Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
1 januari 2008 – 1 april 2010
Uitgave van:
Vereniging Dakbedekkingsbranche Nederland (VEBIDAK),
FNV Bouw en CNV Hout en Bouw
INHOUD
Artikel
1. Begripsbepalingen 3
2. Algemene verplichtingen van partijen 4
3. Algemene verplichtingen van de werkgever 4
3A. Arbeidsongeschikte werknemers 6
3B. Reïntegratie 6
4. Algemene verplichtingen van de werknemer 6
5. Het aangaan en beëindigen van de dienstbetrekking 7
6. Functie-indeling 8
7 Loonregeling 9
7 A. Uitzendarbeid 9
8. Arbeidsduur en arbeidstijden 9
8 A. Roostervrije dagen 10
8 B. Scholing 12
8 C. Begeleidend vakman 13
8 D. Vierdaagse werkweek werknemers 55 jaar of ouder 13
8 E Omscholing 14
9. Levensloopregeling 15
10. Overwerk 15
11. Verschoven arbeid 16
12. Nachtarbeid 16
13. Arbeid op zaterdag, zondag en feestdagen 16
14. Arbeidsomstandigheden 17
15. Aansluiting bij een arbodienst 18
15 A. Preventiemedewerker 18
16. Verplichtingen in het kader van terugdringing ziekteverzuim 18
17. Reisurenvergoeding 19
18. Vergoedingen 19
19. Logies 20
20. Ziekte in kosthuis 20
21. Feestdagen, zaterdagen en zondagen 21
22. Vakantie 21
23. Vakantiebijslag 23
24. Korte verzuimen 23
24 A. Stervensbegeleiding en rouwverlof 26
25. Bijzonder verlof 26
26. Wachttijden 26
27. Onderbreking wegens vorst en sneeuwval 27
28. Ziekte 27
29. Sociale Fondsen 28
30. Bijverzekering WAO/WIA 28
31. Aanvulling WW en Aanvullingsfonds WW 28
32. Vervoer stoffelijk overschot 29
33. Vakopleiding 29
34. Aanspraak op derden 30
35. Uitkering bij overlijden 30
36. Aansprakelijkheid bij vervoer 30
37. Verzekeringen 31
38. Vrijwillige vervroegde uittreding 31
39. Pensioen 32
39 A. Pensioen UTA-personeel 32
39 B. Omwisseling roostervrije dagen t.b.v. pensioen 32
40. Arbeidsreglement 32
41. Vakbondsactiviteiten in de onderneming 32
41 A. Faciliteit vakbondscontributie 32
41 B. Werkoverleg en overig overleg 33
42. Kleine commissie/vertrouwensinstantie 34
43. Dispensatie 34
44. Duur, opzegging en verlenging 34
Bijlagen
I Functielijst 36
II Loonregeling 37
III Protocol 41
IV Model voor een arbeidsreglement 41
V Tekst van artikelen uit het Burgerlijk Wetboek 48
VI Bedrijfsvoorschriften en bijbehorend sanctiereglement 54
VII Beleidsregel tillen 59
VIII Mantelovereenkomst WAO-gatverzekering artikel 30 59
IX Mantelovereenkomst WGA-hiaatverzekering
COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST VOOR DE
BITUMINEUZE EN KUNSTSTOF DAKBEDEKKINGSBEDRIJVEN
De Vereniging Dakbedekkingsbranche Nederland (VEBIDAK) te Nieuwegein als
partij ter ene zijde
en
FNV Bouw te Woerden en
CNV Hout en Bouw te Odijk, gemeente Bunnik
als partij ter andere zijde
zijn overeengekomen de tussen hen afgesloten, per 31 december 2007
geëxpireerde, CAO te verlengen voor de duur van 27 maanden met inachtneming
van de navolgende wijzigingen.
ARTIKEL 1 – Begripsbepalingen
In deze Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO) wordt verstaan onder:
a. Bitumineus en/of kunststof dakbedekkingsbedrijf
Elke natuurlijke of rechtspersoon die in Nederland arbeid verricht, dan wel doet
verrichten in de zin van of verband houdende met het aanbrengen, onderhouden
(waaronder begrepen reinigen) of herstellen van dakbedekkingen van bitumen
en/of kunststof materialen, waaronder tevens begrepen het zogenaamde inwerken
of anderszins waterdicht aanbrengen van permanente veiligheidsvoorzieningen,
met uitzondering van:
1. de onderneming die in hoofdzaak andere activiteiten verrichten dan de
uitvoering van bitumineuze en/of kunststof dakbedekkingen en uit dien hoofde
onder de werkingssfeer van een andere ondernemings- dan wel bedrijfstak-
Collectieve Arbeidsovereenkomst vallen (met dien verstande dat het aandeel
van de loonsom voor de uitoefening van bitumineuze en/of kunststof
dakbedekkingen niet overweegt);
2. de onderneming of gedeelten van een onderneming waarin tevens bitumineuze
en/of kunststof dakbedekkingsmaterialen worden vervaardigd voor levering aan
derden.
b. Werkgever
Iedere werkgever in het bitumineuze en kunststof dakbedekkingsbedrijf in de zin
van artikel 1, sub a.
c. 1. Werknemer
Iedere werknemer in loondienst van een werkgever, voor zover zijn functie is
opgenomen in bijlage I van deze Collectieve Arbeidsovereenkomst.
2. Onder UTA-personeel wordt verstaan iedere werknemer in loondienst van een
werkgever, wiens functie niet is opgenomen in bijlage I van deze CAO.
d. Garantieweekloon
Het loon, waarop de werknemer recht kan doen gelden volgens bijlage II.
e. Garantie-uurloon
Het voor de werknemer vastgestelde garantieweekloon, gedeeld door het volgens
artikel 8 van de CAO genoemde aantal normale werkuren per week.
f. Individueel overeengekomen uurloon
Het voor de werknemer volgens bijlage II, artikel 3 overeengekomen loon.
g. Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
(SF BIKUDAK) Het fonds dat in de branche voor de bitumineuze en kunststof
dakbedekkingsbedrijven belast is met de bevordering van scholing, opleiding en
ontwikkeling, werkgelegenheid, arbeidsomstandigheden, het doen uitvoeren van
een regeling voor stervensbegeleiding en rouwverlof, het verstrekken van
informatie, alsmede het verstrekken van aanvullingen op uitkeringen krachtens de
sociale verzekeringswetten.
h. SBD
De Stichting Bedrijfstakregelingen Dakbedekkingsbranche te Nieuwegein. Deze
Stichting is onder meer belast met de uitvoering van het
arbeidsomstandighedenbeleid en het arbeidsmarktbeleid van partijen bij deze
CAO.
i. Cordares
De relevante werkmaatschappij(en) van de Cordares Groep te Amsterdam.
j. TECTUM
Het opleidingsinstituut binnen de bitumineuze en kunststof
dakbedekkingsbranche te Nieuwegein. Werkgever in de zin van deze
ARTIKEL 2 - Algemene verplichtingen van partijen
1. Partijen verplichten zich over en weer deze Collectieve Arbeidsovereenkomst te
goeder trouw te zullen naleven en de toepassing daarvan met alle hun ter
beschikking staande middelen te zullen bevorderen.
2. Partijen verplichten zich over en weer ten aanzien van de werknemers voor wie
deze Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO) is aangegaan, generlei actie te
zullen voeren of te bevorderen, welke in strijd is met de in deze CAO neergelegde
verplichtingen van werkgevers, werknemers, de werkgeversorganisatie en
werknemersorganisaties, dan wel ten doel heeft in afwijking van het bepaalde in
artikel 45 wijziging in deze CAO te brengen.
ARTIKEL 3 - Algemene verplichtingen van de werkgever
1. Introductie
De werkgever zal zorgdragen voor een goede introductie van de werknemer en
hem bij de aanvang van het dienstverband laten kennismaken met collega's met
wie zal worden samengewerkt.
2. Fusie en bedrijfssluiting
a. De werkgever die overweegt:
- een fusie aan te gaan, of
- een bedrijf dan wel een bedrijfsonderdeel te sluiten, zal bij het nemen van
zijn beslissing de sociale consequenties daarvan betrekken.
b. In verband daarmede zal de werkgever zo spoedig mogelijk, maar in elk geval
voordat definitieve besluiten genomen worden, met de werknemersorganisaties,
de erkende contactpersonen en de ondernemingsraad in gezamenlijk overleg
treden over de voorgenomen besluiten.
c. Aansluitend hieraan zal de werkgever de overwogen maatregelen en de daaruit
eventueel voor de werknemers of een aantal werknemers voortvloeiende
gevolgen, bespreken met de werknemersorganisaties, de erkende
contactpersonen en de ondernemingsraad.
d. Inzake de gevolgen welke voor de werknemers of een aantal werknemers in
verband met de fusie of de bedrijfssluiting zijn te verwachten, zal de werkgever
in overleg met de werknemersorganisaties, de erkende contactpersonen en de
ondernemingsraad, een sociaal plan opstellen waarin wordt aangegeven met
welke belangen van de werknemers in het bijzonder rekening dient te worden
gehouden en welke voorzieningen in verband daarmede kunnen worden
getroffen.
3. Het is de werkgever niet toegestaan, met inachtneming van objectief aan de
functie verbonden eisen, gelijkwaardige werknemers gelijke kansen op arbeid en
gelijke kansen in de arbeidsorganisatie te onthouden op grond van factoren als
leeftijd, sekse, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, levens- of
geloofsovertuiging, huidskleur, ras of etnische afkomst, nationaliteit en politieke
keuze.
4. De werkgever zal aan de werknemer die op 31 december van enig jaar in zijn
dienst is, of in dat jaar in zijn dienst is geweest, een jaaropgave verstrekken inzake
brutoloon, belasting- en premie-inhoudingen.
Hij zal dit doen uiterlijk vóór 1 maart van het nieuwe jaar.
5. De werkgever is gehouden met de werknemer een individuele
arbeidsovereenkomst te tekenen, waarin deze CAO en het eventueel geldende
arbeidsreglement van toepassing worden verklaard.
6. Loonstrook
Bij elke loonbetaling zal aan de werknemer een schriftelijke specificatie worden
verstrekt van:
a. brutoloon, verdeeld in individueel overeengekomen loon, overuren, reisuren
en/of reiskostenvergoeding en andere vergoedingen en/of toeslagen;
b. de inhoudingen van loonheffing en het aandeel van de werknemer ingevolge de
sociale verzekeringswetgeving of deze CAO.
ARTIKEL 3A - Arbeidsgehandicapte werknemers
1. De werkgever zal er naar streven arbeidsgehandicapte werknemers op passende
wijze te werk te stellen.
ARTIKEL 3B – Reïntegratie
De werknemer is gerechtigd om, indien hij binnen drie maanden na zijn ziekmelding
geen gebruik kan maken van daadwerkelijke en noodzakelijke reïntegratieactiviteiten,
zelfstandig een reïntegratiebedrijf van zijn keuze in te schakelen. De
kosten daarvan komen voor rekening van de werkgever.
ARTIKEL 4 - Algemene verplichtingen van de werknemer
1. De werknemer is gehouden de belangen van het bedrijf van de werkgever als een
goed werknemer te behartigen, ook indien geen uitdrukkelijke opdracht daartoe
gegeven is.
2. De werknemer is gehouden alle hem door of namens de werkgever opgedragen
werkzaamheden, voor zover deze redelijkerwijze van hem kunnen worden
verlangd, zo goed mogelijk uit te voeren en daarbij alle verstrekte aanwijzingen en
voorschriften in acht te nemen.
3. De werknemer is mede verantwoordelijk voor de orde, de veiligheid en
zedelijkheid in het bedrijf van de werkgever. Hij is gehouden tot stipte naleving van
de desbetreffende aanwijzingen en voorschriften welke de werkgever zal
vaststellen in redelijk overleg met en met instemming van een representatief deel
van de werknemers in zijn onderneming.
4. De werknemer zal zich onthouden van seksuele intimidatie, agressie en geweld
zoals bedoeld in artikel 4 lid 2 van de Arbeidsomstandighedenwet.
5. De werknemer is gehouden zich te gedragen naar het eventueel geldende
arbeidsreglement als bedoeld in artikel 40.
6. De werknemer die zich schuldig maakt aan dronkenschap en/of drugsmisbruik
kan met onmiddellijke ingang worden ontslagen. Voor zover voorafgaande
dronkenschap en/of drugsmisbruik leidt tot verminderde inzetbaarheid tijdens de
werkzaamheden kan de werkgever aan de werknemer de toegang tot het werk
ontzeggen zonder behoud van salaris voor een termijn van ten hoogste twee
dagen. Bij herhaling kan de werknemer met onmiddellijke ingang worden
ontslagen.
7. Het is de werknemer zonder schriftelijke toestemming van de werkgever niet
geoorloofd werkzaamheden voor derden, liggende in de sfeer waarin het bedrijf
van de werkgever wordt uitgeoefend, te verrichten.
8. De werknemer is gehouden tot geheimhouding ten aanzien van alles wat hem ten
gevolge van de dienstbetrekking bekend wordt, zoals bijvoorbeeld omtrent de
inrichting van het bedrijf, grondstoffen, bewerking daarvan en de producten.
Deze verplichting geldt ook tot één jaar na beëindiging van de dienstbetrekking.
9. De werknemer is gehouden een individuele arbeidsovereenkomst te tekenen
waarbij deze CAO en het eventueel geldende arbeidsreglement van toepassing
worden verklaard.
ARTIKEL 5 - Het aangaan en beëindigen van de dienstbetrekking
1. Wanneer een proeftijd tussen werkgever en werknemer wordt overeengekomen
dient deze schriftelijk te worden vastgelegd.
Een dergelijke proeftijd mag ten hoogste acht weken bedragen.
2. Onverminderd het hiervoor bepaalde, wordt de dienstbetrekking aangegaan:
a. hetzij voor onbepaalde tijd;
b. hetzij voor een bepaalde tijdsduur;
c. hetzij voor het verrichten van een bepaald karwei;
d. hetzij voor het verrichten van werkzaamheden van tijdelijke aard.
3. In de individuele arbeidsovereenkomst wordt vermeld welke dienstbetrekking van
toepassing is. Indien deze vermelding ontbreekt, wordt de dienstbetrekking
geacht voor onbepaalde tijd te zijn aangegaan.
4A. Indien de werknemer, in de gevallen zoals bedoeld in lid 2 sub b, c of d langer
dan 12 maanden in dienst is geweest, wordt hij geacht voor onbepaalde tijd in
dienst te zijn. Voor de berekening van de duur van het dienstverband is het
bepaalde in artikel 7: 668a BW van toepassing.
B. In afwijking van het bepaalde in lid 4A geldt het bepaalde in artikel 7:668a BW
onverkort ten aanzien van werknemers die:
- hetzij nooit eerder in een bitumineus en kunststof dakbedekkingsbedrijf
werkzaam zijn geweest
- hetzij het bitumineus en kunststof dakbedekkingsbedrijf vrijwillig hebben
verlaten en langer dan twee maanden in een andere bedrijfstak werkzaam zijn
geweest.
Het bepaalde in dit artikellid is niet van toepassing op werknemers die na een
dienstverband binnen het bitumineus en kunststof dakbedekkingsbedrijf – na een
periode van (onvrijwillige) werkloosheid – maximaal zes maanden werkzaam zijn
geweest in een andere bedrijfstak en op werknemers die na (volledige)
arbeidsongeschiktheid hun werkzaamheden hervatten.
C. Voor werknemers, in dienst van het opleidingsinstituut TECTUM, zal de
arbeidsovereenkomst die van rechtswege zou eindigen, maar door partijen
stilzwijgend wordt voortgezet, voor dezelfde tijd, maar ten hoogste voor een jaar,
onder dezelfde voorwaarden worden voortgezet. Dit overeenkomstig het
bepaalde in artikel 7: 668, lid 1, BW.
5. Behoudens ingeval van ontslag op staande voet en behoudens tijdens of bij het
beëindigen van de proeftijd, in welke gevallen de dienstbetrekking wederzijds
zonder opzegging kan worden beëindigd, neemt de dienstbetrekking een einde:
a. voor de werknemers voor onbepaalde tijd in dienst:
1. door opzegging door de werkgever met een termijn van ten minste
zoveel weken als de dienstbetrekking van de werknemer gehele jaren
geduurd heeft, welke termijn ten hoogste dertien weken zal bedragen;
2. door opzegging door de werknemer met een termijn van zoveel weken
als de dienstbetrekking van de werknemer tijdvakken van twee gehele
jaren heeft geduurd, welke termijn ten hoogste zes weken zal
bedragen;
met dien verstande dat de termijn van opzegging voor beide partijen ten
minste een week zal bedragen en de opzegging alleen tegen het einde van
een kalenderweek kan geschieden;
b. voor werknemers voor een bepaalde tijdsduur in dienst:
op de laatste dag van het tijdvak, genoemd in de individuele
arbeidsovereenkomst dan wel op het tijdstip, bepaald op grond van artikel 7:
667 BW, eerste lid;
c. voor werknemers in dienst voor het verrichten van een bepaald karwei: bij
het beëindigen van het karwei waarvoor de werknemer is aangenomen;
6. Indien een voor bepaalde tijd aangegane dienstbetrekking stilzwijgend is
voortgezet, zal de werkgever aan de werknemer één week voor het tijdstip
waarop de aldus voortgezette dienstbetrekking van rechtswege eindigt hiervan
schriftelijk mededeling doen.
7. De beroepspraktijkvormingsovereenkomst mag door de werkgever niet
tussentijds worden beëindigd, tenzij de werknemer de opleiding voortijdig heeft
beëindigd dan wel aanleiding heeft gegeven voor een ontslag op staande voet.
8. Indien de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd op grond van
bedrijfseconomische redenen dan wel vermindering van werk, zal de werkgever
de werknemer een aanbod doen tot hervatting ervan onder ten minste dezelfde
voorwaarden (doch met inbegrip van eventuele in de tussentijd uit de CAO
voortvloeiende wijzigingen) in het geval zich wederom een vacature voor de door
de werknemer uitgeoefende functie dan wel een daarmee vergelijkbare functie
voordoet. De toezegging daartoe dient de werknemer voorafgaand aan de
uitdiensttreding schriftelijk te worden gedaan.
ARTIKEL 6 - Functie-indeling
Iedere werknemer moet worden ingedeeld in de functiegroep, waartoe de door hem
vervulde functie - blijkens de als bijlage I van deze CAO opgenomen functielijst -
behoort.
ARTIKEL 7 - Loonregeling
1. De werkgever zal aan de werknemers van 22 jaar en ouder per volle werkweek
minimaal het garantieweekloon betalen dat voor de functiegroep, waarin de
werknemers zijn ingedeeld, geldt.
De voor de werknemers geldende loonregeling is opgenomen in bijlage II, welke
deel uitmaakt van deze CAO.
2. Voor jeugdige werknemers van 16 tot 22 jaar geldt de loonregeling als genoemd in
bijlage II.
3. a. In afwijking van het in lid 1 en 2 gestelde geldt voor nieuwe instromers de
loonregeling zoals genoemd in bijlage II (inloopschaal).
b. Nieuwe instromers kunnen gedurende maximaal 1 jaar worden beloond
conform deze inloopschaal.
ARTIKEL 7A - Uitzendarbeid
Indien door een uitzendbureau een Nederlandse of buitenlandse uitzendkracht ter
beschikking gesteld wordt aan een onderneming, die ressorteert onder de
werkingssfeer van deze CAO, geldt dat de bepalingen uit deze CAO van
overeenkomstige toepassing zijn op de uitzendkracht, indien deze een functie
uitoefent zoals opgenomen in bijlage 1. Deze bepaling is tevens van toepassing op
andere gedetacheerde werknemers.
ARTIKEL 8 - Arbeidsduur en arbeidstijden
1. De normale arbeidsduur bedraagt 40 uur per week. De werkweek loopt van
maandag tot en met vrijdag.
2. De normale arbeidstijden liggen van maandag tot en met vrijdag tussen 07.00 en
18.30 uur. De dagelijkse arbeids- en rusttijden worden door de werkgever, na
redelijk overleg met en met instemming van een representatief deel van de
werknemers in zijn onderneming respectievelijk op het werkobject, vastgesteld.
3. Indien een werknemer buiten de normale arbeidstijden wordt opgeroepen zal (met
inachtneming van het bepaalde in artikel 10 van deze CAO) ten minste 2 uur loon
worden uitbetaald.
4. De werkgever die een regeling inzake de arbeidsduur en arbeidstijden wenst te
treffen dient daartoe een aanvraag in te dienen bij de Kleine Commissie bedoeld
in artikel 42 van deze CAO, met vermelding van de gewenste arbeidsduur en
aanvang en beëindiging der arbeidstijden. Hij dient daarbij aan te tonen dat de
aanvraag tot stand is gekomen in overleg met en met instemming van een
representatief deel van de werknemers in zijn onderneming, respectievelijk op het
object, waarop de aanvraag betrekking heeft.
5. Indien en voor zover in deze CAO niets is bepaald inzake een onderdeel van de
arbeidstijden zijn de normen van de standaardregeling uit de nieuwe
Arbeidstijdenwet (ATW) van toepassing.
6. Werken in deeltijd zal worden toegestaan, tenzij de werkgever gemotiveerd
aangeeft dat bedrijfsorganisatorische redenen zich hiertegen verzetten.
ARTIKEL 8A - Roostervrije dagen
1. Roostervrije dagen zijn werkdagen waarop niet gewerkt wordt.
2. a.1. In de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 heeft de
werknemer recht op 22 roostervrije dagen. Van deze 22 roostervrije dagen
zijn er voor genoemde periode vier collectief vastgesteld, en wel op de
navolgende data: 22, 23, 24 en 29 december 2008.
2. In de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 heeft de
werknemer recht op 22 roostervrije dagen.
Van deze 22 roostervrije dagen zijn er vier collectief vastgesteld, en wel op
de navolgende data: 21, 22, 23 en 24 december 2009
b. De resterende 18 roostervrije dagen uit de periode van 1 januari 2008 tot en
met 31 december 2008 worden als volgt vastgesteld:
- 1 dag op Goede Vrijdag;
- 1 dag aansluitend aan Hemelvaartsdag;
- 8 roostervrije dagen worden zodanig opgenomen, dat in ieder
kalenderkwartaal 2 dagen worden ingeroosterd;
- 8 roostervrije dagen kunnen worden aangewend om in de periode van
1 januari 2008 tot 1 maart 2008 en van 1 december 2008 tot 22 december
2008 de dagelijkse arbeidsduur te verkorten met 1,5 uur per dag. Op deze
wijze kan de arbeidsduur van maximaal 43 dagen worden ingekort.
c. De resterende 18 roostervrije dagen uit de periode van 1 januari 2009 tot en
met 31 december 2009 worden als volgt vastgesteld:
- 1 dag op Goede Vrijdag;
- 1 dag aansluitend op Hemelvaartsdag;
- 8 roostervrije dagen worden zodanig opgenomen, dat in ieder
kalenderkwartaal 2 dagen worden ingeroosterd;
- 8 roostervrije dagen kunnen worden aangewend om in de periode van 1
januari 2009 tot 1 maart 2009 en van 1 december 2009 tot 21 december
2009 de dagelijkse arbeidsduur te verkorten met 1,5 uur. Op deze wijze kan
de arbeidsduur van maximaal 43 dagen worden ingekort.
d. Over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 maart 2010 heeft de
werknemer recht op 5,5 (5½) roostervrije dagen. Van deze 5,5 roostervrije
dagen kunnen 5 dagen worden aangewend om in de periode 1 januari 2010 tot
1 maart 2010 de dagelijkse arbeidsduur te verkorten met 1,5 uur. De
werknemer heeft het recht de overgebleven halve dag in de periode 1 januari
2010 tot 1 april 2010 vrij op te nemen.
e. Indien de werkgever alle op grond van artikel 8B beschikbare scholingsdagen
voor alle werknemers heeft ingevuld, zal de werknemer voor omscholing tijdens
werktijd als bedoeld in artikel 8E maximaal vier roostervrije dagen inzetten.
f. Het recht op de collectief vastgestelde roostervrije dagen vervalt indien de
werknemer op deze dagen arbeidsongeschikt is.
3. De werknemer bouwt de in lid 2b, c en d genoemde 8, resp.½, in overleg vast te
stellen dag(en) op, naar rato van het dienstverband. Bij beëindiging van het
dienstverband heeft de werknemer recht op het opnemen van de nog
openstaande dagen. Indien de werknemer op de ontslagdatum meer dan twee
roostervrije dagen teveel heeft opgenomen kunnen deze dagen worden verrekend
met het nog verschuldigde loon.
4. De werkgever zal aan de werknemer over een roostervrije dag het individueel
overeengekomen loon betalen dat deze zou ontvangen indien op de genoemde
dag wel arbeid zou zijn verricht, exclusief de vergoeding van reisuren gelegen
buiten de normale arbeidsduur en kostenvergoedingen.
5. De Kleine Commissie genoemd in artikel 42 van deze CAO is bevoegd in
bijzondere gevallen toestemming te verlenen tot het werken op een collectief
vastgestelde roostervrije dag genoemd in lid 2 onder a van dit artikel, onder
voorwaarde dat deze dag binnen vier weken na de desbetreffende dag voor
betrokken werknemer(s) vervangend wordt vastgesteld en opgenomen.
Verzoeken dienen uiterlijk vijf werkdagen voor de in lid 1 genoemde data in bezit
te zijn van de Kleine Commissie.
6. Bereiken werkgever en werknemer geen overeenstemming over het vaststellen
van roostervrije dagen, dan kunnen zij zich gezamenlijk wenden tot een door
partijen met het oog daarop ingestelde commissie. Het door bedoelde commissie,
die bestaat uit twee leden namens partij ter ene zijde en twee leden namens partij
ter andere zijde alsmede een onafhankelijk voorzitter, gegeven oordeel is bindend.
De commissie is bereikbaar via het partijensecretariaat te Nieuwegein.
ARTIKEL 8B – Scholing
1. De werkgever is verplicht voor de werknemers in zijn onderneming een inzichtelijk
opleidings- en scholingsbeleid te ontwikkelen. De werknemer kan recht doen
gelden op gemiddeld 2 scholingsdagen per 12 maanden met behoud van loon,
teneinde aldus in de gelegenheid te zijn tot het volgen van opleidingen die
verband houden met zijn beroep, georganiseerd door een daartoe door of namens
partijen aangewezen instelling.
Indien het opleidings- en scholingsbeleid van de werkgever niet voorziet in het
recht op scholingsdagen voor de werknemer is deze gerechtigd zelfstandig een
cursus te volgen. De cursuskosten komen voor rekening van de werkgever, indien
met de werkgever overleg gevoerd is over de aard van de cursus.
De werkgever die geen scholingsbeleid en geen scholingsplan heeft opgesteld en
zijn werknemers derhalve niet in staat stelt scholing te volgen, is verplicht
genoemde 2 scholingsdagen uit te betalen. Werkgevers en werknemers zullen
jaarlijks via Cordares een overzicht ontvangen van de genoten scholingsdagen.
Uit dit overzicht zal blijken hoeveel dagen gemiddeld in de achterliggende periode
van drie jaar zijn aangewend in het kader van scholing voor elke individuele
werknemer. Indien het voortschrijdend gemiddelde over een periode van drie jaar
en na drie jaar – voor het eerst op 1 januari 2009 – onder de twee dagen is, dient
het restant aan de werknemer uitbetaald te worden. Onder bepaalde voorwaarden
kunnen leverancierscursussen aangemerkt worden als scholingsdagen. De exacte
voorwaarden staan vermeld in het Scholingsreglement van de CAO
bedrijfstakeigen Regelingen.
2. De nadere voorwaarden waarop recht op scholing en vergoeding van kosten,
verbonden aan het volgen van de in lid 1 bedoelde opleidingen bestaat, zijn
opgenomen in het reglement Scholing van de Stichting SF BIKUDAK, zoals
genoemd in artikel 29 van deze CAO.
3. De werknemer die op of na 1 juli 2008 doch vóór 1 januari 2009 of op of na 1 juli
2009 doch vóór 1 januari 2010 de Ondernemers- en Kaderopleiding
Dakbedekkingsbranche (OKD) gaat volgen en tijdens de cursus of binnen drie jaar
na het behalen van het diploma ontslag neemt, zal, mits het nog steeds dezelfde
werkgever betreft bij wie hij ook in dienst was toen hij aan deze opleiding begon,
een evenredig deel van de cursuskosten – naar rato van het verstreken deel van
deze drie jaar – in rekening gebracht krijgen. Dit evenredig deel bedraagt: bij
ontslagname tijdens de cursus:
- de volledige cursuskosten, voor zover deze niet door het opleidingsinstituut
aan de werkgever worden gerestitueerd;
- in het eerste jaar na afronding van de opleiding: eveneens de volledige
cursuskosten;
- in het tweede jaar na afronding van de opleiding: 2/3 van de
cursuskosten;
- in het derde jaar na afronding van de opleiding: 1/3 van de cursuskosten.
4. Iedere werkgever is verplicht de bij hem in dienst zijnde werknemers de cursus
‘Gezond en veilig werken op het dak ‘(C1), inclusief een driejaarlijkse herhaling, te
laten volgen. Uitgezonderd zijn werknemers die de basisberoepsopleiding
(primaire vakopleiding) in het kader van de beroepsbegeleidende leerweg (BBL)
hebben gevolgd dan wel volgen.
5. De leerling-werknemer van 16 of 17 jaar vervult zijn partiële leerplicht in het kader
van de beroepsbegeleidende leerweg (BBL).
ARTIKEL 8 C – Begeleidend vakman
De werknemer die optreedt als begeleidend vakman van de minderjarige dient met
behoud van loon voor een gedeelte van zijn normale werktijd te worden vrijgesteld
van productieve arbeid, zulks om de bij bedoelde begeleiding behorende taken naar
behoren te kunnen uitoefenen.
ARTIKEL 8D - Vierdaagse werkweek voor werknemers van 55 jaar of ouder
1. De werknemer van 55 jaar of ouder die 10 jaar in dienst is bij zijn huidige
werkgever heeft het recht om de werkweek aan te passen tot 4 dagen (32 uur) per
week. De leden 3, 4, 6, 7, 8 en 9 van dit artikel zijn van toepassing. De pensioenen
VUT-rechten dienen door werkgever en werknemer over het volledige
voltijdssalaris te worden betaald en worden derhalve ook over het voltijdssalaris
opgebouwd.
2. De werknemer van 55 jaar of ouder die nog geen 10 jaar in dienst is bij zijn huidige
werkgever, kan de werkgever verzoeken zijn werkweek aan te passen tot 4 dagen
(32 uur) per week. Indien de werkgever daarin bewilligt, is het bepaalde in de
leden 3 tot en met 8 van overeenkomstige toepassing.
De pensioen- en VUT-rechten dienen door werkgever en werknemer over het
volledige voltijdssalaris te worden betaald en worden derhalve ook over het
voltijdssalaris opgebouwd.
3. Om per kalenderjaar te komen tot een 4-daagse werkweek gebruikt de werknemer
van 55 jaar of ouder de feestdagen, zijn verlofdagen, zijn roostervrije dagen en zijn
seniorendagen, met dien verstande dat 15 verlofdagen worden aangewend voor
de zomervakantie conform artikel 22 lid 2. De werknemer als bedoeld in lid 2 is
daarnaast gehouden zijn verplichte snipperdagen en collectieve roostervrije dagen
aan te wenden ten behoeve van een tweeweekse wintersluiting conform artikel 22
lid 3. De werknemer als bedoeld in lid 2 dient het resterende aantal benodigde
dagen te kopen conform het bepaalde in lid 5.
4. In onderling overleg tussen de werknemer en de werkgever worden de
verschillende soorten vrije dagen gelijkelijk over het jaar gespreid en (minimaal 1
maand voorafgaande aan de invoeringsdatum dan wel aan het volgende
kalenderjaar) schriftelijk vastgelegd. In weken waarin een feest- of collectieve roostervrije dag valt, geldt deze feest- of
collectieve roostervrije dag als de vrije dag van die week. De genoemde spreiding
vindt zodanig plaats dat de eventueel resterende vrije dagen verlofdagen zijn als
bedoeld in artikel 22.
5. De werknemer als bedoeld in lid 2 dient om tot een 4-daagse werkweek te komen
het resterende aantal dagen te kopen.
Het aantal te 'kopen' dagen voor een werknemer van 55 jaar of ouder bedraagt 16
per kalenderjaar.
Het aantal te 'kopen' dagen voor een werknemer van 60 jaar of ouder bedraagt 13
per kalenderjaar.
De waarde van het aantal te 'kopen' dagen wordt ingehouden met behulp van een
aankooppercentage. Voor de loopduur van deze CAO is dit percentage
vastgesteld op 6,62% voor werknemers van 55 t/m 59 jaar en 5,38% voor
werknemers van 60 t/m 64 jaar.
Het totale aankoopbedrag per kalenderjaar is gelijk aan het aankooppercentage
vermenigvuldigt met het aantal werkdagen per kalenderjaar minus de verlof- en
feestdagen, vermenigvuldigt met het individueel overeengekomen loon (per dag).
Het aankoopbedrag per loonbetalingsperiode (aankooppercentage
vermenigvuldigd met het individueel overeengekomen loon) wordt in mindering
gebracht op het brutoloon SV.
6. Bij arbeidsongeschiktheid op een verlofdag, seniorendag of gekochte vrije dag
behoudt de werknemer het recht om deze dag op een ander moment op te
nemen. Het recht op een vervangende roostervrije dag vervalt bij
arbeidsongeschiktheid.
7. De werknemer kan zijn werkgever verzoeken eenmalig de extra vrije dagen weer
in te ruilen voor loon en over te gaan tot een volledige werkweek van 5 dagen.
Artikel 8 lid 5 is van toepassing.
8. Bij beëindiging van het dienstverband wordt, met inachtneming van het reeds
ingehouden aankoopbedrag, berekend op hoeveel extra vrije dagen de betrokken
werknemer nog recht heeft.
Indien blijkt dat de werknemer op het tijdstip van beëindiging van het
dienstverband recht heeft op een groter aantal extra vrije dagen dan feitelijk is
opgenomen, zullen deze dagen worden uitbetaald.
Indien blijkt dat de werknemer op het tijdstip van beëindiging van het
dienstverband een groter aantal extra vrije dagen heeft opgenomen dan waarop
hij recht heeft, zullen deze dagen worden verrekend.
9. Voor werknemers zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel behoeven de roostervrije
dagen en verplichte snipperdagen, die gemoeid zijn bij de collectieve wintersluiting
(max. 8 dagen), niet te worden ingeleverd. De werkgever kan deze dagen
declareren bij het Sociaal Fonds BIKUDAK.
10.Werknemers die buiten hun schuld geen gebruik kunnen maken van de regeling,
zoals in lid 1 van dit artikel is bedoeld, kunnen het bestuur van de Stichting SF
BIKUDAK verzoeken alsnog in aanmerking te komen voor deze regeling. Op basis
van de besluitvorming van het bestuur van de Stichting SF BIKUDAK worden de
extra kosten door de Stichting SF BIKUDAK vergoed.
ARTIKEL 8E – Omscholing
1. De werknemer heeft een zelfstandig en individueel recht op omscholing. Hij kan
een opleiding of cursus kiezen die binnen de bedrijfstak past, aansluit bij zijn eigen
mogelijkheden en past binnen zijn beeld van een mogelijke loopbaan. Indien de
werknemer arbeidsongeschikt dreigt te worden, is hij verplicht tot omscholing. In
dat laatste geval kan hij ook een opleiding buiten de bedrijfstak volgen.
In beide gevallen is artikel 8A lid 2 sub d. van overeenkomstige toepassing. De
beoordeling van al dan niet dreigende arbeidsongeschiktheid vindt plaats aan de
hand van het voor dit doel door de Stichting SF BIKUDAK opgesteld reglement.
2. De nadere voorwaarden waarop recht op scholing en vergoeding van kosten
verbonden aan het volgen van de in lid 1 bedoelde opleidingen bestaat zijn
opgenomen in het reglement Scholing van de Stichting SF BIKUDAK zoals
genoemd in artikel 29 van deze CAO.
3. De kosten van de door de werknemer gevolgde cursus of opleiding worden
volledig vergoed door de Stichting SF BIKUDAK. Voor omscholing buiten de
bedrijfstak is een bedrag van maximaal € 5.000, - per werknemer per jaar
beschikbaar. Ingeval van overschrijding van dit bedrag kan een aanvullende
vergoeding worden aangevraagd bij het Bestuur van de Stichting SF BIKUDAK.
4. De aanvraag van de werknemer voor een cursus of opleiding als in dit artikel
bedoeld, hetzij binnen of buiten de bedrijfstak, wordt van een advies voorzien door
de werkgever en ingediend bij en getoetst door het de Stichting SF BIKUDAK.
ARTIKEL 9 - Levensloopregeling
De werkgever is verplicht zijn werknemers de mogelijkheid tot deelname aan een
levensloopregeling aan te bieden. Partijen hebben gekozen voor de
levensloopregeling bij Cordares. Indien de werknemer deelneemt aan een
levensloopregeling is de werkgever verplicht 50% van de inleg – met een maximum
van 0,6%van het loon SV – bij te dragen. Voor die werknemers die op vrijwillige basis
1 ATV-dag inleveren, zal de werkgever vervangend 0,6% werknemersinleg
overnemen en storten op de levensloopregeling van de betrokken werknemer.
De werkgever zal de Wet gelijke behandeling in acht nemen.
ARTIKEL 10 - Overwerk
1. Onder overwerk wordt verstaan de door de werkgever opgedragen arbeid op uren
boven de in artikel 8 geregelde, of ingevolge een vergunning afwijkende dagelijkse
arbeidsduur.
2. In bijzondere gevallen, ter beoordeling van de werkgever, is de werknemer
gehouden overwerk te verrichten.
3. In geval van overwerk kan de werknemer een keuze maken of hij de gemaakte
overwerkuren in geld gecompenseerd wil hebben, dan wel of hij omzetting in vrije
tijd wenst.
4. Ingeval de werknemer kiest voor compensatie in geld, dan moet voor
overwerkuren het individueel overeengekomen uurloon met de volgende
percentages worden verhoogd:
a. voor het eerste, tweede en derde overuur voorafgaande aan het begin en
aansluitend aan het einde van de dagelijkse arbeidstijd: 25%;
b. voor overige overuren op een normale werkdag vanaf maandag 05.00 uur
alsmede voor arbeid op zaterdag tot 21.00 uur: 50%.
c. voor arbeid tussen zaterdag 21.00 uur en maandag 05.00 uur: 100%.
5. Ingeval de werknemer kiest voor omzetting in vrije tijd, zullen de percentages
zoals genoemd in het vorige lid echter dienen te worden uitbetaald.
6. Als een werknemer van 55 jaar of ouder de wens te kennen geeft om niet over te
werken, dan kan hij daartoe niet verplicht worden.
7. Structureel overwerk is niet toegestaan, behoudens in bijzondere gevallen.
Hiervoor is toestemming vereist van de Kleine Commissie, genoemd in artikel 42
van deze CAO.
8. Onder structureel overwerk wordt verstaan: werk dat buiten de normale
arbeidsduur zoals genoemd in artikel 8 lid 1 met een vaste frequentie gedurende
meerdere weken plaatsvindt.
ARTIKEL 11 - Verschoven arbeid
1. Onder verschoven arbeid wordt verstaan in opdracht van de werkgever
verrichte arbeid op uren buiten de in artikel 8 geregelde arbeidstijden, zonder dat
er sprake is van overwerk.
2. In bijzondere gevallen, ter beoordeling van de werkgever, is de werknemer
gehouden verschoven arbeid te verrichten.
3. Verschoven arbeid wordt extra beloond met een toeslag van 25% over het
individueel overeengekomen uurloon tenzij het nachtarbeid betreft, in welk geval
het bepaalde in artikel 12 van kracht is.
4. Geen vergoeding voor verschoven uren wordt betaald indien de verschuiving
geschiedt op verzoek van de meerderheid van de betrokken werknemers.
ARTIKEL 12 - Nachtarbeid
1. Onder nachtarbeid wordt verstaan in opdracht van de werkgever verrichte arbeid
op uren tussen 22.00 en 06.00 uur. Arbeid op uren direct voorafgaande aan het
begin van de normale arbeidstijd wordt extra beloond als overwerk en niet als
nachtarbeid.
2. Indien op een bepaald werk alleen ‘s nachts kan worden gewerkt, is de werknemer
daartoe gehouden.
3. Nachtarbeid wordt extra beloond met een toeslag van 50% over het individueel
overeengekomen uurloon.
4. Mochten niet zoveel uren gewerkt kunnen worden als op de desbetreffende dag
volgens rooster normaal zou zijn geweest, dan worden de minder gewerkte uren
vergoed met het individueel overeengekomen uurloon.
ARTIKEL 13 - Arbeid op zaterdag, zondag en feestdagen
1. Onder arbeid op zaterdag en zondag wordt verstaan door de werkgever
opgedragen arbeid op zaterdag of zondag van zaterdag 21.00 uur tot maandag
05.00 uur.
Met arbeid op zondag wordt gelijkgesteld arbeid op feestdagen, bedoeld in artikel
21 lid 1. Bij arbeid op zaterdag is het bepaalde in artikel 10 lid 4 van toepassing.
2. Bij calamiteiten, ter beoordeling van de werkgever, is de werknemer gehouden
zondagsarbeid te verrichten.
Indien een werknemer principiële bezwaren heeft tegen zondagsarbeid, kan hij
daartoe niet worden verplicht.
3. Arbeid verricht op een christelijke feestdag als genoemd in artikel 21 lid 1 wordt
extra beloond met een toeslag van 100% over het individueel overeengekomen
uurloon, terwijl op een ander tijdstip een gelijk aantal uren vrij met behoud van het
individueel overeengekomen loon zal worden gegeven, tenzij het bedrijfsbelang
zich verzet tegen vrijgeven, in welk geval de toeslag verdubbeld wordt.
4. Arbeid op Koninginnedag en/of Nieuwjaarsdag wordt extra beloond met een
toeslag van 100% over het individueel overeengekomen uurloon of een gelijk
aantal uren vrij met behoud van het individueel overeengekomen loon.
ARTIKEL 14 - Arbeidsomstandigheden
1. De werkgever is verplicht ervoor zorg te dragen dat bij werkzaamheden op het dak
minimaal twee brandblussers van 12 kilogram per stuk aanwezig zijn.
2. De werkgever dient ervoor zorg te dragen dat op het werk een deugdelijke EHBOdoos
voorhanden is.
3. De beleidsregel arbeidsomstandigheden inzake tillen op bouwplaatsen -
vastgesteld door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid - is van
toepassing. Deze beleidsregel is opgenomen als bijlage VIII bij deze CAO.
4. De werkgever is verplicht de onderstaande persoonlijke beschermingsmiddelen en
collectieve- en/of individuele valbeveiligingsmiddelen aan de bij hem in dienst
zijnde werknemer te verstrekken:
- oordoppen;
- een gezichtsmasker of stofkap;
- veiligheidsschoenen;
- werkhandschoenen;
- hekwerk;
- harnas;
- vallijnen;
- etc.
5. Op een object dient altijd minimaal één werknemer werkzaam te zijn die de cursus
'Gezond en veilig werken op het dak' heeft gevolgd.
6. Het slopen, bewerken en verwerken van asbest is verboden. Van dit verbod zijn
bedrijven uitgesloten, die voldoen aan de wettelijke eisen voor asbestsloop, zoals
gesteld bij of krachtens het Asbestverwijderingsbesluit 2005 zoals vastgesteld
door het Ministerie van VROM.
7. De werkgever is verplicht het door zijn werknemers te gebruiken klim- en
hijsmateriaal jaarlijks te laten keuren.
8. Indien een werknemer, naar het oordeel van de werkgever, niet of in onvoldoende
mate gebruik maakt van de persoonlijke beschermingsmiddelen en/of collectieve
en individuele valbeveiligingsmiddelen als genoemd in het lid 4 van dit artikel, kan
de werkgever – met inachtneming van het onderstaande – de betreffende
werknemer een, hierna te noemen, sanctie opleggen.
Bij geen gebruikmaking van ter beschikking gestelde persoonlijke
beschermingsmiddelen en/of collectieve en individuele valbeveiligingsmiddelen
gelden de volgende sanctiebepalingen:
a. de eerste overtreding zal per aangetekend schrijven worden meegedeeld aan
betrokken werknemer en wordt beschouwd als een waarschuwing;
b. de tweede overtreding zal per aangetekend schrijven worden meegedeeld en
worden beboet met een bedrag van € 100, - in te vorderen via inhouding op
het netto salaris van de werknemer op de uitbetalingsdag volgend op het
constateren van de tweede overtreding;
c. de derde overtreding wordt beschouwd als een dringende reden in de zin van
artikel 7: 678, lid 2 onder h en j BW, waarop ontslag op staande voet met
onmiddellijke ingang kan worden gegeven.
Indien ook het bedrijfsreglement voorziet in een sanctie bij geen gebruikmaking
van de persoonlijke beschermingsmiddelen en/of collectieve en individuele
valbeveiligingsmiddelen, zal de werkgever de op te leggen sanctie bepalen
conform het bovenstaande onder a tot en met c, hetzij op basis van het
bedrijfsreglement. Samenloop van sancties zal nimmer plaatsvinden.
9. Indien de werkgever de in de leden 1, 2 en 4 genoemde persoonlijke
beschermingsmiddelen en collectieve en/of individuele valbeveiligingsmiddelen
niet heeft verstrekt, is de werknemer niet verplicht zijn werkzaamheden aan te
vangen dan wel heeft hij het recht bedoelde werkzaamheden te beëindigen na zijn
werkgever daarvan in kennis te hebben gesteld. De werkgever is in dat geval
verplicht het loon door te betalen.
10.De werknemer is niet verplicht zijn werkzaamheden in de buitenlucht aan te
vangen dan wel voort te zetten bij sneeuw of ijzel of indien sprake is van een glad
dak. De werkgever is in die gevallen verplicht het loon door te betalen, tenzij
sprake is van vorst-WW als gevolg van onwerkbaar weer.
11.De werknemer is niet verplicht zijn werkzaamheden in de buitenlucht aan te
vangen dan wel voort te zetten indien sprake is van een gevoelstemperatuur van –
6 graden Celsius of lager. De werkgever is in dat geval verplicht het loon door te
betalen, tenzij sprake is van vorst-WW als gevolg van onwerkbaar weer.
12.Het zogenaamde ‘A-blad’ voor het Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijf * is een integraal onderdeel van deze CAO. De bepalingen,
voorschriften en maatregelen van dit A-blad zullen gelden als bepalingen van deze
CAO. Op het moment dat een Arbocatalogus voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbranche van kracht wordt, zal de Arbocatalogus integraal
onderdeel uitmaken van deze CAO. Ingeval van strijdigheid tussen het A-blad
platte daken voornoemd en de Arbocatalogus zal het bepaalde in de
Arbocatalogus prevaleren.
* Het A-blad voor het Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijf is te
verkrijgen via de Stichting Arbouw, www.arbouw.nl.
ARTIKEL 15 - Aansluiting bij een arbodienst
Indien de werkgever geen contract heeft afgesloten met een gecertificeerde
arbodienst ten behoeve van de preventiezorg (gezondheids- en veiligheidszorg) van
zijn werknemers, dient hij te allen tijde te voorzien in een preventiemedewerker,
zoals bedoeld in artikel 13 van de Arbowet.
ARTIKEL 15A – Preventiemedewerker
De werkgever dient ertoe zorg te dragen dat de preventiemedewerker (minimaal) aan
het eind van de looptijd van deze CAO werkt conform het functieprofiel
preventiemedewerker zoals vermeld op de website van SBD (www.sbd.nl).
ARTIKEL 16 - Verplichtingen in het kader van terugdringing ziekteverzuim
a. De werkgever is verplicht een ziekteverzuimregistratiesysteem bij te houden.
b. De ondernemingsraad, dan wel bij ontstentenis daarvan een
vertegenwoordiging van werknemers, heeft inzage in dit systeem en wordt door
de werkgever gerapporteerd over het ziekteverzuim in de onderneming.
ARTIKEL 17 - Reisurenvergoeding
1. Indien een werknemer door een werkgever te werk wordt gesteld op een
werkobject dat buiten zijn woonplaats is gelegen, is de werknemer verplicht voor
de reis van de woonplaats naar object vice versa gebruik te maken van een door
de werkgever aan te wijzen vervoermiddel, mits dit aan de door de wet gestelde
eisen voldoet, hetgeen, indien dit vervoermiddel een auto is, moet blijken uit een
erkend veiligheidsvignet of een ander bewijs van onderhoud, niet ouder dan zes
maanden.
2. De duur van de reis, welke wordt gemaakt met een:
a. door de werkgever ter beschikking gesteld vervoermiddel;
b. eigen vervoermiddel;
zal door de werkgever aan de werknemer worden vergoed tegen het geldende
garantie-uurloon, behoudens de eerste 60 minuten per dag. In afwijking van het in
het voorgaande bepaalde zal de gehele duur van de reis aan de werknemer, die
optreedt als bestuurder van een vervoermiddel als genoemd onder b of c, worden
vergoed.
3. Onder 'duur van de reis' bedoeld in lid 2 wordt verstaan het tijdsverloop tussen het
vertrek van het vervoermiddel naar het werk en de aankomst op het werk,
alsmede het tijdsverloop terug van het werk naar de plaats van vertrek.
De duur van de reis wordt door de werkgever en werknemer in onderling reëel
overleg vastgesteld, zulks met inachtneming van de af te leggen route.
4. Indien de totale duur van de arbeidstijd, rusttijd en reistijd, gerekend van het
ogenblik van vertrek van een vervoermiddel, als genoemd in lid 1 tot het ogenblik
van terugkomst daarvan per dag meer bedraagt dan 12 uur zal de normale
arbeidstijd met het meerdere moeten worden gekort. Over de rusttijd wordt geen
loon uitbetaald.
ARTIKEL 18 - Vergoedingen
1. Indien een werknemer, naar het oordeel van de werkgever, bij het zich naar en
van het werk begeven, gebruik moet maken van een eigen vervoermiddel en/of
daarvan tijdens en ten behoeve van de werkzaamheden gebruik maakt, zal hem
een vervoermiddelenvergoeding worden betaald.
2. De in lid 1 genoemde vervoermiddelenvergoeding bedraagt per 1 januari 2008:
- voor het gebruik van een fiets per dag: € 0,89;
- voor het gebruik van een bromfiets of snorfiets per dag voor de eerste 25
kilometer: € 1,12 en voor elke meerdere kilometer boven 25 kilometer per dag:
€ 0,06;
- voor het gebruik van een motorfiets, per kilometer: € 0,21;
- voor het gebruik van een auto: € 0,29 per kilometer voor een werknemer, die
alleen naar het werk reist, € 0,30 per kilometer voor de werknemer, die met één
collega naar en van het werk reist, € 0,33 per kilometer voor de werknemer, die
met twee collega's naar en van het werk reist en € 0,35 per kilometer voor de
werknemer, die met drie of meer collega's naar en van het werk reist.
3. Indien naar het oordeel van de werkgever door de werknemer gebruik moet
worden gemaakt van een openbaar vervoermiddel, zal het daaruit voortvloeiende
bedrag aan reiskosten ( laagste klasse) voor rekening van de werkgever komen.
4. Het in de leden 2 en 4 bepaalde is van overeenkomstige toepassing bij een
bezoek aan de arbodienst als bedoeld in artikel 24 lid 1 van deze CAO.
5. De werknemer heeft aanspraak op een vergoeding voor werkkleding van € 0,98
per dag, tenzij en voor zover werkkleding door de werkgever aan de werknemer
ter beschikking wordt gesteld.
6. De in dit artikel genoemde onkostenvergoedingen zullen per 1 juli 2008, 1 januari
2009, 1 juli 2009, 1 januari 2010 en 31 maart 2010 worden aangepast met de
percentages van de loonontwikkeling conform deze CAO. Bedoelde percentages
zijn vastgelegd in bijlage II, artikel 5 sub a en b.
ARTIKEL 19 - Logies
Indien het werk zover buiten de plaats, waarvoor de werknemer is aangenomen,
respectievelijk diens woonplaats gelegen is, dat de werknemer 's avonds niet
huiswaarts kan keren, zullen op kosten van de werkgever behoorlijke voeding en
logies worden verstrekt. Werknemers van 50 jaar en ouder kunnen niet worden
verplicht in de kost t
ARTIKEL 20 - Ziekte in kosthuis
De werknemer, bedoeld in artikel 19, behoudt recht op vrije voeding en logies, indien
hij door ziekte of ongeval arbeidsongeschikt wordt, voor zolang hij verblijf houdt in de
plaats waar hij te werk is gesteld. De werkgever heeft het recht op zijn kosten de
werknemer naar zijn woonplaats te doen vervoeren, indien dit vervoer medisch
verantwoord wordt geacht. Is evenwel vervoer naar zijn woonplaats medisch
noodzakelijk, dan is de werkgever verplicht de kosten voor zijn rekening te nemen.
Zolang de werknemer tijdens tewerkstelling buiten de woonplaats wordt verpleegd in
een andere plaats dan waar hij woonachtig is, zal de partner van de betreffende
werknemer deze eenmaal per week op kosten van de werkgever kunnen bezoeken.
ARTIKEL 21 - Feestdagen, zaterdagen en zondagen
1. Iedere werknemer heeft recht op verlof tijdens de algemeen erkende christelijke
feestdagen, te weten: de beide Kerstdagen, Tweede Paasdag, Hemelvaartsdag
en Tweede Pinksterdag, alsook over Nieuwjaarsdag en de dag die als
Koninginnedag wordt gevierd.
2. Op feestdagen, zaterdagen en zondagen wordt als regel niet gewerkt.
3. Indien op een feestdag geen arbeid wordt verricht, wordt het voor de werknemer
geldende individueel overeengekomen loon doorbetaald.
4. Een allochtone werknemer heeft recht op het opnemen van een snipperdag ten
behoeve van een voor hem geldende religieuze, niet-christelijke feest- of
gedenkdag. Deze snipperdag dient uiterlijk één maand van tevoren aan de
werkgever kenbaar gemaakt te worden. Slechts wanneer de
bedrijfsomstandigheden hierdoor in ernstige mate verhinderd worden, kan een
dergelijke snipperdag door de werkgever geweigerd worden.
ARTIKEL 22 - Vakantie
1. Vakantierechten
Het vakantiejaar loopt van 1 juli tot en met 30 juni van het volgende jaar. Ten
aanzien van iedere werknemer is het recht op verlof over het vakantiejaar
2008/2009 als volgt geregeld:
- werknemers tot en met 54 jaar 25 werkdagen
- werknemers geboren vóór 1 januari 1954 34 werkdagen
- werknemers geboren vóór 1 januari 1949 37 werkdagen
Het recht op verlof over het vakantiejaar 2009/2010 is als volgt geregeld:
- werknemers tot en met 54 jaar 25 werkdagen
- werknemers geboren vóór 1 januari 1955 34 werkdagen
- werknemers geboren vóór 1 januari 1950 37 werkdagen
2. Zomervakantie
Vijftien van de beschikbare verlofdagen moeten aaneengesloten worden
opgenomen in een periode welke wordt bepaald na redelijk overleg met de
werknemer(s).
3. Verplichte snipperdagen
Van de in het vakantiejaar 2008/2009 overblijvende verlofdagen zijn de
navolgende dagen als verplichte snipperdagen aangewezen: 30, 31 december
2008 en 2 januari 2009.
Van de in het vakantiejaar 2009/2010 overblijvende verlofdagen zijn de
navolgende dagen als verplichte snipperdagen aangewezen: 28, 29 en 30
december 2009.
4. Vrije snipperdagen
De nog resterende verlofdagen in enig vakantiejaar kunnen in onderling overleg
tussen werkgever en werknemer worden opgenomen. De werkgever kan bepalen
dat de werknemer, behoudens in geval van overmacht, de aanvraag voor
vakantie- of snipperdagen ten minste één week voor de gewenste datum moet
indienen.
5. Over vakantie- en snipperdagen wordt het voor de werknemer geldende
individueel overeengekomen loon doorbetaald.
6. Een werknemer, die gedurende de vakantie betaalde arbeid voor derden verricht,
kan op staande voet worden ontslagen.
7. Bij beëindiging van de dienstbetrekking worden de nog niet genoten
vakantierechten in geld uitgekeerd aan de werknemer casu quo op verlangen van
de werknemer overgeboekt naar zijn nieuwe werkgever.
De werkgever is verplicht bij het einde van de dienstbetrekking aan de werknemer
een verklaring uit te reiken, waaruit de duur van de vakantie en van het verlof met
behoud van loon blijkt, welke aan de werknemer op dat tijdstip nog toekomt.
8. De werknemer, die niet een geheel vakantiejaar in dienst van de werkgever is,
heeft recht op een evenredig deel van de vakantie; gedeelten van vakantiedagen
worden daarbij te zijnen gunste op halve dan wel hele dagen afgerond.
9. Indien de werknemer bij beëindigen van de dienstbetrekking blijkt te veel vakantieen/
of snipperdagen te hebben genoten, zal een verrekening plaatsvinden.
10. Voor iedere vakantiedag of gedeelte van een vakantiedag, gedurende welke de
werknemer wegens bijzondere omstandigheden of redenen als bedoeld in artikel
7: 636 BW verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, moet hem alsnog een
(gedeelte van een) dag verlof worden gegeven op een tijdstip na overleg met de
werknemer door de werkgever vast te stellen, mits de werknemer voor de
aanvang van de verhindering dit aan de werkgever heeft medegedeeld dan wel
over de betrokken dag wettelijk ziekengeld genoot.
11.a. De werknemer verwerft geen vakantierechten over de tijd, gedurende welke
hij wegens het niet verrichten van zijn werkzaamheden geen aanspraak op in
geld vastgesteld loon heeft.
b. 1. Het onder a bepaalde is niet van toepassing indien de werknemer zijn
werkzaamheden conform artikel 7: 635 BW niet heeft verricht.
In deze gevallen worden nog vakantierechten verworven over ten hoogste de
bij wet geregelde periode waarin geen arbeid wordt verricht, waarbij de duur
der onderbreking uit de respectievelijke oorzaken tezamen geteld wordt.
2. Indien een onderbreking der werkzaamheden als bedoeld onder 1 van dit
sub-lid in meer dan één vakantiejaar valt, wordt het in het vorige jaar
vallende deel der onderbreking bij de berekening van de periode van
afwezigheid mee in aanmerking genomen.
3. De verworven vakantierechten in de onder 1 van dit sub-lid genoemde
gevallen vervallen, indien de dienstbetrekking door de werknemer wordt
beëindigd alvorens de arbeid is hervat.
ARTIKEL 23 - Vakantiebijslag
1. Aan een werknemer wordt, indien hij een vol vakantiejaar voorafgaande aan de
aaneengesloten vakantie in dienst van de werkgever is geweest, een
vakantiebijslag betaald ter grootte van 8% van het individueel overeengekomen
loon dat gedurende het vakantiejaar voor de werknemer gegolden heeft.
2. De werknemer die op het tijdstip van de aaneengesloten vakantie geen vol jaar in
dienst van de werkgever is geweest heeft voor elke maand dienstverband in het
vakantiejaar recht op een pro rato deel van het onder a bedoelde bedrag.
3. De werkgever is bevoegd een gedeelte van deze bijslag uit te betalen als
wintervakantiebijslag met dien verstande, dat ten minste 60% van de
vakantiebijslag zal worden uitbetaald ter gelegenheid van de aaneengesloten
zomervakantie. De vakantiebijslag in de zomer wordt uiterlijk in de maand mei
betaald.
4. De werknemer, die in de loop van het vakantiejaar de dienst van de werkgever
verlaat, ontvangt - voor zover hij hierover nog geen vakantiebijslag heeft genoten -
voor elke maand dienstverband in het vakantiejaar pro rato deel van het onder 1
bedoeld bedrag.
ARTIKEL 24 - Korte verzuimen
1. In de hierna volgende gevallen heeft de werknemer aanspraak op verzuim met
behoud van het individueel overeengekomen loon gedurende de voor ieder geval
vastgestelde tijd, mits het verzuim gedurende de arbeidstijd naar het oordeel van
de werkgever noodzakelijk is, de werknemer de gebeurtenis zo mogelijk bijwoont
en de werkgever tijdig - zoals in de volgende leden aangegeven - op de hoogte
stelt:
a. bij ondertrouw van de werknemer, gedurende een halve dag;
b. bij huwelijk van de werknemer, mits drie dagen van tevoren aangekondigd,
gedurende twee dagen;
c. bij huwelijk van één van zijn kinderen, pleegkinderen, broers, zusters,
schoonzusters en zwagers, mits drie dagen van tevoren aangekondigd,
gedurende één dag;
d. bij bevalling van de partner van de werknemer, gedurende twee dagen;
e. bij overlijden van de partner, een inwonend kind of pleegkind van de
werknemer, vanaf de dag van overlijden tot en met de dag na de uitvaart, tenzij
in het geval als bedoeld in artikel 24A;
f. bij overlijden van één van zijn ouders, schoonouders, niet onder lid e bedoelde
kinderen of pleegkinderen, gedurende twee dagen. Indien de werknemer belast
is met het regelen van de uitvaart van een ouder, schoonouder of een niet
thuiswonend (pleeg)kind, is het bepaalde onder e van dit lid van toepassing,
tenzij in het geval als bedoeld in artikel 24A;
g. in alle overige gevallen bij overlijden en/of uitvaart van één van zijn
grootouders, behuwd-grootouders, overgrootouders, pleegouders, kinderen
(waarin begrepen schoonzoons en schoondochters), kleinkinderen,
pleegkinderen, broers en zusters, halfbroers en halfzusters, schoonbroers,
zwagers, schoonzusters en een in het gezin opgenomen huisgenoot,
gedurende één dag, tenzij – voor zover het kinderen betreft – in het geval als
bedoeld in artikel 24A;
Indien een kerkelijk huwelijk en/of burgerlijk huwelijk, of de bevalling van de
partner van de werknemer, plaatsvindt op een zaterdag, een zondag, een
christelijke feestdag, dan wel op de laatste werkdag van de verplichte
bedrijfssluiting (vakantie en de periode rond Kerst en Nieuwjaar) zal een
vergoeding gedurende één dag worden gegeven;
h. voor werknemers van 59 en 60 jaar voor het volgen van een cursus ter
voorbereiding op de tijd van pensionering gedurende ten hoogste twee dagen.
Hiertoe dient een inschrijvingsbewijs van een door het bedrijfsleven algemeen
aanvaarde cursus aan de werkgever te worden overlegd;
i. bij 25-, 40- en 50-jarig huwelijk van de werknemer, respectievelijk van zijn
ouders of schoonouders (mits door hem bijgewoond) gedurende één dag;
j. bij 25-, 40- of 50-jarig dienstjubileum van de werknemer gedurende één dag;
k. voor medische keuring op verzoek van de werkgever gedurende één dag;
l. voor een bezoek aan de arbodienst gedurende de daarvoor benodigde tijd;
m. indien een werknemer door zijn behandelende geneesheer voor onderzoek
naar een specialist of een medisch consultatiebureau wordt verwezen,
gedurende het daaruit voortvloeiende verzuim tot ten hoogste één dag per
bezoek, tenzij gedurende dit verzuim uitkering kan worden verleend;
n. bij doktersbezoek, voor zover dit niet mogelijk is buiten de normale arbeidstijd
en hiervan tijdig kennis is gegeven. Zo mogelijk wordt van dit bezoek bewijs
geleverd;
voor het noodzakelijke bezoek aan een tandarts ter verkrijging of vernieuwing
van een kunstgebit, voor zover dit bezoek niet mogelijk is buiten de normale
arbeidstijd en hiervan tijdig kennis is gegeven. Zo mogelijk wordt van dit bezoek
bewijs geleverd;
voor het noodzakelijk bezoek aan een tandarts voor halfjaarlijkse controle, voor
zover dit bezoek niet mogelijk is buiten de normale arbeidstijd en hiervan tijdig
kennis is gegeven. Zo nodig wordt de saneringskaart getoond.
In deze gevallen geldt dat het verzuim zal worden vergoed tot ten hoogste 2 uur
indien de werknemer woonachtig is in de plaats waar het werkobject is gelegen
en tot maximaal 3 uur indien de werknemer woonachtig is in een andere plaats
dan waar het werkobject is gelegen;
o. indien de werknemer, ten gevolge van de vervulling van een bij of krachtens de
wet opgelegde verplichting, verhinderd is zijn arbeid te verrichten, mits deze
vervulling niet in zijn vrije tijd kan geschieden, gedurende een door de
werkgever naar billijkheid te bepalen tijdsduur tot een maximum van twee
dagen en onder aftrek van een vergoeding, welke de werknemer van derden
zou hebben kunnen ontvangen.
2. Ingeval van aantoonbare calamiteiten heeft de werknemer, ten behoeve van het
treffen van voorzieningen voor de verzorging van zijn partner of kind(eren) die tot
zijn huishouding behoren, recht op maximaal 4 uur onbetaald verlof.
De reiskosten werkplek-woonplaats zijn voor rekening van de werknemer.
Indien een verzuim van langer dan 4 uur noodzakelijk is, bestaat het recht een
snipperdag op te nemen.
3. Voor de werknemers, bedoeld in artikel 1 lid c, zal de werkgever in geval van
verzuim, genoemd in lid 1 onder a tot en met l van dit artikel, de gemaakte
reiskosten van een openbaar vervoermiddel (laagste klasse), vanaf de plaats van
tewerkstelling tot ten hoogste zijn woonplaats en terug, alsmede de duur van de
reis, tegen het voor de werknemer geldende individueel overeengekomen uurloon
vergoeden.
4. Het bepaalde in artikel 7: 628 BW, met betrekking tot de doorbetaling van loon, is
in de daar bedoelde gevallen van kracht in zoverre dat:
a. de werkgever niet gehouden is loon door te betalen in de volgende gevallen:
1. de schorsing van de werknemer door de werkgever in de gevallen en onder
de voorwaarden als geregeld in het arbeidsreglement;
2. de invoering van een verkorte werkweek (een zogenaamde nul-urenweek
daaronder begrepen) mits de werkgever voor die invoering de vereiste
vergunning heeft verkregen en niet tot het aanvragen van een vergunning
overgaat, dan nadat met de werknemersorganisaties overleg is gepleegd.
Partijen achten een termijn van een week voor dit voorafgaande overleg
voldoende;
3. de verlenging van een verkorte werkweek (een zogenaamde nul-urenweek
daaronder begrepen) mits, wanneer het betreft een verlenging, die ten
aanzien van de aantallen erbij betrokken werknemers en/of het aantal uren
dat verkort zal worden gewerkt, afwijkt van de oorspronkelijke vergunning, de
werkgever de hierboven sub 2 omschreven procedure zal hebben gevolgd en
wanneer het betreft een verlenging, waarbij de oorspronkelijke vergunning
ongewijzigd wordt overgenomen, de werknemersorganisaties tijdig - dat wil
zeggen ten minste een week - vóór het ingaan van de verlenging daarvan
mededeling doet.
b. In de gevallen waarin het loon moet worden doorbetaald op grond van artikel 7:
628 BW, wordt met 'loon' bedoeld het individueel overeengekomen loon, tenzij
gedurende de zogenaamde wachttijden het bepaalde in artikel 26 van deze
CAO geldt.
5. De ongehuwde werknemer die duurzaam een gezamenlijke huishouding voert met
een ander heeft bij de toepassing van lid 1 en lid 2 dezelfde rechten als ware hij
gehuwd.
ARTIKEL 24A – Stervensbegeleiding en rouwverlof
Er bestaat een regeling voor stervensbegeleiding en rouwverlof in de bedrijfstak voor
de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven. De voorwaarden waarop
recht op vergoeding van de kosten van zorg en rouwverlof bestaat zijn opgenomen in
het reglement Stervensbegeleiding en Rouwverlof dat deel uitmaakt van de CAO
Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven zoals genoemd in artikel 29 van deze CAO.
ARTIKEL 25 - Bijzonder verlof
1. Indien een werknemer die lid is van één der organisaties welke partij is bij deze
CAO, wenst deel te nemen aan een door zijn organisatie belegde vergadering dan
wel studiebijeenkomst, waarvoor hij persoonlijk is uitgenodigd en het
bedrijfsbelang zich daartegen niet verzet, is de werkgever gehouden hem daartoe
in de gelegenheid te stellen, zonder daarvoor loonderving te vergoeden of andere
vergoedingen te verstrekken.
2. Jeugdige werknemers, die geen op het beroep gericht onderwijs kunnen volgen,
worden in de gelegenheid gesteld één dag per week deel te nemen aan
vormingswerk van één der vormingsinstituten voor werkende jongeren, met
behoud van het garantie-uurloon gedurende die dag.
ARTIKEL 26 - Wachttijden
1. Als wachttijden worden beschouwd alle op het werk doorgebrachte, alsmede alle
met toestemming van de werkgever niet op het werk doorgebrachte nietproductieve
uren, ten gevolge van:
a. weersomstandigheden, uitgezonderd vorst, de directe gevolgen van vorst,
alsmede de aanwezigheid van een sneeuwdek;
b. het ontbreken van opdrachten van de werkgever of diens vertegenwoordiger;
c. het niet kunnen aanvangen van het werk wegens onvoldoende voorzieningen
door de opdrachtgever;
d. het niet meer aanwezig zijn van voldoende materiaal buiten schuld van de
werknemer;
e. vertraging, ontstaan door schuld van de opdrachtgever tijdens de uitvoering van
het werk;
f. vertraging, voortvloeiende uit moeilijkheden met materialen, gereedschappen of
machines, buiten de schuld van de werknemer.
2. De werknemer is verplicht zijn werkgever terstond op de hoogte te brengen van de
technische storingen, als bedoeld onder lid 1 van dit artikel. Indien deze
verplichting niet wordt nagekomen, zal de wachttijdvergoedingsregeling bedoeld in
lid 3 van dit artikel niet van toepassing zijn.
3. a. Alle wachttijden worden met het individueel overeengekomen uurloon vergoed.
b. De uren, die ingevolge de bepalingen van dit artikel als wachttijd kunnen
worden aangemerkt, tellen mee ter vaststelling van de normale arbeidsduur.
4. De werknemer is gehouden, indien de werkgever hem gedurende de wachttijd
ander werk waarvoor hij geschikt is opdraagt, dergelijke arbeid te verrichten.
De voor de betrokken werknemer geldende arbeidsvoorwaarden blijven alsdan
onverminderd van kracht.
ARTIKEL 27 - Onderbreking wegens vorst en sneeuwval
1. Indien niet kan worden gewerkt wegens vorst, de directe gevolgen van vorst of
door aanwezigheid van een sneeuwdek, is de werkgever niet verplicht enige
betaling te verrichten, behoudens het bepaalde in lid 2 van dit artikel.
2. Over elke volle dag, dat ten gevolge van de in het vorige lid bedoelde oorzaken
niet gewerkt kan worden, verstrekt de werkgever op de aan de werknemer
verstrekte uitkering krachtens de Werkloosheidswet een aanvulling tot 100% van
het voor de werknemer geldende individueel overeengekomen loon.
3. De werkgever is gehouden de werknemer direct na de onderbreking op te roepen
en weer aan het werk te stellen en de werknemer is gehouden direct na de
onderbreking het werk te hervatten.
Artikel 28 - Ziekte
Met uitsluiting van het anders en overigens in artikel 7:629 BW bepaalde geldt het
volgende:
1. In geval van arbeidsongeschiktheid behoudt de werknemer gedurende
maximaal 8 maanden aanspraak op doorbetaling van het individueel
overeengekomen loon. Na 8 maanden ziekte behoudt de werknemer
gedurende maximaal 8 maanden aanspraak op 85% doorbetaling van het
individueel overeengekomen loon. Na 16 maanden ziekte behoudt de
werknemer gedurende maximaal 8 maanden aanspraak op 70% doorbetaling
van het individueel overeengekomen loon. Als de betrokken werkgever en
werknemer gezamenlijk besluiten om na het tweede ziektejaar nog niet over te
gaan tot de WIA-aanvraag, blijft doorbetaling van het individueel
overeengekomen loon – met inachtneming van bovenstaande – gehandhaafd
tot maximaal 156 weken.
2. De werknemer die wegens ziekte zijn arbeid niet kan verrichten dient zijn
werkgever of de door deze aangewezen uitvoerder of andere functionaris
hiervan op de eerste dag van zijn arbeidsongeschiktheid voor aanvang
werktijd in kennis te stellen.
Indien deze dag een zaterdag of zondag is en op die dagen in het bedrijf van
de werkgever niet wordt gewerkt, dient de ziekmelding op de eerstvolgende
werkdag voor aanvang werktijd te geschieden. Indien de
arbeidsongeschiktheid tijdens arbeidstijd ontstaat, dient de werknemer deze
melding terstond na het staken van het werk te doen. Bijlage VI
(bedrijfsvoorschriften en bijbehorend sanctiereglement voor
werknemers vallend onder deze CAO) is van toepassing.
3. Indien de arbeidsongeschiktheid ontstaat tijdens een periode van verplichte
bedrijfssluiting (vakantie en de periode rond Kerstmis en Nieuwjaar) dient de
werknemer dit binnen 24 uur schriftelijk te melden aan zijn werkgever.
Artikel 29 – Sociale Fondsen
Er is een CAO inzake de Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bitumineuze en
Kunststof Dakbedekkingsbedrijven (CAO BTER).
In de CAO BTER worden nadere regels gesteld ten aanzien van de uitvoering van de
Regelingen van de volgende Stichtingen:
De Stichting Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven (SF BIKUDAK);
De Stichting Vrijwillig Vervroegde Uittreding voor het Dakbedekkingsbedrijf.
Artikel 30 – Bijverzekering WAO/WIA
Een werknemer die na 24 januari 1994 recht verworven heeft op een uitkering
krachtens de WAO, ontvangt, afhankelijk van het arbeidsongeschiktheidspercentage
zoals vastgesteld in het kader van de WAO, een aanvulling op zijn uitkering.
De voorwaarden waaronder recht bestaat op een aanvulling en de hoogte daarvan
zijn opgenomen in bijlage VIII van deze CAO.
Een werknemer die na 1 januari 2006 recht heeft op een uitkering krachtens de Wet
Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA), het onderdeel werkhervatting
gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA), ontvangt een aanvulling op zijn uitkering. De
voorwaarden waaronder recht bestaat op deze aanvulling en de hoogte daarvan zijn
opgenomen in bijlage IX van deze CAO. Deze regeling geldt voor elke werknemer
(incl. de UTA-werknemer).
Artikel 31 – Aanvullingen bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid
1. Een werknemer die bij werken werkzaam was onder deze CAO en recht heeft op
een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, ontvangt aanvullingen op zijn WWuitkering.
2. Een zieke werkloze die laatstelijk werkzaam was onder deze CAO, heeft recht op
aanvullingen op zijn uitkering.
3. Een werknemer die bij werken werkzaam was onder deze CAO en op
1 december van enig jaar recht heeft op een uitkering krachtens de Wet op de
Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) of de Inkomensvoorziening volledig
arbeidsongeschikten (IVA), ontvangt in de maand december een uitkering.
4. De voorwaarden voor het recht op de aanvullingen als bedoeld in het eerste tot en
met vierde lid en de hoogte daarvan zijn opgenomen in het desbetreffende
Aanvullingsreglement van de Stichting SF BIKUDAK, zoals genoemd in artikel 29
van deze CAO.
ARTIKEL 32 - Vervoer stoffelijk overschot
Ingeval de werknemer tijdens het werk dan wel op weg van of naar het werk overlijdt,
zal werkgever de kosten van het vervoer van het stoffelijk overschot naar het
normale domicilie in Nederland van betrokkene vergoeden aan de nabestaande(n)
dan wel aan die perso(o)n(en) die de kosten van het vervoer in eerste instantie
gedragen heeft (hebben).
ARTIKEL 33 - Vakopleiding
1. Werkgevers en werknemers zullen de vakopleiding en de beroepsbegeleidende
leerweg (BBL) via de Stichting Sociaal Fonds voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven, zoals genoemd in artikel 29 van deze CAO,
bevorderen.
De nadere invulling hiervan is opgenomen in het desbetreffende reglement van de
Stichting SF BIKUDAK.
2. De werkgever is verplicht op verzoek van een werknemer die langer dan een half
jaar in dienst is op basis van een dienstverband voor onbepaalde tijd dan wel
binnen een tijdsbestek van 2 jaar in totaal 1 jaar in de bedrijfstak heeft gewerkt,
een leer-/arbeidsovereenkomst met deze werknemer af te sluiten.
De dienstbetrekking met een werknemer met wie een leer-/arbeidsovereenkomst
is gesloten kan niet eerder worden beëindigd dan na voltooiing van de primaire
opleiding.
3. De werknemer zal in de gelegenheid worden gesteld een vakgerichte opleiding als
bedoeld in lid 1 binnen de normale arbeidstijd te volgen, zulks met behoud van
loon. De werkgever zal deze werknemer bovendien in de gelegenheid stellen
examens af te leggen of andere door het opleidingsorgaan nodig geachte
activiteiten te verrichten, zulks eveneens met behoud van loon.
4. De werkgever is een bijdrage verschuldigd voor de financiering van de
beroepsbegeleidende leerweg.
Voornoemde bijdrage is verschuldigd aan de Stichting SF BIKUDAK zoals
genoemd in artikel 29 van deze CAO. De Stichting SF BIKUDAK is belast met de
administratieve uitvoering van de regeling. De hoogte van de bijdrage is
opgenomen in het bijdragereglement.
ARTIKEL 34 - Aanspraak op derden
1. Het bepaalde in de artikelen 28 en 32 van deze CAO is niet van kracht, indien en
voor zover de werknemer ter zake van zijn algehele dan wel gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
ten gevolge van ziekte of uit hoofde van een hem overkomen
ongeval jegens één of meer derden een vordering tot schadevergoeding wegens
loonderving kan doen gelden.
2. Indien en voor zover de werknemer zijn recht op schadevergoeding als bedoeld in
lid 1 ten belope van het bedrag van de in de artikelen 28 en 32 geregelde
bovenwettelijke uitkering aan de werkgever overdraagt, zal de werkgever echter
aan de werknemer voorschotten uitkeren tot het beloop van de aanvullende
uitkeringen, welke de werknemer van hem zou hebben moeten ontvangen als hij
geen vordering tot schadevergoeding jegens derden had gehad.
De op deze wijze door de werknemer genoten voorschotten zullen worden
verrekend met wat de werkgever van de derde(n) als schadevergoeding ontvangt.
ARTIKEL 35 - Uitkering bij overlijden
Indien een werknemer overlijdt, is het bepaalde in artikel 7: 674 BW van kracht. In
afwijking van artikel 7: 674 lid 2 zal bij de beëindiging van de arbeidsverhouding door
het overlijden van de werknemer de werkgever aan de nagelaten betrekkingen van
de werknemer de periode waarover een wettelijke overlijdensuitkering wordt betaald
met één maand verlengen, waarbij de uitkeringen netto worden uitgekeerd.
ARTIKEL 36 - Aansprakelijkheid bij vervoer
1. Bij het vervoer door of vanwege of in overleg met de werkgever of diens
vertegenwoordiger is deze aansprakelijk voor alle schade voor de vervoerde
werknemers en eventueel hun nagelaten betrekkingen, veroorzaakt door een
verkeersongeval, waaraan de bestuurder van het vervoermiddel schuld heeft of
door de toestand waarin het vervoermiddel verkeert; wettelijke uitkeringen komen
hierop in mindering. De werkgever is verplicht deze aansprakelijkheid door
verzekering te dekken, zonder zich nochtans op de verzekering te kunnen
beroepen tegenover degene, jegens wie hij aansprakelijk is.
2. De werknemer, die, in opdracht van de werkgever, van eigen vervoermiddelen
gebruik maakt tijdens en ten behoeve van zijn functie, is verplicht in zijn
verzekeringspolis een clausule te doen opnemen, dat de werkgever
medeverzekerd is, indien deze krachtens artikel 6: 170 BW naast of in plaats van
de werknemer tot schadevergoeding wordt aangesproken.
ARTIKEL 37 - Verzekeringen
1. De werkgever is verplicht voor alle werknemers vallend onder de CAO een
ongevallenverzekering af te sluiten met een 24-uurs-dekking gedurende 7 dagen
per week.
2. De in lid 1 bedoelde verzekering zal minimaal een dekking geven voor de
volgende bedragen per persoon:
a. bij overlijden een uitkering van € 35.000;
b. bij volledige invaliditeit een uitkering van € 70.000;
Genoemde uitkeringen dienen rechtstreeks aan de werknemer, of, in geval van
diens overlijden, aan zijn rechtsopvolger(s) onder algemene titel, dan wel aan
de door hem daartoe aangewezen begunstigde(n) te worden uitgekeerd. Op
deze uitkeringen zijn de daarvoor in aanmerking komende sociale en fiscale
wetten van toepassing.
3. De werknemer is niet verplicht gebruik te maken van een hem ter beschikking
gesteld motorrijtuig, indien niet kan worden aangetoond dat een verzekering als
hierboven omschreven als ook de wettelijke verplichte WA-verzekering zijn
afgesloten.
ARTIKEL 38 - Vrijwillige vervroegde uittreding
Er bestaat een regeling voor vrijwillig vervroegde uittreding in de bedrijfstak voor de
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven. De voorwaarden waaronder
recht op deelname aan deze regeling bestaat zijn opgenomen in de Statuten, het
Reglement Vervroegde Uittreding en het Bijdragereglement van de Stichting Vrijwillig
Vervroegde Uittreding voor het Dakbedekkingsbedrijf, die onderdeel uitmaken van de
CAO Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
zoals genoemd in artikel 29 van deze CAO. De regeling Vrijwillig
Vervroegde Uittreding is alleen nog van toepassing voor die personen die al voor 1
januari 2006 gebruik hadden kunnen maken van de regeling vrijwillig vervroegde
uittreding, doch daar op dat moment geen gebruik van hebben gemaakt.
ARTIKEL 39 - Pensioen
De werknemer heeft, op de grondslag van de desbetreffende uitkeringsvoorwaarden,
recht op een pensioenuitkering van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds
voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven. De omvang van en de
voorwaarden voor pensioenrechten, evenals alle andere bepalingen van het
pensioen zijn vervat in het Pensioenreglement van de Stichting
Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven. De werkgever is gerechtigd, conform de fiscale
regelgeving, 50% van de totale pensioenpremie op het salaris van de werknemer in
te houden.
ARTIKEL 39A - Pensioen UTA-personeel
De UTA-werknemer van 18 jaar of ouder heeft, op de grondslag van de
desbetreffende uitkeringsvoorwaarden, recht op een pensioenuitkering van de
Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het UTA-personeel van de Bitumineuze en
Kunststof Dakbedekkingsbedrijven. De omvang van en de voorwaarden voor
pensioenrechten, evenals alle andere bepalingen van het pensioen zijn vervat in het
Pensioenreglement van deze Stichting. De werkgever is, conform de fiscale
regelgeving, gerechtigd 50% van de totale pensioenpremie op het salaris van de
werknemer in te houden.
ARTIKEL 39B – Omwisseling roostervrije dagen ten behoeve van pensioen
De werknemer is jaarlijks gerechtigd roostervrije dagen in te zetten ter
bekostiging van de door hem te betalen premie voor de pensioenregeling. Kiest
hij daarvoor, dan wordt de met de aldus ingezette dagen gelijkgestelde premie door
de werkgever voldaan. Aan op deze wijze ingezette roostervrije dagen
wordt een premiepercentage van 0,5% per dag gelijkgesteld.
2. De in lid 1 bedoelde keuze betreft een vrije keuze van de werknemer.
ARTIKEL 40 - Arbeidsreglement
1. De werkgever kan in overleg met en met instemming van een meerderheid van de
werknemers in zijn onderneming een arbeidsreglement, houdende nadere
voorschriften ten aanzien van de arbeid in het bedrijf, invoeren.
2. Het arbeidsreglement mag geen bepalingen bevatten welke in strijd zijn met het in
deze CAO bepaalde.
3. Door partijen zal een model-arbeidsreglement vastgesteld worden, dat als
aanhangsel aan deze collectieve arbeidsovereenkomst zal worden toegevoegd
(bijlage IV).
ARTIKEL 41 - Vakbondsactiviteiten in de onderneming
1. Om contacten mogelijk te maken tussen de werknemersorganisaties en hun leden
en tussen deze leden onderling, evenals om de werknemersorganisaties in staat
te stellen gekozen leden van de Ondernemingsraad in hun werk te ondersteunen,
zijn partijen het volgende overeengekomen.
2. De werknemersorganisaties kunnen elk uit de kring van hun leden binnen elke
onderneming een contactpersoon aanwijzen. Van deze aanwijzing wordt de
werkgever mededeling gedaan.
3. De contactpersoon kan binnen de onderneming, maar buiten de arbeidstijd
contact hebben met de overige in de onderneming werkzame leden van zijn
organisatie(s).
4. De contactpersoon kan, indien dit door omstandigheden niet op korte termijn
buiten de arbeidstijd mogelijk is, na overleg met de werkgever, binnen de
arbeidstijd contact hebben met de bezoldigde functionarissen van zijn organisatie.
5. De contactpersoon kan binnen de arbeidstijd contact hebben met de leden van de
Ondernemingsraad wanneer het initiatief daartoe van deze leden uitgaat.
6. De contactpersonen zullen in redelijke mate gebruik maken van de mogelijkheid
vrijaf te krijgen met behoud van het individueel overeengekomen loon voor de in
de leden 4 en 5 genoemde activiteiten. Daarbij zal een maximum van 1 manuur
per jaar per bij de betreffende organisatie aangesloten werknemer niet worden
overschreden.
7. De werkgever zal - als regel buiten bedrijfstijd - nadat hem daarom is verzocht,
bedrijfsruimte beschikbaar stellen voor vergaderingen met de in lid 2 genoemde
leden en/of de in lid 3 genoemde leden en/of de in lid 4 genoemde bezoldigde
functionarissen van de vakorganisaties.
8. De werkgever draagt er zorg voor dat de contactpersoon niet vanwege zijn
werkzaamheden in het kader van het vakbondswerk in de onderneming wordt
benadeeld in zijn positie in de onderneming bijvoorbeeld ten aanzien van promotie
of beloning.
Een vakbondscontactpersoon heeft dezelfde rechten en rechtsbescherming als
leden van de Ondernemingsraad, vastgelegd in de Wet op de
Ondernemingsraden.
ARTIKEL 41A – Faciliteit vakbondscontributie
Indien de werknemer daar schriftelijk om verzoekt, zal de werkgever onder hierna
genoemde voorwaarden de door de werknemer te betalen jaarcontributie aan de
vakbond eenmaal per jaar aan hem vergoeden onder gelijktijdige verlaging van het
brutoloon met het bedrag van die vergoeding. Deze verplichting van de werkgever
geldt alleen indien en voor zover:
a. deze constructie fiscaal is toegestaan;
b. de werknemer een bewijs van betaling van de jaarcontributie aan de
werkgever overlegt;
c. de werknemer voor de uitvoering van de verplichting eventueel verder
benodigde informatie verstrekt.
ARTIKEL 41B - Werkoverleg en overig overleg
1. Er dient overleg tussen de werkgever en de werknemers plaats te vinden.
Werkoverleg op bedrijfsniveau geschiedt binnen de normale arbeidstijden.
2. In ondernemingen waar vóór 4 maart 1998 een ondernemingsraad functioneerde,
dient deze te blijven gehandhaafd. In ondernemingen met ten minste 10, doch
minder dan 50 werknemers, dient een personeelsvertegenwoordiging te worden
ingesteld. In ondernemingen met minder dan 10 werknemers dient ten minste 2
maal per kalenderjaar personeelsoverleg plaats te vinden.
ARTIKEL 42 - Kleine Commissie sector Bitumineuze en
Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
1. Door partijen is ingesteld de Kleine Commissie voor de sector Bitumineuze en
Kunststof Dakbedekkingsbedrijven, welke tot taak heeft het regelmatig voeren van
overleg over alle onderwerpen, de bedrijfstak betreffende. Vast agendapunt dient
altijd het onderwerp arbeidsmarktbeleid te zijn.
Verder heeft de commissie tot taak:
- bevorderen van een goede verstandhouding binnen de bedrijfstak en de
ondernemingen;
- bemiddelen bij geschillen;
- adviseren van de Arbeidsinspectie inzake het verlenen van vergunningen
betreffende aanvragen tot het toepassen van arbeidstijden en te werken uren,
welke afwijken van de in deze arbeidsovereenkomst gestelde uren en tijden;
- verlenen van dispensatie in alle gevallen waarin deze overeenkomst dat
aangeeft.
2. Voor wat betreft de samenstelling zal een gelijk aantal leden door partij ter ene
zijde en door partijen ter andere zijde worden aangewezen. Het totale aantal
commissieleden zal niet meer bedragen dan acht.
3. Het secretariaat van de Kleine Commissie is gevestigd:
Postbus 1248, 3430 BE NIEUWEGEIN, telefoonnummer 030 - 6063238.
ARTIKEL 43 - Dispensatie
Afwijking van het gestelde in deze CAO behoeft de goedkeuring van de Kleine
Commissie voor zover niet al in deze CAO daarin is voorzien.
ARTIKEL 44 - Duur, opzegging en verlenging
1. Deze overeenkomst treedt in werking met ingang van 1 januari 2008.
2. De duur van deze overeenkomst is bepaald op 27 maanden en eindigt op 31
maart 2010 van rechtswege zonder dat formele opzegging vereist is.
3. Voorstellen tot wijziging van deze CAO worden schriftelijk ter kennis gebracht aan
ieder der partijen bij deze arbeidsovereenkomst. Partijen zijn verplicht zo spoedig
mogelijk in onderhandeling te treden over de eventuele ingediende voorstellen tot
wijziging of vernieuwing van deze CAO.
Bijlage I
Als bedoeld in artikel 1 onder punt d en artikel 6 van de CAO voor de Bitumineuze en
Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
Functielijst
Groep 1A
Dakassistent
Een werknemer die op het dak eenvoudige werkzaamheden verricht welke niet in
overwegende mate bestaan uit het aanbrengen van dakbedekkingen en waarvoor
geen specifieke kennis is vereist. Tot deze eenvoudige werkzaamheden worden in
elk geval gerekend:
- onderhoudswerkzaamheden;
- sloopwerkzaamheden;
- het leggen van isolatie;
- fysiek en/of machinaal transport van dakbedekkingsmaterialen en materieel op
het dak c.q. vanaf de begane grond naar het dak;
- schoonmaken, corveeën en opruimen.
Groep 1B
Aankomend dakdekker
Een werknemer die niet zelfstandig kan werken en onder toezicht van de eerste
dakdekker zijn werkzaamheden verricht.
Groep 2
Dakdekker
Een werknemer, die eenvoudige werkzaamheden zelfstandig kan verrichten, doch
niet de bekwaamheid bezit van de eerste dakdekker.
Groep 3
Eerste dakdekker en chauffeur
a. Een werknemer die het vak beheerst doch nog niet als voorman geschikt is.
b. Chauffeur. Een werknemer wiens arbeidstijd als regel in beslag wordt genomen
door het vervoer van materialen in opdracht van zijn werkgever. Hij helpt bij het
laden en lossen en draagt zorg dat dusdanig geladen wordt, dat verlies dan wel
beschadiging van materiaal zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat het verkeer
niet in gevaar wordt gebracht. Hij controleert of de geladen dan wel geloste
goederen in overeenstemming zijn met de hem verstrekte staten en laat voor
ontvangst tekenen.
Indien gedurende enige tijd geen chauffeurswerkzaamheden voorhanden zijn, kan
hij worden verplicht andere hem passende werkzaamheden in de onderneming te
verrichten. Deze arbeid zal geen wijziging brengen in de voor hem geldende
loonbepalingen.
In bijzondere gevallen dan wel indien vervoer van de werknemers dit noodzakelijk
maakt, is hij gehouden langer te werken dan is gesteld in artikel 8 lid 3; een en
ander in het raam van het Rijtijdenbesluit.
Groep 4
Voorman-dakdekker B
Een werknemer die bij alle voorkomende werkzaamheden bekwaam is leiding te
geven aan een ploeg dakdekkers en op elk gebied van het vak allround is.
De voorman-dakdekker B is tevens belast met het toezicht op de veiligheid op het
werk en op het gebruik van de persoonlijke beschermingsmiddelen, bedoeld in artikel
14 lid 4 van de CAO, door de dakdekkers die onder zijn leiding staan.
Groep 5
Voorman-dakdekker A
De voorman-dakdekker B, die als regel leiding geeft aan 5 of meer personen. De
voorman-dakdekker A is tevens belast met het toezicht op de veiligheid op het werk
en op het gebruik van de persoonlijke beschermingsmiddelen, bedoeld in artikel 14
lid 4 van de CAO, door de dakdekkers die onder zijn leiding staan.
Bijlage II
Als bedoeld in artikel 7 van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de Bitumineuze
en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
Artikel 1 - Loonregeling
1. De garantieweeklonen en garantie-uurlonen bedragen met ingang van de eerste
volle loonweek van januari 2008:
Garantielonen voor volwassenen
| Functiegroep | Weekloon | Uurloon |
| 1A en 1B | 437,20 | 10,93 |
| 2 | 462,80 | 11,57 |
| 3 | 488,80 | 12,22 |
| 4 | 515,20 | 12,88 |
| 5 | 541,60 | 13,54 |
Garantielonen voor jeugdigen zonder diploma vakopleiding
leeftijd Weekloon Uurloon
16 jaar 186,90 4,67
17 jaar 207,60 5,19
18 jaar 231,60 5,79
19 jaar 259,60 6,49
20 jaar 342,80 8,57
21 jaar 386,80 9,67
Inloopschaal voor nieuwe instromers (zonder ervaring in de sector)
1e halfjaar 2e halfjaar
Leeftijd Weekloon Uurloon Weekloon Uurloon
16 jaar 126,40 3,16 146,80 3,67
17 jaar 143,20 3,58 164,80 4,12
18 jaar 163,20 4,08 186,00 4,65
19 jaar 186,00 4,65 210,80 5,27
20 jaar 228,00 5,70 266,40 6,66
21 jaar 264,00 6,60 305,20 7,63
vanaf 22 jaar 340,40 8,51 372,80 9,32
De bedragen van de garantielonen op basis van de inloopschaal worden als volgt
samengesteld:
- gedurende het eerste halfjaar: het Wettelijk Minimumloon (WML), vermeerderd
met 1/4 van het verschil tussen het Wettelijk Minimumloon en het garantieloon
van functiegroep 1.
- het Wettelijk Minimumloon, vermeerderd met 1/2 van het verschil tussen het
Wettelijk Minimumloon en het garantieloon van functiegroep 1.
2. Het garantieloon voor jeugdige werknemers wordt in verband met de leeftijd
verhoogd met ingang van de eerste volle loonweek na de verjaardag van de
betrokkene.
3. De werkgever is bevoegd bepaalde jeugdige werknemers op grond van hun
prestaties of bekwaamheid een garantieloon toe te kennen dat hoger is dan in de
leden 1 en 2 van dit artikel is aangegeven. Een dergelijk hoger loon mag niet meer
bedragen dan het garantieloon voor de eerstvolgende leeftijdsklasse van de
groep, waarin de betrokken werknemer is ingedeeld.
4. De Kleine Commissie kan toestemming verlenen aan jeugdige werknemers een
hoger garantieloon - eventueel het garantieloon van de volwassen werknemer - te
betalen.
Artikel 2 - Garantieclausule
1. Minimuminkomen volwassenen
a. Indien het op grond van deze CAO verdiende bruto-inkomen van de in de zin
van deze CAO volwassen werknemer per normale week minder bedraagt dan
het loon, dat bij de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag voor
volwassenen is vastgesteld, zal de werkgever de betreffende werknemer een
aanvulling tot dit bedrag uitbetalen.
b. Onder het bruto-inkomen per normale werkweek wordt verstaan: het aantal
arbeidsuren volgens artikel 8 lid 1 maal het garantie-uurloon, vermeerderd met
alle eventueel verleende inkomstenverhogingen zoals prestatiebeloning, bijslag
voor sloopwerk, diplomatoeslag en premie schadevrij rijden.
2. Minimuminkomen jeugdigen
a. Indien het op grond van deze CAO verdiende bruto-inkomen van de jeugdige
werknemer per normale week minder bedraagt dan het loon, dat bij de Wet
minimum loon en minimum vakantiebijslag ten aanzien van zijn leeftijd is
vastgesteld, zal de werkgever de betreffende werknemer een aanvulling tot dit
bedrag uitbetalen.
b. Onder het bruto-inkomen per normale werkweek wordt verstaan: het aantal
arbeidsuren volgens artikel 8 lid 1 maal het garantieloon, vermeerderd met alle
eventueel verleende inkomstenverhogingen, zoals prestatiebeloning, bijslag
voor sloopwerk, diplomatoeslag en premie schadevrij rijden.
Artikel 3 - Individueel overeengekomen loon
De werknemer en de werkgever kunnen een hoger loon dan het voor de werknemer
geldende garantieloon overeenkomen.
Het gedeelte van het loon boven het garantieloon (persoonlijke toeslag) wordt in een
percentage van het garantieloon uitgedrukt. Het individueel overeengekomen loon
kan gedurende het dienstverband niet worden verlaagd.
Artikel 4 - Prestatiebeloning
Indien men werkt met een productiviteitsbevorderend beloningssysteem, dienen de
maatstaven door de werkgever te worden vastgesteld in redelijk overleg met de
ondernemingsraad of bij gebreke daarvan een representatief deel van de
werknemers in de onderneming. De werkgever dient van de invoering van
vorenbedoeld beloningssysteem kennis te geven aan de Kleine Commissie. Indien
niet wordt gewerkt met een dergelijk systeem, zal de werkgever aan de werknemer
een percentage van het voor die werknemer geldende garantieloon als extra
beloning uitbetalen, naar gelang de werknemer naar het oordeel van de werkgever
op grond van zijn prestatie daarvoor in aanmerking komt.
Artikel 5 - Algemene loonsverhogingen
a. De garantielonen worden gedurende de looptijd van deze CAO volgens de
gebruikelijke systematiek op de volgende wijze verhoogd:
• per 1 juli 2008 met 1,75%.
• per 1 januari 2009 met 1,75%.
• per 1 juli 2009 met 1,50%.
• per 1 januari 2010 met 1,50%
• per 31 maart 2010 met 0,50%.
De procentuele stijging van het consumentenprijsindexcijfer werknemers-laag
(CBS) is daarin begrepen.
b. Aanpassing van individueel overeengekomen lonen, welke hoger zijn dan het
garantieloon, vindt slechts plaats voor zover dit individueel overeengekomen
loon niet hoger is dan 110% van het garantieloon.
Artikel 6 - Minder valide werknemers
De werkgever is bevoegd voor een werknemer, die als gevolg van zijn geestelijke
en/of lichamelijke gesteldheid minder valide is, in overleg met de
Vertrouwensinstantie als bedoeld in artikel 42 van deze CAO een afwijkend
garantieloon vast te stellen.
Artikel 7 - Toeslag voor sloopwerk
1. Indien een bestaande dakbedekking moet worden gesloopt, of indien bij het
aanbrengen van een dakbedekking een isolatie van celglasplaten verwerkt moet
worden, zal de werkgever een extra beloning toekennen in de vorm van een
afzonderlijke toeslag.
Deze toeslag bedraagt per 1 januari 2008 € 0,32 per uur voor de tijd die
daadwerkelijk aan bewerking wordt besteed.
2. De in het eerste lid genoemde toeslag zal per 1 juli en per 1 januari en/of 31
december van ieder jaar aangepast worden aan de hand van het percentage
waarmee de garantielonen verhoogd worden.
Artikel 8 - Diplomatoeslag
Voor chauffeurs, die in het bezit zijn van het CCV-chauffeursdiploma B, zal het in
artikel 1 genoemd garantieloon worden verhoogd met 5%.
Artikel 9 - Premie schadevrij rijden
1. Aan chauffeurs, die in dienst van een werkgever een geheel kwartaal schadevrij
hebben gereden, wordt een premie toegekend.
Onder schadevrij wordt verstaan, dat geen schaden zijn veroorzaakt door schuld
of nalatigheid van de chauffeur.
2. Per 1 januari 2008 is de hoogte van de premie als volgt bepaald:
a. Na afloop van het eerste schadevrij kalenderkwartaal bedraagt de premie over
dat kwartaal € 10,76.
b. Voor ieder direct aansluitend kalenderkwartaal dat schadevrij wordt gereden,
wordt de premie verhoogd met € 1,69 tot een maximum premie van €17,14 per
kwartaal.
Zodra men over een bepaald kwartaal geen premie heeft genoten zal over het
eerstvolgende kalenderkwartaal wederom € 10,76 worden uitbetaald.
c. Nadat 12 aaneengesloten kwartalen schadevrij is gereden, wordt een extra
bonus van € 21,82 toegekend.
Na elke hierop volgende vier aaneengesloten kwartalen schadevrij rijden zal
wederom een extra bonus van € 21,82 worden toegekend.
3. De in het tweede lid, onder a, b en c genoemde premies c.q. bonus zullen per 1
juli en 1 januari en/of per 31 december van ieder jaar aangepast worden aan de
hand van het percentage waarmee de garantielonen verhoogd worden.
Bijlage III
Protocollen
1. Partijen zijn overeengekomen dat er gedurende de looptijd van deze CAO een
onderzoek zal plaatsvinden om na te gaan of ook de bedrijfstakeigen regelingen
voor UTA-werknemers van toepassing kunnen zijn.
2. Partijen bij deze CAO zijn overeengekomen een branchespecifieke norm op te
nemen omtrent het uitleen- en detacheringspersoneel. Als
basisdocument zal de NEN-4400-1 worden gebruikt. Speciale aandacht zal
worden gegeven aan huisvesting en scholing.
3. Om te komen tot een vorm van hitteverlof zal in eerste instantie een commissie
worden ingesteld die nagaat in hoeverre er sprake kan zijn van een bepaalde
regeling. Voorwaarde is wel dat de werkgevers – nader te bepalen – maatregelen
nemen om het gezond en veilig werken in de hitte te bevorderen. Het advies van
de commissie (o.a bestaande uit deskundige(n) van de Stichting Arbouw) kan
ertoe leiden dat een en ander gefinancierd gaat worden vanuit de Stichting SF
BIKUDAK. Financiering wordt dan geregeld in de volgende CAO.
Bijlage IV
MODEL VOOR EEN ARBEIDSREGLEMENT
als bedoeld in artikel 40 van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
Artikel 1 - Algemene bepalingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
Werkgever:
iedere werkgever in het bitumineuze en kunststof dakbedekkingsbedrijf in de zin van
artikel 1, lid a van de CAO.
Werknemer:
hetzij: iedere werknemer in dienst van de werkgever op wie de CAO van toepassing
is.
hetzij: iedere mannelijke of vrouwelijke werknemer, wiens/wier loon per week wordt
uitbetaald.
Bedrijf:
alle objecten waarop de werknemers werkzaam zijn, wier functies zijn opgenomen in
de bij de CAO behorende functielijst.
CAO:
de CAO voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
Artikel 2 - Aanneming
Een werknemer wordt niet als zodanig aangenomen voordat hij een
arbeidsovereenkomst heeft getekend en aan de werkgever ter hand gesteld, in welke
overeenkomst onder meer is gesteld, dat de werknemer een volledig exemplaar van
de voor hem geldende CAO alsmede van dit arbeidsreglement heeft ontvangen, dat
hij van de daarin opgenomen bepalingen goede nota heeft genomen en dat hij zich
met de inhoud van die bepalingen zonder enig voorbehoud verenigt.
Artikel 3 - Mededelingen aan de werknemers
Voor de werknemers bestemde mededelingen worden per circulaire bekend
gemaakt. Deze circulaire bereikt de werknemer per post of via het loonzakje. Door de
werkgever zijn zodanig maatregelen getroffen, dat iedere belanghebbende in het
bezit van een circulaire komt, zodat een beroep op de onbekendheid met de inhoud
daarvan niet kan worden aanvaard, tenzij de werknemer kan aantonen dat deze
onbekendheid hem redelijkerwijze niet kan worden aangerekend.
Artikel 4 - Verplichtingen van de werknemer
1. De werknemer is verplicht zich naar dit reglement, naar de CAO en naar de op
grond van de CAO aangegane overeenkomst en afspraken alsmede naar de door
de werkgever gegeven instructies te gedragen. Hij dient bij het verrichten van zijn
werkzaamheden steeds de grootst mogelijke zorgvuldigheid en voorzichtigheid te
betrachten, met volledige inachtneming van datgene, wat in artikel 4 der CAO
daaromtrent is bepaald.
2. De werknemer is verplicht de door de werkgever verstrekte persoonlijke en/of
collectieve beschermingsmiddelen te gebruiken. Onder persoonlijke en/of
collectieve beschermingsmiddelen worden o.a. verstaan:
- oordoppen;
- een gezichtsmasker casu quo stofkap;
- veiligheidsschoenen;
- werkhandschoenen;
- hekwerk;
- dakrandbeveiliging.
3. De werknemer dient zich in het bedrijf, waar hij werkzaam is, behoorlijk en
correct te gedragen tegenover werkgever, opdrachtgever, architect en hun
gemachtigden.
4. Bij overtreding van de verplichting tot geheimhouding, bedoeld in artikel 4 lid 6
der CAO is de werkgever gerechtigd om - onverminderd de straf bij de wet op
schending van geheimen gesteld (artikel 273 Wetboek van Strafrecht) -
schadevergoeding van betrokken werknemer te vorderen, tenzij hij er de voorkeur
aan mocht geven tot toepassing van het in artikel 16 van dit reglement bepaalde
over te gaan.
Artikel 5 - Arbeidstijd
De arbeidstijden en de rusttijden evenals de reistijd worden door de werkgever
vastgesteld met inachtneming van het in de CAO gestelde. Ze worden per circulaire
bekend gemaakt.
De werknemer moet zich bij de aanvang van de arbeidstijd bevinden op de plaats
waar hij zijn werk moet verrichten en dan terstond met het werk aanvangen. De
werknemer mag zijn werkzaamheden niet vóór het einde van de arbeidstijd
beëindigen.
Vóór het begin en na het einde van de vastgestelde arbeidstijd mag slechts worden
gewerkt indien en voor zover de werkgever daartoe opdracht heeft gegeven dan wel
toestemming heeft verleend.
De werknemer mag noch voor, noch tijdens, noch na de arbeidstijd in het bedrijf
arbeid voor zichzelf of voor derden verrichten, tenzij hem daartoe door of namens de
werkgever opdracht is verstrekt dan wel toestemming is verleend.
De werknemer mag zich gedurende de arbeidstijd slechts uit het bedrijf waar hij
werkzaam is verwijderen, wanneer hem daartoe door of namens de werkgever
toestemming is verleend.
Artikel 6 - Loonbetaling
Het loon moet hetzij door de werkgever hetzij door iemand, aan wie hij een
schriftelijke machtiging heeft verstrekt, als regel bij de werkgever of diens
gemachtigde worden afgehaald. De uitbetaling aan een gemachtigde zal te allen tijde
door de werkgever kunnen worden geweigerd zonder opgave van redenen.
In die gevallen, waarin het loon door de werknemer niet bij de werkgever of diens
gemachtigde kan worden afgehaald, ontvangt de werknemer het loon via een door
de werkgever aan te wijzen tussenpersoon.
De loonbetaling geschiedt op .. dag. Bij elke loonbetaling wordt aan de werknemer
een specificatie van de wijze van vaststelling van het bruto- en nettoloon gegeven.
Van het loon kunnen alle bij overheidsmaatregelen voorgeschreven bijdragen of
aftrek en de op grond van dit reglement, van de CAO of van de op grond van dit
reglement, van de CAO of van de op grond van de CAO aangegane overeenkomsten
of afspraken verschuldigde bijdragen of aftrek worden ingehouden.
Indien het ontvangen loonbedrag niet in overeenstemming mocht zijn met het op de
specificatie aangegeven nettobedrag moet daarvan terstond bij de uitbetaling kennis
worden gegeven. Eventuele bezwaren tegen de loonberekening moeten zo spoedig
mogelijk schriftelijk ter kennis van de werkgever worden gebracht, onder overlegging
van de desbetreffende specificatie.
Artikel 7 - Burgerlijke stand
Een werknemer, die gezinshoofd is, moet van een geboorte of sterfgeval in zijn
gezin, evenals van elke andere gebeurtenis, waarvan de bekendheid daarmede voor
de werkgever van belang kan zijn in verband met de wettelijke bepalingen
betreffende de belastingheffing en de sociale verzekeringen, zo spoedig mogelijk aan
de werkgever kennis geven onder mededeling van de datum waarop de bewuste
gebeurtenis heeft plaatsgevonden en onder overlegging van de door de werkgever
verlangde bewijsstukken.
Een werknemer die in het huwelijk treedt, moet daarvan uiterlijk de tweede dag na de
huwelijkssluiting mededeling doen aan de werkgever onder mededeling van de
datum van het huwelijk.
In geval van echtscheiding van de werknemer moet deze laatste daarvan aan de
werkgever mededeling doen uiterlijk twee dagen na de inschrijving van het
echtscheidingsvonnis in de registers van de Burgerlijke stand.
Een werknemer, die van adres verandert, moet dit onmiddellijk na de verhuizing aan
de werkgever opgeven.
Artikel 8 - Ziekte
In geval van ziekte van de werknemer is de werknemer verplicht hiervan onmiddellijk
- dan wel indien de ziekte intreedt tussen de arbeidstijden of de werkdagen in, voor
aanvang van de eerste voor hem geldende arbeidstijd volgend op het begin van zijn
ziekte - aan de werkgever kennis te geven. De werknemer is verplicht zich
gedurende zijn ziekte te gedragen naar de voorschriften en de bepalingen van de
Ziektewet, van het uitvoerende orgaan van de Ziektewet en van het
Ziekenfondsbesluit.
De werknemer is verplicht aan een door de werkgever of door de betrokken
bedrijfsvereniging aangewezen controlerend arts dan wel lekencontroleur de door
hem (hen) gevraagde inlichtingen te verstrekken en desgevraagd toegang tot zijn
woning te verlenen.
Artikel 9 - Ongeval
Onverminderd de in artikel 8 opgenomen bepalingen is de werknemer verplicht zijn
werkgever onmiddellijk in kennis te stellen van elk letsel of ongeval - hoe gering ook -
dat hem in verband met de uitoefening van zijn arbeid overkomt. De werknemer moet
zich met elke verwonding onmiddellijk vervoegen bij zijn directe chef en de door deze
gegeven aanwijzingen nauwkeurig opvolgen.
Artikel 10 - Medisch onderzoek
De werknemer is gehouden om zich, telkens wanneer de werkgever dat verlangt, te
onderwerpen aan een medisch onderzoek casu quo een periodieke keuring door een
door de werkgever aan te wijzen arts. Bij weigering om zich aan een onderzoek casu
quo periodieke keuring, als in de vorige alinea van dit artikel bedoeld, te
onderwerpen, kan de werknemer met onmiddellijke ingang worden ontslagen.
Artikel 11 - Aansprakelijkheid voor schade
De werknemer is - zoals ook in het Burgerlijk Wetboek is bepaald - aansprakelijk
voor alle schade, waardevermindering, zoekraken of verlies door zijn opzet, schuld of
nalatigheid veroorzaakt aan - respectievelijk met betrekking tot - een zaak of zaken,
die het eigendom van de werkgever zijn of door derden aan de werkgever zijn
toevertrouwd.
In dergelijke gevallen kan de werkgever een schadevergoeding eisen, die door hem
voor ieder geval naar billijkheid wordt vastgesteld en op het loon kan worden
ingehouden.
De werkgever kan echter, indien hij daaraan in een bepaald geval de voorkeur mocht
geven, in plaats van tot het eisen van een schadevergoeding overgaan tot het treffen
van een boete krachtens artikel 16 van dit reglement.
Artikel 12 - Onwerkbaar weer
Onder alle weersomstandigheden dient de werknemer steeds naar zijn werk te gaan,
tenzij door de werkgever anders wordt beslist.
Indien ten gevolge van de weersomstandigheden het werk niet kan worden
aangevangen dan wel niet langer kan worden voortgezet is de werknemer verplicht
zich onmiddellijk met de opzichter - en bij diens afwezigheid met de werkgever in
verbinding te stellen teneinde instructies te ontvangen.
Artikel 13 - Einde van de werkweek
De werknemer is gehouden zijn werkkleding en het hem verstrekte gereedschap
mee naar huis te nemen aan het einde van de werkweek en bij onderbreking van de
werkzaamheden, zulks teneinde moeilijkheden bij overplaatsing naar een ander werk
te voorkomen.
Moet hij na een overplaatsing één en ander nog ophalen, dan kan dit slechts
geschieden op eigen kosten en buiten arbeidstijd.
Artikel 14 - Telefoongesprekken
Van de telefoon mag slechts gebruik worden gemaakt in spoedeisende gevallen, het
werk betreffende. De gemaakte kosten zullen door de werkgever worden vergoed. In
alle andere gevallen worden de kosten niet vergoed.
(Mededelingen van persoonlijke aard, zoals aanvragen voor snipperdagen,
loonklachten enzovoorts dienen schriftelijk of mondeling te worden afgedaan; ook
ziekte- en ongevalsmeldingen komen voor rekening van de werknemer zelf.).
Artikel 15 - Bedrijfskleding
Hetzij:
De werknemer is verplicht om tijdens het werk de door de werkgever voorgeschreven
bedrijfskleding te dragen.
De werknemer moet bij het begin van de week met goed gereinigde en goed
onderhouden bedrijfskleding op het werk verschijnen.
De werkgever behoudt zich het recht voor om werknemers, die dit voorschrift niet
opvolgen, de toegang tot het werk te ontzeggen totdat zij aan de gestelde eisen
hebben voldaan.
De bedrijfskleding wordt verstrekt door en blijft het eigendom van de werkgever. De
uitgifte geschiedt volgens door de werkgever nader vast te stellen regels. Bij vertrek
of beëindiging van het dienstverband en in het geval dat de verstrekte bedrijfskleding
niet langer benodigd is moet de werknemer deze bij de werkgever inleveren.
De werknemer is verplicht voor de aan hem door de werkgever verstrekte
bedrijfskleding de grootste zorg in acht te nemen. Bij aan zijn schuld, onachtzaamheid
of opzet te wijten beschadiging van deze kleding kan de werkgever te zijner
keuze vergoeding van de daardoor ontstane schade - welke vergoeding door hem
naar billijkheid zal worden vastgesteld en op het loon kan worden ingehouden -
eisen, dan wel een boete opleggen krachtens artikel 16 van dit reglement.
Hetzij:
De werknemer is verplicht om tijdens het werk bedrijfskleding te dragen van door de
werkgever voorgeschreven aard. Hij dient bij het begin van de week met goed
gereinigde en goed onderhouden bedrijfskleding op het werk te verschijnen.
De werkgever behoudt zich het recht voor om werknemers, die dit voorschrift niet
opvolgen, de toegang tot het werk te ontzeggen totdat zij aan de gestelde eisen
hebben voldaan.
De werknemers zullen .. maal per jaar in de gelegenheid worden gesteld deze
bedrijfskleding tegen een door de werkgever vastgestelde vergoeding - welke niet
meer zal bedragen dan €….. (eventueel: de helft van de inkoopprijs) - bij de
werkgever te betrekken. De uit dezen hoofde door de werknemer verschuldigde
vergoeding zal in gedeelten op het loon worden ingehouden.
Bij aan schuld, onachtzaamheid of opzet van de werknemer te wijten beschadiging,
verwaarlozing of zoekraken van deze kleding voordat volledige afbetaling heeft
plaatsgevonden, heeft de werkgever het recht het nog niet betaalde gedeelte van de
aanschaffingsprijs direct in zijn geheel op te eisen, terwijl voorts tot het aanschaffen
van nieuwe werkkleding door de werkgever niet eerder gelegenheid zal worden
geboden dan op het tijdstip, waarop dat bij normaal gebruik zou zijn geschied.
Artikel 16 - Boeten
In de hierna volgende gevallen kan de werkgever een boete opleggen ter hoogte van
het bij elk vermelde bedrag. Een opgelegde boete zal niet hoger mogen zijn dan het
bedrag van één dag loon van de betrokken werknemer.
Indien aan werknemer binnen één week meer boeten worden opgelegd, zal het
totale bedrag niet hoger mogen zijn dan het bedrag van één dag loon van de
betrokken werknemer.
De boeten worden gestort in ...
Artikel 17 - Schorsing
In alle gevallen, genoemd in de artikelen .. en .. van dit reglement en in geval van
herhaling van een der overtredingen, genoemd in de artikelen 16 en .. van dit
reglement, kan de werkgever aan de werknemer de toegang tot het werk ontzeggen
zonder behoud van loon voor een termijn van ten hoogste ... dagen.
Artikel 18 - Ontslag met onmiddellijke ingang
De werknemer, die onjuiste, onvolledige of valse mededelingen verstrekt aan de
werkgever (in het bijzonder bij aanneming), die zich misdraagt tegen de goede
zeden, die zich schuldig maakt aan dienstweigering, dronkenschap, bedrog, diefstal,
vernieling of beschadiging van het eigendom van de werkgever of van derden,
wangedrag, ordeverstoring of overtredingen als bedoeld in artikel 7: 678 BW, dan wel
aan overtreding van het bepaalde in de artikelen .. en ... van dit reglement, kan met
onmiddellijke ingang worden ontslagen.
Artikel 19 – Ontslagname zonder inachtneming van de opzegtermijn
De werknemer, die de overeenkomst zonder inachtneming van de opzegtermijn
verbreekt, is aan de werkgever een schadeloosstelling verschuldigd, gelijk aan het
bedrag van het loon over de tijd dat de dienstbetrekking bij regelmatige beëindiging
nog voort zou hebben moeten duren, tenzij de werkgever er voorkeur aan geeft de in
artikel 7: 677 BW genoemde schadevergoeding te vorderen dan wel een vordering
ex artikel 7: 682 BW in te stellen.
Artikel 20 - Uitreiking reglement
Door de werkgever wordt aan de werknemer een exemplaar van dit reglement
uitgereikt.
Door de werknemer wordt een tweede exemplaar van dit reglement getekend als
bewijs van het feit, dat hij zich met de inhoud ervan verenigt. Dit laatste exemplaar
wordt door de werkgever bewaard.
Bijlage V
Tekst van artikelen uit het Burgerlijk Wetboek, Boek 6, Titel 3, waarnaar in de
CAO wordt verwezen
170 1. Voor schade, aan een derde toegebracht door een fout van een
ondergeschikte, is degene in wiens dienst de ondergeschikte zijn taak vervult
aansprakelijk, indien de kans op de fout door de opdracht tot het verrichten
van deze taak is vergroot en degene in wiens dienst hij stond, uit hoofde van
hun desbetreffende rechtsbetrekking zeggenschap had over de gedraging
waarin de fout was gelegen.
2. Stond de ondergeschikte in dient van een natuurlijk persoon en was hij niet
werkzaam voor een beroep of bedrijf van deze persoon, dan is deze slechts
aansprakelijk, indien de ondergeschikte bij het begaan van de fout handelde
ter vervulling van de hem opgedragen taak.
3. Zijn de ondergeschikte en de degene in wiens dienst hij stond, beiden voor
de schade aansprakelijk, dan behoeft de ondergeschikte in hun onderlinge
verhouding niet in de schadevergoeding bij te dragen, tenzij de schade een
gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Uit de omstandigheden
van het geval, mede gelet op de aard van hun verhouding, kan anders
voortvloeien dan in de vorige zin is bepaald.
(Tekst geldend op: 09-07-2006)
Burgerlijk Wetboek Boek 6, Verbintenissenrecht
Titel 3. Onrechtmatige daad
AFDELING 2. Aansprakelijkheid voor personen en zaken
Artikel 6:170
1. Voor schade, aan een derde toegebracht door een fout van een ondergeschikte, is
degene in wiens dienst de ondergeschikte zijn taak vervult aansprakelijk, indien de
kans op de fout door de opdracht tot het verrichten van deze taak is vergroot en
degene in wiens dienst hij stond, uit hoofde van hun desbetreffende
rechtsbetrekking zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was
gelegen.
2. Stond de ondergeschikte in dienst van een natuurlijke persoon en was hij niet
werkzaam voor een beroep of bedrijf van deze persoon, dan is deze slechts
aansprakelijk, indien de ondergeschikte bij het begaan van de fout handelde ter
vervulling van de hem opgedragen taak.
3. Zijn de ondergeschikte en degene in wiens dienst hij stond, beiden voor de schade
aansprakelijk, dan behoeft de ondergeschikte in hun onderlinge verhouding niet in
de schadevergoeding bij te dragen, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet
of bewuste roekeloosheid. Uit de omstandigheden van het geval, mede gelet op
de aard van hun verhouding, kan anders voortvloeien dan in de vorige zin is
bepaald.
Burgerlijk Wetboek Boek 7, Bijzondere overeenkomsten
Titel 10. Arbeidsovereenkomst
AFDELING 1. Algemene bepalingen
Artikel 610
1. De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer,
zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende
zekere tijd arbeid te verrichten.
2. Indien een overeenkomst zowel aan de omschrijving van lid 1 voldoet als aan die
van een andere door de wet geregelde bijzondere soort van overeenkomst, zijn de
bepalingen van deze titel en de voor de andere soort van overeenkomst gegeven
bepalingen naast elkaar van toepassing. In geval van strijd zijn de bepalingen van
deze titel van toepassing.
AFDELING 2. Loon
Artikel 628
1. De werknemer behoudt het recht op het naar tijdruimte vastgestelde loon indien hij
de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid
voor rekening van de werkgever behoort te komen.
2. Indien hem krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering of krachtens
enige verzekering of uit enig fonds waarin de deelneming is overeengekomen bij
of voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst, een geldelijke uitkering toekomt, wordt
het loon verminderd met het bedrag van die uitkering.
3. Indien het loon in geld op andere wijze dan naar tijdruimte is vastgesteld, zijn de
bepalingen van dit artikel van toepassing, met dien verstande dat als loon wordt
beschouwd het gemiddelde loon dat de werknemer, wanneer hij niet verhinderd
was geweest, gedurende die tijd had kunnen verdienen.
4. Het loon wordt echter verminderd met het bedrag van de onkosten die de
werknemer zich door het niet-verrichten van de arbeid heeft bespaard.
5. Van de leden 1 tot en met 4 kan voor de eerste zes maanden van de
arbeidsovereenkomst slechts bij schriftelijke overeenkomst worden afgeweken ten
nadele van de werknemer.
6. In geval van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten in de zin van artikel 668a
kan een afwijking als bedoeld in lid 5 in totaal voor ten hoogste zes maanden
worden overeengekomen.
7. Na het verstrijken van de termijn, bedoeld in lid 5, kan van dit artikel slechts bij
collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe
bevoegd bestuursorgaan worden afgeweken ten nadele van de werknemer.
Artikel 629
1. Voor zover het loon niet meer bedraagt dan het bedrag, bedoeld in artikel 17,
eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een
loontijdvak van een dag, behoudt de werknemer voor een tijdvak van 104 weken
recht op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon, maar de eerste 52 weken
ten minste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon, indien hij de
bedongen arbeid niet heeft verricht omdat hij in verband met ongeschiktheid ten
gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling daartoe verhinderd was.
2. Voor de werknemer die ten behoeve van zijn werkgever uitsluitend of nagenoeg
uitsluitend huiselijke of persoonlijke diensten op minder dan drie dagen per week
verricht, geldt het in lid 1 bedoelde recht voor een tijdvak van zes weken.
3. De werknemer heeft het in lid 1 bedoelde recht niet:
a. indien de ziekte door zijn opzet is veroorzaakt of het gevolg is van een gebrek
waarover hij in het kader van een aanstellingskeuring valse informatie heeft
verstrekt en daardoor de toetsing aan de voor de functie opgestelde
belastbaarheidseisen niet juist kon worden uitgevoerd;
b. voor de tijd, gedurende welke door zijn toedoen zijn genezing wordt belemmerd
of vertraagd;
c. voor de tijd, gedurende welke hij, hoewel hij daartoe in staat is, zonder
deugdelijke grond passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 4 voor de
werkgever of voor een door de werkgever met toestemming van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen aangewezen derde,
waartoe de werkgever hem in de gelegenheid stelt, niet verricht;
d. voor de tijd, gedurende welke hij zonder deugdelijke grond weigert mee te
werken aan door de werkgever of door een door hem aangewezen deskundige
gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn
om de werknemer in staat te stellen passende arbeid als bedoeld in artikel 658a
lid 4 te verrichten;
e. voor de tijd, gedurende welke hij zonder deugdelijke grond weigert mee te
werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als
bedoeld in artikel 658a lid 3;
f. voor de tijd gedurende welke hij zonder deugdelijk grond zijn aanvraag om een
uitkering als bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen later indient dan in dat artikel is voorgeschreven.
4. In afwijking van lid 1 heeft de vrouwelijke werknemer het in dat lid bedoelde recht
niet gedurende de periode dat zij zwangerschaps- of bevallingsverlof geniet
overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg.
5. Het loon wordt verminderd met het bedrag van enige geldelijke uitkering die de
werknemer toekomt krachtens enige wettelijke voorgeschreven verzekering of
krachtens enige verzekering of uit enig fonds waarin de werknemer niet
deelneemt, voorzover deze uitkering betrekking heeft op de bedongen arbeid
waaruit het loon wordt genoten. Het loon wordt voorts verminderd met het bedrag
van de inkomsten, door de werknemer in of buiten dienstbetrekking genoten voor
werkzaamheden die hij heeft verricht gedurende de tijd dat hij, zo hij daartoe niet
verhinderd was geweest, de bedongen arbeid had kunnen verrichten.
6. De werkgever is bevoegd de betaling van het in het lid 1 bedoelde loon op te
schorten voor de tijd, gedurende welke de werknemer zich niet houdt aan door de
werkgever schriftelijk gegeven redelijke voorschriften omtrent het verstrekken van
de inlichtingen die de werkgever behoeft om het recht op loon vast te stellen.
7. De werkgever kan geen beroep meer doen op enige grond het loon geheel of
gedeeltelijk niet te betalen of de betaling daarvan op te schorten, indien hij de
werknemer daarvan geen kennis heeft gegeven onverwijld nadat bij hem het
vermoeden van het bestaan daarvan is gerezen of redelijkerwijs had behoren te
rijzen.
8. Artikel 628 lid 3 is van overeenkomstige toepassing.
9. Van dit artikel kan ten nadele van de werknemer slechts in zoverre worden
afgeweken dat bedongen kan worden dat de werknemer voor de eerste twee
dagen van het in lid 1 of lid 2 bedoelde tijdvak geen recht op loon heeft.
10. Voor de toepassing van de leden 1, 2 en 9 worden perioden, waarin de
werknemer in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte, zwangerschap
of bevalling verhinderd is geweest zijn arbeid te verrichten, samengeteld indien
zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij
direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of
bevallingsverlof wordt genoten als bedoeld in artikel 3:1, tweede en derde lid, van
de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan
worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
11. Het tijdvak van 104 weken, bedoeld in lid 1, wordt verlengd:
a. met de duur van de vertraging indien de werkgever de aangifte, bedoeld in
artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet later doet dan in dat artikel is
voorgeschreven;
b. met de duur van de vertraging indien de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste
lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen later wordt gedaan dan
in of op grond van dat artikel is voorgeschreven;
c. met de duur van het verlengde tijdvak dat het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op grond van artikel 24, eerste lid, van de Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen heeft vastgesteld of met de duur van het
tijdvak, bedoeld in artikel 25, negende lid, eerste zin, van die wet;
d. met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste
lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, indien die wachttijd
op grond van het zevende lid van dat artikel wordt verlengd; en
e. met de duur van het tijdvak dat het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op grond van artikel 71a, negende lid, van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft vastgesteld.
12. Indien de werknemer passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 4 verricht,
blijft de arbeidsovereenkomst onverkort in stand.
Artikel 629a
1. De rechter wijst een vordering tot betaling van loon als bedoeld in artikel 629 af,
indien bij de eis niet een verklaring is gevoegd van een deskundige, benoemd
door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5
van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, omtrent de
verhindering van de werknemer om de bedongen of andere passende arbeid te
verrichten respectievelijk diens nakoming van de verplichtingen, bedoeld in artikel
660a.
2. Lid 1 geldt niet indien de verhindering respectievelijk de nakoming niet wordt
betwist of het overleggen van de verklaring in redelijkheid niet van de werknemer
kan worden gevergd.
3. De deskundige, die zijn benoeming heeft aanvaard, is verplicht zijn onderzoek
onpartijdig en naar beste weten te volbrengen.
4. De deskundige die de hoedanigheid van arts bezit, kan de voor zijn onderzoek van
belang zijnde inlichtingen over de werknemer inwinnen bij de behandelende arts of
de behandelend artsen. Zij verstrekken de gevraagde inlichtingen voor zover
daardoor de persoonlijke levenssfeer van de werknemer niet onevenredig wordt
geschaad.
5. De rechter kan op verzoek van een der partijen of ambtshalve bevelen dat de
deskundige zijn verklaring nader schriftelijk of mondeling toelicht of aanvult.
6. De werknemer wordt ter zake van een vordering als bedoeld in het eerste lid
slechts in de kosten van de werkgever als bedoeld in artikel 237 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk
gebruik van procesrecht.
7. Bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe
bevoegd bestuursorgaan kan worden bepaald dat de in het eerste lid bedoelde
deskundige door een ander dan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt aangewezen.
AFDELING 3. Vakantie en verlof
Artikel 634
1. De werknemer verwerft over ieder jaar waarin hij gedurende de volledige
overeengekomen arbeidsduur recht op loon heeft gehad, aanspraak op vakantie
van ten minste vier maal de overeengekomen arbeidsduur per week of, als de
overeengekomen arbeidsduur in uren per jaar is uitgedrukt, van ten minste een
overeenkomstige tijd.
2. De werknemer die over een deel van een jaar recht op loon heeft gehad, verwerft
over dat deel aanspraak op vakantie die een evenredig gedeelte bedraagt van
datgene waarop hij recht zou hebben gehad als hij gedurende het gehele jaar
recht had op loon over de volledige overeengekomen arbeidsduur.
3. Bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe
bevoegd bestuursorgaan kan ten aanzien van werknemers wier
arbeidsovereenkomst eindigt nadat deze ten minste een maand heeft geduurd,
van lid 2 worden afgeweken in dier voege dat de aanspraak op vakantie wordt
berekend over tijdvakken van een maand.
Artikel 635
1. In afwijking van artikel 634 verwerft de werknemer aanspraak op vakantie over het
tijdvak, gedurende hetwelk hij geen recht heeft op in geld vastgesteld loon, omdat:
a. hij, anders dan voor oefening en opleiding, als dienstplichtige is opgeroepen ter
vervulling van zijn militaire dienst of vervangende dienst;
b. hij vakantie als bedoeld in artikel 641 lid 3 geniet;
c. hij, met toestemming van de werkgever, deelneemt aan een bijeenkomst die
wordt georganiseerd door een vakvereniging waarvan hij lid is;
d. hij, anders dan ten gevolge van de arbeidsongeschiktheid, bedoeld in de leden
2 tot en met 4, tegen zijn wil niet in staat is om de overeengekomen arbeid te
verrichten;
e. hij verlof als bedoeld in artikel 643 geniet;
f. hij verlof als bedoeld in hoofdstuk 5, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg
geniet.
2. In afwijking van artikel 634 verwerft de vrouwelijke werknemer die wegens
zwangerschap of bevalling niet gedurende een geheel jaar aanspraak op loon
verwerft, over de volledige overeengekomen arbeidsduur aanspraak op vakantie
over het tijdvak dat zij recht heeft op een uitkering als bedoeld in hoofdstuk 3,
afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg.
3. In afwijking van artikel 634 verwerft de werknemer die wegens adoptieverlof of
verlof voor het opnemen van een pleegkind niet gedurende een geheel jaar
aanspraak op loon verwerft, over de volledige overeengekomen arbeidsduur
aanspraak op vakantie over het tijdvak dat hij recht heeft op een uitkering als
bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg.
4. In afwijking van artikel 634 verwerft de werknemer die de bedongen arbeid niet
verricht wegens ziekte, ongeacht of hij aanspraak heeft op loon, aanspraak op
vakantie over het tijdvak van de laatste zes maanden waarin de arbeid niet werd
verricht, met dien verstande dat tijdvakken worden samengeteld als zij elkaar met
een onderbreking van minder dan een maand opvolgen. De werknemer die de
bedongen arbeid slechts voor een gedeelte van de overeengekomen arbeidsduur
niet verricht wegens ziekte, verwerft slechts aanspraak op vakantie die een
evenredig gedeelte bedraagt van datgene waarop hij recht zou hebben gehad als
hij gedurende de volledige arbeidsduur arbeid zou hebben verricht. Indien de
ziekte door opzet van de werknemer is ontstaan of het gevolg is van een gebrek
waarover hij in het kader van een aanstellingskeuring opzettelijk valse inlichtingen
heeft gegeven, verwerft de werknemer evenmin aanspraak op vakantie. De
werknemer heeft evenmin aanspraak op vakantie voor de tijd gedurende welke hij
door zijn toedoen zijn genezing belemmert of vertraagt, hij, hoewel hij daartoe in
staat is, zonder deugdelijke grond passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 4
voor de werkgever of voor een door de werkgever met toestemming van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aangewezen derde, waartoe de
werkgever hem in de gelegenheid stelt, niet verricht dan wel hij zonder deugdelijke
grond weigert mee te werken aan door de werkgever of door een door hem
aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en getroffen maatregelen
die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid te
verrichten.
5. De jeugdige werknemer verwerft aanspraak op vakantie over de tijd die hij
besteedt aan het volgen van het onderricht waartoe hij krachtens de wet door de
werkgever in de gelegenheid moet worden gesteld.
6. Indien een aanspraak op vakantie is verworven die het in artikel 634 bedoelde
minimum te boven gaat, kan voorzover die aanspraak dat minimum te boven gaat,
bij schriftelijke overeenkomst van de leden 1 tot en met 4 worden afgeweken ten
nadele van de werknemer.
Artikel 636
1. Dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer de overeengekomen arbeid
niet verricht wegens een van de redenen, bedoeld in artikel 635 leden 1, 4 en 5
kunnen slechts indien in een voorkomend geval de werknemer ermee instemt
worden aangemerkt als vakantie, met dien verstande dat de werknemer ten minste
recht houdt op het in artikel 634 bedoelde minimum.
2. Dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer de overeengekomen arbeid
niet verricht wegens een van de redenen, bedoeld in artikel 635, leden 2 en 3,
kunnen niet worden aangemerkt als vakantie.
Artikel 641
1. Een werknemer die bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak op
vakantie heeft, heeft recht op een uitkering in geld tot een bedrag van het loon
over een tijdvak overeenkomend met de aanspraak, tenzij artikel 639 lid 2 van
toepassing is.
2. De werkgever is verplicht aan de werknemer een verklaring uit te reiken waaruit
blijkt over welk tijdvak de werknemer bij het einde van de arbeidsovereenkomst
nog aanspraak op vakantie heeft.
3. Indien de werknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst aangaat, heeft hij
tegenover de nieuwe werkgever aanspraak op vakantie zonder behoud van loon
gedurende het tijdvak waarover hij blijkens de in lid 2 bedoelde verklaring nog
aanspraak op vakantie had.
4. Bij schriftelijke overeenkomst kan van lid 3 worden afgeweken, met dien verstande
dat de werknemer ten minste recht houdt op het in artikel 634 bedoelde minimum.
Artikel 643
1. De werknemer kan verlangen dat de werkgever hem verlof zonder behoud van
loon verleent voor het als lid bijwonen van vergaderingen van de Eerste Kamer der
Staten-Generaal, van vertegenwoordigende organen van publiekrechtelijke
lichamen die bij rechtstreekse verkiezing worden samengesteld, uitgezonderd
echter de Tweede Kamer der Staten-Generaal, alsmede van commissies uit deze
organen. Deze bepaling vindt mede toepassing op de werknemer die deel
uitmaakt van een met algemeen bestuur belast orgaan van een waterschap.
2. Indien daarover tussen de werkgever en de werknemer geen overeenstemming
bestaat, stelt de rechter op verzoek van de meest gerede partij vast in welke mate
dit verlof behoort te worden verleend. De rechter beoordeelt in hoever, gezien het
belang dat de werknemer aan de in lid 1 bedoelde vergaderingen kan deelnemen,
in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd dat de werknemer afwezig
is. De beschikking van de rechter is uitvoerbaar bij voorraad.
3. De leden 1 en 2 vinden overeenkomstige toepassing op gedeputeerden,
wethouders en leden van het dagelijks bestuur van een waterschap, wier functie
niet als een volledige wordt bezoldigd. Bij algemene maatregel van bestuur wordt
bepaald, welke gedeputeerdenfuncties en wethoudersfuncties voor de toepassing
van dit artikel als volledig bezoldigd worden aangemerkt.
4. Dit artikel blijft buiten toepassing ten aanzien van die groepen werknemers voor
wie uit hoofde van verlening van rijksvergoeding bij of krachtens de wet een
andere regeling is vastgesteld.
AFDELING 5. Enkele bijzondere bedingen in de arbeidsovereenkomst
Artikel 650
1. De werkgever kan slechts boete stellen op de overtreding van de voorschriften van
de arbeidsovereenkomst, indien in de arbeidsovereenkomst de voorschriften op de
overtreding waarvan boete is gesteld en het bedrag van de boete zijn vermeld.
2. De overeenkomst waarbij boete wordt bedongen, wordt schriftelijk aangegaan.
3. De overeenkomst waarbij boete is bedongen, vermeldt nauwkeurig de
bestemming van de boete. Zij mogen noch onmiddellijk noch middellijk strekken
tot persoonlijk voordeel van de werkgever zelf of van degene aan wie de
werkgever de bevoegdheid heeft verleend om aan werknemers een boete op te
leggen.
4. Iedere boete, in een overeenkomst bedongen, is op een bepaald bedrag gesteld,
uitgedrukt in het geld waarin het loon in geld is vastgesteld.
5. Binnen een week mag aan de werknemer geen hoger bedrag aan gezamenlijke
boetes worden opgelegd dan zijn in geld vastgesteld loon voor een halve dag.
Geen afzonderlijke boete mag hoger dan dit bedrag worden gesteld.
6. Elk beding in strijd met enige bepaling van dit artikel is nietig. Echter mag, doch
alleen ten aanzien van werknemers wier in geld vastgesteld loon meer bedraagt
dan het voor hen geldende minimumloon bij schriftelijk aangegane overeenkomst
van de bepalingen van de leden 3, 4 en 5 worden afgeweken. Is zulks geschied,
dan zal de rechter steeds bevoegd zijn de boete op een kleinere som te bepalen,
indien de opgelegde boete hem bovenmatig voorkomt.
7. Ondergaat het bedrag van het loon, genoemd in lid 6, wijziging, dan wordt de
werking van bedingen waarbij van de leden 3, 4 en 5 is afgeweken, geschorst
jegens de werknemer wiens in geld vastgesteld loon niet meer bedraagt dan het
gewijzigd bedrag van het minimumloon.
8. Onder het stellen en bedingen van boete in de zin van dit artikel wordt begrepen
het door de werkgever bedingen van boete als bedoeld in de artikelen 91 tot en
met 94 van Boek 6.
AFDELING 6. Enkele bijzondere verplichtingen van de werkgever
Artikel 658a
1. De werkgever bevordert ten aanzien van de werknemer die in verband met
ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te
verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf. Indien vaststaat dat de eigen
arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen
andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever, gedurende het
tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft op grond van artikel
629, artikel 71a, negende lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of artikel 25, negende lid, van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, de inschakeling van de werknemer in voor hem
passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.
2. Uit hoofde van de uitoefening van zijn taak, bedoeld in lid 1, is de werkgever
verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te
verstrekken als redelijkerwijs nodig is, opdat de werknemer, die in verband met
ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te
verrichten, in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te
verrichten.
3. Uit hoofde van de uitoefening van zijn taak, bedoeld in lid 1, stelt de werkgever in
overeenstemming met de werknemer een plan van aanpak op als bedoeld in
artikel 71a, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en
artikel 25, tweede lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Het
plan van aanpak wordt met medewerking van de werknemer regelmatig
geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.
4. Onder passende arbeid als bedoeld in lid 1 en 2 wordt verstaan alle arbeid die
voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij
aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem
kan worden gevergd.
5. De werkgever en degene door wie de werkgever zich op grond van artikel 14 van
de Arbeidsomstandighedenwet 1998 laat bijstaan, verstrekken een reïntegratiebedrijf
als bedoeld in artikel 1 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
gegevens voorzover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de door de
werkgever aan dit bedrijf opgedragen werkzaamheden, alsmede het sociaalfiscaalnummer
van de persoon wiens inschakeling in de arbeid door dat reïntegratiebedrijf
wordt bevorderd. Het reïntegratiebedrijf verwerkt deze gegevens slechts
voorzover dat noodzakelijk is voor deze werkzaamheden en gebruikt slechts met
dat doel het sociaal-fiscaalnummer bij die verwerking. Onder sociaalfiscaalnummer
wordt in dit artikel verstaan het nummer, bedoeld in artikel 2, derde
lid, onderdeel j, van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen.
6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de eigenrisicodrager, bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Ziektewet en de persoon, bedoeld in
artikel 63, eerste lid, van de Ziektewet, gedurende de periode dat de
eigenrisicodrager aan die persoon ziekengeld moet betalen.
Artikel 658b
1. De rechter wijst een vordering tot nakoming van de verplichting, bedoeld in artikel
658a lid 2, af, indien bij de eis niet een verklaring is gevoegd van een deskundige,
benoemd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in
hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, omtrent
de nakoming van die verplichting door de werkgever.
2. Lid 1 geldt niet indien de nakoming niet wordt betwist of het overleggen van de
verklaring in redelijkheid niet van de werknemer kan worden gevergd.
3. De deskundige, die zijn benoeming heeft aanvaard, is verplicht zijn onderzoek
onpartijdig en naar beste weten te volbrengen.
4. De deskundige die de hoedanigheid van arts bezit, kan de voor zijn onderzoek van
belang zijnde inlichtingen over de werknemer inwinnen bij de behandelend arts of
de behandelend artsen. Zij verstrekken de gevraagde inlichtingen voor zover
daardoor de persoonlijke levenssfeer van de werknemer niet onevenredig wordt
geschaad.
5. De rechter kan op verzoek van een der partijen of ambtshalve bevelen dat de
deskundige zijn verklaring nader schriftelijk of mondeling toelicht of aanvult.
6. De werknemer wordt ter zake van een vordering als bedoeld in het eerste lid
slechts in de kosten van de werkgever, bedoeld in artikel 237 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk
gebruik van procesrecht.
7. Bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe
bevoegd bestuursorgaan kan worden bepaald dat de in het eerste lid bedoelde
deskundige door een ander dan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur
uitvoeringsorganisatie werk en inkomen wordt aangewezen.
AFDELING 7. Enkele bijzondere verplichtingen van de werknemer
Artikel 660a
De werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd
is de bedongen arbeid te verrichten, is verplicht:
a. gevolg te geven aan door de werkgever of een door hem aangewezen
deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door de
werkgever of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen als
bedoeld in artikel 658a lid 2;
b. zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een
plan van aanpak als bedoeld in artikel 658a lid 3;
c. passende arbeid als bedoeld in artikel 658a lid 4 te verrichten waartoe de
werkgever hem in de gelegenheid stelt.
AFDELING 9. Einde van de arbeidsovereenkomst
Artikel 667
1. Een arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege, wanneer de tijd is verstreken
bij overeenkomst, bij de wet of door het gebruik aangegeven.
2. Voorafgaande opzegging is in dat geval nodig:
a. indien zulks bij schriftelijk aangegane overeenkomst is bepaald;
b. indien volgens de wet of het gebruik opzegging behoort plaats te vinden en
daarvan niet, waar zulks geoorloofd is, bij schriftelijk aangegane overeenkomst
is afgeweken.
3. Een arbeidsovereenkomst als bedoeld in lid 1 kan slechts tussentijds worden
opgezegd indien voor ieder der partijen dat recht schriftelijk is overeengekomen.
4. Indien een voor onbepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst, die anders dan
door rechtsgeldige opzegging of door ontbinding door de rechter is geëindigd,
éénmaal of meermalen is voortgezet door een arbeidsovereenkomst voor
bepaalde tijd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, is in afwijking van
lid 1 voor de beëindiging van die laatste arbeidsovereenkomst voorafgaande
opzegging nodig. De termijn van opzegging wordt berekend vanaf het tijdstip van
totstandkoming van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
5. Van een voortgezette arbeidsovereenkomst als bedoeld in lid 4 is eveneens
sprake indien eenzelfde werknemer achtereenvolgens in dienst is geweest bij
verschillende werkgevers die redelijkerwijze geacht moeten worden ten aanzien
van de verrichte arbeid elkanders opvolger te zijn.
6. Voor de beëindiging van een voor onbepaalde tijd aangegane
arbeidsovereenkomst is voorafgaande opzegging nodig.
7. Een beding, krachtens hetwelk de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt
wegens het in het huwelijk treden van de werknemer of wegens het aangaan van
een geregistreerd partnerschap door de werknemer, is nietig.
8. Een beding, krachtens hetwelk de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt
wegens zwangerschap of bevalling van de werkneemster, is nietig.
Artikel 668
1. Indien de arbeidsovereenkomst na het verstrijken van de tijd, bedoeld in artikel
667 lid 1, door partijen zonder tegenspraak wordt voortgezet, wordt zij geacht voor
dezelfde tijd, doch telkens ten hoogste voor een jaar, op de vroegere voorwaarden
wederom te zijn aangegaan.
2. Hetzelfde geldt, wanneer in de gevallen waarin opzegging nodig is, tijdige
opzegging achterwege blijft en de gevolgen van de voortzetting der
arbeidsovereenkomst niet opzettelijk zijn geregeld.
Artikel 668a
1. Vanaf de dag dat tussen dezelfde partijen:
a. arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen van niet
meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden,
deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden, geldt met ingang van die
dag de laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd;
b. meer dan 3 voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar
hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 3 maanden, geldt de
laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd.
2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten
tussen een werknemer en verschillende werkgevers, die ten aanzien van
de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden elkanders opvolger te
zijn.
3. Lid 1, onderdeel a en laatste zinsnede, is niet van toepassing op een
arbeidsovereenkomst aangegaan voor niet meer dan 3 maanden die onmiddellijk
volgt op een tussen dezelfde partijen aangegane arbeidsovereenkomst voor 36
maanden of langer.
4. De termijn van opzegging wordt berekend vanaf het tijdstip van totstandkoming
van de eerste arbeidsovereenkomst als bedoeld onder a of b van lid 1.
5. Van de leden 1 tot en met 4 kan slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij
regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan worden afgeweken
ten nadele van de werknemer.
Artikel 670
1. De werkgever kan niet opzeggen gedurende de tijd dat de werknemer ongeschikt
is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, tenzij de ongeschiktheid:
a. ten minste twee jaren heeft geduurd;
b. een aanvang heeft genomen nadat een verzoek om toestemming als bedoeld in
artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 door de
Centrale organisatie werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 4 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen is ontvangen.
Voor de berekening van de termijn, bedoeld in onderdeel a, worden perioden van
ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid tengevolge van zwangerschap
voorafgaand aan het zwangerschapsverlof en perioden van ongeschiktheid tijdens
het zwangerschaps- of bevallingsverlof, bedoeld in artikel 3:1, tweede en derde lid,
van de Wet arbeid en zorg, niet in aanmerking genomen. Voorts worden perioden
van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, anders dan bedoeld in de vorige
zin, samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier
weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode
waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel
3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, tenzij de ongeschiktheid
redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.
2. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst met een werkneemster niet opzeggen
gedurende de zwangerschap. De werkgever kan ter staving van de zwangerschap
een verklaring van een arts of van een verloskundige verlangen. Voorts kan de
werkgever de arbeidsovereenkomst van de werkneemster niet opzeggen
gedurende de periode waarin zij bevallingsverlof als bedoeld in artikel 3:1, derde
lid, van de Wet arbeid en zorg geniet en na werkhervatting, gedurende het tijdvak
van zes weken aansluitend op dat bevallingsverlof, dan wel aansluitend op een
periode van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid die haar oorzaak vindt in
de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap en die aansluit op dat
bevallingsverlof.
3. De werkgever kan niet opzeggen gedurende de tijd dat de werknemer verhinderd
is de bedongen arbeid te verrichten, omdat hij als dienstplichtige is opgeroepen ter
vervulling van zijn militaire dienst of vervangende dienst.
4. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet opzeggen met de werknemer die
lid is van:
1°. een ondernemingsraad, een centrale ondernemingsraad, een
groepsondernemingsraad, een vaste commissie van die raden of van een
onderdeelcommissie van de ondernemingsraad, of van een
personeelsvertegenwoordiging;
2°. een bijzondere onderhandelingsgroep of een Europese ondernemingsraad
als bedoeld in de Wet op de Europese ondernemingsraden, dan wel die
krachtens die wet optreedt als vertegenwoordiger bij een andere wijze van
informatieverstrekking en raadpleging van werknemers;
3°. een bijzondere onderhandelingsgroep, of een SE-ondernemingsraad of als
werknemersvertegenwoordiger lid is van het toezichthoudend of het
bestuursorgaan van de SE als bedoeld in de Wet rol werknemers bij de
Europese vennootschap, dan wel die krachtens die wet optreedt als
vertegenwoordiger bij een andere wijze van informatieverstrekking en
raadpleging van werknemers.
Indien de werkgever aan de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging
een secretaris heeft toegevoegd, is de eerste volzin op die secretaris
van overeenkomstige toepassing. Indien de werkgever aan de ondernemingsraad
een secretaris heeft toegevoegd, is de eerste volzin van dit lid van
overeenkomstige toepassing op die secretaris.
5. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet opzeggen wegens het
lidmaatschap van de werknemer van een vereniging van werknemers die
krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen van de leden als werknemer te
behartigen dan wel wegens het verrichten van of deelnemen aan activiteiten ten
behoeve van die vereniging, tenzij die activiteiten in de arbeidstijd van de
werknemer wordt verricht zonder toestemming van de werkgever.
6. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst met de werknemer die daarvoor verlof
heeft, niet opzeggen wegens het bijwonen van vergaderingen als bedoeld in artikel
643. Hetzelfde geldt indien tussen partijen geen overeenstemming over het verlof
bestaat zolang de rechter omtrent het verlof niet heeft beschikt.
7. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet opzeggen wegens de
omstandigheid dat de werknemer zijn recht op adoptieverlof of verlof voor het
opnemen van een pleegkind als bedoeld in artikel 3:2 van de Wet arbeid en zorg,
op kort- en langdurend zorgverlof als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Wet arbeid en
zorg, dan wel zijn recht op ouderschapsverlof als bedoeld in hoofdstuk 6 van de
Wet arbeid en zorg geldend maakt.
8. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst met de in zijn onderneming werkzame
werknemer niet opzeggen wegens de in artikel 662, lid 2, onderdeel a, bedoelde
overgang van die onderneming.
9. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet opzeggen wegens de
omstandigheid dat de werknemer geen instemming verleent aan het werken op
zondag als bedoeld in artikel 5:4, eerste lid, derde volzin, van de Arbeidstijdenwet.
10. De termijn van twee jaren, bedoeld in lid 1, onderdeel a, wordt verlengd:
a. met de duur van de vertraging indien de werkgever de aangifte, bedoeld in
artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet later doet dan in dat artikel is
voorgeschreven;
b. met de duur van de vertraging indien de aanvraag, bedoeld in artikel 64, eerste
lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen later wordt gedaan
dan in of op grond van dat artikel is voorgeschreven;
c. met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 19, eerste
lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, indien die wachttijd
op grond van het zevende lid van dat artikel wordt verlengd; en
d. met de duur van het tijdvak dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
op grond van artikel 24, eerste lid, of artikel 25, negende lid, van
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen dan wel op grond van artikel
71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft
vastgesteld.
11. Voor de toepassing van lid 4 en artikel 670a lid 1 wordt tevens onder de SEondernemingsraad
verstaan: het orgaan dat de werknemers vertegenwoordigt in
een SE die haar statutaire zetel heeft in een andere lidstaat, en dat is ingesteld
krachtens de bepalingen in het nationale recht van die lidstaat ter omzetting van
de richtlijn nr. 2001/86 van de Raad van de Europese Unie van 8 oktober 2001
tot aanvulling van het statuut van de Europese vennootschap met betrekking tot
de rol van de werknemers (PbEG L 294).
12. Van de leden 1 eerste zin en 3 kan slechts worden afgeweken bij collectieve
arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd
bestuursorgaan.
Artikel 674
1. De arbeidsovereenkomst eindigt door de dood van de werknemer.
2. Niettemin is de werkgever verplicht aan de nagelaten betrekkingen van de
werknemer over de periode vanaf de dag na overlijden tot en met één maand na
de dag van het overlijden, een uitkering te verlenen ten bedrage van het loon dat
de werknemer laatstelijk rechtens toekwam.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder nagelaten betrekkingen verstaan de
langstlevende der echtgenoten dan wel geregistreerde partners van wie de
werknemer niet duurzaam gescheiden leefde dan wel degene met wie de
werknemer ongehuwd samenleefde, bij ontstentenis van deze de minderjarige
kinderen tot wie de overledene in familierechtelijke betrekking stond en bij
ontstentenis van dezen degene met wie de werknemer in gezinsverband leefde en
in wiens kosten van bestaan hij grotendeels voorzag. Van ongehuwd samenleven
als bedoeld in de eerste zin is sprake indien twee ongehuwde personen een
gezamenlijke huishouding voeren, met uitzondering van bloedverwanten in de
eerste graad. Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in de tweede zin is
sprake indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij
blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een
bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars
verzorging voorzien.
4. De overlijdensuitkering, bedoeld in lid 2, kan worden verminderd met het bedrag
van de uitkering dat aan de nagelaten betrekkingen ter zake van het overlijden van
de werknemer toekomt krachtens een wettelijk voorgeschreven ziekte- of
arbeidsongeschiktheidsverzekering en krachtens de Toeslagenwet.
5. Lid 2 geldt niet indien de werknemer onmiddellijk voorafgaande aan het overlijden
door toepassing van artikel 629 lid 3, geen aanspraak had op loon als bedoeld in
artikel 629 lid 1 of indien ten gevolge van het toedoen van de werknemer geen
aanspraak bestaat op een uitkering krachtens een wettelijk voorgeschreven ziekteof
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
6. Van dit artikel kan niet ten nadele van de nagelaten betrekkingen worden
afgeweken.
Artikel 676
1. Indien een proeftijd is bedongen, is ieder der partijen, zolang die tijd niet is
verstreken, bevoegd de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te
zeggen.
2. Bij een zodanige opzegging zijn de artikelen 681 en 682 niet van toepassing.
Artikel 677
1. Ieder der partijen is bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om
een dringende reden, onder gelijktijdige mededeling van die reden aan de
wederpartij. De partij die opzegt zonder een dringende reden of zonder gelijktijdige
mededeling van de dringende reden is schadeplichtig.
2. De partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, is
schadeplichtig.
3. Eveneens is schadeplichtig de partij die door opzet of schuld aan de wederpartij
een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te
zeggen, indien de wederpartij van die bevoegdheid heeft gebruik gemaakt of de
rechter op die grond krachtens artikel 685 de arbeidsovereenkomst heeft
ontbonden.
4. Ingeval een der partijen schadeplichtig is, heeft de wederpartij de keus de in artikel
680 genoemde gefixeerde schadevergoeding of een volledige schadevergoeding
te vorderen.
5 .Het niet in acht nemen van artikel 670 leden 1 tot en met 9, of van artikel 670a
maakt de werkgever niet schadeplichtig.
De werknemer kan in die gevallen gedurende twee maanden na de opzegging van
de arbeidsovereenkomst een beroep doen op de vernietigingsgrond. Het beroep
op de vernietigingsgrond geschiedt door kennisgeving aan de werkgever. Artikel
55 van Boek 3 is niet van toepassing.
Artikel 678
1. Voor de werkgever worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel
677 beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de
werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan
gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
2. Dringende redenen zullen onder andere aanwezig geacht kunnen worden:
a. wanneer de werknemer bij het sluiten van de overeenkomst de werkgever heeft
misleid door het vertonen van valse of vervalste getuigschriften, of deze
opzettelijk valse inlichtingen heeft gegeven omtrent de wijze waarop zijn vorige
arbeidsovereenkomst is geëindigd;
b. wanneer hij in ernstige mate de bekwaamheid of geschiktheid blijkt te missen
tot de arbeid waarvoor hij zich heeft verbonden;
c. wanneer hij zich ondanks waarschuwing overgeeft aan dronkenschap of ander
liederlijk gedrag;
d. wanneer hij zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering, bedrog of andere
misdrijven, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever onwaardig wordt;
e. wanneer hij de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn
medewerknemers mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt;
f. wanneer hij de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn
medewerknemers verleidt of tracht te verleiden tot handelingen, strijdig met de
wetten of de goede zeden;
g. wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, eigendom van de
werkgever beschadigt of aan ernstig gevaar blootstelt;
h. wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, zich zelf of
anderen aan ernstig gevaar blootstelt;
i. wanneer hij bijzonderheden aangaande de huishouding of het bedrijf van de
werkgever, die hij behoorde geheim te houden, bekendmaakt;
j. wanneer hij hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten,
hem door of namens de werkgever verstrekt;
k. wanneer hij op andere wijze grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke de
arbeidsovereenkomst hem oplegt;
l. wanneer hij door opzet of roekeloosheid buiten staat geraakt of blijft de
bedongen arbeid te verrichten.
3. Bedingen waarbij aan de werkgever de beslissing wordt overgelaten of er een
dringende reden in de zin van artikel 677 lid 1 aanwezig is, zijn nietig.
Artikel 679
1. Voor de werknemer worden als dringende redenen in de zin van artikel 677 lid 1
beschouwd zodanige omstandigheden, die ten gevolge hebben dat van de
werknemer redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te
laten voortduren.
2. Dringende redenen zullen onder andere aanwezig geacht kunnen worden:
a. wanneer de werkgever de werknemer, diens familieleden of huisgenoten
mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze bedreigt, of gedoogt dat
dergelijke handelingen door een van zijn huisgenoten of ondergeschikten
worden gepleegd;
b. wanneer hij de werknemer, diens familieleden of huisgenoten verleidt of tracht
te verleiden tot handelingen, strijdig met de wetten of de goede zeden, of
gedoogt dat een dergelijke verleiding of poging tot verleiding door een van zijn
huisgenoten of ondergeschikten worden gepleegd;
c. wanneer hij het loon niet op de daarvoor bepaalde tijd voldoet;
d. wanneer hij, waar kost en inwoning overeengekomen zijn, niet op behoorlijke
wijze daarin voorziet;
e. wanneer hij de werknemer wiens loon afhankelijk van de uitkomsten van de te
verrichten arbeid is vastgesteld, geen voldoende arbeid verschaft;
f. wanneer hij de werknemer wiens loon afhankelijk van de uitkomsten van de te
verrichten arbeid is vastgesteld, de bedongen hulp niet of niet in behoorlijke
mate verschaft;
g. wanneer hij op andere wijze grovelijk de plichten veronachtzaamt welke de
arbeidsovereenkomst hem oplegt;
h. wanneer hij, zonder dat de aard van de arbeidsovereenkomst dit medebrengt,
de werknemer niettegenstaande diens weigering gelast arbeid in het bedrijf van
een andere werkgever te verrichten;
i. wanneer de voortduring van de arbeidsovereenkomst voor de werknemer zou
zijn verbonden met ernstige gevaren voor leven, gezondheid, zedelijkheid of
goede naam, die niet duidelijk waren ten tijde van het sluiten van de
arbeidsovereenkomst;
j. wanneer de werknemer door ziekte of andere oorzaken zonder zijn toedoen
buiten staat geraakt de bedongen arbeid te verrichten.
3. Bedingen waarbij aan de werknemer de beslissing wordt overgelaten of er een
dringende reden in de zin van artikel 677 lid 1 aanwezig is, zijn nietig.
Artikel 680
1. De gefixeerde schadevergoeding, bedoeld in artikel 677 lid 4, is gelijk aan het
bedrag van het in geld vastgesteld loon voor de tijd, dat de arbeidsovereenkomst
bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.
2. Is het loon van de werknemer, hetzij voor het geheel, hetzij gedeeltelijk, niet naar
tijdruimte vastgesteld, dan geldt de maatstaf van artikel 618.
3. Elk beding waarbij ten behoeve van de werknemer een gefixeerde
schadevergoeding tot een lager bedrag wordt bedongen, is nietig.
4. Bij schriftelijke overeenkomst mag een gefixeerde schadevergoeding tot een hoger
bedrag worden vastgesteld.
5. De rechter is bevoegd de gefixeerde schadevergoeding, zo deze hem met het oog
op de omstandigheden van het geval bovenmatig voorkomt, op een kleinere som
te bepalen, doch niet op minder dan het in geld vastgesteld loon voor de duur van
de opzeggingstermijn ingevolge artikel 672, noch op minder dan het in geld
vastgesteld loon voor 3 maanden.
6. Indien de door de werknemer verschuldigde gefixeerde schadevergoeding meer
bedraagt dan het in geld vastgesteld loon voor een maand of de door de
werkgever verschuldigde gefixeerde schadevergoeding meer bedraagt dan het in
geld vastgesteld loon voor 3 maanden, kan de rechter toestaan dat de
schadevergoeding op door hem te bepalen wijze in termijnen wordt betaald.
7. Over het bedrag van de verschuldigde gefixeerde schadevergoeding is de
wettelijke rente verschuldigd, te rekenen van de dag waarop de
arbeidsovereenkomst is geëindigd.
Artikel 680a
De rechter is bevoegd een vordering tot doorbetaling van loon die gegrond is op de
vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst te matigen, indien
toewijzing in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden,
doch op niet minder dan het in geld vastgestelde loon voor de duur van de
opzegtermijn ingevolge artikel 672 noch op minder dan het in geld vastgestelde loon
voor drie maanden.
Artikel 681
1. Indien een van de partijen de arbeidsovereenkomst, al of niet met inachtneming
van de voor de opzegging geldende bepalingen, kennelijk onredelijk opzegt, kan
de rechter steeds aan de wederpartij een schadevergoeding toekennen.
2. Opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever zal onder andere
kennelijk onredelijk geacht kunnen worden:
a. wanneer deze geschiedt zonder opgave van redenen of onder opgave van een
voorgewende of valse reden;
b. wanneer, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen
voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend
werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in
vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging;
c. wanneer deze geschiedt in verband met een verhindering van de werknemer
om de bedongen arbeid te verrichten als bedoeld in artikel 670 lid 3;
d. wanneer deze geschiedt in afwijking van een in de bedrijfstak of de
onderneming krachtens wettige regeling of gebruik geldende getalsverhoudingof
anciënniteitsregeling, tenzij hiervoor zwaarwichtige gronden aanwezig zijn;
e. wanneer deze geschiedt wegens het enkele feit dat de werknemer met een
beroep op een ernstig gewetensbezwaar weigert de bedongen arbeid te
verrichten.
3. Opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werknemer zal onder andere
kennelijk onredelijk geacht kunnen worden:
a. wanneer deze geschiedt zonder opgave van redenen of onder opgave van een
voorgewende of valse reden;
b. wanneer de gevolgen van de opzegging voor de werkgever te ernstig zijn in
vergelijking met het belang van de werknemer bij de opzegging.
4. Een beding waarbij aan een van de partijen de beslissing wordt overgelaten of de
arbeidsovereenkomst al of niet kennelijk onredelijk is opgezegd, is nietig.
Artikel 682
1. De rechter kan de werkgever die schadeplichtig is geworden volgens artikel 677 of
die de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk opzegt, ook veroordelen de
arbeidsovereenkomst te herstellen.
2. Indien de rechter een zodanige veroordeling uitspreekt, kan hij bepalen voor of op
welk tijdstip de arbeidsovereenkomst moet worden hersteld en kan hij
voorzieningen treffen omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking.
3. De rechter kan in het vonnis, houdende de veroordeling tot herstel van de
arbeidsovereenkomst, bepalen dat de verplichting tot herstel vervalt door betaling
van een in het vonnis vastgestelde afkoopsom. Is in het vonnis geen afkoopsom
vastgesteld, dan zal de rechter deze op verzoek van de werkgever alsnog
vaststellen. Een zodanig verzoek schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis, voor
zover het betreft de veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst, totdat op
het verzoek is beslist, met dien verstande dat de werkgever in ieder geval verplicht
blijft gedurende de schorsing het loon te betalen.
4. De rechter stelt de hoogte van de afkoopsom met het oog op de omstandigheden
van het geval naar billijkheid vast; hij kan toestaan dat de afkoopsom op door hem
te bepalen wijze in termijnen wordt betaald.
5. Indien een afkoopsom wegens het niet naleven van een verplichting om een
arbeidsovereenkomst te herstellen op andere wijze is vastgesteld, kan de rechter
het bedrag van de verschuldigde afkoopsom op verzoek van de meest gerede
partij wijzigen in zodanig bedrag als hem met het oog op de omstandigheden van
het geval billijk zal voorkomen en kan hij toelaten dat de afkoopsom op door hem
te bepalen wijze in termijnen wordt betaald.
Artikel 683
1. Iedere rechtsvordering krachtens artikelen 677 lid 4, 681 lid 1 en 682 lid 1, verjaart
na verloop van zes maanden.
2. Iedere rechtsvordering van de werknemer in verband met de vernietiging van de
opzegging van de arbeidsovereenkomst krachtens artikel 677 lid 5, verjaart na
verloop van zes maanden.
Artikel 685
1. Ieder der partijen is te allen tijde bevoegd zich tot de kantonrechter te wenden met
het verzoek de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen te ontbinden.
Elk beding waarbij deze bevoegdheid wordt uitgesloten of beperkt, is nietig. De
Kantonrechter kan het verzoek slechts inwilligen indien hij zich ervan heeft
vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van een opzegverbod als
bedoeld in de artikelen 647, 648, 670 en 670a of enig ander verbod tot opzegging
van de arbeidsovereenkomst.
2. Als gewichtige redenen worden beschouwd omstandigheden die een dringende
reden als bedoeld in artikel 677 lid 1 zouden hebben opgeleverd indien de
arbeidsovereenkomst deswege onverwijld opgezegd zou zijn, alsook
veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn, dat de
arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
3. Het verzoek wordt gedaan aan de ingevolge de artikelen 99, 100, en 107 tot en
met 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegde
Kantonrechter.
4. Het verzoekschrift vermeldt de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht,
alsmede de naam en de woonplaats of bij gebreke van een woonplaats in
Nederland het werkelijke verblijf van de wederpartij.
5. De kantonrechter kan, indien het verzoek verknocht is aan een zaak die tussen
dezelfde personen reeds voor een andere rechter aanhangig is, de verwijzing naar
die andere rechter bevelen. De griffier zendt een afschrift van de beschikking,
alsmede het verzoekschrift en de overige stukken van het geding ter verdere
behandeling aan de rechter naar wie is verwezen.
6. De behandeling vangt niet later aan dan in de vierde week volgende op die waarin
het verzoekschrift is ingediend.
7. Indien de rechter het verzoek inwilligt, bepaalt hij op welk tijdstip de
arbeidsovereenkomst eindigt.
8. Indien de rechter het verzoek inwilligt wegens veranderingen in de
omstandigheden kan hij, zo hem dat met het oog op de omstandigheden van het
geval billijk voorkomt, aan een van de partijen ten laste van de wederpartij een
vergoeding toekennen; hij kan toestaan dat de vergoeding op door hem te bepalen
wijze in termijnen wordt betaald.
9. Alvorens een ontbinding waaraan een vergoeding verbonden wordt, uit te spreken,
stelt de rechter de partijen van zijn voornemen in kennis en stelt hij een termijn,
binnen welke de verzoeker de bevoegdheid heeft zijn verzoek in te trekken. Indien
de verzoeker dat doet, zal de rechter alleen een beslissing geven omtrent de
proceskosten.
10. Lid 9 is van overeenkomstige toepassing indien de rechter voornemens is een
ontbinding uit te spreken zonder daaraan een door de verzoeker verzochte
vergoeding te verbinden.
11. Tegen een beschikking krachtens dit artikel kan hoger beroep noch cassatie
worden ingesteld.
Bijlage VI
Als bedoeld in artikel 16, lid 2 van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
Bedrijfsvoorschriften en bijbehorend sanctiereglement voor de werknemers
vallend onder de CAO voor de Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven.
1. Ziek- en hersteldmeldingsprocedure
De werknemer die wegens ziekte zijn arbeid niet kan verrichten, is verplicht
hiervan op de eerste dag van zijn arbeidsongeschiktheid voor aanvang werktijd
zijn werkgever of de door deze aangewezen uitvoerder of andere functionaris in
kennis te stellen.
Indien deze dag een zaterdag of een zon- of feestdag of een verlofdag is en op
die dagen in het bedrijf van de werkgever niet wordt gewerkt, dient de
ziekmelding op de eerstvolgende werkdag voor aanvang werktijd te geschieden.
Indien arbeidsongeschiktheid tijdens de werktijd ontstaat, moet deze melding
terstond na het staken van het werk geschieden.
Deze verplichting laat onverlet de voorschriften van het UWV ter zake van
ziekmeldingen.
Indien arbeidsongeschiktheid ontstaat tijdens een periode van verplichte
bedrijfssluiting (vakantie en de periode rond Kerst en Nieuwjaar), dient de
werknemer dit binnen 24 uur na de aanvang van de ongeschiktheid schriftelijk te
melden aan de uitvoeringsinstelling bij welke de werkgever is aangesloten.
De werknemer is verplicht de werkgever terstond op de hoogte te brengen van
zijn herstel.
Eigen verklaring
Aan iedere werknemer wordt een aantal blanco Eigen Verklaringen en
antwoordenveloppen verstrekt. De werknemer is verplicht deze Eigen Verklaring
reeds op de 1e dag van de ziekmelding aan de werkgever te zenden, ook
wanneer de volgende dag het werk wordt hervat (zie model Eigen Verklaring).
Thuisblijven
De werknemer dient thuis te blijven tot het moment dat door of namens de
werkgever contact is opgenomen (telefonisch, dan wel d.m.v. een bezoek),
echter maximaal gedurende vijf dagen.
De werknemer mag alleen van huis gaan voor een bezoek aan een arts of om zijn
werkzaamheden te hervatten.
Na het eerste controlebezoek, of na vijf dagen, dient de werknemer gedurende
drie weken ’s morgens tot 10.00 uur en ’s middags tot 12.00 en 14.30 uur thuis te
zijn, tenzij de bedrijfsarts toestemming geeft om van huis te gaan.
De werknemer dient er rekening mee te houden dan namens de werkgever
contact kan worden opgenomen door een door hem ingeschakelde Arbo-dienst.
Dit contact kan bestaan uit een uitnodiging op het spreekuur te verschijnen, dan
wel uit een bezoek van of telefonisch gesprek met de bedrijfsarts/
bedrijfsverpleegkundige.
Maak bezoek mogelijk
De werknemer dient controlebezoek door de Arbo-dienstmedewerkers
mogelijk te maken.
Deze moeten in staat gesteld worden de werknemer in zijn woning of op zijn
verpleegadres te bezoeken.
Het juiste adres
Indien de werknemer tijdens arbeidsongeschiktheid verhuist of tijdelijk elders
verblijft of van verpleegadres verandert (bijvoorbeeld opname in of ontslag uit een
ziekenhuis), behoort hij dit binnen 24 uur aan de werkgever door te geven.
Verblijf in het buitenland
De werknemer die zich in het buitenland bevindt en arbeidsongeschikt wordt,
dient zich te houden aan het bepaalde onder punt 1.
In geval van ziekmelding tijdens het verblijf in het buitenland dient de werknemer
terstond naar Nederland terug te keren, na schriftelijke toestemming van huisarts
en/of behandelend arts in het buitenland en na overleg met de Arbo-dienst, tenzij
de werkgever telefonisch of schriftelijk toestemming verleent het verblijf in het
buitenland te continueren.
De werknemer dient voor vertrek toestemming van de bedrijfsarts/arts Arbodienst
te hebben indien hij tijdens arbeidsongeschiktheid een meerdaagse
periode in het buitenland wil verblijven.
Op het spreekuur komen
Aan een oproep om te verschijnen op het spreekuur van de Arbo-dienst dient de
werknemer gevolg te geven.
Indien de werknemer een geldige reden tot verhindering heeft (bijvoorbeeld
bedlegerigheid of ziekenhuisopname) dan behoort hij dit onmiddellijk aan de
werkgever mede te delen.
De werknemer hoeft niet op het spreekuur te verschijnen indien hij inmiddels zijn
werkzaamheden heeft hervat.
Genezing niet belemmeren
De werknemer dient zich tijdens zijn arbeidsongeschiktheid zodanig te gedragen
dat zijn genezing niet wordt belemmerd. Dit ter beoordeling van de Arbo-dienst.
Het verrichten van werkzaamheden
De werknemer dient tijdens arbeidsongeschiktheid geen arbeid te verrichten
behalve werkzaamheden die de werknemer door of namens de werkgever
worden aangeboden.
De aangeboden vervangende werkzaamheden mogen het genezingsproces niet
nadelig beïnvloeden en worden in overleg met de (bedrijfs)arts/arts Arbo-dienst
vastgesteld.
Hervatten bij herstel
Zodra de werknemer weer in staat is aan het werk te gaan, dient hij zijn
werkzaamheden te hervatten en dus niet een speciale opdracht daartoe af te
wachten.
Indien men opnieuw het werk staakt binnen drie dagen na werkhervatting dient de
werknemer op het eerstvolgende spreekuur van de bedrijfsarts/arts Arbo-dienst te
verschijnen.
Bezwaren tegen hersteldverklaring
Indien de werknemer na een bepaalde datum weer geheel of gedeeltelijk geschikt
geacht wordt zijn werkzaamheden te hervatten terwijl de werknemer van mening
is, dat hij op genoemde datum nog steeds arbeidsongeschikt is, dient hij een 2e
mening/second opinion aan te vragen bij het UWV.
Sancties
Indien de werknemer zich niet houdt aan de bovengenoemde bedrijfsvoorschriften bij
ziekte gedurende de eerste 52 weken kan de werkgever besluiten tot het opleggen
van sancties, tenzij de werknemer aantoont dat de overtreding van een
controlevoorschrift hem niet verweten kan worden.
SANCTIEREGLEMENT
A. Overtredingen Sanctie
1e overtreding schriftelijke waarschuwing
2e overtreding 3 dagen aanvulling inhouden
3e overtreding 6 dagen aanvulling inhouden
4e overtreding 9 dagen aanvulling inhouden
5e overtreding 12 dagen invulling inhouden
6e overtreding Idem
B. Geen arbeidsongeschiktheid geen loondoorbetaling
Bij gelijktijdige overtreding van meerdere voorschriften zal de sanctie worden
opgelegd die geldt bij de som van deze overtreden voorschriften. Hierbij geldt een
referteperiode van één kalenderjaar.
DE 2e MENING
De werknemer die geen salaris krijgt doorbetaald omdat de werkgever (na advies
van de bedrijfsarts van de Arbo-dienst) van mening is, dat de werknemer in staat is
“zijn arbeid” te verrichten, kan zich tot het UWV wenden voor een onafhankelijk
oordeel.
Deze “second opinion” houdt in dat het UWV een medische keuring zal verrichten.
Indien het UWV van mening is, dat er inderdaad sprake is van arbeidsongeschiktheid
worden de kosten van de verstrekte uitkering en de medische keuring verhaald op de
werkgever. Is er naar het oordeel van het UWV geen sprake van
arbeidsongeschiktheid, worden de genoemde kosten verhaald op de werknemer.
Wanneer de werknemer het niet eens is met de uitspraak van het UWV kan hij in
beroep gaan bij de sector Bestuursrecht van de Arrondissementsrechtbank.
Ook de werkgever kan het UWV verzoeken een second opinion uit te voeren.
MODEL
Eigen Verklaring
Naam:…………………………………………………………………………………………
Adres:…………………………………………………………………………………………
Postcode:………………………………………………………………………………………
Woonplaats :…………………………………………………………………………………
1. Wanneer bent u arbeidsongeschikt geworden?
…………………………dag
……………………………….………………..20…………………………..
voor 10.00 uur / tussen 10.00 en 15.00 uur / na 15.00 uur *)
2. a. Bent u door een ongeval arbeidsongeschikt?
Ja / Nee *)
b. Is het een bedrijfsongeval?
Ja / Nee *)
c. Is het een verkeersongeval?
Ja / Nee *)
d. Is het een andere reden? Zo ja, welke?
………………………………………………..
3. Met ingang van welke dag denkt u weer arbeidsgeschikt te zijn?
O …………………………….dag …………………………………
20……………………….
O onbekend *)
4. Onder welk telefoonnummer bent u te bereiken?
Tel:………………………………………………………………………………………
Aldus naar waarheid ingevuld
d.d.……………………………………………………20………………………
Naam: Handtekening:
…………………………………………………………………………………………………
* Doorhalen wat niet van toepassing is
Bijlage VII
Als bedoeld in artikel 14, lid 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
De beleidsregel inzake tillen op bouwplaatsen is van kracht t.a.v. de specifieke
werkzaamheden binnen de dakbedekkingsbranche. Voor de dakbedekkingsbedrijven
is het navolgende van toepassing:
“Dakrollen zwaarder dan 25 kg worden mechanisch getransporteerd. In situaties
waarin dat technisch of organisatorisch niet mogelijk is worden dakrollen, mits niet
zwaarder dan 35 kg, handmatig getransporteerd – in afwijking van voorgaande – tot
een maximum van 5 rollen per persoon per dag”.
Bijlage VIII
Als bedoeld in artikel 30 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de
Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven.
Mantelovereenkomst Collectieve WAO-gatverzekering
ten behoeve van werkgevers vallende onder de
Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de
Bitumineuze- en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
Artikel 1 Begripsbepalingen 61
1.1. Verzekeringnemer 61
1.2. Verzekerden 61
1.3. Salaris 61
1.4. WAO 61
1.5. Loondervingsuitkering WAO 61
1.6. Vervolguitkering WAO 61
1.7. Verzekerde rente 61
1.8. Arbeidsongeschiktheid 62
Artikel 2 Algemene Voorwaarden 62
Artikel 3 Bijzondere voorwaarden 62
3.1. Eindleeftijd 62
3.2. Grondslag 62
3.3. Klimmende uitkering 62
3.4. Aanmelding en acceptatie 62
3.5. Jaarlijkse aanpassing en administratie 62
3.6. Individuele voortzetting 63
3.7. Verplichtingen bij arbeidsongeschiktheid 63
Artikel 4 Premie 64
Artikel 5 Technische resultatendeling 64
Artikel 6 Intermediair 65
Artikel 7 Duur van de overeenkomst 65
Artikel 8 Wijzigingen in wettelijke regelingen 65
Artikel 9 Geschillenregeling 65
Mantelovereenkomst
Ondergetekenden:
Partij sub 1) N.V. Amersfoortse Algemene Verzekering Maatschappij
gevestigd te Amersfoort, vertegenwoordigd door Mr. F.J.M.
Romijn, hierna te noemen De Amersfoortse
Partij sub 2) VEBIDAK, Vereniging Dakbedekkingsbranche Nederland
gevestigd te Nieuwegein, vertegenwoordigt door Ing. J.L.
Bechtold (voorzitter) en Mr. C.F. Woortman (directeur/secretaris),
hierna te noemen VEBIDAK
Partij sub 3) FNV Bouw gevestigd te Woerden, vertegenwoordigd door
F.C.W.M. Kokke, hierna te noemen FNV
Partij sub 4) Hout- en Bouwbond CNV gevestigd te Odijk, gemeente Bunnik,
vertegenwoordigd door G. Lokhorst, hierna te noemen CNV
Partij sub 5) Aon Consulting gevestigd te Rotterdam, vertegenwoordigd door
W.G. Kremer, hierna te noemen Aon
verklaren overeenkomstig artikel 30 sub 2 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst
voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven, hierna te noemen CAO,
een collectieve Inkomsten Aanvullings AOV mantelovereenkomst te hebben gesloten
welke ten doel heeft bij derving van inkomen uit arbeid tengevolge van
arbeidsongeschiktheid uitkering te verlenen aan:
CAO-werknemers, het zogenoemde B-personeel
en overeenkomstig artikel 30
UTA-werknemers, het zogenoemde A-personeel
die werkzaam zijn in de bedrijfstak Bitumineuze en Kunststof Dakbedekking op basis
van de volgende uitgangspunten:
Artikel 1 Begripsbepalingen
1.1. Verzekeringnemer
De werkgevers werkzaam in de bedrijfstak Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekking, die op basis van de condities van deze mantelovereenkomst
een verzekering met De Amersfoortse hebben gesloten. Gedurende de
looptijd van deze overeenkomst kunnen nieuwe werkgevers toetreden tot deze
mantelovereenkomst tegen dezelfde condities. De werkgever treedt op als
premiedebiteur.
1.2. Verzekerden
De ter verzekering aangemelde werknemers in dienst van verzekeringnemer,
die de leeftijd van 58 jaar nog niet hebben bereikt en van wie het maandsalaris
meer bedraagt dan het wettelijke minimumloon zoals bedoeld in artikel 8,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimum
vakantietoeslag. Indien een werknemer jonger is dan 23 jaar betreft het voor
zijn of haar leeftijd geldende minimumloon. Werknemers die in een jaar een
inkomen verdienen dat lager ligt dan het minimumloon op jaarbasis, hebben
geen verlaging van de loondervings-uitkering WAO.
1.3. Salaris
Het bruto jaarsalaris, met inbegrip van de vakantietoeslag en overige vaste
salarisbestanddelen tot het maximum WAO-dagloon op jaarbasis.
1.4. WAO
Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering
1.5. Loondervingsuitkering WAO
De WAO-uitkering waarvan de maximale duur afhankelijk is van de leeftijd,
zoals omschreven in artikel 21a van de WAO.
1.6. Vervolguitkering WAO
De WAO-uitkering die bij voortdurende arbeidsongeschiktheid volgt op de
loondervingsuitkering WAO, zoals omschreven in artikel 21b van de WAO.
1.7. Verzekerde rente
Arbeidsongeschiktheidsrente als aanvulling op de vervolguitkering WAO. Deze
rente is het verschil tussen de loondervingsuitkering WAO, welke 70 % van
het laatstgenoten salaris bedraagt met een maximum van 70 % van de WAOdagloon-
grens en de vervolguitkering WAO. Uitgangspunt voor de berekening
van de verzekerde rente is het inkomen wat is opgegeven door de
verzekeringsnemer.
1.8. Arbeidsongeschiktheid
Ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid, welke geacht wordt aanwezig te
zijn indien en zolang de verzekerde recht heeft op een uitkering krachtens de
ZW en/of WAO.
Artikel 2 Algemene voorwaarden
Aangehechte voorwaarden van verzekering model 139.
Artikel 3 Bijzondere voorwaarden
3.1. Eindleeftijd
De eerste dag van de maand waarin de verzekerde 65 jaar wordt.
3.2. Grondslag
De door de verzekeringnemer, respectievelijk de verzekerde, aan de De
Amersfoortse verstrekte opgaven en gedane verklaringen vormen de
grondslag van de verzekeringsovereenkomst en worden geacht daarmee één
geheel uit te maken.
3.3. Klimmende uitkering
De WAO-aanvullingsrente zal, zolang deze wordt uitgekeerd, op de eerste
januari volgend op de ingangsdatum van de uitkering en vervolgens elk jaar
op 1 januari, samengesteld stijgen met 2 %
3.4. Aanmelding en acceptatie
In aansluiting op artikel 4 van de voorwaarden van verzekering model 139
geldt het volgende:
Zodra de akkoordverklaring per werkgever in het bezit is van De Amersfoortse
Verzekeringen zal er sprake zijn van non-selectie acceptatie van alle voor
deze verzekering in aanmerking komende werknemers. Alle werknemers die
op de ingangsdatum volledig arbeidsgeschikt zijn, kunnen worden aangemeld.
Voor zover er sprake is van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid zal de
verzekering geldig zijn voor de restcapaciteit. Bij aanmelding per 1 januari
2003 kan worden volstaan met een opgave van de huidige deelnemers, onder
vermelding van de relevante gegevens.
De Amersfoortse gaat uit van 100 % deelname van alle in aanmerking
komende werknemers.
3.5. Jaarlijkse aanpassing en administratie
De jaarpremie wordt ieder jaar gebaseerd op de WAO aanvullingsrente en het
relevante loon per 1 januari van dat jaar. De verzekeringnemer is verplicht
jaarlijks aan De Amersfoortse voor 1 april een opgave te verstrekken van de
salarisgegevens per 1 januari van dat jaar.
De wijzigingen in het werknemersbestand worden tweemaal per jaar
doorgegeven. Tezamen met de verwerking van de salarisgegevens per 1
januari worden de wijzigingen in het werknemersbestand van het halfjaar
voorafgaande aan 1 januari door verzekeringnemer doorgegeven.
De wijzigingen in het werknemersbestand tot 1 juli moeten door
verzekeringnemer worden opgegeven voor 1 oktober.
In december en juli van ieder verzekeringsjaar zal De Amersfoortse de
verzekeringnemer of zijn assurantiekantoor stukken doen toekomen voor de
opgave van deze gegevens.
3.6. Individuele voortzetting
Na beëindiging van het dienstverband is er een mogelijkheid voor de exwerknemers
om de verzekering op individuele basis voort te zetten, mits er
sprake is van volledige arbeidsgeschiktheid. Voor individuele voortzetting dient
een aanvraagformulier Individuele Inkomsten Aanvullings AOV te worden
ingevuld. Een verhoogd risico kan leiden tot een premie-opslag en niet tot een
afwijzing, uitsluiting of beperking van de voorwaarden van verzekering.
Voorwaarde is een verzoek tot individuele voortzetting binnen 30 dagen na
beëindiging van het dienstverband door De Amersfoortse is ontvangen.
3.7. Verplichtingen bij arbeidsongeschiktheid
De verzekeringnemer is verplicht ingeval van arbeidsongeschiktheid:
Mededeling te doen aan De Amersfoortse van de ontstane
arbeidsongeschiktheid uiterlijk binnen 3 maanden na ingang van de
arbeidsongeschiktheid op het daarvoor bestemde formulier van aangifte.
Indien binnen 3 maanden na ingang van de arbeidsongeschiktheid van een
werknemer een schade-aangifteformulier wordt ingezonden naar De
Amersfoortse, heeft de werkgever en betrokken werknemer recht op kosteloos
advies van de reïntegratie adviseurs van De Amersfoortse.
Voor het behoud van een uitkering dient de melding uiterlijk een jaar na het
ontstaan van de arbeidsongeschiktheid door De Amersfoortse te zijn
ontvangen.
De Amersfoortse terstond in kennis te stellen van wijziging in de mate van
arbeidsongeschiktheid van een verzekerde, die bij De Amersfoortse is gemeld
en/of aan wie een WAO-uitkering is toegekend en zolang deze nog in dienst is
van verzekeringnemer. De Amersfoortse daarvan in kennis te stellen met een
kopie van de WAO-beschikking van de Uitvoeringsinstelling.
Artikel 4 Premie
Gebaseerd op een eindleeftijd van 65 jaar en een 2% stijgende uitkering zal voor de
eerste contractsperiode tot 1 januari 2008 met inachtneming van artikel 5 een
dooreenpremie gelden, uitgedrukt in een percentage van de totale WAO-loonsom
(gemaximeerd tot het maximale WAO-dagloon) voor het:
(A) UTA-personeel 0,65%
(B) CAO-personeel 1,65%
Bij een termijnbetaling op basis van kwartalen zal geen toeslag in rekening worden
gebracht.
Artikel 5 Technische resultatendeling
De premie zal jaarlijks, voor het eerst na het verstrijken van 2 contractjaren, op basis
van experience-rating worden aangepast. Dit houdt in dat periodiek de ervaring
binnen de overeenkomst wordt verwerkt in het nieuwe premiepercentage.
Het resultaat wordt vastgesteld aan de hand van de nettopremie (premies minus
kosten) in een jaar en de schadereserve behorende bij de
arbeidsongeschiktheidsmeldingen die zijn ontstaan in dat jaar. Dit wordt uitgedrukt in
een schadepercentage. De premie in een jaar is afhankelijk van het
schadepercentage op het contract in het tweede voorafgaande jaar. Zo is de hoogte
van de premie in het derde verzekeringsjaar afhankelijk van het schadepercentage in
het eerste verzekeringsjaar. De premie van het vierde verzekeringsjaar bijvoorbeeld
is weer afhankelijk van het resultaat in het tweede verzekeringsjaar. De premie
ontwikkelt zich vervolgens overeenkomstig onderstaande tabel:
Korting of opslag op de premie op basis van het netto
schadepercentage
minder dan 50% 20% korting
tussen 50 en 75% 15% korting
tussen 75 en 95% 10% korting
tussen 95 en 105% ongewijzigde premie
tussen 105 en 150% 10% verhoging
meer dan 150% 20% verhoging
Een premieverhoging op grond van deze tabel geeft de verzekeringnemer geen
mogelijkheid tot opzegging van de verzekering.
Artikel 6 Intermediair
Deze mantelovereenkomst is tot stand gekomen door de bemiddeling van Aon. De
verzekeringen die op condities van deze mantelovereenkomst worden aangegaan,
kunnen tot stand komen door de bemiddeling van ieder onafhankelijk intermediair dat
een aanstelling van De Amersfoortse heeft.
Artikel 7 Duur van de overeenkomst
Deze verzekeringsovereenkomst is met ingang van 1 januari 2003 voor de duur van
5 jaar aangegaan en eindigt 31 december 2007.
De verzekeringen die op de condities van deze mantelovereenkomst tot stand
komen, zullen worden gesloten voor de periode tot 1 januari 2008.
Bij beëindiging van deze overeenkomst per 31 december 2007 worden alle onder
deze overeenkomst gesloten verzekeringen geacht eveneens per 31 december 2007
te zijn beëindigd.
Artikel 8 Wijzigingen in wettelijke regelingen
Voor VEBIDAK bestaat er in bepaalde gevallen de mogelijkheid om tussentijdse
herziening van de mantelovereenkomst te bewerkstelligen. Het gaat hier om van
overheidswege ingevoerde nieuwe verplichte arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen,
dan wel om aanpassingen op relevante punten van bestaande regelingen.
Artikel 9 Geschillenregeling
Op de verzekeringen die worden gesloten onder deze overeenkomst is Nederlands
recht van toepassing.
Klachten naar aanleiding van de overeenkomst kunnen schriftelijk worden ingediend
bij de directie van de N.V. Amersfoortse Verzekering Maatschappij en/of bij de
volgende klachteninstituten:
- Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf, Postbus
93560, 2509 AN Den Haag
- Ombudsman Schadeverzekering, Postbus 93560,
2509 AN Den Haag
Aldus gedaan en in tweevoud getekend,
te Rotterdam, 24 maart 2003
N.V. Amersfoortse Algemene Verzekering Maatschappij
VEBIDAK, Vereniging Dakbedekkingsbranche Nederland
FNV Bouw
Hout- en Bouwbond CNV
Aon Consulting
Een werknemer die na 24 januari 1994 recht verworven heeft op een uitkering
krachtens de WAO, ontvangt een aanvulling op de WAO-uitkering. De aanvulling is
afhankelijk van het arbeidsongeschiktheidspercentage. De aanvulling bedraagt bij
een arbeidsongeschiktheid van :
80 – 100% : tot 70% van het geldende WAO-dagloon
65 – 80% : tot 50,75% van het geldende dagloon
55 – 65% : tot 42% van het geldende dagloon
45 – 55% : tot 35% van het geldende dagloon
35 – 45% : tot 28% van het geldende dagloon
25 – 35% : tot 21% van het geldende dagloon
15 – 25% : tot 14% van het geldende dagloon
BIJLAGE IX
M A N T E L O V E R E E N K O M S T
CAO-PARTIJEN BIKUDAK / OHRA
2006 - 2009
WIA-aanvullende
Inkomensgarantieverzekering
MANTELOVEREENKOMST INKOMENSGARANTIEVERZEKERINGEN
Contractnummer: 11429
Contractante: CAO-PARTIJEN
INHOUDSOPGAVE
Definities Artikel 1
Inleidende bepalingen Artikel 2
Aanmelding Artikel 3
Acceptatie Artikel 4
Deelname Artikel 5
Dekking Artikel 6
Samenwerking met Schouten Zekerheid Artikel 7
Contractduur Artikel 8
Wijziging in premie en/of voorwaarden Artikel 9
Bijzondere bepalingen Artikel 10
MANTELOVEREENKOMST INKOMENSGARANTIEVERZEKERINGEN
De ondergetekenden:
1. OHRA Ziektekostenverzekeringen N.V. gevestigd en kantoorhoudende te
Arnhem, hierna te noemen OHRA, rechtsgeldig vertegenwoordigd door P. de
Rooij, directeur Zorg & Inkomen,
en
2. Partijen bij CAO voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven
gevestigd en kantoorhoudende te Nieuwegein, hierna te noemen CAOpartijen,
rechtsgeldig vertegenwoordigd door J.G. ter Weele, voorzitter
VEBIDAK, Mr C.F. Woortman, directeur/secretaris van VEBIDAK enerzijds en
F.W.C.M. Kokke, sectorbestuurder van FNV Bouw en A. van den Brink
sectorbestuurder van Hout- en Bouwbond CNV anderzijds,
Overwegende dat:
- CAO-partijen de belangen behartigt van de werkgevers en werknemers die
onder de werking van de ‘C.A.O voor Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven’ hierna “C.A.O.” vallen;
- de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) nieuwe risico’s voor
inkomensverlies voor werknemers werkzaam in de bedrijfstak bitumineuze en
kunststof dakbedekking tot gevolg heeft;
- voor het beheersen van deze risico’s CAO-partijen een bepaling in de C.A.O.
hebben opgenomen;
- deze bepaling er op ziet dat de nieuwe risico’s door middel van een
verzekering worden afgedekt, waarbij in het algemeen voorzien is in een
aanvulling ter voorkoming van verlies in inkomen en tevens in een regeling
voor het arbeidsmarktrisico;
- door de bepaling in de C.A.O. voor werkgevers een verplichting bestaat om
aan alle werknemers een WIA-aanvullende verzekering aan te bieden;
- deze verplichting betrekking heeft op het volledige personeel in vaste dienst
op basis van een arbeidsovereenkomst met minimaal het minimumloon en
maximaal het sociaal verzekeringsloon omvat;
- het wenselijk is dat aan de werkgevers vallende onder de C.A.O. een regeling
wordt aangeboden voor het voldoen aan deze verplichting door middel van
een collectieve verzekering bij een verzekeraar;
- deze verzekering zal worden aangeboden door OHRA met ondersteuning van
CAO-partijen, waardoor deze laatste niet onder de verplichtingen van de Wet
financiële dienstverlening valt;
- dat het wenselijk is preventiemaatregelen voor ziekteverzuim te stimuleren
respectievelijk in geval van ziekteverzuim, maatregelen te treffen die
reïntegratie in het arbeidsproces bevorderen: OHRA de werkgever en de
werknemer bij deze activiteiten zal ondersteunen;
- tussen CAO-partijen en OHRA overeenstemming bestaat over het afsluiten
van een mantelovereenkomst ten behoeve van de werkgevers vallende onder
de CAO, waardoor de verplichting tot het aanbieden van de verzekering
voldoende kan worden nagekomen.
Komen het volgende overeen:
1. Definities
a. voorwaarden: de (algemene) polisvoorwaarden “Inkomensgarantieverzekering”
Model IGV 0601 inclusief het polisblad en de
overeengekomen bijzondere voorwaarden vervat in een
aanhangsel;
b. werkgever: de onderneming vallende onder de werkingssfeer van de
CAO voor Bitumineuze en Kunststof
Dakbedekkingsbedrijven;
c. werknemer: alle in dienst van een werkgever zijnde personen met een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht voor bepaalde of
onbepaalde tijd.
d. verzekerd loon: dit is 12 maal het vaste overeengekomen bruto maandsalaris,
respectievelijk 13 maal het vaste overeengekomen 4-
wekensalaris, conform de C.A.O. voor de Bitumineuze en
Kunststof Dakbedekkingsbedrijven, met een maximum van
het geldende maximum sociaal verzekeringsloon (voor 2006
€ 43.848,-) zoals bepaald in artikel 17 van de Wet
financiering sociale verzekeringen.
2. Inleidende bepalingen
a. De geldende bepalingen van de voorwaarden maken deel uit van deze
mantelovereenkomst en vormen daarmee één geheel. De voorwaarden
gelden voorzover hier in de mantelovereenkomst daarvan niet afgeweken
wordt;
b. Voor de voorwaarden geldt verder dat het polisblad en het aanhangsel
prevaleren boven de (algemene) polisvoorwaarden
“Inkomensgarantieverzekering”, die aan de werkgever worden verstrekt;
c. De (algemene) voorwaarden in lid b van dit artikel genoemd alsmede de
aanbiedingsbrief op basis waarvan de verzekering gesloten wordt, prevaleren
boven het deelnemersbewijs dat aan de werknemer kan worden verstrekt,
terwijl aan een eventuele toelichting bij het deelnemersbewijs geen rechten
zullen kunnen worden ontleend;
d. In het aanhangsel behorende bij de polis voor de werkgever is onder artikel 1
een bepaling opgenomen, waardoor de condities van deze
mantelovereenkomst ook op die overeenkomst van toepassing is, inclusief het
recht op beëindiging bij wijziging van deze mantelovereenkomst.
3. Aanmelding
a. CAO-partijen respectievelijk de werkgevers vallende onder de CAO zorgen er
voor dat op de peildatum van 1 januari 2008, minimaal 3500 medewerkers
deelnemen aan deze mantelovereenkomst Inkomensgarantieverzekering. De
aanmelding dient te geschieden door een werkgever vallende onder de CAO
volgens de met haar CAO-partijen afspraken;
b. De werkgever vallende onder de CAO die een collectieve
Inkomensgarantieverzekering heeft afgesloten, is verplicht bij de aanmelding
een opgave te doen van de werknemers die voor de verzekering in
aanmerking komen, omvattende:
- de naam (met voorletters) en personeelsnummer;
- de geboortedatum en geslacht;
- de datum van indiensttreding;
- het individuele bruto jaarloon, ook indien dit meer bedraagt dan het max.
sv-loon;
c. Conform de polisvoorwaarden dienen in- en uitdiensttreders binnen 60 dagen
aan OHRA te worden gemeld. Over de administratieve gevolgen van de
verzekering kan in overleg een van de polisvoorwaarden afwijkende regeling
worden overeengekomen;
d. Zodra op of na 1 januari 2008 gedurende de looptijd van deze
mantelovereenkomst het aantal werknemers vallende onder deze
mantelovereenkomst Inkomensgarantieverzekeringen beneden de 3500
werknemers is gedaald, heeft OHRA het recht deze mantelovereenkomst te
beëindigen met inachtneming van de opzegtermijn. Alvorens daartoe over te
gaan zullen CAO-partijen en OHRA overleg plegen over de oorzaken, die aan
dit feit ten grondslag liggen.
4. Acceptatie
a. Werknemers, die gedurende de looptijd van deze mantelovereenkomst binnen
60 dagen na aanvang van deze mantelovereenkomst respectievelijk na
indiensttreding, op grond van artikel 3 lid b of c. zijn of worden aangemeld,
zullen door OHRA automatisch zonder medische selectie worden
geaccepteerd;
b. Werknemers, die ná de termijn van 60 dagen na aanvang van de
verzekeringsovereenkomst respectievelijk na indiensttreding worden
aangemeld, dienen een gezondheidsverklaring in te vullen. De beoordeling
van deze gezondheidsverklaring kan er toe leiden dat de verzekering op
gewijzigde voorwaarden zal worden geaccepteerd of niet wordt geaccepteerd;
c. Werknemers, die deel uitmaken van een collectiviteit van een werkgever
kunnen zich aan deze collectiviteit onttrekken door het tekenen van een
afstandsverklaring. De werkgever kan daarnaast aan de betreffende
werknemer vragen zijn partner mede te laten ondertekenen en/of de
afstandsverklaring met redenen te omkleden.
5. Communicatie
a. CAO-partijen respectievelijk de werkgevers vallende onder de CAO zorgen er
voor dat minimaal 3500 medewerkers onder deze mantelovereenkomst
Inkomensgarantieverzekering verzekerd blijven;
b. CAO-partijen zullen zich inspannen om deelname aan deze
mantelovereenkomst Inkomensgarantieverzekeringen zo veel mogelijk te
bevorderen door onder andere:
- Opname in de standaardinformatie voor de werkgevers;
- Nieuwe werkgevers attent maken op deze verzekeringsmogelijkheid om
te voldoen aan de CAO;
c. CAO-partijen sluit gedurende de contractperiode geen mantelovereenkomst
met betrekking tot de onderhavige WIA-aanvullende
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen bij een andere verzekeraar. Indien
CAO-partijen niettemin overweegt over te gaan tot het sluiten van een
vergelijkbare WIA-aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering bij een
andere verzekeraar, zal zij spoedig mogelijk na het ontstaan van deze
overweging, doch minimaal 3 maanden voor de ingangsdatum van dat andere
contract overleg plegen met OHRA. OHRA heeft dan het recht haar
voorwaarden in overleg aan te passen.
6. Omschrijving van de Inkomensgarantieverzekering
a. Dekking
1. Basis Garantie: tot 65 jaar voor het arbeidsongeschiktheidsrisico
gecombineerd met
2. Extra Garantie: gedurende 5 jaar voor arbeidsmarktrisico, waarbij recht
op uitkering bestaat vanaf de datum waarop recht bestaat op een WIAuitkering
bij ziektegevallen met een eerste ziektedag vanaf 1 januari
2006;
3. De werkgever die al een WIA-aanvullende
arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft afgesloten heeft het recht
alleen de Extra Garantie af te sluiten, onder voorwaarde dat die
werkgever per de eerstvolgende contractsvervaldatum van de elders
lopende verzekering, deze beëindigt en gaat deelnemen aan de
gecombineerde dekking van deze mantelovereenkomst;
5. De premie voor de gecombineerde dekking bedraagt 0,47% van het
verzekerd loon;
6. De premie voor alleen de Extra Garantie bedraagt 0,30% van het
verzekerd loon.
b. Uitkering en indexering
1. Als basis voor de uitkering geldt het verzekerd loon van de werknemer
zoals deze bij de aanvang of de verlenging van de
verzekeringsovereenkomst, respectievelijk per 1 januari of eerdere
indiensttreding aan OHRA werd opgegeven.
2. de uitkering van de Basis Garantie wordt niet geïndexeerd;
3. de uitkering van de Extra Garantie wordt niet geïndexeerd;
c. Reïntegratie
1. OHRA spant zich zoveel mogelijk in om zowel de werkgever als zijn
werknemer te ondersteunen bij reïntegratie;
2. Uitgangspunt bij reïntegratie is passende arbeid; indien ondanks de
beoordeling van het UWV de werknemer volgens OHRA mogelijkheden
tot reïntegratie heeft, mag OHRA hiernaar handelen.
7. Samenwerking met Schouten Zekerheid
Bij het tot stand komen van deze mantelovereenkomst Inkomensgarantieverzekering
is Schouten Zekerheid als makelaar in assurantiën betrokken.
De verzekeringen onder deze mantelovereenkomst zullen rechtstreeks door
OHRA worden aangeboden aan de werkgevers vallende onder de CAO.
Op de samenwerking tussen Schouten Zekerheid en OHRA is de separaat
gesloten samenwerkingsovereenkomst van toepassing.
8. Contractduur
a. Contractstermijn:
Deze mantelovereenkomst gaat in per 1 januari 2006 en eindigt per 1 januari
2009. De mantelovereenkomst wordt daarna telkens voor een periode van 3
jaar stilzwijgend voortgezet, tenzij opzegging plaatsvindt volgens het bepaalde
in lid c. van dit artikel.;
b. Er vindt uiterlijk 4 maanden voor afloop van de contractstermijn van deze
mantelovereenkomst overleg tussen CAO-partijen en OHRA plaats over de
condities voor een volgende contractstermijn. In dit overleg wordt de premie
opnieuw vastgesteld aan de hand van de premie/schadecijfers binnen deze
mantelovereenkomst (experience rating);
c. Beëindiging van de mantelovereenkomst:
1. CAO-partijen en OHRA kunnen deze mantelovereenkomst opzeggen per
het einde van de contractstermijn, met inachtneming van een opzegtermijn
van 3 maanden. De opzegging dient per aangetekende brief te
geschieden;
2. OHRA kan deze mantelovereenkomst tussentijds uitsluitend opzeggen op
grond van artikel 3 lid d. CAO-partijen kunnen deze mantelovereenkomst
tussentijds uitsluitend opzeggen op grond van artikel 9 lid c.
9. Wijziging in premie en/of voorwaarden
a. Indien OHRA in overleg met CAO-partijen tussentijds wijzigingen aanbrengt in
de polisvoorwaarden en/of in de premietarieven van de verzekeringsvormen
waarop deze mantelovereenkomst ziet, zal OHRA deze wijzigingen op de
verzekeringsovereenkomsten vallende onder deze mantelovereenkomst
gelijktijdig en in dezelfde mate toepassen;
b. OHRA stelt de werkgevers vallende onder de CAO tenminste 14 dagen vóór
de ingangsdatum van de wijziging hiervan schriftelijk op de hoogte. OHRA
stelt CAO-partijen, tenminste 30 dagen voordat de werkgevers bericht krijgen,
hiervan op de hoogte;
c. CAO-partijen hebben niet het recht de wijzigingen te weigeren indien:
1. deze voortvloeit uit veranderingen in wettelijke regelingen of bepalingen,
waardoor de verplichtingen uit deze mantelovereenkomst niet of niet meer
behoorlijk kunnen worden nagekomen;
2. deze een verlaging van de premie en/of een uitbreiding van de dekking
inhoudt;
In andere gevallen kunnen CAO-partijen de wijzigingen weigeren, indien deze
vóór de datum van wijziging hiervan kennis geeft. Heeft OHRA geen
mededeling ontvangen, dan wordt deze mantelovereenkomst voortgezet op
basis van de nieuwe voorwaarden en/of premie.
10. Bijzondere bepalingen
a. Minstens éénmaal per jaar zal de ontwikkeling binnen deze
mantelovereenkomst tussen Partijen bij C.A.O. voor de Bitumineuze en
Kunststof Dakbedekkingsbedrijven en OHRA worden besproken; in verband
hiermee zal OHRA alle relevante informatie beschikbaar stellen waaruit de
ontwikkeling van deze mantelovereenkomst blijkt.
Aldus overeengekomen, in tweevoud opgemaakt en getekend, te Nieuwegein, 26
september 2006.
Vereniging Dakbedekkingsbranche Nederland (VEBIDAK), OHRA
Ziektekostenverzekeringen N.V.
J.G. ter Weele P. de Rooij
Voorzitter VEBIDAK directeur Zorg & Inkomen
Mr C.F. Woortman
Directeur/secretaris VEBIDAK
FNV Bouw Schouten Zekerheid
F.W.C.M. Kokke E. Kreft
Sectorbestuurder Commercieel Directeur
Hout- en Bouwbond CNV
A. van den Brink
Sectorbestuurder




