalde tot voor de rechthebbende ongunstige resultaten zou leiden,
wordt in zijn voordeel van die bepaling afgeweken.
5. Gedurende de wachtgeldperiode blijven de pensioenaanspraken -indien en voorzover voortzetting op
vrijwillige basis van de deelneming aan de pensioenregeling die op hem van toepassing was mogelijk is-
gerelateerd aan het salaris, zijnde de bijdragegrondslag als bedoeld in artikel 5 van het reglement van het
Pensioenfonds Zorg en Welzijn. De premie die moet worden betaald om deze pensioenaanspraken gel-
dend te maken komt ten laste van de werkgever, met dien verstande dat de werknemer hierin een bijdra-
ge aan de werkgever verschuldigd is, gerelateerd aan de hoogte van het wachtgeld, verminderd met de
in het wachtgeld begrepen toeslagen die onder de bijdragegrondslag niet worden begrepen.

Artikel 15:4 Verplichtingen van de rechthebbende
1. De rechthebbende is verplicht zich zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen 14 dagen na de aanzegging
van zijn ontslag in te laten schrijven bij het UWV WERKbedrijf waaronder hij ressorteert, het handhaven
van de inschrijving daaronder begrepen.
2. De rechthebbende is verplicht gebruik te maken van een hem geboden passende mogelijkheid om in-
komsten uit arbeid te krijgen.
3. De rechthebbende is verplicht aan de werkgever terstond opgave te doen van het bedrag van de inkom-
sten uit arbeid of bedrijf, alsmede van het bedrag dat aan uitkering ingevolge een wettelijke regeling wordt genoten. Desgevraagd dient hij alle gewenste inlichtingen en bewijsstukken te verschaffen.
CAO Gehandicaptenzorg 2009 -2011

Artikel 15:5 Vermindering van het wachtgeld
1. Indien de rechthebbende met ingang van of na de dag waarop het wachtgeld is ingegaan, inkomsten uit
Vermindering arbeid of bedrijf geniet, worden deze inkomsten op het wachtgeld in mindering gebracht indien en voor-
wachtgeld zover zij tezamen met het wachtgeld gedurende de eerste 2 jaar meer bedragen dan 103% van het laatst-
genoten salaris en daarna meer dan 93% van dit salaris.
2. Op het wachtgeld komt in mindering de uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, alsmede een eventue-
le uitkering ingevolge de Ziektewet, de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet Werk en
Inkomen naar Arbeidsvermogen, de Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Jonggehandicapten en de
Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Zelfstandigen.
3. Pensioen, waarop de rechthebbende op het tijdstip van ingang van het ontslag, als bedoeld in artikel 15:1,
aanspraak heeft wegens het bereikt hebben van de voor hem -krachtens een voor hem geldende pensi-
oenregeling -geldende pensioengerechtigde leeftijd, wordt aangemerkt als inkomsten bedoeld in het
eerste lid.
4. Indien de rechthebbende door eigen toedoen wordt gekort op zijn werkloosheidsuitkering wordt op het
wachtgeld een evenredige korting toegepast.

Artikel 15:6 Opschorting van het wachtgeld
Opschorting Ten aanzien van de rechthebbende aan wie wachtgeld is toegekend en die zich ingevolge een wettelijke ver-
plichting als militair in werkelijke dienst bevindt of moet begeven dan wel is of zal worden tewerkgesteld in
de zin van artikel 9 van de Wet Gewetensbezwaarden Militaire Dienst, wordt op een daartoe strekkend ver-
zoek de verdere uitvoering van deze regeling voor de duur van die dienst dan wel tewerkstelling opgeschort.

Artikel 15:7 Vervallen van het wachtgeld
Vervallen recht wachtgeld 1. Het wachtgeld vervalt:
a. met ingang van de dag, volgend op die, waarop de rechthebbende is overleden;
b. met ingang van de dag, waarop de rechthebbende aanspraak gaat maken op ouderdomspensioen of
invaliditeitspensioen ingevolge het reglement van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn, uit hoofde van de dienstbetrekking waaruit hij met recht op wachtgeld is ontslagen;
c. indien de rechthebbende weigert te voldoen aan een van de hem in artikel 15:4 opgelegde verplich-
tingen;
d. met ingang van de dag waarop de rechthebbende geen WW-uitkering meer ontvangt.
2. Het wachtgeld kan door de werkgever vervallen worden verklaard:
a. indien de rechthebbende onvoldoende medewerking geeft tot een geneeskundig onderzoek, dat
strekt tot het aanvragen van invaliditeitspensioen of van een wettelijke uitkering wegens arbeidson-
geschiktheid;
b. indien de rechthebbende kan worden geacht zich duurzaam in het buitenland te hebben gevestigd.
Deze bepaling geldt niet voor degene die de 55-jarige leeftijd heeft bereikt.

Artikel 15:8 Uitkering bij overlijden van de rechthebbende
Uitkering bij overlijden Bij overlijden van de rechthebbende wordt door de werkgever aan de langstlevende echtgenoot van wie de
werknemer niet duurzaam gescheiden leefde, of bij afwezigheid van deze aan diens minderjarige kinderen,
een uitkering verstrekt ter grootte van het wachtgeld, dat over de eerstvolgende 3 maanden zou zijn uitge-
keerd. Deze uitkering vervalt indien ter zake van overlijden uitkeringen worden verstrekt krachtens de sociale
verzekeringswetten, waarvan het bedrag gelijk is aan of hoger is dan de uitkering. Indien de overledene geen
betrekkingen nalaat als hierboven genoemd, kan de werkgever de uitkering doen toekomen aan de persoon
of de personen, die door de werknemer schriftelijk aan de werkgever zijn opgegeven.

Artikel 15:9 Uitbetaling van het wachtgeld
Uitbetaling De uitkering van het wachtgeld geschiedt maandelijks met inachtneming van het bepaalde in artikel 4:7.

Artikel 15:10 Afkoop van het wachtgeld
1. De rechthebbende wordt na 9 maanden wachtgeld te hebben ontvangen de mogelijkheid geboden de
eventueel resterende aanspraak op wachtgeld, zijnde de suppletie op de WW-uitkering, te kapitaliseren
tegen een rentevoet gelijk aan de alsdan geldende wettelijke rente en het aldus bepaalde bedrag uitge-
keerd te krijgen.
2. Op het moment dat de rechthebbende gebruik maakt van deze mogelijkheid tot afkoop van het wacht-
geld vervalt daarmee de resterende aanspraak op het wachtgeld.
3. De rechthebbende kan, mits fiscaal gunstig gefaciliteerd voor de rechthebbende en de werkgever, het uit
te keren bedrag benutten voor hetzij directe aanwending, hetzij een storting in een levensloopregeling
hetzij een reïntegratiebudget.

Artikel 15:11 Bijzondere regelingen
1. Aan de rechthebbende die in de gelegenheid is elders inkomsten uit arbeid of bedrijf te gaan verwerven
en die daartoe binnen 1 jaar na beëindiging van het dienstverband genoodzaakt is te verhuizen, wordt
een tegemoetkoming in de verhuiskosten toegekend overeenkomstig de op grond van artikel 9:7 getrof-
fen regeling.
2. Toezeggingen aan de rechthebbende ter zake vergoedingen van studiekosten blijven gedurende de
wachtgeldperiode gehandhaafd.
3. Vergoeding van studiekosten geschiedt voor 100% wanneer de opleiding het gevolg is van herplaatsing
wegens reorganisatie of opheffing van de dienst waar de werknemer werkzaam is.

 

Hoofdstuk 16 Overgangs- en garantiebepalingen

Artikel 16:1 Overgangsbepaling arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd CAO Gehandicaptenzorg
(voorheen DTG)
Contracten Arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd welke voor 1 januari 2001 zijn afgesloten en waarop de CAO Ge-
bepaalde tijd handicaptenzorg (voorheen Dagverblijven en Tehuizen voor Gehandicapten) van toepassing was, lopen van
rechtswege af op het contractueel afgesproken eindmoment. De bepalingen van artikel 2:3 juncto 2:4 gelden
pas bij een verlenging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd na 1 januari 2001.

Artikel 16:2 Oude salarisregeling van CAO Gehandicaptenzorg (voorheen Ziekenhuiswezen)
Salarisgarantie De werknemer die op 31 december 2003 onder de werking van het artikel 16:2 CAO Gehandicaptenzorg 2002-
voorheen Z 2003, met als titel Oude salarisgarantieregeling van CAO Gehandicaptenzorg (voorheen Ziekenhuiswezen)
viel, behoudt de hieruit voortvloeiende rechten.

Artikel 16:3 (vacant)

Artikel 16:4 Garantieregeling WIW-medewerkers en ID-medewerkers
1. Dit artikel is per 1 januari 2004 van toepassing op werknemers die op 31 december 2003 bij hun huidige
werkgever een dienstbetrekking op grond van de Wet inschakeling werkzoekenden of het Besluit In-en
Doorstroombanen hadden en deze dienstbetrekking ongewijzigd hebben voortgezet.
2. In afwijking op artikel 1:5 lid 2 geldt voor de werknemer die een dienstbetrekking op grond van de Wet
inschaling werkzoekenden had op 31 december 2003, het volgende:
a. de aanstelling mag niet leiden tot verdringing van een reguliere arbeidsplaats;
b. de werkervaringsplaats kan zowel de in de CAO geregelde als niet-geregelde functies betreffen;
c. met de WIW-werknemer dient een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van mini-
maal 6 maanden te worden afgesloten;
d. de salariëring van de WIW-werknemer vindt plaats op basis van het wettelijk minimum(jeugd)loon;
e. de werkgever dient de nodige aandacht te besteden aan scholing en begeleiding, die de WIW-werk-
nemer in staat zullen moeten stellen tijdens het werken op de werkervaringsplaats zoveel mogelijk
kennis en vaardigheden te verwerven;
f. de werkgever neemt de inspanningsverplichting op zich om de WIW-werknemer bij voldoende ge-
schiktheid, na het verstrijken van de hierboven onder c genoemde periode van minimaal 6 maanden,
door te laten stromen naar een reguliere arbeidsplaats binnen zijn instelling, indien de formatie dit
toelaat;
g. voorts gelden voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde arbeidsrelatie de subsidievoorwaarden welke
genoemd staan in de Wet Werk en Bijstand;
h. bij wijziging van de Wet Werk en Bijstand, dan wel bij inwerkingtreding van een toekomstige verge-
lijkbare wettelijke subsidieregeling gedurende de looptijd van deze CAO, kunnen CAO partijen nieu-
we afspraken maken, die in de plaats komen van het bepaalde in dit artikel.
3. In afwijking op artikel 1:5 lid 2 geldt voor de werknemer die een dienstbetrekking op grond van het Be-
sluit in-en doorstroombanen 2000-2003 (STb. 1999, 591) had op 31 december 2003, het volgende:
a. voorzover de toepassing van de subsidieregelingen gebaseerd op de Wet Werk en Bijstand in strijd is
met de toepasselijke bepalingen in deze CAO, kan voorzover de toepassing van de CAO leidt tot niet
toekenning van de subsidie door de subsidiegever aan de werkgever, door het OAGz besloten worden
de desbetreffende CAO-bepaling voor werknemers die een arbeidsrelatie hebben waarop de subsidie-
regeling naast de CAO van toepassing is, buiten toepassing te verklaren;
b. de in lid 3 sub a genoemde buiten-toepassingverklaring werkt terug vanaf het moment van invoering
van de met de CAO strijdige subsidievoorwaarde;
c. in lid 4 van dit artikel zijn de salarisschalen voor werknemers in een instroombaan of een doorstroom-
baan als bedoeld in het Besluit in-en doorstroombanen opgenomen. Het loon voor een instroom-
baan kan maximaal 130% van het wettelijke minimum(jeugd)loon bedragen en maximaal 150% van
het wettelijke minimum (jeugd) loon voor een doorstroombaan;
d. de werknemer heeft jaarlijks recht op een periodieke verhoging volgens de systematiek van de sala-
risschaal uit lid 4. De periodiekdatum voor werknemers jonger dan 21 jaar is de eerste dag van de
maand waarin hun verjaardag valt. Voor werknemers die bij hun indiensttreding 21 jaar en ouder zijn,
geldt als periodiekdatum de maand waarin zij in dienst getreden zijn. 

4. De salarisschalen bedragen:
Salarisschalen ID-banen* 

Functionele schaal

FGW Schaal

Bedrag per

1-3-2008

Bedrag per

1-12-2009

Bedrag per

1-7-2010

1

3

1360

1380

1394

2

4

1414

1435

1449

3

5

1465

1487

1502

4

6

1494

1516

1531

5

7

1534

1557

1573

6

8

1573

1597

1613

7

9

1614

1638

1654

8

10

1659

1684

1701

9

11

1710

1736

1753

10

12

1763

1789

1807

11

13

1822

1849

1867

12

14

1882

1910

1929

13

15

1937

1966

1986

14

16

2000

2030

2050


*Zo nodig het wettelijk minimumloon / maximaal toegestane loon toekennen.
Het loon voor een instroombaan bedraagt maximaal 130% van het wettelijk minimumloon.
Het loon voor een doorstroombaan bedraagt maximaal 150% van het wettelijk minimumloon.
Het wettelijk minimumloon bedraagt:
• €1.381,20 per 1 januari 2009
• €1.398,60 per 1 juli 2009
• €1.407,60 per 1 januari 2010.

Artikel 16:5 Werkingssfeer Garantiebepalingen Sociaal Pedagogische Diensten (SPD)1
1. Uitsluitend op de werknemer die op 31 juli 2002 in dienst is bij een SPD zijn de overgangsbepalingen van
toepassing zoals vervat in artikel 16:5 tot en met 16:30 van de CAO Gehandicaptenzorg. Ten aanzien van
deze overgangsbepalingen geldt het volgende:
Indien de werknemer uit dienst treedt vervallen de bepalingen uit de overgangsregeling (artikel 16:5 tot
en met 16:30 van de CAO Gehandicaptenzorg) voor deze werknemer.
Voor de werknemer die binnen de eigen organisatie een andere functie gaat vervullen welke niet valt on-
der de werkingssfeer van het organisatieonderdeel SPD komen de artikelen 16:5 tot en met 16:30
van de CAO Gehandicaptenzorg te vervallen. Echter, indien de werknemer onvrijwillig herplaatst
wordt op een andere functie binnen de eigen organisatie, zijnde het organisatieonderdeel Gehandicap-
tenzorg en niet zijnde het organisatieonderdeel SPD, blijven de artikelen 16:5 tot en met 16:30 van de
CAO Gehandicaptenzorg op hem onverkort van toepassing.
2. In afwijking van lid 1 zijn voor de werknemer die op of na 1 augustus 2002, maar voor 1 januari 2003 in
dienst treedt bij een SPD, slechts die onderdelen van de artikelen 16:5 tot en met 16:30 van de CAO Ge-
handicaptenzorg van toepassing waar dit uitdrukkelijk in de betreffende bepalingen is genoemd.

Artikel 16:6 Toepasselijke CAO
1. Daar waar in dit hoofdstuk wordt gesproken over de CAO Welzijn, wordt uitsluitend de CAO Welzijn 2001-
2002 bedoeld.
2. Daar waar in dit hoofdstuk wordt gesproken over deze CAO wordt de CAO Gehandicaptenzorg bedoeld.

Artikel 16:7 Contracten voor bepaalde tijd
In afwijking van artikel 2:3 en 2:4 van deze CAO geldt dat arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die voor
1 augustus 2002 zijn afgesloten en waarop de CAO Welzijn van toepassing was, van rechtswege aflopen op
de einddatum die in het contract staat vermeld. De bepalingen van artikel 2:3 juncto 2:4 van deze CAO zijn
pas van toepassing bij verlenging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd na 1 augustus 2002.

Artikel 16:8 Nevenfuncties
In afwijking van artikel 3:13 van deze CAO geldt ten aanzien van nevenfuncties die op 31 juli 2002 worden uitgeoefend
dat de werknemer deze nevenfuncties mag blijven uitoefenen.
Op nevenfuncties aangegaan na 31 juli 2002 is artikel 3:13 van deze CAO van toepassing.

Artikel 16:9 Salariëring bij overgang
De werknemer die op 31 juli 2002 in dienst is, valt tot de invoering FWG 3.0 onder de op hem van toepassing
zijnde salarisregeling van de CAO Welzijn.
1. Ten gevolge van een naamswijziging heten de Sociaal Pedagogische Diensten (SPD-en) per 1 januari 2004 MEE. Daar waar in deze CAO wordt
gesproken over Sociaal Pedagogische Diensten (SPD-en) dient bij de bepalingen die van toepassing zijn op en na 1 januari 2004 MEE-organisa-
ties te worden gelezen.

Artikel 16:10 (vacant)

Artikel 16:11 (vacant)

Artikel 16:12 (vacant)

Artikel 16:13 Vakantietoeslag

In aanvulling op artikel 4:10 van deze CAO geldt een minimum vakantietoeslag van # 126,60 bruto per maand
(voor de werknemer met een volledig dienstverband, parttimers naar rato). Dit bedrag wordt niet geïn-
dexeerd met CAO-loonstijgingen.

Artikel 16:14 Premie behoud en eindejaarsuitkering
1. In afwijking van artikel 4:6 Eindejaarsuitkering is voor de werknemer de premie behoud (eindejaarsuitke-
ring ) minimaal gelijk aan het bedrag van # 979,36 bruto, naar rato van de duur van het dienstverband
en naar rato van de omvang van het dienstverband.
2. Het in lid 1 genoemde bedrag van # 979,36 wordt niet geïndexeerd met CAO-loonstijgingen.

Artikel 16:15 Gratificatie jubileum
Artikel 4:13 lid 1 van deze CAO is niet van toepassing op de werknemer die op 1 augustus 2002 al of niet met
onderbrekingen langer dan 12,5 jaar in dienst is van een of meer werkgevers die vallen onder de werkings-
sfeer van de CAO Welzijn, CAO Jeugdhulpverlening, CAO Kinderopvang of CAO Gezinsverzorging. Deze werk-
nemer heeft wanneer hij 25 jaar of 40 jaar in dienst is van een of meer werkgevers die vallen onder de wer-
kingssfeer van de CAO Welzijn, CAO Jeugdhulpverlening, CAO Kinderopvang, CAO Gezinsverzorging, CAO Ge-
handicaptenzorg voor SPD-en of CAO Gehandicaptenzorg 2004 e.v. recht op een eenmalige gratificatie ten
bedrage van respectievelijk een half en een heel maandsalaris.

Artikel 16:16 Arbeidsduur en werktijden
De bestaande (huidige) werktijdenregelingen en de daarbij behorende regelingen conform artikel 30 van de
CAO Welzijn blijven gehandhaafd totdat tussen werkgever en OR andere afspraken zijn gemaakt.

Artikel 16:17 Onregelmatige diensten
1. De werknemer die belast is met onregelmatige diensten komt per 1 augustus 2002 in aanmerking voor
een vaste persoonlijke toeslag indien de onregelmatigheidstoeslag op basis van deze CAO voor hem on-
gunstiger uitvalt dan de onregelmatigheidstoeslag op basis van de CAO Welzijn.
2. Deze persoonlijke toeslag wordt als volgt berekend:
Over de eerste 7 maanden van 2002 wordt het gemiddelde per maand van de onregelmatigheidstoeslag
volgens de CAO Welzijn berekend. Op 1 januari 2003 wordt het gemiddelde per maand van de onregel-
matigheidstoeslag volgens artikel 7:10 van deze CAO berekend over de laatste 5 maanden van 2002. In-
dien het verschil tussen beide gemiddelden groter is dan # 10,-bruto wordt het bedrag ter grootte van
het verschil als vaste persoonlijke toeslag aan de werknemer uitbetaald.
3. Voor de werknemer die geen onregelmatige diensten meer verricht komt de persoonlijke toeslag te ver-
vallen.
4. Op deze persoonlijke toeslag is artikel 7:10 lid 5 van deze CAO van toepassing.

Artikel 16:18 (vacant)

Artikel 16:19 (vacant)

Artikel 16:20 (vacant)

Artikel 16:21 Ouderschapsverlof
1. In afwijking van artikel 8:21 van deze CAO blijft voor de werknemer die op 1 augustus 2002 ouderschaps-
verlof geniet artikel 35a van de CAO Welzijn van toepassing evenals eventuele individuele afspraken. Dit
geldt ook voor de ten aanzien van de werknemer opgenomen terugbetalingsregeling opgenomen in lid h
van artikel 35a van de CAO Welzijn.
2. De werknemer die in de periode 1 augustus 2002 tot en met 1 augustus 2003 een kind heeft waarvoor
hij volgens de wettelijke bepalingen ouderschapsverlof kan aanvragen en dat geboren is na 1 januari 1996
kan tot 1 augustus 2009 gebruik maken van artikel 35a van de CAO Welzijn. De tegemoetkoming wordt
minimaal berekend over het bedrag van # 2159,09 bruto (volgnummer 23 van de CAO Welzijn). Dit be-
drag wordt niet geïndexeerd met CAO-loonstijgingen.

Artikel 16:22 Reis-en verblijfkosten bij dienstreizen, telefoonkosten, thuiswerk
1. De op 31 juli 2002 in de instelling van toepassing zijnde regeling ten aanzien van reis-en verblijfkosten
geldt als decentrale regeling als bedoeld in artikel 9:2 lid 1 van deze CAO.
2. De op 31 juli 2002 in de instelling van toepassing zijnde regeling ten aanzien van telefoonkosten geldt als
decentrale regeling als bedoeld in artikel 9:3 van deze CAO.
a. Indien de werkgever aan de werknemer, al dan niet op diens eigen verzoek, het thuis
verrichten van werkzaamheden wil kunnen opdragen, dient de werkgever hiervoor op instellingsni-
veau een regeling te treffen, die met instemming van de ondernemingsraad of werknemersvertegen
woordiging dan wel bij het ontbreken hiervan na overleg met de betrokken werknemer(s) wordt vast-
gesteld.
b. De in sub a bedoelde regeling dient in ieder geval bepalingen te bevatten met betrekking tot het aan
de werknemer verstrekken van vergoeding voor het gebruik van ruimte, energie, inventaris en appa-
ratuur. Bij het vaststellen van een dergelijke vergoeding moeten hiermede verband houdende fiscale
aspecten eveneens in aanmerking worden genomen.

Artikel 16:23 (vacant)

Artikel 16:24 (vacant)

Artikel 16:25 Wachtgeld
1. Voor de werknemer die op of na 1 augustus 2002 wegens ontslag voor wachtgeld in aanmerking komt, is
vanaf deze datum de wachtgeldregeling van de CAO Gehandicaptenzorg (artikelen 15:1 en verder van de-
ze CAO) van toepassing.
2. In afwijking van hoofdstuk 15 van deze CAO geldt dat de wachtgeldregeling van de CAO Welzijn op de op
31 juli 2002 bestaande wachtgelduitkeringen van toepassing blijft. Echter de indexering van deze wacht-
gelduitkeringen vindt niet plaats op basis van artikel 1 lid 3 van de Wachtgeldregeling van de CAO Wel-
zijn maar enkel op basis van de loonstijgingen zoals die voor de CAO Gehandicaptenzorg tot stand ko-
men.

Artikel 16:26 Meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden
1. In afwijking van en in aanvulling op hoofdstuk 12 van deze CAO geldt dat de keuzes die de werknemer
onder de CAO Welzijn heeft gemaakt in het kader van de CAO à la Carte, worden gerespecteerd tot de
werknemer niet langer van deze keuzemogelijkheid gebruik wenst te maken. Jaarlijks dient de werkne-
mer de gemaakte keuzes te herbevestigen.
2. De werknemer kan voor gelijke doelen geen gebruik maken van zowel de CAO à la Carte van de CAO Wel-
zijn als het Meerkeuzesysteem arbeidsvoorwaarden van deze CAO.

Artikel 16:27 (vacant)

Artikel 16:28 Hardheidsclausule
In gevallen, waarin de overgangsbepalingen (artikel 16:5 tot en met 16:30) van deze CAO leiden tot een on-
billijke situatie voor de werknemer, zullen partijen bij het protocol overgangsregeling SPD-en, of zij die daar-
voor in de plaats treden, in overleg treden en is het mogelijk dat in een voor de werknemer gunstige zin van
deze regeling wordt afgeweken. Het ter beoordeling voorleggen van een zodanige situatie kan uitsluitend
plaatsvinden door een der partijen bij deze regeling, of zij die daarvoor in de plaats treden.

Artikel 16:29 (vacant)

Artikel 16:30 MEE-garantieschalen
Toepassing van de MEE-garantieschalen is gebaseerd op afspraken over de invoering van FWG 3.0 voor MEE-
organisaties (voorheen SPD’en) per 1 januari 2003.

MEE-garantieschaal

 

1-3-2008

1-12-2009

1-7-2010

 

1-3-2008

1-12-2009

1-7-2010

1

1284.38

1303.65

1316.69

40

3442.19

3493.82

3528.76

2

1351.02

1371.29

1385

41

3059.33

3561.97

3597.59

3

1419.69

1440.99

1455.40

42

3576.98

3630.63

3666.94

4

1453.01

1474.81

1489.56

43

3642.62

3697.26

3734.23

5

1487.84

1510.16

1525.26

44

3705.22

3760.80

3798.41

6

1520.67

1543.48

1558.91

45

3762.26

3818.69

3856.88

7

1553.98

1577.29

1593.06

46

3816.28

3873.52

3912.26

8

1587.30

1611.11

1627.22

47

3875.36

3933.49

3972.82

9

1623.15

1647.50

1663.98

48

3935.94

3994.98

4034.93

10

1662.02

1686.95

1703.82

49

3995.01

4054.94

4095.49

11

1708.98

1734.91

1751.96

50

4054.09

4114.90

4156.05

12

1761.48

1787.90

1805.78

51

4114.16

4175.87

4217.63

13

1821.05

1848.37

1866.85

52

4173.73

4236.34

4278.70

14

1881.14

1909.36

1928.45

53

4233.81

4297.32

4340.29

15

1936.68

1965.73

1985.39

54

4291.87

4356.25

4399.81

16

1997.77

2027.74

2048.02

55

4350.43

4415.69

4459.85

17

2056.32

2087.16

2108.03

56

4409

4475.14

4519.89

18

2116.40

2148.15

2169.63

57

4467.06

4534.07

4579.41

19

2169.91

2202.46

2224.48

58

4525.62

4593.50

4639.44

20

2230.50

2263.96

2286.6

59

4583.69

4652.45

4698.97

21

2288.55

2322.88

2346.11

60

4642.75

4712.39

4759.51

22

2344.60

2379.77

2403.57

61

4701.83

4772.36

4820.08

23

2402.15

2438.18

2462.56

62

4760.89

4832.30

4880.62

24

2459.20

2496.09

2521.05

63

4818.96

4891.24

4940.15

25

2518.28

2556.05

2581.61

64

4877.01

4950.17

4999.67

26

2582.89

2621.63

2647.85

65

4949.71

5023.96

5074.2

27

2645.50

2685.18

2712.03

66

5023.42

5098.77

5149.76

28

2701.55

2742.07

2769.49

67

5096.62

5173.07

5224.80

29

2763.63

2805.08

2833.13

68

5170.33

5247.88

5300.36

30

2826.24

2868.63

2897.32

69

5243.54

5322.19

5375.41

31

2886.83

2930.13

2959.43

70

5316.24

5395.98

5449.94

32

2943.37

2987.52

3017.4

71

5389.44

5470.28

5524.98

33

3004.97

3050.04

3080.54

72

5463.16

5545.11

5600.56

34

3067.58

3113.59

3144.73

73

5535.85

5618.89

5675.08

35

3125.63

3172.51

3204.24

74

5609.57

5693.71

5750.65

36

3180.65

3228.36

3260.64

75

5682.78

5768.02

5825.70

37

3248.82

3297.55

3330.53

76

5755.48

5841.81

5900.23

38

3315.96

3365.70

3399.36

77

5828.69

5916.12

5975.28

39

3384.12

3434.88

3469.23

78

5910.98

5999.64

6059.64

 

 

Hoofdstuk 17 Slotbepalingen

Artikel 17:1 Interpretatie
Interpretatie Vraagstukken met betrekking tot de interpretatie van de artikelen van deze CAO worden door partijen bij de-
ze CAO besproken in het OAGz tegen de achtergrond van de gevoerde onderhandelingen en de daarbij geble-
ken bedoelingen van partijen.

Artikel 17:2 Geschillen
1. Een geschil is aanwezig indien de werkgever of de werknemer schriftelijk en gemotiveerd jegens de ande-
re partij te kennen geeft dat een -duidelijk omschreven -geschil aanwezig is.
2. De beslechting van geschillen geschiedt door de gewone rechter, dan wel bij uitsluiting van de gewone
rechter door het Scheidsgerecht Gezondheidszorg. De aanwijzing van genoemd Scheidsgerecht in de ar-
beidsovereenkomst met een werknemer, in strijd met de bevoegdheidsbepalingen in het Reglement voor
het Scheidsgerecht, is nietig.

Artikel 17:3 Looptijd CAO en opzegging
1. De CAO geldt van 1 januari 2009 tot 1 maart 2011.
2. Partijen kunnen overeenkomen de CAO tijdens de looptijd te wijzigen.
3. Indien geen van de partijen uiterlijk één maand voor de datum waarop deze CAO eindigt de CAO schrifte-
lijk opzegt, wordt de duur elk jaar met een kalenderjaar verlengd.

Artikel 17:4 Uitzendkrachten
Uitzendkrachten De organisatie, vallende onder de CAO Gehandicaptenzorg, dient in zijn overeenkomst met een houder van
en CAO een vergunning voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten als bedoeld in de WAADI (Wet Allocatie
Arbeidskrachten door Intermediairs), overeen te komen dat de ingeleende arbeidskracht de rechtens gelden-
de beloning van de werknemer, werkzaam in een gelijke of gelijkwaardige functie in dienst van de inlenende
organisatie, ontvangt. De inlenersbeloning, als bedoeld in de voorgaande zin, is samengesteld uit de navol-
gende elementen, overeenkomstig de bepalingen, zoals die gelden in de inlenende onderneming:
1. het geldende periodeloon in de schaal;
2. de in hoofdstuk 7 van deze CAO genoemde toeslagen voor overwerk, verschoven uren, onregelmatig-
heid en bijzondere diensten, indien van toepassing op de verrichte werkzaamheden van de uitzendkracht;
3. de initiële loonsverhoging, hoogte en tijdstip als bij de inlener bepaald;
4. de in hoofdstuk 9 van deze CAO genoemde kostenvergoedingen (met uitzondering van de vergoeding
voor ziektekosten (IZZ-regeling));
5. periodieken, hoogte en tijdstip als bij inlener bepaald;
6. een met de CAO Gehandicaptenzorg overeenkomstige arbeidsduur.

 

Bijlage 1

Salaristabel inpassingsnummer -2 t/m 100

Volgnr.

1-3-2008

1-12-2009

1-7-2010

Volgnr.

1-3-2008

1-12-2009

1-7-210

-2

1224

1242

1254

50

4051

4112

4153

-1

1273

1292

1305

51

4109

4171

4213

1

1312

1332

1345

52

4167

4230

4272

2

1336

1356

1370

53

4226

4289

4332

3

1360

1380

1394

54

4283

4347

4390

4

1414

1435

1449

55

4341

4406

4450

5

1465

1487

1502

56

4400

4466

4511

6

1494

1516

1531

57

4456

4523

4568

7

1534

1557

1573

58

4514

4582

4628

8

1573

1597

1613

59

4574

4643

4689

9

1614

1638

1654

60

4631

4700

4747

10

1659

1684

1701

61

4688

4758

4806

11

1710

1736

1753

62

4747

4818

4866

12

1763

1789

1807

63

4804

4876

4925

13

1822

1849

1867

64

4864

4937

4986

14

1882

1910

1929

65

4936

5010

5060

15

1937

1966

1986

66

5009

5084

5135

16

2000

3030

2050

67

5080

5156

5208

17

2050

2081

2102

68

5154

5231

5283

18

2110

2142

2163

69

5226

5304

5357

19

2166

2198

2220

70

5298

5377

5431

20

2224

2257

2280

71

5371

5452

5507

21

2281

2315

2338

72

5444

5526

5581

22

2339

2374

2398

73

5517

5600

5656

23

2397

2433

2457

74

5590

5674

5731

24

2455

2492

2517

75

5663

5748

5805

25

2515

2553

2579

76

5735

5821

5879

26

2577

2616

2642

77

5807

5894

5953

27

2640

2680

2707

78

5889

5977

6037

28

2696

2736

2763

79

5971

6061

6122

29

2760

2801

2829

80

6050

6141

6202

30

2822

2864

2893

81

6132

6224

6286

31

2880

2923

2952

82

6213

6306

6369

32

2939

2983

3013

83

6293

6387

6451

33

3001

3046

3076

84

6376

6472

6537

34

3063

3109

3140

85

6470

6567

6633

35

3121

3168

3200

86

6566

6664

6731

36

3191

3239

3271

87

6660

6760

6828

37

3257

3306

3339

88

6756

6857

6926

38

3325

3375

3409

89

6851

6954

7024

39

3392

3443

3477

90

6945

7049

7119

40

3451

3503

3538

91

7040

7146

7217

41

3518

3571

3607

92

7135

7242

7314

42

3582

3636

3672

93

7231

7339

7412

43

3647

3702

3739

94

7327

7437

7511

44

3708

3764

3802

95

7422

7533

7608

45

3763

3819

3857

96

7518

7631

7707

46

3820

3877

3916

97

7613

7727

7804

47

3878

3936

3975

98

7708

7824

7902

48

3934

3993

4033

99

7805

7922

8001

49

3993

4053

4094

100

7901

8020

8100

Bijlage
2Normen Arbeidstijdenwet (ATW), Arbeidstijdenbesluit (ATB)
en CAO Gehandicaptenzorg voor verpleging en verzorging

Normen: Werknemers van 18 jaar of ouder Hoofdregel ATW Afwijking/aanvulling ATB CAO Gehandicaptenzorg
minimum rusttijden
Wekelijkse onafgebroken rust Hetzij 36 uur per periode van 7 x 24. Hetzij 72 uur per periode van 14 x 24 uur (op te splitsen in perioden van min. 32 uur) Hetzij 36 uur per periode van 7 x 24 uur. Hetzij 72 uur per periode van 14 x 24 uur, op te splitsen in perioden van min. 32 uur. Per 9 x 24 uur moet in ieder geval 32 uur rust worden genoten.
Dagelijkse onafgebroken rust 11 uur per 24 uur (1 x per periode van 7 x 24 uur in te korten tot 8 uur) 11 uur per 24 uur. 1 x per periode van 7 x 24 uur in te korten tot 8 uur en 1 x tot 10 uur
Zondagsarbeid
Arbeidsverbod Op zondag wordt geen arbeid verricht, tenzij…
Uitzondering 1 arbeidsverbod Tenzij het tegendeel is bedongen en uit de aard van de arbeid voortvloeit
Uitzondering 2 arbeidsverbod Tenzij de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken en het medezeggenschapsorgaan , of bij het ontbreken daarvan de personeelsvertegenwoordiging, of bij het ontbreken daarvan de belanghebbende werknemer, daarmee instemt
Zondagsbepaling In geval van arbeid op zondag ten minste 13 vrije zondagen per 52 weken. In ieder geval 22 vrije weekends per jaar. Op verzoek werknemer kan hier van afgeweken worden.
Maximum arbeidstijden
Arbeidstijd per dienst 12 uur 10 uur. In uitzonderlijke, incidentele situaties uit te breiden tot 12 uur
Arbeidstijd per week 60 uur
Arbeidstijd per 4 weken Gemiddeld 55 uur. Afwijk mogelijk mits voldaan aan max per dienst, week & 16 weken
Arbeidstijd per 16 weken Gemiddeld 48 uur per week
Aanvullende regels indien er sprake is van nachtdiensten (meer dan een uur arbeid tussen 00.00 en 06.00 uur)
Minimum rust na een nachtdienst die eindigt na 02.00 uur 14 uur (1 x per 7 x 24 uur in te korten tot 8 uur) (bij verlengde nachtdienst 12 uur rusttijd) 14 uur (1 x per 7 x 24 uur in te korten tot 8 uur)
Minimum rust na reeks van min. 3 nachtdiensten 46 uur
Maximum arbeidstijd per nachtdienst 10 x (5 x per 14 x 24 uur en 22 x per 52 weken uit te breiden tot 12 uur = verlengde nachtdienst) 9 uur. In uitzonderlijke, incidentele situaties uit te breiden tot 10 uur
Maximum arbeidstijd per 16 weken indien  16 x of meer nachtdienst Gemiddeld 40 uur per week
Maximum aantal nachtsdiensten Per 16 weken 36 nachtdiensten die eindigen na 2:00 uur. Afwijking mogelijk tot max 140 nachtdiensten die eindigen na 02:00 uur per 52 weken, of maximaal 38 uur arbeid tussen 00:00 en 06:00 uur per 2 aaneengesloten weken Per 16 weken 43 nachtdiensten en per 52 weken max 140 nachtdiensten
Overgangsregeling permantente nachtarbeid Per 4 weken max 20 nachtdiensten die eindigen na 02:00 uur indien:
Werknemer direcht voorafgaand aan 1 januari 1996 een aantal volgens gelijk arbeidstijdenpatroo werkte
Dit patroon niet in strijd was met regelgeving en wetgeving destijds
Dit door op andere wijze organiseren van de arbeid redelijkerwijs niet is te voorkomen
Maximum aantal achtereenvolgende diensten in een reeks van nachtdiensten 7. Bij collectieve regeling verlengen tot max. 8. 7
Pauze (tijdruimte van minimaal 1/4 uur)
Arbeidstijd per dienst > 5,5 uur 0,5 uur (op te splitsen in 2 x 0,25 uur) Afwijking mogelijk, minimaal 1 pauze van 0,25 uur 0,5 uur (op te splitsen in 2 x 0,25 uur) 
Arbeidstijd per dienst > 10 uur 0,75 uur (op te splitsen in 3 x 0,25 uur) Afwijking mogelijk, minimaal 1 pauze van 0,25 uur 0,5 uur (op te splitsen in 2 x 0,25 uur) 
Consignatie (afwijking rusttijd en pauze)
Periode zonder consignatie Per 28 x 24 uur 14 periodes van min 24 uur en 2 periodes van minimaal 48 uur geen arbeid en geen consignatie
Consignatie voor en na een nachtdienst 11 uur voor en 14 uur na nachtdienst niet toegestaan
Maximum arbeidstijd per 24 uur 13 uur
Maximum arbeidstijd per week 60 uur
Maximum arbeidstijd per 16 weken - algemeen Gemiddeld 48 uur per week
Maximum arbeidstijd per week indien per 16 weken 16 keer of meer consignatie die geheel of gedeeltelijk de periode tussen 00.00 en 06.00 uur omvat Gemiddeld 40 uur per week of gemiddeld 45 uur per week indien na de laatste oproep tussen 00:00 en 06:00 uur 8 uur rust dan wel in de 18 uur na 06:00 uur 8 uur rust
Minimum arbeidstijd bij oproep in consignatie 0,5 uur
Aanwezigheidsdienst
Maximum aantal aanwezigheidsdiensten per 26 weken 52
Maximale duur van een aanwezigsdienst 24 uur
Maximale arbeidstijd per 26 weken Gemiddeld 48 uur per week Opt-out mogelijkheid: bij individuele instemming werknemer 60 uur Gemiddeld 48 uur per week. Opt-out mogelijkheid: bij individuele instemming werknemer 56 uur
Minimum rust voor en na een aanwezigheidsdienst 11 uur (per 7 x 24 uur 1 x in te korten tot 10 uur en 1 x in te korten tot 8 uren)
Minimum rust per week 90 uur  bestaande uit een onafgebroken rusttijd van 24 uur en 6 onafgebroken rustperioden van 11 uur (1 in te korten tot 10 uur en 1 x in te korten 8 uur) Afwijkende afspraak over compenserende rusttijd mogelijk bij collectieve regeling
Bereikbaarheidsdienst
Maximum aantal bereikbaarheidsdiensten per periode van 7 x 24 uur 3
Maximum aantal bereikbaarheidsdiensten per 16 weken 32
Bereikbaarheidsdienst voor en na een nachtdienst 11 uur voor en 14 uur na nachtdienst niet toegestaan
Maximum arbeidstijd per 24 uur 13 uur
Maximum arbeidstijd per week 60 uur
Maximum arbeidstijd per 16 weken - algemeen Gemiddeld 48 uur per week
Maximum arbeidstijd per week indien per 16 weken 16 keer of meer consignatie die geheel of gedeeltelijk de periode tussen 00.00 en 06.00 uur omvat Gemiddeld 40 uur per week of gemiddeld 45 uur per week indien na de laatste oproep tussen 00:00 en 06:00 uur 8 uur rust dan wel in de 18 uur na 06:00 uur 8 uur
Minimum arbeidstijd bij oproep in consignatie 0,5 uur
Cumulatie bijzondere diensten (consignatie + aanwezigheids- + bereikbaarheidsdiensten
Maximum aantal bijzondere diensten per periode van 7 x 24 uur 3
Maximum aantal bijzondere diensten per 16 weken 32

2Normen Arbeidstijdenwet (ATW), Arbeidstijdenbesluit (ATB)
en CAO Gehandicaptenzorg voor geneeskundigen

Normen: Werknemers van 18 jaar of ouder Hoofdregel ATW Afwijking/aanvulling ATB CAO Gehandicaptenzorg
minimum rusttijden
Wekelijkse onafgebroken rust Hetzij 36 uur per periode van 7 x 24. Hetzij 72 uur per periode van 14 x 24 uur (op te splitsen in perioden van min. 32 uur) Hetzij 36 uur per periode van 7 x 24 uur. Hetzij 72 uur per periode van 14 x 24 uur, op te splitsen in perioden van min. 32 uur. Per 9 x 24 uur moet in ieder geval 32 uur rust worden genoten.
Dagelijkse onafgebroken rust 11 uur per 24 uur (1 x per periode van 7 x 24 uur in te korten tot 8 uur)
Zondagsarbeid
Arbeidsverbod Op zondag wordt geen arbeid verricht, tenzij…
Uitzondering 1 arbeidsverbod Tenzij het tegendeel is bedongen en uit de aard van de arbeid voortvloeit
Uitzondering 2 arbeidsverbod Tenzij de bedrijfsomstandigheden dit noodzakelijk maken en het medezeggenschapsorgaan , of bij het ontbreken daarvan de personeelsvertegenwoordiging, of bij het ontbreken daarvan de belanghebbende werknemer, daarmee instemt
Zondagsbepaling In geval van arbeid op zondag ten minste 13 vrije zondagen per 52 weken. In ieder geval 22 vrije weekends per jaar. Op verzoek werknemer kan hier van afgeweken worden.
Maximum arbeidstijden
Arbeidstijd per dienst 12 uur 10 uur. In uitzonderlijke, incidentele situaties uit te breiden tot 12 uur
Arbeidstijd per week 60 uur
Arbeidstijd per 4 weken Gemiddeld 55 uur. Afwijk mogelijk mits voldaan aan max per dienst, week & 16 weken
Arbeidstijd per 16 weken Gemiddeld 48 uur per week
Aanvullende regels indien er sprake is van nachtdiensten (meer dan een uur arbeid tussen 00.00 en 06.00 uur)
Minimum rust na een nachtdienst die eindigt na 02.00 uur 14 uur (1 x per 7 x 24 uur in te korten tot 8 uur) (bij verlengde nachtdienst 12 uur rusttijd) 14 uur (1 x per 7 x 24 uur in te korten tot 8 uur)
Minimum rust na reeks van min. 3 nachtdiensten 46 uur
Maximum arbeidstijd per nachtdienst 10 x (5 x per 14 x 24 uur en 22 x per 52 weken uit te breiden tot 12 uur = verlengde nachtdienst) 9 uur. In uitzonderlijke, incidentele situaties uit te breiden tot 10 uur
Maximum arbeidstijd per 16 weken indien  16 x of meer nachtdienst Gemiddeld 40 uur per week
Maximum aantal nachtsdiensten Per 16 weken 36 nachtdiensten die eindigen na 2:00 uur. Afwijking mogelijk tot max 140 nachtdiensten die eindigen na 02:00 uur per 52 weken, of maximaal 38 uur arbeid tussen 00:00 en 06:00 uur per 2 aaneengesloten weken Per 16 weken 43 nachtdiensten en per 52 weken max 140 nachtdiensten
Overgangsregeling permantente nachtarbeid Per 4 weken max 20 nachtdiensten die eindigen na 02:00 uur indien:
Werknemer direcht voorafgaand aan 1 januari 1996 een aantal volgens gelijk arbeidstijdenpatroo werkte
Dit patroon niet in strijd was met regelgeving en wetgeving destijds
Dit door op andere wijze organiseren van de arbeid redelijkerwijs niet is te voorkomen
Maximum aantal achtereenvolgende diensten in een reeks van nachtdiensten 7. Bij collectieve regeling verlengen tot max. 8. 7
Pauze (tijdruimte van minimaal 1/4 uur)
Arbeidstijd per dienst > 5,5 uur 0,5 uur (op te splitsen in 2 x 0,25 uur) Afwijking mogelijk, minimaal 1 pauze van 0,25 uur 0,5 uur (op te splitsen in 2 x 0,25 uur) 
Arbeidstijd per dienst > 10 uur 0,75 uur (op te splitsen in 3 x 0,25 uur) Afwijking mogelijk, minimaal 1 pauze van 0,25 uur 0,5 uur (op te splitsen in 2 x 0,25 uur) 
Consignatie (afwijking rusttijd en pauze)
Periode zonder consignatie Per 28 x 24 uur 14 periodes van min 24 uur en 2 periodes van minimaal 48 uur geen arbeid en geen consignatie
Consignatie voor en na een nachtdienst 11 uur voor en 14 uur na nachtdienst niet toegestaan
Maximum arbeidstijd per 24 uur 13 uur
Maximum arbeidstijd per week 60 uur
Maximum arbeidstijd per 16 weken - algemeen Gemiddeld 48 uur per week
Maximum arbeidstijd per week indien per 16 weken 16 keer of meer consignatie die geheel of gedeeltelijk de periode tussen 00.00 en 06.00 uur omvat Gemiddeld 40 uur per week of gemiddeld 45 uur per week indien na de laatste oproep tussen 00:00 en 06:00 uur 8 uur rust dan wel in de 18 uur na 06:00 uur 8 uur rust
Minimum arbeidstijd bij oproep in consignatie 0,5 uur
Aanwezigheidsdienst
Maximum aantal aanwezigheidsdiensten per 26 weken 52
Maximale duur van een aanwezigsdienst 24 uur
Maximale arbeidstijd per 26 weken Gemiddeld 48 uur per week Opt-out mogelijkheid: bij individuele instemming werknemer 60 uur Gemiddeld 48 uur per week. Opt-out mogelijkheid: bij individuele instemming werknemer 56 uur
Minimum rust voor en na een aanwezigheidsdienst 11 uur (per 7 x 24 uur 1 x in te korten tot 10 uur en 1 x in te korten tot 8 uren)
Minimum rust per week 90 uur  bestaande uit een onafgebroken rusttijd van 24 uur en 6 onafgebroken rustperioden van 11 uur (1 in te korten tot 10 uur en 1 x in te korten 8 uur) Afwijkende afspraak over compenserende rusttijd mogelijk bij collectieve regeling
Bereikbaarheidsdienst
Maximum aantal bereikbaarheidsdiensten per periode van 7 x 24 uur 5
Maximum aantal bereikbaarheidsdiensten per 16 weken 32
Bereikbaarheidsdienst voor en na een nachtdienst 11 uur voor en 14 uur na nachtdienst niet toegestaan
Maximum arbeidstijd per 24 uur 13 uur
Maximum arbeidstijd per week 60 uur
Maximum arbeidstijd per 16 weken - algemeen Gemiddeld 48 uur per week
Maximum arbeidstijd per week indien per 16 weken 16 keer of meer consignatie die geheel of gedeeltelijk de periode tussen 00.00 en 06.00 uur omvat Gemiddeld 40 uur per week of gemiddeld 45 uur per week indien na de laatste oproep tussen 00:00 en 06:00 uur 8 uur rust dan wel in de 18 uur na 06:00 uur 8 uur
Minimum arbeidstijd bij oproep in consignatie 0,5 uur
Cumulatie bijzondere diensten (consignatie + aanwezigheids- + bereikbaarheidsdiensten
Maximum aantal bijzondere diensten per periode van 7 x 24 uur 3
Maximum aantal bijzondere diensten per 16 weken 32

 

Toelichting schema

Bovenstaand schema geeft een overzicht van een aantal belangrijke normen uit de Arbeidstijdenwet (ATW) en het Arbeidstijdenbesluit
(ATB) en afspraken die CAO-partijen aanvullend met elkaar hierover hebben gemaakt. Indien in de kolom CAO Gehandicaptenzorg
een norm is opgenomen dient u deze norm te volgen. Is deze kolom leeg dan zijn de bepalingen uit de ATW en ATB
(inclusief daarin genoemde uitzonderings-en afwijkingsmogelijkheden) van toepassing.
Let op!! In het schema is maar een deel van de normen uit de ATW en het ATB opgenomen. Voor een volledig beeld is raadpleging
van de de ATW en het ATB noodzakelijk.


Toepassingsbereik:

Een deel van de de normen van de ATW zijn, onder bepaalde voorwaarden, niet van toepassing op leidinggevenden en hoger per-
soneel die ten minste drie keer het bruto minimumloon verdienen (deeltijders naar rato). Voor de precieze bepaling verwijzen wij
u naar artikel 2.1:1 ATB.

 

Pagina 1 van 2

VISIE
SALARISNIEUWS

Voor en door salarisadministrateurs & HR specialisten.

Salarisadministratie is een kennisintensief en dynamisch vakgebied.
Het up-to-date houden van kennis begint met delen van kennis…

CAO 
SALARISADMINISTRATIE

Zoek gratis in onze Cao's database. Heb je tips of vragen? Reageer of mail!


SALARIS
SOFTWARE

Deel je positieve ervaringen en frustraties.
Geef je mening en advies!

OPLEIDING EN MEER

SALARISADMINISTRATIE 

Jezelf blijven ontwikkelen binnen de salarisadministratie is een must. Opleidingen zoals Praktijkdiploma Loonadministratie (PDL) & Vakopleiding Payroll Services (VPS) . Congressen en vakbladen voor up-to-date informatie.

Salarisnieuws LinkedIn


Salarisnieuws Twitter