Salarisnieuws

Vrijdag, 10 Sep

Laatste update04:24:24 AM GMT

44 Zakelijke dienstverlening II
U bevindt zich op 44 Zakelijke dienstverlening II

44 Zakelijke dienstverlening II

Sector 44 - AVV Architectenbureaus 2009/2010

E-mailadres Afdrukken PDF

Architectenbureaus 2009/2010 Verbindendverklaring CAO-bepalingen

MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Besluit van de Minister van Sociale Zakenen Werkgelegenheid van 21 oktober 2009 tot algemeen verbindendverklaring van bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst voor personeel in dienst van Architectenbureaus UAW Nr.10937

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; Gelezen het verzoek van Cao Overleg Architectenbureaus namens partijen bij bovengenoemde collectievearbeidsovereenkomst, strekkende tot algemeen verbindendverklaring van bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst;

Partij(en) te enerzijde: Koninklijke Maatschappij tot bevordering der Bouwkunst Bond van Nederlandse Architecten; Partij(en)teandererzijde: CNV Dienstenbond, FNV Bondgenotenen DeUnie.

Gelet op de artikelen 2, 4 en 5 van de Wet op het algemeen verbindenden het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten;

Besluit:

Dictum I Verklaart algemeen verbindend de navolgende bepalingen van bovengenoemde collectieve arbeidsovereenkomst, zulks met inachtneming van hetgeen in de dicta II, III en IV is bepaald:

I WERKINGSSFEER EN DEFINITIES

 

Artikel 1 Werkingssfeer
De bepalingen van deze CAO zijn – met inachtneming van de definities genoemd in artikel 2 lid 1 en van de beperking omschreven in artikel 2 lid 2 – van toepassing op alle werknemers in dienst van architectenbureaus.

 

Artikel 2 Definities
1. In deze CAO wordt verstaan onder:
a. de werkgever: de natuurlijke persoon of rechtspersoon, die op last van een opdrachtgever uitsluitend of in hoofdzaak architecten werkzaamheden verricht.
b. architectenwerkzaamheden:
1. het ontwerpen van gebouwen of van vernieuwingen, veranderingen, uitbreidingen of restauraties in de ruimste zin des woords, met uitzondering van de werk en behorende tot de grond-, water-of wegenbouw;
2. het in een organisatorische eenheid met de onder 1 genoemde werkzaamheden uitsluitend of in overwegende mate verrichten van een of meerdere van de volgende activiteiten:
– het maken van het bestek;
– het maken van de bouwvoorbereidingstekeningen;
– het maken van de begroting;
– het verrichten van werk zaamheden ter zake van het uitvoeringscontract;
– het maken van uitvoeringstekeningen;
– het voeren van de directie;
– het verrichten van de oplevering;
– het maken van onderhouds- en beheersplannen;
– het verrichten van administratieve werkzaamheden;
– het verrichten van andere werkzaamheden in samenhang met de hiervoor onder 1 en 2 genoemde werkzaamheden.
c.de werknemer:degene jonger dan 65 jaar die in dienst van de werkgever werkzaamheden verricht als omschreven voor een van
de in artikel 6 bedoelde functiegroepen, dan wel het in de artikelen 9 en 11 bedoelde personeel met minimumloon.
2. Geenwerknemer, alsbedoeld in lid1 sub c, is de leerling uit het middelbaar of hoger beroeps onderwijs, die gedurende de door de school aangegeven tijd tijdens een stage periode werkt in dienst van de werkgever, als mededestudent aan een universiteit, die op basis van het onderwijsprogramma tijdens zijn studie voor het op doen van praktische ervaring werk t in dienst van de werkgever.
3. Onder (maand/uur) salaris in deze CAO wordt verstaan bruto-(maand/uur) salaris op basis van een volledig dienst verband.
4. Onder echtgeno(o)t(e) in deze CAO wordt ook verstaan de vaste partner met wie duurzaam wordt samengewoond. Er is sprake van duurzaam samenwonen als uit het bevolkingsregister blijkt, dat de partners tenminste een jaar op hetzelfde adres staan ingeschreven.
5. Geregistreerd partnerschap heeft de status van huwelijk.

 

II DE ARBEIDSOVEREENKOMST

 

Artikel 3 Aanstellingsbeleid
1. Ten blijke van zijn aanstelling ontvangt de werknemer, die bij de werkgever indienst treedt, een schriftelijk bewijs waar in tenminste wordt vermeld:
a. de naam en woonplaats van werkgever en werknemer;
b. de datum van indiensttreding;
c. de duur van de arbeidsovereenkomst als deze voor bepaalde tijd is;
d. de plaats(en) waar de werknemer werkt;
e. de functie, de functiefamilie en de functiegroep;
f. het bruto-maandsalaris;
g. de voor hem geldende gemiddelde arbeidsduur per week en de dagelijkse werktijden. Tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst opgetreden of optredende wijzigingen dienen door de werkgever schriftelijk aan de werknemer te worden bevestigd.
2. De werkgever zal personeel op het bouwwerk voor zover mogelijk aanstellen met een arbeidsover-eenkomst voor onbepaalde tijd. Het overige personeel zal in de regel aangesteld worden met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
3. Een proeftijd moet schriftelijk worden overeengekomen en is voor beide partijen gelijk.
In afwijking van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek kan bij alle arbeidsovereenkomsten een proeftijd van ten hoogste twee maanden worden overengekomen.

 

Artikel 4 Verplichtingen van de werkgever en de werknemer
De werkgever en de werknemer zijn in het algemeen verplicht al datgene te doen of na te laten wat een goed werkgever en een goed werknemer in gelijke omstandigheden behoren te doen of na te laten.
1. In het bijzonder geldt voor de werkgever het volgende:
a. De werknemer kan niet verplicht worden arbeid te verrichten voor anderen dan de werkgever bij wie hij in dienst is, tenzij werkgever en werknemer hierover overeenstemming hebben bereikt. De werkgever kan aan de werknemer geen andere werkzaamheden opdragen dan die welke in verband staan met de functie van de werknemer, of die in verband staan met gelijkwaardige functies genoemd in het Handboek Functieindeling Architectenbureaus.
b. Het is de werkgever verboden de werknemer zowel bij diens aanstelling als tijdens diens dienstverband op enigerlei wijze te binden respectievelijk gebonden te houden aan voorwaarden, die betrekking hebben op het uitoefenen van een functie na het eindigen van de arbeidsovereenkomst.
c. Indien een werknemer onoverkomelijke bezwaren, van ethische of religieuze aard, heeft tegen het verrichten van werkzaamheden verbonden aan een door het bureau aanvaarde opdracht, zal de werkgever deze bezwaren eerbiedigen en indien mogelijk vervangende arbeid aanbieden.
e. De werkgever is verplicht de in deze CAO omschreven arbeidsvoorwaarden volledig in acht te nemen en deze – behoudens een daartoe verkregen ontheffing op grond van artikel 43 – onverkort toe te passen.
2. In het bijzonder geldt voor de werknemer het volgende:
b. De werknemer zal het bureau, de directiekeet of enig ander vertrek waarin hij werkt op behoorlijke en ordelijke wijze gebruiken en bewonen. Hij is verplicht strikte geheimhouding tegenover derden in acht te nemen ten aanzien van alles wat hem met betrekking tot de werkzaamheden en relaties van de werkgever ter kennis komt. Alle geschreven of getypte stukken, tekeningen, berekeningen, kopieën daarvan en reproducties, die door de werknemer in dienst van de werkgever worden gemaakt of waarvan hij inzage krijgt, zijn eigendom van de werkgever. Deze mogen zonder medeweten en goedvinden van de werkgever niet door de werknemer aan derden worden getoond, overgelegd of op een andere wijze worden gebruikt. Ook het maken van kopieën of reproducties voor eigen gebruik door de werknemer is zonder toestemming van de werkgever niet geoorloofd.
c. De werknemer is verplicht, de in deze CAO omschreven arbeidsvoorwaarden volledig in acht te nemen en deze – behoudens een daartoe verkregen ontheffing op grond van artikel 43 – onverkort toe te passen.

 

Artikel 5 Opzegging van de arbeidsovereenkomst
1. De opzegging van een arbeidsovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan, dient schriftelijk en duidelijk met redenen omkleed te geschieden. Van de opzegging om een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677, lid 1 Burgerlijk Wetboek, zal de reden schriftelijk en onverwijld aan de wederpartij worden meegedeeld.
2. De arbeidsovereenkomst die voor bepaalde tijd is aangegaan eindigt van rechtswege door het verstrijken van de termijn waarvoor deze is aangegaan. Dit geldt ook voor een verlengde arbeidsovereenkomst. Er ontstaat echter van rechtswege een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zodra bij elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten:
– sinds de begindatum van de eerste arbeidsovereenkomst meer dan 36 maanden zijn verstreken en/of
– meer dan vier arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd zijn aangegaan. Als dan geldende regels voor opzegging van een arbeidsovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan.
3. De door de werknemer in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt één maand. Van deze termijn kan schriftelijk worden afgeweken. De termijn van opzegging voor de werknemer mag bij verlenging niet langer zijn dan zes maanden en voor de werkgever niet korter dan het dubbele van die voor de werknemer.
4. De door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt bij een arbeidsovereenkomst die op de dag van opzegging: a. korter dan vijf jaar heeft geduurd: één maand;
b. vijf jaar of langer, maar korter dan tien jaar heeft geduurd: twee maanden;
c. tien jaar of langer, maar korter dan vijftien jaar heeft geduurd: drie maanden;
d. vijftien jaar of langer heeft geduurd: vier maanden.
e. Boven de krachtens sub a tot en met sub d berekende opzeggingstermijn geldt een extra opzeggingstermijn van één maand voor elke periode van vijf jaren of een gedeelte daarvan, gedurende welke het dienstverband van de werknemer van 45 t/m 64 jaar ná het bereiken van de 45-jarige leeftijd heeft geduurd. De totale duur van de door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijn bedraagt ten hoogste zes maanden.
5. Opzegging van de arbeidsovereenkomst geschiedt tegen het einde van de maand, tenzij bij schriftelijke overeenkomst of door het gebruik een andere dag daarvoor is aangewezen.
6. De leden 3, 4 en 5 zijn van overeenkomstige toepassing in geval van opzegging van een arbeidsovereenkomst die voor bepaalde tijd is aangegaan, indien schriftelijk overeengekomen is dat de arbeidsovereenkomst tussentijds kan worden opgezegd door zowel werknemer als werkgever.

 

III FUNCTIE, INKOMEN EN ONTWIKKELING

 

Artikel 6 Functie-indeling
1.De werkgever deelt de werknemer in een functiegroep in, waarbij de omschrijvingen als opgenomen in het Handboek Functie-indeling Architectenbureaus in aanmerking dienen te worden genomen. Dit Handboek vormt een integraal onderdeel van deze CAO en is algemeen verbindend verklaard bij besluit van 20 november 2002, Staatscourantnr. 228.
Het Handboek is tegen betaling te verkrijgen bij het secretariaat van de APA, Postbus19606, 1000 GP Amsterdam, telefoon 020–6200169.
2. De werkgever stelt het functiejaar vast.

 

Artikel 7 Beroepsmogelijkheid
Indien de werknemer zich niet kan verenigen met de door de werkgever conform artikel 6 vastgestelde functie-indeling, bestaat onder de voorwaarden als omschreven in artikel 10 van het Reglement van de APA de mogelijkheid van beroep tegen de functie-indeling bij de APA.

 

Artikel 8 Vaststelling salaris
De werkgever stelt voor de werknemer een maandsalaris vast overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 10 en 11 en met in achtneming van het volgende:
1. Bij de in het Handboek Functie-indeling Architectenbureaus beschreven functiegroepen B t/m N behorende salarisschalen A t/m N, waarbij de salarisschalen B t/m N onderdeel zijn van het functiesysteem voor de architectenbranche. In salarisschaal A zijn de bij de wet vastgestelde minimumlonen, gekoppeld aan leeftijden, opgenomen. Het minimumloon wordt alleen verhoogd of verlaagd overeenkomstig de wettelijke bepalingen.
2. De werknemer wordt gesalarieerd volgens de salarisschaal die behoort bij de functiegroep waarin zijn functie is ingedeeld en volgenshet hem toegekende functiejaar.
3. De werknemer die in een jaar tenminste zes maanden feitelijke werkervaring heeft opgedaan bij een werkgever in een bepaalde functie heeft bij het op normale wijze vervullen van de functie per 1 januari recht op de periodieke verhoging die geldt binnen de desbetreffende salarisschaal, voorzover hij het laatste functiejaar nog niet heeft bereikt.
4. Het niet toekennen van de in lid 3 voorgeschreven verhoging is alleen mogelijk in de volgende gevallen:
a. in individuele gevallen, wanneer de betrokkene de van hem verwachte prestatie volgens de beoordeling van de werkgever niet meer waarmaakt; dat wil zeggen dat betrokkene duidelijk langdurig slechter is gaan functioneren. Werkgever zal die beoordeling dan aan de werknemer schriftelijk moeten motiveren.
b. in collectieve gevallen, indien dit voor iedereen geldt en de maatregel door 4/5 deel van het personeel, dat door de maatregel wordt getroffen, wordt aanvaard en de maatregel bedoeld is om verlies van arbeidsplaats en te voorkomen.
5. De werkgever kan in overleg met de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of het gezamenlijke personeel een beoordelingsregeling vaststellen, die geldt voor alle werknemers. In afwijking van het bepaalde in lid 3 kan de werkgever op basis van de beoordeling bij de toekenning van de jaarlijkse periodieke verhoging afwijken van het bedrag in de bijbehorende salarisschaal met een marge van – 2,5% tot 7,5%. Dit laat onverlet de mogelijkheid van het onthouden van een periodiek op grond van lid 4. De beoordeling dient schriftelijk ter kennis van de werknemer te worden gebracht.
6. Werknemers, die voor de uitvoering van een bepaald project in onderling overleg met de werkgever tijdelijk in diensttreden van derden, hebben na en tijdens deze periode tenminste aanspraak op het salaris dat zij bij een normaal voortgezette arbeidsovereenkomst zouden hebben verworven.

 

Artikel 9 Aanloopschalen
1. Onervaren werknemers met maximaal opleidingsniveau MBO kunnen gedurende maximaal twee jaar worden gesalarieerd op basis van salarisschaal A als aanloopschaal voor salarisschaal B en C.
2. Onervaren werknemers, waarop lid 1 niet van toepassing is, kunnen bij indiensttreding gedurende maximaal twee jaar gesalarieerd worden op basis van de direct aansluitende naast lagere salarisschaal voor zover daarmee niet onder het wettelijk minimumloon gesalarieerd wordt.

 

Artikel 10 Salaristabellen
Salaristabellen vanaf 1 juli 2009
2. a. De in de volgende tabel vermelde bruto-maandsalarissen gelden per 1 juli 2009 bij een 40-urige werkweek en zijn inclusief 1 % salarisverhoging per 1 juli 2009.
salarisschaal A B C D E F G H J K L M N
periodiek 50 53 58 62 68 75 82 90 99 109 119 131
leeftijd minimumloon schaal functiejaar
15 419,60 0 1497 1550 1656 1829 2017 2221 2445 2691 2960 3257 3584 3942
16 482,50 1 1547 1603 1714 1892 2085 2296 2527 2781 3061 3366 3702 4073
17 552,45 2 1597 1658 1771 1954 2152 2371 2608 2870 3158 3476 3823 4204
18 636,35 3 1647 1711 1829 2017 2221 2445 2691 2960 3257 3584 3942 4336
19 734,25 4 1697 1764 1887 2079 2290 2519 2772 3051 3357 3693 4062 4467
20 860,15 5 1747 1817 1945 2140 2357 2595 2854 3141 3455 3801 4180 4599
21 1014,00 6 1798 1869 2001 2204 2425 2669 2936 3231 3554 3910 4301 4730
22 1188,80 7 1923 2059 2267 2494 2743 3018 3321 3653 4018 4420 4862
23 e.o. 1398,60 8 1976 2116 2328 2562 2818 3100 3410 3752 4128 4540 4993
9 2174 2391 2630 2893 3181 3501 3851 4237 4659 5124


b.De in de volgende tabel vermelde bruto-maandsalarissen gelden per 1 juli 2009 bij een 38-urige werkweek en zijn inclusief 1% salarisverhoging per 1 juli 2009. Deze salaristabel geldt voor de werknemer die op 31 december 2007 in dienst was en er voor heeft gekozen om per 1 januari 2008 de voor hem in zijn arbeidsovereenkomst vastgestelde arbeidsduur te handhaven (zie artikel 16 lid 2).

salarisschaal A B C D E F G H J K L M N
periodiek 49 52 56 61 66 72 79 87 96 106 116 127
leeftijd minimumloon schaal functiejaar
15 419,60 0 1454 1505 1608 1776 1958 2156 2374 2613 2874 3162 3480 3828
16 482,50 1 1502 1557 1664 1837 2024 2229 2454 2700 2971 3268 3595 3954
17 552,45 2 1551 1609 1719 1897 2090 2302 2532 2786 3066 3374 3712 4082
18 636,35 3 1599 1661 1776 1958 2156 2374 2613 2874 3162 3480 3828 4209
19 734,25 4 1648 1712 1832 2018 2223 2446 2692 2962 3260 3585 3944 4337
20 860,15 5 1696 1764 1888 2079 2289 2519 2771 3050 3354 3691 4058 4465
21 1014,00 6 1745 1814 1943 2140 2354 2591 2851 3137 3451 3796 4176 4592
22 1188,80 7 1867 1999 2201 2421 2663 2930 3224 3547 3901 4291 4720
23 e.o. 1398,60 8 1919 2054 2261 2488 2736 3010 3311 3643 4008 4407 4848
9 2111 2321 2553 2809 3089 3399 3739 4113 4523 4974

 

Artikel 11 Wettelijk minimumloon
Voor werknemers met ten hoogste LBO-niveau, die werkzaamheden verrichten van zeer eenvoudige aard waarvoor geen speciale opleiding en ervaring nodig zijn (leerling-tekenaar, leerling-typiste, jongstebediende, huishoudelijkpersoneel), geldt het hieronder vermelde wettelijk minimumloon per maand.
leeftijd per 1 januari 2009 per 1 juli 2009
15 jaar €414,35 €419,60
16 jaar €476,50 €482,50
17 jaar €545,55 €552,45
18 jaar €628,45 €636,35
19 jaar €725,15 €734,25
20 jaar €849,45 €860,15
21 jaar €1001,35 €1014,00
22 jaar €1174,00 €1188,80
23 jaar e.o. €1381,20 €1398,60

Bovengenoemd minimumloon wordt alleen verhoogd of verlaagd overeenkomstig de wettelijke bepalingen.

 

Artikel 12 Salarisverhogingen
De salarissen zullen per 1 juli 2009 worden verhoogd met 1 %.

 

Artikel 13 Vakantietoeslag
De werknemer heeft voor iedere maand dat hij in dienst is en geen onbetaald verlof geniet recht op een vakantietoeslag van 8%. De vakantietoeslag wordt uitbetaald uiterlijk in de maand juni of op de datum van beëindiging van het dienstverband en berekend naar het op dat moment geldende maandsalaris. Wanneer gedurende het jaar waarover de vakantietoeslag wordt uitbetaald een wijziging in de arbeidsduur is overeengekomen dan wel onbetaald verlof is genoten, wordt de vakantietoeslag naar evenredigheid berekend.

 

Artikel14 Functioneringsgesprekken
1. De werkgever zal periodiek (minimaal jaarlijks) met de werknemer zijn functioneren bespreken. Hierbij zal, met het oog op het goed vervullen van de huidige functie respectievelijk met het oog op de te verwachten wijzigingen in de huidige functie, eveneens ter sprake komen of en in hoeverre er behoefte is aan aanvullende werkervaringen/ofscholing.
2. In dit overleg zullen ook de wensen die de werknemer en de werkgever hebben met betrekking tot de interne doorstroming betrokken worden en zal bepaald worden in hoeverre deze wensen kunnen worden gehonoreerd en welke aanvullende werkervaringen/ofscholing daarvoor noodzakelijk is. Tevens kunnen in het overleg afspraken worden gemaakt over taakaanpassingen, of indien van toepassing dan wel mogelijk, plaatsing in een meer passende functie.
3. In het functioneringsgesprek zullen werkgever en werknemer tevens de arbeidsomstandigheden van werknemer, waaronder de werkplekinrichting, bespreken en vastleggen. Werkgever en werknemer verplichten zich onder alle omstandigheden de wet- en regelgeving ten aanzien van de arbeidsomstandigheden na te leven.

 

Artikel 15 Employability
1. Employability is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer(s).
2. Aan de werknemer die een opleiding gaat volgen welke mede naar het oordeel van de werkgever noodzakelijk is voor de uitoefening van het werk/de functie en welke voortvloeit uit zijn functie en/of te verwachten functies binnen het bureau en/of de branche, zal een volledige vergoeding van de studiekosten (les/examengelden, reis- en verblijfkosten, voorgeschreven leermiddelen) worden toegekend, alsmede volledige vergoeding van lestijd en in redelijkheid betaald studieverlof. Het initiatief voor het volgen van de opleiding kan zowel uitgaan van werkgever als werknemer.
3. De werknemer heeft daarnaast recht op tenminste één dag scholingsverlof per jaar met behoud van salaris ten behoeve van deelneming aan bedrijfsinterne opleidingen, symposia, seminars en dergelijke in Nederland die een relatie hebben met het werken en/of de functie. De deelnemings-, reis- en verblijfkosten komen voor rekening van de werkgever. Hoewel deelneming een recht is van de werknemer, dient over tijdstip, kosten en onderwerp, overleg te worden gevoerd tussen de werknemer en de werkgever.
4. De werknemer heeft recht op bijzonder verlof met behoud van het bruto-maandsalaris gedurende de daarvoor benodigde tijd tot een maximum van vijf dagen per kalenderjaar voor het afleggen van een vakexamen tegen overleggng van de gewaarmerkte schriftelijke oproep.

 

IV ARBEIDSTIJD EN VERLOF

 

Artikel 16 Arbeidsduur, roostervrije tijd (dagen) en feestdagen
1. Met ingang van 1 januari 2008 is de arbeidsduur verlengd van 38 uur naar 40 uur per week. De normale arbeidsduur bij een volledig dienstverband bedraagt vanaf 1 januari 2008 40 uur per week, gelijkelijk verdeeld over de werkdagen maandag tot en met vrijdag. Ter compensatie van deze verlenging van de werkweek zijn de salarissen met ingang van 1 januari 2008 met 3% verhoogd en is het recht op vakantie uitgebreid van 26 werkdagen naar 30 werkdagen vakantie per vakantiejaar.
2. Tot 1 januari 2008 bedroeg de normale arbeidsduur bij een volledig dienstverband 38 uur per week, gelijkelijk verdeeld over de werkdagen maandag tot en met vrijdag. De werknemer die op 31 december 2007 in dienst was, kon er voor kiezen om per 1 januari 2008 de voor hem in zijn arbeidsovereenkomst vastgestelde arbeidsduur te handhaven en bij een volledig dienstverband 38 uur te blijven werken of 40 uur in combinatie met 11,5 dag roostervrije tijd. Voor de werknemer die er voor koos de oude situatie te handhaven, was de in artikel 1 genoemde compensatie per 1 januari 2008 (3% aanpassing salaristabellen en vier extra vakantiedagen) niet van toepassing.
3. In geval van recht op roostervrije tijd (dagen) (zie lid 2) wordt deze roostervrije tijd, in onderling overleg, zoveel mogelijk over het kalenderjaar verspreid, vastgesteld. Indien als gevolg van werkzaamheden of bijzondere omstandigheden reeds vastgestelde roostervrije tijd (dagen) niet kan worden opgenomen, dan bestaat tot het einde van het kalenderjaar de mogelijkheid deze roostervrije tijd (dagen) alsnog in onderling overleg vast te stellen c.q. op te nemen. Wanneer de roostervrije tijd (dagen) systematisch op jaarbasis is vastgesteld en op enig moment samenvalt met feestdagen als genoemd in lid 6, bijzonder verlofdagen als bepaald in artikel 21 of scholingsverlof als bepaald in artikel 15, dan zal deze roostervrije tijd (dagen) op een ander tijdstip kunnen worden opgenomen. Eenmaal vastgestelde roostervrije tijd (dagen) die valt binnen een ziekteperiode van ten hoogste twee kalenderweken, kan eveneens op een ander tijdstip worden opgenomen. Indien eenmaal vastgestelde roostervrije tijd (dagen) valt binnen een ziekteperiode die langer duurt dan twee kalenderweken, vervalt het recht op roostervrije tijd (dagen). Tijdens arbeidsongeschiktheid wordt geen recht op roostervrije tijd (dagen) opgebouwd.
4. Voor personeel dat uitsluitend gehele dagen op het bouwwerk aanwezig is met een 40-urige werkweek in combinatie met 11,5 dag roostervrije tijd op jaarbasis (zie lid 2), geldt dat deze roostervrije tijd (dagen) in principe dient samen te vallen met de roostervrije tijd (dagen) zoals die op het betreffende bouwwerk wordt vastgesteld voor het personeel van het uitvoerend bouwbedrijf.
5. Voor personeel dat uitsluitend gehele dagen op het bouwwerk aanwezig is, zal de extra arbeidstijd voor administratie en besprekingen maximaal 2,5 uur per week mogen bedragen. Deze extra arbeidstijd komt niet voor overwerktoeslag in aanmerking.
6. Op zaterdag, zondag, nieuwjaarsdag, 2e paasdag, hemelvaartsdag, 2e pinksterdag, 1e en 2e kerstdag, Koninginnedag, 5 mei in lustrumjaren, alsmede op door de regering aangewezen nationale feestdagen zal – tenzij in zeer uitzonderlijke gevallen – niet worden gewerkt. Tot de zondag en de feestdag worden meegerekend de uren, die liggen tussen 22.00 en 24.00 uur van de direct aan de feestdag voorafgaande dag en tussen 0.00 en 6.00 uur van de direct op de zondag of de feestdag volgende dag. Deze dagen en uren zullen niet op het maandsalaris in mindering worden gebracht.

 

Artikel 17 Deeltijdarbeid
1. Onder deeltijdarbeid wordt verstaan: arbeid die wordt verricht gedurende minder dan de in artikel 16 lid 1 en 2 omschreven normale arbeidsduur.
2. De bepalingen van deze CAO worden bij deeltijdarbeid naar evenredigheid toegepast.
3. De werkgever met tien of minder werknemers in dienst verplicht zich voor in principe alle werkzaamheden, tenzij dit leidt tot aantoonbare, onaanvaardbare problemen binnen de organisatie van het bureau, aandacht te besteden aan het scheppen van deeltijd functies. Over de mate waarin deeltijdarbeid wordt gecreëerd en de verhouding tot het totaal aantal fulltime functies zal overleg worden gepleegd met de ondernmingsraad of personeelsvertegenwoordiging. Voor de werkgever met meer dan tien werknemers in dienst is de We tAanpassing Arbeidsduur (WAA) van toepassing.
4. De werkgever verplicht zich voorts deeltijdarbeid mogelijk te maken voor werknemers, die als gevolg van arbeidsongeschiktheid over een gedeeltelijke arbeidscapaciteit beschikken. De werkgever zal daarbij aan eigen werknemers voorrang verlenen.

 

Artikel 18 Overwerk
1. De normale werktijd ligt tussen 6.00 en 20.00 uur.
2. Overwerk zal tot uitzonderingen worden beperkt. Indien overwerk naar het oordeel van de werkgever met in achtneming van de daarvoor gestelde wettelijke voorschriften noodzakelijk is, is de werknemer gehouden overwerk te verrichten, mits hem daarvan als regel tenminste 24 uren van tevoren mededeling is gedaan.
3. In deze CAO wordt onder overwerk verstaan: arbeid, welke de werknemer op verzoek van de werkgever verricht buiten de voor hem in zijn arbeidsovereenkomst, met in achtneming van het bepaalde in artikel 16 lid 5 omtrent personeel dat uitsluitend gehele dagen op het bouwwerk aanwezig is, vastgestelde arbeidsduur. Indien er sprake is van overwerk, wordt hier verwezen naar hoofdstuk VI, artikel 23 voor de (hoogte van de) verschuldigde overwerkvergoeding.
4. Werknemers van 55 jaar en ouder kunnen niet worden verplicht overwerk te verrichten.
5. De gemiddelde normale arbeidsduur zal per dertien weken met niet meer dan 12% worden overschreden. Dit percentage kan met instemming van de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging verruimd worden naar 15% indien het bedrijfsbelang hiertoe noodzaakt.

 

Artikel 19 Vakantierechten
1. Het vakantiejaar loopt van 1 januari t/m 31 december.
2. De werknemer heeft per vakantiejaar recht op 30 werkdagen vakantie. De werknemer die op 31 december 2007 in dienst was en ervoor heeft gekozen om per 1 januari 2008 de voor hem in zijn arbeidsovereenkomst vastgestelde arbeidsduur te handhaven, heeft bij een dienstverband van 38 uur of 40 uur in combinatie met 11,5 dag roostervrije tijd, recht op 26 werkdagen vakantie per vakantiejaar.
3. De werknemer heeft per vakantiejaar recht op:
a. 1 extra vakantiedag met ingang van het vakantiejaar, waarin hij 35 jaar of ouder wordt;
b. 2 extra vakantiedagen met ingang van het vakantiejaar, waarin hij 40 jaar of ouder wordt;
c. 3 extra vakantiedagen met ingang van het vakantiejaar, waarin hij 45 jaar of ouder wordt;
d. 4 extra vakantiedagen met ingang van het vakantiejaar, waarin hij 50 jaar of ouder wordt;
e. 5 extra vakantiedagen met ingang van het vakantiejaar, waarin hij 55 jaar of ouder wordt;
f. 6 extra vakantiedagen met ingang van het vakantiejaar, waarin hij 60 jaar of ouder wordt, voor zover de werknemer geen gebruik maakt van de parttime VUT-regeling.
4. De werknemer heeft met ingang van het vakantiejaar, waarin de hierna genoemde diensttijd is bereikt, per vakantiejaar recht op:
a. 1 extra vakantiedag, wanneer hij voor 1 januari 1996 ononderbroken 5 of meer jaren in dienst was van de werkgever;
b. 2 extra vakantiedagen, wanneer hij voor 1 januari 1996 ononderbroken 10 of meer jaren in dienst was van de werkgever;
c. 3 extra vakantiedagen, wanneer hij voor 1 januari 1996 ononderbroken 15 of meer jaren in dienst was van de werkgever.
5. Het in lid 3 en 4 bepaalde recht op extra vakantiedagen wordt niet cumulatief toegekend en kan niet worden aangetast bij wijziging van de functie(-indeling) van de werknemer.
6. Over de in dit artikel bepaalde vakantiedagen behoudt de werknemer recht op salaris.

 

Artikel 20 Toepassing vakantierechten
Het recht op vakantie als bepaald in artikel 19 wordt als volgt toegepast:
1. Aan de werknemer, wiens dienstverband met de werkgever korter dan een kalendermaand heeft geduurd, wordt voor iedere gehele of gedeeltelijke werkdag, gedurende welke hij in dienst van de werkgever is geweest, 1/261 deel van het totaal voor hem in het lopende vakantiejaar geldende aantal vakantiedagen verleend, naar voorkeur van de werknemer hetzij in benodigde vrije tijd, hetzij in een uitbetaling in geld.
2. De werknemer, wiens dienstverband met de werkgever één kalendermaand of langer duurt, wordt geacht de volle kalendermaand in dienst van de werkgever te zijn, wanneer hij in dienst treedt voor of op de vijftiende van die maand en wordt geacht een halve kalendermaand in dienst van de werkgever te zijn, wanneer hij in dienst treedt na de vijftiende van die maand.
3. Indien in een vakantiejaar het dienstverband korter dan een vakantiejaar heeft geduurd, wordt, met inachtneming van het bepaalde in lid 2, het op grond van artikel 19 lid 2, 3 en 4 voor de werknemer geldende aantal vakantiedagen naar evenredigheid verminderd.
4. Voorzover in deze CAO geen afwijkende bepaling is opgenomen, stelt de werkgever de tijdstippen van aanvang en einde van de vakantie vast overeenkomstig de wensen van de werknemer tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Indien de werkgever niet binnen twee weken nadat de werknemer zijn wensen schriftelijk kenbaar heeft gemaakt, schriftelijk aan de werknemer bedoelde gewichtige redenen heeft aangegeven, is de vakantie vastgesteld overeenkomstig de wensen van de werknemer.
5. a. De werknemer die in het vakantiejaar recht heeft verworven op 21 of meer vakantiedagen, zal daarvan bij voorkeur 15 dagen, doch tenminste 10 vakantiedagen aaneengesloten genieten.
b. De aaneengesloten vakantie wordt als regel genoten tussen 30 april en 1 oktober.
c. De werkgever kan met instemming van de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of, indien niet aanwezig, in overleg met de werknemers en zoveel mogelijk rekeninghoudend met de gebleken voorkeur, een aaneengesloten vakantie collectief vaststellen. De collectieve bedrijfsvakantie strekt zich uit over maximaal 2 opeenvolgende weken.
d. De werkgever kan om gewichtige redenen in overleg met de werknemer, en indien het de collectieve bedrijfsvakantie betreft met instemming van de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of, indien niet aanwezig, in overleg met de werknemers, het vastgestelde tijdvak van de vakantie wijzigen. De schade, welke de werknemer ten gevolge daarvan lijdt, wordt door de werkgever vergoed.
6. In afwijking van het gestelde in lid 5 dient de vakantie van het personeel op het bouwwerk – behoudens bijzondere omstandigheden – samen te vallen met de aaneengesloten vakantie van de werknemers van het uitvoerend bouwbedrijf. Indien de voortgang van de werkzaamheden meebrengt, dat in een vakantiejaar niet alle vakantiedagen genoten kunnen worden, zal de te weinig genoten vakantie worden verleend zo spoedig als mogelijk is, doch in het uiterste geval direct aansluitend aan de datum van de eerste oplevering van het bouwwerk. Is er meer dan één opzichter op het bouwwerk, dan dient de vakantie bij voorkeur gedurende het lopende vakantiejaar volledig te worden genoten.
7. Bij de aanvang van het vakantiejaar kan de werkgever met instemming van de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of, indien niet aanwezig, in overleg met de werknemers, ten hoogste vijf vakantiedagen als collectieve snipperdagen aanwijzen en vaststellen, welke in mindering op het aantal vakantiedagen van de werknemer gebracht kunnen worden.
8. Op 5 mei, Goede Vrijdag alsmede voor de viering van de ‘Dag van de Arbeid’ zal de werknemer op diens eigen verzoek een vakantiedag kunnen genieten.
9. De werkgever zal aan de werknemer, zo enigszins mogelijk tijdens de eerste twaalf kalendermaanden van diens dienstverband, zoveel werkdagen verlof zonder behoud van salaris verlenen als overeenkomt met het aantal dagen, dat de werknemer, blijkens schriftelijk bewijs wegens niet-genoten vakantiedagen van een voorafgaande werkgever in geld heeft ontvangen.
10. Bij de beëindiging van het dienstverband kan de werknemer in redelijkheid en met inachtneming van het gestelde in lid 5 het recht op vakantie vervangen door een uitbetaling in geld.
11. Wanneer ingevolge het gestelde in lid 10 de werknemer heeft bepaald het recht op vakantie te doen vervangen door een uitbetaling in geld, wordt het laatst te genieten maandsalaris gedeeld door 22 voor het berekenen van een hele vakantiedag of door 44 voor het berekenen van een halve vakantedag. Met het laatst te genieten maandsalaris wordt hier bedoeld het overeengekomen salaris inclusief de vakantietoeslag en eventueel dertiende maand.
12. De werkgever is verplicht aan de werknemer bij het beëindigen van het dienstverband een schriftelijk bewijs te verstrekken, waaruit blijkt hoeveel niet-genoten vakantiedagen hij aan de werknemer in geld heeft uitbetaald.
13. Indien de werknemer vóór het beëindigen van zijn dienstverband nog niet alle werkdagen verlof zonder behoud van salaris, als bedoeld in lid 9, heeft kunnen genieten, zal de werkgever het resterende aantal werkdagen verlof zonder behoud van salaris vermelden in het schriftelijk bewijs als bepaald in lid 12.

 

Artikel 21 Bijzondere verloven
1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 19 en 20 van deze CAO, de artikelen 7:628 en 629b Burgerlijk Wetboek en de Wet Arbeid en Zorg (zie toelichting) heeft de werknemer recht op bijzonder verlof met behoud van het bruto-maandsalaris:
a. gedurende de daarvoor benodigde tijd met een maximum van één dag bij zijn ondertrouw;
b. gedurende de daarvoor benodigde tijd met een maximum van één dag bij het ondertekenen van een (notarieel) samenlevingscontract;
c. gedurende twee dagen bij zijn huwelijk;
d. gedurende één dag bij het huwelijk van zijn kind, stief- en pleegkind, zijn vader, moeder, schoonvader, schoonmoeder, kleinkind, broer, zuster, zwager en schoonzuster;
e. gedurende één dag bij zijn 25- en 40-jarig huwelijksfeest;
f. gedurende één dag bij het 25-, 40-, 50- en 60-jarig huwelijksfeest van zijn ouders en schoonouders en bij het 50- en 60-jarig huwelijksfeest van zijn grootouders en van de grootouders van zijn echtgeno(o)t(e);
g. gedurende de tijd van de dag van het overlijden af tot en met de dag van de begrafenis of crematie van zijn echtgeno(o)t(e) en van een tot zijn gezin behorend kind, stief- en pleegkind;
h. gedurende maximaal drie dagen bij het overlijden en de begrafenis of crematie van zijn niet onder sub g genoemd kind, stief-en pleegkind, zijn vader, moeder, stief- en pleegvader, stief- en pleegmoeder, schoonvader, schoonmoeder, schoonzoon en schoondochter;
i. gedurende één dag bij het overlijden of bij de begrafenis of crematie van zijn (over)grootvader en (over)grootmoeder, de (over)grootvader en (over)grootmoeder van zijn echtgeno(o)t(e), zijn kleinkind, broer, zuster, zwager en schoonzuster;
j. gedurende de daarvoor benodigde tijd tot een maximum van vijf dagen per kalenderjaar voor het bijwonen van vergaderingen van de vakbond waarvan de werknemer lid is en voorzover hij deel uitmaakt van een besturend orgaan, mits hiertoe een schriftelijk verzoek van de vakbond is overgelegd en de werkzaamheden, naar het oordeel van de werkgever, dit toelaten;
k. gedurende de daarvoor benodigde tijd voor het bezoek aan een zorgverlener betreffende de eigen gezondheid, tenzij dit bezoek zonder bezwaar buiten de dagelijkse arbeidstijd kan plaatsvinden. Indien dit laatste niet mogelijk is, dient het bezoek zoveel mogelijk aan het begin of aan het einde van de werkdag plaats te vinden;
l. gedurende de daarvoor benodigde tijd tot een maximum van één dag per kalenderjaar bij verhuizing van de werknemer;
m. gedurende de daarvoor benodigde tijd tot een maximum van in totaal twee maal vijf dagen voor het bijwonen van cursussen ter voorbereiding op de aanstaande pensionering, indien de werknemer 60 jaar of ouder is en voor zover dit verlof niet cumuleert met het bepaalde onder sub j;
n. gedurende de daarvoor naar redelijkheid benodigde tijd voor het voeren van sollicitatiegesprekken na door de werkgever aangezegd ontslag, of bij dreiging van een dergelijke aanzegging, indien dit niet aan de werknemer verweten kan worden.
2. Het in lid 1 bepaalde recht op bijzonder verlof zal, voor wat betreft de gevallen als genoemd onder sub d, f, h en i slechts worden toegekend wanneer plechtigheden of gebeurtenissen door de werknemer worden bijgewoond en vallen op een dag waarop door werknemer normaliter wordt gewerkt.
3. De bepalingen in de Wet Arbeid en Zorg gelden als minimumbepalingen. Een samenvatting van de Wet Arbeid en Zorg is in de toelichting opgenomen. In aanvulling op de Wet Arbeid en Zorg:
– heeft de werknemer gedurende het tiendaags kortdurend zorgverlof recht op volledige doorbetaling van het salaris.
– zal de werkgever (aansluitend op het kortdurend zorgverlof dan wel in gevallen anders dan omschreven in de Wet Arbeid en Zorg) op verzoek van de werknemer aan hem bijzonder verlof verlenen, al dan niet met behoud van salaris, in het geval van ziekte van een kind, partner, huisgeno(o)t(e) of andere verzorgingsbehoevenden, voor wie de werknemer de feitelijke verzorging heeft c.q. andere calamiteiten in verband met de verzorging.

 

V CAO À LA CARTE

 

Artikel 22 CAO à la carte / Levensloop
Iedere individuele werknemer kan gebruik maken van de CAO à la carte-regeling op grond van onderstaande bepalingen. Indien de werknemer hierom verzoekt, zal de werkgever hieraan zijn medewerking verlenen.
1. Bronnen en doelen
Als bronnen kunnen worden ingezet: maximaal 5% van het bruto-maandsalaris, maximaal 5 bovenwettelijke vakantiedagen, alle roostervrije dagen, de vakantietoeslag, de 13e maand (of equivalent), de winstdeling, de meer-uren bij deeltijdarbeid.
De bronnen kunnen worden ingezet voor de volgende doelen: het kopen van extra verlofdagen, extra pensioenopbouw en betaling van contributie ten behoeve van het lidmaatschap van een vakbond en/of functioneel relevante beroepsvereniging door middel van de inzet van brutoloon. Per jaar kunnen uit de bronnen maximaal 15 dagen worden gekocht. Het is op bureauniveau mogelijk om extra doelen af te spreken op verzoek van de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of, indien niet aanwezig, de meerderheid van de werknemers.
2. Dagwaarde
De dagwaarde van een dag wordt berekend per 1 januari van het jaar waarin de werknemer deze dag inzet als bron of bestemt als doel. Hierbij geldt de volgende formule: (maandsalaris × 12,96 + vaste 13e maand*) / 261
* en/of andere vastebetalingen, conform het Pensioenreglement
3. Jaarlijks keuze maken
Eenmaal per kalenderjaar is er per bureau één keuzemoment waarop iedere werknemer in de gelegenheid wordt gesteld voor het komende kalenderjaar zijn keuze te maken ten aanzien van de bronnen en doelen. Werkgever en werknemer zullen met inachtneming van de structuur en organisatie van het bureau de gemaakte keuzes en afspraken schriftelijk vastleggen. Bij tussentijdse indiensttreding krijgt de nieuwe werknemer op dat moment gelegenheid om zijn keuze kenbaar te maken.
4. Levensloopregeling
Iedere werknemer heeft het recht om te sparen in een levensloopregeling. CAO-partijen hebben in het kader van de levensloopregeling het volgende vastgesteld:
– Het gespaarde levensloopsaldo kan worden aangewend voor verlofperioden van minimaal twee maanden of als inkomensvoorziening tijdens een periode van verlof voorafgaand aan het pensioen. Tevens kan het tegoed worden aangewend als compensatie van het inkomen bij opname van onbetaald verlof in het kader van de Wet Arbeid en Zorg.
– Een verlofperiode dient minimaal zes maanden voorafgaand aan de verlofperiode bij de werkgever te worden aangevraagd. Deze bepaling geldt niet bij het opnemen van verlof in het kader van de Wet Arbeid en Zorg.
– Tijdens een verlofperiode worden geensalarisverhogingen (zowel periodieke als CAO-verhogingen) c.q. salarisaanpassingen toegekend. Deze worden indien van toepassing toegekend na afloop van het verlof.
– Het opnemen van een verlofperiode heeft geen consequenties voor de pensioenopbouw doordat betaling van de pensioenpremie ongewijzigd en overeenkomstig de verdeling van de premielasten zoals geregeld in het Pensioenreglement A, wordt voortgezet.
– Tijdens een verlofperiode vindt er opbouw van vakantiedagen plaats. Deze opbouw van vakantiedagen is gelijk aan de verhouding tussen de hoogte van de uitkering ten laste van het gespaarde levensloopsaldo en de hoogte van het salaris op fulltimebasis.
– Tijdens een verlofperiode kan een eventuele deelname in een collectieve ziektekosten verzekering ongewijzigd worden voortgezet.
– Ziekte tijdens een verlofperiode schort het verlof niet op.
– Op bureauniveau worden afspraken gemaakt over secundaire arbeidsvoorwaarden, waaronder vergoedingen, gebruik lease-auto, gsm, e.d. tijdens een verlofperiode.
– Op bureauniveau kunnen afspraken gemaakt worden over het opnemen van een verlofperiode in het kader van de levensloopregeling gecombineerd met een periode van (on)betaald verlof.
– Na afloop van de verlofperiode heeft de werknemer recht op terugkeer in de eigen functie of eventueel een gelijkwaardige functie. Dit geldt ook voor werknemers die een verlofperiode in het kader van de levensloopregeling combineren met een periode van (on)betaald verlof. De werknemer en werkgever maken hierover voorafgaand aan het verlof afspraken.

 

VI VERGOEDINGEN EN VOORZIENINGEN

 

Artikel 23 Overwerkvergoeding
1. De werkgever is overwerkvergoeding verschuldigd voor overwerk als bedoeld in artikel 18 lid 3, indien gerekend over een periode van dertien weken het gemiddeld aantal uren dat per week gewerkt is, boven de voor werknemer in zijn arbeidsovereenkomst vastgestelde arbeidsduur ligt. Het totaal aantal uren per dertien weken wordt naar boven afgerond op hele uren. In het totaal aantal uren per dertien weken worden niet meegerekend de uren als genoemd in lid 2 sub b, c en d. Deze uren zijn steeds overuren waarvoor een overwerktoeslag verschuldigd is.
2. De overwerkvergoeding die de werkgever op grond van lid 1 verschuldigd is, bedraagt:
a. voor overwerk op maandag t/m vrijdag tussen 6.00 en 22.00 uur: het uursalaris van de werknemer, vermeerderd met een overwerktoeslag van 25%;
b. voor overwerk op maandag t/m donderdag tussen 22.00 en 24.00 uur: het uursalaris van de werknemer, vermeerderd met een overwerktoeslag van 50%;
c. voor overwerk op maandag t/m vrijdag tussen 0.00 en 6.00uur, vrijdag tussen 22.00 en 24.00 uur en op zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur: het uursalaris van de werknemer, vermeerderd met een overwerktoeslag van 100%;
d.voor overwerk op zon- en feestdagen als genoemd in artikel 12 lid 8 tussen 0.00 en 24.00 uur: het uursalaris van de werknemer, vermeerderd met een overwerktoeslag van125%.
Schematisch ziet een en ander er als volgt uit:

maandag
dinsdag
woensdag
donderdag
vrijdag
zaterdag
zondag
00.00–06.00uur
100%
100%
100%
100%
100%
100%
125%
06.00–22.00uur
25%
25%
25%
25%
25%
100%
125%
22.00–24.00uur
50%
50%
50%
50%
100%
100%
125%
Onder het uursalaris wordt verstaan: het quotiënt van het bruto-jaarsalaris (exclusief vakantietoeslag en gratificaties) en het aantal uren dat men op jaarbasis in dienst is. Dit aantal uren kan maximaal bedragen: 52 × 40 = 2080 (en voor de werknemer die op 31 december 2007 in dienst was en ervoor heeft gekozen per 1 januari 2008 de voor hem in zijn arbeidsovereenkomst vastgestelde arbeidsduur te handhaven: 52 × 38 = 1976).
3. Het aantal overuren kan naar keuze van de werknemer worden uitbetaald, dan wel binnen zes maanden in vrije tijd worden opgenomen. De overwerk toeslag zal echter altijd worden uitbetaald.
4. De werkgever is geen overwerkvergoeding verschuldigd voor overwerk verricht door werknemers vanaf functiegroep J.

 

Artikel 24 Betaling van reisuren buiten arbeidstijd
1. De werknemer aan wie tijdens zijn dienstverband door de werkgever, niet van incidentele aard zijnde, werkzaamheden worden opgedragen op een andere locatie dan de ten tijde van zijn indiensttreding of later overeengekomen plaats van uitvoering van de werkzaamheden ontvangt, als ten gevolge daarvan meer reisuren moeten worden gemaakt, een vergoeding indien:
– werknemer ten hoogste functieschaal H heeft;
– de werkzaamheden op de andere locatie langer dan vier weken ononderbroken voortduren en minimaal drie dagen per werkweek worden verricht;
Uitgaande van de standaard reistijd wordt de helft van de extra reistijd door de werkgever vergoed. Van deze extra reistijd komt echter maximaal één uur per dag voor rekening van de werknemer. Zowel de standaard reistijd als de extra reistijd dienen te worden berekend aan de hand van een op het bureau algemeen geaccepteerde routeplanner.
2. De in lid 1 bedoelde vergoeding bedraagt een uursalaris van de werknemer, zijnde:
– het maandsalaris gedeeld door (22 dagen × 8 uur) per werkdag dat op de andere locatie is gewerkt en
– voor de werknemer die op 31 december 2007 in dienst was en ervoor heeft gekozen per 1 januari 2008 de voor hem in zijn arbeidsovereenkomst vastgestelde arbeidsduur te handhaven bij een dienstverband van 38 uur of 40 uur met 11,5 dag roostervrije tijd: het maandsalaris gedeeld door (22 dagen × 7,6 uur) per werkdag dat op de andere locatie is gewerkt.
3. De in lid 1 en 2 genoemde vergoeding geldt niet voor werknemers die werkzaamheden op de bouwplaats verrichten.
4. Werkgever en werknemers kunnen, in afwijking van lid 1 en met inachtneming van artikel 41, op individueel niveau of op bureauniveau een van bovenstaande afwijkende regeling overeenkomen.

 

Artikel 25 Arbeid buiten de vaste woonplaats
1. De werknemer, die toezicht uitoefent op een bouwwerk buiten zijn vaste woonplaats, of in opdracht van zijn werkgever tijdelijk elders werkzaamheden verricht, ontvangt een vergoeding voor de door hem gemaakte reis- en verblijfkosten.
2. Wanneer met het oog op de gewenste voortgang van het bouwwerk of ter besparing van reis- en verblijfkosten de werkgever in overleg met de werknemer en met diens toestemming een verhuizing van de werknemer noodzakelijk acht, worden de uit deze verhuizing redelijk voortvloeiende kosten volledig aan de werknemer vergoed.

 

Artikel 26 Inkomen bij ziekte / arbeidsongeschiktheid
1. Loondoorbetaling eerste en tweede ziektejaar
Het eerste ziektejaar
Het eerste ziektejaar heeft de werknemer recht op volledige doorbetaling van het salaris dat hij zou hebben genoten indien hij arbeidsgeschikt zou zijn geweest.
Het tweede ziektejaar
Het tweede ziektejaar ontvangt de werknemer 70% van het salaris dat hij zou hebben genoten indien hij arbeidsgeschikt zou zijn geweest, aangevuld tot 100% indien de werknemer voldoende meewerkt aan zijn reïntegratie, d.w.z. zich houdt aan alle voorschriften van de Wet Verbetering Poortwachter. Maandelijks beoordeelt de bedrijfsarts (begeleidende instantie) of de werknemer voldoende heeft meegewerkt aan zijn reïntegratie. Op grond van deze beoordeling besluit de werkgever aan het einde van iedere maand of de werknemer in de betreffende maand recht heeft op 70% danwel 100% doorbetaling van het salaris. Bij verschil van mening kunnen werkgever en werknemer het oordeel van de bedrijfsarts (begeleidende instantie) of werknemer voldoende heeft meegewerkt aan zijn reïntegratie, onderwerpen aan arbitrage. De branche zal hiertoe faciliteiten bieden. De pensioenopbouw wordt tijdens de eerste twee ziektejaren ongewijzigd voortgezet, waarbij wordt uitgegaan van een (fictief) pensioengevend salaris gelijk aan 100% van het salaris. De vakantietoeslag wordt in het tweede ziektejaar evenredig verminderd over die maanden dat de werknemer slechts recht heeft op 70% doorbetaling van het salaris.
a. In het geval de werknemer, als gevolg van een vervroegde keuring als bedoeld in de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA), recht heeft op een uitkering op grond van de Inkomensvoorziening Volledige Arbeidsongeschiktheid (IVA) als bedoeld in de WIA dan blijft de werkgever verplicht tot voornoemde loondoorbetaling voor zover deze de werknemer toekomende uitkering op grond van de IVA te boven gaat.
b. Indien op grond van de Wet Verbetering Poortwachter de bevoegde instantie de werkgever een sanctie oplegt omdat deze zich onvoldoende heeft ingespannen dan wel onvoldoende heeft meegewerkt aan reïntegratie van de arbeidsongeschikte werknemer en deze sanctie bestaat uit verlenging van de loondoorbetalingsverplichting (maximaal een jaar) dan blijft de werknemer gedurende de door de bevoegde instantie opgelegde loondoorbetalingsverplichting in het derde ziektejaar recht houden op volledige doorbetaling van het salaris dat hij zou hebben genoten indien hij arbeidsgeschikt zou zijn geweest.
c. Het salaris als bedoeld in dit artikel wordt verminderd met
– het bedrag van de (bruto)uitkering die de werknemer ontvangt op grond van enige bij of krachtens de wet geldende verzekering;
– een eventuele vordering die de werknemer heeft jegens derden wegens loonderving als gevolg van arbeidsongeschiktheid.
d. Het recht op doorbetaling van het salaris als bepaald in dit artikel vervalt op het tijdstip dat de arbeidsovereenkomst eindigt.
2. Inkomensaanvulling derde en volgende ziektejaren in geval van WIA-uitkering bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
De werkgever is verplicht voor de werknemer(s) een verzekering af te sluiten voor inkomensaanvulling in derde en volgende arbeidsongeschiktheidsjaren in geval van een WIA-uitkering bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Deze verzekering voor inkomensaanvulling dient tenminste aan de navolgende voorwaarden te voldoen:
– de verzekering keert uit bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35% tot 80%;
– de uitkering dient te worden verstrekt tot het 65ste levensjaar;
– de uitkering dient met minimaal 2% per jaar te zijn geïndexeerd;
– het inlooprisico voor deze verzekering dient minimaal te zijn afgedekt vanaf 1 september 2005;
– de uitkering bedraagt, afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en de mate waarin een werknemer werkt: het arbeidsongeschiktheidspercentage vermenigvuldigd met 70% van zijn laatstverdiende gemaximeerde loon (2009 = €47.802,15), minus de uitkeringen welke de werknemer op grond van de WGA ontvangt.
De voor deze verzekering benodigde premie komt, tot een maximum van 0,25% van het SV-loon (2009 = €47.802,15) voor rekening van de werknemer en wordt ingehouden op zijn salaris. De verplichting van de werkgever om boven omschreven verzekering af te sluiten, geldt niet voor werknemers van 63 jaar en ouder omdat deze werknemers geen rechten kunnen ontlenen aan de verzekering en zij dus geen verzekerbaar belang hebben. Voorts wordt erop gewezen dat de werkgever, die zijn eigen financiële risico ten aanzien van de werknemer wil herverzekeren, géén deel van de daarvoor verschuldigde verzekeringspremie op het salaris mag inhouden.

 

Artikel 27 Invaliditeitspensioen
Met ingang van 1 januari 2006 worden in verband met de nieuwe Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen alleen nog uitkeringen gedaan op grond van de invaliditeitspensioenregeling aan diegenen die vóór 1 januari 2004 reeds ziek waren en als gevolg hiervan in de WAO terecht zijn gekomen.

 

Artikel 28 Overlijden van de werknemer
De werkgever keert na het overlijden van de werknemer aan diens nagelaten betrekkingen een bedrag uit, gelijk aan het salaris over de periode vanaf de dag na het overlijden tot en met twee maanden na de dag van het overlijden, vermeerderd met het vakantiegeld, de vaste dertiende maand en eventuele winstdeling over deze twee maanden en 2/12 deel van het jaarbedrag aan vaste gegarandeerde bijzondere beloningen. Op deze bedragen worden de uitkeringen in mindering gebracht, welke de nagelaten betrekkingen van de werknemer ter zake vandiens overlijden ontvangen ingevolge de Ziektewet en/of de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) dan wel de WAO. De overlijdensuitkering wordt uitbetaald conform de fiscale regels.

 

Artikel 29 Bedrijfsspaarregelingen / Winstdeling
1. Partijen bij deze CAO bevelen aan, daar waar nog geen bedrijfsspaarregelingen/winstdeling bestaan, over te gaan tot invoering van dergelijke regelingen. Het initiatief hiertoe kan ook worden genomen door een vertegenwoordiging van het personeel.
2. Indien een meerderheid van de werknemers verzoekt om invoering van de spaarloonregeling, dan zal de werkgever hieraan zijn medewerking verlenen.

 

VII OUDERENBELEID EN (PRE)PENSIOEN

 

Artikel 30 Seniorenbeleid
Werknemers van 58 jaar en ouder kunnen indien zij behoefte hebben aan taakverlichting de volgende keuze maken:
a. Korter gaan werken, waarbij de arbeidsduur vrijwillig teruggebracht wordt naar niet minder dan 32 uur per week. Het terugbrengen van de arbeidsduur heeft geen consequenties voor de pensioen- opbouw en de VUT-rechten van de werknemer doordat betaling van de pensioen- en de VUT-premie ongewijzigd wordt voortgezet op basis van de oorspronkelijke arbeidsduur alsmede de oorspronkelijke verdeling van de premielasten over wergever en werknemer. De werknemer kan de teruggang in zijn salaris als gevolg van deze keuze (gedeeltelijk) compenseren door de bovenwettelijke vakantiedagen (dit zijn ook de extra vakantiedagen op grond van artikel 19 lid 3) als bron in te zetten.
b. Binnen dezelfde functiefamilie één functieniveau lager gaan werken met behoud van salaris.

 

Artikel 31 Vrijwillig Vervroegd Uittreden (VUT)
Er is een CAO inzake aanvullingsregeling en inzake afwikkeling vrijwillig vervroegd uittreden voor personeel in dienst van Architectenbureaus. Van deze overeenkomst vormen de statuten en het reglement van de Stichting Uittreden Architectenbureaus (SUA) een integrerend onderdeel.

 

Artikel 32 Ouderdomspensioen
1. Er is een ouderdomspensioenregeling waarvan de uitvoering is geregeld in het Pensioenreglement A en de statuten van de Stichting Pensioenfonds voor de Architectenbureaus.
2. De arbeidsovereenkomst eindigt per de eerste van de maand waarin de werknemer 65 jaar wordt of bij eerdere beëindiging door de werknemer wegens pensioering. Ingevolge het Pensioenreglement A kent het Pensioenfonds toe:
– een opbouw ten behoeve van het ouderdomspensioen van 2,1% van de som van de pensioengrondslagen;
– een weduwen-, weduwnaars- en partnerpensioen, dat 70% bedraagt van het ouderdomspensioen;
– een wezenpensioen, dat 15% bedraagt van het ouderdomspensioen. Het bestuur van de Stichting Pensioenfonds voor de Architectenbureaus stelt de premie vast. Partijen bij deze CAO stellen de lastenverdeling van de pensioenpremie vast. Van de pensioenpremie komt 55% ten laste van de werkgever en 45% ten laste van de werknemer. De verplichting tot deelneming in het Pensioenfonds vangt aan op de eerste van de maand, waarin de werknemer de leeftijd van 21 jaren bereikt en eindigt met ingang van de eerste van de maand, waarin de werknemer de leeftijd van 65 jaren bereikt.

 

VIII ARBO

 

Artikel 33 Preventie- en verzuimbeleid inzake ziekte en arbeidsongeschiktheid
1. Terugdringing van het ziekteverzuim is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer(s).
2. De werkgever zal maatregelen nemen gericht op terugdringing van het ziekteverzuim, reïntegratie van gedeeltelijk arbeidsongeschikten en het voorkomen van uitstroom wegens arbeidsongeschiktheid.
3. Preventiebeleid ten aanzien van ziekteverzuim dient mede gericht te zijn op behouden verbetering van de kwaliteit van de arbeid.

 

Artikel 34 Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E)
Er is een door CAO-partijen vastgestelde (digitale) branche-RI&E. Deze RI&E is toegespitst op de arbeidsomstandigheden en risico’s in de architectenbranche.

 

Artikel 35 Vervolgtraject Arboconvenant 2002 – 2005 inzake RSI, werkdruk en vroegtijdige reïntegratie
1. Partijen erkennen dat het voorkomen van RSI, het terugdringen van werkdruk en het inzetten van een goed reïntegratiebeleid een verantwoordelijkheid is van werkgevers en werknemers.
2. Partijen zijn een vervolgtraject Arboconvenant overeengekomen ten einde in de gehele branche RSI en werkdrukte verminderen en reïntegratie van arbeidsongeschikte werknemers te bevorderen. Voor concrete maatregelen op het terrein van arbeidsomstandigheden wordt verwezen naar Bijlage I bij deze CAO. Deze bijlage vormt een integraal onderdeel van deze CAO.

 

IX WERKGELEGENHEID IN DE BEDRIJFSTAK

 

Artikel 36 Vervulling van vacatures
1. Bij het ontstaan van nieuwe functies dan wel ter vervulling van vacatures zal eerst bij de eigen werknemers naar geschikte kandidaten gezocht worden. Pas daarna zal worden overgegaan tot een externe wervingsprocedure.
2. Indien vacatures niet binnen het eigen bureau kunnen worden vervuld, kan mede het UWV WERKbedrijf worden ingeschakeld, onder vermelding van de functie-inhoud (aard, niveau, werkomstandigheden, werktijden) en eisen (opleiding en ervaring).

 

Artikel 37 Fusie en gehele of gedeeltelijke bureausluiting
1. Bij fusie en gehele of gedeeltelijke bureausluiting zijn de informatie- en overlegprocedures, zoals bij de wet en de SER-fusiegedragsregels 2000 zijn voorgeschreven, van toepassing. Voorts zal de werkgever op overeenkomstige wijze overleg plegen bij het treffen van maatregelen genoemd in lid 2.
2. Bij een vermindering van het aantal arbeidsplaatsen binnen het bureau en binnen Nederland ten gevolge van:
– afstoting van belangrijke delen van de activiteiten of beëindiging van onderdelen van het bureau;
– fusies, waarbij niet de SER-fusiegedragsregels 2000 van toepassing zijn,
is de werkgever gehouden om tijdig, in een stadium waarin de besluitvorming nog kan worden beïnvloed, de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of – indien deze ontbreekt – het gezamenlijke personeel informatie te verschaffen en hierover overleg te plegen. Daarnaast zal de werkgever de verstrekte informatie eveneens bespreken met de vakbonden, waarvan de werkgever bekend is dat zij leden onder zijn werknemers hebben.
3. De werkgever draagt er zorg voor dat, rekening houdende met de eventueel in het beraad gemaakte afspraken, de werknemers in het bureau worden geïnformeerd omtrent de bereikte conclusies.
4. Door de werkgever, dan wel door een der partijen beschikbaar gestelde informatie zal onder geheimhouding worden behandeld. Publicatie naar buiten zal slechts geschieden met instemming van de betrokken gesprekspartners.
5. De uiteindelijke verantwoordelijkheid en de daaruit voortvloeiende bevoegdheid van de werkgever voor het nemen van beslissingen, blijven onaangetast.
6. Teneinde de nadelige gevolgen van de maatregelen, genoemd in lid 1 en 2, voor de werknemers zoveel mogelijk op te vangen, zal de werkgever in overleg met de vakbonden maatregelen en voorzieningen treffen welke worden vervat in een Sociaal Plan.
7. Deze maatregelen en voorzieningen bestaan tenminste uit:
a. bij overplaatsing binnen het bureau, nevenvestigingen inbegrepen:
– geen nadelig netto-salarisverschil;
– geen proeftijd;
– behoud van anciënniteit voor opzegtermijn e.d.;
– tegemoetkoming in eventuele verhuiskosten;
– voortzetting van eventuele studiekostenregeling, ziektekostenverzekering e.d.;
b. bij ontslag:
– aanvullingen op uitkeringen krachtens de Werkloosheidswet (WW) (duur afhankelijk van leeftijd en/of diensttijd);
– bij eerder vertrek tijdens opzegtermijn een tegemoetkoming (vertrekpremie);
– verlof voor sollicitatie;
– vergoeding van reiskosten binnen Nederland, gemaakt in verband met sollicitatiebezoeken, indien deze niet uit andere hoofde worden vergoed, op basis van openbaar vervoer tweede klas;
– het wijzen van de werknemer op de verplichting zich zo spoedig mogelijk als werkzoekende in te schrijven bij het UWV WERKbedrijf;
– regelingen van de door of via het bureau verstrekte geldleningen, hypotheken, spaartegoeden, studiekostenvergoeding e.d.;
– voortzetting van de pensioenverzekering en de ziektekostenverzekering gedurende een overeengekomen periode, mits de werknemer zijn eigen premieaandeel blijft betalen;
– mogelijke extra voorzieningen voor 60-jarigen en ouderen.
8. Dit artikel is niet van toepassing in geval van personeelsinkrimping als gevolg van werkvermindering.

 

Artikel 38 Personeelsinkrimping als gevolg van werkvermindering
1.a. Partijen bij deze CAO hebben tot doel voor de branche instrumenten te ontwikkelen die bij kunnen dragen aan herplaatsing van werknemers.
b. Indien als gevolg van werkvermindering tenminste vijf arbeidsplaatsen in een kalenderjaar binnen het bureau vervallen, dient de werkgever dit, ten behoeve van het in sub a gestelde, schriftelijk te melden aan de Adviescommissie Personeelszaken Architectenbureaus (APA).
c. De werkgever dient de melding als genoemd onder sub b te voorzien van een rapportage waarin tenminste opgave wordt gedaan van het aantal werknemers wier arbeidsplaats vervalt met een onderverdeling naar functiefamilie, leeftijd, alsmede de lengte van het dienstverband.
2. Indien als gevolg van werkvermindering een teveel aan werknemers dreigt, dient de werkgever de werknemers zo goed mogelijk voor te bereiden op een mogelijk ontslag. Voor werknemers die wegens bedrijfseconomische redenen daadwerkelijk ontslag wordt aangezegd op grond van een ontslagvergunning van het UWV WERKbedrijf dan wel een uitspraak van de kantonrechter en voor werknemers van wie het dienstverband wegens bedrijfseconomische redenen wordt beëindigd met wederzijds goedvinden, betekent dit tenminste recht op een tegemoetkoming van de werkgever in de kosten voor ondersteuning in de vorm van loopbaanoriëntatie, begeleiding of training via een extern bureau ter hoogte van €500,-.

 

Artikel 39 Sociaal beleid
De werkgever zal het personeel minimaal eenmaal per jaar verslag uitbrengen van de algemene gang van zaken in het bureau. Dit laat onverlet de verplichtingen die al voortvloeien uit de Wet op de Ondernemingsraden.

 

X SLOTBEPALINGEN

 

Artikel 40 Fonds Architectenbureaus
Er is een Collectieve Arbeidsovereenkomst inzake Fonds Architectenbureaus. Van die overeenkomst vormen de statuten en het reglement van de Stichting Fonds Architectenbureaus (SFA) een integrerend onderdeel.

 

Artikel 41 Gunstiger arbeidsvoorwaarden
Van deze CAO voor de werknemers in gunstige zin afwijkende salarissen en andere arbeidsvoorwaarden blijven gehandhaafd, tenzij deze in strijd met de wet en/of met deze CAO zijn vastgelegd.

 

Artikel 42 Adviescommissie Personeelszaken Architectenbureaus
De taak, samenstelling en werkwijze van de Adviescommissie Personeelszaken Architectenbureaus (APA) zijn geregeld in een reglement, dat als Bijlage II aan deze CAO is gehecht en hiervan een integraal onderdeel vormt.

 

Artikel 43 Algemene ontheffingsbepaling
Wanneer strikte toepassing van de bepalingen van deze CAO leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, is de APA bevoegd om overeenkomstig haar reglement desgevraagd van een of meer bepalingen van deze CAO ontheffing te verlenen.

 

BIJLAGE I Concrete maatregelen voor arbeidsomstandigheden

 

– Werkgever draagt zorg voor informatiemateriaal over beeldschermwerk en werkdruk.
– Werkgever besteedt in het bureauoverleg aandacht aan beeldschermwerk en werkdruk.
– Werkgever stelt werknemers die risico lopen op fysieke klachten ten gevolge van beeldschermwerk in staat een workshop te volgen over het herkennen, voorkomen en genezen van deze klachten.
– Werkgever zal structureel contact hebben met de werknemersvertegenwoordiging over beeldschermwerk en werkdruk.
– Jaarlijks wordt in een gesprek tussen werkgever en werknemer aandacht besteed aan de arbeidsomstandigheden, waaronder de werkplekinrichting. Dit kan onderdeel zijn van het (jaarlijkse) functioneringsgesprek.
– Werkgever draagt ervoor zorg dat de werknemer het werken aan een beeldscherm telkens na ten hoogste twee achtereenvolgende uren afwisselt door andersoortige arbeid of door een rusttijd van tenminste tien minuten en tevens dat de werknemer per dag maximaal 6 uur beeldschermwerk verricht.
– Werkgever heeft een verzuimregistratiesysteem en een protocol verzuimbegeleiding (zie Wet Verbetering Poortwachter).
– Werkgever draagt zorg voor het beschikbaar stellen van actuele instrumenten voor het beoordelen van de werkplek, werkomstandigheden, etc. Deze instrumenten voldoen aan de stand der techniek. Werkgever kan hiervoor gebruikmaken van de arbocatalogus Architecten.
– Werkgever draagt zorg voor een verzuimbegeleidingscontract met een arbodienst of een kerndeskundige waarin een jaarlijks verzuimoverleg wordt aangeboden. Werkgever kan hiervoor gebruik maken van Arbo Service Architecten, het brancheloket voor de architectenbranche.
– Werkgever zal bevorderen dat de werknemersvertegenwoordiging contact heeft met de arbodienst of kerndeskundige die verantwoordelijk is voor de verzuimbegeleiding.
– Bij uitval wegens arbeidsongeschiktheid van een werknemer zullen werkgever en werknemer zoveel als mogelijk de reïntegratie binnen het eigen bureau, en indien dit niet lukt daarbuiten, bevorderen.
– Werkgever draagt zorg voor de wettelijke eisen op het gebied van arbeidsomstandigheden, zoals het periodiek uitvoeren van een Risico Inventarisatie en Evaluatie, het aanstellen van een preventiemedewerker en bedrijfshulpverlener(s).
– Werkgever kan voor alle maatregelen op het gebied van arbeidsomstandigheden branche-specifieke informatie verkrijgen via de arbocatalogus Architecten en de site van Ctrl Arbo.

 

BIJLAGE II als bedoeld in artikel 42 van de CAO voor personeel in dienst van Architectenbureaus

Reglement van de Adviescommissie Personeelszaken Arcitectenbureaus

 

Artikel 1 Begripsbepalingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
1. CAO: de CAO voor personeel in dienst van Architectenbureaus.
2. Werkgever: de werkgever als bedoeld in artikel 2 lid 1 sub a van de CAO.
3. Werknemer: de werknemer als bedoeld in artikel 2 lid 1 sub c van de CAO.
4. APA: de Adviescommissie Personeelszaken Architectenbureaus.

 

Artikel 2 Taak
De taak van de APA is het, ten behoeve van alle werkgevers en werknemers in de branche, entameren van activiteiten die gericht zijn op het in sociaal-economisch opzicht optimaal functioneren van de architectenbureaus, het bevorderen van een goede samenwerking tussen werkgevers en werknemers alsmede het bevorderen van een goede uitvoering van de CAO door de volgende ctiviteiten:
a. het behandelen van verzoeken om ontheffing als bedoeld in artikel 43 van de CAO (zie artikel 7 van dit reglement);
b. het behandelen van verzoeken om bemiddeling (zie artikel 8 van dit reglement);
c. het behandelen van verzoeken om interpretatie van bepalingen van de CAO (zie artikel 9 van dit reglement);
d. het behandelen van beroepszaken in verband met de functie-indeling als genoemd in artikel 6 van de CAO (zie artikel 10 van dit reglement);
e. het adviseren van belanghebbenden en (overheids)instanties inzake alle vragen, rijzende bij de uitvoering van de CAO of uitvoering van individuele arbeidsovereenkomsten waarop de CAO van toepassing is;
f. de vervaardiging, uitgifte en verzending van de noodzakelijke hoeveelheid CAO-boekjes;
g. het coördineren, voorbereiden en ondersteunen van het geformaliseerde overleg – met uitzondering van CAO-overleg – tussen sociale partners;
h. het ontwikkelen en implementeren van beleid op het gebied van arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en arbeidsmarkt;
i. het desgevraagd adviseren van het UWV WERKbedrijf bij verzoeken om toestemming tot het beëindigen van de arbeidsverhouding tussen een werkgever en een of meer werknemers op wie de CAO van toepassing is (ontslagvergunning);
j. het desgevraagd adviseren van de Arbeidsinspectie bij verzoeken om toestemming tot het verkorten van de werktijd per week onder evenredige vermindering van het geldende loon(werktijdverkorting).

 

Artikel 3 Samenstelling
1. De APA bestaat uit 6 leden, te weten: 3 werkgeversleden en 3 werknemersleden.
2. De werkgeversleden worden benoemd door de Koninklijke Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst Bond van Nederlandse Architecten BNA, gevestigd te Amsterdam. De werknemersleden worden benoemd door de werknemersorganisaties, te weten: één door CNV Dienstenbond, gevestigd te Hoofddorp; één door FNV Bondgenoten, gevestigd te Utrecht en één door De Unie, vakbond voor en door professionals, gevestigd te Culemborg.
3. De in lid 2 genoemde organisaties benoemen elk één plaatsvervangend lid dat bij afwezigheid van een zittend lid aan de vergaderingen deelneemt.
4. De APA kiest uit het midden van de werkgevers- en werknemersleden een voorzitter, een secretaris/penningmeester, een plaatsvervangend voorzitter en een plaatsvervangend secretaris. In het jaar negentienhonderdéénennegentig worden de functies van voorzitter en plaatsvervangend voorzitter vervuld door werknemersleden en die van secretaris/penningmeester en plaatsvervangend secretaris door werkgeversleden. Genoemde functies worden daarna, telkens voor een periode van één jaar afwisselend vervuld door werkgevers- en werknemersleden respectievelijk werknemers- en werkgeversleden.
5. De (plaatsvervangende) leden worden benoemd voor een periode van vier jaar; zij zijn terstond herbenoembaar. De geldende zittingsperiode eindigt op 31 december 2012. In een tussentijdse vacature wordt binnen twee maanden voorzien door de organisatie, die het vertrekkende (plaatsvervangende) lid had benoemd.
6. De in lid 2 genoemde organisaties hebben te allen tijde het recht de door hen benoemde (plaatsvervangende) leden te vervangen.

 

Artikel 4 Besluitvorming
1. Beslissingen kunnen slechts worden genomen, indien tenminste vier leden van de APA aanwezig zijn, waaronder tenminste een van de werknemersleden en een van de werkgeversleden.
2. Elk lid brengt één stem uit, tenzij het aantal ter vergadering aanwezige werkgeversleden verschilt van het aantal werknemersleden, in welk geval elk van de leden van de ene groep evenveel stemmen uitbrengt als van de andere groepleden aanwezig zijn.
3. De APA neemt haar beslissingen bij gewone meerderheid van stemmen.
4. Blanco stemmen worden geacht niet te zijn uitgebracht.
5. Bij staking van stemmen wordt het voorstel de volgende vergadering opnieuw aan de orde gesteld. Staken de stemmen dan opnieuw, dan wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.
6. De leden zijn vrij ruggespraak te houden met de organisatie, door welke zij zijn benoemd.
7. De beslissing van de APA over een verzoek om ontheffing, bemiddeling of interpretatie wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de indiener meegedeeld.

 

Artikel 5 Subcommissies
De APA benoemt al dan niet uit haar midden:
a. de leden van een subcommissie voor ontslagzaken en werktijdverkortingen;
b. de leden van eventuele andere subcommissies van bijstand.

 

Artikel 6 Adviseurs
De leden van de APA zijn vrij zich ter vergadering door adviseurs te laten bijstaan.

 

Artikel 7 Verzoeken om ontheffing
1. Wanneer strikte toepassing van de bepalingen van de CAO leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, is de APA bevoegd om overeenkomstig dit reglement desgevraagd van een of meer bepalingen van de CAO ontheffing te verlenen.
2. Een verzoek om ontheffing, als bedoeld in lid 1, dient schriftelijk en duidelijk gemotiveerd bij de APA te worden ingediend.
3. Een dergelijk verzoek van een werkgever dient mede te zijn ondertekend door de betrokken werknemers en van elk van hen moet duidelijk zijn vermeld: naam, voorletters, huisadres, woonplaats, geboortedatum, functiegroep waarin deze is ingedeeld, alsmede het bruto-salaris over de maand waarin het verzoek is gedateerd. Indien een of meer van de betrokken werknemers het verzoek niet wenst mede te ondertekenen, dient dit te worden vermeld onder zo uitvoerig mogelijke opgave van redenen.
4. Een dergelijk verzoek van een werknemer dient mede te zijn ondertekend door de werkgever. Indien de werkgever het verzoek niet wenst mede te ondertekenen, dient dit te worden vermeld onder zo uitvoerig mogelijke opgave van redenen.
5. De APA is bevoegd aan een te verlenen ontheffing voorwaarden te verbinden. Voorts is zij bevoegd een ontheffing voor bepaalde tijd te verlenen.

 

Artikel 8 Verzoek om bemiddeling
1. Een verzoek om bemiddeling dient schriftelijk bij de APA te worden ingediend.
2. Een dergelijk verzoek wordt alleen in behandeling genomen indien daarin door de verzoekende partij(en) wordt aangetoond, dat reeds ernstig is getracht om tot een oplossing van de kwestie te geraken.
3. Een verzoek om bemiddeling kan niet in behandeling worden genomen nadat het dienstverband is verbroken, tenzij dit betrekking heeft op de beëindiging van het dienstverband zelf.
4. Alleen als de bij de kwestie betrokken partijen een gezamenlijk ondertekend verzoek om bemiddeling indienen, en beide partijen om een bindend advies verzoeken, heeft de uitspraak van de APA de kracht van een bindend advies.
5. De APA is bevoegd om nadere inlichtingen in te winnen en zowel partijen als derden te horen. Partijen zullen aan een daartoe strekkend verzoek gevolg geven.

 

Artikel 9 Verzoeken om interpretatie
1. Een verzoek om interpretatie van bepalingen van de CAO dient schriftelijk bij de APA te worden ingediend, voorzien van een duidelijke toelichting.
2. Alleen als bij de kwestie betrokken partijen een gezamenlijk ondertekend verzoek om interpretatie indienen, heeft de interpretatie van de zijde van de APA kracht van een bindend advies.
3. Als één partij een verzoek om interpretatie indient, dan is de interpretatie van de zijde van de APA een zwaarwegend advies.

 

Artikel 10 Beroepsprocedure
1. Een door de werknemer in verband met zijn functie-indeling bij de APA ingesteld beroep is alleen ontvankelijk indien:
a. tussen werkgever en werknemer overeenstemming bestaat over de functie-inhoud, een door werkgever en werknemer ondertekend Formulier Functieprofiel beschikbaar is en mits aan de overige door de APA gestelde voorwaarden wordt voldaan.
b. door de werknemer kan worden aangetoond, dat reeds ernstig is getracht om tot een oplossing van de kwestie te geraken.
2. De werknemer dient zijn klacht schriftelijk gemotiveerd kenbaar te maken aan de werkgever.
3. De werkgever bevestigt de ontvangst van de klacht, neemt deze in behandeling en deelt vervolgens de werknemer binnen twee maanden schriftelijk gemotiveerd zijn standpunt met betrekking tot de klacht mede.
4. Indien de werknemer zich met deze beslissing wederom niet kan verenigen, bestaat de mogelijkheid van beroep tegen de functie-indeling bij de APA.
5. Het beroep dient binnen één maand aanhangig te worden gemaakt nadat de werkgever zijn standpunt conform lid 3 aan de werknemer kenbaar heeft gemaakt dan wel de werkgever niet binnen twee maanden heeft gereageerd op de klacht van de werknemer.
6. Mocht de klacht leiden tot een hogere indeling, dan werkt deze terug tot de datum waarop het schriftelijk bezwaar bij de werkgever is ingediend.
7. De beroepsprocedure zal in principe schriftelijk worden afgedaan.

 

Artikel 11Geheimhouding
Vertrouwelijk ter beschikking gestelde gegevens zullen als zodanig door de APA worden behandeld.

 

Artikel 12 Verslag van de werkzaamheden
De APA brengt jaarlijks aan de in artikel 3 lid 2 van dit reglement genoemde organisaties verslag uit over haar werkzaamheden.

 

Artikel 13 Kosten
Alle kosten, waaronder begrepen de door leden van subcommissies gemaakte kosten, komen voor rekening van de APA.

 

Artikel 14 Onvoorziene gevallen
De APA is bevoegd in onvoorziene gevallen af te wijken van het bepaalde in dit reglement, mits daarbij niet in strijd wordt gehandeld met de CAO.

 

Dictum II
De in dictum I opgenomen bepalingen zijn algemeen verbindend verklaard tot en met 31 maart 2010.

 

Dictum III
Voor zover de in dictum I opgenomen bepalingen strijdig zijn met bij of krachtens de wetgestelde of te stellen regelen, prevaleren deze regelen.

 

Dictum IV
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 april 2010 en heeft geen terugwerkende kracht.

 

’s-Gravenhage, 21 oktober 2009

 

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze:

de directeur Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving, M.H.M. van der Goes


€734,25

Sector 44 - SF Architectenbureaus 1-1-2009 tm 31-12-2013

E-mailadres Afdrukken PDF

Collectieve Arbeidsovereenkomst inzake Fonds Architectenbureaus

1 januari 2009 tot en met 31 december 2013

Collectieve Arbeidsovereenkomst inzake Fonds Architectenbureaus

Artikel 1 Begripsbepalingen
Artikel 2 Werkingssfeer
Artikel 3 Doel
Artikel 4 Uitvoering
Artikel 5 Verplichtingen werkgever
Artikel 6 Rechten van de werkgever en werknemer
Artikel 7 Bijdragen
Artikel 8 Looptijd

Bijlage I

Statuten van de Stichting Fonds Architectenbureaus

Artikel 1 Begripsbepalingen
Artikel 2 Naam en zetel
Artikel 3 Doel
Artikel 4 Geldmiddelen
Artikel 5 Bestuur
Artikel 6 Bevoegdheden van het bestuur
Artikel 7 Bestuursvergaderingen
Artikel 8 Besluitvorming
Artikel 9 Administrateur
Artikel 10 Jaarverslag, rekening en verantwoording
Artikel 11 Statutenwijziging en ontbinding
Artikel 12 Reglement
Artikel 13 Verplichtingen werkgevers, werknemers en gesubsidieerde instellingen
Artikel 14 Vereffening
Artikel 15 Beleggingen
Artikel 16 Onvoorziene gevallen

Bijlage II

Reglement van de Stichting Fonds Architectenbureaus

Artikel 1 Begripsbepalingen
Artikel 2 Hoogte der bijdragen
Artikel 3 Administrateur
Artikel 4 Werkwijze
Artikel 5 Begroting
Artikel 6 Inwerkingtreding

Bijlage III

Reglement van de Adviescommissie Personeelszaken Architectenbureaus

Artikel 1 Begripsbepalingen
Artikel 2 Taak
Artikel 3 Samenstelling
Artikel 4 Besluitvorming
Artikel 5 Subcommissies
Artikel 6 Adviseurs
Artikel 7 Verzoeken om ontheffing
Artikel 8 Verzoek om bemiddeling
Artikel 9 Verzoeken om interpretatie
Artikel 10 Beroepsprocedure
Artikel 11 Geheimhouding
Artikel 12 Verslag van de werkzaamheden
Artikel 13 Kosten
Artikel 14 Onvoorziene gevallen

Adressenlijst

Collectieve Arbeidsovereenkomst inzake Fonds Architectenbureaus

Artikel 1 Begripsbepalingen
Artikel 2 Werkingssfeer
Artikel 3 Doel
Artikel 4 Uitvoering
Artikel 5 Verplichtingen werkgever
Artikel 6 Rechten van de werkgever en werknemer
Artikel 7 Bijdragen
Artikel 8 Looptijd

 

De Koninklijke Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst Bond van Nederlandse Architecten BNA als partij te ener zijde en De Unie, vakbond voor en door professionals, FNV Bondgenoten en CNV Dienstenbond als partijen te anderer zijde hebben de navolgende collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt verstaan onder:

a. de SFA:

de Stichting Fonds Architectenbureaus.

b. de werkgever:

de natuurlijke persoon of rechtspersoon, die op last van een opdrachtgever uitsluitend of in hoofdzaak architectenwerkzaamheden verricht.

c. architectenwerkzaamheden:

1. het ontwerpen van gebouwen of van vernieuwingen, veranderingen, uitbreidingen of restauraties in de ruimste zin des woords, met uitzondering van de werken behorende tot de grond-, water- of wegenbouw;

2. het in organisatorische eenheid met de onder a genoemde werkzaamheden uitsluitend of in overwegende mate verrichten van een of meerdere van de volgende activiteiten:

- het maken van het bestek;
- het maken van de bouwvoorbereidingstekeningen; Ŗ het maken van de begroting;
- het verrichten van werkzaamheden terzake van het uitvoeringscontract; Ŗ het maken van de uitvoeringstekeningen;
- het voeren van de directie;
- het verrichten van de oplevering;
- het maken van onderhouds- en beheersplannen;
- het verrichten van administratieve werkzaamheden;
- het verrichten van andere werkzaamheden in samenhang met de hiervoor onder 1 en 2 genoemde werkzaamheden.

d. de werknemer:

degene die in dienst van een werkgever als bedoeld in sub b tegen salaris arbeid verricht, met uitzondering van de niet ingevolge de verplichte werknemersverzekeringen verzekerde directeur-grootaandeelhouder van de werkgever en diens evenmin in vorenbedoelde zin verzekerde echtgeno(o)t(e) en familieleden.

e. de echtgeno(o)t(e):

de huwelijkse partner alsmede de vaste partner met wie duurzaam wordt samengewoond.

Artikel 2 Werkingssfeer

Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op iedere werkgever als bedoeld in artikel 1 sub b en iedere werknemer als bedoeld in artikel 1 sub d.

Artikel 3 Doel

Het doel van deze collectieve arbeidsovereenkomst is het geheel of gedeeltelijk doen financieren en subsidiëren van activiteiten die gericht zijn op het in sociaal-economisch opzicht optimaal functioneren van de architectenbureaus. Deze activiteiten bestaan binnen de doelstelling van de SFA uit het bevorderen van:

a. het geven van voorlichting en informatie over de CAO voor personeel in dienst van Architectenbureaus en de voorschriften die daaruit voortvloeien en/of andere voorschriften die op het terrein van de arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en/of medezeggenschap liggen, ten behoeve van alle werkgevers en werknemers in de branche;

b. het verrichten van activiteiten om een juiste naleving van de CAO voor personeel in dienst van Architectenbureaus te bewerkstelligen;

c. de kennis over arbeidsomstandigheden, verzuimbegeleiding en reïntegratie. Dit vindt plaats door enerzijds het verzamelen en zonodig genereren en publiceren van kennis over de arbeidsomstandigheden, verzuimbegeleiding en reïntegratie in de architectenbranche, anderzijds door de overdracht hiervan;

d. het financieren van de werkzaamheden van de Adviescommissie Personeelszaken Architectenbureaus (APA), met dien verstande dat kosten van het eigenlijke CAO-overleg en uitwerking daarvan zijn uitgezonderd, zoals omschreven in het Reglement van de APA dat als Bijlage III aan deze CAO is gehecht en hiervan een integrerend onderdeel vormt;

e. het verrichten en publiceren van onderzoek naar het tot stand brengen en uitvoeren van maatregelen ter verbetering van de arbeidsomstandigheden van de werknemers;

f. het verrichten en publiceren van onderzoek naar de gevolgen van door partijen bij het CAO-overleg gemaakte afspraken in het belang van alle werknemers en werkgevers;

g. het verrichten en publiceren van onderzoek naar de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de toekomstige behoefte aan arbeidskrachten bij de architectenbureaus;

h. het ontwikkelen en implementeren van beleid specifiek ten behoeve van het uitvoeren van projecten die gericht zijn op optimale werkgelegenheid in de branche;

i. het geven van voorlichting met betrekking tot de opleidingsmogelijkheden in de branche;

j. het verrichten van scholingsactiviteiten en vormings- en ontwikkelingswerk ten behoeve van alle werkgevers en werknemers teneinde een goede werking van de arbeidsmarkt in de branche te bewerkstelligen en de employability van werknemers in de branche te verbeteren;

k. het (laten) verrichten en publiceren van onderzoek ter bevordering van een goede vakbekwaamheid bij het personeel in de branche;

l. het stimuleren en subsidiëren van onderzoeksactiviteiten op het gebied van opleiding van werknemers in het kader van hun inzetbaarheid, arbeidsvoorwaarden, arbeidsverhoudingen en de arbeidsmarkt gericht op het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen in de branche;

m. op de branche gerichte opleiding, bemiddeling en arbeidsstimulering van langdurig werklozen, langdurig arbeidsongeschikten en van werknemers aan wie ontslag is aangezegd wegens bedrijfseconomische redenen;

n. het opzetten en uitvoeren van informatieprojecten ten behoeve van een juiste toepassing van de arbeidsvoorwaarden door werkgevers;

o. het geven van algemeen toegankelijke informatie en voorlichting over reorganisaties en sociale plannen;

p. algemene publiciteit ten behoeve van de branche, in relatie tot de arbeidsvoorwaarden, om het positieve imago van de branche te handhaven of te verbeteren;

q. het stimuleren en subsidiëren van ontwikkelingen gericht op het bevorderen van de medezeggenschap, participatie, personeelsvertegenwoordigingen en ondernemingsraden als vormen van overleg op ondernemingsniveau tussen werknemers en werkgevers in de branche;

r. het verrichten van activiteiten teneinde een goede kinderopvang in de branche te bewerkstelligen.

Artikel 4 Uitvoering

1. De uitvoering van het in artikel 3 genoemde doel is opgedragen aan de SFA.

2. De uitvoering geschiedt volgens de statuten en reglementen, welke als bijlage I, II en III aan deze overeenkomst zijn gehecht en daarvan een integrerend onderdeel vormen.

3. Het bestuur van de SFA is bevoegd overeenkomsten tot vrijwillige aansluiting aan te gaan met werkgevers die vrijwillig zijn aangesloten bij de Stichting Pensioenfonds voor de Architectenbureaus en/of de Stichting Uittreden Architectenbureaus.

Artikel 5 Verplichtingen werkgever

Werkgevers zijn gehouden de door de SFA of haar administrateur in het kader van de doelstelling gevraagde gegevens te verstrekken en de bijdragen te betalen die zij aan de SFA verschuldigd zijn, overeenkomstig datgene wat te dezer zake in de statuten en het reglement van de SFA is of wordt bepaald en zullen zich ook overigens moeten houden aan het bepaalde in de statuten en het reglement van de SFA.

Artikel 6 Rechten van de werkgever en werknemer

Iedere werkgever en iedere werknemer heeft het recht deel te nemen aan c.q. gebruik te maken van (de resultaten van) de door de SFA gefinancierde of gesubsidieerde activiteiten als bedoeld in artikel 3.

Artikel 7 Bijdragen

De werkgever is aan de SFA per werknemer per kalenderjaar een bijdrage verschuldigd van € 30,00.

Indien op 1 december van enig jaar geen besluit is genomen over herziening van de werkgeversbijdrage voor het daarop volgende kalenderjaar, blijft de geldende werkgeversbijdrage van kracht.

Artikel 8 Looptijd

Deze collectieve arbeidsovereenkomst is afgesloten voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2013.

Bijlage I
Statuten van de Stichting Fonds Architectenbureaus
Artikel 1 Begripsbepalingen Artikel 2 Naam en zetel
Artikel 3 Doel
Artikel 4 Geldmiddelen
Artikel 5 Bestuur
Artikel 6 Bevoegdheden van het bestuur
Artikel 7 Bestuursvergaderingen
Artikel 8 Besluitvorming
Artikel 9 Administrateur
Artikel 10 Jaarverslag, rekening en verantwoording
Artikel 11 Statutenwijziging en ontbinding
Artikel 12 Reglement
Artikel 13 Verplichtingen werkgevers, werknemers en gesubsidieerde instellingen
Artikel 14 Vereffening
Artikel 15 Beleggingen
Artikel 16 Onvoorziene gevallen

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze statuten wordt verstaan onder:

1. de werkgever:

a. de werkgever als bedoeld in artikel 1 sub b van de CAO inzake Fonds Architectenbureaus;

b. de natuurlijke persoon of rechtspersoon waarmee de Stichting een overeenkomst tot aansluiting heeft gesloten.

2. de werknemer:

de werknemer als bedoeld in artikel 1 sub d van de CAO inzake Fonds Architectenbureaus.

3. de SFA:

de in artikel 2 van deze statuten bedoelde stichting.

4. het bestuur:

het in artikel 5 van deze statuten bedoelde bestuur.

5. de administrateur:

de in artikel 9 van deze statuten bedoelde administrateur.

6. het reglement:

het in artikel 12 van deze statuten bedoelde reglement.

Artikel 2 Naam en zetel

1. De stichting draagt de naam: Stichting Fonds Architectenbureaus, afgekort: SFA.

2. De SFA is gevestigd te Amsterdam.

Artikel 3 Doel

De SFA heeft ten doel, overeenkomstig de bepalingen van deze statuten en het reglement, het geheel of gedeeltelijk financieren en subsidiëren van activiteiten die gericht zijn op het in sociaal-economisch opzicht optimaal functioneren van de architectenbureaus. Deze activiteiten bestaan uit het bevorderen van:

a. het geven van voorlichting en informatie over de CAO voor personeel in dienst van Architectenbureaus en de voorschriften die daaruit voortvloeien en/of andere voorschriften die op het terrein van de arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en/of medezeggenschap liggen, ten behoeve van alle werkgevers en werknemers in de branche;

b. het verrichten van activiteiten om een juiste naleving van de CAO voor personeel in dienst van Architectenbureaus te bewerkstelligen;

c. de kennis over arbeidsomstandigheden, verzuimbegeleiding en reïntegratie. Dit vindt plaats door enerzijds het verzamelen en zonodig genereren en publiceren van kennis over de arbeidsomstandigheden, verzuimbegeleiding en reïntegratie in de architectenbranche, anderzijds door de overdracht hiervan;

d. het financieren van de werkzaamheden van de Adviescommissie Personeelszaken Architectenbureaus (APA), met dien verstande dat kosten van het eigenlijke CAO-overleg en uitwerking daarvan zijn uitgezonderd, zoals omschreven in het Reglement van de APA dat als Bijlage III aan de CAO inzake Fonds Architectenbureaus is gehecht en van deze CAO een integrerend onderdeel vormt;

e. het verrichten en publiceren van onderzoek naar het tot stand brengen en uitvoeren van maatregelen ter verbetering van de arbeidsomstandigheden van de werknemers;

f. het verrichten en publiceren van onderzoek naar de gevolgen van door partijen bij het CAO-overleg gemaakte afspraken in het belang van alle werknemers en werkgevers;

g. het verrichten en publiceren van onderzoek naar de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de toekomstige behoefte aan arbeidskrachten bij de architectenbureaus;

h. het ontwikkelen en implementeren van beleid specifiek ten behoeve van het uitvoeren van projecten die gericht zijn op optimale werkgelegenheid in de branche;

i. het geven van voorlichting met betrekking tot de opleidingsmogelijkheden in de branche;

j. het verrichten van scholingsactiviteiten en vormings- en ontwikkelingswerk ten behoeve van alle werkgevers en werknemers teneinde een goede werking van de arbeidsmarkt in de branche te bewerkstelligen en de employability van werknemers in de branche te verbeteren;

k. het (laten) verrichten en publiceren van onderzoek ter bevordering van een goede vakbekwaamheid bij het personeel in de branche;

l. het stimuleren en subsidiëren van onderzoeksactiviteiten op het gebied van opleiding van werknemers in het kader van hun inzetbaarheid, arbeidsvoorwaarden, arbeidsverhoudingen en de arbeidsmarkt gericht op het bevorderen van goede arbeidsverhoudingen in de branche;

m. op de branche gerichte opleiding, bemiddeling en arbeidsstimulering van langdurig werklozen, langdurig arbeidsongeschikten en van werknemers aan wie ontslag is aangezegd wegens bedrijfseconomische redenen;

n. het opzetten en uitvoeren van informatieprojecten ten behoeve van een juiste toepassing van de arbeidsvoorwaarden door werkgevers;

o. het geven van algemeen toegankelijke informatie en voorlichting over reorganisaties en sociale plannen;

p. algemene publiciteit ten behoeve van de branche, in relatie tot de arbeidsvoorwaarden, om het positieve imago van de branche te handhaven of te verbeteren;

q. het stimuleren en subsidiëren van ontwikkelingen gericht op het bevorderen van de medezeggenschap, participatie, personeelsvertegenwoordigingen en ondernemingsraden als vormen van overleg op ondernemingsniveau tussen werknemers en werkgevers in de branche;

r. het verrichten van activiteiten teneinde een goede kinderopvang in de branche te bewerkstelligen.

Artikel 4 Geldmiddelen

1. De inkomsten van de SFA bestaan uit:

a. bijdragen van werkgevers;

b. bijdragen van werknemers;

c. bijdragen van de overheid;

d. de te kweken renten;

e. schenkingen, legaten en erfstellingen;

f. al hetgeen op andere wijze wordt verkregen.

2. Erfstellingen kunnen slechts worden aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

3. De uitgaven van de SFA bestaan uit:

a. de uitgaven voortvloeiend uit de realisatie van het in artikel 3 omschreven doel;

b. de bestuurs- en beheerskosten van de SFA.

Artikel 5 Bestuur

1. Het bestuur van de SFA bestaat uit zes leden, te weten: drie werkgeversleden en drie werknemersleden.

2. De werkgeversleden worden benoemd door de Koninklijke Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst Bond van Nederlandse Architecten BNA, gevestigd te Amsterdam.

De werknemersleden worden benoemd door de werknemersorganisaties, te weten:

Ŗ één (1) door De Unie, vakbond voor en door professionals, gevestigd te Culemborg; Ŗ één (1) door FNV Bondgenoten, gevestigd te Utrecht en

Ŗ één (1) door CNV Dienstenbond, gevestigd te Hoofddorp.

3. Het bestuur kiest uit zijn midden een voorzitter en een secretaris/penningmeester, die deze functies voor de duur van één (1) jaar vervullen.

De benoeming van de voorzitter en de secretaris/penningmeester geschiedt zodanig dat per kalenderjaar de functies van voorzitter en secretaris/penningmeester, afwisselend worden vervuld door een werkgevers- en een werknemerslid, respectievelijk door een werknemers- en een werkgeverslid.

4. De bestuursleden worden benoemd voor een periode van vier jaar; zij zijn terstond herbenoembaar.

Indien een vacature voor een bestuurslid ontstaat, zal het bestuur de organisatie, die het recht heeft om voor die vacature een bestuurslid te benoemen, daarvan in kennis stellen. De organisatie, die het recht heeft om een bestuurslid te benoemen, zal daartoe overgaan binnen twee maanden na ontvangst van de kennisgeving van het bestuur als bedoeld in de vorige volzin van dit lid 4.

5. Een bestuurslid kan te allen tijde worden geschorst en ontslagen door de organisatie, die het desbetreffende bestuurslid heeft benoemd.

6. Indien in het bestuur tijdelijk één of twee vacatures bestaan blijft het bestuur bevoegd evenwel met dien verstande, dat indien in het bestuur twee vacatures bestaan het bestuur slechts bevoegd blijft indien er één vacature voor een werkgeverslid en één vacature voor een werknemerslid bestaat. Het bestuur is gehouden zo spoedig mogelijk in de vacature(s) te doen voorzien.

Artikel 6 Bevoegdheden van het bestuur

1. De SFA wordt vertegenwoordigd door het bestuur alsmede door de voorzitter en de secretaris/penningmeester gezamenlijk handelend.

2. Het bestuur is belast met het besturen van de stichting. Het bestuur is tevens belast met de zorg voor de uitvoering en handhaving van de statuten en het reglement alsmede voor het beheer van het vermogen van de SFA.

3. Het bestuur is tevens bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding en bezwaring van registergoederen. Het bestuur is evenwel niet bevoegd te besluiten tot het aangaanvan overeenkomsten waarbij de SFA zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een derde verbindt.

4. Het bestuur is bevoegd overeenkomsten tot vrijwillige aansluiting aan te gaan met werkgevers die vrijwillig zijn aangesloten bij de Stichting Pensioenfonds voor de Architectenbureaus en/of de Stichting Uittreden Architectenbureaus.

5. Het bestuur is bevoegd, ter uitvoering van de werkzaamheden verbonden aan het secretariaat zomede andere door het bestuur te bepalen taken, een of meer medewerkers aan te stellen.

Artikel 7 Bestuursvergaderingen

1. Het bestuur vergadert tenminste eenmaal per jaar en voorts zo dikwijls de voorzitter of tenminste twee bestuursleden dit nodig achten.

2. De wijze en termijn van oproeping worden bij bestuursbesluit geregeld.

3. Door het bestuur kan aan de bestuursleden, alsmede aan ter vergadering uitgenodigden, voor het bijwonen van vergaderingen en daarmee gelijk te stellen bijeenkomsten een vergoeding worden toegekend.

4. Indien door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de wens daartoe te kennen wordt gegeven, wordt in overleg tussen het bestuur en de Minister een waarnemer toegelaten.

Waarnemers zijn gerechtigd tot het bijwonen van alle bestuursvergaderingen en ontvangen alle voor bestuursleden bestemde stukken.

Artikel 8 Besluitvorming

1. Besluiten kunnen slechts rechtsgeldig worden genomen indien tenminste vier (4) bestuursleden aanwezig of vertegenwoordigd zijn, waaronder tenminste twee (2) werknemersleden en twee (2) werkgeversleden.

2. Elk bestuurslid brengt één stem uit, evenwel met dien verstande dat indien het aantal ter vergadering aanwezige of vertegenwoordigde werkgeversleden verschilt met het aantal ter vergadering aanwezige of vertegenwoordigde werknemersleden, door de werkgeversleden tezamen evenveel stemmen kunnen worden uitgebracht als door de werknemersleden tezamen..

3. Tenzij in deze statuten uitdrukkelijk anders bepaald, worden besluiten genomen met volstrekte meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen.

4. Blanco stemmen worden geacht niet te zijn uitgebracht.

5. Bij staking van stemmen wordt het voorstel in de volgende vergadering opnieuw aan de orde gesteld. Staken de stemmen dan opnieuw, dan wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

6. Over zaken wordt bij voorkeur mondeling en over personen schriftelijk gestemd.

7. De leden van het bestuur zijn bevoegd zich door een daartoe schriftelijk gevolmachtigd ander lid van het bestuur te doen vertegenwoordigen.

8. In afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden, kan besluitvorming door het bestuur ook schriftelijk tot stand komen, mits alle bestuursleden hun stem uitbrengen. Het bepaalde in lid 3, 4 en 5 is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat bij staking van stemmen het voorstel in de eerstkomende vergadering aan de orde wordt gesteld.

Artikel 9 Administrateur

1. De administratie en inning van bijdragen wordt onder verantwoordelijkheid van het bestuur verricht door een daarvoor door het bestuur in het reglement aan te wijzen administrateur. De kosten van deze administratie en inning komen voor rekening van de SFA.

2. De opdracht tot administratie en inning van bijdragen aan de administrateur wordt schriftelijk verstrekt.

Artikel 10 Jaarverslag, rekening en verantwoording

1. Het boekjaar van de stichting is gelijk aan het kalenderjaar.

2. Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de stichting en van alles betreffende de werkzaamheden van de stichting, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat daaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de stichting kunnen worden gekend.

3. Voorafgaand aan ieder boekjaar stelt het bestuur een begroting vast, welke voor bij de SFA betrokken werkgevers en werknemers beschikbaar is. De begroting is ingericht en gespecificeerd volgens de in artikel 3 omschreven bestedingsdoelen/activiteiten.

4. Het bestuur is verplicht jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar de balans en de staat van baten en lasten van de stichting te maken, op papier te stellen en vast te stellen., Voorts legt het bestuur rekening en verantwoording af van het gevoerde beleid in het jaarverslag. Het jaarverslag dient volgens de in artikel 3 omschreven bestedingsdoelen/activiteiten te zijn gespecificeerd en gecontroleerd door een deskundige in de zin van artikel 2:393 Burgerlijk Wetboek. Uit het jaarverslag en de accountantsverklaring moet blijken dat de uitgaven conform de bestedingsdoelen zijn gedaan.

5. Het in lid 4 bedoelde verslag en de accountantsverklaring worden ter inzage van de bij de SFA betrokken werkgevers en werknemers neergelegd:

a. ten kantore van de stichting;

b. op een of meer door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te wijzen plaatsen.

6. Het in lid 4 bedoelde verslag en de accountantsverklaring worden op aanvraag aan de bij de SFA betrokken werkgevers en werknemers toegezonden tegen betaling van de daaraan verbonden kosten.

7. Het bestuur is verplicht de in de voorgaande leden bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers gedurende zeven jaren te bewaren.

8. De op een gegevensdrager aangebrachte gegevens, uitgezonderd de op papier gestelde balans en staat van baten en lasten, kunnen op een andere gegevensdrager worden overgebracht en bewaard, mits de overbrenging geschiedt met juiste en volledige weergave der gegevens en deze gegevens gedurende de volledig bewaartijd beschikbaar zijn en binnen redelijke tijd leesbaar kunnen worden gemaakt.

Artikel 11 Statutenwijziging en ontbinding

1. Een besluit tot statutenwijziging of tot ontbinding van de stichting kan door het bestuur worden genomen met inachtneming van het bepaalde in artikel 8, lid 1 van deze statuten.

Aan de leden van het bestuur zal minimaal drie weken voor de dag van de vergadering, waarin een voorstel tot het nemen van een besluit tot statutenwijziging dan wel ontbinding zal worden behandeld, gelijktijdig met de agenda van de vergadering, een afschrift worden toegezonden van het voorstel, waarin de voorgedragen wijziging van de statuten of ontbinding van de stichting woordelijk is opgenomen.

Voorts zullen de in artikel 5, lid 2 genoemde organisaties in kennis worden gesteld van het voorstel tot ontbinding.

2. Een besluit tot ontbinding kan niet eerder door het bestuur worden genomen dan na verloop van twee maanden sedert de dag, waarop het voorstel tot ontbinding aan de in artikel 5, lid 2 genoemde organisaties is toegezonden.

Artikel 12 Reglement

1. Het bestuur stelt, naast andere reglementen, een reglement vast waarin bepalingen worden opgenomen omtrent de vaststelling en invordering der door de werkgevers verschuldigde bijdragen, alsmede de wijze waarop de doelstelling zal worden gerealiseerd.

2. Ten aanzien van besluiten tot vaststelling of wijziging van een reglement is het bepaalde in artikel 11, lid 1 ten aanzien van een besluit tot statutenwijziging van overeenkomstige toepassing.

3. De bepalingen in een reglement mogen niet in strijd zijn met deze statuten of de wet.

Artikel 13 Verplichtingen werkgevers, werknemers en gesubsidieerde instellingen

1. De werkgevers en werknemers zijn verplicht alle gegevens te verstrekken, die door het bestuur voor een goede uitvoering van de statuten en het reglement als bedoeld in artikel 12, lid 1 noodzakelijk worden geacht.

2. Bij een aanvraag om subsidie dient een begroting van de activiteiten, waarvoor subsidie wordt aangevraagd, te worden ingezonden. De begroting dient te zijn gespecificeerd volgens de bestedingsdoelen/activiteiten als omschreven in artikel 3.

3. Een subsidieontvangende instelling zal jaarlijks een door een registeraccountant of accountant-administratieconsulent met certificerende bevoegdheid gecontroleerde verklaring overleggen over de besteding van de gelden, welke verklaring moet zijn gespecificeerd volgens de in artikel 3 omschreven bestedingsdoelen/activiteiten en een geïntegreerd onderdeel uit moet maken van het (financieel) jaarverslag.

Artikel 14 Vereffening

1. De vereffening geschiedt door het bestuur.

2. De SFA blijft na ontbinding voortbestaan indien en voorzover dit voor de vereffening van haar zaken nodig is.

3. Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van de statuten zoveel mogelijk van kracht.

4. Het bestuur bepaalt welke bestemming, na betaling van alle schulden, aan de overgebleven bezittingen van de SFA zal worden gegeven, met dien verstande dat het saldo zal worden bestemd voor een doel, dat het doel van de SFA zoveel mogelijk nabij komt.

5. De slotrekening van de vereffening alsmede de bestemming van het eventuele saldo behoeven de goedkeuring van de organisaties, genoemd in artikel 5, lid 2.

6. Na afloop van de vereffening blijven de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de ontbonden stichting gedurende zeven jaren berusten onder de door de vereffenaar(s) aan te wijzen perso(o)n(en).

7. Op de vereffening zijn voorts de bepalingen van Titel 1, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.

Artikel 15 Beleggingen

Voorzover gelden van de SFA voor belegging beschikbaar zijn, worden deze gelden door het bestuur belegd, met inachtneming van in redelijkheid daarvoor te stellen eisen van liquiditeit, rendement en risicoverdeling.

Artikel 16 Onvoorziene gevallen

In alle gevallen waarin zowel de wet als de statuten niet voorzien, beslist het bestuur.

Bijlage II

Reglement van de Stichting Fonds Architectenbureaus

Artikel 1 Begripsbepalingen
Artikel 2 Hoogte der bijdragen
Artikel 3 Administrateur
Artikel 4 Werkwijze
Artikel 5 Begroting
Artikel 6 Inwerkingtreding

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit reglement worden geacht te zijn opgenomen de begripsbepalingen omschreven in artikel 1 van de statuten.

Artikel 2 Hoogte der bijdragen

1. De hoogte der bijdrage, als bedoeld in artikel 4 lid 1 sub a van de statuten, bedraagt € 30,00 per werknemer per kalenderjaar. Indien op 1 december van enig jaar geen besluit is genomen over herziening van de werkgeversbijdrage voor het daarop volgende kalenderjaar, blijft de geldende werkgeversbijdrage van kracht.

2. De werkgever is verplicht vóór 1 mei van het jaar waarover de bijdrage van de werkgever verschuldigd is alle gegevens te verstrekken, die door het bestuur voor de vaststelling van de bijdrage noodzakelijk worden geacht. Bij gebreke van verstrekking van de bedoelde gegevens in de voorgaande zin vóór 1 mei, is het bestuur gerechtigd de voor dat kalenderjaar verschuldigde bijdrage vast te stellen aan de hand van de gegevens, op basis waarvan de bijdrage over het direct daaraan voorafgaande kalenderjaar is vastgesteld. Het bestuur is bevoegd te besluiten om aan de werkgever als bedoeld in de vorige volzin een extra heffing op te leggen van € 5,00 per werknemer.

3. De werkgever die nalaat zijn financiële verplichtingen jegens de SFA op een door het bestuur vastgesteld tijdstip te voldoen, zal voor elke ingaande maand verzuim wegens rentederving het wettelijk rentepercentage, als bedoeld in artikel 6:119 juncto 120 van het Burgerlijk Wetboek, van het niet tijdig betaalde bedrag aan de SFA verschuldigd zijn, tenzij het bestuur daarvan geheel of gedeeltelijk ontheffing verleent.

4. Boven en behalve de in lid 2 van dit artikel bedoelde rentevergoeding is de werkgever in geval van nalatigheid verplicht op de eerste vordering van de SFA alle kosten te betalen, welke ter invordering van het verschuldigde zijn gemaakt.

Artikel 3 Administrateur

Als administrateur treedt op Syntrus Achmea, gevestigd te Amsterdam.

Artikel 4 Werkwijze

1. De aanvragen om subsidie, als bedoeld in artikel 13 lid 3 van de statuten, dienen schriftelijk bij het bestuur te worden ingediend, en wel

Ŗ voor eenmalige subsidies: zo spoedig mogelijk na het nemen van het besluit een subsidie aan te vragen en alvorens de activiteiten hebben plaatsgevonden;

Ŗ voor periodieke subsidies: jaarlijks vóór de 1e september voorafgaand aan het jaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

Bij de aanvragen dient een begroting van de activiteiten, waarvoor subsidie wordt aangevraagd, te worden meegezonden.

2. De verantwoording omtrent de besteding van de ontvangen gelden, als bedoeld in artikel 13 lid 4 van de statuten, dient schriftelijk bij het bestuur te worden ingediend, en wel:

Ŗ voor eenmalige subsidies: zo spoedig mogelijk na de besteding van deze gelden;

Ŗ voor periodieke subsidies: jaarlijks vóór de 1e maart volgend op het jaar waarop de subsidie betrekking had.

3. Het bestuur is bevoegd nadere voorschriften te geven waaraan de bij de subsidieaanvraag mee te zenden begroting c.q. de schriftelijke verantwoording dient te voldoen.

4. Op beslissingen van het bestuur omtrent de subsidieaanvraag kan géén beroep worden ingesteld, onverlet de mogelijkheid een nieuwe aanvraag in te dienen.

Artikel 5 Begroting

Het bestuur van de SFA stelt voorafgaand aan ieder boekjaar een begroting van inkomsten en uitgaven van de SFA vast, welke voor bij de SFA betrokken werkgevers/werknemers beschikbaar is. De begroting omvat:

a. de inkomsten als bedoeld in artikel 4 lid 1 van de statuten;

b. financiering en subsidiëring van activiteiten als bedoeld in artikel 3 van de statuten;

c. de kosten van administratie, secretariaat en bestuur.

Artikel 6 Onvoorziene gevallen

Het bestuur van de SFA is bevoegd om in onvoorziene gevallen af te wijken van het bepaalde in dit reglement, mits daarbij niet in strijd wordt gehandeld met de statuten.

Artikel 7 Inwerkingtreding

Dit reglement is in werking getreden op 1 januari 1985 en is laatstelijk gewijzigd met ingang van 1 januari 2009.

Bijlage III

Reglement van de Adviescommissie Personeelszaken Architectenbureaus

Artikel 1 Begripsbepalingen
Artikel 2 Taak
Artikel 3 Samenstelling
Artikel 4 Besluitvorming
Artikel 5 Subcommissies
Artikel 6 Adviseurs
Artikel 7 Verzoeken om ontheffing
Artikel 8 Verzoek om bemiddeling
Artikel 9 Verzoeken om interpretatie
Artikel 10 Beroepsprocedure
Artikel 11 Geheimhouding
Artikel 12 Verslag van de werkzaamheden
Artikel 13 Kosten
Artikel 14 Onvoorziene gevallen
Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit reglement wordt verstaan onder:

1. CAO:

de CAO voor personeel in dienst van Architectenbureaus.

2. werkgever:

de werkgever als bedoeld in artikel 2 lid 1 sub a van de CAO.

3. werknemer:

de werknemer als bedoeld in artikel 2 lid 1 sub c van de CAO.

4. APA:

de Adviescommissie Personeelszaken Architectenbureaus.

Artikel 2 Taak

De taak van de APA is het, ten behoeve van alle werkgevers en werknemers in de branche, entameren van activiteiten die gericht zijn op het in sociaal-economisch opzicht optimaal functioneren van de architectenbureaus, het bevorderen van een goede samenwerking tussen werkgevers en werknemers alsmede het bevorderen van een goede uitvoering van de CAO door de volgende activiteiten:

a. het behandelen van verzoeken om ontheffing (zie artikel 7 van dit reglement);

b. het behandelen van verzoeken om bemiddeling (zie artikel 8 van dit reglement);

c. het behandelen van verzoeken om interpretatie van bepalingen van de CAO (zie artikel 9 van dit reglement);

d. het behandelen van beroepszaken in verband met de functie-indeling (zie artikel 10 van dit reglement);

e. het adviseren van belanghebbenden en (overheids)instanties inzake alle vragen, rijzende bij de uitvoering van de CAO of uitvoering van individuele arbeidsovereenkomsten waarop de CAO van toepassing is;

f. de vervaardiging, uitgifte en verzending van de noodzakelijke hoeveelheid CAO-boekjes;

g. het coördineren, voorbereiden en ondersteunen van het geformaliseerde overleg – met uitzondering van CAO-overleg – tussen sociale partners;

h. het ontwikkelen en implementeren van beleid op het gebied van arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden en arbeidsmarkt;

i. het desgevraagd adviseren van het CWI bij verzoeken om toestemming tot het beëindigen van de arbeidsverhouding tussen een werkgever en een of meer werknemers op wie de CAO van toepassing is (ontslagvergunning);

j. het desgevraagd adviseren van de Arbeidsinspectie bij verzoeken om toestemming tot het verkorten van de werktijd per week onder evenredige vermindering van het geldende loon (werktijdverkorting).

Artikel 3 Samenstelling

1. De APA bestaat uit 6 leden, te weten:

3 werkgeversleden en 3 werknemersleden.

2. De werkgeversleden worden benoemd door de Koninklijke Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst Bond van Nederlandse Architecten BNA, gevestigd te Amsterdam.

De werknemersleden worden benoemd door de werknemersorganisaties, te weten: één door CNV Dienstenbond, gevestigd te Hoofddorp;

één door FNV Bondgenoten, gevestigd te Utrecht en

één door De Unie, vakbond voor en door professionals, gevestigd te Culemborg.

3. De in lid 2 genoemde organisaties benoemen elk één plaatsvervangend lid dat bij afwezigheid van een zittend lid aan de vergaderingen deelneemt.

4. De APA kiest uit het midden van de werkgevers- en werknemersleden een voorzitter, een secretaris/penningmeester, een plaatsvervangend voorzitter en een plaatsvervangend secretaris.

In het jaar negentienhonderdéénennegentig worden de functies van voorzitter en plaatsvervangend voorzitter vervuld door werknemersleden en die van secretaris/penningmeester en plaatsvervangend secretaris door werkgeversleden.

Genoemde functies worden daarna, telkens voor een periode van één jaar afwisselend vervuld door werkgevers-en werknemersleden respectievelijk werknemers- en werkgeversleden.

5. De (plaatsvervangende) leden worden benoemd voor een periode van vier jaar; zij zijn terstond herbenoembaar. De geldende zittingsperiode eindigt op 31 december 2008. In een tussentijdse vacature wordt binnen twee maanden voorzien door de organisatie, die het vertrekkende (plaatsvervangende) lid had benoemd.

6. De in lid 2 genoemde organisaties hebben te allen tijde het recht de door hen benoemde (plaatsvervangende) leden te vervangen.

7. De APA wordt ontbonden na het verstrijken van de periode als bedoeld in artikel 45 lid 3 van de CAO.

Artikel 4 Besluitvorming

1. Beslissingen kunnen slechts worden genomen, indien ten minste vier leden van de APA aanwezig zijn, waaronder ten minste een van de werknemersleden en een van de werkgeversleden.

2. Elk lid brengt één stem uit, tenzij het aantal ter vergadering aanwezige werkgeversleden verschilt van het aantal werknemersleden, in welk geval elk van de leden van de ene groep evenveel stemmen uitbrengt als van de andere groep leden aanwezig zijn.

3. De APA neemt haar beslissingen bij gewone meerderheid van stemmen.

4. Blanco stemmen worden geacht niet te zijn uitgebracht.

5. Bij staking van stemmen wordt het voorstel de volgende vergadering opnieuw aan de orde gesteld. Staken de stemmen dan opnieuw, dan wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

6. De leden zijn vrij ruggespraak te houden met de organisatie, door welke zij zijn benoemd.

7. De beslissing van de APA over een verzoek om ontheffing, bemiddeling of interpretatie wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de indiener meegedeeld.

Artikel 5 Subcommissies

De APA benoemt al dan niet uit haar midden:

a. de leden van een subcommissie voor ontslagzaken en werktijdverkortingen;

b. de leden van eventuele andere subcommissies van bijstand.

Artikel 6 Adviseurs

De leden van de APA zijn vrij zich ter vergadering door adviseurs te laten bijstaan.

Artikel 7 Verzoeken om ontheffing

1. Wanneer strikte toepassing van de bepalingen van de CAO leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, is de APA bevoegd om overeenkomstig dit reglement desgevraagd van een of meer bepalingen van de CAO ontheffing te verlenen.

2. Een verzoek om ontheffing, als bedoeld in lid 1, dient schriftelijk en duidelijk gemotiveerd bij de APA te worden ingediend.1

3. Een dergelijk verzoek van een werkgever dient mede te zijn ondertekend door de betrokken werknemers en van elk van hen moet duidelijk zijn vermeld: naam, voorletters, huisadres, woonplaats, geboortedatum, functiegroep waarin deze is ingedeeld, alsmede het bruto-salaris over de maand waarin het verzoek is gedateerd.

1 Secretariaat APA: Postbus 19606, 1000 GP Amsterdam, telefoon 020 - 620 01 69.

Indien een of meer van de betrokken werknemers het verzoek niet wenst mede te ondertekenen, dient dit te worden vermeld onder zo uitvoerig mogelijke opgave van redenen.

4. Een dergelijk verzoek van een werknemer dient mede te zijn ondertekend door de werkgever.

Indien de werkgever het verzoek niet wenst mede te ondertekenen, dient dit te worden vermeld onder zo uitvoerig mogelijke opgave van redenen.

5. De APA is bevoegd aan een te verlenen ontheffing voorwaarden te verbinden. Voorts is zij bevoegd een ontheffing voor bepaalde tijd te verlenen.

Artikel 8 Verzoek om bemiddeling

1. Een verzoek om bemiddeling dient schriftelijk bij de APA te worden ingediend.2

2. Een dergelijk verzoek wordt alleen in behandeling genomen indien daarin door de verzoekende partij(en) wordt aangetoond, dat reeds ernstig is getracht om tot een oplossing van de kwestie te geraken.

3. Een verzoek om bemiddeling kan niet in behandeling worden genomen nadat het dienstverband is verbroken, tenzij dit betrekking heeft op de beëindiging van het dienstverband zelf.

4. Alleen als de bij de kwestie betrokken partijen een gezamenlijk ondertekend verzoek om bemiddeling indienen, en beide partijen om een bindend advies verzoeken, heeft de uitspraak van de APA de kracht van een bindend advies.

5. De APA is bevoegd om nadere inlichtingen in te winnen en zowel partijen als derden te horen. Partijen zullen aan een daartoe strekkend verzoek gevolg geven.

Artikel 9 Verzoeken om interpretatie

1. Een verzoek om interpretatie van bepalingen van de CAO dient schriftelijk bij de APA te worden ingediend3, voorzien van een duidelijke toelichting.

2. Alleen als bij de kwestie betrokken partijen een gezamenlijk ondertekend verzoek om interpretatie indienen, heeft de interpretatie van de zijde van de APA kracht van een bindend advies.

3. Als één partij een verzoek om interpretatie indient, dan is de interpretatie van de zijde van de APA een zwaarwegend advies.

Artikel 10 Beroepsprocedure

1. Een door de werknemer in verband met zijn functie-indeling bij de APA ingesteld beroep is alleen ontvankelijk indien:

a. tussen werkgever en werknemer overeenstemming bestaat over de functie-inhoud, een door werkgever en werknemer ondertekend Formulier Functieprofiel beschikbaar is en mits aan de overige door de APA gestelde voorwaarden wordt voldaan.

b. door de werknemer kan worden aangetoond, dat reeds ernstig is getracht om tot een oplossing van de kwestie te geraken.

2. De werknemer dient zijn klacht schriftelijk gemotiveerd kenbaar te maken aan de werkgever.

3. De werkgever bevestigt de ontvangst van de klacht, neemt deze in behandeling en deelt vervolgens de werknemer binnen twee maanden schriftelijk gemotiveerd zijn standpunt met betrekking tot de klacht mede.

4. Indien de werknemer zich met deze beslissing wederom niet kan verenigen, bestaat de mogelijkheid van beroep tegen de functie-indeling bij de APA.

5. Het beroep dient binnen één maand aanhangig te worden gemaakt nadat de werkgever zijn standpunt conform lid 3 aan de werknemer kenbaar heeft gemaakt danwel de werkgever niet binnen twee maanden heeft gereageerd op de klacht van de werknemer.

2 Secretariaat APA: Postbus 19606, 1000 GP Amsterdam, telefoon 020 - 620 01 69.
3 Secretariaat APA: Postbus 19606, 1000 GP Amsterdam, telefoon 020 - 620 01 69.

6. Mocht de klacht leiden tot een hogere indeling, dan werkt deze terug tot de datum waarop het schriftelijk bezwaar bij de werkgever is ingediend.

7. De beroepsprocedure zal in principe schriftelijk worden afgedaan.

Artikel 11 Geheimhouding

Vertrouwelijk ter beschikking gestelde gegevens zullen als zodanig door de APA worden behandeld.

Artikel 12 Verslag van de werkzaamheden

De APA brengt jaarlijks aan de in artikel 3 lid 2 van dit reglement genoemde organisaties verslag uit over haar werkzaamheden.

Artikel 13 Kosten

Alle kosten, waaronder begrepen de door leden van subcommissies gemaakte kosten, komen voor rekening van de APA.

Artikel 14 Onvoorziene gevallen

De APA is bevoegd in onvoorziene gevallen af te wijken van het bepaalde in dit reglement, mits daarbij niet in strijd wordt gehandeld met de CAO.

Adressenlijst

BNA
Jollemanhof 14
Postbus 19606
1000 GP Amsterdam
tel. 020 - 555 36 66

 

FNV Bondgenoten
Varrolaan 100
Postbus 9208
3506 GE Utrecht
tel. 030 - 263 71 68

 

CNV Dienstenbond
Polarisavenue 175
Postbus 3135
2130 KC Hoofddorp
tel. 023 - 565 10 52

 

De Unie, vakbond voor en door professionals
Multatulilaan 12 Postbus 400
4100 AK Culemborg
tel. 0345 - 851 851

 

Secretariaat SFA:
Jollemanhof 14
Postbus 19606
1000 GP Amsterdam
tel. 020 - 620 01 69

 

Administrateur SFA:
Syntrus Achmea
Postbus 9251
1006 AG Amsterdam
tel. 020 - 607 44 08

 

Uitgave december 2008
ADVIESCOMMISSIE
PERSONEELSZAKEN
ARCHITECTENBUREAUS
Secretariaat: Jollemanhof 14
Postbus 19606, 1000 GP Amsterdam
Telefoon 020 - 620 01 69
Postrekening 686100 t.n.v. APA E-mail Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

Sector 44 - Architectenbureaus 1-4-2009 tm 31-3-2010

E-mailadres Afdrukken PDF

Collectieve Arbeidsovereenkomst
voor personeel in dienst van Architectenbureaus


I WERKINGSSFEER EN DEF INITIES
Artikel 1 Werkingssfeer ............................................................... 7
Artikel 2 Definities ....................................................................... 7

I I DE ARBEIDSOVEREENKOMST
Artikel 3 Aanstellingsbeleid ........................................................ 8
Artikel 4 Verplichtingen van de werkgever en de werknemer 9
Artikel 5 Opzegging van de arbeidsovereenkomst ................. 10

I I I FUNCTIE, INKOMEN EN ONTWIKKEL ING
Artikel 6 Functie-indeling .......................................................... 12
Artikel 7 Beroepsmogelijkheid ................................................. 12
Artikel 8 Vaststelling salaris ...................................................... 13
Artikel 9 Aanloopschalen .......................................................... 14
Artikel 10 Salaristabellen ............................................................ 14
Artikel 11 Wettelijk minimumloon ............................................. 18
Artikel 12 Salarisverhogingen .................................................... 18
Artikel 13 Vakantietoeslag ......................................................... 18
Artikel 14 Functioneringsgesprekken ........................................ 18
Artikel 15 Employability .............................................................. 19

IV ARBEIDSTI JD EN VERLOF
Artikel 16 Arbeidsduur, roostervrije tijd (dagen) en feestdagen.. 19
Artikel 17 Deeltijdarbeid ............................................................. 21
Artikel 18 Overwerk .................................................................... 22
Artikel 19 Vakantierechten ......................................................... 22
Artikel 20 Toepassing vakantierechten ...................................... 23
Artikel 21 Bijzondere verloven ................................................... 25

V CAO À LA CARTE
Artikel 22 CAO à la carte/Levensloop ......................................... 29

VI VERGOEDINGEN EN VOORZIENINGEN
Artikel 23 Overwerkvergoeding ................................................. 31
Artikel 24 Betaling van reisuren buiten arbeidstijd .................. 32
Artikel 25 Arbeid buiten de vaste woonplaats .......................... 33
Artikel 26 Inkomen bij ziekte/arbeidsongeschiktheid ................. 33
Artikel 27 Invaliditeitspensioen .................................................. 35
Artikel 28 Overlijden van de werknemer ................................... 35
Artikel 29 Bedrijfsspaarregelingen/Winstdeling ....................... 35

VI I OUDERENBELEID EN (PRE)PENSIOEN
Artikel 30 Seniorenbeleid ........................................................... 36
Artikel 31 Vrijwillig Vervroegd Uittreden (VUT) ........................ 36
Artikel 32 Ouderdomspensioen .................................................. 37

VI I I ARBO
Artikel 33 Preventie- en verzuimbeleid inzake ziekte en
arbeidsongeschiktheid ............................................... 37
Artikel 34 Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) .................. 38
Artikel 35 Vervolgtraject Arboconvenant 2002-2005 inzake
RSI, werkdruk en vroegtijdige reïntegratie .............. 38

IX WERKGELEGENHEID IN DE BEDRI JFSTAK
Artikel 36 Vervulling van vacatures ........................................... 38
Artikel 37 Fusie en gehele of gedeeltelijke bureausluiting ...... 38
Artikel 38 Personeelsinkrimping als gevolg van
werkvermindering ..................................................... 39
Artikel 39 Sociaal beleid .............................................................. 40

X SLOTBEPAL INGEN
Artikel 40 Fonds Architectenbureaus ......................................... 40
Artikel 41 Gunstiger arbeidsvoorwaarden ................................ 40
Artikel 42 Adviescommissie Personeelszaken
Architectenbureaus .................................................... 40
Artikel 43 Algemene ontheffingsbepaling ................................ 41
Artikel 44 Duur, wijziging en opzegging van deze CAO .......... 41
Protocollen .................................................................. 42
Protocol Modernisering van de CAO
Protocol Implementate resultaten Arbeidsmarktonderzoek
Architectenbranche
Protocol Gezond Werk

Bijlagen
I
Concrete maatregelen voor arbeidsomstandigheden ..... 47
II Reglement van de
Adviescommissie Personeelszaken Architectenbureaus ... 48
Samenstelling APA per 1 april 2009 ............................ 53

 

Tussen
I. de Koninklijke Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst Bond van
Nederlandse Architecten BNA
gevestigd te Amsterdam
en
II. CNV Dienstenbond
gevestigd te Hoofddorp,
FNV Bondgenoten
gevestigd te Utrecht en
De Unie, vakbond voor en door professionals
gevestigd te Culemborg
is de navolgende collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) aangegaan:

I WERKINGSSFEER EN DEFINITIES
Artikel 1 Werkingssfeer
De bepalingen van deze CAO zijn – met inachtneming van de definities genoemd
in artikel 2 lid 1 en van de beperking omschreven in artikel 2 lid 2 – van toepassing
op alle werknemers in dienst van architectenbureaus.

Artikel 2 Definities
1. In deze CAO wordt verstaan onder:
a. de werkgever:
de natuurlijke persoon of rechtspersoon, die op last van een opdrachtgever
uitsluitend of in hoofdzaak architectenwerkzaamheden verricht.
b. architectenwerkzaamheden:
1. het ontwerpen van gebouwen of van vernieuwingen, veranderingen, uitbreidingen
of restauraties in de ruimste zin des woords, met uitzondering
van de werken behorende tot de grond-, water- of wegenbouw;
2. het in een organisatorische eenheid met de onder 1 genoemde werkzaamheden
uitsluitend of in overwegende mate verrichten van een of
meerdere van de volgende activiteiten:
– het maken van het bestek;
– het maken van de bouwvoorbereidingstekeningen;
– het maken van de begroting;
– het verrichten van werkzaamheden terzake van het uitvoeringscontract;
– het maken van uitvoeringstekeningen;
– het voeren van de directie;
– het verrichten van de oplevering;
– het maken van onderhouds- en beheersplannen;
– het verrichten van administratieve werkzaamheden;
– het verrichten van andere werkzaamheden in samenhang met de hiervoor
onder 1 en 2 genoemde werkzaamheden.
c. de werknemer:
degene jonger dan 65 jaar die in dienst van de werkgever werkzaamheden
verricht als omschreven voor een van de in artikel 6 bedoelde functiegroepen,
dan wel het in de artikelen 9 en 11 bedoelde personeel met minimumloon.

2. Geen werknemer, als bedoeld in lid 1 sub c, is de leerling uit het middelbaar of
hoger beroepsonderwijs, die gedurende de door de school aangegeven tijd tijdens
een stageperiode werkt in dienst van de werkgever, alsmede de student
aan een universiteit, die op basis van het onderwijsprogramma tijdens zijn studie
voor het opdoen van praktische ervaring werkt in dienst van de werkgever.
3. Onder (maand/uur)salaris in deze CAO wordt verstaan bruto-(maand/uur)salaris
op basis van een volledig dienstverband.
4. Onder echtgeno(o)t(e) in deze CAO wordt ook verstaan de vaste partner met
wie duurzaam wordt samengewoond. Er is sprake van duurzaam samenwonen
als uit het bevolkingsregister blijkt, dat de partners ten minste een jaar op hetzelfde
adres staan ingeschreven.
5. Geregistreerd partnerschap heeft de status van huwelijk.

I I DE ARBEIDSOVEREENKOMST

Artikel 3 Aanstellingsbeleid
1. Ten blijke van zijn aanstelling ontvangt de werknemer, die bij de werkgever in
dienst treedt, een schriftelijk bewijs waarin ten minste wordt vermeld:
a. de naam en woonplaats van werkgever en werknemer;
b. de datum van indiensttreding;
c. de duur van de arbeidsovereenkomst als deze voor bepaalde tijd is;
d. de plaats(en) waar de werknemer werkt;
e. de functie, de functiefamilie en de functiegroep;
f. het bruto-maandsalaris;
g. de voor hem geldende gemiddelde arbeidsduur per week en de dagelijkse
werktijden.
Tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst opgetreden of optredende wijzigingen
dienen door de werkgever schriftelijk aan de werknemer te worden
bevestigd.
2. De werkgever zal personeel op het bouwwerk voorzover mogelijk aanstellen
met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het overige personeel zal
in de regel aangesteld worden met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde
tijd.
3. Een proeftijd moet schriftelijk worden overeengekomen en is voor beide partijen
gelijk. In afwijking van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek kan bij
alle arbeidsovereenkomsten een proeftijd van ten hoogste twee maanden
worden overeengekomen.
T O E L I C H T I N G
In het kader van het aanstellingsbeleid zal daar waar mogelijk gestreefd worden
naar een uitbreiding van plaatsing van gehandicapten.
Het verdient aanbeveling de aanstellingsbrief in duplo te doen ondertekenen en
daarin nadrukkelijk te bepalen, dat op de arbeidsovereenkomst van de werknemer
van toepassing zijn alle voor hem geldende artikelen van de CAO onverminderd de
verder in de aanstellingsbrief opgenomen arbeidsvoorwaarden.
Gewezen wordt op het voorschrift, dat alle tijdens de duur van de arbeidsover -
eenkomst optredende wijzigingen, die van invloed zijn op de positie van de
werknemer, schriftelijk moeten worden bevestigd. Het is raadzaam jaarlijks te
onderzoeken, welke van de werknemers voor een dergelijke schriftelijke bevestiging
in aanmerking komen.
Het komt veelvuldig voor, dat een opzichter in dienst van dezelfde werkgever, soms
reeds gedurende een bouwwerk en vaak na afloop daarvan, belast wordt met het
toezicht over een of meer andere bouwwerken. Ook dergelijke wijzigingen dienen
steeds schriftelijk te worden vastgesteld.
Overeenkomstig de in artikel 7:652, lid 6 Burgerlijk Wetboek gegeven mogelijkheid
is de maximale proeftijd van één maand bij arbeidsovereenkomsten voor bepaalde
tijd voor korter dan twee jaren dan wel zonder vastgestelde einddatum uitgebreid
naar twee maanden. Overschrijdt een in de arbeidsovereenkomst opgenomen
proeftijd deze maximaal toegestane termijn van twee maanden dan geldt in het
geheel geen proeftijd. De proeftijd wordt door ziekte en dergelijke niet opgeschort.
Gedurende de proeftijd kunnen zowel de werkgever als de werknemer zonder formaliteiten
de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen. Een dergelijke
beëindiging van de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd kan in bepaalde
omstandigheden leiden tot schadeplichtigheid van werkgever of werknemer.
Indien een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd na het verstrijken van de tijd
door partijen zonder tegenspraak wordt voortgezet, wordt zij geacht voor dezelfde
tijd, doch telkens ten hoogste voor één jaar, op de vroegere voorwaarden wederom
te zijn aangegaan (ingevolge het bepaalde in artikel 7:668, lid 1 Burgerlijk
Wetboek).

Artikel 4 Verplichtingen van de werkgever en de werknemer
De werkgever en de werknemer zijn in het algemeen verplicht al datgene te doen
of na te laten wat een goed werkgever en een goed werknemer in gelijke omstandigheden
behoren te doen of na te laten.
1. In het bijzonder geldt voor de werkgever het volgende:
a. De werknemer kan niet verplicht worden arbeid te verrichten voor anderen
dan de werkgever bij wie hij in dienst is, tenzij werkgever en werknemer
hierover overeenstemming hebben bereikt. De werkgever kan aan de werknemer
geen andere werkzaamheden opdragen dan die welke in verband
staan met de functie van de werknemer, of die in verband staan met gelijkwaardige
functies genoemd in het Handboek Functie-indeling Architecten -
bureaus.
b. Het is de werkgever verboden de werknemer zowel bij diens aanstelling als
tijdens diens dienstverband op enigerlei wijze te binden respectievelijk
gebonden te houden aan voorwaarden, die betrekking hebben op het uitoefenen
van een functie na het eindigen van de arbeidsovereenkomst.
c. Indien een werknemer onoverkomelijke bezwaren, van ethische of religieuze
aard, heeft tegen het verrichten van werkzaamheden verbonden aan een
door het bureau aanvaarde opdracht, zal de werkgever deze bezwaren eerbiedigen
en indien mogelijk vervangende arbeid aanbieden.
d. De werkgever is verplicht aan iedere werknemer een exemplaar van deze
CAO te verstrekken. De werkgever zal de werknemer in kennis stellen van
iedere tussentijdse wijziging van deze CAO.
e. De werkgever is verplicht de in deze CAO omschreven arbeidsvoorwaarden
volledig in acht te nemen en deze – behoudens een daartoe verkregen ontheffing
op grond van artikel 43 – onverkort toe te passen.
2. In het bijzonder geldt voor de werknemer het volgende:
a. Het is de werknemer verboden voor derden architectenwerkzaamheden
en/of de in artikel 6 bedoelde werkzaamheden te verrichten, tenzij de werkgever
daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of tenzij er sprake is
van deeltijdarbeidsovereenkomsten bij twee of meer werkgevers.
b. De werknemer zal het bureau, de directiekeet of enig ander vertrek waarin

hij werkt op behoorlijke en ordelijke wijze gebruiken en bewonen. Hij is verplicht
strikte geheimhouding tegenover derden in acht te nemen ten aanzien
van alles wat hem met betrekking tot de werkzaamheden en relaties
van de werkgever ter kennis komt. Alle geschreven of getypte stukken, tekeningen,
berekeningen, kopieën daarvan en reproducties, die door de werknemer
in dienst van de werkgever worden gemaakt of waarvan hij inzage
krijgt, zijn eigendom van de werkgever. Deze mogen zonder medeweten en
goedvinden van de werkgever niet door de werknemer aan derden worden
getoond, overgelegd of op een andere wijze worden gebruikt.
Ook het maken van kopieën of reproducties voor eigen gebruik door de
werknemer is zonder toestemming van de werkgever niet geoorloofd.
c. De werknemer is verplicht, de in deze CAO omschreven arbeidsvoorwaarden
volledig in acht te nemen en deze – behoudens een daartoe verkregen ontheffing
op grond van artikel 43 – onverkort toe te passen.
T O E L I C H T I N G
Indien de in lid 1 sub c bedoelde vervangende arbeid niet voorhanden is, de bezwaren
van de werknemer onoverkomelijk blijven en in redelijkheid van hem niet kan
worden verlangd dat hij de werkzaamheden verricht en het UWV WERKbedrijf in
dat geval toestemming verleent tot opzegging van de arbeidsovereenkomst, kan de
werknemer zich erop beroepen dat zijn werkloosheid niet verwijtbaar is.
Er wordt op gewezen dat met het bepaalde in lid 2 sub a niet bedoeld is uit te sluiten
het deelnemen aan prijsvragen als bepaald in de Richtlijn architect-medewerkers.
Deze Richtlijn is verkrijgbaar bij de BNA.

Artikel 5 Opzegging van de arbeidsovereenkomst
1. De opzegging van een arbeidsovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan,
dient schriftelijk en duidelijk met redenen omkleed te geschieden.
Van de opzegging om een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677, lid 1
Burgerlijk Wetboek, zal de reden schriftelijk en onverwijld aan de wederpartij
worden meegedeeld (zie verder voor de opzegging door de werkgever de toelichting
op dit artikel).
2. De arbeidsovereenkomst die voor bepaalde tijd is aangegaan eindigt van
rechtswege door het verstrijken van de termijn waarvoor deze is aangegaan.
Dit geldt ook voor een verlengde arbeidsovereenkomst. Er ontstaat echter van
rechtswege een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zodra bij elkaar
opvolgende arbeidsovereenkomsten:
– sinds de begindatum van de eerste arbeidsovereenkomst meer dan 36
maanden zijn verstreken en/of
– meer dan vier arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd zijn aangegaan.
Alsdan gelden de regels voor opzegging van een arbeidsovereenkomst die
voor onbepaalde tijd is aangegaan (zie lid 1 en de toelichting op dit artikel).
3. De door de werknemer in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt één
maand. Van deze termijn kan schriftelijk worden afgeweken. De termijn van
opzegging voor de werknemer mag bij verlenging niet langer zijn dan zes
maanden en voor de werkgever niet korter dan het dubbele van die voor de
werknemer.
4. De door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt bij
een arbeidsovereenkomst die op de dag van opzegging:
a. korter dan vijf jaar heeft geduurd: één maand;
b. vijf jaar of langer, maar korter dan tien jaar heeft geduurd: twee maanden;
c. tien jaar of langer, maar korter dan vijftien jaar heeft geduurd: drie maanden;
d. vijftien jaar of langer heeft geduurd: vier maanden.
e. Boven de krachtens sub a tot en met sub d berekende opzeggingstermijn
geldt een extra opzeggingstermijn van één maand voor elke periode van vijf
jaren of een gedeelte daarvan, gedurende welke het dienstverband van de
werknemer van 45 t/m 64 jaar ná het bereiken van de 45-jarige leeftijd heeft
geduurd. De totale duur van de door de werkgever in acht te nemen opzeggingstermijn
bedraagt ten hoogste zes maanden.
5. Opzegging van de arbeidsovereenkomst geschiedt tegen het einde van de
maand, tenzij bij schriftelijke overeenkomst of door het gebruik een andere
dag daarvoor is aangewezen.
6. De leden 3, 4 en 5 zijn van overeenkomstige toepassing in geval van opzegging
van een arbeidsovereenkomst die voor bepaalde tijd is aangegaan, indien
schriftelijk overeengekomen is dat de arbeidsovereenkomst tussentijds kan
worden opgezegd door zowel werknemer als werkgever.
7. In geval een vakbond in het kader van de belangenbehartiging van zijn leden
over een voorgenomen ontslag, anders dan bedoeld in artikel 37, een gesprek
met de werkgever wenst, is de werkgever gehouden het gewenste gesprek toe
te staan en die informatie te verstrekken, welke voor een goed inzicht terzake
noodzakelijk is. Een en ander mag niet leiden tot vertraging van de ontslagprocedure.

T O E L I C H T I N G
Om de arbeidsovereenkomst op te zeggen heeft de werkgever de toestemming
nodig van het UWV WERKbedrijf (ontslagvergunning). Deze ontslagvergunning is
echter niet nodig:
a. indien de werkgever en werknemer in onderling overleg en met wederzijds goedvinden
de arbeidsovereenkomst beëindigen;
b. indien de arbeidsovereenkomst wordt opgezegd wegens een dringende, aan de
wederpartij onverwijld meegedeelde reden (ontslag op staande voet);
c. bij ontslag tijdens proeftijd;
d. bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter;
e. bij beëindiging ten gevolge van het faillissement van de werkgever;
f. indien het dienstverband wordt beëindigd op het tijdstip, waarop de werknemer
de voor hem bij de werkgever geldende pensioengerechtigde leeftijd bereikt.
Indien een ontslagvergunning nodig is, wordt de door de werkgever in acht te
nemen termijn van opzegging verkort met één maand nadat de toestemming van
het UWV WERKbedrijf tot opzegging van de arbeidsovereenkomst is ontvangen. De
resterende termijn van opzegging moet ten minste één maand bedragen.
De maximum opzegtermijn, door de werkgever in acht te nemen, bedraagt ten
hoogste zes maanden, ook als de tekst van lid 4 leidt tot een hogere uitkomst.
Volgens de regeling in de artikelen 7:670 en 670a Burgerlijk Wetboek kan de werkgever
de arbeidsovereenkomst in de volgende gevallen niet opzeggen:
– bij ziekte van de werknemer, tenzij diens arbeidsongeschiktheid ten gevolge van
de ziekte ten minste twee jaren ononderbroken heeft geduurd of indien de ziekte
een aanvang heeft genomen nadat het UWV WERKbedrijf een aanvraag voor
een ontslagvergunning voor de werknemer heeft ontvangen. Hiernaast gelden
op dit opzegverbod nog een aantal specifieke uitzonderingen voor de werknemer
die na 1 april 2002 (Inwerkingtreding Wet Verbetering Poortwachter) ziek is
geworden.
– gedurende zwangerschap en zolang de werkneemster recht heeft op ziekengeld
of een uitkering in verband met haar bevalling en na werkhervatting gedurende
een tijdvak van zes weken aansluitend op die periode.
– bij verhindering van de werknemer wegens het vervullen van de militaire dienstplicht
of vervangende dienstplicht.
– als de werknemer lid is van een (centrale of groeps-) ondernemingsraad, van een
vaste commissie van die raden of van een onderdeelcommissie van de ondernemingsraad,
van een personeelsvertegenwoordiging, van een arbocommissie of
van een bijzondere onderhandelingsgroep of een Europese ondernemingsraad.
De secretaris van de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging geniet
dezelfde bescherming.
Van werknemers die korter dan twee jaar geleden lid zijn geweest van bovengenoemde
instanties (met uitzondering van de onderdeelcommissie van de
ondernemingsraad) kan de arbeidsovereenkomst niet zonder voorafgaande toestemming
van de kantonrechter worden opgezegd. Dit geldt ook voor werknemers
die op de kandidatenlijst voor een ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging
zijn geplaatst, lid zijn van de voorbereidingscommissie van een
(centrale of groeps-)ondernemingsraad en voor de deskundige werknemer als
bedoeld in artikel 14 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet.
– wegens het lidmaatschap van dan wel het verrichten van activiteiten voor een
vakbond, tenzij die activiteiten in de arbeidstijd van de werknemer worden verricht
zonder toestemming van de werkgever.
– wegens de omstandigheid dat de werknemer zijn recht op ouderschapsverlof
geldend maakt.
– wegens het bijwonen van vergaderingen als bedoeld in artikel 7:643 Burgerlijk
Wetboek.
In artikel 7:670b Burgerlijk Wetboek zijn de gevallen geregeld waarin deze ontslagverboden
geen toepassing vinden.
Ten aanzien van lid 7 wordt opgemerkt, dat de te verstrekken informatie beperkt
kan blijven tot die informatie, welke voor een goed inzicht in het voorgenomen ontslag
noodzakelijk is. De werkgever kan verzoeken de beschikbaar gestelde informatie
onder geheimhouding te behandelen.
Het staat de partijen uiteraard vrij regelingen te treffen om de sociale gevolgen van
een ontslag op te vangen.

I I I FUNCTIE, INKOMEN EN ONTWIKKELING

Artikel 6 Functie-indeling
1. De werkgever deelt de werknemer in een functiegroep in, waarbij de omschrijvingen
als opgenomen in het Handboek Functie-indeling Architectenbureaus
in aanmerking dienen te worden genomen. Dit Handboek vormt een integraal
onderdeel van deze CAO en is algemeen verbindend verklaard bij besluit van
20 november 2002, Staatscourant nr. 228.
Het Handboek is tegen betaling te verkrijgen bij het secretariaat van de APA,
Postbus 19606, 1000 GP Amsterdam, telefoon 020 - 620 01 69.
2. De werkgever stelt het functiejaar vast. (Zie voor het begrip functiejaar de toelichting
op artikel 8 lid 3.)

Artikel 7 Beroepsmogelijkheid
Indien de werknemer zich niet kan verenigen met de door de werkgever conform
artikel 6 vastgestelde functie-indeling, bestaat onder de voorwaarden als
omschreven in artikel 10 van het Reglement van de APA de mogelijkheid van
beroep tegen de functie-indeling bij de APA.

Artikel 8 Vaststelling salaris
De werkgever stelt voor de werknemer een maandsalaris vast overeenkomstig het
bepaalde in de artikelen 10 en 11 en met inachtneming van het volgende:
1. Bij de in het Handboek Functie-indeling Architectenbureaus beschreven functiegroepen
B t/m N behoren de salarisschalen A t/m N, waarbij de salarisschalen
B t/m N onderdeel zijn van het functiesysteem voor de architectenbranche.
In salarisschaal A zijn de bij de wet vastgestelde minimumlonen, gekoppeld
aan leeftijden, opgenomen. Het minimumloon wordt alleen verhoogd of verlaagd
overeenkomstig de wettelijke bepalingen.
2. De werknemer wordt gesalarieerd volgens de salarisschaal die behoort bij de
functiegroep waarin zijn functie is ingedeeld en volgens het hem toegekende
functiejaar.
3. De werknemer die in een jaar ten minste zes maanden feitelijke werkervaring
heeft opgedaan bij een werkgever in een bepaalde functie heeft bij het op normale
wijze vervullen van de functie per 1 januari recht op de periodieke verhoging
die geldt binnen de desbetreffende salarisschaal, voor zover hij het
laatste functiejaar nog niet heeft bereikt.
4. Het niet toekennen van de in lid 3 voorgeschreven verhoging is alleen mogelijk
in de volgende gevallen:
a. in individuele gevallen, wanneer de betrokkene de van hem verwachte prestatie
volgens de beoordeling van de werkgever niet meer waarmaakt; dat
wil zeggen dat betrokkene duidelijk langdurig slechter is gaan functioneren.
Werkgever zal die beoordeling dan aan de werknemer schriftelijk moeten
motiveren.
b. in collectieve gevallen, indien dit voor iedereen geldt en de maatregel door
4/5 deel van het personeel, dat door de maatregel wordt getroffen, wordt
aanvaard en de maatregel bedoeld is om verlies van arbeidsplaatsen te voorkomen.
5. De werkgever kan in overleg met de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging
of het gezamenlijke personeel een beoordelingsregeling vaststellen,
die geldt voor alle werknemers.
In afwijking van het bepaalde in lid 3 kan de werkgever op basis van de beoordeling
bij de toekenning van de jaarlijkse periodieke verhoging afwijken van
het bedrag in de bijbehorende salarisschaal met een marge van -2,5% tot 7,5%.
Dit laat onverlet de mogelijkheid van het onthouden van een periodiek op
grond van lid 4.
De beoordeling dient schriftelijk ter kennis van de werknemer te worden
gebracht.
6. Werknemers, die voor de uitvoering van een bepaald project in onderling overleg
met de werkgever tijdelijk in dienst treden van derden, hebben na en tijdens
deze periode ten minste aanspraak op het salaris dat zij bij een normaal
voortgezette arbeidsovereenkomst zouden hebben verworven.
T O E L I C H T I N G
Volgens lid 3 neemt het salaris bij het op normale wijze functioneren per tijdvak van
een jaar dat men zijn functie heeft uitgeoefend (= functiejaar), toe. Hoe het toenemen
van het salaris met periodieken van jaar tot jaar verloopt, kan men uit de salarisschalen
aflezen. De periodieke salarisverhogingen houden op zodra het maximum
van de schaal (het laatste functiejaar) is bereikt.
Voor een richtlijn voor een beoordelingsregeling als genoemd in lid 5 wordt verwezen
naar een informatieblad dat verkrijgbaar is bij de BNA.

Artikel 9 Aanloopschalen
1. Onervaren werknemers met maximaal opleidingsniveau MBO kunnen gedurende
maximaal twee jaar worden gesalarieerd op basis van salarisschaal A als
aanloopschaal voor salarisschaal B en C.
2. Onervaren werknemers, waarop lid 1 niet van toepassing is, kunnen bij indiensttreding
gedurende maximaal twee jaar gesalarieerd worden op basis
van de direct aansluitende naast lagere salarisschaal voorzover daarmee niet
onder het wettelijk minimumloon gesalarieerd wordt. 

 salarisschaal A B C D E F G H J K L M N
periodiek € 50 € 53 € 57 € 62 € 67 € 74 € 81 € 89 € 98 € 108 € 118 € 130
minimumloon
leeftijd schaal functiejaar
15 € 414,35 0 € 1482 € 1535 € 1640 € 1811 € 1997 € 2199 € 2421 € 2665 € 2931 € 3225 € 3549 € 3903
16 € 476,50 1 € 1531 € 1587 € 1697 € 1873 € 2064 € 2273 € 2502 € 2753 € 3030 € 3332 € 3666 € 4032
17 € 545,55 2 € 1581 € 1641 € 1753 € 1935 € 2131 € 2347 € 2582 € 2842 € 3127 € 3441 € 3785 € 4163
18 € 628,45 3 € 1630 € 1694 € 1811 € 1997 € 2199 € 2421 € 2665 € 2931 € 3225 € 3549 € 3903 € 4293
19 € 725,15 4 € 1681 € 1746 € 1868 € 2058 € 2267 € 2494 € 2745 € 3021 € 3324 € 3656 € 4022 € 4423
20 € 849,45 5 € 1730 € 1799 € 1925 € 2120 € 2334 € 2569 € 2826 € 3110 € 3421 € 3764 € 4139 € 4553
21 € 1001,35 6 € 1780 € 1850 € 1982 € 2182 € 2401 € 2642 € 2907 € 3199 € 3519 € 3871 € 4258 € 4683
22 v 1174,00 7 € 1904 € 2039 € 2244 € 2469 € 2716 € 2988 € 3288 € 3617 € 3979 € 4376 € 4814
23 e.o. € 1381,20 8 € 1956 € 2095 € 2305 € 2537 € 2790 € 3070 € 3377 € 3715 € 4087 € 4495 € 4944
9 € 2152 € 2367 € 2604 € 2864 € 3150 € 3466 € 3813 € 4195 € 4613 € 5073

 

De in de volgende tabel vermelde bruto-maandsalarissen gelden van 1 april
2009 tot en met 30 juni 2009 bij een 38-urige werkweek.
Deze salaristabel geldt voor de werknemer die op 31 december 2007 in
dienst was en ervoor heeft gekozen om per 1 januari 2008 de voor hem in
zijn arbeidsovereenkomst vastgestelde arbeidsduur te handhaven (zie artikel 16 lid 2).

salarisschaal A B C D E F G H J K L M N
periodiek € 48 € 51 € 55 € 60 € 65 € 72 € 79 € 86 € 95 € 105 € 115 € 126
minimumloon
leeftijd schaal functiejaar
15 € 414,35 0 € 1439 € 1490 € 1592 € 1758 € 1939 € 2135 € 2351 € 2587 € 2846 € 3131 € 3445 € 3790
16 € 476,50 1 € 1487 € 1541 € 1648 € 1818 € 2004 € 2207 € 2429 € 2673 € 2942 € 3235 € 3559 € 3915
17 € 545,55 2 € 1535 € 1593 € 1702 € 1879 € 2069 € 2279 € 2507 € 2759 € 3036 € 3341 € 3675 € 4041
18 € 628,45 3 € 1583 € 1644 € 1758 € 1939 € 2135 € 2351 € 2587 € 2846 € 3131 € 3445 € 3790 € 4168
19 € 725,15 4 € 1632 € 1695 € 1814 € 1998 € 2201 € 2421 € 2665 € 2933 € 3227 € 3550 € 3905 € 4294
20 € 849,45 5 € 1679 € 1746 € 1869 € 2058 € 2266 € 2494 € 2744 € 3020 € 3321 € 3654 € 4018 € 4421
21 € 1001,35 6 € 1728 € 1796 € 1924 € 2119 € 2331 € 2565 € 2823 € 3106 € 3416 € 3758 € 4134 € 4547
22 € 1174,00 7 € 1848 € 1980 € 2179 € 2397 € 2637 € 2901 € 3193 € 3511 € 3863 € 4249 € 4673
23 e.o. € 1381,20 8 € 1900 € 2034 € 2238 € 2463 € 2709 € 2980 € 3278 € 3607 € 3968 € 4364 € 4800
9 € 2090 € 2298 € 2528 € 2781 € 3058 € 3365 € 3702 € 4073 € 4479 € 4925

Salaristabellen vanaf 1 juli 2009
2. a. De in de volgende tabel vermelde bruto-maandsalarissen gelden per 1 juli
2009 bij een 40-urige werkweek en zijn inclusief 1% salarisverhoging per 1
juli 2009.

 salarisschaal A B C D E F G H J K L M N
periodiek € 50 € 53 € 58 € 62 € 68 € 75 € 82 € 90 € 99 € 109 € 119 € 131
minimumloon
leeftijd schaal functiejaar
15 € 419,60 0 € 1497 € 1550 € 1656 € 1829 € 2017 € 2221 € 2445 € 2691 € 2960 € 3257 € 3584 € 3942
16 € 482,50 1 € 1547 € 1603 € 1714 € 1892 € 2085 € 2296 € 2527 € 2781 € 3061 € 3366 € 3702 € 4073
17 € 552,45 2 € 1597 € 1658 € 1771 € 1954 € 2152 € 2371 € 2608 € 2870 € 3158 € 3476 € 3823 € 4204
18 € 636,35 3 € 1647 € 1711 € 1829 € 2017 € 2221 € 2445 € 2691 € 2960 € 3257 € 3584 € 3942 € 4336
19 € 734,25 4 € 1697 € 1764 € 1887 € 2079 € 2290 € 2519 € 2772 € 3051 € 3357 € 3693 € 4062 € 4467
20 € 860,15 5 € 1747 € 1817 € 1945 € 2141 € 2357 € 2595 € 2854 € 3141 € 3455 € 3801 € 4180 € 4599
21 € 1014,00 6 € 1798 € 1869 € 2001 € 2204 € 2425 € 2669 € 2936 € 3231 € 3554 € 3910 € 4301 € 4730
22 € 1188,80 7 € 1923 € 2059 € 2267 € 2494 € 2743 € 3018 € 3321 € 3653 € 4018 € 4420 € 4862
23 e.o. € 1398,60 8 € 1976 € 2116 € 2328 € 2562 € 2818 € 3100 € 3410 € 3752 € 4128 € 4540 € 4993
9 € 2174 € 2391 € 2630 € 2893 € 3181 € 3501 € 3851 € 4237 € 4659 € 5124

De in de volgende tabel vermelde bruto-maandsalarissen gelden per 1 juli
2009 bij een 38-urige werkweek en zijn inclusief 1% salarisverhoging per 1
juli 2009.
Deze salaristabel geldt voor de werknemer die op 31 december 2007 in
dienst was en ervoor heeft gekozen om per 1 januari 2008 de voor hem in
zijn arbeidsovereenkomst vastgestelde arbeidsduur te handhaven (zie artikel
16 lid 2).

salarisschaal A B C D E F G H J K L M N
periodiek € 49 € 52 € 56 € 61 € 66 € 72 € 79 € 87 € 96 € 106 € 116 € 127
minimumloon
leeftijd schaal functiejaar
15 € 419,60 0 € 1454 € 1505 € 1608 € 1776 € 1958 € 2156 € 2374 € 2613 € 2874 € 3162 € 3480 € 3828
16 € 482,50 1 € 1502 € 1557 € 1664 € 1837 € 2024 € 2229 € 2454 € 2700 € 2971 € 3268 € 3595 € 3954
17 € 552,45 2 € 1551 € 1609 € 1719 € 1897 € 2090 € 2302 € 2532 € 2786 € 3066 € 3374 € 3712 € 4082
18 € 636,35 3 € 1599 € 1661 € 1776 € 1958 € 2156 € 2374 € 2613 € 2874 € 3162 € 3480 € 3828 € 4209
19 € 734,25 4 € 1648 € 1712 € 1832 € 2018 € 2223 € 2446 € 2692 € 2962 € 3260 € 3585 € 3944 € 4337
20 € 860,15 5 € 1696 € 1764 € 1888 € 2079 € 2289 € 2519 € 2771 € 3050 € 3354 € 3691 € 4058 € 4465
21 € 1014,00 6 € 1745 € 1814 € 1943 € 2140 € 2354 € 2591 € 2851 € 3137 € 3451 € 3796 € 4176 € 4592
22 € 1188,80 7 € 1867 € 1999 € 2201 € 2421 € 2663 € 2930 € 3224 € 3547 € 3901 € 4291 € 4720
23 e.o. € 1398,60 8 € 1919 € 2054 € 2261 € 2488 € 2736 € 3010 € 3311 € 3643 € 4008 € 4407 € 4848
9 € 2111 € 2321 € 2553 € 2809 € 3089 € 3399 € 3739 € 4113 € 4523 € 4974

T O E L I C H T I N G
Het boven de schalen genoemde periodiek betreft de gemiddelde periodieke verhoging.
Door afronding kunnen in de schaalbedragen kleine verschillen optreden. 

 

 

Artikel 11 Wettelijk minimumloon
Voor werknemers met ten hoogste LBO-niveau, die werkzaamheden verrichten
van zeer eenvoudige aard waarvoor geen speciale opleiding en ervaring nodig
zijn (leerling-tekenaar, leerling-typiste, jongste bediende, huishoudelijk personeel),
geldt het hieronder vermelde wettelijk minimumloon per maand.
leeftijd per 1 januari 2009 per 1 juli 2009
15 jaar € 414,35 € 419,60
16 jaar € 476,50 € 482,50
17 jaar € 545,55 € 552,45
18 jaar € 628,45 € 636,35
19 jaar € 725,15 € 734,25
20 jaar € 849,45 € 860,15
21 jaar € 1001,35 € 1014,00
22 jaar € 1174,00 € 1188,80
23 jaar e.o. € 1381,20 € 1398,60
Bovengenoemd minimumloon wordt alleen verhoogd of verlaagd overeenkomstig
de wettelijke bepalingen.

Artikel 12 Salarisverhogingen
De salarissen zullen per 1 juli 2009 worden verhoogd met 1%.

T O E L I C H T I N G
De in dit artikel genoemde salarisverhoging geldt niet voor het wettelijk minimumloon.

Artikel 13 Vakantietoeslag
De werknemer heeft voor iedere maand dat hij in dienst is en geen onbetaald verlof
geniet recht op een vakantietoeslag van 8%. De vakantietoeslag wordt uitbetaald
uiterlijk in de maand juni of op de datum van beëindiging van het dienstverband
en berekend naar het op dat moment geldende maandsalaris. Wanneer
gedurende het jaar waarover de vakantietoeslag wordt uitbetaald een wijziging
in de arbeidsduur is overeengekomen dan wel onbetaald verlof is genoten, wordt
de vakantietoeslag naar evenredigheid berekend.

T O E L I C H T I N G
Voor de berekening van de vakantietoeslag wordt uitgegaan van het op het
moment van uitbetaling geldende maandsalaris.

Artikel 14 Functioneringsgesprekken
1. De werkgever zal periodiek (minimaal jaarlijks) met de werknemer zijn functioneren
bespreken. Hierbij zal, met het oog op het goed vervullen van de huidige
functie respectievelijk met het oog op de te verwachten wijzigingen in de
huidige functie, eveneens ter sprake komen of en in hoeverre er behoefte is
aan aanvullende werkervaring en/of scholing.
2. In dit overleg zullen ook de wensen die de werknemer en de werkgever hebben
met betrekking tot de interne doorstroming betrokken worden en zal
bepaald worden in hoeverre deze wensen kunnen worden gehonoreerd en
welke aanvullende werkervaring en/of scholing daarvoor noodzakelijk is.
Tevens kunnen in het overleg afspraken worden gemaakt over taakaanpassingen,
of indien van toepassing dan wel mogelijk, plaatsing in een meer passende
functie.
3. In het functioneringsgesprek zullen werkgever en werknemer tevens de
arbeidsomstandigheden van werknemer, waaronder de werkplekinrichting,
bespreken en vastleggen. Werkgever en werknemer verplichten zich onder
alle omstandigheden de wet- en regelgeving ten aanzien van de arbeidsomstandigheden
na te leven.

Artikel 15 Employability
1. Employability is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgever en
werknemer(s).
2. Aan de werknemer die een opleiding gaat volgen welke mede naar het oordeel
van de werkgever noodzakelijk is voor de uitoefening van het werk/de
functie en welke voortvloeit uit zijn functie en/of te verwachten functies binnen
het bureau en/of de branche, zal een volledige vergoeding van de studiekosten
(les/examengelden, reis- en verblijfkosten, voorgeschreven leermiddelen)
worden toegekend, alsmede volledige vergoeding van lestijd en examentijd
en in redelijkheid betaald studieverlof. Het initiatief voor het volgen van
de opleiding kan zowel uitgaan van werkgever als werknemer.
3. De werknemer heeft daarnaast recht op ten minste één dag scholingsverlof per
jaar met behoud van salaris ten behoeve van deelneming aan bedrijfsinterne
opleidingen, symposia, seminars en dergelijke in Nederland die een relatie
hebben met het werk en/of de functie. De deelnemings-, reis- en verblijfkosten
komen voor rekening van de werkgever.
Hoewel deelneming een recht is van de werknemer, dient over tijdstip, kosten
en onderwerp, overleg te worden gevoerd tussen de werknemer en de werkgever.
4. De werknemer heeft recht op bijzonder verlof met behoud van het brutomaandsalaris
gedurende de daarvoor benodigde tijd tot een maximum van vijf
dagen per kalenderjaar voor het afleggen van een vakexamen tegen overlegging
van de gewaarmerkte schriftelijke oproep.

T O E L I C H T I N G
Voor de werkgever bestaat de mogelijkheid om de werknemer te verplichten tot
terugbetaling van de aan hem verleende tegemoetkoming in de studiekosten in bijvoorbeeld
de volgende gevallen:
– de studie wordt niet met goed gevolg afgesloten;
– de werknemer wordt op eigen verzoek of wegens aan hemzelf te wijten feiten
en omstandigheden ontslag verleend.
De dag bedoeld in lid 3 kan niet worden overgeheveld naar een volgend jaar.

IV ARBEIDSTI JD EN VERLOF

Artikel 16 Arbeidsduur, roostervrije tijd (dagen) en feestdagen
1. Met ingang van 1 januari 2008 is de arbeidsduur verlengd van 38 uur naar 40
uur per week. De normale arbeidsduur bij een volledig dienstverband
bedraagt vanaf 1 januari 2008 40 uur per week, gelijkelijk verdeeld over de
werkdagen maandag tot en met vrijdag. Ter compensatie van deze verlenging
van de werkweek zijn de salarissen met ingang van 1 januari 2008 met 3% ver-
hoogd en is het recht op vakantie uitgebreid van 26 werkdagen naar 30 werkdagen
vakantie per vakantiejaar.
2. Tot 1 januari 2008 bedroeg de normale arbeidsduur bij een volledig dienstverband
38 uur per week, gelijkelijk verdeeld over de werkdagen maandag tot en
met vrijdag. De werknemer die op 31 december 2007 in dienst was, kon er voor
kiezen om per 1 januari 2008 de voor hem in zijn arbeidsovereenkomst vastgestelde
arbeidsduur te handhaven en bij een volledig dienstverband 38 uur
te blijven werken of 40 uur in combinatie met 11,5 dag roostervrije tijd. Voor
de werknemer die er voor koos de oude situatie te handhaven, was de in artikel
1 genoemde compensatie per 1 januari 2008 (3% aanpassing salaristabellen
en vier extra vakantiedagen) niet van toepassing.
3. In geval van recht op roostervrije tijd (dagen) (zie lid 2) wordt deze roostervrije
tijd, in onderling overleg, zoveel mogelijk over het kalenderjaar verspreid,
vastgesteld.
Indien als gevolg van werkzaamheden of bijzondere omstandigheden reeds
vastgestelde roostervrije tijd (dagen) niet kan worden opgenomen, dan
bestaat tot het einde van het kalenderjaar de mogelijkheid deze roostervrije
tijd (dagen) alsnog in onderling overleg vast te stellen c.q. op te nemen.
Wanneer de roostervrije tijd (dagen) systematisch op jaarbasis is vastgesteld en
op enig moment samenvalt met feestdagen als genoemd in lid 6, bijzonder verlofdagen
als bepaald in artikel 21 of scholingsverlof als bepaald in artikel 15,
dan zal deze roostervrije tijd (dagen) op een ander tijdstip kunnen worden
opgenomen.
Eenmaal vastgestelde roostervrije tijd (dagen) die valt binnen een ziekteperiode
van ten hoogste twee kalenderweken, kan eveneens op een ander tijdstip
worden opgenomen. Indien eenmaal vastgestelde roostervrije tijd (dagen)
valt binnen een ziekteperiode die langer duurt dan twee kalenderweken, vervalt
het recht op roostervrije tijd (dagen).
Tijdens arbeidsongeschiktheid wordt geen recht op roostervrije tijd (dagen)
opgebouwd.
4. Voor personeel dat uitsluitend gehele dagen op het bouwwerk aanwezig is
met een 40-urige werkweek in combinatie met 11,5 dag roostervrije tijd op
jaarbasis (zie lid 2), geldt dat deze roostervrije tijd (dagen) in principe dient
samen te vallen met de roostervrije tijd (dagen) zoals die op het betreffende
bouwwerk wordt vastgesteld voor het personeel van het uitvoerend bouwbedrijf.
5. Voor personeel dat uitsluitend gehele dagen op het bouwwerk aanwezig is,
zal de extra arbeidstijd voor administratie en besprekingen maximaal 2,5 uur
per week mogen bedragen. Deze extra arbeidstijd komt niet voor overwerktoeslag
in aanmerking.
6. Op zaterdag, zondag, nieuwjaarsdag, 2e paasdag, hemelvaartsdag, 2e pinksterdag,
1e en 2e kerstdag, Koninginnedag, 5 mei in lustrumjaren (2010, 2015,
etc.), alsmede op door de regering aangewezen nationale feestdagen zal – tenzij
in zeer uitzonderlijke gevallen – niet worden gewerkt. Tot de zondag en de
feestdag worden meegerekend de uren, die liggen tussen 22.00 en 24.00 uur
van de direct aan de feestdag voorafgaande dag en tussen 0.00 en 6.00 uur van
de direct op de zondag of de feestdag volgende dag.
Deze dagen en uren zullen niet op het maandsalaris in mindering worden
gebracht.

T O E L I C H T I N G
Zoals in lid 4 staat vermeld, dient de roostervrije tijd (dagen) voor het personeel dat
uitsluitend gehele dagen op het bouwwerk aanwezig is in principe samen te vallen
met de roostervrije tijd (dagen) zoals die op het betreffende bouwwerk wordt vastgesteld
voor het personeel van het uitvoerend bouwbedrijf.
De roostervrije tijd (dagen) voor het bouwbedrijf bedraagt echter meer dan de roostervrije
tijd (dagen) in de architectenbranche. Voor eventuele problemen die hierdoor
kunnen ontstaan, dienen werkgever en werknemer in onderling overleg een
oplossing te zoeken.
Ter onderscheiding van de zaterdag worden in lid 1 en 2 maandag t/m vrijdag ‘werkdagen’
genoemd. Arbeid op zaterdagen, zondagen en feestdagen is behoudens
zeer uitzonderlijke gevallen algemeen verboden.

 

Artikel 17 Deeltijdarbeid
1. Onder deeltijdarbeid wordt verstaan: arbeid die wordt verricht gedurende
minder dan de in artikel 16 lid 1 en 2 omschreven normale arbeidsduur.
2. De bepalingen van deze CAO worden bij deeltijdarbeid naar evenredigheid
toegepast.
3. De werkgever met tien of minder werknemers in dienst verplicht zich voor in
principe alle werkzaamheden, tenzij dit leidt tot aantoonbare, onaanvaardbare
problemen binnen de organisatie van het bureau, aandacht te besteden
aan het scheppen van deeltijdfuncties.
Over de mate waarin deeltijdarbeid wordt gecreëerd en de verhouding tot het
totaal aantal fulltime functies zal overleg worden gepleegd met de ondernemingsraad
of personeelsvertegenwoordiging.
Voor de werkgever met meer dan tien werknemers in dienst is de Wet Aan -
passing Arbeidsduur (WAA) van toepassing (zie toelichting).
4. De werkgever verplicht zich voorts deeltijdarbeid mogelijk te maken voor
werknemers, die als gevolg van arbeidsongeschiktheid over een gedeeltelijke
arbeidscapaciteit beschikken.
De werkgever zal daarbij aan eigen werknemers voorrang verlenen.

T O E L I C H T I N G
Op grond van de Wet Aanpassing Arbeidsduur (WAA) kan de werknemer de werkgever
verzoeken om aanpassing van de arbeidsduur indien de werknemer ten minste
1 jaar voorafgaand aan het beoogde tijdstip van ingang van de aanpassing in
dienst is bij die werkgever.
Het verzoek van de werknemer moet ten minste vier maanden voor het beoogde
tijdstip van ingang van de aanpassing van de arbeidsduur schriftelijk bij de werkgever
worden ingediend. Het verzoek moet het tijdstip van ingang alsmede de
omvang en spreiding van de uren bevatten. De werknemer hoeft zijn aanvraag niet
te motiveren. De werkgever dient overleg te plegen met de werknemer over diens
verzoek.
De werkgever willigt het verzoek van de werknemer om aanpassing van de arbeidsduur
wat betreft aanvang en omvang in tenzij zwaarwegende bedrijfsbelangen zich
daartegen verzetten. Van een zwaarwegend bedrijfsbelang is bij vermindering van
de arbeidsduur in ieder geval sprake indien die vermindering leidt tot ernstige problemen
– voor de bedrijfsvoering bij herbezetting van de vrijgekomen uren,
– op het gebied van de veiligheid of
– van roostertechnische aard.
De beslissing op het verzoek van de werknemer dient schriftelijk aan de werknemer
te worden meegedeeld. Afwijzing van het verzoek of afwijking van de spreiding van
de uren dient bovendien met redenen omkleed te geschieden.
Indien de werkgever niet een maand voor het beoogde tijdstip van ingang van de
aanpassing (schriftelijk) op het verzoek heeft beslist, wordt de arbeidsduur aangepast
overeenkomstig het verzoek van de werknemer.
Indien de werkgever het verzoek om aanpassing afwijst en de werknemer betwist
dat er sprake is van zwaarwegende bedrijfsbelangen, kan de werknemer een
beroep doen op de kantonrechter.
De werknemer kan ten hoogste eenmaal per twee jaar nadat de werkgever een verzoek
om aanpassing heeft ingewilligd of afgewezen, een nieuw verzoek indienen.

Artikel 18 Overwerk
1. De normale werktijd ligt tussen 6.00 en 20.00 uur.
2. Overwerk zal tot uitzonderingen worden beperkt. Indien overwerk naar het
oordeel van de werkgever met inachtneming van de daarvoor gestelde wettelijke
voorschriften noodzakelijk is, is de werknemer gehouden overwerk te verrichten,
mits hem daarvan als regel ten minste 24 uren van te voren mededeling
is gedaan.
3. In deze CAO wordt onder overwerk verstaan: arbeid, welke de werknemer op
verzoek van de werkgever verricht buiten de voor hem in zijn arbeidsovereenkomst,
met inachtneming van het bepaalde in artikel 16 lid 5 omtrent personeel
dat uitsluitend gehele dagen op het bouwwerk aanwezig is, vastgestelde
arbeidsduur.
Indien er sprake is van overwerk, wordt hier verwezen naar hoofdstuk VI, artikel
23 voor de (hoogte van de) verschuldigde overwerkvergoeding.
4. Werknemers van 55 jaar en ouder kunnen niet worden verplicht overwerk te
verrichten.
5. De gemiddelde normale arbeidsduur zal per dertien weken met niet meer dan
12% worden overschreden. Dit percentage kan met instemming van de ondernemingsraad
of de personeelsvertegenwoordiging verruimd worden naar
15% indien het bedrijfsbelang hiertoe noodzaakt.

T O E L I C H T I N G
Overwerk dient uitzondering te zijn. De werkgever dient hiertoe niet te snel te
besluiten en de werknemer dient hierop niet aan te sturen.
In geval van overwerk mag ingevolge lid 5 de gemiddelde normale arbeidsduur per
dertien weken met niet meer dan 12% worden overschreden. Indien het bedrijfsbelang
noodzaakt tot verruiming van dit percentage naar 15% en er is geen ondernemingsraad
of personeelsvertegenwoordiging aanwezig dan dient hiervan vooraf
schriftelijk melding te worden gedaan aan de APA.

Artikel 19 Vakantierechten
1. Het vakantiejaar loopt van 1 januari t/m 31 december.
2. De werknemer heeft per vakantiejaar recht op 30 werkdagen vakantie.
De werknemer die op 31 december 2007 in dienst was en ervoor heeft gekozen
om per 1 januari 2008 de voor hem in zijn arbeidsovereenkomst vastgestelde
arbeidsduur te handhaven, heeft bij een dienstverband van 38 uur of 40
uur in combinatie met 11,5 dag roostervrije tijd, recht op 26 werkdagen vakantie
per vakantiejaar.
3. De werknemer heeft per vakantiejaar recht op:
a. 1 extra vakantiedag met ingang van het vakantiejaar, waarin hij 35 jaar of
ouder wordt;
b. 2 extra vakantiedagen met ingang van het vakantiejaar, waarin hij 40 jaar
of ouder wordt;
c. 3 extra vakantiedagen met ingang van het vakantiejaar, waarin hij 45 jaar
of ouder wordt;
d. 4 extra vakantiedagen met ingang van het vakantiejaar, waarin hij 50 jaar
of ouder wordt;
e. 5 extra vakantiedagen met ingang van het vakantiejaar, waarin hij 55 jaar
of ouder wordt;
f. 6 extra vakantiedagen met ingang van het vakantiejaar, waarin hij 60 jaar
of ouder wordt, voorzover de werknemer geen gebruik maakt van de parttime
VUT-regeling.
4. De werknemer heeft met ingang van het vakantiejaar, waarin de hierna
genoemde diensttijd is bereikt, per vakantiejaar recht op:
a. 1 extra vakantiedag, wanneer hij voor 1 januari 1996 ononderbroken 5 of
meer jaren in dienst was van de werkgever;
b. 2 extra vakantiedagen, wanneer hij voor 1 januari 1996 ononderbroken
10 of meer jaren in dienst was van de werkgever;
c. 3 extra vakantiedagen, wanneer hij voor 1 januari 1996 ononderbroken
15 of meer jaren in dienst was van de werkgever.
5. Het in lid 3 en 4 bepaalde recht op extra vakantiedagen wordt niet cumulatief
toegekend en kan niet worden aangetast bij wijziging van de functie(-indeling)
van de werknemer.
6. Over de in dit artikel bepaalde vakantiedagen behoudt de werknemer recht op
salaris.

T O E L I C H T I N G
Lid 3 sub f: indien de werknemer vervroegd met pensioen gaat en in deeltijd blijft
werken, blijft de werknemer naar rato recht houden op de 6 extra vakantiedagen
met ingang van het vakantiejaar waarin hij 60 jaar of ouder wordt.
Ook tijdens ziekte worden vakantierechten opgebouwd:
– bij volledige arbeidsongeschiktheid gaat de opbouw van vakantierechten gewoon
door, maar de aanspraak is beperkt tot het aantal dagen dat de werknemer
in zes maanden opbouwt. Deze aanspraak heeft betrekking op het opgebouwde
recht gedurende de laatste zes maanden van arbeidsongeschiktheid;
– bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bouwt de werknemer alleen vakantierechten
op over het gedeelte dat de werknemer arbeidsgeschikt is (artikel 7:635,
lid 4 Burgerlijk Wetboek).

Artikel 20 Toepassing vakantierechten
Het recht op vakantie als bepaald in artikel 19 wordt als volgt toegepast:
1. Aan de werknemer, wiens dienstverband met de werkgever korter dan een
kalendermaand heeft geduurd, wordt voor iedere gehele of gedeeltelijke
werkdag, gedurende welke hij in dienst van de werkgever is geweest, 1/261
deel van het totaal voor hem in het lopende vakantiejaar geldende aantal
vakantiedagen verleend, naar voorkeur van de werknemer hetzij in benodigde
vrije tijd, hetzij in een uitbetaling in geld.
2. De werknemer, wiens dienstverband met de werkgever één kalendermaand of
langer duurt, wordt geacht de volle kalendermaand in dienst van de werkgever
te zijn, wanneer hij in dienst treedt voor of op de vijftiende van die maand
en wordt geacht een halve kalendermaand in dienst van de werkgever te zijn,
wanneer hij in dienst treedt na de vijftiende van die maand.
3. Indien in een vakantiejaar het dienstverband korter dan een vakantiejaar heeft
geduurd, wordt, met inachtneming van het bepaalde in lid 2, het op grond van
artikel 19 lid 2, 3 en 4 voor de werknemer geldende aantal vakantiedagen naar
evenredigheid verminderd.
4. Voorzover in deze CAO geen afwijkende bepaling is opgenomen, stelt de werkgever
de tijdstippen van aanvang en einde van de vakantie vast overeenkomstig
de wensen van de werknemer tenzij gewichtige redenen zich daartegen
verzetten. Indien de werkgever niet binnen twee weken nadat de werknemer
zijn wensen schriftelijk kenbaar heeft gemaakt, schriftelijk aan de werknemer
bedoelde gewichtige redenen heeft aangegeven, is de vakantie vastgesteld
overeenkomstig de wensen van de werknemer.
5. a. De werknemer die in het vakantiejaar recht heeft verworven op 21 of meer
vakantiedagen, zal daarvan bij voorkeur 15 dagen, doch ten minste
10 vakantiedagen aaneengesloten genieten.
b. De aaneengesloten vakantie wordt als regel genoten tussen 30 april en
1 oktober.
c. De werkgever kan met instemming van de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging
of, indien niet aanwezig, in overleg met de werknemers
en zoveel mogelijk rekening houdend met de gebleken voorkeur,
een aaneengesloten vakantie collectief vaststellen. De collectieve bedrijfsvakantie
strekt zich uit over maximaal 2 opeenvolgende weken.
d. De werkgever kan om gewichtige redenen in overleg met de werknemer, en
indien het de collectieve bedrijfsvakantie betreft met instemming van de
ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of, indien niet aanwezig,
in overleg met de werknemers, het vastgestelde tijdvak van de vakantie
wijzigen. De schade, welke de werknemer ten gevolge daarvan lijdt,
wordt door de werkgever vergoed.
6. In afwijking van het gestelde in lid 5 dient de vakantie van het personeel op
het bouwwerk – behoudens bijzondere omstandigheden – samen te vallen met
de aaneengesloten vakantie van de werknemers van het uitvoerend bouwbedrijf.
Indien de voortgang van de werkzaamheden meebrengt, dat in een
vakantiejaar niet alle vakantiedagen genoten kunnen worden, zal de te weinig
genoten vakantie worden verleend zo spoedig als mogelijk is, doch in het
uiterste geval direct aansluitend aan de datum van de eerste oplevering van
het bouwwerk. Is er meer dan één opzichter op het bouwwerk, dan dient de
vakantie bij voorkeur gedurende het lopende vakantiejaar volledig te worden
genoten.
7. Bij de aanvang van het vakantiejaar kan de werkgever met instemming van de
ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of, indien niet aanwezig,
in overleg met de werknemers, ten hoogste vijf vakantiedagen als collectieve
snipperdagen aanwijzen en vaststellen, welke in mindering op het aantal
vakantiedagen van de werknemer gebracht kunnen worden.
8. Op 5 mei, Goede Vrijdag alsmede voor de viering van de ‘Dag van de Arbeid’
zal de werknemer op diens eigen verzoek een vakantiedag kunnen genieten.
9. De werkgever zal aan de werknemer, zo enigszins mogelijk tijdens de eerste
twaalf kalendermaanden van diens dienstverband, zoveel werkdagen verlof
zonder behoud van salaris verlenen als overeenkomt met het aantal dagen, dat
de werknemer, blijkens schriftelijk bewijs wegens niet-genoten vakantiedagen
van een voorafgaande werkgever in geld heeft ontvangen.
10.Bij de beëindiging van het dienstverband kan de werknemer in redelijkheid en
met inachtneming van het gestelde in lid 5 het recht op vakantie vervangen
door een uitbetaling in geld.
11.Wanneer ingevolge het gestelde in lid 10 de werknemer heeft bepaald het
recht op vakantie te doen vervangen door een uitbetaling in geld, wordt het
laatst te genieten maandsalaris gedeeld door 22 voor het berekenen van een
hele vakantiedag of door 44 voor het berekenen van een halve vakantiedag.
Met het laatst te genieten maandsalaris wordt hier bedoeld het overeengekomen
salaris inclusief de vakantietoeslag en eventueel dertiende maand.
12.De werkgever is verplicht aan de werknemer bij het beëindigen van het dienstverband
een schriftelijk bewijs te verstrekken, waaruit blijkt hoeveel nietgenoten
vakantiedagen hij aan de werknemer in geld heeft uitbetaald.
13.Indien de werknemer vóór het beëindigen van zijn dienstverband nog niet alle
werkdagen verlof zonder behoud van salaris, als bedoeld in lid 9, heeft kunnen
genieten, zal de werkgever het resterende aantal werkdagen verlof zonder
behoud van salaris vermelden in het schriftelijk bewijs als bepaald in lid 12.

T O E L I C H T I N G
Het is van belang dat de werknemer, die in de vakantie of tijdens een snipperdag
door ziekte of ongeval wordt getroffen, zich onmiddellijk in verbinding stelt met de
werkgever. Indien de werknemer daarbij in het buitenland vertoeft, dient hij zo
spoedig mogelijk contact op te nemen met een plaatselijke arts, teneinde een medische
verklaring te verkrijgen.
Vakantierechten verjaren vijf jaar na de laatste dag van het kalenderjaar waarin ze
zijn verworven.

Artikel 21 Bijzondere verloven
1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 19 en 20 van deze CAO, de artikelen
7:628 en 629b Burgerlijk Wetboek en de Wet Arbeid en Zorg (zie toelichting)
heeft de werknemer recht op bijzonder verlof met behoud van het brutomaandsalaris:
a. gedurende de daarvoor benodigde tijd met een maximum van één dag bij
zijn ondertrouw;
b. gedurende de daarvoor benodigde tijd met een maximum van één dag bij
het ondertekenen van een (notarieel) samenlevingscontract;
c. gedurende twee dagen bij zijn huwelijk;
d. gedurende één dag bij het huwelijk van zijn kind, stief- en pleegkind, zijn
vader, moeder, schoonvader, schoonmoeder, kleinkind, broer, zuster, zwager
en schoonzuster;
e. gedurende één dag bij zijn 25- en 40-jarig huwelijksfeest;
f. gedurende één dag bij het 25-, 40-, 50- en 60-jarig huwelijksfeest van zijn
ouders en schoonouders en bij het 50- en 60-jarig huwelijksfeest van zijn
grootouders en van de grootouders van zijn echtgeno(o)t(e);
g. gedurende de tijd van de dag van het overlijden af tot en met de dag van de
begrafenis of crematie van zijn echtgeno(o)t(e) en van een tot zijn gezin
behorend kind, stief- en pleegkind;
h. gedurende maximaal drie dagen bij het overlijden en de begrafenis of crematie
van zijn niet onder sub g genoemd kind, stief- en pleegkind, zijn vader,
moeder, stief- en pleegvader, stief- en pleegmoeder, schoonvader, schoonmoeder,
schoonzoon en schoondochter;
i. gedurende één dag bij het overlijden of bij de begrafenis of crematie van
zijn (over)grootvader en (over)grootmoeder, de (over)grootvader en
(over)grootmoeder van zijn echtgeno(o)t(e), zijn kleinkind, broer, zuster,
zwager en schoonzuster;
j. gedurende de daarvoor benodigde tijd tot een maximum van vijf dagen per
kalenderjaar voor het bijwonen van vergaderingen van de vakbond waarvan
de werknemer lid is en voor zover hij deel uitmaakt van een besturend
orgaan, mits hiertoe een schriftelijk verzoek van de vakbond is overgelegd
en de werkzaamheden, naar het oordeel van de werkgever, dit toelaten;
k. gedurende de daarvoor benodigde tijd voor het bezoek aan een zorgverlener
betreffende de eigen gezondheid, tenzij dit bezoek zonder bezwaar buiten
de dagelijkse arbeidstijd kan plaatsvinden. Indien dit laatste niet mogelijk
is, dient het bezoek zoveel mogelijk aan het begin of aan het einde van
de werkdag plaats te vinden;
l. gedurende de daarvoor benodigde tijd tot een maximum van één dag per kalenderjaar
bij verhuizing van de werknemer;
m.gedurende de daarvoor benodigde tijd tot een maximum van in totaal tweemaal
vijf dagen voor het bijwonen van cursussen ter voorbereiding op de
aanstaande pensionering, indien de werknemer 60 jaar of ouder is en voorzover
dit verlof niet cumuleert met het bepaalde onder sub j;
n. gedurende de daarvoor naar redelijkheid benodigde tijd voor het voeren
van sollicitatiegesprekken na door de werkgever aangezegd ontslag, of bij
dreiging van een dergelijke aanzegging, indien dit niet aan de werknemer
verweten kan worden.
2. Het in lid 1 bepaalde recht op bijzonder verlof zal, voor wat betreft de gevallen
als genoemd onder sub d, f, h en i slechts worden toegekend wanneer
plechtigheden of gebeurtenissen door de werknemer worden bijgewoond en
vallen op een dag waarop door werknemer normaliter wordt gewerkt.
3. De bepalingen in de Wet Arbeid en Zorg gelden als minimumbepalingen. Een
samenvatting van de Wet Arbeid en Zorg is in de toelichting opgenomen.
In aanvulling op de Wet Arbeid en Zorg:
– heeft de werknemer gedurende het tiendaags kortdurend zorgverlof recht
op volledige doorbetaling van het salaris.
– zal de werkgever (aansluitend op het kortdurend zorgverlof dan wel in
gevallen anders dan omschreven in de Wet Arbeid en Zorg) op verzoek van
de werknemer aan hem bijzonder verlof verlenen, al dan niet met behoud
van salaris, in het geval van ziekte van een kind, partner, huisgeno(o)t(e) of
andere verzorgingsbehoevenden, voor wie de werknemer de feitelijke verzorging
heeft c.q. andere calamiteiten in verband met de verzorging.

T O E L I C H T I N G
De georganiseerde werknemer, die ten behoeve van vergaderingen van zijn vakbond
gebruik wil maken van de mogelijkheid van bijzonder verlof met behoud van
salaris, als bedoeld in lid 1 sub j, dient het aan de werkgever te overhandigen schriftelijke
verzoek eerst zelf bij zijn vakbondsbestuur aan te vragen.
De werknemer heeft recht op bijzonder verlof gedurende de daarvoor benodigde
tijd tot een maximum van vijf dagen per kalenderjaar voor het volgen van scholing
en vorming, geen vakopleiding betreffende, gefinancierd of gesubsidieerd door de
in artikel 40 genoemde Stichting Fonds Architectenbureaus.
Hierbij zal worden getracht om in enig kalenderjaar een cumulatie met het bijzonder
verlof onder lid 1 sub j zoveel mogelijk te voorkomen.

Wet Arbeid en Zorg
Op 1 december 2001 is de Wet Arbeid en Zorg in werking getreden. In deze wet
zijn nieuwe en reeds bestaande verlofregelingen ondergebracht die het combineren
van arbeid en zorg beter mogelijk maken. Lid 3 bevat een aantal afspraken ter
aanvulling op de Wet Arbeid en Zorg. Hieronder volgt een korte samenvatting van
de Wet Arbeid en Zorg.

Kortdurend zorgverlof
Kortdurend zorgverlof is een nieuwe verlofvorm die werknemers in staat stelt zelf
gedurende korte tijd een ziek thuiswonend (pleeg)kind, een partner of een ouder
te verzorgen. Om aanspraak te kunnen maken op kortdurend zorgverlof moet er
sprake zijn van noodzakelijke verzorging vanwege ziekte. Deze noodzaak betreft
niet alleen de behoefte aan zorg, ook moet noodzakelijk zijn dat de werknemer die
zorg verleent en dat die zorg niet op andere wijze verstrekt kan worden.
Het verlof bedraagt voor een werknemer die fulltime werkt maximaal 10 dagen per
jaar. Voor een werknemer die parttime werkt bestaat er recht op een evenredig deel
van die 10 dagen.
De werknemer moet het opnemen van het kortdurende zorgverlof vooraf, onder
opgave van de reden, melden aan de werkgever. Indien dit niet mogelijk is, meldt
de werknemer het opnemen van het verlof zo spoedig mogelijk aan de werkgever
onder opgave van de reden. Bij die melding geeft de werknemer ook de omvang,
de wijze van opneming en de vermoedelijke duur van het verlof aan.
Het verlof gaat in op het tijdstip waarop de werknemer het opnemen ervan meldt
aan de werkgever.
De werkgever kan het zorgverlof weigeren op grond van zwaarwegende bedrijfsbelangen.
Als het zorgverlof eenmaal is ingegaan kan de werkgever het verlof dat
al is toegekend, niet meer ongedaan maken.
De werkgever mag niet achteraf aangeven dat de werknemer geen aanspraak
kan maken op het kortdurend zorgverlof in verband met zwaarwegende bedrijfsbelangen.
De werkgever kan van de werknemer achteraf wel verlangen dat hij aannemelijk
maakt dat er sprake was van noodzakelijke verzorging van een zieke.
Voor zover het loon niet meer bedraagt dan het maximum dagloon behoudt de
werknemer gedurende de periode dat hij kortdurend zorgverlof geniet recht op
70% van het loon, maar tenminste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon.
Het loon wordt verminderd met het bedrag van de door de werkgever
vergoede onkosten die de werknemer door het niet verrichten van zijn werk heeft
bespaard.

Calamiteiten- en ander kort verzuimverlof, waaronder het kraamverlof
Naast het kortdurend zorgverlof geeft het calamiteitenverlof de werknemer het
recht om in onvoorziene spoedeisende situaties korte tijd verlof op te nemen om de
eerste noodzakelijke voorzieningen te treffen (zoals bijvoorbeeld het afhalen van
een ziek kind uit het kinderdagverblijf).
De werknemer die gebruik wenst te maken van het calamiteitenverlof moet dit
vooraf melden aan de werkgever. De werknemer moet daarbij ook de reden vermelden.
Alleen als het niet mogelijk is om die melding vooraf te doen, kan dit achteraf
maar wel zo spoedig mogelijk.
Overigens mag de werkgever achteraf van de werknemer verlangen dat hij aan -
nemelijk maakt dat hij zijn werk niet heeft kunnen verrichten wegens een van de
redenen van het wettelijk calamiteitenverlof. De werkgever mag het verlof niet weigeren.
Calamiteitenverlof is betaald verlof; de werknemer heeft aanspraak op volledige
doorbetaling van zijn loon.
Indien zowel aan de voorwaarden voor calamiteitenverlof als aan de voorwaarden
voor kortdurend zorgverlof wordt voldaan, eindigt het calamiteitenverlof na een
dag en gaat het over in kortdurend zorgverlof.

Kraamverlof
Het kraamverlof is sinds 1 december 2001 een wettelijk verlof dat de werknemer
gedurende 4 weken na de bevalling van de echtgenote, de geregistreerde partner,
de persoon met wie hij ongehuwd samenwoont of degene van wie hij het kind
erkent, het recht geeft op 2 dagen verlof met behoud van loon. Het recht bestaat
vanaf de dag dat het kind verblijft bij de moeder. Naast het kraamverlof bestaat
recht op calamiteiten- en ander kort verzuimverlof voor het bijwonen van de bevalling
en het doen van aangifte.

Langdurend zorgverlof
Per 1 juni 2005 is het recht op langdurend zorgverlof opgenomen in de Wet Arbeid
en Zorg. Hierdoor hebben werknemers het recht op verlof als de partner, ouder of
(inwonend) kind van de werknemer levensbedreigend ziek is.
De totale omvang van het verlof is maximaal zes maal de wekelijkse arbeidsduur
gedurende een periode van 12 achtereenvolgende maanden. Het verlof wordt per
week opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste 12
weken. Het aantal uren verlof per week bedraagt ten hoogste de helft van de
arbeidsduur per week.
De werkgever kan het verlof (vooraf) weigeren op grond van zwaarwegende
bedrijfsbelangen.
De werknemer moet het langdurend zorgverlof ten minste twee weken van tevoren
schriftelijk aanvragen met opgave van reden en onder vermelding van de persoon
die verzorging nodig heeft. De werknemer moet daarbij ook aangeven het tijdstip
van ingang, de omvang en de voorgenomen duur van het verlof en hoe de uren
per week worden opgenomen. De werkgever deelt zijn beslissing schriftelijk aan de
werknemer mede. Als de werkgever nalaat om dit uiterlijk een week voor de beoogde
ingangsdatum van het verlof te doen, dan gaat het verlof in overeenkomstig het
verzoek van de werknemer.
Het langdurend zorgverlof is onbetaald verlof. Tijdens het langdurend zorgverlof
vindt wel opbouw van vakantiedagen plaats.

Adoptieverlof en verlof bij pleegzorg
Werknemers die een kind adopteren hebben recht op maximaal 4 aaneengesloten
weken adoptieverlof. Ook pleegouders hebben recht op maximaal vier aaneengesloten
weken verlof. Voorwaarde is wel dat bij plaatsing van het kind in het gezin
duidelijk is dat het kind duurzaam in het gezin wordt opgenomen. Beide ouders
hebben recht op het verlof. Het recht op verlof bestaat vanaf 2 weken voor de eerste
dag van de feitelijke opneming van het kind. Het recht op verlof bestaat gedurende
een periode van 18 weken.
De werknemer moet de ingangsdatum van het verlof, voor zover mogelijk, uiterlijk
3 weken van tevoren aan de werkgever melden. Daarbij dient de werknemer ook
aan te geven wat de omvang van het verlof zal zijn.
Gedurende de verlofperiode van 4 weken heeft de werkgever geen loondoorbe -
talingsverplichting. In plaats daarvan heeft de werknemer recht op een uitkering op
grond van de Wet Arbeid en Zorg. De uitkering bedraagt 100% van het dagloon.
Hoewel de werkgever tijdens het verlof geen loondoorbetalingsverplichting heeft,
moet de werkgever over deze periode wel vakantietoeslag betalen. De opbouw van
vakantiedagen loopt ook gewoon door.

Zwangerschaps- en bevallingsverlof
De regeling voor zwangerschaps- en bevallingsverlof die in de praktijk al bestond is
wettelijk vastgelegd in de Wet Arbeid en Zorg. De regeling is in grote lijnen hetzelfde
gebleven. De werkneemster heeft recht op ten minste 16 weken verlof. De
werkneemster kan zelf de aanvangsdatum van het verlof bepalen. Er bestaat recht
op verlof vanaf zes weken voor de dag na de vermoedelijke bevallingsdatum met
als uiterste datum vier weken voor deze dag. De werkneemster moet de ingangsdatum
van het zwangerschapsverlof uiterlijk drie weken van tevoren aan de werkgever
melden en daarbij een zwangerschapsverklaring overleggen.
Gedurende de periode dat het verlof wordt genoten heeft de werkneemster recht
op een uitkering op grond van de Wet Arbeid en Zorg. Deze bedraagt 100% van
het laatste loon. De werkgever moet over de periode van verlof wel vakantietoeslag
betalen. De opbouw van vakantiedagen loopt ook gewoon door.

Ouderschapsverlof
Vanaf 1 januari 2009 is het recht op ouderschapsverlof verlengd van 13 naar 26
maal de wekelijkse arbeidsduur. Als voor een kind al vóór 1 januari 2009 (gedeeltelijk)
verlof is opgenomen, geldt de oude regeling en bestaat er slechts recht op 13
weken ouderschapsverlof.
Het recht op verlof bestaat indien de arbeidsverhouding ten minste een jaar heeft
geduurd. Beide ouders hebben per kind één keer recht op ouderschapsverlof.
Geen recht op verlof bestaat na de datum waarop het kind de leeftijd van 8 jaar
heeft bereikt.
Het aantal uren verlof waarop de werknemer ten hoogste recht heeft bedraagt 26
maal de arbeidsduur per week. Het verlof wordt per week opgenomen gedurende
een aaneengesloten periode van ten hoogste 12 maanden (onder de oude regeling:
een aaneengesloten periode van ten hoogste 6 maanden). Het aantal uren verlof
per week bedraagt ten hoogste de helft van de arbeidsduur per week. Als de werknemer
op deze wijze (de standaardregeling) het verlof wil opnemen, moet de werkgever
hier zonder meer mee instemmen.
In afwijking van de standaardregeling kan de werknemer verzoeken om
– verlof voor een langere periode dan 12 maanden (onder de oude regeling: een
langere periode dan 6 maanden), of
– het verlof op te delen in ten hoogste 3 perioden, waarbij iedere periode ten minste
een maand bedraagt, of
– meer uren verlof per week dan de helft van de arbeidsduur per week.
De werkgever kan een dergelijk verzoek van de werknemer afwijzen indien zwaarwegende
bedrijfsbelangen zich hiertegen verzetten.
De werknemer moet het ouderschapsverlof 2 maanden van tevoren schriftelijk melden
bij de werkgever. Daarbij moet dan tevens worden aangegeven wat de (vermoedelijke)
datum van ingang is en hoe men het verlof wenst op te nemen. Deze
meldingsverplichting geldt voor elk tijdvak van ouderschapsverlof.
Het ouderschapsverlof is in beginsel onbetaald.

V CAO À LA CARTE

Artikel 22 CAO à la carte/Levensloop
Iedere individuele werknemer kan gebruik maken van de CAO à la carte-regeling
op grond van onderstaande bepalingen. Indien de werknemer hierom verzoekt,
zal de werkgever hieraan zijn medewerking verlenen.
1. Bronnen en doelen
Als bronnen kunnen worden ingezet: maximaal 5% van het bruto-maandsalaris,
maximaal 5 bovenwettelijke vakantiedagen, alle roostervrije dagen, de
vakantietoeslag, de 13e maand (of equivalent), de winstdeling, de meer-uren
bij deeltijdarbeid.
De bronnen kunnen worden ingezet voor de volgende doelen: het kopen van
extra verlofdagen, extra pensioenopbouw en betaling van contributie ten
behoeve van het lidmaatschap van een vakbond en/of functioneel relevante
beroepsvereniging door middel van de inzet van brutoloon. Per jaar kunnen
uit de bronnen maximaal 15 dagen worden gekocht.
Het is op bureauniveau mogelijk om extra doelen af te spreken op verzoek van
de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of, indien niet aanwezig,
de meerderheid van de werknemers.
2. Dagwaarde
De dagwaarde van een dag wordt berekend per 1 januari van het jaar waarin
werkgever maken hierover voorafgaand aan het verlof afspraken.

VI VERGOEDINGEN EN VOORZIENINGEN

Artikel 23 Overwerkvergoeding
1. De werkgever is overwerkvergoeding verschuldigd voor overwerk als bedoeld
in artikel 18 lid 3, indien gerekend over een periode van dertien weken het
gemiddeld aantal uren dat per week gewerkt is, boven de voor werknemer in
zijn arbeidsovereenkomst vastgestelde arbeidsduur ligt. Het totaal aantal uren
per dertien weken wordt naar boven afgerond op hele uren.
In het totaal aantal uren per dertien weken worden niet meegerekend de uren
als genoemd in lid 2 sub b, c en d. Deze uren zijn steeds overuren waarvoor een
overwerktoeslag verschuldigd is.
2. De overwerkvergoeding die de werkgever op grond van lid 1 verschuldigd is,
bedraagt:
a. voor overwerk op maandag t/m vrijdag tussen 6.00 en 22.00 uur: het uursalaris
van de werknemer, vermeerderd met een overwerktoeslag van 25%;
b. voor overwerk op maandag t/m donderdag tussen 22.00 en 24.00 uur: het
uursalaris van de werknemer, vermeerderd met een overwerktoeslag van
50%;
c. voor overwerk op maandag t/m vrijdag tussen 0.00 en 6.00 uur, vrijdag tussen
22.00 en 24.00 uur en op zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur: het uursalaris
van de werknemer, vermeerderd met een overwerktoeslag van 100%;
d. voor overwerk op zon- en feestdagen als genoemd in artikel 12 lid 8 tussen
0.00 en 24.00 uur: het uursalaris van de werknemer, vermeerderd met een
overwerktoeslag van 125%.
Schematisch ziet een en ander er als volgt uit:
maandag dinsdag woensdag donderdag vrijdag zaterdag zondag
00.00-06.00 uur 100% 100% 100% 100% 100% 100% 125%
06.00-22.00 uur 25% 25% 25% 25% 25% 100% 125%
22.00-24.00 uur 50% 50% 50% 50% 100% 100% 125%
Onder het uursalaris wordt verstaan: het quotiënt van het bruto-jaarsalaris
(exclusief vakantietoeslag en gratificaties) en het aantal uren dat men op jaarbasis
in dienst is. Dit aantal uren kan maximaal bedragen: 52 x 40 = 2080 (en
voor de werknemer die op 31 december 2007 in dienst was en ervoor heeft
gekozen per 1 januari 2008 de voor hem in zijn arbeidsovereenkomst vastgestelde
arbeidsduur te handhaven: 52 x 38 = 1976).
3. Het aantal overuren kan naar keuze van de werknemer worden uitbetaald,
dan wel binnen zes maanden in vrije tijd worden opgenomen. De overwerktoeslag
zal echter altijd worden uitbetaald.
4. De werkgever is geen overwerkvergoeding verschuldigd voor overwerk verricht
door werknemers vanaf functiegroep J.

T O E L I C H T I N G
Het tijdstip waarop begonnen moet worden met de totalisatie per dertien weken
ingevolge lid 1, is de week waarin voor het eerst (weer) overgewerkt wordt.

Voorbeeldberekening
Let op: in dit voorbeeld wordt uitgegaan van een normale arbeidsduur bij een volledig
dienstverband van 40 uur per week.
de werknemer deze dag inzet als bron of bestemt als doel. Hierbij geldt de volgende
formule:
maandsalaris x 12,96 + vaste 13e maand*
261
* en/of andere vaste betalingen, conform het Pensioenreglement
3. Jaarlijks keuze maken
Eenmaal per kalenderjaar is er per bureau één keuzemoment waarop iedere
werknemer in de gelegenheid wordt gesteld voor het komende kalenderjaar
zijn keuze te maken ten aanzien van de bronnen en doelen. Werkgever en
werknemer zullen met inachtneming van de structuur en organisatie van het
bureau de gemaakte keuzes en afspraken schriftelijk vastleggen. Bij tussentijdse
indiensttreding krijgt de nieuwe werknemer op dat moment gelegenheid
om zijn keuze kenbaar te maken.
4. Levensloopregeling
Iedere werknemer heeft het recht om te sparen in een levensloopregeling.
CAO-partijen hebben in het kader van de levensloopregeling het volgende
vastgesteld:
– Het gespaarde levensloopsaldo kan worden aangewend voor verlofperioden
van minimaal twee maanden of als inkomensvoorziening tijdens een
periode van verlof voorafgaand aan het pensioen. Tevens kan het tegoed
worden aangewend als compensatie van het inkomen bij opname van onbetaald
verlof in het kader van de Wet Arbeid en Zorg.
– Een verlofperiode dient minimaal zes maanden voorafgaand aan de verlofperiode
bij de werkgever te worden aangevraagd. Deze bepaling geldt niet
bij het opnemen van verlof in het kader van de Wet Arbeid en Zorg.
– Tijdens een verlofperiode worden geen salarisverhogingen (zowel periodieke
als CAO-verhogingen) c.q. salarisaanpassingen toegekend. Deze worden
indien van toepassing toegekend na afloop van het verlof.
– Het opnemen van een verlofperiode heeft geen consequenties voor de pensioenopbouw
doordat betaling van de pensioenpremie ongewijzigd en
overeenkomstig de verdeling van de premielasten zoals geregeld in het
Pensioenreglement A, wordt voortgezet.
– Tijdens een verlofperiode vindt er opbouw van vakantiedagen plaats. Deze
opbouw van vakantiedagen is gelijk aan de verhouding tussen de hoogte
van de uitkering ten laste van het gespaarde levensloopsaldo en de hoogte
van het salaris op fulltime basis.
– Tijdens een verlofperiode kan een eventuele deelname in een collectieve
ziektekostenverzekering ongewijzigd worden voortgezet.
– Ziekte tijdens een verlofperiode schort het verlof niet op.
– Op bureauniveau worden afspraken gemaakt over secundaire arbeidsvoorwaarden,
waaronder vergoedingen, gebruik lease-auto, gsm, e.d. tijdens
een verlofperiode.
– Op bureauniveau kunnen afspraken gemaakt worden over het opnemen
van een verlofperiode in het kader van de levensloopregeling gecombineerd
met een periode van (on)betaald verlof.
– Na afloop van de verlofperiode heeft de werknemer recht op terugkeer in
de eigen functie of eventueel een gelijkwaardige functie. Dit geldt ook voor
werknemers die een verlofperiode in het kader van de levensloopregeling
combineren met een periode van (on)betaald verlof. De werknemer en
Week 1: Week 2:
44 uren gewerkt 40 uren gewerkt
Week 3: Week 4:
40 uren gewerkt 42 uren gewerkt
Week 5: Week 6:
42 uren gewerkt 42 uren gewerkt
Week 7: Week 8:
40 uren gewerkt 46 uren gewerkt waarvan 2 uren op zaterdag
Week 9: Week 10:
46 uren gewerkt 42 uren gewerkt
Week 11: Week 12:
40 uren gewerkt 42 uren gewerkt
Week 13:
42 uren gewerkt
Gemiddeld:
42 uren per week gewerkt
Overwerk:
2 uur per week met 25% toeslag
De twee uren die op zaterdag gewerkt zijn, zijn niet meegerekend omdat voor deze
uren zonder meer een overwerktoeslag verschuldigd is van 100% (zie lid 2).
Wordt de periode van dertien weken onderbroken door vakantiedagen, roostervrije
dagen of ziektedagen, dan dienen deze dagen wel meegerekend te worden bij de
totalisatie.

Artikel 24 Betaling van reisuren buiten arbeidstijd
1. De werknemer aan wie tijdens zijn dienstverband door de werkgever, niet van
incidentele aard zijnde, werkzaamheden worden opgedragen op een andere
locatie dan de ten tijde van zijn indiensttreding of later overeengekomen
plaats van uitvoering van de werkzaamheden ontvangt, als ten gevolge daarvan
meer reisuren moeten worden gemaakt, een vergoeding indien:
– werknemer ten hoogste functieschaal H heeft;
– de werkzaamheden op de andere locatie langer dan vier weken ononderbroken
voortduren en minimaal drie dagen per werkweek worden verricht;
Uitgaande van de standaardreistijd wordt de helft van de extra reistijd door de
werkgever vergoed. Van deze extra reistijd komt echter maximaal één uur per
dag voor rekening van de werknemer. Zowel de standaardreistijd als de extra
reistijd dienen te worden berekend aan de hand van een op het bureau algemeen
geaccepteerde routeplanner.
2. De in lid 1 bedoelde vergoeding bedraagt een uursalaris van de werknemer,
zijnde:
– het maandsalaris gedeeld door (22 dagen x 8 uur) per werkdag dat op de
andere locatie is gewerkt en
– voor de werknemer die op 31 december 2007 in dienst was en ervoor heeft
gekozen per 1 januari 2008 de voor hem in zijn arbeidsovereenkomst vastgestelde
arbeidsduur te handhaven bij een dienstverband van 38 uur of
40 uur met 11,5 dag roostervrije tijd: het maandsalaris gedeeld door (22
dagen x 7,6 uur) per werkdag dat op de andere locatie is gewerkt.
3. De in lid 1 en 2 genoemde vergoeding geldt niet voor werknemers die werkzaamheden
op de bouwplaats verrichten.
4. Werkgever en werknemers kunnen, in afwijking van lid 1 en met inachtneming
van artikel 41, op individueel niveau of op bureauniveau een van bovenstaande
afwijkende regeling overeenkomen.

T O E L I C H T I N G
Als het reizen aan de functie inherent is, is deze bepaling niet van toepassing.

Artikel 25 Arbeid buiten de vaste woonplaats
1. De werknemer, die toezicht uitoefent op een bouwwerk buiten zijn vaste
woonplaats, of in opdracht van zijn werkgever tijdelijk elders werkzaamheden
verricht, ontvangt een vergoeding voor de door hem gemaakte reis- en verblijfkosten.
2. Wanneer met het oog op de gewenste voortgang van het bouwwerk of ter
besparing van reis- en verblijfkosten de werkgever in overleg met de werknemer
en met diens toestemming een verhuizing van de werknemer noodzakelijk
acht, worden de uit deze verhuizing redelijk voortvloeiende kosten volledig
aan de werknemer vergoed.

Artikel 26 Inkomen bij ziekte/arbeidsongeschiktheid
1. Loondoorbetaling eerste en tweede ziektejaar
Het eerste ziektejaar
Het eerste ziektejaar heeft de werknemer recht op volledige doorbetaling van
het salaris dat hij zou hebben genoten indien hij arbeidsgeschikt zou zijn
geweest.
Het tweede ziektejaar
Het tweede ziektejaar ontvangt de werknemer 70% van het salaris dat hij zou
hebben genoten indien hij arbeidsgeschikt zou zijn geweest, aangevuld tot
100% indien de werknemer voldoende meewerkt aan zijn reïntegratie, d.w.z.
zich houdt aan alle voorschriften van de Wet Verbetering Poortwachter.
Maandelijks beoordeelt de bedrijfsarts (begeleidende instantie) of de werknemer
voldoende heeft meegewerkt aan zijn reïntegratie. Op grond van deze
beoordeling besluit de werkgever aan het einde van iedere maand of de werknemer
in de betreffende maand recht heeft op 70% dan wel 100% doorbe -
taling van het salaris.
Bij verschil van mening kunnen werkgever en werknemer het oordeel van de
bedrijfsarts (begeleidende instantie) of werknemer voldoende heeft meegewerkt
aan zijn reïntegratie, onderwerpen aan arbitrage. De branche zal hiertoe
faciliteiten bieden.
De pensioenopbouw wordt tijdens de eerste twee ziektejaren ongewijzigd
voortgezet, waarbij wordt uitgegaan van een (fictief) pensioengevend salaris
gelijk aan 100% van het salaris.
De vakantietoeslag wordt in het tweede ziektejaar evenredig verminderd over
die maanden dat de werknemer slechts recht heeft op 70% doorbetaling van
het salaris.
a. In het geval de werknemer, als gevolg van een vervroegde keuring als
bedoeld in de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA), recht
heeft op een uitkering op grond van de Inkomensvoorziening Volledige
Arbeidsongeschiktheid (IVA) als bedoeld in de WIA dan blijft de werkgever
verplicht tot voornoemde loondoorbetaling voorzover deze de werknemer
toekomende uitkering op grond van de IVA te boven gaat.

b. Indien op grond van de Wet Verbetering Poortwachter de bevoegde instantie
de werkgever een sanctie oplegt omdat deze zich onvoldoende heeft
ingespannen dan wel onvoldoende heeft meegewerkt aan reïntegratie van
de arbeidsongeschikte werknemer en deze sanctie bestaat uit verlenging
van de loondoorbetalingsverplichting (maximaal een jaar) dan blijft de
werknemer gedurende de door de bevoegde instantie opgelegde loondoorbetalingsverplichting
in het derde ziektejaar recht houden op volledige
doorbetaling van het salaris dat hij zou hebben genoten indien hij
arbeidsgeschikt zou zijn geweest.
c. Het salaris als bedoeld in dit artikel wordt verminderd met
– het bedrag van de (bruto) uitkering die de werknemer ontvangt op grond
van enige bij of krachtens de wet geldende verzekering;
– een eventuele vordering die de werknemer heeft jegens derden wegens
loonderving als gevolg van arbeidsongeschiktheid.
d. Het recht op doorbetaling van het salaris als bepaald in dit artikel vervalt op
het tijdstip dat de arbeidsovereenkomst eindigt.
2. Inkomensaanvulling derde en volgende ziektejaren in geval van WIA-uitkering
bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
De werkgever is verplicht voor de werknemer(s) een verzekering af te sluiten
voor inkomensaanvulling in derde en volgende arbeidsongeschiktheidsjaren
in geval van een WIA-uitkering bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.
Deze verzekering voor inkomensaanvulling dient tenminste aan de navolgende
voorwaarden te voldoen:
– de verzekering keert uit bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35%
tot 80%;
– de uitkering dient te worden verstrekt tot het 65-ste levensjaar;
– de uitkering dient met minimaal 2% per jaar te zijn geïndexeerd;
– het inlooprisico voor deze verzekering dient minimaal te zijn afgedekt vanaf
1 september 2005;
– de uitkering bedraagt, afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid
en de mate waarin een werknemer werkt: het arbeidsongeschiktheidspercentage
vermenigvuldigd met 70% van zijn laatstverdiende gemaximeerde
loon (2009 = € 47.802,15), minus de uitkeringen welke de werknemer op
grond van de WGA ontvangt.
De voor deze verzekering benodigde premie komt, tot een maximum van
0,25% van het SV-loon (2009 = € 47.802,15) voor rekening van de werknemer
en wordt ingehouden op zijn salaris.
De verplichting van de werkgever om bovenomschreven verzekering af te sluiten,
geldt niet voor werknemers van 63 jaar en ouder omdat deze werknemers
geen rechten kunnen ontlenen aan de verzekering en zij dus geen verzekerbaar
belang hebben.

T O E L I C H T I N G
Er wordt nadrukkelijk op gewezen, dat het niet naleven van de voor bouwwerken
gegeven veiligheidsvoorschriften (bijvoorbeeld het dragen van veiligheidshelmen of
veiligheidsschoenen) voor de werknemer zeer ernstige moeilijkheden kan opleveren
bij de beantwoording van de vraag of arbeidsongeschiktheid ten gevolge van
ziekte of ongeval buiten schuld of opzet is opgetreden. Het verdient dan ook aanbeveling
deze veiligheidsvoorschriften nauwgezet na te leven.
Voorts wordt er op gewezen dat de werkgever, die zijn eigen financiële risico ten
aanzien van de werknemer wil herverzekeren, géén deel van de daarvoor verschuldigde
verzekeringspremie op het salaris mag inhouden.

Artikel 27 Invaliditeitspensioen
Met ingang van 1 januari 2006 worden in verband met de nieuwe Wet Werk en
Inkomen naar Arbeidsvermogen alleen nog uitkeringen gedaan op grond van de
invaliditeitspensioenregeling aan diegenen die vóór 1 januari 2004 reeds ziek
waren en als gevolg hiervan in de WAO terecht zijn gekomen.

T O E L I C H T I N G
In die gevallen waarin nog een invaliditeitspensioen wordt uitgekeerd voorziet deze
in een aanvulling op de WAO-uitkering tot 70% van het laatstverdiende loon voor
zover dit de maximum WAO-uitkeringsgrondslag niet overstijgt. Met ingang van
1 januari 2006 wordt er geen premie meer geheven voor het invaliditeitspensioen.

Artikel 28 Overlijden van de werknemer
De werkgever keert na het overlijden van de werknemer aan diens nagelaten
betrekkingen een bedrag uit, gelijk aan het salaris over de periode vanaf de dag
na het overlijden tot en met twee maanden na de dag van het overlijden, vermeerderd
met het vakantiegeld, de vaste dertiende maand en eventuele winstdeling
over deze twee maanden en 2/12 deel van het jaarbedrag aan vaste gegarandeerde
bijzondere beloningen.
Op deze bedragen worden de uitkeringen in mindering gebracht, welke de nagelaten
betrekkingen van de werknemer terzake van diens overlijden ontvangen
ingevolge de Ziektewet en/of de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen
(WIA) dan wel de WAO.
De overlijdensuitkering wordt uitbetaald conform de fiscale regels.

T O E L I C H T I N G
Er wordt op gewezen dat met het overlijden van de werkgever de arbeidsovereenkomst
met de werknemer niet van rechtswege eindigt. De erfgenaam of de opvolger
van de overleden werkgever kan de arbeidsovereenkomst beëindigen door
opzegging (zie artikel 5) of de arbeidsovereenkomst laten ontbinden via de kantonrechter.

Onder nagelaten betrekkingen wordt verstaan:
a. de langstlevende der echtgenoten indien de overledene niet duurzaam gescheiden
van de andere echtgenoot leefde; als echtgenoten worden ook aangemerkt
ongehuwd samenwonenden van verschillend of gelijk geslacht, tenzij het personen
betreft tussen wie bloedverwantschap bestaat in de eerste of tweede
graad;
b. de minderjarige wettige of erkende natuurlijke kinderen, indien de onder a
genoemde persoon ontbreekt;
c. degenen voor wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag
en met wie hij in gezinsverband leefde, indien de onder a en b bedoelde personen
ontbreken.

Artikel 29 Bedrijfsspaarregelingen/Winstdeling
1. Partijen bij deze CAO bevelen aan, daar waar nog geen bedrijfsspaarregelingen/
winstdeling bestaan, over te gaan tot invoering van dergelijke regelingen.
Het initiatief hiertoe kan ook worden genomen door een vertegenwoordiging
van het personeel.

1. Genoemde CAO met statuten en reglement kan desgewenst worden gedownload van de website:
www.architectencao.nl.
2. Een boekje met de verplichtstellingsbeschikking, statuten en pensioenreglement, waarvan het
Pensioenreglement A deel uitmaakt, is op verzoek verkrijgbaar bij de Stichting Pensioenfonds
voor de Architectenbureaus, p/a Syntrus Achmea Pensioenbeheer, afdeling frontoffice, Postbus
9251, 1006 AG Amsterdam en kan desgewenst worden gedownload van de website:
www.pensioenfondsarchitectebureaus.nl.
1. Een boekje met de verplichtstellingsbeschikking, statuten en pensioenreglement, waarvan het
Pensioenreglement A deel uitmaakt, is op verzoek verkrijgbaar bij de Stichting Pensioenfonds
voor de Architectenbureaus, p/a Syntrus Achmea Pensioenbeheer, afdeling frontoffice, Postbus
9251, 1006 AG Amsterdam en kan desgewenst worden gedownload van de website:
www.pensioenfondsarchitectebureaus.nl.
2. Indien een meerderheid van de werknemers verzoekt om invoering van de
spaarloonregeling, dan zal de werkgever hieraan zijn medewerking verlenen.

VI I OUDERENBELEID EN (PRE)PENSIOEN

Artikel 30 Seniorenbeleid
Werknemers van 58 jaar en ouder kunnen indien zij behoefte hebben aan taakverlichting
de volgende keuze maken:
a. Korter gaan werken, waarbij de arbeidsduur vrijwillig teruggebracht wordt
naar niet minder dan 32 uur per week. Het terugbrengen van de arbeidsduur
heeft geen consequenties voor de pensioenopbouw en de VUT-rechten van de
werknemer doordat betaling van de pensioen- en de VUT-premie ongewijzigd
wordt voortgezet op basis van de oorspronkelijke arbeidsduur alsmede de oorspronkelijke
verdeling van de premielasten over werkgever en werknemer.
De werknemer kan de teruggang in zijn salaris als gevolg van deze keuze
(gedeeltelijk) compenseren door de bovenwettelijke vakantiedagen (dit zijn
ook de extra vakantiedagen op grond van artikel 19 lid 3) als bron in te zetten.
b. Binnen dezelfde functiefamilie één functieniveau lager gaan werken met
behoud van salaris.

Artikel 31 Vrijwillig Vervroegd Uittreden (VUT)
Er is een CAO inzake aanvullingsregeling en inzake afwikkeling vrijwillig vervroegd
uittreden voor personeel in dienst van Architectenbureaus.
Van deze overeenkomst vormen de statuten en het reglement van de Stichting
Uittreden Architectenbureaus (SUA) een integrerend onderdeel.1

T O E L I C H T I N G
Uittreden op grond van de VUT-regeling is na 1 januari 2006 niet meer mogelijk.
Degenen die vóór 1 januari 2006 al zijn uitgetreden – parttime dan wel fulltime –
blijven hun rechten houden. De begeleiding door regelgeving, financiering, uitkering
en administratieve ondersteuning door de SUA in verband met de beëindiging
van de VUT-regeling per 1 januari 2006, tot het einde van de laatste VUT-uitkering,
zijn geregeld in bovengenoemde CAO.
Bij de overgang naar de nieuwe pensioenregeling die per 1 januari 2006 van kracht
is geworden, is de Aanvullingsregeling in het leven geroepen. Deze is onderdeel van
bovengenoemde CAO. Met ingang van 1 januari 2006 kunnen onder voorwaarden
aanvullingen worden toegekend aan werknemers die vóór 1 januari 2005 de leeftijd
van 55 jaar hebben bereikt en gebruik maken van vervroegd (deeltijd)ouderdomspensioen
(zie Pensioenreglement A2). De voorwaarden en de hoogte van de
aanvullingen zijn geregeld in bovengenoemde CAO en het daarvan onderdeel uitmakende
aanvullingsreglement.
Premie ten behoeve van VUT- en Aanvullingsregeling:
Partijen bij deze CAO stellen de hoogte van de premie (op advies van het bestuur van
de SUA), en de premieverdeling vast.
De premie over 2009 bedraagt 0,5% (van het brutoloon SV + spaarloon of levensloop)
en komt ten laste van de werkgever.

Artikel 32 Ouderdomspensioen
1. Er is een ouderdomspensioenregeling waarvan de uitvoering is geregeld in het
Pensioenreglement A en de statuten van de Stichting Pensioenfonds voor de
Architectenbureaus1.
2. De arbeidsovereenkomst eindigt per de eerste van de maand waarin de werknemer
65 jaar wordt of bij eerdere beëindiging door de werknemer wegens
pensionering.

T O E L I C H T I N G
Bij beschikking van de Minister van Sociale Zaken, ingevolge de Wet betreffende
verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds, is voor de werknemers van 21
t/m 64 jaren deelneming aan de pensioenvoorziening in de Stichting Pensioenfonds
voor de Architectenbureaus volgens de statuten en het pensioenreglement algemeen
verplicht gesteld, behoudens in geval van door het bestuur verleende vrijstelling.
Ingevolge het Pensioenreglement A kent het Pensioenfonds toe:
– een opbouw ten behoeve van het ouderdomspensioen van 2,1% van de som van
de pensioengrondslagen;
– een weduwen-, weduwnaars- en partnerpensioen, dat 70% bedraagt van het
ouderdomspensioen;
– een wezenpensioen, dat 15% bedraagt van het ouderdomspensioen.
Het bestuur van de Stichting Pensioenfonds voor de Architectenbureaus stelt de
premie vast. Partijen bij deze CAO stellen de lastenverdeling van de pensioenpremie
vast. Van de pensioenpremie komt 55% ten laste van de werkgever en 45%
ten laste van de werknemer.
De verplichting tot deelneming in het Pensioenfonds vangt aan op de eerste van de
maand, waarin de werknemer de leeftijd van 21 jaren bereikt en eindigt met ingang
van de eerste van de maand, waarin de werknemer de leeftijd van 65 jaren bereikt.

VI I I ARBO

Artikel 33 Preventie- en verzuimbeleid inzake ziekte en
arbeidsongeschiktheid
1. Terugdringing van het ziekteverzuim is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid
van werkgever en werknemer(s).
2. De werkgever zal maatregelen nemen gericht op terugdringing van het ziekteverzuim,
reïntegratie van gedeeltelijk arbeidsongeschikten en het voorkomen
van uitstroom wegens arbeidsongeschiktheid.
3. Preventiebeleid ten aanzien van ziekteverzuim dient mede gericht te zijn op
behoud en verbetering van de kwaliteit van de arbeid.

Artikel 34 Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E)
Er is een door CAO-partijen vastgestelde (digitale) branche-RI&E. Deze RI&E is toegespitst
op de arbeidsomstandigheden en risico’s in de architectenbranche.
T O E L I C H T I N G
Indien een architectenbureau tot en met 25 medewerkers de branche-RI&E toepast,
vervalt de verplichting tot een toetsing door een kerndeskundige. De branche-RI&E
is te vinden op www.arboarchitecten.nl.

Artikel 35 Vervolgtraject Arboconvenant 2002-2005 inzake RSI,
werkdruk en vroegtijdige reïntegratie
1. Partijen erkennen dat het voorkomen van RSI, het terugdringen van werkdruk
en het inzetten van een goed reïntegratiebeleid een verantwoordelijkheid is
van werkgevers en werknemers.
2. Partijen zijn een vervolgtraject Arboconvenant overeengekomen teneinde in
de gehele branche RSI en werkdruk te verminderen en reïntegratie van
arbeidsongeschikte werknemers te bevorderen (zie ook het Protocol Gezond
Werk).
Voor concrete maatregelen op het terrein van arbeidsomstandigheden wordt verwezen
naar Bijlage I bij deze CAO. Deze bijlage vormt een integraal onderdeel van
deze CAO.

IX WERKGELEGENHEID IN DE BEDRI JFSTAK
Artikel 36 Vervulling van vacatures
1. Bij het ontstaan van nieuwe functies dan wel ter vervulling van vacatures zal
eerst bij de eigen werknemers naar geschikte kandidaten gezocht worden. Pas
daarna zal worden overgegaan tot een externe wervingsprocedure.
2. Indien vacatures niet binnen het eigen bureau kunnen worden vervuld, kan
mede het UWV WERKbedrijf worden ingeschakeld, onder vermelding van de
functie-inhoud (aard, niveau, werkomstandigheden, werktijden) en eisen
(opleiding en ervaring).

Artikel 37 Fusie en gehele of gedeeltelijke bureausluiting
1. Bij fusie en gehele of gedeeltelijke bureausluiting zijn de informatie- en overlegprocedures,
zoals bij de wet en de SER-fusiegedragsregels 2000 zijn voorgeschreven,
van toepassing. Voorts zal de werkgever op overeenkomstige
wijze overleg plegen bij het treffen van maatregelen genoemd in lid 2.
2. Bij een vermindering van het aantal arbeidsplaatsen binnen het bureau en binnen
Nederland ten gevolge van:
– afstoting van belangrijke delen van de activiteiten of beëindiging van
onderdelen van het bureau;
– fusies, waarbij niet de SER-fusiegedragsregels 2000 van toepassing zijn,
is de werkgever gehouden om tijdig, in een stadium waarin de besluitvorming
nog kan worden beïnvloed, de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging
of – indien deze ontbreekt – het gezamenlijke personeel informatie
te verschaffen en hierover overleg te plegen. Daarnaast zal de werkgever
de verstrekte informatie eveneens bespreken met de vakbonden, waarvan de
werkgever bekend is dat zij leden onder zijn werknemers hebben.
3. De werkgever draagt er zorg voor dat, rekening houdende met de eventueel
in het beraad gemaakte afspraken, de werknemers in het bureau worden geïnformeerd
omtrent de bereikte conclusies.
4. Door de werkgever, dan wel door een der partijen beschikbaar gestelde informatie
zal onder geheimhouding worden behandeld. Publicatie naar buiten zal
slechts geschieden met instemming van de betrokken gesprekspartners.
5. De uiteindelijke verantwoordelijkheid en de daaruit voortvloeiende bevoegdheid
van de werkgever voor het nemen van beslissingen, blijven onaangetast.
6. Teneinde de nadelige gevolgen van de maatregelen, genoemd in lid 1 en 2,
voor de werknemers zoveel mogelijk op te vangen, zal de werkgever in overleg
met de vakbonden maatregelen en voorzieningen treffen welke worden
vervat in een Sociaal Plan.
7. Deze maatregelen en voorzieningen bestaan ten minste uit:
a. bij overplaatsing binnen het bureau, nevenvestigingen inbegrepen:
– geen nadelig netto-salarisverschil;
– geen proeftijd;
– behoud van anciënniteit voor opzegtermijn e.d.;
– tegemoetkoming in eventuele verhuiskosten;
– voortzetting van eventuele studiekostenregeling, ziektekostenverzekering
e.d.;
b. bij ontslag:
– aanvullingen op uitkeringen krachtens de Werkloosheidswet (WW) (duur
afhankelijk van leeftijd en/of diensttijd);
– bij eerder vertrek tijdens opzegtermijn een tegemoetkoming (vertrekpremie);
– verlof voor sollicitatie;
– vergoeding van reiskosten binnen Nederland, gemaakt in verband met
sollicitatiebezoeken, indien deze niet uit andere hoofde worden vergoed,
op basis van openbaar vervoer tweede klas;
– het wijzen van de werknemer op de verplichting zich zo spoedig mogelijk
als werkzoekende in te schrijven bij het UWV WERKbedrijf;
– regelingen van de door of via het bureau verstrekte geldleningen, hypotheken,
spaartegoeden, studiekostenvergoeding e.d.;
– voortzetting van de pensioenverzekering en de ziektekostenverzekering
gedurende een overeengekomen periode, mits de werknemer zijn eigen
premieaandeel blijft betalen;
– mogelijke extra voorzieningen voor 60-jarigen en ouderen.
8. Dit artikel is niet van toepassing in geval van personeelsinkrimping als gevolg
van werkvermindering.

Artikel 38 Personeelsinkrimping als gevolg van
werkvermindering
1. a. Partijen bij deze CAO hebben tot doel voor de branche instrumenten te ontwikkelen
die bij kunnen dragen aan herplaatsing van werknemers.
b. Indien als gevolg van werkvermindering ten minste vijf arbeidsplaatsen in
een kalenderjaar binnen het bureau vervallen, dient de werkgever dit, ten
behoeve van het in sub a gestelde, schriftelijk te melden aan de Advies -
commissie Personeelszaken Architectenbureaus (APA).
c. De werkgever dient de melding als genoemd onder sub b te voorzien van
een rapportage waarin ten minste opgave wordt gedaan van het aantal
 werknemers wier arbeidsplaats vervalt met een onderverdeling naar functiefamilie,
leeftijd, alsmede de lengte van het dienstverband.
2. Indien als gevolg van werkvermindering een teveel aan werknemers dreigt,
dient de werkgever de werknemers zo goed mogelijk voor te bereiden op een
mogelijk ontslag. Voor werknemers die wegens bedrijfseconomische redenen
daadwerkelijk ontslag wordt aangezegd op grond van een ontslagvergunning
van het UWV WERKbedrijf dan wel een uitspraak van de kantonrechter en voor
werknemers van wie het dienstverband wegens bedrijfseconomische redenen
wordt beëindigd met wederzijds goedvinden, betekent dit tenminste recht op
een tegemoetkoming van de werkgever in de kosten voor ondersteuning in de
vorm van loopbaanoriëntatie, begeleiding of training via een extern bureau
ter hoogte van € 500,–.

T O E L I C H T I N G
Met de tegemoetkoming van € 500,– wordt loopbaanoriëntatie, begeleiding of
training ingekocht bij voorkeur via een van de vakbonden die partij zijn bij deze
CAO. Werkgevers kunnen van de Stichting Fonds Architectenbureaus subsidie ontvangen
voor deze tegemoetkoming.

Artikel 39 Sociaal beleid
De werkgever zal het personeel minimaal eenmaal per jaar verslag uitbrengen van
de algemene gang van zaken in het bureau. Dit laat onverlet de verplichtingen
die al voortvloeien uit de Wet op de Ondernemingsraden.

X SLOTBEPALINGEN

Artikel 40 Fonds Architectenbureaus
Er is een Collectieve Arbeidsovereenkomst inzake Fonds Architectenbureaus. Van
die overeenkomst vormen de statuten en het reglement van de Stichting Fonds
Architectenbureaus (SFA) een integrerend onderdeel.1

T O E L I C H T I N G
Op grond van de algemeen verbindend verklaarde CAO inzake Fonds Architecten -
bureaus zijn werkgevers, welke uitsluitend of in hoofdzaak architectenwerkzaamheden
verrichten, jaarlijks een bijdrage verschuldigd.
De uitvoering van deze CAO is opgedragen aan de SFA en omvat onder meer de
financiering van een groot deel van de activiteiten van de APA.
Syntrus Achmea is belast met de heffing en de inning van de bijdragen.

Artikel 41 Gunstiger arbeidsvoorwaarden
Van deze CAO voor de werknemers in gunstige zin afwijkende salarissen en andere
arbeidsvoorwaarden blijven gehandhaafd, tenzij deze in strijd met de wet en/of
met deze CAO zijn vastgelegd.

Artikel 42 Adviescommissie Personeelszaken
Architectenbureaus
De taak, samenstelling en werkwijze van de Adviescommissie Personeelszaken
Architectenbureaus (APA) zijn geregeld in een reglement, dat als Bijlage II aan
deze CAO is gehecht en hiervan een integraal onderdeel vormt.

T O E L I C H T I N G
Alvorens men zich tot de APA wendt, verdient het aanbeveling eerst zorgvuldig kennis
te nemen van het reglement van de APA, dat hiervoor als bijlage is opgenomen.

Artikel 43 Algemene ontheffingsbepaling
Wanneer strikte toepassing van de bepalingen van deze CAO leidt tot onbillijkheden
van overwegende aard, is de APA bevoegd om overeenkomstig haar reglement
desgevraagd van een of meer bepalingen van deze CAO ontheffing te verlenen.

T O E L I C H T I N G
De wijze waarop een verzoek om ontheffing moet worden ingediend, is geregeld
in artikel 7 van het reglement van de APA.

Artikel 44 Duur, wijziging en opzegging van deze CAO
1. Deze CAO is aangegaan voor het tijdvak van 1 april 2009 t/m 31 maart 2010.
2. Indien geen der partijen uiterlijk drie maanden voor het tijdstip waarop deze
CAO eindigt, schriftelijk aan de andere partijen te kennen heeft gegeven, dat
zij deze CAO wenst te doen eindigen of in een of meer bepalingen wijzigingen
wenst, zodat deze CAO in gewijzigde vorm gecontinueerd kan worden, zal
deze CAO geacht worden telkens voor één jaar stilzwijgend te zijn verlengd.
3. Wanneer deze CAO is opgezegd, zullen gedurende de periode dat onderhandelingen
over een nieuwe CAO plaatsvinden de bepalingen van de afgelopen
CAO van kracht blijven tot ten hoogste twaalf maanden.
1. Genoemde CAO met statuten en reglement kan desgewenst worden gedownload van de website:
www.architectencao.nl.

 

P r o t o c o l l e n
Protocol Modernisering van de CAO
CAO-partijen zullen de looptijd van deze CAO-periode gebruiken om de inhoud,
tekst, toegankelijkheid en vormgeving van de CAO te moderniseren.

Aanleiding
Op basis van door CAO-partijen geformuleerde onderzoeksopdrachten, vastgelegd
in protocollen bij de CAO 2007-2009, zijn gedurende de looptijd van die CAO
onder verantwoordelijkheid van de SFA diverse onderzoeken uitgevoerd. De rapportages
met aanbevelingen die uit deze onderzoeken zijn voortgekomen, zijn
begin 2009 aan CAO-partijen opgeleverd.
Het betreft:
− employability;
− flexibiliteit;
− levensfasebewust personeelsbeleid;
− arbeidsmarktonderzoek, onderverdeeld in een benchmarkonderzoek en een
onderzoek naar de attractiviteit van de branche.
Aangevuld met de door de SFA inmiddels in gang gezette beroepenanalyse,
beschikt de branche met deze onderzoeksrapporten over analyses en aanbevelingen
ten aanzien van een aantal belangrijke onderwerpen. CAO-partijen wensen
de analyses en aanbevelingen verder op te pakken, waarbij de na publicatie
van de onderzoeken sterk veranderde economische omstandigheden niet uit het
oog moeten worden verloren. Via CAO-afspraken zouden de analyses en aanbevelingen
moeten worden vertaald in uitvoerbare plannen en afspraken. Gezien
de samenhang van deze onderwerpen wensen CAO-partijen dit te realiseren via
een integrale aanpak.
Naast de uitkomsten van deze onderzoeksrapporten, leeft bij CAO-partijen al langer
de wens de huidige CAO te moderniseren. De CAO voor personeel in dienst
van architectenbureaus bestaat in zijn huidige vorm sinds een aantal decennia en
is het resultaat van een cumulatie van jarenlange modificaties en aanvullingen.
Hierdoor bevat deze veel ingewikkelde en gedetailleerde regelingen die niet
altijd passen bij het dynamische en innovatieve karakter van de branche en,
belangrijker, niet altijd aansluiten bij de behoeften van de in de branche werkzame
ondernemingen en medewerkers.
Doelstellingen en uitgangspunten
Doelstelling is om uiterlijk 1 maart 2010 een concept van de gemoderniseerde
CAO voor de architectenbranche te hebben gerealiseerd en op 1 april 2010 een
gemoderniseerde CAO te hebben afgesloten. De modernisering heeft betrekking
op:
− de inhoud van de CAO: de gekozen thema’s en onderwerpen waarover afspraken
worden gemaakt en de samenhang daartussen;
− de teksten van de CAO: vereenvoudigd, gebruiksvriendelijk (leesbaar) en eenduidig.
Gedetailleerd waar noodzakelijk en op hoofdlijnen waar mogelijk;
− de vormgeving: eigentijds, passend bij de branche, visuele ondersteuning door
schema’s en tabellen;
− toegankelijkheid: een interactieve site op internet, waar naast de CAO-teksten
ook toelichtingen en praktijkvoorbeelden met uitwerkingen zijn te vinden,
wordt tenminste zo belangrijk als het ‘CAO-boekje’ dat daarnaast ook zal verschijnen;
− het proces voor de totstandkoming van dit concept van een gemoderniseerde
CAO; meer dan voorheen zal worden getracht werkgevers en werknemers bij
de totstandkoming van de CAO te betrekken. Naast de traditionele wijze van
raadpleging, zal via de eerder genoemde interactieve site de achterban worden
uitgenodigd middels peilingen, stellingen en forumdiscussies zijn mening
te geven.
Naast de hiervoor genoemde doelstellingen hebben partijen met elkaar een aantal
aanvullende uitgangspunten geformuleerd:
− het huidige niveau van het arbeidsvoorwaardenpakket, waaronder materiële
en immateriële zaken, wordt in het traject gewaarborgd. Daarbinnen is uitruil
mogelijk;
− de gemoderniseerde CAO sluit aan op ontwikkelingen in de branche en bevat
een heldere, gebruiksvriendelijke procedure om afspraken op ondernemingsniveau
te maken (keuzemogelijkheden, flexibiliteit). Dit kan alleen als er
geconstateerd is dat er sprake is van een volwassen arbeidsrelatie;
− de gemoderniseerde CAO geeft voldoende ondersteuning aan de (veelal kleine)
ondernemingen in de branche en biedt bescherming aan individuele
medewerkers, door uitgewerkte regelingen, voorbeeldregelingen, toelichtingen
en praktijkvoorbeelden;
− de gemoderniseerde CAO kan hiervoor (bijvoorbeeld) een onderscheid hanteren
tussen standaardbepalingen, tenminste bepalingen, normbepalingen
en keuzebepalingen, en geeft dat ook duidelijk aan in de tekst;
− de gemoderniseerde CAO stimuleert de ontwikkeling van medewerkers en
ondernemingen, bevordert professioneel personeelsbeleid en ondersteunt
volwassen arbeidsrelaties.
Thema’s
Het proces tot modernisering van de CAO zal plaatsvinden rondom een aantal
thema’s, waarin meerdere onderwerpen samenkomen. In ieder geval komen aan
de orde:
− beloning
− arbeidsduur en werktijden
− vakantie en verlof
− employabilty
− vergoedingen en voorzieningen

Protocol Implementatie resultaten Arbeidsmarktonderzoek
Architectenbranche
De BNA streeft naar een verdere professionalisering van de architectenbranche,
en van de daarin werkzaam zijnde ondernemingen en medewerkers. Het verbeteren
van de in de branche al jaren achterblijvende rendementen maakt onderdeel
uit van dit beleid en creëert verdere ruimte hiervoor.
Instroom en behoud van kwalitatief goed opgeleide medewerkers is van groot
belang voor de branche. De verwachting is dat op termijn (wederom) een tekort
ontstaat op de arbeidsmarkt door teruglopend aanbod en concurrentie met andere
sectoren.
CAO-partijen hebben de SFA opdracht gegeven onderzoek te laten doen naar de
attractiviteit van de branche en naar hoe de huidige primaire en secundaire
arbeidsvoorwaarden zich verhouden tot zogenaamde ‘aanpalende’ branches.
Daarbij zijn tevens kwalitatieve aspecten in beschouwing genomen, zoals arbeidsomstandigheden,
functieniveau, regelcapaciteit en perspectief.
Uit het onderzoek blijkt dat de architectenbranche een prettige omgeving is om
in te werken, waarbij de inhoud van het werk, de regelcapaciteit, de diversiteit
van projecten en de balans tussen werk en privé in het bijzonder worden gewaardeerd.
Beloning is niet het belangrijkste motief bij de keuze voor een branche (instroom),
maar vormt wel een belangrijk motief voor behoud of vertrek van medewerkers.
Andere belangrijke factoren bij instroom en behoud van medewerkers zijn loopbaan-
en studiemogelijkheden.
De aantrekkelijkheid van de branche omvat dus een veelheid van aspecten en
meer dan beloning alleen. Bij de professionalisering van de branche streeft de
BNA naar een integrale aanpak van arbeidsverhoudingen, arbeidsvoorwaarden
en personeelsbeleid.
Uit het onderzoek waarin primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden zijn vergeleken,
blijkt dat de architectenbranche voor wat betreft de primaire arbeidsvoorwaarden
in de afgelopen decennia een achterstand heeft opgelopen ten
opzichte van een aantal (concurrerende) ‘aanpalende’ branches, in het bijzonder
woningbouwverenigingen, ingenieursbureaus, projectontwikkelaars en overheid.
Ten aanzien van de secundaire arbeidsvoorwaarden is dit beeld er ook, maar
in minder sterke mate.
De in de afgelopen decennia opgelopen achterstand kan niet in één keer of op
korte termijn worden ingelopen, zeker niet gezien de slechte economische situatie.
Thans, in ieder geval in deze ‘tussen CAO’, die mede het gevolg is van de economische
crisis, is niet het moment om de eerste stap te zetten om de beloningsachterstand
te verkleinen. Wel streeft de BNA door inflatiecorrectie na om de achterstand
niet te vergroten.
Per CAO-periode, doorgaans een periode van 2 jaar, zal een herijking plaatsvinden
van de uitgangspositie van de branche. Daarbij moeten de recente ontwikkelingen
van de aanpalende branches worden betrokken. Wat in ieder geval
belangrijk is, is dat de architectenbranche de concurrentie op de arbeidsmarkt niet
verliest doordat beloning te ver achterblijft. Daarvoor dient het verschil met de
aanpalende branches tot een aanvaardbaar niveau te worden teruggebracht.
Idealiter wordt de huidige achterstand in het komend decennium geminimaliseerd,
c.q. tot het gewenste en aanvaardbare niveau teruggebracht. De uitkomsten
hiervan, gekoppeld aan de lange termijn doelstelling en de economische
omstandigheden en vooruitzichten in de branche van dat moment, vormen de uit-
gangspunten voor de beloningsvoorstellen.
De BNA streeft er verder naar om naast en/of in plaats van de traditionele beloningsvormen
ook flexibele beloningsvormen overeen te komen, zoals beloningsvormen
afgestemd op de prestaties van de medewerker c.q. de onderneming.
Voor het hiervoor geformuleerde en voor het moderniseringstraject, voor partijen
onlosmakelijk met elkaar verbonden, geldt dat het huidige arbeidsvoorwaardenpakket
(tenminste) moet worden gewaarborgd.

 

BIJLAGE I
Concrete maatregelen voor arbeidsomstandigheden
– Werkgever draagt zorg voor informatiemateriaal over beeldschermwerk en
werkdruk.
– Werkgever besteedt in het bureauoverleg aandacht aan beeldschermwerk en
werkdruk.
– Werkgever stelt werknemers die risico lopen op fysieke klachten ten gevolge
van beeldschermwerk in staat een workshop te volgen over het herkennen,
voorkomen en genezen van deze klachten.
– Werkgever zal structureel contact hebben met de werknemersvertegenwoordiging
over beeldschermwerk en werkdruk.
– Jaarlijks wordt in een gesprek tussen werkgever en werknemer aandacht
besteed aan de arbeidsomstandigheden, waaronder de werkplekinrichting.
Dit kan onderdeel zijn van het (jaarlijkse) functioneringsgesprek.
– Werkgever draagt ervoor zorg dat de werknemer het werken aan een beeldscherm
telkens na ten hoogste twee achtereenvolgende uren afwisselt door
andersoortige arbeid of door een rusttijd van tenminste tien minuten en
tevens dat de werknemer per dag maximaal 6 uur beeldschermwerk verricht.
– Werkgever heeft een verzuimregistratiesysteem en een protocol verzuimbegeleiding
(zie Wet Verbetering Poortwachter).
– Werkgever draagt zorg voor het beschikbaar stellen van actuele instrumenten
voor het beoordelen van de werkplek, werkomstandigheden, etc. Deze instrumenten
voldoen aan de stand der techniek. Werkgever kan hiervoor gebruik
maken van de arbocatalogus Architecten1.
– Werkgever draagt zorg voor een verzuimbegeleidingscontract met een arbodienst
of een kerndeskundige waarin een jaarlijks verzuimoverleg wordt
aangeboden. Werkgever kan hiervoor gebruik maken van Arbo Service
Architecten, het brancheloket voor de architectenbranche2.
– Werkgever zal bevorderen dat de werknemersvertegenwoordiging contact
heeft met de arbodienst of kerndeskundige die verantwoordelijk is voor de
verzuimbegeleiding.
– Bij uitval wegens arbeidsongeschiktheid van een werknemer zullen werkgever
en werknemer zoveel als mogelijk de reïntegratie binnen het eigen bureau, en
indien dit niet lukt daarbuiten, bevorderen.
– Werkgever draagt zorg voor de wettelijke eisen op het gebied van arbeidsomstandigheden,
zoals het periodiek uitvoeren van een Risico Inventarisatie
en Evaluatie, het aanstellen van een preventiemedewerker en bedrijfshulpverlener(
s).
– Werkgever kan voor alle maatregelen op het gebied van arbeidsomstandigheden
branchespecifieke informatie verkrijgen via de arbocatalogus
Architecten1 en de site van Ctrl Arbo3.

 

BIJLAGE II als bedoeld in artikel 42 van de CAO voor personeel in dienst
van Architectenbureaus
Reglement van de Adviescommissie Personeelszaken
Architectenbureaus

Artikel 1 Begripsbepalingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
1. CAO:
de CAO voor personeel in dienst van Architectenbureaus.
2. werkgever:
de werkgever als bedoeld in artikel 2 lid 1 sub a van de CAO.
3. werknemer:
de werknemer als bedoeld in artikel 2 lid 1 sub c van de CAO.
4. APA:
de Adviescommissie Personeelszaken Architectenbureaus.

Artikel 2 Taak
De taak van de APA is het, ten behoeve van alle werkgevers en werknemers in de
branche, entameren van activiteiten die gericht zijn op het in sociaal-economisch
opzicht optimaal functioneren van de architectenbureaus, het bevorderen van
een goede samenwerking tussen werkgevers en werknemers alsmede het bevorderen
van een goede uitvoering van de CAO door de volgende activiteiten:
a. het behandelen van verzoeken om ontheffing als bedoeld in artikel 43 van de
CAO (zie artikel 7 van dit reglement);
b. het behandelen van verzoeken om bemiddeling (zie artikel 8 van dit reglement);
c. het behandelen van verzoeken om interpretatie van bepalingen van de CAO
(zie artikel 9 van dit reglement);
d. het behandelen van beroepszaken in verband met de functie-indeling als
genoemd in artikel 6 van de CAO (zie artikel 10 van dit reglement);
e. het adviseren van belanghebbenden en (overheids)instanties inzake alle vragen,
rijzende bij de uitvoering van de CAO of uitvoering van individuele
arbeidsovereenkomsten waarop de CAO van toepassing is;
f. de vervaardiging, uitgifte en verzending van de noodzakelijke hoeveelheid
CAO-boekjes;
g. het coördineren, voorbereiden en ondersteunen van het geformaliseerde
overleg – met uitzondering van CAO-overleg – tussen sociale partners;
h. het ontwikkelen en implementeren van beleid op het gebied van arbeidsvoorwaarden,
arbeidsomstandigheden en arbeidsmarkt;
i. het desgevraagd adviseren van het UWV WERKbedrijf bij verzoeken om toestemming
tot het beëindigen van de arbeidsverhouding tussen een werkgever
en een of meer werknemers op wie de CAO van toepassing is (ontslagvergunning);
j. het desgevraagd adviseren van de Arbeidsinspectie bij verzoeken om toestemming
tot het verkorten van de werktijd per week onder evenredige vermindering
van het geldende loon (werktijdverkorting).

Artikel 3 Samenstelling
1. De APA bestaat uit 6 leden, te weten:
3 werkgeversleden en 3 werknemersleden.
2. De werkgeversleden worden benoemd door de Koninklijke Maatschappij tot
Bevordering der Bouwkunst Bond van Nederlandse Architecten BNA, gevestigd
te Amsterdam.
De werknemersleden worden benoemd door de werknemersorganisaties, te
weten:
één door CNV Dienstenbond, gevestigd te Hoofddorp;
één door FNV Bondgenoten, gevestigd te Utrecht en
één door De Unie, vakbond voor en door professionals, gevestigd te
Culemborg.
3. De in lid 2 genoemde organisaties benoemen elk één plaatsvervangend lid dat
bij afwezigheid van een zittend lid aan de vergaderingen deelneemt.
4. De APA kiest uit het midden van de werkgevers- en werknemersleden een
voorzitter, een secretaris/penningmeester, een plaatsvervangend voorzitter en
een plaatsvervangend secretaris.
In het jaar negentienhonderdéénennegentig worden de functies van voorzitter
en plaatsvervangend voorzitter vervuld door werknemersleden en die van
secretaris/penningmeester en plaatsvervangend secretaris door werkgeversleden.
Genoemde functies worden daarna, telkens voor een periode van één jaar
afwisselend vervuld door werkgevers- en werknemersleden respectievelijk
werknemers- en werkgeversleden.
5. De (plaatsvervangende) leden worden benoemd voor een periode van vier
jaar; zij zijn terstond herbenoembaar. De geldende zittingsperiode eindigt op
31 december 2012. In een tussentijdse vacature wordt binnen twee maanden
voorzien door de organisatie, die het vertrekkende (plaatsvervangende) lid
had benoemd.
6. De in lid 2 genoemde organisaties hebben te allen tijde het recht de door hen
benoemde (plaatsvervangende) leden te vervangen.
7. De APA wordt ontbonden na het verstrijken van de periode als bedoeld in artikel
44 lid 3 van de CAO.

Artikel 4 Besluitvorming
1. Beslissingen kunnen slechts worden genomen, indien ten minste vier leden van
de APA aanwezig zijn, waaronder ten minste een van de werknemersleden en
een van de werkgeversleden.
2. Elk lid brengt één stem uit, tenzij het aantal ter vergadering aanwezige werkgeversleden
verschilt van het aantal werknemersleden, in welk geval elk van
de leden van de ene groep evenveel stemmen uitbrengt als van de andere
groep leden aanwezig zijn.
3. De APA neemt haar beslissingen bij gewone meerderheid van stemmen.
4. Blanco stemmen worden geacht niet te zijn uitgebracht.
5. Bij staking van stemmen wordt het voorstel de volgende vergadering opnieuw
aan de orde gesteld. Staken de stemmen dan opnieuw, dan wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

6. De leden zijn vrij ruggespraak te houden met de organisatie, door welke zij zijn
benoemd.
7. De beslissing van de APA over een verzoek om ontheffing, bemiddeling of interpretatie
wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de indiener meegedeeld.
Artikel 5 Subcommissies
De APA benoemt al dan niet uit haar midden:
a. de leden van een subcommissie voor ontslagzaken en werktijdverkortingen;
b. de leden van eventuele andere subcommissies van bijstand.

Artikel 6 Adviseurs
De leden van de APA zijn vrij zich ter vergadering door adviseurs te laten bijstaan.

Artikel 7 Verzoeken om ontheffing
1. Wanneer strikte toepassing van de bepalingen van de CAO leidt tot onbillijkheden
van overwegende aard, is de APA bevoegd om overeenkomstig dit
reglement desgevraagd van een of meer bepalingen van de CAO ontheffing te
verlenen.
2. Een verzoek om ontheffing, als bedoeld in lid 1, dient schriftelijk en duidelijk
gemotiveerd bij de APA te worden ingediend.1
3. Een dergelijk verzoek van een werkgever dient mede te zijn ondertekend door
de betrokken werknemers en van elk van hen moet duidelijk zijn vermeld:
naam, voorletters, huisadres, woonplaats, geboortedatum, functiegroep
waarin deze is ingedeeld, alsmede het bruto-salaris over de maand waarin het
verzoek is gedateerd.
Indien een of meer van de betrokken werknemers het verzoek niet wenst mede
te ondertekenen, dient dit te worden vermeld onder zo uitvoerig mogelijke
opgave van redenen.
4. Een dergelijk verzoek van een werknemer dient mede te zijn ondertekend
door de werkgever.
Indien de werkgever het verzoek niet wenst mede te ondertekenen, dient dit
te worden vermeld onder zo uitvoerig mogelijke opgave van redenen.
5. De APA is bevoegd aan een te verlenen ontheffing voorwaarden te verbinden.
Voorts is zij bevoegd een ontheffing voor bepaalde tijd te verlenen.
Artikel 8 Verzoek om bemiddeling
1. Een verzoek om bemiddeling dient schriftelijk bij de APA te worden ingediend.1
2. Een dergelijk verzoek wordt alleen in behandeling genomen indien daarin
door de verzoekende partij(en) wordt aangetoond, dat reeds ernstig is
getracht om tot een oplossing van de kwestie te geraken.
3. Een verzoek om bemiddeling kan niet in behandeling worden genomen nadat
het dienstverband is verbroken, tenzij dit betrekking heeft op de beëindiging
van het dienstverband zelf.
4. Alleen als de bij de kwestie betrokken partijen een gezamenlijk ondertekend
verzoek om bemiddeling indienen, en beide partijen om een bindend advies
verzoeken, heeft de uitspraak van de APA de kracht van een bindend advies.

5. De APA is bevoegd om nadere inlichtingen in te winnen en zowel partijen als derden
te horen. Partijen zullen aan een daartoe strekkend verzoek gevolg geven.
Artikel 9 Verzoeken om interpretatie
1. Een verzoek om interpretatie van bepalingen van de CAO dient schriftelijk bij
de APA te worden ingediend1, voorzien van een duidelijke toelichting.
2. Alleen als bij de kwestie betrokken partijen een gezamenlijk ondertekend verzoek
om interpretatie indienen, heeft de interpretatie van de zijde van de APA
kracht van een bindend advies.
3. Als één partij een verzoek om interpretatie indient, dan is de interpretatie van
de zijde van de APA een zwaarwegend advies.

Artikel 10 Beroepsprocedure
1. Een door de werknemer in verband met zijn functie-indeling bij de APA ingesteld
beroep is alleen ontvankelijk indien:
a. tussen werkgever en werknemer overeenstemming bestaat over de functieinhoud,
een door werkgever en werknemer ondertekend Formulier
Functieprofiel beschikbaar is en mits aan de overige door de APA gestelde
voorwaarden wordt voldaan.
b. door de werknemer kan worden aangetoond, dat reeds ernstig is getracht
om tot een oplossing van de kwestie te geraken.
2. De werknemer dient zijn klacht schriftelijk gemotiveerd kenbaar te maken aan
de werkgever.
3. De werkgever bevestigt de ontvangst van de klacht, neemt deze in behandeling
en deelt vervolgens de werknemer binnen twee maanden schriftelijk
gemotiveerd zijn standpunt met betrekking tot de klacht mede.
4. Indien de werknemer zich met deze beslissing wederom niet kan verenigen,
bestaat de mogelijkheid van beroep tegen de functie-indeling bij de APA.
5. Het beroep dient binnen één maand aanhangig te worden gemaakt nadat de
werkgever zijn standpunt conform lid 3 aan de werknemer kenbaar heeft
gemaakt dan wel de werkgever niet binnen twee maanden heeft gereageerd
op de klacht van de werknemer.
6. Mocht de klacht leiden tot een hogere indeling, dan werkt deze terug tot de
datum waarop het schriftelijk bezwaar bij de werkgever is ingediend.
7. De beroepsprocedure zal in principe schriftelijk worden afgedaan.

Artikel 11 Geheimhouding
Vertrouwelijk ter beschikking gestelde gegevens zullen als zodanig door de APA
worden behandeld.

Artikel 12 Verslag van de werkzaamheden
De APA brengt jaarlijks aan de in artikel 3 lid 2 van dit reglement genoemde organisaties
verslag uit over haar werkzaamheden.

Artikel 13 Kosten
Alle kosten, waaronder begrepen de door leden van subcommissies gemaakte
kosten, komen voor rekening van de APA.

Artikel 14 Onvoorziene gevallen
De APA is bevoegd in onvoorziene gevallen af te wijken van het bepaalde in dit
reglement, mits daarbij niet in strijd wordt gehandeld met de CAO.

SAMENSTELLING APA PER 1 JULI 2007
Leden/Plaatsvervangende leden:
drs L. M. Zuidweg (secretaris) ir R.A. Albers
Leo Zuidweg Interim- en projectmanagement iDX Architecten
Scholeksterstraat 21 Postbus 133
4332 CD Middelburg 7460 AC Rijssen
tel. 0118 - 62 32 40 tel. 0548 - 53 08 10
mr H.A. de Graaff
KOW Architectuur Den Haag
Postbus 205
2501 CE Den Haag
070 - 346 66 00
benoemd door de BNA, Jollemanhof 14, 1019 GW Amsterdam, tel. 020 - 555 36 66
Leden: Plaatsvervangende leden:
N. Passchier M. Limmen
benoemd door CNV Dienstenbond, Postbus 3135, 2130 KC Hoofddorp,
tel. 023 - 565 10 52, telefax 023 - 565 01 50
W.J. Boot (voorzitter) vacature
benoemd door FNV Bondgenoten, Postbus 9208, 3506 GE Utrecht,
tel. 030 - 263 71 68
mr W.F. van Lidth de Jeude vacature
benoemd door De Unie, vakbond voor en door professionals, Postbus 400,
4100 AK Culemborg, tel. 0345 - 851 851
Adviseur BNA: Ambtelijk secretaris:
ing. J. Etten mevr. mr S.D. Molendijk-Verbeek
BNA Secretariaat APA
Postbus 19606 Postbus 19606
1000 GP Amsterdam 1000 GP Amsterdam
tel. 020 - 555 36 66 tel. 020 - 620 01 69
telefax 020 - 555 36 99 telefax 020 - 555 36 99 (BNA

 

 

VISIE
SALARISNIEUWS

Voor en door salarisadministrateurs & HR specialisten.

Salarisadministratie is een kennisintensief en dynamisch vakgebied.
Het up-to-date houden van kennis begint met delen van kennis…

CAO 
SALARISADMINISTRATIE

Zoek gratis in onze Cao's database. Heb je tips of vragen? Reageer of mail!


SALARIS
SOFTWARE

Deel je positieve ervaringen en frustraties.
Geef je mening en advies!

OPLEIDING EN MEER

SALARISADMINISTRATIE 

Jezelf blijven ontwikkelen binnen de salarisadministratie is een must. Opleidingen zoals Praktijkdiploma Loonadministratie (PDL) & Vakopleiding Payroll Services (VPS) . Congressen en vakbladen voor up-to-date informatie.

Salarisnieuws LinkedIn


Salarisnieuws Twitter